Bijlage 8 - Stikstonderzoek
Tekst van het document
Admiraal De Ruyter Ziekenhuis (Adrz) te Goes
Onderzoek naar stikstofemissie en -depositie op Natura 2000-gebieden
Rapportnummer ZA 1505-4-RA-003 d.d. 27 november 2025
Admiraal De Ruyter Ziekenhuis (Adrz) te Goes
Onderzoek naar stikstofemissie en -depositie op Natura 2000-gebieden
Opdrachtgever: Admiraal De Ruyter Ziekenhuis Rapportnummer: ZA 1505-4-RA-003 Datum: 27 november 2025 Referentie: RN/DKo/JMa/ZA 1505-4-RA-003 Verantwoordelijke: ir. R. Noordman Opsteller: bc. D. Kouwenhoven-Vrolijk 085 8228720 d.kouwenhoven@peutz.nl
Peutz bv, postbus 696, 2700 ar zoetermeer, +31 85 822 87 00, info@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid NLingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015 mook - zoetermeer - groningen - eindhoven - haps - düsseldorf - dortmund - berlijn - nürnberg - leuven - parijs - lyon
ZA 1505-4-RA-003 2
Inhoudsopgave 1
Inleiding
5
2
Wet- en regelgeving
6
3
Voortoets
7
3.1
Algemeen
7
3.2
Uitgangspunten jaar 1
8
3.2.1
Huidig gebruik Adrz
3.2.2
Huidig gebruik Revant
11
3.2.3
Sloop-/ aanlegfase jaar 1
12
Uitgangspunten jaar 2
15
3.3.1
Algemeen
15
3.3.2
Aanlegfase jaar 2
15
3.3
3.4
8
Uitgangspunten jaar 3
16
3.4.1
Algemeen
16
3.4.2
Aanlegfase jaar 3
16
3.5
Uitgangspunten jaar 4
18
3.5.1
Beoogd gebruik Adrz
18
3.5.2
Beoogd gebruik Revant
21
3.5.3
Sloop-/ aanlegfase jaar 4
21
3.6
Uitgangspunten beoogde gebruiksfase
23
3.7
Berekeningen
23
3.7.1
Modelvorming
23
3.7.2
Rekenresultaten
24
Beoordeling
24
Passende beoordeling
25
4.1
Algemeen
25
4.2
3.8 4
Uitgangspunten referentiesituatie
25
4.2.1
Adrz en Revant
25
4.2.2
Bemeste percelen
25
4.3
Berekeningen
25
4.3.1
Modelvorming
25
4.3.2
Rekenresultaten
26
Additionaliteitstoets
27
5 5.1
Algemeen
27
5.2
Additionaliteit
28
5.3
Depositieveranderingen in Natura 2000-gebieden
28
5.4
Natura 2000-gebied Oosterschelde
30 ZA 1505-4-RA-003 3
5.4.1
Autonome afname stikstofdepositie
30
5.4.2
Stikstofgevoeligheid habitats
30
5.4.3
Natuurdoelanalyse en advies Ecologische Autoriteit
31
Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe
32
5.5.1
Autonome afname stikstofdepositie
32
5.5.2
Stikstofgevoeligheid habitats
33
5.5.3
Natuurdoelanalyse en advies Ecologische Autoriteit
33
Bijdrage van het project aan de daling van de stikstofdepositie.
34
Beoordeling en conclusie
36
5.5
5.6
6
De inhoud van dit document mag niet worden gewijzigd. Het document mag zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Peutz niet in delen worden verspreid. Peutz aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit of samenhangt met het wijzigen van de inhoud van dit document.
ZA 1505-4-RA-003 4
1
Inleiding Het voornemen bestaat om het Admiraal de Ruyterziekenhuis te Goes (hierna: Adrz) te slopen en een nieuw ziekenhuis ernaast te realiseren. De nieuwbouw omvat circa 43.469 m2 bvo. Voorafgaand aan deze ontwikkeling zal de een deel van de bebouwing worden gesloopt. Na realisatie van de nieuwbouw wordt deze in gebruik genomen en wordt het oude ziekenhuis gesloopt. Het plangebied is gelegen tussen de Natura 2000gebieden Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe, welke zich beiden op een afstand van circa 4 km van de beoogde ontwikkeling bevinden. Op circa 6 km afstand is tevens het Natura 2000-gebied Yerseke en Kapelse Moer. In figuur f 1.1 is de locatie van het plangebied in de ruime omgeving weergegeven, inclusief de nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
f 1.1 Ligging plangebied t.o.v. omliggende Natura 2000-gebieden
Middels dit onderzoek wordt inzicht gegeven in de stikstofemissie en -depositie ten gevolge van de sloop-/ aanleg- en gebruiksfase van nieuwbouw te Goes. De stikstofemissie van de sloop- en aanlegfase is gebaseerd op een inschatting van de toekomstige sloop- en bouwactiviteiten op de benoemde locatie. De beoogde gebruiksfase is gebaseerd op CROW-kentallen. In het kader van de TAM-IMRO procedure wordt beschouwd in hoeverre in het planspoor stikstof een knelpunt vormt.
ZA 1505-4-RA-003 5
2
Wet- en regelgeving Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Regels met betrekking tot activiteiten met significante effecten op Natura 2000-gebieden, voorheen onderdeel van de Wet natuurbescherming, zijn nu opgenomen in paragraaf 11.1.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De Omgevingswet biedt de juridische basis voor de vergunningverlening met betrekking tot te beschermen natuurgebieden. In het kader van een toets aan de Omgevingswet wordt bepaald of bedrijfsactiviteiten (mogelijke) significante effecten veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Hiertoe dienen de mogelijke effecten op soorten, habitats van soorten en op habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen in beeld te worden gebracht. Indien er sprake is van significante gevolgen op een Natura 2000-gebied leidt dit tot een Natura 2000-activiteit onder de Omgevingswet. Vanwege emissies van luchtverontreinigende stoffen zijn de storende factoren 'vermesting' en 'verzuring' mogelijk relevant. Vermesting is de 'verrijking' van ecosystemen door met name stikstof en fosfaat, verzuring van bodem of water is een gevolg van de emissie van vervuilende gassen. De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof).
Diverse habitattypen in de Natura 2000-gebieden zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor vermesting en verzuring. De gevoeligheid wordt uitgedrukt in een kritische depositiewaarde (KDW) per habitattype. Deze kritische depositiewaarde is de grens waarboven de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie. Ten behoeve van toetsing van de mogelijke effecten dient de stikstofdepositie in Natura 2000gebieden vanwege de voorgenomen activiteiten derhalve gekwantificeerd te worden. Als een activiteit (tijdelijk of permanent van aard) stikstofemissie veroorzaakt op een Natura 2000-gebied, dient de initiatiefnemer van de activiteit te onderzoeken of de activiteit leidt tot een Natura 2000-activiteit onder de Omgevingswet. In een voortoets wordt beschouwd of significante gevolgen zijn uitgesloten (stikstofdepositie (≤ 0,00 mol N/ha/j). Indien uit de voortoets een stikstofdepositie (≥ 0,01 mol N/ha/j) blijkt, wordt een passende beoordeling opgesteld. In de passende beoordeling dient te worden aangetoond dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet worden aangetast, hierbij mag gebruik worden gemaakt van mitigerende maatregelen waaronder intern en extern salderen.
Indien de aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000 gebieden niet uitgesloten kunnen worden, kan in specifieke gevallen een vergunning worden verleend middels een ADC-toets. ZA 1505-4-RA-003 6
3
Voortoets
3 .1 A lg e me en
Het voornemen bestaat om het bestaande ziekenhuis Adrz te Goes te vervangen voor nieuwbouw. Ten behoeve van de nieuwbouw zal allereerst de semipermanente huisvesting (circa 2.500 m2) worden gesloopt, waarna de nieuwbouw (43.469 m2) gerealiseerd kan worden. Na realisatie van de nieuwbouw zal het huidige ziekenhuis worden gesloopt. Binnen het plangebied is tevens het Revant revalidatiecentrum gevestigd welke in gebruik zal blijven gedurende de sloop-/aanlegfase en het uiteindelijke gebruik van de nieuwbouw. In figuur f 3.1 is overzicht van de bestaande situatie en de locatie van de beoogde nieuwbouw weergegeven.
f 3.1 Beoogde ontwikkeling
Voorafgaand aan deze ontwikkeling zal de bestaande bebouwing aan de noordzijde (kantoren) op deze locatie worden gesloopt. Relevant voor de emissie van stikstofhoudende verbindingen gedurende de sloop-/ en aanlegfase zijn de mobiele werktuigen en de transportbewegingen. Gedurende de gebruiksfase zijn enkel de transportbewegingen van belang, aangezien de ontwikkeling gasloos gerealiseerd wordt. Daarnaast zijn de activiteiten van het Revant revalidatiecentrum van belang.
ZA 1505-4-RA-003 7
Aangezien de sloop- en aanlegfase over meerdere jaren zijn verspreid, zijn de volgende rekenjaren beschouwd: - Jaar 1 (2026): huidig gebruik Adrz en Revant + sloop kantoren en start nieuwbouw; - Jaar 2 (2027): huidig gebruik Adrz en Revant + ruwbouw; - Jaar 3 (2028): huidig gebruik Adrz en Revant + afbouw; - Jaar 4 (2029): beoogd gebruik Adrz en huidig gebruik Revant + sloop oudbouw; - Jaar 5 (2030): beoogd gebruik Adrz en huidig gebruik Revant. 3 .2 Ui tg angspunt en j a ar 1 3.2.1 Huidig gebruik A drz
Adrz kent momenteel een oppervlakte van 43.387 m2 en zal gedurende de aanlegfase van de nieuwbouw volledig in gebruik blijven. De kantoren worden gesloopt, maar uitgangspunt is dat de medewerkers in het hoofdgebouw werkzaam zullen blijven. Adrz maakt gebruik van gasgestookte installaties voor de verwarming van het pand, daarnaast vinden er transportbewegingen van en naar het ziekenhuis plaats. Gasgestookte installaties
Op basis van een energiebesparingsonderzoek van 2024 blijkt het huidige gasverbruik 832.769 m3/jr. Het verstoken van 1 m3 aardgas levert circa 9 Nm3 rookgas. Voor de bepaling van de stikstofemissie van de verwarmingsinstallaties kan worden aangesloten bij een emissie-eis van 70 mg NOx/Nm3 in rookgas afkomstig uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Op basis hiervan bedraagt de NOx-emissie van de verwarmingsinstallaties circa 524,6 kg/jaar. Noodstroomaggregaat
Binnen Adrz is een noodstroomaggregaat van 600 kW aanwezig ten aanzien van de noodstroomvoorziening. Uitgangspunt is dat het noodstroomaggregaat om de week wordt getest gedurende 30 minuten. De stikstofemissie ten gevolge van het noodstroomaggregaat is weergegeven in tabel t 3.1. Het brandstofverbruik van het materieel is berekend conform Ligterink et al., 20211. Er is geen AdBlue verbruik gehanteerd. t 3.1 Emissies ten gevolge van het noodstroomaggregaat (NSA) Materieel
NSA
1
Stageklasse/ Vermogen bouwjaar [kW]
IIIA/ 2006
600
Gem. Diesel- Totale Totale motor- verbruik bedrijfs- dieselbelasting [l/u] tijd [u] verbruik [%] [l/jr] 47,3
84,34
26
2.193
Totale emissie NOx [kg/jr]
Totale emissie NH3 [kg/jr]
65,9
0,02
Ligterink et al., 2021. 'AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste inschatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen'. TNO_2021_R12305 p. 15; bij dit rapport heeft TNO een Excel spreadsheet (v. 2024) gepubliceerd met daarin de rekenmodules. ZA 1505-4-RA-003 8
Helikopter
Op het terrein van Adrz een helikopterplatform aanwezig. Conform de luchthavenregeling vinden daar vijftienmaal per jaar een start/landing plaats met een Eurocopter EC135 met een MTOW van 2910 kg. De coördinaten van het helikopterplatform in het RD-stelsel zijn: x = 52428, y = 389450 en z = 1,5 m hoogte boven maaiveld. In het kader van stikstof zijn de volgende twee aspecten van belang: 1. emissies gedurende de LTO (landing-takeoff)-cycle; 2. emissies gedurende kruisvlucht. Voor wat betreft de bepaling van de emissies als gevolg van bovengenoemde activiteiten is gebruik gemaakt van de emissiekentallen op basis van ‘Guidance on the Determination of Helicopter Emissions’2. Tabel t 3.2 toont de helikopter die gebruik gaat maken van de helihaven van het MST, alsmede de bijbehorende NOx-emissies tijdens de LTO-cyclus en tijdens een 1-uur kruisvlucht. t 3.2 Overzicht helikoptertypes MST Enschede Helikoptertype
Motortype
Emissiefactor LTO-cyclus NOx (g/LTO)
Emissiefactor kruisvlucht NOx (kg/uur)
EC 135/H135
ARRIUS 2B1/2B2
206,9
1,66
Voor de helikopters is gezien de ligging van de Natura 2000-gebieden in voorliggend onderzoek een kruisvlucht van 10 km per vliegbeweging aangehouden. Bovendien wordt aangenomen dat de kruisvlucht plaatsvindt met een gemiddelde snelheid van 200 km/uur (55,6 m/s) met een hoogte van 500 voet (ca. 153 meter), voor buiten de bebouwde kom (worst-case). Tabel t 3.3 toont een overzicht van de totale NOx-emissies op jaarbasis, uitgaande van 30 vliegbewegingen/jaar (15 starts en 15 landingen) zoals opgenomen in de Luchthavenregeling van Adrz. Omdat één bezoekende heli in totaal 2 vliegbewegingen maakt (aankomend en vertrekkend) worden in totaal 15 LTO-cycli/jaar aangenomen. t 3.3 Luchtemissies helikopters Aantal vliegbewegingen/jaar 30
NOx-emissie LTO-cyclus
Totale NOx-emissie
[kg/jaar]
NOx-emissie 10 km kruisvlucht [kg/jaar]
3,1
2,5
5,6
[kg/jaar]
Conform de Luchthavenregeling zijn twee in- en uitvliegrichtingen, te weten de vliegrichting van 175 graden en van 355 graden. Vanuit een worst-case benadering is een vliegrichting in noordoostelijke richting aangehouden, richting het dichtstbijzijnde en maatgevende Natura 2000-gebied. 2
Guidance on the Determination of Helicopter Emissions, d.d. december 2015, referentie COO.2207.111.2.2015750 & helicopter_emissionstable_2017-07-17.xls, door Federal Office of Civil Aviation FOCA, Swiss Confederation. ZA 1505-4-RA-003 9
Transportbewegingen
Adrz heeft op dit moment circa 2.500 medewerkers, waarvan er dagelijks 1.750 medewerkers op de locatie actief zijn. De verwachting is dat het aantal medewerkers de komende jaren niet zal toenemen en mogelijk door de arbeidsmarktkrapte zelfs mogelijk afneemt. Op basis van CROW-kentallen in een matig stedelijk gebied en rest bebouwde kom, heeft Adrz een verkeersgeneratie van maximaal 7,8 verkeersbewegingen per 100 m 2 bvo tot gevolg. Er wordt aangesloten bij de maximale verkeersaantallen vanwege de sterke regionale functie en het landelijke karakter van de gemeente Goes (met veel buitengebied), waardoor een groot deel van de patiënten is aangewezen op de auto. Per etmaal doen circa 3.384 voertuigbewegingen plaatsvinden. Uitgangspunt is een verdeling van 98% lichte, 1,5% middelzware en 0,5% zware voertuigen per etmaal. Eén voertuig heeft twee voertuigbewegingen ten gevolg. De voertuigaantallen zijn afgerond op hele voertuigen. 72% van het verkeer betreft bezoekers en doet derhalve het bezoekersparkeerterrein aan de westzijde van het ziekenhuis aan. De overige voertuigen rijden richting de personeelsparkeerplaats aan de oostzijde. Uitgangspunt is dat alle lichte voertuigen langer dan 2 uur geparkeerd staan en derhalve een koude start maken binnen het plangebied bij vertrek. De vrachtwagens zullen na het laden en lossen (circa 30 minuten) met warme motor het plangebied verlaten.
De transportbewegingen zijn gemodelleerd tot waar het verkeer in het heersende verkeersbeeld opgenomen is. Worst-case uitgangspunt is dat al het verkeer richting de A58 rijdt. Er is een rijroute gemodelleerd van het terrein van Adrz, over de ’s Gravenpolderseweg tot de oprit van de A58. De gehanteerde rijroutes van de personenwagens/bestelbussen en vrachtwagens zijn weergegeven in figuur f 3.2. Het verkeer is gemodelleerd als ‘binnen de bebouwde kom - normaal’. Op het terrein is het verkeer gemodelleerd als ‘binnen de bebouwde kom – stagnerend’. Deze verkeerstypering wordt gedefinieerd als “Stadsverkeer met een grote mate van congestie, een gemiddelde snelheid kleiner dan 15 km/h, gemiddeld ca. 10 stops per afgelegde km”. Hierdoor kan verondersteld worden dat de emissies als gevolg van manoeuvreren, stationair draaien, wisselen van containers e.d. zijn verdisconteerd in de aangehouden emissiefactor. Het laden en lossen op het terrein vindt plaats met uitgeschakelde vrachtwagenmotor.
ZA 1505-4-RA-003 10
f 3.2 Rijroute huidig gebruik Resumé
In tabel t 3.4 is de stikstofemissie per stikstofbron vermeld. t 3.4 Stikstofemissies per stikstofbron, huidig gebruik Adrz Omschrijving
Hoeveelheid
NOx-emissie [kg/jr]
Gasgestookte installaties
3
832.769 m gas/jaar
524,6
-
NSA
600 kW (26 uur/jaar)
65,9
0,02
Helikopter
15 vluchten per jaar
5,6
-
Omschrijving
Licht* per etmaal
Middelzwaar* per etmaal
Zwaar* per etmaal
1.391 (1.391)
-
-
267 (267)
-
-
Ziekenhuis – bezoekersparkeerplaats Ziekenhuis – personeel
NH3-emissie [kg/jr]
Ziekenhuis 26 (0) 9 (0) vrachtverkeer * één voertuig heeft twee voertuigbewegingen ten gevolg. Tussen de haakjes staat het aantal koude starts gegeven. 3.2.2 Huidig gebruik Revant
Revant Revalidatiecentrum kent een oppervlakte van circa 3.650 m 2 bvo en zal gedurende de bouwwerkzaamheden in gebruik blijven.
ZA 1505-4-RA-003 11
Gasgestookte installaties
Naar verwachting bedraagt het gasverbruik van Revant 70.203 m3 per jaar ten aanzien van de gasgestookte installaties, wat neerkomt op een NOx-emissie van 44,2 kg/jr. Transportbewegingen
De verkeersgeneratie ten gevolge van Revant is niet bekend. Derhalve is aangenomen dat de 93 beschikbare parkeerplaatsen dagelijks 3 keer worden gebruikt door de bezoekers en het personeel. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 558 voertuigbewegingen per etmaal. Uitgangspunt is een verdeling van 98% lichte, 1,5% middelzware en 0,5% zware voertuigen per etmaal. De voertuigaantallen zijn afgerond op hele voertuigen. Eén voertuig heeft twee voertuigbewegingen ten gevolg. Uitgangspunt is dat alle lichte voertuigen langer dan 2 uur geparkeerd staan en derhalve een koude start maken binnen het plangebied bij vertrek. De vrachtwagens zullen na het laden en lossen (circa 30 minuten) met warme motor het plangebied verlaten. De gehanteerde rijroutes zijn weergegeven in figuur f 3.2. Resumé
In tabel t 3.5 is de stikstofemissie per stikstofbron vermeld. t 3.5 Stikstofemissies per stikstofbron, huidig gebruik Revant Omschrijving
Gasverbruik
NOx [kg/jr]
Gasgestookte installaties
70.203 m /jr
44,2
Licht* per etmaal
Middelzwaar* per etmaal
Zwaar* per etmaal
274 (274)
-
-
-
4 (0)
2 (0)
Omschrijving Revant personeel en bezoekers Revant - vrachtverkeer
3
* één voertuig heeft twee voertuigbewegingen ten gevolg. Tussen de haakjes staat het aantal koude starts gegeven. 3.2.3 Sloop-/ aanlegfase jaar 1
Ten tijde van het eerste jaar, vindt de sloop van de semipermanente huisvesting (circa 2.500 m2 aan kantoren) plaats. Tevens wordt gestart met het grondwerk, de heiwerkzaamheden en de fundering. Ten tijde van de sloop-/aanlegfase vindt er materieelinzet binnen het plangebied plaats. De sloopwerkzaamheden beginnen in 2026, gevolgd door de bouwwerkzaamheden. Navolgend is de materieelinzet gedurende 12 aaneengesloten maanden beschouwd. Materieelinzet
Een werkweek betreft 5 werkdagen, waarbij gedurende 8 uur gewerkt wordt. Uitgangspunt zijn 240 werkbare dagen per jaar. De materieelinzet gedurende de sloop- en bouwwerkzaamheden zijn gebaseerd op vergelijkbare projecten. Het brandstofverbruik
ZA 1505-4-RA-003 12
van het materieel is berekend conform Ligterink et al., 2021 3. Op basis van paragraaf 8.1.1 van de 'Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2025' is 6% AdBlue verbruik gehanteerd. De verwachte materieelinzet in het eerste jaar is weergegeven in tabel t 3.6. Tevens is de totale emissie van NOx en NH3 gegeven, die berekend is met Aerius Calculator. Tijdens de werkzaamheden wordt tevens een elektrische verrijker/ heftruck ingezet. Aangezien elektrisch materieel geen stikstofemissie kent, is deze niet nader beschouwd. t 3.6 Emissies ten gevolge van het materieel tijdens de sloop- en aanlegfase jaar 1 Materieel
Stageklasse Vermogen / bouwjaar [kW]
Gem. Diesel- Totale Totale motor- verbruik bedrijfs- dieselbelasting [l/u] tijd [u] verbruik [%] [l/jr]
Graafmachine
IV/ 2015
165
36,7
Shredder
IV/ 2014
235
47,3
Loader
V/ 2019
135
29,9
Bobcat
IV/ 2014
55
29,9
Shovel
V/ 2019
130
29,9
Graafmachine
IV/ 2017
105
36,7
Fundex
V/ 2019
220
36,7
Betonpomp
IV/ 2014
300
47,3
Bouwkraan
IV/ 2014
250
36,7
Betonpomp
IV/ 2014
300
47,3
Totale emissie NOx [kg/jr]
Totale emissie NH3 [kg/jr]
90
1.537
8,9
0,4
30,94
20
619
3,5
0,1
11,30
20
226
1,1
0,05
5,11
40
204
4,3
0,002
10,90
80
872
5,3
0,2
10,89
120
1.307
7,9
0,3
21,90
400
8.760
49,1
2,1
39,35
70
2.754
15,3
0,7
25,82
40
1.033
5,8
0,2
70
2.754
15,3
0,7
Totaal:
116,4
4,8
17,08
39,35
Transportbewegingen
Gedurende het eerste jaar doen diverse voertuigen de locatie aan. De verwachte voertuigaantallen per jaar, op basis van vergelijkbare projecten, staan gegeven in tabel t 3.7. Uitgangspunt is dat alle lichte voertuigen op het terrein parkeren en na een werkdag (> 2 uur) weer vertrekken. Alle lichte voertuigen maken een koude start binnen het plangebied. De vrachtwagens zullen na het laden en lossen (circa 30 minuten) met warme motor vertrekken en derhalve geen koude start maken binnen het plangebied. t 3.7 Aantal voertuigen sloop-/aanlegfase jaar 1 Voertuigtype Lichte voertuigen (personenwagens/ bestelbussen) Zware voertuigen (vrachtwagens)
3
Voertuigaantallen (aantal koude starts) 9.600 (9.600) 2.880 (0)
Ligterink et al., 2021. 'AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste inschatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen'. TNO_2021_R12305 p. 15; bij dit rapport heeft TNO een Excel spreadsheet (v. 2024) gepubliceerd met daarin de rekenmodules. ZA 1505-4-RA-003 13
De transportbewegingen zijn gemodelleerd tot waar het verkeer in het heersende verkeersbeeld opgenomen is. De exacte rijroute van het bouwverkeer is vooralsnog onbekend, derhalve is de meest voor de hand liggende rijroute gemodelleerd. De rijroute loopt over de Abbekindersezandweg en de Spaanweg richting de A58. De gehanteerde rijroutes van de personenwagens/bestelbussen en vrachtwagens van het bouwverkeer gedurende de sloop-/aanlegfase zijn weergegeven in figuur f 3.3. Het verkeer is gemodelleerd als ‘buitenweg’. Op het terrein is het verkeer gemodelleerd als ‘binnen de bebouwde kom – stagnerend’. Deze verkeerstypering wordt gedefinieerd als “Stadsverkeer met een grote mate van congestie, een gemiddelde snelheid kleiner dan 15 km/h, gemiddeld ca. 10 stops per afgelegde km”. Hierdoor kan verondersteld worden dat de emissies als gevolg van manoeuvreren, stationair draaien, wisselen van containers e.d. zijn verdisconteerd in de aangehouden emissiefactor. Het laden en lossen op het terrein vindt plaats met uitgeschakelde vrachtwagenmotor.
f 3.3 Rijroute bouwverkeer
ZA 1505-4-RA-003 14
Resumé
In tabel t 3.8 is de stikstofemissie per stikstofbron vermeld. t 3.8 Stikstofemissies per stikstofbron, sloop-/aanleg jaar 1 Omschrijving
NOx [kg/jr]
NH3 [kg/jr]
Materieelinzet
116,4
4,8
Omschrijving
Licht* per jaar
Middelzwaar* per jaar
Zwaar* per jaar
Bouwverkeer
9.600 (9.600)
-
2.880 (0)
* één voertuig heeft twee voertuigbewegingen ten gevolg. Tussen de haakjes staat het aantal koude starts gegeven. 3 .3 Ui tg angspunt en j a ar 2 3.3.1 Algemeen
Gedurende het tweede bouwjaar vindt tevens het huidige gebruik van Adrz en Revant plaats (zie paragraaf 3.2.1 en 3.2.2 ). Navolgend is de materieelinzet en de verwachtte transportbewegingen gedurende het tweede bouwjaar omschreven. 3.3.2 Aanlegfase jaar 2 Materieelinzet
Ten tijde van het tweede jaar, vindt de ruwbouw van de nieuwbouw plaats. Ten tijde van de aanlegfase vindt er materieelinzet binnen het plangebied plaats. Navolgend is de materieelinzet gedurende 12 aaneengesloten maanden beschouwd. De verwachte materieelinzet is weergegeven in tabel t 3.9. Tevens is de totale emissie van NOx en NH3 gegeven, die berekend is met Aerius Calculator. Tijdens de ruwbouw worden tevens twee elektrische bouwkranen en een elektrische verrijker/heftruck gebruikt. Aangezien elektrisch materieel geen stikstofemissie kent, is dit niet nader beschouwd. t 3.9 Emissies ten gevolge van het materieel tijdens de aanlegfase jaar 2 Materieel
Stageklasse Vermogen / bouwjaar [kW]
Gem. Diesel- Totale Totale motor- verbruik bedrijfs- dieselbelasting [l/u] tijd [u] verbruik [%] [l/jr]
Totale emissie NH3 [kg/jr]
6,7
0,3
Bouwkraan 200 t
IV/ 2014
370
36,7
37,96
32
Bouwkraan 70 t
IV/ 2014
330
36,7
33,91
32
1.085
6,1
0,3
39,35
320
12.592
69,4
3,0
33,91
416
14.107
78,5
3,4
Totaal:
160,6
7,0
Betonpomp
IV/ 2014
300
47,3
Bouwkraan 70 t
IV/ 2014
330
36,7
1.215
Totale emissie NOx [kg/jr]
ZA 1505-4-RA-003 15
Transportbewegingen
Gedurende het tweede jaar doen diverse voertuigen de locatie aan. De verwachte voertuigaantallen per jaar, op basis van vergelijkbare projecten, staan gegeven in tabel t 3.7. Uitgangspunt is dat alle lichte voertuigen op het terrein parkeren en na een werkdag (> 2 uur) weer vertrekken. Alle lichte voertuigen maken een koude start binnen het plangebied. De vrachtwagens zullen na het laden en lossen (circa 30 minuten) met warme motor vertrekken en derhalve geen koude start maken binnen het plangebied. t 3.10Aantal voertuigen aanleg jaar 2 Voertuigtype
Voertuigaantallen (aantal koude starts)
Lichte voertuigen (personenwagens/ bestelbussen)
12.000 (12.000)
Zware voertuigen (vrachtwagens)
1.750 (0)
De transportbewegingen zijn gelijk aan het eerste sloop-/aanlegjaar en zijn weergegeven in figuur f 3.3. Resumé
In tabel t 3.11 is de stikstofemissie per stikstofbron vermeld. t 3.11Stikstofemissies per stikstofbron, aanleg jaar 2 Omschrijving
NOx [kg/jr]
NH3 [kg/jr]
Materieelinzet
160,6
7,0
Omschrijving
Licht* per jaar
Middelzwaar* per jaar
Zwaar* per jaar
Bouwverkeer
12.000 (12.000)
-
1.750 (0)
* één voertuig heeft twee voertuigbewegingen ten gevolg. Tussen de haakjes staat het aantal koude starts gegeven. 3 .4 Ui tg angspunt en j a ar 3 3.4.1 Algemeen
Gedurende het derde bouwjaar vindt tevens het huidige gebruik van Adrz en Revant plaats (zie paragraaf 3.2.1 en 3.2.2 ). Navolgend is de materieelinzet en de verwachtte transportbewegingen gedurende het derde bouwjaar omschreven. 3.4.2 Aanlegfase jaar 3 Materieelinzet
Ten tijde van het derde jaar, vindt de afbouw en de terreinaanleg van de nieuwbouw plaats. Ten tijde van de aanlegfase vindt er materieelinzet binnen het plangebied plaats. Navolgend is de materieelinzet gedurende 12 aaneengesloten maanden beschouwd. De verwachte materieelinzet is weergegeven in tabel t 3.12. Tevens is de totale emissie van NOx en NH3 gegeven, die berekend is door Aerius Calculator. Tijdens de afbouw worden tevens twee elektrische bouwkranen en een elektrische verrijker/heftruck gebruikt. Aangezien elektrisch materieel geen stikstofemissie kent, is dit niet nader beschouwd. ZA 1505-4-RA-003 16
t 3.12Emissies ten gevolge van het materieel tijdens de aanlegfase jaar 3 Materieel
Stageklasse/ Vermogen bouwjaar [kW]
Gem. Diesel- Totale Totale motor- verbruik bedrijfs- dieselbelasting [l/u] tijd [u] verbruik [%] [l/jr]
Totale emissie NOx [kg/jr]
Totale emissie NH3 [kg/jr]
IV/ 2014
105
36,7
11,16
240
2.678
15,5
0,6
Shovel
V/ 2019
130
29,9
10,90
160
1.744
10,1
0,4
Minishovel
III/ 2004
37
29,9
3,95
240
948
6,3
0,2
Tractor
IV/ 2014
155
29,9
13,41
240
Graafmachine
3.218
18,6
0,8
Totaal:
50,4
2,1
Transportbewegingen
Gedurende het tweede jaar doen diverse voertuigen de locatie aan. De verwachte voertuigaantallen per jaar, op basis van vergelijkbare projecten, staan gegeven in tabel t 3.7. Uitgangspunt is dat alle lichte voertuigen op het terrein parkeren en na een werkdag (> 2 uur) weer vertrekken. Alle lichte voertuigen maken een koude start binnen het plangebied. De vrachtwagens zullen na het laden en lossen (circa 30 minuten) met warme motor vertrekken en derhalve geen koude start maken binnen het plangebied. t 3.13Aantal voertuigen aanleg jaar 3 Voertuigtype
Voertuigaantallen (aantal koude starts)
Lichte voertuigen (personenwagens/ bestelbussen)
13.400 (13.400)
Zware voertuigen (vrachtwagens)
1.200 (0)
De transportbewegingen zijn gelijk aan het eerste sloop-/aanlegjaar en zijn weergegeven in figuur f 3.3. Resumé
In tabel t 3.14 is de stikstofemissie per stikstofbron vermeld. t 3.14Stikstofemissies per stikstofbron, aanleg jaar 3 Omschrijving
NOx [kg/jr]
NH3 [kg/jr]
Materieelinzet
50,4
2,1
Omschrijving
Licht* per jaar
Middelzwaar* per jaar
Zwaar* per jaar
Bouwverkeer
13.400 (13.400)
-
1.200 (0)
* één voertuig heeft twee voertuigbewegingen ten gevolg. Tussen de haakjes staat het aantal koude starts gegeven.
ZA 1505-4-RA-003 17
3 .5 Ui tg angspunt en j a ar 4 3.5.1 Beoogd gebruik A drz
De nieuwbouw kent een oppervlakte van 43.469 m 2. Na het afronden van de aanlegfase, zullen de activiteiten overgaan naar de nieuwbouw, waarna de oudbouw gesloopt zal worden. De nieuwbouw zal gasloos gerealiseerd worden, derhalve zijn voor het aspect stikstof enkel de dieselgenerator, helikopterbewegingen en de transportbewegingen van belang. Noodstroomaggregaat
Binnen Adrz zijn twee noodstroomaggregaten van 2.000 kW aanwezig ten aanzien van de noodstroomvoorziening. Uitgangspunt is dat de noodstroomaggregaten om de week wordt getest gedurende 30 minuten. De stikstofemissie ten gevolge van het noodstroomaggregaat is weergegeven in tabel t 3.15. Het brandstofverbruik van het materieel is berekend conform Ligterink et al., 20214. Op basis van paragraaf 8.1.1 van de 'Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2025' is 3% AdBlue verbruik gehanteerd. t 3.15Emissies ten gevolge van de noodstroomaggregaten (NSA) Materieel
NSA
Stageklasse/ Vermogen bouwjaar [kW]
III/ 2006
2.000
Gem. Diesel- Totale Totale motor- verbruik bedrijfs- dieselbelasting [l/u] tijd [u] verbruik [%] [l/jr] 47,3
240,59
52
12.511
Totale emissie NOx [kg/jr]
Totale emissie NH3 [kg/jr]
140,5
3,0
Helikopter
De exacte locatie van het helikopterplatform is vooralsnog niet bekend. Vanuit een worstcase benadering is uitgegaan van de meest noordoostelijke ligging (x = 52536, y = 389369 en z = 1,5 m hoogte boven maaiveld). Dezelfde helikopters als in de huidige situatie zullen het plangebied aandoen, derhalve zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd zoals opgenomen in 3.2 . Tabel t 3.16 toont een overzicht van de totale NOx-emissies op jaarbasis, uitgaande van 30 vliegbewegingen/jaar (15 starts en 15 landingen) zoals opgenomen in de vigerende Luchthavenregeling van Adrz. Omdat één bezoekende heli in totaal 2 vliegbewegingen maakt (aankomend en vertrekkend) worden in totaal 15 LTO-cycli/jaar aangenomen.
4
Ligterink et al., 2021. 'AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste inschatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen'. TNO_2021_R12305 p. 15; bij dit rapport heeft TNO een Excel spreadsheet (v. 2024) gepubliceerd met daarin de rekenmodules. ZA 1505-4-RA-003 18
t 3.16
Luchtemissies helikopters Aantal vliegbewegingen/jaar 30
NOx-emissie LTO-cyclus
Totale NOx-emissie
[kg/jaar]
NOx-emissie 10 km kruisvlucht [kg/jaar]
3,1
2,5
5,6
[kg/jaar]
Vanuit een worst-case benadering is een vliegrichting in noordoostelijke richting aangehouden, richting het dichtstbijzijnde en maatgevende Natura 2000 -gebied. Transportbewegingen
Op basis van CROW-kentallen in een matig stedelijk gebied en rest bebouwde kom, heeft Adrz een verkeersgeneratie van maximaal 7,8 verkeersbewegingen per 100 m 2 bvo tot gevolg. Er wordt aangesloten bij de maximale verkeersaantallen vanwege de sterke regionale functie en het landelijke karakter van de gemeente Goes (met veel buitengebied), waardoor een groot deel van de patiënten is aangewezen op de auto. Per etmaal doen circa 3.391 voertuigbewegingen plaatsvinden. Uitgangspunt is een verdeling van 98% lichte, 1,5% middelzware en 0,5% zware voertuigen per etmaal. Één voertuig heeft twee voertuigbewegingen ten gevolg. De voertuigaantallen zijn afgerond op hele voertuigen. 72% van het verkeer betreft bezoekers en doet derhalve het bezoekersparkeerterrein aan de westzijde van het ziekenhuis aan. De overige voertuigen rijden richting de personeelsparkeerplaats aan de oostzijde. Uitgangspunt is dat alle lichte voertuigen langer dan 2 uur geparkeerd staan en derhalve een koude start maken binnen het plangebied bij vertrek. De vrachtwagens zullen na het laden en lossen (circa 30 minuten) met warme motor het plangebied verlaten. De transportbewegingen zijn gemodelleerd tot waar het verkeer in het heersende verkeersbeeld opgenomen is. Worst-case uitgangspunt is dat al het verkeer richting de A58 rijdt.
Er is een rijroute gemodelleerd van het terrein van Adrz, over de ’s Gravenpolderseweg tot de oprit van de A58. De gehanteerde rijroutes van de personenwagens/bestelbussen en vrachtwagens zijn weergegeven in figuur f 3.3. Het verkeer is gemodelleerd als ‘binnen de bebouwde kom - normaal’. Op het terrein is het verkeer gemodelleerd als ‘binnen de bebouwde kom – stagnerend’. Deze verkeerstypering wordt gedefinieerd als “Stadsverkeer met een grote mate van congestie, een gemiddelde snelheid kleiner dan 15 km/h, gemiddeld ca. 10 stops per afgelegde km”. Hierdoor kan verondersteld worden dat de emissies als gevolg van manoeuvreren, stationair draaien, wisselen van containers e.d. zijn verdisconteerd in de aangehouden emissiefactor. Het laden en lossen op het terrein vindt plaats met uitgeschakelde vrachtwagenmotor.
ZA 1505-4-RA-003 19
f 3.4 Rijroute huidig gebruik Resumé
In tabel t 3.17 is de stikstofemissie per stikstofbron vermeld. t 3.17
Stikstofemissies per stikstofbron, beoogd gebruik Adrz Omschrijving
Hoeveelheid
NOx-emissie [kg/jr]
NH3-emissie [kg/jr]
NSA (2x)
2.000 kW (52 uur)
140,5
3,0
Helikopter
15 vluchten per jaar
5,6
-
Omschrijving
Licht* per etmaal
Middelzwaar* per etmaal
Zwaar* per etmaal
1.391 (1.391)
-
-
271 (271)
-
-
Ziekenhuis – bezoekersparkeerplaats Ziekenhuis – personeel
Ziekenhuis 26 (0) 9 (0) vrachtverkeer * één voertuig heeft twee voertuigbewegingen ten gevolg. Tussen de haakjes staat het aantal koude starts gegeven.
ZA 1505-4-RA-003 20
3.5.2 Beoogd gebruik Revant
Het beoogde gebruik van Revant Revalidatiecentrum is gelijk aan het huidige gebruik (zie paragraaf 3.2.2 ). Wel zal het aantal parkeerplaatsen worden verlaagd naar 92 parkeerplaatsen. Transportbewegingen
De 92 parkeerplaatsen worden dagelijks 3 keer gebruikt door de bezoekers en het personeel. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 552 voertuigbewegingen per etmaal. Uitgangspunt is een verdeling van 98% lichte, 1,5% middelzware en 0,5% zware voertuigen per etmaal. De voertuigaantallen zijn afgerond op hele voertuigen. Eén voertuig heeft twee voertuigbewegingen ten gevolg. Uitgangspunt is dat alle lichte voertuigen langer dan 2 uur geparkeerd staan en derhalve een koude start maken binnen het plangebied bij vertrek. De vrachtwagens zullen na het laden en lossen (circa 30 minuten) met warme motor het plangebied verlaten. De gehanteerde rijroutes zijn weergegeven in figuur f 3.2. Resumé
In tabel t 3.18 is de stikstofemissie per stikstofbron vermeld. t 3.18
Stikstofemissies per stikstofbron, beoogd gebruik Revant Omschrijving
Gasverbruik
NOx-emissie [kg/jr]
Gasgestookte installaties
70.203 m /jr
44,2
Licht* per etmaal
Middelzwaar* per etmaal
Zwaar* per etmaal
271 (271)
-
-
-
4 (0)
2 (0)
Omschrijving Revant personeel en bezoekers Revant - vrachtverkeer
3
* één voertuig heeft twee voertuigbewegingen ten gevolg. Tussen de haakjes staat het aantal koude starts gegeven. 3.5.3 Sloop-/ aanlegfase jaar 4
Ten tijde van het vierde jaar, vindt de sloop van de oudbouw plaats en wordt het terrein op deze locatie heringericht. Navolgend is de materieelinzet gedurende 12 aaneengesloten maanden beschouwd. Materieelinzet
De verwachte materieelinzet in het eerste jaar is weergegeven in tabel t 3.19. Tevens is de totale emissie van NOx en NH3 gegeven, die berekend is met Aerius Calculator. Tijdens de werkzaamheden wordt tevens een elektrische verrijker/ heftruck ingezet. Aangezien elektrisch materieel geen stikstofemissie kent, is deze niet nader beschouwd.
ZA 1505-4-RA-003 21
t 3.19
Emissies ten gevolge van het materieel tijdens de sloop- en aanlegfase jaar 4 Materieel
Stageklasse/ Vermogen bouwjaar [kW]
Gem. Diesel- Totale Totale motor- verbruik bedrijfs- dieselbelasting [l/u] tijd [u] verbruik [%] [l/jr]
Totale emissie NOx [kg/jr]
Totale emissie NH3 [kg/jr]
Graafmachine
IV/ 2015
165
36,7
17,08
1.710
29.207
166,5
7,0
Shredder
IV/ 2014
235
47,3
30,94
380
11.757
65,6
2,8
Loader
V/ 2019
135
29,9
11,30
380
4.294
24,9
1,0
Bobcat
IV/ 2014
55
29,9
5,11
760
3.884
24,8
0,9
Graafmachine
IV/ 2017
105
36,7
11,16
160
1.786
10,5
0,4
Shovel
V/ 2019
130
29,9
10,90
100
1.090
6,6
0,3
Tractor
IV/ 2014
155
29,9
1.073
6,4
0,3
Totaal:
305,2
12,7
13,41
80
Transportbewegingen
Gedurende het vierde jaar doen diverse voertuigen de locatie aan. De verwachte voertuigaantallen per jaar, op basis van vergelijkbare projecten, staan gegeven in tabel t 3.7. Uitgangspunt is dat alle lichte voertuigen op het terrein parkeren en na een werkdag (> 2 uur) weer vertrekken. Alle lichte voertuigen maken een koude start binnen het plangebied. De vrachtwagens zullen na het laden en lossen (circa 30 minuten) met warme motor vertrekken en derhalve geen koude start maken binnen het plangebied. t 3.20
Aantal voertuigen sloop-/aanlegfase jaar 4 Voertuigtype Lichte voertuigen (personenwagens/ bestelbussen) Zware voertuigen (vrachtwagens)
Voertuigaantallen (aantal koude starts) 9.600 (9.600) 2.880 (0)
De transportbewegingen zijn gemodelleerd tot waar het verkeer in het heersende verkeersbeeld opgenomen is. Dezelfde rijroute is gehanteerd als gedurende de aanlegfase, met uitzondering van de route op het terrein. De gehanteerde rijroutes van de personenwagens/bestelbussen en vrachtwagens van het bouwverkeer gedurende de sloop-/aanlegfase zijn weergegeven in figuur f 3.5.
ZA 1505-4-RA-003 22
f 3.5 Rijroute bouwverkeer jaar 4 Resumé
In tabel t 3.21 is de stikstofemissie per stikstofbron vermeld. t 3.21
Stikstofemissies per stikstofbron, sloop-/aanleg jaar 4 Omschrijving
NOx-emissie [kg/jr]
NH3-emissie [kg/jr]
Materieelinzet
305,2
12,7
Omschrijving
Licht* per jaar
Middelzwaar* per jaar
Zwaar* per jaar
Bouwverkeer
9.600 (9.600)
-
2.880 (0)
* één voertuig heeft twee voertuigbewegingen ten gevolg. Tussen de haakjes staat het aantal koude starts gegeven. 3 .6 Ui tg angspunt en b eo ogde ge bru i ksfas e
Na de vier sloop-/ aanlegjaren vindt het beoogde gebruik van Adrz en Revant plaats. De uitgangspunten zijn omschreven in paragraaf 3.5.1 en 3.5.2 . 3 .7 B er e kening en 3.7.1 Modelvorming
De beoogde sloop-/aanlegfase en de gebruiksfase van de nieuwbouw te Goes is ingevoerd in Aerius Calculator 2025.0.1. De emissies van de beoogde activiteiten zijn door Aerius bepaald. De gehanteerde rekenjaren en de totale stikstofemissies zijn gegeven in tabel t 3.22. ZA 1505-4-RA-003 23
t 3.22
Stikstofemissies Omschrijving
Rekenjaar
NOx-emissie [kg/jr]
NH3-emissie [kg/jr]
Jaar 1
2026
1.641,1
63,4
Jaar 2
2027
1.602,9
63,0
Jaar 3
2028
1.423,5
55,5
Jaar 4
2029
1.313,9
69,8
Gebruiksfase
2030
867,2
53,8
3.7.2 Rekenresultaten
In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de rekenresultaten van de uitgevoerde Aerius-berekeningen. In bijlage 1 zijn overzichten van de berekeningen en resultaten opgenomen. t 3.23
Rekenresultaten Aerius Calculator 2025 Omschrijving
Maximale stikstofdepositie [mol N/ha/jr]
Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3 Jaar 4 Gebruiksfase
0,03 0,03 0,03 0,03 0,02
De beoogde activiteiten gedurende de sloop-/aanlegfase leiden tot maximale stikstofdepositie van 0,03 mol N/ha/jr. Gedurende de gebruiksfase wordt een stikstofdepositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jr berekend. Er wordt geen stikstofdepositie berekend op hexagonen met hersteldoelen. 3 .8 B e oord e ling
Uit de rekenresultaten blijkt dat de beoogde activiteiten een stikstofdepositie op de volgende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft: - Oosterschelde; - Westerschelde & Saeftinghe; - Manteling van Walcheren (enkel gedurende de eerste 4 jaren (sloop-/aanlegfase)); - Grevelingen (enkel gedurende de eerste 4 jaren (sloop-/ aanlegfase)). Doordat een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden wordt berekend, kunnen op voorhand de significante negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden niet worden uitgesloten waardoor beschouwd is of er sprake is van een toename in stikstofdepositie ten aanzien van de huidige situatie.
ZA 1505-4-RA-003 24
4
Passende beoordeling
4 .1 A lg e me en
Uit de voortoets blijkt een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden waardoor significante negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. In het kader van de TAM-IMRO procedure (planspoor) is bepaald of er sprake is ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie wordt bepaald door de huidige feitelijk aanwezige, planologische legale situatie5. 4 .2 Ui tg angspunt en r ef er ent i es itu at i e 4.2.1 Adrz en Revant
Het huidige gebruik van Adrz en Revant binnen het plangebied is omschreven in paragraaf 3.2.1 en 3.2.2 . Navolgend is beschouwd of er sprake is van een relevante toename in stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie (het huidige gebruik binnen het plangebied). 4.2.2 Bemeste percelen
Op de locatie (circa 12,2 ha) waar de nieuwe parkeerplaatsen worden gerealiseerd vindt landbouw plaats6. In het kader van het 'planspoor' dient voor wat betreft de referentiesituatie echter te worden uitgegaan van de feitelijk bestaande, planologisch legale situatie. Hiervoor kan worden aangesloten bij de gemiddelde emissiekentallen via de website van BIJ125. Het gemiddelde emissiekental van de gemeente Goes bedraagt 16,62 kg NH3/ha. De totale stikstofemissie van het perceel (12,2 ha) bedraagt circa 202,8 kg NH3/jr. 4 .3 B er e kening en 4.3.1 Modelvorming
De referentiesituatie en de beoogde activiteiten van de van de ontwikkeling is ingevoerd in Aerius Calculator 2025.0.1. De emissies van de referentiesituatie en de beoogde activiteiten zijn door Aerius bepaald. De totale stikstofemissies zijn gegeven in tabel t 4.1.
5 6
https://www.bij12.nl/onderwerp/stikstof/wnb-vergunning-aanvragen/referentiesituatie/ In bijlage 2 is het historische gebruik van de agrarische percelen opgenomen ZA 1505-4-RA-003 25
t 4.1 Stikstofemissies Omschrijving
Rekenjaar
NOx-emissie [kg/jr]
NH3-emissie [kg/jr]
Referentiesituatie
2026
1.440,7
258,2
Jaar 1
2026
1.707,9
63,5
Referentiesituatie
2027
1.385,0
256,1
Jaar 2
2027
1.669,3
63,1
Referentiesituatie
2028
1.329,0
253,7
Jaar 3
2028
1.489,7
55,7
Referentiesituatie
2029
1.273,2
251,6
Jaar 4
2029
1.455,3
72,9
Referentiesituatie
2030
1.217,2
249,5
Gebruiksfase
2030
1.007,7
56,8
4.3.2 Rekenresultaten
In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de rekenresultaten van de uitgevoerde verschilberekeningen van de beoogde situaties ten opzichte van de referentiesituatie. In bijlage 3 zijn overzichten van de berekeningen en resultaten opgenomen. t 4.2
Rekenresultaten Aerius Calculator 2025 Omschrijving
Maximale stikstofdepositie [mol N/ha/jr]
Maximale toename stikstofdepositie t.o.v. referentiesituatie [mol N/ha/jr]
Referentiesituatie
0,04
-
Jaar 1
0,03
0,00
Referentiesituatie Jaar 2
0,04 0,03
0,00
Referentiesituatie Jaar 3
0,04 0,03
0,00
Referentiesituatie Jaar 4
0,04 0,03
0,00
Referentiesituatie Gebruiksfase
0,04 0,02
0,00
De beoogde activiteiten gedurende de sloop-/aanlegfase en de gebruiksfase leiden tot maximale stikstofdepositie van 0,00 mol N/ha/jr ten opzichte van de referentiesituatie.
ZA 1505-4-RA-003 26
5
Additionaliteit stoets
5 .1 A lg e me en
In voorliggende Aerius berekeningen van de sloop/aanleg en het gebruik van de bebouwing is gebruik gemaakt van interne saldering met bestaande activiteiten op het perceel waar het nieuwe ziekenhuis zal worden gerealiseerd. Bij toepassing van interne saldering is op basis van de uitspraken van de Raad van State op 18 december 2024 een zogenaamde additionaliteitstoets verplicht. Het gebruik van bestaande stikstofruimte om de nieuwe activiteiten mogelijk te maken, moet worden opgevat als een mitigerende maatregel. Dit zijn maatregelen die worden ingezet om mogelijke negatieve effecten van een project op omliggende Natura 2000-gebieden te voorkomen (mitigeren). Als maatregelen naar hun aard (doordat zij depositie verlagend zijn) ook kunnen worden ingezet als natuurmaatregelen (instandhoudings- en passende maatregelen), dan geldt het additionaliteitsvereiste. Allereerst moet daarom worden getoetst of de maatregelen (het beëindigen van de activiteiten ten gevolge van het ziekenhuis én het gebruik van de stikstofruimte die vrijkomt vanwege het niet langer bemesten van het perceel waar de parkeerplaatsen zijn beoogd) naar hun aard geschikt zijn om te worden ingezet als natuurmaatregel. Binnen het plangebied vinden tevens de activiteiten van Revant revalidatiecentrum plaats. De activiteiten van Revant worden in dezelfde omvang voortgezet.
Doordat deze activiteiten niet wijzigen, komt ten gevolge van deze activiteiten geen stikstofruimte beschikbaar, waardoor deze niet nader zijn beschouwd in de additionaliteitstoets. Mocht de beschikbare stikstofruimte ingezet kunnen worden ten behoeve van het herstel van de natuur, dan wordt in de additionaliteitstoets beoordeeld of de door het project gebruikte stikstofruimte niet nodig is om verslechtering van de natuur in Natura 2000gebieden te voorkomen7. Om dit te kunnen beoordelen moeten de volgende vragen worden beantwoord: - Is er in de Natura 2000-gebieden sprake van een zodanige (over)belasting met stikstof dat daling van de stikstofdepositie noodzakelijk is voor beperken of voorkomen van verslechtering? - Is er in de Natura 2000-gebieden sprake van een autonome daling van de stikstof, en in welke mate draagt deze bij om binnen afzienbare termijn verslechtering van habitattypen te beperken of te voorkomen? - Zijn of worden door de overheid bronmaatregelen uitgevoerd waarmee de depositie van stikstof in de Natura 2000-gebieden zodanig daalt dat verslechtering van habitattypen wordt beperkt of voorkomen?
7
https://www.bij12.nl/onderwerp/stikstof/passende-beoordeling/additionaliteit/ ZA 1505-4-RA-003 27
-
-
Zijn of worden door de overheid natuurherstel- en beheermaatregelen uitgevoerd waarmee verslechtering van habitattypen in de Natura 2000-gebieden wordt beperkt of voorkomen? In welke mate draagt het project zelf bij aan vermindering van de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden. Wat is het cumulatieve effect van al deze ontwikkelingen ten aanzien van het voorkomen van verslechtering van de habitattypen in het Natura 2000-gebied.
5 .2 Add i ti ona li t ei t
Door het provinciale belang van het ziekenhuis in de wijde omgeving, is het niet mogelijk dat de provincie Zeeland het beëindigen van de activiteiten van het ziekenhuis zal gebruiken als maatregel voor het terugdringen van de stikstoflast in de Natura 2000gebieden. De beëindiging van het Adrz zal de veiligheid en de gezondheid van omwonenden in gevaar brengen. Derhalve wordt verondersteld dat de aard van de activiteiten ongeschikt zijn als natuurmaatregel, waardoor geen additionaliteitstoets uitgevoerd hoeft te worden. Het bemeste perceel (circa 12 ha) zou wel gebruikt kunnen worden als maatregel voor het reduceren van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Echter is de afstand tot de betreffende Natura 2000-gebieden (circa 3,5 km tot Ooster- en Westerschelde & Saeftinghe en 24 km tot Manteling van Walcheren en Grevelingen) relatief groot. Door het relatief kleine oppervlakte en de grote afstand zijn vergelijkbare alternatieve maatregelen van grotere omvang en op kortere afstand van de Natura 2000-gebieden doelmatiger voor het verlagen van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Hierbij wordt benadrukt dat voor de Manteling van Walcheren en de Grevelingen het effect van de bemeste percelen verwaarloosbaar is gezien de verspreidingskenmerken van de NH 3emissie en de grote afstand (24 km) tot de percelen.
In de directe omgeving van de Natura 2000-gebieden is veel landbouwgrond/ agrarische bedrijven aanwezig en zijn derhalve voldoende mogelijkheden beschikbaar om de deposities te beperken, die leiden tot aanzienlijk grotere depositiedalingen in deze Natura 2000-gebieden. Gesteld kan worden dat de ingezette maatregelen additioneel zijn voor de Natura 2000gebieden. Desondanks is vanuit een worst-case benadering toch een additionaliteitstoets uitgevoerd. 5 .3 De pos it i ever and ering en in N at ura 2000 -g ebi ed en
Uit de uitgevoerde berekeningen volgen depositietoenames en -afnames in de sloop-/ aanlegfase en de gebruiksfase van de ontwikkeling op de in tabel t 5.1 opgenomen Natura 2000-gebieden. In de tabel is het maatgevende aanlegjaar (jaar 2) beschouwd, aangezien gedurende dit jaar op het grootste oppervlakte een stikstofdepositie wordt berekend.
ZA 1505-4-RA-003 28
Gedurende de overige sloop-/aanlegjaren wordt eenzelfde afname in stikstofdepositie berekend, echter is het berekend oppervlakte met afname groter. t 5.1 Rekenresultaten Aerius berekeningen met interne saldering gedurende het maatgevende aanlegjaar (jaar 2) en de gebruiksfase Natura 2000-gebied
Depositie en berekend opp. in referentiesituatie [mol N/ha/jr] (ha)
Depositie en berekend opp. in beoogde situatie [mol N/ha/jr] (ha)
Maximale Maximale Berekend toename t.o.v. afname t.o.v. oppervlakte referentiereferentiemet afname situatie situatie in depositie [mol N/ha/jr] [mol N/ha/jr] [ha]
Maatgevende aanlegjaar (jaar 2) Oosterschelde
0,04 (6,04 ha)
0,03 (5,05 ha)
0,00
0,02
1,11
Westerschelde & Saeftinghe
0,04 (5,05 ha)
0,03 (1,73 ha)
0,00
0,01
0,02
Manteling van Walcheren
0,01 (11,68 ha)
0,01 (6,24 ha)
0,00
0,00
-
Grevelingen
0,01 (0,14 ha)
0,01 (0,14 ha)
0,00
0,00
-
Oosterschelde
0,04 (5,05 ha)
0,02 (1,12 ha)
0,00
0,02
2,10
Westerschelde & Saeftinghe
0,04 (4,71 ha)
0,02 (0,02 ha)
0,00
0,02
0,19
Manteling van Walcheren
0,01 (6,94 ha)
0,00 (0 ha)
0,00
-
-
Grevelingen
0,01 (0,14 ha)
0,00 (0 ha)
0,00
0,01
0,14
Gebruiksfase
Uit voorgaande tabel blijkt gedurende de sloop-/aanlegfase een stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Oosterschelde, Westerschelde & Saeftinghe, Manteling van Walcheren en de Grevelingen. Gedurende de gebruiksfase wordt enkel een stikstofdepositie berekend op de Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe. Ten opzichte van het huidige gebruik blijkt op alle Natura 2000-gebieden een afname in stikstofdepositie plaats te vinden gedurende alle fases. De stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Manteling van Walcheren en de Grevelingen gedurende de sloop-/aanlegfase wordt bepaald door de gasgestookte installaties van het ziekenhuis (huidig gebruik van de oudbouw dat gedurende de sloop/aanlegfase in gebruik blijft). Uit de verschilberekeningen blijkt dat de gehele sloop/aanlegfase geen significante negatieve gevolgen heeft voor de berekende stikstofdepositie en dat deze ten opzichte van het huidige gebruik zelfs afnemen (door het beëindigen van bemesting van de percelen en verminderen van het gasverbruik door de sloop van het bijgebouw). In de beoogde gebruiksfase neemt de stikstofemissie verder af, waardoor uiteindelijk geen permanente stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Manteling van Walcheren en de Grevelingen wordt berekend. De ontwikkeling is dus gunstig voor de benoemde Natura ZA 1505-4-RA-003 29
2000-gebieden, waarbij alle stikstofrechten van Adrz en de landbouwpercelen ten goede komen aan de natuur. In het kader van de additionaliteitsvereiste dient onderzocht te worden of er voldoende natuurmaatregelen voor de Natura 2000-gebieden zijn getroffen om de natuurdoelen te halen. De toestemming voor het gebruik van de referentiesituatie kan alleen verkregen worden indien deze stikstofruimte additioneel is aan de genomen maatregelen. Ten aanzien van de additionaliteitsvereiste wordt alleen de permanente stikstofdepositie beschouwd, aangezien dit maatgevend is en dit het uiteindelijke doel betreft waarvoor de stikstofruimte wordt ingezet. Aangezien in de permanente situatie geen stikstofdepositie wordt berekend op de Manteling van Walcheren en de Grevelingen, komt er ten gevolge van de ontwikkeling stikstofruimte beschikbaar die volledig ten goede komt aan de twee Natura 2000-gebieden. Om deze reden worden de Natura 2000-gebieden Manteling van Walcheren en de Grevelingen niet nader beschouwd in de additionaliteitstoets. 5 .4 N at ura 2000 -g ebi ed O ost er s c he ld e 5.4.1 Autonome afname stikstofdepositie
In de Aerius Monitor is de (verwachte) autonome daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Oosterschelde opgenomen. Hierin zijn aanvullende maatregelen van Rijk en provincies voor het terugdringen van de stikstofemissie nog niet opgenomen. De huidige depositie in de Oosterschelde (vastgesteld op basis van werkelijke emissies in 2023) bedraagt gemiddeld 865 mol N/ha/jr. In figuur f 5.1 is de verwachte daling tot 2040 voor het Natura 2000-gebied opgenomen. Daaruit blijkt dat een daling in stikstofdepositie tot 2030 van 95 mol N/ha/jr en tot 2040 van 182 mol N/ha/jr.
f 5.1 Verwachte autonome daling van de stikstofdepositie tot 2040 in Natura 2000-gebied Oosterschelde 5.4.2 Stikstofgevoeligheid habitats
Uit figuur f 5.2 blijkt dat in de Oosterschelde nauwelijks sprake is van een overbelasting met stikstof. In 2023 was er een overschrijding van de KDW op 0,2% van de oppervlakte ZA 1505-4-RA-003 30
van habitats in het gebied. De overschrijding van de KDW vindt met name plaats op de kalkrijke grijze duinen en de overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden).
f 5.2 Mate van overbelasting van habitats in de Oosterschelde
Uit deze cijfers blijkt dat stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied geen drukfactor is. Significante gevolgen vanwege stikstof zijn in dit geval met zekerheid uitgesloten. De ontwikkeling leidt tot depositieveranderingen op vijf habitats binnen het Natura 2000gebied Oosterschelde. In tabel t 5.2 is aangegeven wat de mate van onderschrijding van de KDW is voor deze habitattypen, gelet op de gemiddelde achtergronddepositie die op deze habitats in de Oosterschelde plaatsvindt in 2023 en 2030. Uit de tabel blijkt dat voor alle betrokken habitats sprake is van een aanzienlijke onderschrijding van de KDW in zowel 2023 als 2030. Mede gelet op de autonome daling van de stikstofdepositie die al voldoende is om overbelasting in de Oosterschelde vrijwel geheel weg te nemen, is er gelet op deze onderschrijdingen geen reden om passende maatregelen te nemen om verslechtering van deze habitattypen te voorkomen. t 5.2 Mate van onderschrijding KDW van habitattypen in de Natura 2000-gebied Oosterschelde (in mol N/ha/jr) Habitattype
KDW
Onderschrijding KDW 2023
2030
H1310A
Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal)
1.643
-817
-913
H1320
Slijkgrasvelden
1.643
-740
-833
H1330A
Schorren en zilte graslanden (buitendijks)
1.429
-555
-648
H1330B
Schorren en zilte graslanden (binnendijks)
1.429
-571
-665
ZGH1330B
Schorren en zilte graslanden (binnendijks)
1.429
-454
-553
H2130A
Grijze duinen (kalkrijk)
1.071
-102
-187
5.4.3 Natuurdoelanalyse en advies Ecologische Autoriteit
De natuurdoelanalyse voor de Oosterschelde bevestigt het hierboven geschetste beeld. In de natuurdoelanalyse zijn een aantal andere drukfactoren benoemd, die wel invloed hebben op de verspreiding, oppervlakte en kwaliteit van habitats en soorten. De belangrijkste drukfactor in de Oosterschelde is de waterdynamiek (zoutgehalte, getij, peil, ZA 1505-4-RA-003 31
erosie en sedimentatie). De beoogde ontwikkeling (welke niet gelegen is binnen het Natura 2000-gebied) heeft geen invloed op deze drukfactor. Omdat in de beheerplannen een groot aantal maatregelen is opgenomen, die ook al deels zijn uitgevoerd, en er geen significante overbelasting met atmosferische stikstof is, wordt in de natuurdoelanalyse geconcludeerd dat verslechtering van de stikstofgevoelige habitats zijn uitgesloten en dat de doelen voor deze habitats op termijn binnen bereik zijn (eindoordeel ‘ja’). In 2023 heeft de Ecologische Autoriteit advies uitgebracht op de natuurdoelanalyse. Dit advies ondersteunt de conclusies uit de natuurdoelanalyses dat stikstof geen drukfactor van betekenis meer is, en dat in de Oosterschelde vooral gewerkt moet worden aan systeemherstel door hydrologische en beheermaatregelen. 5 .5 N at ura 2000 -g ebi ed Wes t ers c he ld e & S aeft ing he 5.5.1 Autonome afname stikstofdepositie
In de Aerius Monitor is de (verwachte) autonome daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe opgenomen. Hierin zijn aanvullende maatregelen van Rijk en provincies voor het terugdringen van de stikstofemissie nog niet opgenomen. De huidige achtergronddepositie in de Westerschelde & Saeftinghe bedraagt de gemiddelde achtergronddepositie 815 mol N/ha/jr. In figuur t 5.3 is de verwachte daling tot 2040 voor het Natura 2000-gebied opgenomen. Daaruit blijkt dat een daling van de achtergronddepositie tot 2030 van 88 mol N/ha/jr en tot 2040 van 169 mol N/ha/jr.
f 5.3 Verwachte autonome daling van de stikstofdepositie tot 2040 in Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe
ZA 1505-4-RA-003 32
5.5.2 Stikstofgevoeligheid habitats
Uit figuur f 5.4 blijkt dat in de Westerschelde & Saeftinghe nauwelijks tot geen sprake is van een overbelasting met stikstof. In 2023 was er een overschrijding van de KDW op 0,2% van de oppervlakte van habitats in de gebieden. Tot 2030 neemt deze overschrijding verder af, waardoor er geen sprake meer is van een overschrijding van de KDW.
f 5.4 Mate van overbelasting van habitats in de Westerschelde & Saeftinghe
Uit deze cijfers blijkt dat stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied geen drukfactor is. Significante gevolgen vanwege stikstof zijn in dit geval met zekerheid uitgesloten. De ontwikkeling leidt tot depositieveranderingen op één zoekgebied van een habitat binnen het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe. In tabel t 5.3 is aangegeven wat de mate van onderschrijding van de KDW is voor deze habitattypen, gelet op de gemiddelde depositie die op het zoekgebied plaatsvindt in 2023 en 2030. Uit de tabel blijkt dat voor het zoekgebied sprake is van een aanzienlijke onderschrijding van de KDW in zowel 2023 als 2030. Mede gelet op de autonome daling van de stikstofdepositie die al voldoende is om overbelasting in de Westerschelde & Saeftinghe geheel weg te nemen, is er gelet op deze onderschrijdingen geen reden om passende maatregelen te nemen om verslechtering van deze habitattypen te voorkomen. t 5.3 Mate van onderschrijding KDW van habitattypen in Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe (in mol N/ha/jr) Habitattype
ZGH1310B
KDW
Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur)
1.429
Onderschrijding KDW 2023
2030
-334
-429
5.5.3 Natuurdoelanalyse en advies Ecologische Autoriteit
De natuurdoelanalyse voor de Westerschelde & Saeftinghe bevestigt het hierboven geschetste beeld. In de natuurdoelanalyse zijn een aantal drukfactoren benoemd die wel invloed hebben op de verspreiding, oppervlakte en kwaliteit van habitats en soorten. De belangrijkste drukfactoren zijn: ZA 1505-4-RA-003 33
-
Ruimtegebrek voor lage dynamiek; vegetatiesuccessie; ingrepen in de geomorfologie (diepe geulen op de buitendijkse habitattypen) en verstoring door mensen; - verdroging; - afname van herbivorie. Geen van deze drukfactoren wordt (mede) veroorzaakt door de beoogde ontwikkeling, dat niet is gelegen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Omdat in het beheerplan een groot aantal maatregelen is opgenomen, die ook al deels zijn uitgevoerd, en er geen significante overbelasting met atmosferische stikstof meer is in 2030 concluderen de natuurdoelanalyse dat verslechtering van de stikstofgevoelige habitats zijn uitgesloten en dat de doelen voor deze habitats op termijn binnen bereik zijn (eindoordeel ‘ja’). In 2023 heeft de Ecologische Autoriteit advies uitgebracht op de natuurdoelanalyse. Dit advies ondersteunt de conclusies uit de natuurdoelanalyses dat stikstof geen drukfactor van betekenis meer is, en dat in de Westerschelde & Saeftinghe vooral gewerkt moet worden aan systeemherstel door hydrologische en beheermaatregelen.
5 .6 B i jdrag e van he t pro j ec t aan d e da l ing van d e st i kst ofd epos it i e.
Adrz is voornemens niet langer gebruik te maken van gasgestookte installaties voor de verwarming van het gebouw. De huidige bebouwing is gedateerd, waardoor onvoldoende energiebesparende maatregelen getroffen kunnen worden om geheel van het gas af te sluiten. De nieuwbouw zal gasloos worden gerealiseerd, waardoor de ontwikkeling een sterke reductie in het gasverbruik en dus van de stikstofemissie ten gevolge heeft. Daarbij zal de stikstofemissie ten gevolge van de landbouwgrond (waar de parkeerplaatsen beoogd zijn), worden gestopt, wat tevens een reductie van stikstofemissie tot gevolg heeft. De provincie Zeeland kent twee ziekenhuizen, waaronder het Adrz. Gesteld kan worden dat het Adrz van provinciaal belang is voor de levering van zorg in de provincie. Door het grote belang van het ziekenhuis is het niet aannemelijk dat de provincie Zeeland de gebruikte maatregelen (het beëindigen van de activiteiten van het ziekenhuis) zal gebruiken als maatregel voor het terugdringen van de stikstoflast in de Natura 2000gebieden. Daarbij kan gesteld worden dat in 2030 op vrijwel de gehele oppervlakte van de Natura 2000-gebieden (op 0,2% in de Oosterschelde na) geen overschrijding van de KDW meer plaatsvindt, mede door vaststaand beleid. Dit staat nog los van aanvullende maatregelen die de provincie en het Rijk recent hebben genomen of nog zullen nemen.
Uit deze cijfers blijkt duidelijk dat stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe geen drukfactor is. Dit geldt zeker ook voor de habitats die beïnvloed worden door de ontwikkeling van Adrz. Voor alle habitats waarop ZA 1505-4-RA-003 34
een stikstofdepositie wordt berekend, is nu al sprake van een sterke onderschrijding van de KDW en deze onderschrijding zal tot 2030 nog verder toenemen. Dit betekent dat voor de provincie Zeeland en het Rijk geen redenen zijn om naast het door hun al ingezette beleid, nog extra (passende) maatregelen te nemen om verslechtering van habitats in de Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinghe als gevolg van stikstofdepositie te voorkomen. De maatregelen die Adrz inzet om depositietoenames te beperken zijn daarmee additioneel.