CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendapunt 18. Toelichting

Besluitvormende raad 14 maart 2024, gemeente GoesBij agendapunt: Bestemmingsplan Bebouwde kom 's-Heer Hendrikskinderen20.938 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.5 Kwaliteiten en potentiële ontwikkelingslocaties Anno 2023 kunnen op basis van de inventarisatie een aantal kwaliteiten en potentiële ontwikkelingslocaties binnen het plangebied worden aangewezen. Het beleid is erop gericht de kwaliteiten te behouden. Daarnaast worden de potentiële ontwikkelingslocaties in de visievorming meegenomen.

3.5.1 Kwaliteiten Een van de belangrijkste kwaliteiten ligt in het kleinschalige en gevarieerde straatbeeld van het dorp. De hoofdstructuur met de Oude Rijksweg en het Plein zijn daarin beeldbepalend en de relatief kleinschalige uitbreidingen met hun veelal groene karakter dragen daarin bij. Aan de randen van de kern is de verwevenheid met het omliggende poelgebied sterk aanwezig. De korte afstand tot het regionale centrum Goes draagt bij aan de woonkwaliteit in de kern. Noemenswaardige bebouwing is het kerkgebouw aan het plein.

23

3.5.2 (Potentiële) ontwikkelingslocaties De overheden Rijk, Provincie en de gemeente zetten sterk in op inbreiding/herstructurering boven uitbreiding van het bebouwde gebied. Belangrijkste locatie in dat verband is de locatie van het voormalige tuincentrum aan de Nieuwe Rijksweg, waarvoor in 2022 een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld, dat opgaat in voorliggend bestemmingsplan. Uitgangspunt voor de stedenbouwkundige opzet van dit plan is het aanhaken aan bestaande structuren. Door de stratenstructuur van het achterliggende gebied (Jacoba van Beierenstraat) door te trekken tot aan de Nieuwe Rijksweg gaat het plangebied deel uit maken van het achterliggende dorp. De blokken die hierdoor ontstaan worden ingevuld met gesloten bebouwing die tevens dienst doen als geluidsbuffer tussen de weg en het dorp. Tevens wordt door middel van een hoekaccent aan de westzijde van het plangebied worden voorzien in een entree voor het dorp. Door de bebouwing ten oosten van de gesloten blokken als vrij liggende woonbebouwing uit te voeren wordt het beeld van een verdunnende bebouwingsstructuur versterkt. Het bouwplan bestaat in totaal uit 30 woningen van verschillende typologieën. Het gaat om rijwoningen, geschakelde woningen en vrijstaande woningen. Er worden zowel koopwoningen als sociale huurwoningen gerealiseerd.

De vrijstaande woningen worden aan de oostzijde gesitueerd en zijn hoofdzakelijk georiënteerd op de Nieuwe Rijksweg. Eén vrijstaande woning wordt verder naar achteren in het gebied geplaatst en is georiënteerd op ontsluiting haaks op de Nieuwe Rijksweg. De geschakelde woningen zijn in het midden van het gebied gelegen en zijn georiënteerd op de Nieuwe Rijksweg. Aan de westzijde, nabij de kruising, worden rijwoningen gebouwd. Hiermee vindt er vanaf de kruising en ingang van het dorp richting Goes een steeds verdere verdunning van woningen plaats en is er sprake van een geleidelijke overgang van dorpsbebouwing naar de groene agrarische zone tussen 's-Heer Hendrikskinderen en Goes. In het verlengde van het Humphreyshof wordt nog een blok met rijwoningen gerealiseerd. De maximale goothoogte van de woningen bedraagt 6 meter en de maximale bouwhoogte 10 meter. Uitzondering hierop is het hoekaccent aan de westzijde van het plangebied. Hier geldt geen maximale goothoogte en bedraagt de maximale bouwhoogte 10 meter. Daarmee is een platte afdekking tot een hoogte van 10 meter mogelijk. Een kleinere inbreidingslocatie betreft de kavel naast Plein 12. Op deze locatie kan door middel van verdichting de wandwerking aan het Plein worden versterkt. De mogelijkheid hiertoe bestond al in het vorige bestemmingsplan (uit 2007) en is nu ook weer in de regeling opgenomen.

24

HOOFDSTUK 4 Visie op het plangebied Uitgangspunt van voorliggende bestemmingsplan is de bestaande ruimtelijke kwaliteit te behouden en waar mogelijk ruimtelijk minder sterke situaties te verbeteren. In dit hoofdstuk wordt, in de vorm van gebiedsgerichte en functionele streefbeelden, een visie op het plangebied gegeven. Voorafgaand hieraan wordt het gebied ingedeeld in deelgebieden op basis van de inventarisatie en analyse.

4.1 Deelgebieden Bepalend voor de dorpsstructuur in 's-Heer Hendrikskinderen zijn de Oude Rijksweg, Plein, Ruychrockstraat, en de Sinoutskerkseweg. Samen met de Nieuwe Rijksweg bepalen deze linten de hoofdstructuur van het dorp. De planmatige uitbreidingen zijn in de dorpsplattegrond nauw verweven met de hoofdstructuur. Toch zijn ze door stedenbouwkundige en architectonische kenmerken van elkaar te onderscheiden. Over het algemeen wijken ze wat betreft opbouw en uitstraling niet af van de (standaard)uitbreidingen die de afgelopen decennia bij andere dorpen zijn gerealiseerd. Het voormalige tuincentrum is wat betreft bebouwing en uitstraling een afwijkend element in het dorp, maar wordt vervangen door woningen. De locatie ligt prominent aan de rand bij de belangrijkste entree van het dorp. Het bedrijfspand aan de oostrand vormt vanwege zijn excentrische ligging en relatief bescheiden omvang geen dissonant in het dorp Ook de sportvelden aan de noordrand vormen zelfstandige eenheden wat betreft bebouwing en uitstraling. Deze karakterisering vormt de basis voor een indeling van het plangebied in deelgebieden. Een deelgebied is een ruimtelijk en/of functioneel geheel waarvoor een toekomstvisie (streefbeeld) kan worden opgesteld. Door een opdeling van het plangebied in deelgebieden kan beter ingespeeld worden op gebiedskenmerken.

De volgende deelgebieden kunnen derhalve worden onderscheiden: 1. de linten; 2. de planmatige uitbreidingen; 3. sportterreinen; 4. bedrijf.

Figuur 9: Deelgebieden

25

4.2 Streefbeeld deelgebieden 4.2.1 Streefbeeld linten In dit deelgebied wordt behoud van de bestaande historische structuur voorgestaan. Deze structuur bepaalt het eigen karakter van 's-Heer Hendrikskinderen. Met name de Oude Rijksweg met haar beeldbepalende bebouwing en laanbeplanting en het Plein zijn behoudenswaardig. Voor de bebouwing langs de linten betekent dit handhaving van de bebouwingshoogten en behoud van open karakter in de oksel van de Oude Rijksweg en de Sinoutskerkseweg. Versterking van de hoofdstructuur kan plaatsvinden door een invulling van de braakliggende kavel naast Plein 12.

4.2.2 Streefbeeld planmatige uitbreidingen Dit deelgebied omvat de planmatige uitbreidingen van 's-Heer Hendrikskinderen. De woonkwaliteit in dit deelgebied is voldoende. Behoud van de karakters van de verschillende uitbreidingen is wenselijk. Kenmerkend zijn de differentiatie in woningtypologie, wisselingen in ruimtelijk beeld en het soms groene karakter. Incidenteel kunnen panden worden vernieuwd en straten heringericht. Maar structureel worden voor deze deelgebieden weinig tot geen veranderingen voorzien gedurende de bestemmingsplanperiode.

4.2.3 Streefbeeld sportterreinen Dit deelgebied omvat het sportterrein aan de noordzijde van 's-Heer Hendrikskinderen. Behoud van de huidige situatie is wenselijk. Er worden verder weinig tot geen veranderingen voorzien gedurende de bestemmingsplanperiode.

4.2.4 Streefbeeld bedrijf Dit deelgebied omvat een bedrijfslocatie aan de Nieuwe Rijksweg. Behoud van de huidige situatie is niet onwenselijk.

4.3 Streefbeeld functies 4.3.1 Streefbeeld bedrijvigheid/voorzieningen Aangezien de woonfunctie in 's-Heer Hendrikskinderen de belangrijkste functie betreft, wordt ernaar gestreefd geen milieuhinderlijke bedrijven in de kern toe te staan. In principe worden milieucategorie 1 en 2 bedrijven toelaatbaar geacht in de landelijke kernen. Voor categorie 1 en 2 bedrijven is een beperkte lijst opgesteld.

4.3.2 Beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten aan huis Sommige woningen en/of bij woningen behorende bijgebouwen zijn gedeeltelijk in gebruik genomen voor activiteiten die niet direct als wonen kunnen worden aangemerkt, maar daarmee wel samenhangen. Gedacht dient dan onder meer te worden aan traditionele vrije beroepen, bijvoorbeeld een arts, andere vrije beroepen, zoals kunstenaars, en andere bedrijfsmatige activiteiten, bijvoorbeeld een kapsalon. Gezien de maatschappelijke ontwikkelingen zal dit gebruik in de toekomst alleen maar toenemen. Bovengenoemde activiteiten worden wenselijk geacht in verband met de leefbaarheid en worden derhalve gestimuleerd door de gemeente. De mogelijke hinder die het gebruik oplevert voor het woonmilieu en mate van afbreuk die het gebruik doet aan het woonkarakter van een wijk of buurt zal hierbij in acht worden genomen. Activiteiten die een onevenredige hinder voor het woonmilieu en onevenredig afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt veroorzaken zijn niet toegestaan.

4.3.3 Streefbeeld wonen Er wordt naar gestreefd om de bestaande woonkwaliteit te behouden en te versterken. Dit betekent onder meer het creëren van bouwmogelijkheden voor de lokale woningbehoefte en verouderde 26

woonbebouwing te herstructureren. In relatie tot het streven naar zuinig ruimtegebruik geldt de volgende prioriteitsvolgorde: 1. vernieuwing/hergebruik van de bestaande situatie, 2. inbreiding en 3. uitbreiding. Inbreidingen of herstructureringen zijn nog niet aan de orde. De woningkwaliteit wordt verbeterd door voor individuele woningen de bouwmogelijkheden te verruimen middels het verdiepen van de bouwstrook en het verruimen van de bouwmogelijkheden op het achtererf.

4.3.4 Streefbeeld verkeer De kern ’s-Heer Hendrikskinderen is verkeersluw (enkel bestemmingsverkeer) en ingericht als zone 30 km/uur. Dat garandeert een goede verkeersleefbaarheid. Qua verkeer vergt blijvende aandacht: de schoolomgeving en het parkeren bij de sportvelden aan de noordzijde van de N664 en bij het dorpshuis. Een herdefinitie van de N664 (straatnaam Nieuwe Rijksweg) zal in de toekomst zorgen voor een betere verbinding tussen de dorpskern en het gebied ten noorden van de N664.

27

HOOFDSTUK 5 Sectorale aspecten 5.1 Archeologie Inleiding Archeologische sporen en resten in de bodem van de gemeente Goes vormen een spiegel van duizenden jaren bewoningsgeschiedenis. Dit zogenaamde ‘bodemarchief’ is van maatschappelijk belang, omdat het voor het grootste deel van het verleden de enige bron van informatie is. Tegelijkertijd is dit bodemarchief kwetsbaar voor allerhande ingrepen en vormen van gebruik die nu eenmaal verband houden met wonen, werken en recreëren. Om te voorkomen dat de archeologische informatie ongezien verloren gaat, is het noodzakelijk dat gemeenten in het ruimtelijk beleid waarborgen inbouwen voor de omgang met dit bodemarchief. Dit is een uitvloeisel van het Verdrag van Malta dat in 1992 door Nederland werd ondertekend. In eerste instantie berusten deze waarborgen op de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), het Besluit op de archeologische Monumentenzorg (Bamz) de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarmee werd behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Vanaf 1 juli 2016 is Erfgoedwet hier verantwoordelijk voor. Gemeentelijk archeologiebeleid Om op gemeentelijk niveau weloverwogen keuzes te kunnen maken heeft de gemeente Goes een gemeentelijk archeologiebeleid ontwikkeld, dat op 15 december 2011 is vastgesteld.

Hiermee voldoet de gemeente niet alleen aan de wettelijke verplichtingen omtrent archeologie maar heeft het ook een formeel afwegingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid, dat gebaseerd is op een analyse van de plaatselijke situatie, geeft aan wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het rapport “Archeologiebeleid gemeente Goes” (d.d. 30 juni 2011) bestaat uit een “Deel A: Beleidsnota archeologie” en een “Deel B: Toelichting beleidskaart”. Deel B is een (ruimtelijke) uitwerking van het archeologiebeleid (deel A). Op basis van de beleidskaart, die bestaat uit een samenhangend pakket van kaarten en een toelichting, kan worden bepaald of voor een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling op een specifieke locatie al dan niet archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in 8 categorieën, waarvan enkele categorieën bekende archeologische waardevolle gebieden omvatten en andere een bepaalde verwachtingswaarde op archeologische vondsten weergeven. Aan elke categorie, uitgezonderd Categorie 1, is een, aan oppervlakte van grondverstoring gebonden, vrijstelling voor archeologisch onderzoek gekoppeld. Bij alle categorieën, wederom uitgezonderd categorie 1, geldt in ieder geval dat geen onderzoek hoeft plaats te vinden indien de bodem niet dieper dan 40 cm wordt verstoord.

De gehanteerde categorieën zijn: <0000> Categorie 1: archeologisch rijksmonument; hiervoor is altijd een monumentenvergunning nodig; <0000> Categorie 2: terrein van archeologische waarde; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m² wordt verstoord; <0000> Categorie 3: stads- en dorpskernen van een specifieke archeologische verwachting; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m² wordt verstoord; <0000> Categorie 4: hoge verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 250 m² wordt verstoord; <0000> Categorie 5: matige verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 500 m² wordt verstoord; <0000> Categorie 6: lage verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht; <0000> Categorie 7: verwachting van maritieme vondsten; hiervoor is altijd overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nodig; <0000> Categorie 8: archeologische vondsten worden niet verwacht; geen onderzoeksplicht. Toetsing archeologiebeleid Binnen de contouren van het huidige bestemmingsplangebied zijn in het archeologiebeleid van de gemeente Goes op maatregelenkaart 1, drie categorieën onderscheiden. Naast categorie 2 zijn ook 3 en 4 aanwezig. Uit categorie 2 zijn binnen het plangebied drie vindplaatsen aanwezig, te weten GOES-2 (Kasteel te Werve), GOES-3 (Poelberg) en GOES-4 (de resten van een 15e -eeuwse 28

huisplaats of boerderij). Daarnaast zijn binnen het plangebied meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd.

Figuur 10: Archeologische onderzoeken Conclusie Voor de zone van het archeologiebeleid met een categorie 2 of 3 geldt dat (bouw)werken en/of werkzaamheden niet kunnen worden gerealiseerd zonder het uitvoeren van een aanvullend archeologisch onderzoek indien de verstoring groter dan 50m2 en dieper dan 40cm beneden het maaiveld reikt. Voor de zone met een categorie 4 geldt dat (bouw)werken en/of werkzaamheden niet kunnen worden gerealiseerd zonder aanvullend archeologisch onderzoek indien de verstoring groter dan 250m2 en dieper dan 40cm beneden het maaiveld. Voor het onderzoeksgebied aan de Oude Rijksweg 45A uit 2017 en het onderzoeksgebied aan de Humphreyshof uit 2021 en geldt dat hier geen archeologisch onderzoek meer noodzakelijk is. (zie voor de locaties figuur 10). De uitgevoerde onderzoeken hebben uitgewezen dat voor deze plangebieden de dubbelbestemming Waarde Archeologie verwijderd kan worden. Voor alle overige onderzochte gebieden blijft een archeologische dubbelbestemming gehandhaafd.

5.2 Bodem De toelichting van een bestemmingsplan bevat een paragraaf over de bodemkwaliteit. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Onderhavig bestemmingsplan betreft een beheersplan, waarbij de bestaande situatie wordt gereguleerd. Voor de ontwikkelingen van de afgelopen jaren die binnen het plangebied zijn vergund, is voor zover relevant de bodemkwaliteit destijds aan de orde gekomen. Er zijn in dit bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen meegenomen. Daarom vormt bodem geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Indien er nieuwe ontwikkelingen gaan spelen binnen het plangebied, dan dient afhankelijk van de beoogde locatie, functie, inrichting en bodemingrepen tijdens de desbetreffende ruimtelijke procedure (omgevingsvergunning bouwactiviteit en afwijken bestemmingsplan) de actuele verontreinigingssituatie van de bodem in beeld te worden gebracht. Afhankelijk van de resultaten kan nader onderzoek en/of saneringsmaatregelen nodig zijn om de bodemkwaliteit geschikt te maken voor de beoogde functie. Bij grondverzet kan een melding met een milieuhygiënische verklaring van de grond noodzakelijk zijn.

29

5.3 Water Inleiding Voor de bebouwde kom van de kern ‘s-Heer Hendrikskinderen stelt de gemeente Goes een geactualiseerd bestemmingsplan op. Dit betreft een beheersmatig bestemmingsplan dat de huidige situatie als uitgangpunt neemt. Ontwikkelingen die in de komende planperiode in het gebied plaatsvinden, worden in afzonderlijke bestemmingsplannen meegenomen. In deze separate bestemmingsplannen worden de wateraspecten van deze ontwikkelingen nader beschreven. De gemeente Goes streeft ernaar om het watersysteem binnen haar gemeentegrenzen duurzaam in te richten en te onderhouden. Dit doet zij in samenwerking met de waterbeheerder, waterschap Scheldestromen. Het watersysteem moet daarbij voldoen aan gestelde normen van de water-beheerder en de functies kunnen vervullen zoals die omschreven zijn in het Waterplan Goes. Dit beleidsplan voor water in het bebouwde gebied is opgesteld in samenwerking met het waterschap. Naast de samenwerking met de waterbeheerder wordt het gemeentelijke beleid ook afgestemd op de Zeeuwse Omgevingsvisie, waarin de provincie Zeeland het Rijksbeleid doorvertaalt en uitwerkt. De doelstelling van de Omgevingsvisie ten aanzien van water is een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en de waterbodems, een peilbeheer en een aanvaardbaar risico op wateroverlast dat is afgestemd op bestaande en toekomstige functies.

Figuur 11: Afbakening plangebied bestemmingsplan bebouwde kom ‘s-Heer Hendrikskinderen Afbakening plangebied De afbakening van het plangebied is weergegeven op bovenstaande figuur. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de gehele kern tot en met de Nieuwe Rijksweg en de noordelijk daarvan gelegen bebouwing. Aan de oostzijde betreft dit de Floris de Voogdstraat en aan de westzijde Den Omloop en de bebouwing langs de Oude Rijksweg naar het buitengebied.

30

Maaiveld De maaiveldhoogte in de kern varieert globaal tussen de NAP+0,10 meter en NAP-0,60 meter en is aflopend van noord naar zuid. Aan de noordzijde is de Nieuwe Rijksweg hoger gelegen (circa NAP+2,40 meter tot NAP+3,10 meter), waardoor er een aflopend maaiveld richting het zuiden aanwezig is. In oost-west richting is het maaiveld over het algemeen relatief vlak. Oppervlaktewatersysteem De kern ’s-Heer Hendrikskinderen is grotendeels gelegen binnen twee peilgebieden (zie figuur 2), te weten peilgebied GPG259 aan de oostzijde en peilgebied GPG69 aan de westzijde. Het oostelijke peilgebied kent een streefpeil van NAP-2,50 meter (zomerpeil) en NAP-2,70 meter (winterpeil). Dit peilgebied strekt zich uit richting het zuiden en het oosten en beslaat tevens een deel van de kern Goes Het westelijk gebied kent een streefpeil van NAP-2,10 meter (vast peil). Beide peilgebieden maken onderdeel uit van het afvoergebied Maelstede-Dekker. Uit de figuur is goed zichtbaar dat de stromingsrichting hoofdzakelijk oostelijk gericht is. De noordelijke waterlopen, ten noorden van de Nieuwe Rijksweg maken deel uit van andere peilgebieden en staan niet in verbinding met de waterlopen ten zuiden van de Nieuwe Rijksweg.

Figuur 12: Oppervlaktewatersysteem (bron: waterschap Scheldestromen) Wateroverlast Het beleid van de gemeente Goes is er op gericht om wateroverlast tot een minimum te beperken. Bij het ontwerpen van water- en rioleringssystemen wordt gewerkt met maatgevende neerslag-situaties die een vastgestelde frequentie van voorkomen hebben (herhalingstijd). Aan de hand daarvan wordt het ontwerp uitgewerkt. Voor riolering is dit een korte hevige regenbui, de zogenaamde bui 08 conform de Leidraad Riolering. Dit is een neerslagsituatie van één uur, die statistisch gezien eenmaal per twee jaar optreedt. Rioleringsberekeningen van ‘s-Heer Hendrikskinderen (BRP 2015) geven voor de kern eigenlijk geen hydraulische knelpunten aan. Eventuele meldingen worden vooral veroorzaakt door lokale omstandigheden. In de praktijk is er nagenoeg geen sprake van (water)overlast.

31

Het oppervlaktewater in stedelijk gebied reageert anders en wordt op overstroming/inundatie getoetst aan een regenbui T=100 (maatgevende neerslagsituatie die statistisch gezien eenmaal per honderd jaar optreedt). Conform landelijke afspraken (NBW) mag er bij deze neerslagsituatie geen inundatie optreden vanuit het oppervlaktewater. Het waterschap heeft op basis van berekeningen het bijbehorende maximale peil voor peilgebied GPG259 (streefpeil NAP-2,50/-2,70 meter) bepaald op NAP-1,05 meter. Het bovenstaande betekent dat er voor die statische bui (T=100) geen inundatie optreedt. Indien er onverhoopt water op straat optreedt (door een hogere en/of langere neerslagfrequentie en/of door afstroming daarvan), ligt de prioriteit bij het voorkomen dat water vanaf de openbare ruimte woningen instroomt (schade). Om die reden wordt vanuit de gemeente voorgeschreven dat bij nieuwe ontwikkelingen het bouwpeil circa 20 tot 30 cm boven het straatpeil ligt.

Bodem- en grondwatersysteem Volgens de bodemkaart van de provincie Zeeland is het overgrote deel van de kern ‘s-Heer Hendriks-kinderen sterk zettingsgevoelig, behalve het gebied direct op en langs de Nieuwe Rijksweg. Dit wordt met name veroorzaakt door de grondslag. Dit gebied ligt waarschijnlijk op een oude kreekrug. De bodem van de kern bestaat in hoofdzaak uit klei en zavel (kalkrijke poldervaaggronden) waarbij de globale bodemopbouw gekarakteriseerd is als lichte zavel met een homogeen profiel (bron: www.bodemdata.nl). Boringen in het dinoloket bevestigen deze bodemopbouw en laten daarbij af en toe een laag veen zien op circa 1,0 à 2,0 meter diepte. Volgens de grondwatertrappenkaart kent de kern ’s-Heer Hendrikskinderen voor de hele kern grond-watertrap VI. Dit komt overeen met een GHG van 40-80 cm beneden maaiveld en een GLG>120 cm beneden maaiveld. In en rondom de kern is geen grondwaterbeschermingsgebied gelegen en ook zijn er geen geregistreerde grondwateronttrekkingen of infiltratiebronnen. Wel ligt ‘s-Heer Hendrikskinderen in de bufferzone van het Poelbos dat is aangemerkt als natuurgebied. Er zijn in de kern ’s-Heer Hendrikskinderen geen structurele problemen bekend ten aanzien van grondwateroverlast. Klachten over grondwater komen niet of nauwelijks voor.

Waterkansenkaart De provincie Zeeland heeft een waterkansenkaart opgesteld die is opgebouwd uit diverse thema-kaarten op het gebied van bodem en water. Deze themakaarten geven informatie over verschillende relevante onderwerpen ten aanzien van het water- en grondwatersysteem. Vanuit de waterkansen-kaart kunnen voor de kern ‘s-Heer Hendrikskinderen de onderstaande conclusies worden getrokken. <0000> De kern ‘s-Heer Hendrikskinderen is geen aandachtsgebied voor de waterhuishouding. <0000> Het (reeds bebouwde) gebied wordt bestempeld als minder geschikt voor (een toekomstige) stedelijke uitbreiding en wordt aangeduid met een hoog inspanningsniveau voor stedelijke ontwikkeling. <0000> De kern kent geen tot zeer geringe (Nieuwe Rijksweg) mogelijkheden voor infiltratie. Dit wordt met name veroorzaakt door de grondslag. <0000> ‘s-Heer Hendrikskinderen kent geen (zoute) kwel. Waterkwaliteit In het plangebied zijn geen meetpunten van het waterkwaliteitsmeetnet aanwezig. In het waterplan Goes (2005) is de kwaliteit van het oppervlaktewater aangemerkt als voldoende. In het plangebied zijn verder ook geen oppervlakte- of grondwaterlichamen in het kader van de Europese Kaderrichtlijn Water aanwezig. In geval van werkzaamheden op of nabij het watersysteem wordt bekeken of de oevers ecologisch ingericht kunnen worden indien dat nog niet het geval is.

Ook bij de inrichting van de openbare ruimte is het van belang rekening te houden met de effecten op de waterkwaliteit. Vanuit dat oogpunt is het wenselijk geen gebruik te maken van uitlogende materialen zoals zink, lood en verduurzaamd hout. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen op verharding is vanuit de rijksoverheid verboden om te zorgen dat er niet te veel diffuse bronnen het watersysteem belasten.

32

Voorts kunnen het gebruik van de openbare ruimte en activiteiten daarin leiden tot diffuse bronnen. Al naar gelang de aard en de effecten hiervan kan hier beleid voor worden uitgewerkt. Voorbeelden hiervan zijn het voeren van eenden en andere watervogels, situering van bomen in verband met bladval en hondenpoep. Riolering Het opvangen en afvoeren van hemelwater en vuilwater gebeurt in de kern ‘s-Heer Hendrikskinderen hoofdzakelijk via gemengde riolering. Op enkele locaties is verhard oppervlak, met name van wegen, niet op de riolering aangesloten en wordt regenwater rechtstreeks naar het oppervlaktewater afgevoerd. Dat geldt ook voor de nieuw ontwikkelde gebieden zoals de Floris de Voogdstraat. Op de kern ‘s-Heer Hendrikskinderen zijn enkele delen van het buitengebied aangesloten via drukriolering. De kern ‘s-Heer Hendrikskinderen kent verder één externe gemengde overstort die is voorzien van een randvoorziening. De rioleringsberekeningen van de kern (BRP 2015) laten zien dat het systeem hydraulisch nauwelijks knelpunten heeft. Deze worden in de praktijk ook niet ervaren. Wel kennen de randvoorziening en de toevoerende leidingen veel vervuiling. Dit wordt met name veroorzaakt door een vlakke ligging en enkele strengen met tegenschot. In het BRP zijn hier maatregelen voor geformuleerd.

Vanuit programmalijn 1 van de SAZ+ is een quickscan uitgevoerd om knelpunten in beeld te brengen in het kader van extreme situaties. Voor de situatie ‘kort hevig nat’ valt op dat er diverse verkeers-drempels in de kern aanwezig zijn die oppervlakkige afstroming in geval van hevige neerslag kunnen bemoeilijken. Geadviseerd is om deze te verlagen / aan te passen als er werkzaamheden worden uitgevoerd in het gebied (werk met werk).

Figuur 13: knelpuntlocatie oppervlakkige afstroming bij hevige neerslag (bron: programmalijn 1 SAZ+) Op basis van leeftijd staat een aantal strengen centraal in ’s-Heer Hendrikskinderen op de nominatie om op korte termijn vervangen te worden. Waar mogelijk worden deze werkzaamheden aangegrepen om verharding van de riolering af te koppelen en ook andere gesignaleerde potentiële knelpunten op het gebied van oppervlakkige afstroming aan te pakken.

33

Figuur 14: Projectgebied potentiële rioolvervanging op basis van leeftijd Bij nieuw- en/of verbouw (inbreiding of uitbreiding) dienen het vuilwater en het hemelwater gescheiden te worden aangeboden (conform het bouwbesluit 2012) Watertoetstabel De watertoetstabel brengt de waterhuishoudkundige consequenties van ontwikkelingen in het plangebied in beeld. Op dit moment zijn er geen ruimtelijke ontwikkelingen gepland binnen het plangebied, maar zijn er wel potentiële rioolvervangingen aan de orde. De watertoetstabel geeft inzicht in de verwachte toekomstige situatie, gebaseerd op de beschikbare kennis van het huidige functioneren van het watersysteem. Thema en water(schaps)doelstelling

Uitwerking

Veiligheid waterkering Waarborgen van het veiligheidsniveau tegen water en de daarvoor benodigde ruimte.

Er zijn in het plangebied geen waterkeringen gelegen. Met het actualiseren van het huidige bestemmingsplan blijft het veiligheidsniveau tegen water onaangetast.

Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater) Bij de bouw wordt voldoende hoog gebouwd om instroming van oppervlaktewater in maatgevende situatie(s) te voorkomen. Het plan biedt voldoende ruimte voor vasthouden / bergen / afvoeren van water.

De bestaande waterlopen in het plangebied functioneren naar behoren. Er zijn geen knelpunten bekend.

Riolering / RWZI (inclusief water op straat / overlast) Optimale werking van de zuiveringen / RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.

Het plangebied is grotendeels gemengd gerioleerd, waarbij op enkele locaties verhard oppervlak van de gemengde riolering is afgekoppeld of kleine delen gescheiden zijn gerioleerd. Bij nieuwbouw of herstructurering dienen vuilwater en hemelwater gescheiden te worden aangeboden (conform Bouwbesluit 2012).

Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied geldt dat bij een toename aan verharding er compenserende berging zal worden aangelegd ter grootte van 75 mm per m2 toegenomen verharding.

Op basis van leeftijd staat een aantal leidingen op de nominatie voor vervanging. Waar mogelijk 34

vindt daarbij ook afkoppeling van verhard oppervlak plaats. Waterschapsobjecten Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van waterschapsobjecten niet belemmeren. Hierbij wordt gedacht aan milieucontouren rond RWZI’s, rioolpersgemalen, polder-gemalen, vrijverval- en/of persleidingen.

Er vindt geen belemmering van de werking van waterschapsobjecten plaats.

Watervoorziening / -aanvoer Het voorzien van de bestaande functie van (gronden/of oppervlakte)water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van verande-ringen in ruimtegebruik op de behoefte aan water.

De watervoorziening in het plangebied is niet in het geding. Waar mogelijk (en doelmatig) wordt verhard oppervlak van de gemengde riolering afgekoppeld.

Volksgezondheid (water gerelateerd) Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.

Het (gemengde) rioolstelsel voldoet aan de eisen van de basisinspanning. Waar mogelijk zijn de oevers natuurvriendelijk ingericht (flauw talud). Alle binnen het plangebied aanwezige panden zijn aangesloten op de riolering. Bij de (ver)bouw van (nieuwe) woningen wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen.

goede van de

Het oppervlaktewater in het plangebied is overwegend zout of brak. Verslechtering van de waterkwaliteit is niet aan de orde.

Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveld-dalingen met name in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken.

Er vindt geen verandering plaats van de bestaande oppervlaktewaterpeilen of ontwikkelingen die van invloed zijn op de grondwaterstand.

Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud / realisatie van oppervlaktewater-kwaliteit. Vergroten veerkracht van het watersysteem.

Bodemdaling zal niet optreden. Er is geen grondwateroverlast in het plangebied bekend. In geval van grondwater-overlast kan de particuliere perceeleigenaar zijn overtollige grondwater aanbieden aan de gemeente Goes. De gemeente draagt zorg voor een doelmatige afvoer hiervan. De wijze van afvoer (rechtstreeks, via regenwater-riolering of zelfs eventueel via gemengde riolering) is afhankelijk van de beschikbare mogelijkheden ter plaatse.

Grondwateroverlast Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast.

Verdroging is niet aan de orde. Verdroging (natuur) Bescherming karakteristieke grondwater afhanke-lijke ecologische waarden; van belang in en rond natuurgebieden (hydrologische) beïnvloedingszone. Grondwaterkwaliteit Behoud / realisatie grondwater-kwaliteit.

van

een

goede

Er zijn geen locaties bekend waar de kwaliteit van het grondwater tekort schiet. Gezien het conserverende karakter van het bestem-mingsplan zullen er geen negatieve invloeden op dit gebied optreden.

35

Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.

Het plangebied zelf kent geen natte natuurwaarden. De kern ‘s-Heer Hendriks-ligt in de bufferzone van een natuurgebied. Gezien het conserverende karakter van het bestemmingsplan zullen er geen negatieve invloeden optreden.

Onderhoud waterlopen Oppervlaktewater moet kunnen worden.

Onderhoud aan waterlopen wordt uitgevoerd conform de ‘BOB-afspraken’ tussen gemeente en waterschap Scheldestromen.

adequaat

onderhouden

Waterschapswegen Goede bereikbaarheid en in stand houden van wegen in beheer en onderhoud bij het waterschap.

Het plangebied kent geen waterschapswegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan. Wel zijn er enkele waterschapswegen type B die grenzen aan de kern.

Tabel 1: Watertoetstabel

5.4 Flora en Fauna Beleidskader Sinds 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze nieuwe wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) geïmplementeerd. Het doel van deze natuurwetgeving is het instandhouden van de inheemse flora en fauna. Bij ruimtelijke planvorming is het verplicht om vooraf te onderzoeken wat de effecten zijn op het voortbestaan van de aanwezige beschermde planten en dieren, beschermde natuurgebieden en het behoud van bossen. Soortenbescherming Volgens de Wet natuurbescherming mag geen schade worden toegebracht aan vogels en aan beschermde dieren of planten. De soorten die zijn beschermd zijn te vinden in de Soortendatabase van het Rijk. Sommige dieren, zoals vleermuizen, gierzwaluwen, steenuilen en huismussen zijn kwetsbaar. In een dichtbevolkte samenleving als Nederland is goede natuurbescherming belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Als plannen, activiteiten of projecten effecten hebben op beschermde soorten, dan kan de provincie ontheffing verlenen voor het beschadigen, vernielen, vangen of doden van beschermde planten en dieren bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Omdat het voorliggende bestemmingsplan een beheersmatig karakter heeft en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, heeft het bestemmingsplan heeft geen gevolgen voor de bestaande natuur. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een natuurgebied, natuurnetwerk en Natura-2000 gebieden.Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is het Veerse Meer. Dit natuurgebied ligt op circa 3,5 kilometer van het plangebied. Het beheersplan bebouwde kom ’s-Heer Hendrikskinderen voorziet niet in de mogelijkheid tot het bouwen van nieuwe woningen, het aanleggen van nieuwe of wijzigen van bestaande wegen of het realiseren van nieuwe of het uitbreiden van bestaande bedrijven of andere bestemmingen, die leiden tot de uitstoot van stikstof. Daarom is het niet noodzakelijk om de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden te berekenen. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig en er geldt ook geen 'aanhaakplicht' in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning.

36

Conclusie Dit bestemmingsplan heeft een beheersmatig karakter. Om die reden is er geen nader onderzoek nodig. Voor nieuwe ontwikkelingen kan een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn..

5.5 Geluidshinder Wet geluidhinder De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moeten deze aspecten worden getoetst. Wegverkeerslawaai Bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan of een herziening daarvan dient op grond van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek naar verkeerslawaai te worden ingesteld. Hierbij moeten de in de wet aangegeven, binnen de zones langs de wegen geldende, waarden in acht worden genomen. Alle wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidzones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Het beheersplan bebouwde kom ’s-Heer Hendrikskinderen biedt geen mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe woningen of het aanleggen van nieuwe wegen. Daarom vormt het aspect verkeerslawaai geen belemmering.

Spoorweglawaai Bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan of een herziening daarvan dient op grond van artikel 4.1 van het Besluit geluidhinder (Bgh) een onderzoek naar lawaai langs spoorwegen te worden ingesteld. Hierbij moeten de in het besluit aangegeven, binnen de geluidszones langs de spoorwegen geldende, waarden in acht worden genomen. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidszones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 55 dB niet overschreden wordt. Het zuidelijke deel van het plangebied is gelegen binnen de geluidzone (300 meter) van de spoorlijn Roosendaal-Vlissingen. Het bestemmingsplan een beheersmatig karakter, wat inhoudt dat geen nieuwe (andere) geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone van het spoor mogelijk worden gemaakt. Het aspect spoorweglawaai vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Industrielawaai De Wet geluidhinder voorziet in zonering van industrieterreinen waarop zogenaamde grote lawaaimakers kunnen worden gevestigd om te voorzien in een ruimtelijke scheiding tussen deze industrieterreinen enerzijds en woningen en andere voor geluid gevoelige bestemmingen anderzijds. Een rond een in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein vastgestelde zone dient te worden vastgelegd in het bestemmingsplan.

Indien een nieuw bestemmingsplan voorziet in vestigingsmogelijkheden voor inrichting die de vaststelling van een dergelijke zone vereisen, dan dient de betreffende zone gelijktijdig daarmee te worden vastgelegd in het betreffende bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is niet gelegen binnen de grenzen van een zone rond een in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Gezien het voorgaande bestaat ten aanzien van het aspect industrielawaai geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Conclusie De normen voorvloeiend uit de Wetgeluidhinder vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan bebouwde kom ’s Heer Hendrikskinderen.

37

5.6 Luchtkwaliteit Beleidskader Artikel 5.16 van de titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer stelt onder andere dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, voor zover deze gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit, rekening dienen te houden met de grenswaarden uit dit besluit van verschillende luchtverontreinigende componenten. Conclusie Het beheersplan bebouwde kom ’s-Heer Hendrikskinderen voorziet zoals reeds genoemd niet in de mogelijkheid tot het bouwen van nieuwe woningen, het aanleggen van nieuwe of wijzigen van bestaande wegen of het realiseren van nieuwe of het uitbreiden van bestaande bedrijven of andere bestemmingen, die leiden tot de uitstoot van luchtverontreinigende componenten. Het vaststellen van dit plan heeft daarom geen gevolgen voor de luchtkwaliteit, zodat een toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit achterwege kan worden gelaten.

5.7 Overige milieuhinder en bedrijvigheid M.e.r.-plicht Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen, gevallen, activiteiten en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Sinds 7 juli 2017 zijn gemeenten verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (MER). Het besluit behoeft niet separaat te worden gepubliceerd, maar moet wel worden opgenomen in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. Mede op basis van de bevindingen in dit hoofdstuk van deze toelichting is geconcludeerd dat er geen passende beoordeling en geen MER hoeft te worden opgesteld. Overig Binnen de grenzen van het beheersmatige bestemmingsplan bebouwde kom ’s Heer Hendrikskinderen worden geen nieuwe woonbestemmingen of andere milieugevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Omgekeerd worden ook geen nieuwe milieubelastende bestemmingen zoals bedrijven mogelijk gemaakt. In het onderhavige plan zijn geen saneringssituaties of andere knelpunten aanwezig. Er zijn geen beperkingen waarmee rekening moeten worden gehouden in het onderhavige plan.

5.8 Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (bijvoorbeeld een chemische fabriek of lpg-vulpunt) en de transportbronnen (bijvoorbeeld route gevaarlijke stoffen of buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de kans op een dodelijk ongeval binnen een bepaald gebied. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten.

38

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13).

De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen. Ontwikkelingen Het bestemmingsplan heeft een conserverend/beheersmatig karakter. In het plangebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Daarmee worden er ook geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten, danwel risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Risicovolle inrichtingen Om te bepalen of er in en om het plangebied risicovolle inrichtingen zijn gelegen welke van invloed zijn op het plangebied, is het vergunningbestand van de gemeente Goes en de professionele risicokaart geraadpleegd. In en om het plangebied zijn geen bestaande risicovolle inrichtingen gelegen. Transport bronnen Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transport-assen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. De onderstaande transportassen zijn beoordeeld. Rijkswegen, provinciale wegen, gemeentelijke wegen In de omgeving van het plangebied ligt op 180 meter afstand de provinciale weg N256. Dit is een weg waarover een dusdanige hoeveelheid gevaarlijke stoffen wordt vervoerd dat deze externe veiligheid relevant zijn. Daarom is de QRA “Risicoanalyse weg en spoor ’s-Heer Hendrikskinderen”, kenmerk 214541, d.d. 17 mei 2021 opgesteld door AVIV.

Hieruit blijkt dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor het plangebied. Verder is het groepsrisico is kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. De verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege kan blijven. Ten slotte wordt geconcludeerd dat voor de N256 en de A256 geen plasbrandaandachtsgebied geldt. Gemeentelijke route vervoer gevaarlijke stoffen In het plangebied zijn geen routes vervoer gevaarlijke stoffen gelegen. Spoorweg-Vlissingen Bergen op Zoom Door de gemeente Goes loopt de spoorlijn Roosendaal – Vlissingen. Deze spoorlijn is op ca. 160 meter van het plangebied gelegen. Groepsrisico Het bestemmingsplan bebouwde kom ’s Heer Hendrikskinderen is een beheersmatig bestemmingsplan. Figuur 17 laat zien dat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Roosendaal - Vlissingen. Dit houdt in dat op basis van artikel 8 van het BEVT het groepsrisico moet worden verantwoord. Derhalve is de QRA “Risicoanalyse weg en spoor ’s-Heer Hendrikskinderen”, kenmerk 214541, d.d. 17 mei 2021 opgesteld door AVIV.

39

Uit het onderzoek blijkt dat voor het spoor het groepsrisico groter is dan de oriëntatiewaarde. Het bevt schrijft voor dat wanneer het groepsrisico groter is dan de oriëntatiewaarde een volledige verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Verantwoording groepsrisico De verantwoording van het groepsrisico draait om de beoordeling van het risico van een ramp, uitgedrukt in aantallen doden (meer dan 10), dat mogelijk is bij een ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving van een risicobron. In dit geval is de risicobron het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Sloehaven - Roosendaal west. Uiteindelijk dient de verantwoording te resulteren in een besluit waarbij het groepsrisico wordt geaccepteerd. Bij de beoordeling van risico’s speelt in principe altijd de vraag mee of het nodig is extra maatregelen te nemen die het risico verder beperken ofwel de veiligheid verhogen. Het gaat bij de externe veiligheid om extra maatregelen omdat risicobronnen altijd voorzien moeten zijn van veiligheidsmaatregelen op grond van allerlei wet- regelgeving en veiligheidsnormen buiten de externe veiligheid om. Bij het treffen van extra veiligheidsmaatregelen in het kader van de verantwoording groepsrisico zullen nut en noodzaak dan ook aangegeven moeten worden. Overigens geldt er geen verplichting tot het nemen van extra veiligheidsmaatregelen.

De politieke afweging in hoeverre extra maatregelen wenselijk of nodig zijn, wordt hier gebaseerd op de haalbaarheid van de maatregelen en de hoogte van het groepsrisico. Deze afweging is kwalitatief van aard. Voor het groepsrisico geldt immers geen milieunorm als grens- of richtwaarde. Hieronder is kort aangegeven welke aspecten op grond van de wet- en regelgeving (Bevt) in elk geval vermeld moeten worden bij de ruimtelijke onderbouwing. De technische rapportage QRA “Risicoanalyse weg en spoor ’s-Heer Hendrikskinderen”, kenmerk 214541, d.d. 17 mei 2021 opgesteld door AVIV vormt de verantwoording/onderbouwing van de hier vermelde gegevens en resultaten. De technische rapportage is opgesteld voor de deskundige risicoanalist, zodat het resultaat navolgbaar is en te verifiëren. a b

c d e f

Dichtheid van personen in het invloedsgebied Groepsrisico Op tijdstip vaststellen bestemmingsplan. Bijdrage hieraan door toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in het bestemmingsplan. De maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen. Andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Mogelijkheden tot voorbereiding, bestrijding en beperking van gevolgen ramp. Mogelijkheden voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen als zich een ramp voordoet (voor zover binnen invloedsgebied aanwezig).

x x

x x x x

Tabel 2: Elementen die in beschouwing genomen moeten worden bij de verantwoording groepsrisico conform Bevt Deze verplichte onderdelen die moeten worden behandeld zijn hieronder uitgewerkt. a) Personen in het invloedsgebied Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. De breedte van het invloedsgebied, gemeten vanaf de as van de weg, wordt bepaald door een berekening van de afstand waarop 1% van de blootgestelde personen nog overlijdt, uitgaande van het ongevalsscenario met het grootste bereik. Het externe veiligheidsrisico van de bebouwde kom Kloetinge wordt geheel bepaald door het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Sloehaven - Roosendaal West. Figuur 2 toont de zone van 995 m (invloedsgebied van B2) rond het spoor waarbinnen de bebouwing en de hiermee gepaard gaande aanwezigheid van personen is geïnventariseerd. De lengte van het invloedsgebied wordt bepaald door aan weerszijden van het plangebied een kilometer spoorroute te beschouwen en een extra deel van 995 m. Hoewel het groepsrisico vooral wordt bepaald door stofcategorie A (brandbaar gas, invloedsgebied 460 m) is voor de inventarisatie van personen uitgegaan van het invloedsgebied van stofcategorie B2 (giftig gas, 995 m). Cf de regeling basisnet dient ook rekening gehouden te worden met vervoer van 40

D4 met een invloedsgebied van meer dan 4 km. Bevolking buiten 995 m levert echter geen significante bijdrage aan het groepsrisico en is daarom niet geïnventariseerd. Het bestemmingsplan 's-Heer Hendrikskinderen is een beheersmatig bestemmingsplan. Figuur 17 laat zien dat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Roosendaal - Vlissingen. Dit houdt in dat op basis van artikel 8 van het BEVT het groepsrisico moet worden verantwoord. Derhalve is de QRA “Risicoanalyse weg en spoor ’s-Heer Hendrikskinderen”, kenmerk 214541, d.d. 17 mei 2021 opgesteld door AVIV opgesteld.

Figuur 15. Gebied inventarisatie bevolking b) Groepsrisico en de bijdrage door het besluit aan de hoogte van het groepsrisico Voor bestemmingsplan ’s-Heer Hendrikskinderen bedraagt het groepsrisico een factor 1.39 ten opzichte van de oriëntatiewaarde c) Maatregelen ter beperking van het groepsrisico Het bevoegd gezag heeft geen mogelijkheden maatregelen te treffen aangaande het transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn door Goes om het groepsrisico te beperken. Er zijn geen maatregelen overwogen, mede door het conserverende karakter van het bestemmingsplan, waardoor planologische maatregelen niet gewenst waren. d) Andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico Binnen zowel de huidige als de toekomstige invulling van het plangebied is voornamelijk sprake van woonfuncties. Gelet op het feit dat het groepsrisico niet wijzigt, lijkt de noodzaak tot het zoeken naar andere locaties met een lager risico niet aanwezig.

41

e)

Mogelijkheden tot voorbereiding, bestrijding en beperking van gevolgen ramp

e1. Bereikbaarheid Het bestemmingsplan ‘ ’s-Heer Hendrikskinderen’ heeft een beheersmatig karakter. In het plangebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De bereikbaarheid van het plangebied verandert niet. Zoals hieronder te zien is, is het plangebied in Noordelijke, Oostelijk, Zuidelijke en Westelijke richting te bereiken en te ontvluchten. De bereikbaarheid van gebouwen binnen het plangebied is als goed te kwalificeren.

Figuur 16: Bereikbaarheid binnen het plangebied e2. Bluswatervoorziening In figuur 19 is weergegeven waar de brandkranen zich bevinden binnen en rondom het plangebied. Voor wat betreft de primaire bluswatervoorziening is er voldoende in het plangebied aanwezig, variërend van hoofdzakelijk 30m3 tot een enkele van 90m3. De onderlinge afstand tussen de brandkranen voldoet ook aan de landelijke normen. Secundaire bluswatervoorziening is niet aanwezig.

42

Figuur 17: Bluswatervoorziening in plangebied 's-Heer Hendrikskinderen e3. Voorbereiding De mogelijkheden van de voorbereiding op de bestrijding en de beperking van de omvang van een ramp berusten op de ongevalscenario’s die als representatief worden beschouwd. Binnen het hele spectrum van mogelijke ongevallen (calamiteiten) en de daarbij behorende ontwikkelingsscenario’s zijn er situaties waarin de brandweer en hulpdiensten mogelijkheden heeft om kansrijk op te treden in de beperking van de gevolgen en vlotte hulpverlening van gewonden. Er zijn ook situaties waarin dat niet mogelijk zal zijn omdat de hoeveelheid gevaarlijke stof die vrijkomt te groot is. Er kan dan ook geen algemene conclusie worden getrokken over de mogelijkheden van de rampbestrijding en zelfredzaamheid van personen binnen het beschouwde invloedsgebied. Als wordt uitgegaan van het zwaarst denkbare ongevalscenario met een spoorketelwagen die LPG (stofcategorie A) vervoerd waarbij de planlocatie zou worden getroffen, dan is bovenregionale opschaling vereist voor de hulpverlening aan gewonden. Dit ongevalscenario is een ongeval waarbij de volledige tankinhoud van een LPG-spoorketelwagen ineens vrijkomt, niet direct wordt ontstoken, maar afdrijft tot de maximale afstand waar het gasmengsel nog tot ontbranding kan komen en vervolgens door een explosieve verbranding letale schade veroorzaakt.

Deze afstand is 460 m. Bij dit ongevalscenario is het voor de brandweer niet mogelijk zich voor te bereiden op beperking van de omvang van de ramp. Alleen een snelle hulpverlening door de GHOR Zeeland (Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de regio Zeeland) kan de gevolgen beperken door de gewonden tijdig te verzorgen en te behandelen. Er is bij dit scenario geen of te weinig tijd tussen het moment waarop het zich manifesteert (vrijkomen gas uit de tank) en het moment waarop de explosie zal plaatsvinden om de brandweer te waarschuwen zodat zij tijdig ter plaatse kan zijn. Bovendien is afhankelijk van de weersomstandigheden (windrichting en snelheid) geen inzet van de brandweer mogelijk voordat de explosie van het vrijgekomen gas heeft plaatsgevonden omdat anders de levens van de brandweermensen zelf op het spel staan. Alleen bij kleinere ongevallen waarbij gas weglekt uit de tank is het mogelijk de gevolgen te voorkomen. Er zijn ook diverse ongevalscenario’s met één van de gevaarlijke stoffen die wel bestreden kunnen worden om de gevolgen te beperken. Dit zijn de maatgevende ongevalscenario’s. Afhankelijk van de hoeveelheid en aard van de gevaarlijke stof die vrijkomt, is al dan niet bovenregionale opschaling nodig.

De maatgevende scenarios die in het plangebied kunnen optreden zijn hieonder beschreven e3.1 BLEVE-scenario Met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor (waaronder LPG en propaan) is een incident mogelijk met een ketelwagen geladen met een van deze stoffen met als gevolg het voltrekken van een BLEVE (Boiling liquid expanding vapour explosion). In het meest geloofwaardige scenario scheurt de ketelwagen waardoor het tot vloeistof verdichte gas (LPG) direct expandeert en

43

een overdrukscenario veroorzaakt (koude BLEVE). Dit kan worden gevolgd door een wolkbrand of een explosiescenario waarvan de effecten overeenkomen met de drukgolf van de koude BLEVE. Dit scenario wordt gezien als het maatgevend scenario voor een ongeval met een LPG- ketelwagen. Koude BLEVE-scenario met een ketelwagon (LPG) Effect Effectafstand (% letaal) (meter) 1 460 Tabel 3: Effectafstanden koude BLEVE scenario spoor (Bron: Handleiding risicoanalyse transport) De effecten van dit maatgevende scenario zijn als volgt. Bij het ontstaan van een koude BLEVE is er sprake een overdrukscenario waarbij er geen tijd is voor ontvluchting van het gebied. Op het moment dat de hulpverlening ter plaatse komt kan er worden begonnen blussen van secundaire branden en met het redden van slachtoffers. e3.2 Toxisch scenario spoor Met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor (waaronder toxische stoffen) is een incident mogelijk met een ketelwagen geladen met een van deze stoffen, met als gevolg het vrijkomen van een toxische wolk. De toxische damp, in combinatie met de blootstellingsduur (200 seconden), is bepalend voor de gevolgen voor mensen. De effectafstanden zijn berekend vanaf de spoorketelwagon.

Toxisch scenario spoor (Cl) Effect Effectafstand (% letaal) (meter) 1 > 4000 Tabel 4: Effectafstanden toxisch scenario spoor(Bron: Handleiding risicoanalyse transport) De effecten van dit maatgevende scenario zijn als volgt. Door een incident op het spoor scheurt de wand van een spoorketelwagon met gecomprimeerd toxisch gas met een toxische wolk tot gevolg. In geval van een toxische vloeistof stroomt een groot deel van de vloeistof in korte tijd uit. De toxische vloeistof verdampt deels direct tot een toxische wolk en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Zowel een toxisch gas als een toxische vloeistof hebben een toxische wolk tot gevolg. f) Mogelijkheden voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen als zich een ramp voordoet (voor zover binnen invloedsgebied aanwezig) De zelfredzaamheid is mogelijk als wordt uitgegaan van een maatgevend scenario. Dit is het geval als het ongeval beperkt is of als de afstand tussen de ongevalslocatie en het plangebied groot is, dus meer dan 460 meter. Voor de ongevalscenario’s en ongevalslocaties op het spoor waarbij gebouwen in brand zouden raken, zijn er reële mogelijkheden van zelfredzaamheid. Deze zijn niet anders dan de eisen die vanuit het Bouwbesluit worden gesteld om bij brand een veilig heenkomen te hebben.

f1 Vluchtroutes De woonbebouwing binnen het plangebied ligt op een minimale afstand van ongeveer 160 m ten noorden van de spoorroute. Indien er een ramp plaatsvindt op de spoorroute dan kunnen personen zich in veiligheid brengen door in noordelijke, oostelijke of westelijke richting te vluchten. Mogelijke vluchtroutes zijn met pijlen weergegeven in figuur 20.

44

Figuur 18: Vluchtroutes Maatregelen Maatregelen om het groepsrisico terug te dringen zijn planmatig niet meer toe te passen. Immers alles heeft zijn bestemming reeds en is feitelijk aanwezig. Verder zijn maatregelen aan de bron hier ook niet van toepassing. Het aantal transporten dat maximaal mag passeren over het traject is in het basisnet vastgelegd. Alternatieve ontwikkelingen Ten slotte kunnen geen alternatieve ontwikkelingen worden afgewogen omdat het gebied al volledig is ontwikkeld. Zoals eerder al vernoemd betreft een conserverend/beheersmatig bestemmingsplan. Om alternatieven te overwegen zou het plangebied heringericht moeten worden, dat is geen reëele optie. Vaarwegen Vaarwegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn in de omgeving van het plangebied niet aanwezig. Buisleidingen Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied ligt van risicovolle leidingen. Conclusie Transport Er zijn relevante transport-risicobronnen in de omgeving van het plangebied, deze vormen geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering.

5.9 Duurzaamheid en klimaat Naast maatregelen om minder CO2 uit te stoten (zoals omschreven in paragraaf 2.3 van deze toelichting) zijn ook maatregelen die bijdragen aan het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering belangrijk zoals het klimaatrobuust inrichten van de openbare ruimte. Hierbij kan gedacht worden aan het toepassen van veel groen, wat zowel een waterbergend vermogen heeft, als een koelend vermogen. Sterk versteende omgevingen warmen namelijk snel op doordat stenen warmte opnemen en deze warmte een lange tijd kunnen uitstralen, met name ’s nachts. In groene

45

omgevingen zullen de nachten tijdens warme perioden daarom koeler zijn dan in sterk versteende gebieden zoals steden. Dit effect wordt ook wel het hitte-eiland effect genoemd. Hitte-eiland effect In de gemeente Goes zijn twee gebieden te onderscheiden: Goes (stad) en het buitengebied met de kernen. Waar het buitengebied met de kernen een opwarming kent van 0,2 tot 0,6 °C op warme dagen, is dit in Goes 0,6 tot 1,8 °C, zie figuur 21. Hierop zijn de wijken Goese Meren en Noordhoek een uitzondering, zij hebben een opwarming van 0,2 tot 1,2 °C.

Figuur 19: Hitte-eiland effect in de gemeente Goes (bron: klimaateffectatlas) Het hitte-eilandeffect wordt tegengegaan door het creëren van schaduw en minder verharding. Met het creëren van schaduw, met een voorkeur door beplanting, bereikt minder zonnewarmte het verharde oppervlak. Hierdoor wordt de warmte niet vastgehouden door het verharde oppervlak en versterkt door omliggende gebouwen. De versterking kan voorkomen worden door bijvoorbeeld het vergroenen van muren. Minder verharding heeft hetzelfde effect als het creëren van schaduw, echter zijn dan geen extra maatregelen nodig voor het voorkomen van warmteopname door verharding. Het dorp ’s-Heer Hendrikskinderen ligt in het buitengebied met de kernen. Er zijn geen maatregelen nodig voor het voorkomen/reduceren van het hitte-eilandeffect. Droogte De watertoevoer in de gemeente Goes is afhankelijke van hemelwater. Dit komt doordat zowel het Veerse Meer als de Oosterschelde zoute wateren zijn. Met dit water kan het tekort aan water in de bodem niet aangevuld worden. In Wilhelminadorp staat het meetstation voor neerslagtekort per jaar. Op dit moment is het gemiddelde neerslagtekort per jaar ongeveer 186 mm, zie figuur 22. De verwachting is dat in 2050 dit tussen de 194 en 246 mm zal liggen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13878191/1