Agendapunt 15. Toelichting bestemmingsplan Riethoek
Tekst van het document
Conform landelijke afspraken (NBW) mag er bij deze neerslagsituatie geen inundatie optreden vanuit het oppervlaktewater. Het waterschap heeft op basis van berekeningen het bijbehorende maximale peil voor peilgebied GPG1070 (streefpeil NAP-1,80) bepaald op NAP-1,10 meter. Het bovenstaande betekent dat er voor die statische bui (T=100) geen inundatie optreedt. Indien er onverhoopt water op straat optreedt (door een hogere en/of langere neerslagfrequentie en/of door afstroming daarvan), ligt de prioriteit bij het voorkomen dat water vanaf de openbare ruimte woningen instroomt (schade). Om die reden wordt vanuit de gemeente voorgeschreven dat bij nieuwe ontwikkelingen het bouwpeil circa 20 tot 30 cm boven het straatpeil ligt.
23
Bodem- en grondwatersysteem Volgens de bodemkaart van de provincie Zeeland is het overgrote deel van de wijk Riethoek sterk zettingsgevoelig. Dit wordt met name veroorzaakt door de grondslag. Direct ten zuidwesten van het gebied ligt waarschijnlijk een oude kreekrug. De bodem van de wijk bestaat in hoofdzaak uit klei en zavel (kalkrijke poldervaaggronden) waarbij de globale bodemopbouw gekarakteriseerd is als zware zavel (klei met tussenlaag) of lichte zavel met een homogeen profiel (bron: www.bodemdata.nl). Boringen in het dinoloket bevestigen deze bodemopbouw en laten daarbij af en toe een laag veen zien op circa 2 à 3 meter diepte. Volgens de grondwatertrappenkaart kent de wijk Riethoek grondwatertrap V voor het westelijk deel en grondwatertrap VI voor het oostelijk deel. Dit komt overeen met respectievelijk een GHG van minder dan 40 cm en 40-80 cm beneden maaiveld en voor beide een GLG>120 cm beneden maai-veld. In de (lokale) praktijk kan dit door werkzaamheden, roering van de ondergrond en aanwezige drainageleidingen anders zijn. In en rondom de wijk is geen grondwaterbeschermingsgebied gelegen en ook zijn er geen geregistreerde grondwateronttrekkingen of infiltratiebronnen. Ook is het gebied niet aangemerkt als (bufferzone van) een natuurgebied. Er zijn in de wijk Riethoek zijn geen structurele problemen bekend ten aanzien van grondwater-overlast.
Klachten over grondwater komen niet of nauwelijks voor. Waterkansenkaart De provincie Zeeland heeft een waterkansenkaart opgesteld die is opgebouwd uit diverse thema-kaarten op het gebied van bodem en water. Deze themakaarten geven informatie over verschillende relevante onderwerpen ten aanzien van het water- en grondwatersysteem. Vanuit de waterkansen-kaart kunnen voor de wijk Riethoek de onderstaande conclusies worden getrokken. <0000> De wijk Riethoek is geen aandachtsgebied voor de waterhuishouding. <0000> Het (reeds bebouwde) gebied wordt aangeduid met een hoog inspanningsniveau voor stedelijke ontwikkeling. <0000> De wijk kent geen tot zeer beperkte mogelijkheden voor infiltratie. Dit wordt met name veroorzaakt door de grondslag. <0000> De wijk Riethoek kent geen (zoute) kwel. Waterkwaliteit In het plangebied zijn geen meetpunten van het waterkwaliteitsmeetnet aanwezig. Wel zijn in de primaire waterloop ten zuiden van Riethoek metingen uitgevoerd in het kader van het onderzoek naar het waterkwaliteitsspoor (SAZ+, 2017). Hierin is te zien dat de waterkwaliteit wordt beïnvloed door de activiteiten bovenstrooms. In en rondom de wijk Riethoek zijn verder geen oppervlakte- of grondwaterlichamen in het kader van de Europese Kaderrichtlijn Water aanwezig.
In geval van werkzaamheden op of nabij het watersysteem wordt bekeken of de oevers ecologisch ingericht kunnen worden indien dat nog niet het geval is. Ook bij de inrichting van de openbare ruimte is het van belang rekening te houden met de effecten op de waterkwaliteit. Vanuit dat oogpunt is het wenselijk geen gebruik te maken van uitlogende materialen zoals zink, lood en verduurzaamd hout. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen op verharding is vanuit de rijksoverheid verboden om te zorgen dat er niet teveel diffuse bronnen het watersysteem belasten. Riolering Het opvangen en afvoeren van hemelwater en vuilwater gebeurt in de wijk Riethoek via gescheiden riolering. Op de regenwaterriolering zijn met name de (achterzijden) van de woningen aangesloten en een deel van de wegen. De overige wegen voeren het regenwater oppervlakkig af in de richting van de verschillende wadi's die in de wijk zijn aangelegd. Van hieruit infiltreert het regenwater in de ondergrond of wordt het, bij een teveel aan water, rechtstreeks naar het oppervlaktewater afgevoerd. De wijk kent geen hydraulische knelpunten. Deze worden in de praktijk ook niet ervaren. In het algemeen geldt dat bij nieuw- en/of verbouw (inbreiding) het vuilwater en het hemelwater gescheiden dienen te worden aangeboden (conform het bouwbesluit 2012).
24
Watertoetstabel De watertoetstabel brengt de waterhuishoudkundige consequenties van ontwikkelingen in het plangebied in beeld. Op dit moment zijn er geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gepland binnen het plangebied. Wel geeft de watertoetstabel inzicht in de verwachte toekomstige situatie, gebaseerd op de beschikbare kennis van het huidige functioneren van het watersysteem. Tabel 5.1 Watertoetstabel Thema en water(schaps)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkering Waarborgen van het veiligheidsniveau tegen water en de daarvoor benodigde ruimte.
Er zijn in het plangebied geen waterkeringen gelegen. Met het actualiseren van het huidige bestemmingsplan blijft het veiligheidsniveau tegen water onaangetast.
Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater) Bij de bouw wordt voldoende hoog gebouwd om instroming van oppervlaktewater in maatgevende situatie(s) te voorkomen. Het plan biedt voldoende ruimte voor vasthouden / bergen / afvoeren van water.
De bestaande waterlopen in en rondom het plangebied functioneren naar behoren. Er zijn geen knelpunten bekend.
Riolering / RWZI (inclusief water op straat / overlast) Optimale werking van de zuiveringen / RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.
Het plangebied is gescheiden gerioleerd, waarbij diverse wegen oppervlakkig afwateren naar de aanwezige wadi’s. Bij nieuwbouw of herstructurering dienen vuilwater en hemelwater gescheiden te worden aangeboden (conform Bouwbesluit 2012).
Waterschapsobjecten Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van waterschapsobjecten niet belemmeren. Hierbij wordt gedacht aan milieucontouren rond RWZI’s, rioolpersgemalen, polder-gemalen, vrijverval- en/of persleidingen.
Er vindt geen belemmering van de werking van waterschapsobjecten plaats.
Watervoorziening / -aanvoer Het voorzien van de bestaande functie van (gronden/of oppervlakte)water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van verande-ringen in ruimtegebruik op de behoefte aan water.
De watervoorziening in het plangebied is niet in het geding. Waar mogelijk (en doelmatig) wordt regenwater naar wadi’s geleid en infiltreert het in de ondergrond.
Volksgezondheid (water gerelateerd) Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
Het rioolstelsel voldoet aan de eisen van de basisinspanning. Waar mogelijk zijn de oevers van de aanwezige waterlopen natuur-vriendelijk ingericht (flauw talud).
Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied geldt dat bij een toename aan verharding er compenserende berging zal worden aangelegd ter grootte van 75 mm per m2 toegenomen verharding.
Alle binnen het plangebied aanwezige panden zijn aangesloten op de riolering. Bij de (ver)bouw van (nieuwe) woningen wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen.
25
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud / realisatie van goede oppervlaktewater-kwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem.
Het oppervlaktewater in het plangebied is overwegend brak. Verslechtering van de waterkwaliteit is niet aan de orde.
Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveld-dalingen met name in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Er vindt geen verandering plaats van de bestaande oppervlaktewaterpeilen of ontwikkelingen die van invloed zijn op de grondwaterstand. Bodemdaling zal niet optreden.
Grondwateroverlast Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast.
Er is geen grondwateroverlast in het plangebied bekend. In geval van grondwater-overlast kan de particuliere perceeleigenaar zijn overtollige grondwater aanbieden aan de gemeente Goes. De gemeente draagt zorg voor een doelmatige afvoer hiervan. De wijze van afvoer (rechtstreeks, via regenwater-riolering) is afhankelijk van de beschikbare mogelijkheden ter plaatse.
Verdroging (natuur) Bescherming karakteristieke grondwater afhanke-lijke ecologische waarden; van belang in en rond natuurgebieden (hydrologische) beïnvloedingszone.
Verdroging is niet aan de orde.
Grondwaterkwaliteit Behoud / realisatie van een goede grondwater-kwaliteit.
Er zijn geen locaties bekend waar de kwaliteit van het grondwater tekort schiet. Gezien het conserverende karakter van het beheersplan zullen er geen negatieve invloeden op dit gebied optreden.
Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.
Het plangebied zelf kent geen natte natuurwaarden. Gezien het conserverende karakter van het beheersplan zullen er geen negatieve invloeden optreden.
Onderhoud waterlopen Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden kunnen worden.
Onderhoud aan waterlopen wordt uitgevoerd conform de ‘BOB-afspraken’ tussen gemeente en waterschap Scheldestromen.
Waterschapswegen Goede bereikbaarheid en in stand houden van wegen in beheer en onderhoud bij het waterschap.
Het plangebied kent geen waterschapswegen binnen de grenzen van het beheersplan.
26
5.5 Flora en Fauna Beleidskader Sinds 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze nieuwe wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) geïmplementeerd. Het doel van deze natuurwetgeving is het instandhouden van de inheemse flora en fauna. Bij ruimtelijke planvorming is het verplicht om vooraf te onderzoeken wat de effecten zijn op het voortbestaan van de aanwezige beschermde planten en dieren, beschermde natuurgebieden en het behoud van bossen. Soortenbescherming Volgens de Wet natuurbescherming mag geen schade worden toegebracht aan vogels en aan beschermde dieren of planten. De soorten die zijn beschermd zijn te vinden in de Soortendatabase van het Rijk. Sommige dieren, zoals vleermuizen, gierzwaluwen, steenuilen en huismussen zijn kwetsbaar. In een dichtbevolkte samenleving als Nederland is goede natuurbescherming belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Als plannen, activiteiten of projecten effecten hebben op beschermde soorten, dan kan de provincie ontheffing verlenen voor het beschadigen, vernielen, vangen of doden van beschermde planten en dieren bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Omdat het voorliggende bestemmingsplan een beheersmatig karakter heeft en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, heeft het bestemmingsplan geen gevolgen voor de bestaande natuur. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een natuurgebied, natuurnetwerk en Natura-2000 gebieden. Het dichtsbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is de Oosterschelde. Dit natuurgebied ligt op circa 3,5 kilometer van het plangebied. Het beheersplan Riethoek voorziet niet in de mogelijkheid tot het bouwen van nieuwe woningen, het aanleggen van nieuwe of wijzigen van bestaande wegen of het realiseren van nieuwe of het uitbreiden van bestaande bedrijven of andere bestemmingen, die leiden tot de uitstoot van stikstof. Daarom is het niet noodzakelijk om de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden te berekenen. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig en er geldt ook geen 'aanhaakplicht' in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning. Conclusie Dit bestemmingsplan heeft een beheersmatig karakter. Om die reden is er geen nader onderzoek nodig. Voor nieuwe ontwikkelingen kan een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn.
27
5.6 Geluidshinder Wet geluidhinder De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moeten deze aspecten worden getoetst. Wegverkeerslawaai Bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan of een herziening daarvan dient op grond van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek naar verkeerslawaai te worden ingesteld. Hierbij moeten de in de wet aangegeven, binnen de zones langs de wegen geldende, waarden in acht worden genomen. Alle wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidzones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Het beheersplan Riethoek biedt geen mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe woningen of het aanleggen van nieuwe wegen. Daarom vormt het aspect verkeerslawaai geen belemmering.
Spoorweglawaai Bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan of een herziening daarvan dient op grond van artikel 4.1 van het Besluit geluidhinder (Bgh) een onderzoek naar lawaai langs spoorwegen te worden ingesteld. Hierbij moeten de in het besluit aangegeven, binnen de geluidszones langs de spoorwegen geldende, waarden in acht worden genomen. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidszones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 55 dB niet overschreden wordt. Het het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de spoorlijn Roosendaal-Vlissingen. Het bestemmingsplan heeft een beheersmatig karakter, wat inhoudt dat geen nieuwe (andere) geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone van het spoor mogelijk worden gemaakt. Het aspect spoorweglawaai vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Industrielawaai De Wet geluidhinder voorziet in zonering van industrieterreinen waarop zogenaamde grote lawaaimakers kunnen worden gevestigd om te voorzien in een ruimtelijke scheiding tussen deze industrieterreinen enerzijds en woningen en andere voor geluid gevoelige bestemmingen anderzijds. Een rond een in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein vastgestelde zone dient te worden vastgelegd in het bestemmingsplan.
Indien een nieuw bestemmingsplan voorziet in vestigingsmogelijkheden voor inrichting die de vaststelling van een dergelijke zone vereisen, dan dient de betreffende zone gelijktijdig daarmee te worden vastgelegd in het betreffende bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is niet gelegen binnen de grenzen van een zone rond een in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Gezien het voorgaande bestaat ten aanzien van het aspect industrielawaai geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Conclusie De normen voorvloeiend uit de Wetgeluidhinder vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan Riethoek.
28
5.7 Luchtkwaliteit Beleidskader Artikel 5.16 van de titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer stelt onder andere dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, voor zover deze gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit, rekening dienen te houden met de grenswaarden uit dit besluit van verschillende luchtverontreinigende componenten. Conclusie Het beheersplan Riethoek voorziet niet in de mogelijkheid tot het bouwen van nieuwe woningen, het aanleggen van nieuwe of wijzigen van bestaande wegen of het realiseren van nieuwe of het uitbreiden van bestaande bedrijven of andere bestemmingen, die leiden tot de uitstoot van luchtverontreinigende componenten. Het vaststellen van dit plan heeft daarom geen gevolgen voor de luchtkwaliteit, zodat een toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit achterwege kan worden gelaten.
5.8 Overige milieuhinder en bedrijvigheid Overige milieuhinder Binnen de grenzen van het beheersmatige bestemmingsplan Riethoek worden geen nieuwe woonbestemmingen of andere milieugevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Omgekeerd worden ook geen nieuwe milieubelastende bestemmingen zoals bedrijven mogelijk gemaakt. In het onderhavige plan zijn geen saneringssituaties of andere knelpunten aanwezig. Er zijn geen beperkingen waarmee rekening moeten worden gehouden in het onderhavige plan.
5.9 Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (bijvoorbeeld een chemische fabriek of lpg-vulpunt) en de transport bronnen (bijvoorbeeld route gevaarlijke stoffen of buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de kans op een dodelijk ongeval binnen een bepaald gebied. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Voor voorliggend bestemmingsplan is een externe veiligheid analyse uitgevoerd (zie bijlage 2) Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.
Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het
29
groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen. Ontwikkelingen Het bestemmingsplan heeft een conserverend / beheersmatig karakter. In het plangebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Daarmee worden er ook geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten, danwel risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Risicovolle inrichtingen Om te bepalen of er in en om het plangebied risicovolle inrichtingen zijn gelegen welke van invloed zijn op het plangebied, is het vergunningbestand van de gemeente Goes en de professionele risicokaart geraadpleegd. In en om het plangbied zijn geen bestaande risicovolle inrichtingen gelegen. Transport bronnen Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transport-assen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. De onderstaande transportassen zijn beoordeeld. Rijkswegen, provinciale wegen, gemeentelijke wegen Rijkswegen, en provinciale wegen waarover een dusdanige hoeveelheid gevaarlijke stoffen wordt vervoerd dat deze externe veiligheid relevant zijn, liggen op ca. 2000 meter. Deze zijn derhalve niet relevant. Gemeentelijke route vervoer gevaarlijke stoffen In het plangebied zijn geen routes vervoer gevaarlijke stoffen gelegen.
Spoorweg-Vlissingen Bergen op Zoom Door de gemeente Goes loopt de spoorlijn Roosendaal – Vlissingen. Deze spoorlijn is op ca. 40 meter van het plangebied gelegen. Omdat dit binnen de 200 meter zone uit artikel 8.1 van het Bevt ligt, moet het groepsrisico worden bepaald, maatregelen ter beperking van het groepsrisico worden onderzocht en alternatieve ontwikkelingen met een lagere groepsrisico worden beschreven in de toelichting bij het bestemmingsplan. QRA Op basis van artikel 4 van het “Besluit externe veiligheid transportroutes” moet het groepsrisico worden berekend bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Voor het plangebied Riethoek heeft AVIV de QRA “Riethoek” met kenmerk:193840 opgesteld (zie bijlage 3). Plaatsgebonden risico Voor het traject ter hoogte van de beoogde ontwikkeling geldt een PR-plafond van 0 m. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op het midden van de spoorbundel, niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plangebied. Groepsrisico Het groepsrisico is gelijk aan 0.48 keer de oriëntatiewaarde. De verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Maatregelen Maatregelen om het groepsrisico terug te dringen planmatig zijn niet meer toe te passen. Immers alles heft zijn bestemming reeds en is feitelijk aanwezig.
Verder zijn maatregelen aan de bron zijn hier ook niet van toepassing. Het aantal transporten dat maximaal mag passeren over het traject is in het basisnet vastgelegd. Alternatieve ontwikkelingen
30
Ten slotte kunnen geen alternatieve ontwikkelingen worden afgewogen omdat het gebied al volledig is ontwikkeld. Zoals eerder al vernoemd betreft een conserverend / beheersmatig bestemmingsplan. Om alternatieven te overwegen zou het plangebied heringericht moeten worden, dat is geen reëele optie.
Figuur 5.3: Uitsnede risicokaart Nederland (bron: www.risicokaart.nl) Vaarwegen Vaarwegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn in de omgeving van het plangebied niet aanwezig. Buisleidingen Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied ligt van risicovolle leidingen. Conclusie Transport Er zijn relevante transport-risicobronnen in de omgeving van het plangebied, deze vormen geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering.
5.10 Duurzaamheid en klimaat Naast maatregelen om minder CO2 uit te stoten zijn ook maatregelen die bijdragen aan het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering belangrijk zoals het klimaatrobuust inrichten van de openbare ruimte. Hierbij kan gedacht worden aan het toepassen van veel groen, wat zowel een waterbergend vermogen heeft, als een koelend vermogen. Sterk versteende omgevingen warmen namelijk snel op doordat stenen warmte opnemen en deze warmte een lange tijd kunnen uitstralen, met name 's nachts. In groene omgevingen zullen de nachten tijdens warme perioden daarom koeler zijn dan in sterk versteende gebieden zoals steden. Dit effect wordt ook wel het hitte-eiland effect genoemd. Hitte-eiland effect In de gemeente Goes zijn twee gebieden te onderscheiden: Goes (stad) en het buitengebied met de kernen. Waar het buitengebied met de kernen een opwarming kent van 0,2 tot 0,6 °C op warme 31
dagen, is dit in Goes 0,6 tot 1,8 °C (figuur 5.4). Hierop zijn de wijken Goese Meren en Noordhoek een uitzondering, zij hebben een opwarming van 0,2 tot 1,2 °C.
Figuur 5.4 Hitte-eiland effect in de gemeente Goes (bron: klimaateffectatlas) Het hitte-eilandeffect wordt tegengegaan door het creëren van schaduw en minder verharding. Met het creëren van schaduw, met een voorkeur door beplanting, bereikt minder zonnewarmte het verharde oppervlak. Hierdoor wordt de warmte niet vastgehouden door het verharde oppervlak en versterkt door omliggende gebouwen. De versterking kan voorkomen worden door bijvoorbeeld het vergroenen van muren. Minder verharding heeft hetzelfde effect als het creëren van schaduw, echter zijn dan geen extra maatregelen nodig voor het voorkomen van warmteopname door verharding. In de wijk Riethoek zijn diverse groene voorzieningen aangelegd die een positieve werking hebben op het reduceren van het hitte-eiland effect. Er zijn geen verdere maatregelen nodig voor het verder voorkomen van het hitte-eilandeffect. Droogte De watertoevoer in de gemeente Goes is afhankelijke van hemelwater. Dit komt doordat zowel het Veerse Meer als de Oosterschelde zoute wateren zijn. Met dit water kan het tekort aan water in de bodem niet aangevuld worden. In Wilhelminadorp staat het meetstation voor neerslagtekort per jaar. Op dit moment is het gemiddelde neerslagtekort per jaar ongeveer 186 mm (zie figuur 5.5). De verwachting is dat in 2050 dit tussen de 194 en 246 mm zal liggen.
Figuur 5.5 Neerslagtekort per jaar bij Wilhelminadorp (bron: klimaateffectatlas)
32
Het is daarom van belang dat in de gehele gemeente Goes in de neerslagperiodes zoveel mogelijk hemelwater wordt opgevangen en vastgehouden. Dit kan door middel van maatregelen met groen en door technische maatregelen zoals seizoensberging en infiltratiekratten. Maatregelen voor waterberging gaan ook wateroverlast tegen. Wateroverlast Zie paragraaf 5.4 Overstromingen De stijging van de zeespiegel zorgt ervoor dat de kans op overstromingen groter wordt. Wanneer een overstroming plaatsvindt binnen de gemeente Goes zal deze dreiging komen vanaf het Veerse Meer of de Oosterschelde. De kans op overstroming wordt verdeeld in eens per 10 (groot), 100 (middelgroot), 1000 (klein) en 100.000 (bijzonder klein) jaar. Binnen de gemeente Goes zijn geen gebieden aanwezig waarbij een grote kans op overstroming is. Wel is een middelgrote kans op overstromingen aanwezig. De gebieden die deze kans hebben staan aangegeven op onderstaand figuur (zie figuur 5.6). Hierbij ligt de grootste overstromingsdiepte tussen de 0,5 en 2 meter.
Figuur 5.6 Locaties met een middelgrote kans (eens per 100 jaar) op overstromingen in de gemeente Goes (bron: klimaateffectatlas) Figuur 5.7 geeft inzicht in de kleine kans op overstromingen. Ook hier ligt de grootste overstromingsdiepte tussen de 0,5 en 2 meter. Het grootste verschil met de middelgrote kans op overstromingen is dat het gebied ten westen van Goes ook overstroomt. Voor de wijk Riethoek geldt een nihile kans op overstroming.
Figuur 5.7 Locaties met een kleine kans (eens per 1000 jaar) op overstromingen in de gemeente Goes (bron: klimaateffectatlas)
33
5.11 Conclusie In hoofdstuk 5 is het initiatief getoetst aan de relevante omgevingsaspecten. Geconcludeerd wordt dat deze omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.
34
HOOFDSTUK 6 Juridische vormgeving 6.1 Planvorm Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten gebouwen. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bj de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Het bestemmingsplan 'Riethoek' kan gekarakteriseerd worden als een zogenaamd 'beheersplan'. In een dergelijk plan ligt het accent van de juridische regeling vooral op het bieden van rechtsbescherming ten aanzien van het bestaand gebruik van gronden en opstallen. Er is sprake van een gedetailleerd plan, waarin de bestaande sutuatie grotendeels behouden blijft en waar rekening is gehouden met de nodige flexibiliteit door binnen een aantal bestemmingen meerdere functies toe te staan. Een en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een beperkt aantal bestemmingen, een eenvoudig kaartbeeld en een uniforme opzet van de bouwbepalingen.
Alle bestaande functies (wonen, werken, verkeer, recreëren, etc.) worden gerespecteerd; ingrijpende functieveranderingen zijn niet voorzien. Het plan biedt wel de mogelijkheid om op een flexibele wijze op mogelijke functieveranderingen en veranderende woonbehoeften in te spelen. In het plan zijn hiertoe verschillende wijzigingsbevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen. De regels zijn opgebouwd uit de Inleidende regels (hoofdstuk 1), de bestemmingsplanregels (hoofdstuk 2), de Algemene regels (hoofdstuk 3) en de Overgangs- en slotbepalingen (Hoofdstuk 4). De verbeelding van het bestemmingsplan bestaat uit 1 kaartblad.
6.2 Toelichting op de bestemmingen 6.2.1 Inleidende regels Artikel 1 Begripsbepalingen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 6.2.2 Bestemmingsregels Artikel 3 Bedrijf Binnen het plangebied is een nutsvoorziening aanwezig, die bestemd is alszijnde 'bedrijf', met de aanduiding 'nutsvoorziening'. Binnen deze bestemming zijn andere bouwwerken toegestaan. Ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn regels bepaald over de situering en de maatvoering. De gronden zijn mede bestemd voor onder meer verhardingen, groenvoorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. Artikel 4 Groen Binnen de bestemming 'Groen' mogen niet voor bewoning bestemde gebouwen en andere bouwwerken worden opgericht. De bouwbepalingen zijn met name gericht op de maximaal toegestane hoogtematen. De oppervlakte van gebouwen mag maximaal 15 m² bedragen en de hoogte maximaal 3,5 meter.
35
Artikel 5 Verkeer De wegen en verblijfsgebieden in het plangebied hebben de bestemming 'Verkeer'. Binnen deze bestemming zijn niet voor bewoning bestemde gebouwen (bijvoorbeeld transformatorhuisjes) en bouwwerken, geen gebouwen zijnde (bijvoorbeeld speeltoestellen, afvalcontainers) toegestaan. De bouwbepalingen zijn met name gericht op de maximaal toegestane hoogtematen. De in het plangebied aanwezige garageboxen zijn van een specifieke aanduiding voorzien en zijn alleen toegelaten binnen de op de verbeelding aangeduide bouwvlakken. Voor de garageboxen zijn bepalingen opgenomen over de breedte en hoogte. Artikel 6 Wonen Het overgrote deel van de gronden is bestemd tot 'Wonen'. De volgende wonintypen worden onderscheiden: vrijstaande woningen, twee aaneengesloten woningen, aaneengesloten woningen en patio woningen. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. In de regels zijn onder meer de maximale hoogte van de hoofdgebouwen, de minimale breedte van een hoofdgebouw en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens vastgelegd. Met betrekking tot de situering van de hoofdgebouwen zijn op de verbeelding bebouwingsvlakken ingetekend, waarin de hoofdgebouwen gesitueerd dienen te worden.
De bebouwingsvlakken zijn in het algemeen op de bestaande situatie afgestemd om te voorkomen dat ogewenste wijzigingen in de bestaande stedenbouwkundige sutuatie optreden. Ten aanzien van de bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn bepalingen opgenomen betreffende de goot- en bouwhoogte en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woning of bijbehorende bouwwerken worden rechtstreeks toegestaan, mits wordt voldaan aan de omschrijving van deze activiteiten zoals opgenomen onder de begripsbepalingen uit artikel 1. Het plan biedt de mogelijkheid om door middel van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden op ontwikkelingen in te spelen. Afwijkingsbepalingen zijn opgenomen om af te wijken van de voorgeschreven (hoogte)maten Artikel 7 Waarde - Archeologie 2 De gronden met de dubelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' zijn mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden van de gronden. Bouwwerken ten dienste van de ander aldaar geldende bestemmingen mogen onder voorwaarden worden vernieuwd of veranderd. Ter bescherming van de archeologische waarden dient de aanvrager voor het bouwen van een bouwwerk een archeologisch rapport te overleggen indien de oppervlakte groter is dan respectievelijk 50 m² en 250 m² en dieper wordt gegaan dan 40 cm.
Indien het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot een onevenredige verstoring van behoudenswaardige archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders naar aanleiding daarvan voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning. Daarnaast is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor werken en werkzaamheden die de grond roeren. Tot slot zijn in deze bestemming wijzigingsbevoegdheden opgenomen om de archeologisch waardevolle gebieden te kunnen wijzigen. 6.2.3 Algemene regels Artikel 8
Antidubbeltelbepaling
Het doel van deze bepaling is om te voorkomen dat, wanneer volgens het bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van het bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waarvan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 9
Algemene bouwregels
In dit artikel zijn bepalingen omgenomen omtrent algemene bouwregels. Het betreft hier bepalingen ten aanzien van bestaande maten en het overschrijden van bouwgrenzen. Artikel 10
Algemene gebruiksregels
36
In dit artikel zijn (verbods)bepalingen opgenomen over het gebruik van in dit plan begrepen gronden. Artikel 11
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel zijn een aantal algemene afwijkingsbepalingen opgenomen. Deze afwijkingen betreffen het overschrijden van bebouwingsgrenzen, geringe afwijkingen van het bestemmingsplan en het afwijken voor het oprichten van antennes en masten. Artikel 12
Algemene wijzigingsregels
De algemene wijzigingsbevoegdheden van burgemeester en wethouders zijn in dit artikel opgenomen om nutsgebouwtjes te kunnen bouwen, voor het overschrijden van bebouwingsgrenzen en om geringe afwijkingen te kunnen laten plaatsvinden. Artikel 13
Algemene procedureregels
Dit artikel bevat de procedureregels welke gelden bij de voorbereiding van een besluit tot het afwijken.
6.2.4 Overgangs- en slotregels Artikel 14
Overgangsrecht
Dit artikel betreft de overgangsbepalingen met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot. Artikel 15
Slotregel
De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan “ Riethoek”.
37
HOOFDSTUK 7 Handhaving 7.1 Inleiding De gemeenteraad heeft tot taak bestemmingsplannen vast te stellen voor het grondgebied van de gemeente. In elk bestemmingsplan wordt het door de gemeente gewenste ruimtelijke beleid voor een bepaald gebied vertaald. Een nieuw bestemmingsplan legt de bestaande ruimtelijke kaders vast en bepaalt de grenzen waarbinnen planologische ontwikkelingen mogelijk zijn. Het biedt de gemeente een actueel beleidsmatig en juridisch toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven in een specifiek gebied. Om de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde leefomgeving te behouden en te verbeteren, is het noodzakelijk dat na het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan de daaruit voortvloeiende regels ook daadwerkelijk worden nageleefd. In gevallen waarin regels niet uit eigen beweging worden nageleefd dient in beginsel handhavend te worden opgetreden. Het uitblijven van handhavend optreden tegen de overtreding van regels die in een bestemmingsplan worden gesteld aan de bebouwing en inrichting van gronden, heeft een negatieve weerslag op de ruimtelijke kwaliteit, kan leiden tot rechtsongelijkheid, kan ongewenste precedentwerking tot gevolg hebben en vermindert het vertrouwen van de burger in het gemeentebestuur.
7.2 Handhaving bestemmingsplannen Onder handhaving wordt verstaan het nemen van maatregelen om de naleving van wettelijke voorschriften te bevorderen. Handhaving betreft dus niet alleen het daadwerkelijk repressief optreden tegen overtreders met behulp van sanctiemiddelen. Daaraan voorafgaand is het gewenst dat er heldere en hanteerbare regels zijn, moeten die regels kenbaar zijn en wordt er toezicht gehouden op de naleving ervan. Een eerste vereiste voor een goede handhaving is derhalve een bestemmingsplan met handhaafbare regels. Dat wil zeggen: regels die zodanig zijn opgesteld dat deze in de toetsingspraktijk goed hanteerbaar zijn. Voorlichting en preventief optreden vormen de basis voor effectieve handhaving. Een goede informatievoorziening draagt bij aan een verbetering van de naleving van bestemmingsplannen. Hoewel sanctionering in de meest optimale situatie niet nodig zou moeten zijn, zullen zich in de praktijk altijd gevallen voordoen waarin achteraf opgetreden moet worden tegen illegale situaties. In dergelijke gevallen kan het college van burgemeester en wethouders wettelijke dwangmiddelen inzetten om overtredingen gedwongen te (laten) beëindigen, zoals het opleggen van een last onder bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.
7.3 Handhavingsbeleid De doelstelling van handhaving is het bevorderen van de naleving van wettelijke regels en het herstellen van overtredingen. Handhavend optreden in geval een overtreding is geconstateerd, is een beginselplicht, dat door middel van het voeren van een transparant beleid ingezet moet worden om de doelstelling te bereiken. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een leefbare en veilige woonomgeving voor de inwoners van de gemeente. De door het college van b&w aangewezen toezichthouders, zijn belast met het toezicht op de naleving van onder meer de ruimtelijke regelgeving. Deze taak wordt zo veel mogelijk consistent en stelselmatig uitgevoerd, zodat aan de beginselen van behoorlijk bestuur zoals rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en zorgvuldigheid kan worden voldaan. Ook daarvoor is het nodig handhavingsbeleid vast te stellen. Het handhavingsbeleid is, zoals vele andere beleidsvelden, altijd in beweging. Met behulp van monitoring wordt periodiek geëvalueerd en wordt zo nodig het beleid bijgesteld. De gemeente kan niet overal en altijd toezien op naleving van regels, waardoor het noodzakelijk is prioriteiten te stellen. De handhavingsprioriteiten worden steeds vastgesteld op basis van een risico-analyse.
Jaarlijks wordt op basis van het beleid een handhavinguitvoeringsprogramma vastgesteld zodat inzichtelijk wordt op welke wijze de beschikbare handhavingscapaciteit in een bepaald jaar wordt ingezet. Het handhavingsbeleid is erop gericht om zo veel mogelijk integraal te handhaven. Het houden van toezicht op illegale bouw en strijdigheid met bestemmingsplannen scoort dusdanig dat de prioriteit gemiddeld tot hoog genoemd kan worden. Wanneer een aspect een lage prioriteit heeft, betekent dit overigens niet dat de regel overtreden mag worden. De beginselplicht tot handhaving, zoals die door de Raad van State is geformuleerd, is onverkort van kracht. Er zal dus 38
altijd serieus met constateringen en klachten worden omgegaan, ook al is de prioriteit van desbetreffende overtreden norm laag. Echter, de focus van de toezichthoudende ambtenaren zal met name zijn gericht op de gestelde prioriteiten zoals opgenomen in het beleid.
7.4 Opleggen sancties Wanneer een overtreding niet vrijwillig wordt beëindigd, wordt doorgaans gekozen voor het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom om een overtreder te dwingen een illegale situatie te beëindigen. Deze bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen hebben een reparatoir karakter en zijn met vele juridische waarborgen omkleed. Omdat een overtreding van het bestemmingsplan in de Wet op de economische delicten is aangemerkt als een economisch delict, is ook strafrechtelijke handhaving een optie. Privaatrechtelijke handhaving is minder geschikt. Tot het gedogen van overtredingen wordt slechts in uitzonderlijke gevallen overgegaan, bijvoorbeeld wanneer in redelijkheid niet meer voldaan kan worden aan de geldende regels en aanpassing van de regelgeving aan gewijzigde beleidsinzichten nog niet heeft plaatsgevonden.
39
HOOFDSTUK 8 Economische uitvoerbaarheid Onderhavig plan betreft een conserverend bestemmingsplan voor een bestaande situatie en voorziet niet in uit te voeren werken of werkzaamheden. Het bestemmingsplan is daarmee economisch uitvoerbaar. Om die reden is het opstellen van een exploitatie achterwege gelaten. De financiële betrokkenheid van de gemeente zal bij mogelijke investeringen per geval worden afgewogen. Bij die percelen waarvoor een wijzigings- danwel afwijkingsbevoegdheid is opgenomen, zal medewerking slechts worden verleend nadat de financiële haalbaarheid hiervan bij dat concrete verzoek vooraf is aangetoond.
40
HOOFDSTUK 9 Maatschappelijke toetsing 9.1 Vooroverleg artikel 3.1.1 Bro Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, in het kader van het vooroverleg waar nodig het plan te worden toegezonden aan besturen van gemeenten, met Rijks- en provinciale diensten en dergelijke. In bepaalde gevallen kan worden afgeweken van het vereiste vooroverleg. Voor dit plan is overleg gepleegd met: -
Provincie Zeeland Waterschap De Scheldestromen Veiligheidsregio Zeeland Stedin Gasunie Evides
9.2 Ontwerpbestemmingsplan Overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening wordt het ontwerp van het bestemmingsplan gedurende zes weken in het standskantoor ter inzage gelegd en gepubliceerd op de website ruimtelijkeplannen.nl, zodat het plan digitaal raadpleegbaar is. Gedurende deze termijn kan eenieder zowel mondelinge als schriftelijk zienswijzen naar voren brengen.
41