Agendapunt 15. Toelichting bestemmingsplan Riethoek
Tekst van het document
Toelichting
1
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Opzet HOOFDSTUK 2 Inventarisatie en analyse 2.1 Inleiding 2.2 Historie 2.3 Landschap 2.4 Functionele opbouw van het gebied 2.5 Ruimtelijke opbouw van het gebied 2.6 Kwaliteiten en potentiele ontwikkelingslocaties 2.7 Conclusie HOOFDSTUK 3 Visie op het plangebied 3.1 Inleiding 3.2 Deelgebieden 3.3 Streefbeeld deelgebieden 3.4 Streefbeeld functies 3.5 Conclusies HOOFDSTUK 4 Beleidskader 4.1 Inleiding 4.2 Rijksbeleid 4.3 Provinciaal beleid 4.4 Regionaal en gemeentelijk beleid 4.5 Conclusie HOOFDSTUK 5 Sectorale aspecten 5.1 Inleiding 5.2 Archeologie 5.3 Bodem 5.4 Water 5.5 Flora en Fauna 5.6 Geluidshinder 5.7 Luchtkwaliteit 5.8 Overige milieuhinder en bedrijvigheid 5.9 Externe veiligheid 5.10 Duurzaamheid en klimaat 5.11 Conclusie HOOFDSTUK 6 Juridische vormgeving 6.1 Planvorm 6.2 Toelichting op de bestemmingen HOOFDSTUK 7 Handhaving 7.1 Inleiding 7.2 Handhaving bestemmingsplannen 7.3 Handhavingsbeleid 7.4 Opleggen sancties HOOFDSTUK 8 Economische uitvoerbaarheid HOOFDSTUK 9 Maatschappelijke toetsing
4 4 4 5 6 7 7 7 7 7 7 8 8 9 9 9 9 9 9 10 10 10 11 14 18 19 19 19 20 21 27 28 29 29 29 31 34 35 35 35 38 38 38 38 39 40 41 2
9.1 Vooroverleg artikel 3.1.1 Bro 9.2 Ontwerpbestemmingsplan
41 41
Bijlagen: Bijlage 1 Archeologisch Rapport Riethoek Bijlage 2 Motivatie Externe Veiligheid Bijlage 3 QRA Externe Veiligheid
3
HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de het woongebied Riethoek, gelegen in Kloetinge dat valt binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Goes. De gemeente Goes heeft besloten om alle bestemmingsplannen binnen haar grondgebied te actualiseren en voor alle gebieden zijn plannen gelijktijdig te digitaliseren. Bestemmingsplannen worden in principe voor een periode van tien jaar vastgesteld. Nu de actualiseringsplicht bestemmingsplannen en beheersverordeningen is afgeschaft is dit geen harde termijn meer. Verouderde bestemmingsplannen omzeilen nieuwe inzichten van hogere overheden en hogere wetgeving. Daarnaast wil de gemeente geen verouderde plannen en eenduidigheid in bestemmingsplannen. De verschillen tussen bestemmingsplannen leiden namelijk tot onduidelijke en ongewenste situaties voor zowel de gemeente, als voor burgers en andere belanghebbenden. De toelichting van een actueel bestemmingsplan kan een basis bieden voor het toestaan van nieuwe (ondergeschikte) ontwikkelingen of het weigeren van ongewenste bouwinitiatieven. Voorliggend plan vormt de basis voor een nieuw bestemmingsplan. Het plan biedt een handvat om ontwikkelingen gericht te sturen en daarmee bij te dragen aan het behoud van de ruimtelijke kwaliteit en de leefkwaliteit.
Er wordt momenteel gewerkt aan de Omgevingswet, de nieuwe wet waarin 26 wetten uit het omgevingsrecht moeten opgaan. De honderden AMvB's en ministreriele regelingen komen in vier AMvB's. Dit betreft een omvangrijke stelselwijziging. Inmiddels is de Omgevingswet met een meerderheid aangenomen door de Eerste Kamer. De Omgevingswet treedt 1 januari 2024 in werking. Onderhavig bestemmingsplan is voorzien van de zogenoemde IMRO-codering, wat inhoudt dat de bestemmingsplannen volledig digitaal uitgewisseld kunnen worden en door middel van internet raadpleegbaar zijn via de website www.ruimtelijkeplannen.nl.
1.2 Plangebied De wijk 'Riethoek' ligt in het zuidwestelijke deel van het dorp Kloetinge. Riethoek is medio 2010 ontwikkeld tot een woonwijk van circa 200 woningen. Op figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
4
Figuur 1.1 Ligging plangebied (bron: Geoweb)
1.3 Geldend bestemmingsplan De volgende plannen worden middels het nieuwe bestemmingsplan herzien: - "Riethoek"; - gedeelte "Oostmolenpark" (parkeerterrein Rietweg); - gedeelte "Goes Zuid" (woningen Rietweg). De oostelijke zijde van het geldende bestemmingsplan geldt inmiddels het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied. Dit is een agrarische strook, die dus in het bestemmingsplan 'Buitengebied' is opgenomen. Deze strook zal in het voorliggend plan niet worden meegenomen. In figuur 1.2 is een uitsnede van de bestemmingsplansituatie opgenomen.
5
Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan 'Riethoek' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.4 Opzet Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding (plankaart). De regels en de verbeelding vormen tezamen het juridische bindende gedeelte van het plan. De toelichting van voorliggend bestemmingsplan kent de volgende opzet. In hoofdstuk 1 is de aanleiding van dit bestemmingsplan uiteengezet. Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande situatie en hoofdstuk 3 gaat in op de visie op het plangebied. Hoofdstuk 4 zet het ruimtelijk beleid uiteen dat op voorgestane ontwikkeling van toepassing is. De sectorale aspecten worden in hoofdstuk 5 behandeld. In hoofdstuk 6 wordt de juridische vorm van het bestemmingsplan beschreven en in hoofdstuk 7 de handhavingsmogelijkheden op basis van het bestemmingsplan. De economische uitvoerbaarheid wordt beschreven in hoofdstuk 8 en tot slot wordt in hoofdstuk 9 de maatschappelijke toetsing en overleg van de beoogde ontwikkeling behandeld.
6
HOOFDSTUK 2 Inventarisatie en analyse 2.1 Inleiding Voor het formuleren van beleid is het van belang dat de uitgangssituatie (de huidige situatie in het plangebied) goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op de historie van het plangebied Riethoek, de omgeving van het plangebied, de functionele en ruimtelijke opbouw van het plangebied en de huidige kwaliteiten, knelpunten en potentiële ontwikkelingslocaties van Riethoek.
2.2 Historie In 2009 is middels bestemmingsplan Riethoek de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk mogelijk gemaakt. Het plangebied was tot dat moment grotendeels in agrarisch gebruik. Aan de Rietweg stond een zaadhandel- en pootaardappelbedrijf met een schuur. Deze is gesaneerd om ruimte te bieden aan de woningbouwontwikkeling.
2.3 Landschap Het plangebied van bestemmingsplan Riethoek ligt aan de rand van de stad Goes en wordt aan een aantal zijden begrensd door lintbebouwing. Aan de noordoostzijde bevindt zich, grenzend aan de spoorlijn Roosendaal-Vlissingen, de lintbebouwing van de Parallelweg. Aan de (noord-)westzijde die van de Buys Ballotstraat en ’s-Gravenpolderseweg. De lintbebouwing is vaak vrijstaand of twéé-onder-één kap, waarbij de afstanden tussen de woningen zeer geperkt zijn, waardoor de bebouwing oogt als aaneengesloten. De bouwhoogte is overwegend één bouwlaag met een (steile) kap. Aan de zuidzijde van het plangebied bevindt zich de woonbuurt “Watership Down”, tegenwoordig veelal bekend als Oostmolenpark-Noord. De bebouwing van deze woonbuurt in jaren ’30-stijl is één a twee bouwlagen en heeft een steile kap. Verder wordt de plangrens aan de zuidzijde gevormd door een primaire watergang, genaamd de Groote Waterleiding, Ten zuiden van deze watergang bevindt zich de woonbuurt Oostmolenpark. Aan de oostzijde van het plangebied liggen, ingeklemd tussen het spoor en de Groote Waterleiding, agrarische gronden.
2.4 Functionele opbouw van het gebied Riethoek is een woonwijk en daarbinnen is wonen logischerwijs de voornaamste functie met daarbinnen diverse woningtypen. Daarnaast is groen een belangrijke functie in de vorm van de twee groene assen door de wijk en een aantal kleinere groene objecten. Een derde belangrijke functie is verkeer in de vorm van de woonstraten en achterterreinen in de wijk.
2.5 Ruimtelijke opbouw van het gebied Ruimtelijke hoofdstructuur Riethoek kan worden opgedeeld in drie kwadranten die worden gescheiden door groene zomen in twee richtingen. De drie kwadranten sluiten ruimtelijk op elkaar aan. Op belangrijke stedelijke punten zoals hoeken, kruising van wegen en groengebieden, krijgt dit een nadruk in de architectuur. De inrichting van de groenzoom bestaat uit parkachtig landschap met bomenrijen, welke de hoofdverkeersassen in het plangebied benadrukken. De groen zoom geeft extra kwaliteit aan de openbare ruimte in de vorm van openheid, groen en zichtassen naar gebieden buiten Riethoek.
7
Bebouwingsstructuur In totaal kent Riethoek ca. 200 woningen. Daarbinnen is een variatie aan woningtypen te vinden: rijwoningen, twee-onder-één kapwoningen, vrijstaande woningen en patiowoningen. Grofweg kan gesteld worden dat het bebouwingsbeeld van west naar oost, vanaf de bestaande bebouwing richting het buitengebied, steeds losser en opener wordt. De zuidelijke blokken van aaneengesloten woningen maken, de hoek tussen ’s-Gravenpolderseweg en Buys Ballotstraat volgend, een bocht. Ook de patiowoningen aan de overzijde, kennen een gebogen verloop. Verder is de verkaveling vrij rechtlijnig. Tegenover de meer noordelijk gelegen aaneengesloten woonbebouwing staan vrijstaande of twee-onder-één kapwoningen. Achter de woningen van de Parallelweg liggen een aantal ruime kavels waarop vrijstaande woningen zijn gerealiseerd. Aan de overzijde van de straat zijn twee-onder-één kapwoningen en op de straathoeken vrijstaande woningen gesitueerd. Ook ten zuiden van de centrale groene spie staan vrijstaande en twee-onder-één kapwoningen. De Annie M.G. Schmidtlaan is doorgetrokken tot aan de Rietweg. Aan de noordzijde van deze weg staat twee-onder-één kapwoningen die door garages zijn geschakeld. Parallel aan de Annie M.G. Schmidtlaan ligt een woonstraat waar eveneens vrijstaande en twee-onder-één kapwoningen staan.
De woningen in Riethoek zijn één a twee bouwlagen hoog met een veelal stevige kap. Verkeersstructuur De wijk Riethoek wordt voor autoverkeer ontsloten via de ’s-Gravenpolderseweg. De gehele wijk kent een maximumsnelheid van 30km/uur, waarbij de wegen als woonstraten zijn ingericht met een rijbaan in elementenverharding, parkeervakken op trottoirniveau en veelal trottoirs aan twee zijden van de rijbaan. Behalve het parkeren aan de rijbaan (en op eigen terrein) zijn twee grotere parkeervoorzieningen op achterterreinen gemaakt, waarvan er één centraal in de wijk ligt en één geheel in de noordwesthoek van de wijk. Voor fietsers en voetgangers is er via de Rietweg een extra ontsluiting aan de Buys Ballotstraat. Daarnaast sluiten in het zuidoosten van het plangebied de Annie M.G. Schmidtlaan en de Maarten Toonderlaan aan op de wijk Oostmolenpark-Noord. Water- en groenstructuur Aan de gehele noordkant van de wijk ligt een sloot die uitkomt op de Groote Waterleiding. Aan de noordwestzijde is deze onderdeel van het straatprofiel. Hier wordt de sloot qua beeld regelmatig onderbroken door inritten (voorzien van duikers). Aan de noordoostzijde ligt de sloot aan de achterzijde van de kavels. Tevens is de voornaamste groenvoorzieningen van de wijk uitgevoerd als wadi om aan de waterbergingsverplichting te voldoen.
De hoofdgroenstructuur van de wijk wordt gevormd door twee diagonale groene assen door de wijk, waarvan de grootste aansluit op de agrarische gronden aan de noordoostzijde van het plangebied . De groene spieën worden doorsneden door een aantal woonstraten, maar blijven ruimtelijk een eenheid. Daarnaast hebben alle woonstraten een enkelzijdige bomenstructuur.
2.6 Kwaliteiten en potentiele ontwikkelingslocaties De groene ruimten van Riethoek vormen de belangrijkste dragers van de wijk. Dit heeft een uitwerking op het overgrote deel van de woningen in Riethoek. Daarbij is het een kwaliteit dat deze groenstructuur aansluit op de groene agrarische percelen aan de noordoostzijde van Riethoek, waardoor het buitengebied als het ware de wijk ingetrokken wordt. Binnen Riethoek zijn aan de noordzijde nog een aantal percelen ongebouwd. Verdere ontwikkelingen zijn binnen het plangebied op dit moment niet (te) voorzien.
2.7 Conclusie Tien jaar na het vorige bestemmingsplan is Riethoek nu bijna klaar. Het beoogde plan is inmiddels grotendeels gerealiseerd en de beoogde kwaliteiten zijn gerealiseerd. De groenstructuur is een belangrijke kwaliteit die behalve structuur van de wijk bepaald tevens de link naar het aangrenzende buitengebied is.
8
HOOFDSTUK 3 Visie op het plangebied
3.1 Inleiding Uitgangspunt van voorliggend plan is de bestaande ruimtelijke kwaliteit te behouden en waar mogelijk ruimtelijke minder sterke situaties te verbeteren. In dit hoofdstuk wordt in de vorm van gebiedsgerichte en functionele streefbeelden, een visie op het plangebied gegeven.
3.2 Deelgebieden Riethoek is een vrij monofunctionele wijk; wonen is er de hoofdfunctie welke tevens de structuur bepaald. Er zijn qua woonbebouwing vier deelgebieden te onderscheiden die worden verbonden door twee kruisende groenelementen die een deelgebied op zich vormen.
3.3 Streefbeeld deelgebieden Er zijn geen specifieke streefbeelden benoemd voor de deelgebieden anders dan behoud van de beeldkwaliteit voor de woningen zoals dit is vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan Riethoek en behoud van de voor de wijk belangrijke groenelementen.
3.4 Streefbeeld functies Groen Riethoek kent een aantal kenmerkende grote groenelementen (spieen) waar o.a. speeltoestellen in staan. Tevens heeft een deel van het openbaar groen een extra functie als waterberging in de vorm van een wadi. De oppervlaktes groen zoals deze gerealiseerd zijn, zijn voldoende maar staan tevens voortdurend onder druk. Bij het zoeken naar ruimte voor andere functies als afval, parkeren, nuts-gebouwtjes wordt vlug naar het openbaar groen gekeken. Het streefbeeld is daarom om de grote groenelementen te behouden, in het bijzonder de groene spie die van het begin van de wijk tot aan het spoor loopt. Verkeer De gehele wijk Riethoek kent op dit moment een maximumsnelheid van 30km/uur met een daarbij horende inrichting conform CROW-richtlijnen. Doordat de wijk vrij jong is, is er rekening gehouden met een parkeernorm die voor nu volstaat. Er is daarnaast een afdoende langzaamverkeersstructuur binnen de wijk en verbindingen met omliggende gebieden. Vanuit verkeer zijn er op dit moment geen streefbeelden die afwijken van de bestaande situatie. Wonen De functie wonen is vanzelfsprekend belangrijk in een woonwijk als Riethoek. Qua woningtypen is er een fraaie variatie, volgend uit het verkavelings- en beeldkwaliteitsplan zoals dit de laatste jaren is gevolgd.
Er zijn op dit moment geen specifieke streefbeelden voor de functie wonen die afwijken van het geldende beeldkwaliteitsplan Riethoek.
3.5 Conclusies Riethoek is een vrij recent gerealiseerde woonwijk. De wijk kent op dit moment geen problemen die vragen om ruimtelijk ingrijpen of (door)ontwikkeling. De conclusie mag daarom getrokken worden dan we in dit beheers(bestemmings)plan geen streefbeelden opnemen anders dan behoud van de huidige kwaliteiten van het plangebied.
9
HOOFDSTUK 4 Beleidskader 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt het ruimtelijke beleidskader geschetst dat van toepassing is voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. In paragraaf 4.2 wordt het relevante beleid op Rijksniveau beschreven. Vervolgens wordt in paragraaf 4.3 het relevante provinciaal beleid geschetst en in paragraaf 4.4 het regionale beleid. In paragraaf 4.5 wordt de ontwikkeling aan het gemeentelijk beleid getoetst en tot slot volgt in paragraaf 4.5 de conclusie.
4.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervang op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De Nationale Omgevingsvisie, de NOVI, is de langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grotere en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland flink veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leegomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050? Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land: <0000> dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; <0000> met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is.
Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; <0000> waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productiek en aantrekkelijk platteland; <0000> met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; <0000> waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten. <0000> dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; <0000> waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; <0000> dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 10
3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Voor het voorliggende bestemmingsplan is met name de prioriteit 'sterke en gezonde steden en regio's' van belang. Algemene regels ruimtelijke ordening (AMvB Ruimte) In deze AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Hierbij moet gedacht worden aan onderwerpen zoals rijksinfrastructuur, Mainport Rotterdam, de Waddenzee, defensie en het kustfundament. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking va deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen, al dan niet via een provinciale verordening. Deze belangen maken deel uit van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de Structuutvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is op 31 december 2011 in werking getreden.
Voor de in het Besluit genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit de AMvB voldoen. Conclusie De juridische regeling voor Riethoek wordt met het voorliggende bestemmingsplan geactualiseerd. Er zijn in het plangebied geen ontwikkelingen die van belang zijn op rijksniveau. De NOVI en de AMvB Ruimte vormen geen belemmering voor het actualiseren van onderhavig bestemmingsplan.
4.3 Provinciaal beleid Zeeuwse Omgevingsvisie Op 12 november 2021 hebben gedeputeerde staten van Zeeland de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. In de Zeeuwse Omgevingsvisie legt de Provincie Zeeland al haar doelen en ambities voor de lange termijn vast. In de Omgevingsvisie worden verschillende onderwerpen benoemd. Denk daarbij aan wonen, landbouw en circulaire economie, maar bijvoorbeeld ook cultureel ergfoed, recreatie en leefbaarheid. Het uitgangspunt van de provincie voor de Omgevingsvisie is dat beleid en regels die hun waarde hebben bewezen, alleen worden gewijzigd als er betere alternatieven zijn. De Provinciale Omgevingsverordening 2018 is daarom hierbij als uitgangspunt genomen. Verder bestaat de visie uit twee delen: deel A en deel B. In Deel A staan de strategische doelen voor de periode tot 2050 onderverdeeld in vier centrale ambities verwoord. De uitdagingen en ambities voor Zeeland, alsmede de Zeeuwse kernkwaliteiten worden daarin beschreven en geven richting aan de beleidsdoelstellingen en acties voor de kortere termijn (tot 2030). In Deel B wordt het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven. Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema's (bouwstenen) uitgewerkt die samen met onze omgeving geselecteerd zijn.
Bij deze thema's is het beleid voor de komende 10 jaar weergegeven. Deel A De uitdagingen voor Zeeland bestaan voornamelijk uit de klimaatverandering, stijging van de zeepsiegel, afname van biodiversiteit, andere bevolkingssamenstelling door vergrijzing. Deels is het de uitdaging te behouden wat er is, deels is het de uitdaging in te spelen op de ontwikkelingen die
11
komen gaan. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden en tegelijkertijd te werken aan brede welvaart, beschrijft de Zeeuwse Omgevingsvisie vier Zeeuwse Ambities voor 2050. Deze ambities betreffen: 1. uitstekend wonen en werken in Zeeland; 2. balans in grote wateren en het landelijk gebied; 3. een duurzame en innovatieve economie; 4. een klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland. Deel B In deel B staat per thema aangegeven welke instrumenten worden ingezet om de doelen tot 2030 te bereiken. Gezien de grootte en de complexiteit van de uitdagingen, zijn de ambities echter alleen te halen als iedereen de keuze maakt die zoveel mogelijk bijdraagt aan de ambities. Hiervoor zijn afwegingsfactoren beschreven en wordt een 'beste keuze hulp' gemaakt. De afwegingsfactoren sluiten aan op het NOVI van het Rijk en verwijzen onder meer naar de Zeeuwse kernkwaliteiten. Deze zijn vertaald naar vier afwegingsfactoren voor Zeeland: 1. Doe meer met minder grond; 2. Werk samen en deel kosten en baten; 3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten; 4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld. Kernkwaliteiten zijn herkenbare, fysieke kenmerken. De Zeeuwse kernkwaliteiten betreffen: - genieten en opladen; - waarderen en beschermen van het landschap; - verbondenheid met de historie; - passende werkgelegenheid en ontwikkelingsmogelijkheden voor iedereen.
In de visie zijn ambities en doelstelllingen benoemd welke relevant zijn voor dit bestemmingsplan. De ambitie is om in 2050 te komen tot in een innovatieve, circulaire economie, waarbij het bedrijfsleven werk op maat biedt en inspeelt op actuele ontwikkelingen. De infrastructuur is modern en betrouwbaar en biedt ruimte aan CO2-neutraal vervoer via verschillende modaliteiten. De haven- en industriegebieden bieden plaats aan clusters van bedrijven en elders heeft een concentratie van bedrijventerreinen plaatsgevonden. Dit geeft bedrijven de ruimte om te ondernemen. Het doel is voor bedrijventerreinen te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik, een functionele en aantrekkelijke inrichting, waarbij duurzaamheid het uitgangspunt is. Provinciale Omgevingsverordening Zeeland 2018 De hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie zijn juridisch vormgegeven in de Provinciale Omgevingsverordening. Deze is vastgesteld op 21 september 2018. In het kader van de normerende rol van de provincie wordt de Omgevingsverordening ingezet op die onderwerpen waarvan de provincie eraan hecht dat doorwerking van het beleid van het Omgevingsplan juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in het Omgevingsplan is verwoord. De Omgevingsverordening voorziet ten opzichte van het Omgevingsplan dus niet in nieuw beleid.
De inzet van de verordening beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of noodzakelijk is om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Wat elders geregeld is wordt niet nog eens geregeld in deze verordening om extra regeldruk te voorkomen. Het uitgangspunt 'decentraal wat kan, centraal wat moet' is toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in deze verordening. Waar mogelijk zijn afwijkmogelijkheden toegepast in plaats van ontheffingsbepalingen. Om te voorkomen dat procedures nodeloos ingewikkeld worden, is afgezien van de mogelijkheid om rechtstreeks werkende bepalingen op te nemen. Artikel 4.1 lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening biedt die mogelijkheid in de vorm van regels die moeten voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening in werking is getreden die is aangepast op de inhoud van deze verordening. Er is dus geen sprake van rechtstreeks werkende bepalingen waaraan bouwaanvragen getoetst zouden moeten worden zolang bestemmingsplannen niet zijn aangepast
12
Status van de Omgevingsverordening De Omgevingsverordening richt zich – net als het Omgevingsplan – op de fysieke leefomgeving in de Provincie Zeeland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, natuur, water en bodem. De Omgevingsverordening Zeeland 2018 heeft de status van: <0000> Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1. Wet ruimtelijke ordening; <0000> Milieuverordening in de zin van artikel 1.2 Wet milieubeheer; <0000> Waterverordening in de zin van artikel 2.4 van de Waterwet en artikel 2 Scheepvaartsverkeerwet; <0000> Wegenverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2A van de Wegenverkeerswet 1994; <0000> Verordening Wet natuurbescherming Zeeland in de zin van de Wet natuurbescherming; <0000> Distelverordening in de zin van artikel 145 en 150 Provinciewet; <0000> Landschapsverordening in de zin van artikel 145 Provinciewet; <0000> Ontgrondingenverordening in de zin van artikel 5, lid 2 en artikel 7, lid 2 Ontgrondingenwet. Opbouw van de Omgevingsverordening De Omgevingsverordening is onderverdeeld in de navolgende hoofdstukken: <0000> Hoofdstuk 1 Algemeen.
In dit hoofdstuk staan enkele bepalingen die op het totaal van de Omgevingsverordening van toepassing zijn; <0000> Hoofdstuk 2 Ruimte. In dit hoofdstuk is de ruimtelijke verordening te vinden die zich richt tot gemeenteraden en instructies bevat over de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wro biedt in artikel 4.1. Hier wordt nog eens expliciet vermeld dat de ruimtelijke verordening geen direct werkende bepalingen bevat. Verder wordt ter voorkoming van misverstanden duidelijk gemaakt dat de instructies in hoofdstuk 2 niet alleen gelden voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen en uitvoeringsbesluiten. <0000> Hoofdstuk 3 Milieu. In dit hoofdstuk is de milieuverordening te vinden die zich richt tot gemeenten, burgers, bedrijven en instellingen. Met dit onderdeel wordt invulling gegeven aan verplichtingen op grond van de Wet milieubeheer. In dit hoofdstuk zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot gesloten stortplaatsen, onderwater flora en fauna, varend ontgassen, het voorkomen en beperking van geluidhinder, grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning en bodemsanering; <0000> Hoofdstuk 4 Water. Dit betreft de Waterverordening.
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die zich vooral richten tot het waterschap als functioneel bestuur en operationeel waterbeheerder van oppervlaktewateren in Zeeland die niet in beheer zijn bij het Rijk. Daaronder normen met betrekking tot het voorkomen en beperken van wateroverlast en regionale waterkeringen en regels die betrekking hebben op het beheer van grondwater. Met dit onderdeel wordt voldaan aan de verplichtingen van de Waterwet; <0000> Hoofdstuk 5 Wegen en vaarwegen heeft betrekking op de aansluiting op en het gebruik van provinciale (vaar)wegen en is gericht op gebruikers van (vaar) wegen en aanwonenden; <0000> Hoofdstuk 6 Natuur geeft invulling van bevoegdheden die de provincie heeft op het gebied van natuurbescherming; <0000> Hoofdstuk 7 Distelbeheer richt zich vooral op gebruikers, eigenaren, of andere zakelijk gerechtigden van landbouwgronden en een strook van 30 meter daaraan grenzend; <0000> Hoofdstuk 8 Landschapsbescherming richt zich tot gemeenten, burgers, bedrijven en instellingen en bevat verboden voor het plaatsen van borden, vlaggen en andere (reclame)uitingen om het Zeeuwse landschap te beschermen; <0000> Hoofdstuk 9 Ontgrondingen richt zich tot een ieder die de bodem gaat afgraven en verlagen en bevat vrijstellingsbepalingen en procedurele bepalingen; <0000> Overige hoofdstukken De overige hoofdstukken bevatten procedurele bepalingen en
inwerkingtredingsbepalingen. Hoofdstuk 10 gaat over toezicht en strafbepaling, in hoofdstuk 11 staan overgangs- en slotbepalingen. Nieuwe Omgevingsverordening Zeeland Provinciale Staten moeten op grond van de Omgevingswet één omgevingsverordening vaststellen, waarin alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. De invulling hiervan is de Omgevingsverordening Zeeland. Nadat het ontwerp vanaf 11 januari tot en met 21 februari 2022 zes weken ter inzage heeft gelegen, hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening op 7 oktober 2022 vastgesteld. Inhoudelijk wijkt de nieuwe verordening nagenoeg niet af van de 13
bestaande verordening uit 2018, die overigens blijft gelden tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Conclusie In hoofdstuk 3 en 4 zijn onderwerpen verwerkt die betrekking hebben op het provinciale beleid in relatie tot het plangebied. Er zijn geen specifieke punten te noemen die expliciet aandacht vragen of een belemmerende werking hebben voor de actualisatie van dit beheersmatige bestemmingsplan.
4.4 Regionaal en gemeentelijk beleid Regionale Woningmarktafspraken en Zeeuwse woondeal De regio De Bevelanden heeft regionale woningmarktafspraken opgesteld en opgenomen in de 'Woningmarktafspraken De Bevelanden 2020-2030' (mei 2020). In dit document zijn de volgende uitgangspunten opgenomen. Algemeen <0000> Niet méér bouwen dan de behoefte; <0000> Uitsluitend producten die echt iets toevoegen; goede producten op goede plekken; <0000> Lokaal maatwerk, aansluiten bij DNA van de plek; <0000> Flexibiliteit in de plannen; <0000> Onderling bespreken en afstemmen aan de voorkant. Ruimtelijk <0000> Hoge dichtheid in de kernen, lage in het landschap; <0000> In principe binnen de kernen, bij voorzieningen; <0000> Inbreiden voor uitbreiden; <0000> Vooral focus op kleine huishoudens in stad en dragende kernen; <0000> Inzetten op “mooie woondorpen”. Programmatisch <0000> Duurzaam, extra energiebesparende maatregelen; <0000> Levensloop- en toekomstbestendig; <0000> Aandacht voor groen en water; <0000> Omvang voorraad sociale huurwoningen gelijk; <0000> Extra middenhuurwoningen; <0000> Meer hoogwaardige grondgebonden nultreden en semipermanente woningen. Vanuit het afsprakenkader wordt ingezet op: 1. Realistische woningbouwproductie met ambitie. Binnen het programma wordt ruimte gecreëerd om in te kunnen spelen op de behoefte uit de markt. 2.
De juiste kwaliteit, Product Markt Combinaties en woonmilieus. Er wordt gestreefd naar een optimale match tussen vraag en aanbod. Recentelijk is de Zeeuwse Woondeal met Rijk, provincie en Zeeuwse gemeenten gesloten (maart 2023). In deze woonafspraken zijn de ambities en doelen vastgelegd voor de opgaven voor de bouw en versnelling van woningen, betaalbaarheid, de bouw van voor senioren geschikte woningen en de huisvesting van aandachtsgroepen. Regionale woonvisie Met de Regionale Woonvisie De Bevelanden 2019 - 2023 beogen de vijf Bevelandse gemeenten inzicht te geven in de gezamenlijke missie en ambities van de regiogemeenten op het gebied van het wonen (oktober 2019). De visie is een parapluvisie voor verdere uitwerking in lokaal beleid. De Regionale Woonvisie bevat de volgende missie: ‘Wij willen een aantrekkelijke regio zijn waar men graag woont, met een regionaal passend, duurzaam en toekomstbestendig woningaanbod’. Vanuit deze missie zijn de volgende vijf ambities geformuleerd:
14
1. De Bevelanden zet in op een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad. De Bevelanden heeft forse ambities op het gebied van duurzaamheid. In de woningvoorraad kan nog veel energie bespaard worden. 2. De Bevelanden voor iedereen. De regio De Bevelanden wil een complete regio zijn, met een passend woningaanbod voor jong en oud, rijk en arm, kleine en grote huishoudens, met en zonder ondersteuning, permanent en tijdelijk. 3. De Bevelanden zet alleen in op nieuwbouw die echt iets toevoegt. De Bevelanden streeft naar evenwicht in vraag en aanbod op de woningmarkt. De verwachte huishoudensgroei is de belangrijkste onderlegger voor het regionale woningbouwprogramma. 4. De Bevelanden benut het bestaande. De Bevelanden streeft naar een toekomstbestendige woningvoorraad. Dit betekent continu investeren in onderhoud, aanpasbaarheid en verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. Naast de focus op vastgoed zal er ook aandacht moeten zijn voor de aanpak van sociale problematiek en de kwaliteit van de openbare ruimte. 5. De Bevelanden zorgt. Regio De Bevelanden wil een zorgzame regio zijn, waar vraag en aanbod naar wonen met zorg in balans zijn, ook voor de meest kwetsbare groepen. Hierbij ziet de regio kansen voor innovatieve vormen van wonen met zorg die de diversiteit aan woonmilieus voor regionale woningmarkt als geheel zullen vergroten.
Structuurvisie #Goes 2040 (juni 2012) In de structuurvisie wordt gesteld dat Goes in 2040 een florerende centrumgemeente is met een breed aanbod aan voorzieningen en werkgelegenheid voor de inwoners van de Bevelanden. Op een aantal terreinen wordt beoogd de verzorgende functie een veel groter gebied te bereiken dan de Bevelanden. Het gaat hierbij om de zakelijke dienstverlening, specifieke vormen van onderwijs, de gezondheidszorg in vele gedaanten en aan vrije tijdsvoorzieningen. Er is opgenomen dat Goes een aantrekkelijke gemeente dient te zijn voor toeristen door de voorzieningen aan het water en haar veelzijdige historische centrum. De gemeente wil daarom blijven investeren in de toekomst van de stad, door te vernieuwen, te verbeteren en te groeien. Opgenomen is dat Goes de ambitie heeft verder te groeien in haar rol als (boven)regionale centrumgemeente. Veel van de projecten die in die in de structuurvisie worden benoemd zijn daarop gericht. De ambitie is om al die projecten te realiseren en de blik open te houden voor nieuwe kansen. Economisch knooppunt In de structuurvisie is opgenomen dat Goes een uitstekende locatie is voor de verdere bundeling van werkgelegenheid en voorzieningen in Midden-Zeeland. De centrale ligging en de reeds aanwezige voorzieningen en werkgelegenheid vormen daarvoor de basis.
In de structuurvisie is gesteld dat een goede bereikbaarheid en voldoende parkeervoorzieningen bij de binnenstad van groot belang zijn waarbij de nieuwe aansluiting A58 een belangrijke rol speelt. Groei en ontwikkeling Om een vitale centrumgemeente te blijven wordt aangegeven dat Goes inspeelt op nieuwe ontwikkelingen en er voor zorgt nieuwe ontwikkelingen te kunnen huisvesten. Daarbij zal het steeds minder gaan om grotere stadsuitbreidingen en steeds vaker om transformatie en herstructurering van bestaand stedelijk gebied. Dit zijn vaak lastige opgaven maar vernieuwing van bestaand stedelijk gebied is noodzakelijk om de stad op lange termijn gezond te houden. Grote opgaven die genoemd zijn binnen het bestaand stedelijk gebied zijn de Goese Schans en de stationomgeving. Voor woningbouw is opgenomen dat de op dit moment al daartoe geoormerkte locaties waarschijnlijk voldoende ruimte bieden. Wel is er uitbreidingsruimte nodig voor werken, zorg en vrije tijd. Als nieuwe locatie voor een bedrijventerrein wordt beoogd in te zetten op de Zuidwestrand (Poel V). De Zuidoost rand nabij het ziekenhuis wordt gezien als locatie voor nieuwe zorgfuncties. De Noordwest en Noordoost randen en het gebied bij het Poelbos worden geschikt bevonden voor stadsrecreatie, groen en vrijetijdsfuncties.
Voor toeristen wordt beoogd de recreatieve potentie van de randen aan het Veerse Meer en de Oosterschelde verder uit te bouwen. Van kwantiteit naar kwaliteit In de structuurvisie wordt gesteld dat de nadruk steeds meer zal komen te liggen op het sturen op kwaliteit en inhoud bij ruimtelijke processen. Waar voorheen de nadruk lag op het creëren van ruimte 15
voor een nieuw programma en de kwaliteitseisen daarop volgden zal in de toekomst een juiste ruimtelijke inpassing en een programma dat voldoet aan de (huidige) vraag nog sterker een vestigingsvoorwaarde zijn. Burgers, bedrijven en dienstverleners zijn op zoek naar een omgeving met zoveel mogelijk aantrekkelijke functies en factoren zoals goede bereikbaarheid, goed onderwijs, winkelaanbod, arbeidspotentieel, recreatiemogelijkheden en cultuuraanbod. De bestaande functies en voorzieningen vormen het fundament voor de toekomst en op basis daarvan ziet Goes die toekomst met vertrouwen tegemoet. Opgenomen is dat het levendige en aantrekkelijke historische centrum een van de kwaliteiten is die Goes koestert. Sport, welzijn en cultuur proberen zo goed mogelijk in te spelen op de verwachte (demografische) ontwikkelingen en de kwaliteit van de voorzieningen zo hoog mogelijk te houden. Bijvoorbeeld door slimme combinaties van functies en met multifunctionele gebouwen. Binnen woonservicegebieden die de hele gemeente bestrijken, en ieder een eigen serviceniveau kennen, wordt een samenhangend pakket aan diensten en voorzieningen geboden. In de structuurvisie wordt belang gehecht aan energie-efficiënte en duurzame energie-opwekking bij zowel nieuwe ontwikkelingen, als ook bij vernieuwing van het bestaand stedelijk gebied.
Nota van uitgangspunten Omgevingsvisie Goes 2040 In maart 2023 heeft de gemeente Goes de Nota van Uitgangspunten voor de Omgevingsvisie 2040 vastgesteld. Met deze nota van uitgangspunten wil het gemeentebestuur het begin van een gesprek over de toekomst faciliteren. Hierbij worden via vier invalshoeken naar de gemeente Goes en haar omgeving gekeken. De invalshoeken die relevant zijn voor voorliggend bestemmingsplan worden verder toegelicht. Goes als hart van Zeeland: hoe geven we vorm en inhoud aan de groeiende sociaal maatschappelijke en economische betekenis van de gemeente Goes in Zeeland? - Niet relevant voor voorliggend bestemmingsplan. Goes als centrum van de Bevelanden: hoe beïnvloeden veranderingen de manier waarop we onze (stedelijke) ruimte inrichten en onderhouden? - Niet relevant voor voorliggend bestemmingsplan. Goes als stedelijk centrum in een groen-blauwe oase - Niet relevant voor voorliggend bestemmingsplan. Goes als een veerkrachtige samenleving Ook binnen het bebouwde gebied geedt Goes aandacht aan groen. In het op te stellen groenstructuurplan werken we de 3-30-300 regeling uit naar een werkbare variant voor de gemeente Goes. Op wijkniveau zoeken we centrale, goed bereikbare locaties voor (deel)mobiliteit. We haken hierbij aan op het te realiseren netwerk van hubs in de gemeente Goes.
Hierbij worden zowel ervaringen van elders als de schaal van Goes nauwgezet meegewogen. Goes: Groenstructuurplan 2014-2024 Groen is van wezenlijk belang voor de woon-, werk- en leefomgeving van de stad Goes en de dorpskernen. Mensen voelen zich prettiger in een groene omgeving. Zeker als dit groen ook fysiek beleefd kan worden. In het groenstructuurplan wordt op hoofdlijnen aangegeven welke groene locaties van belang zijn voor de gemeente Goes, waar ze het groen wil behouden en ook waar ze de groenstructuren wil verstevigen. Goes wil graag dat de bewoners Goes ervaren als een mooie, groene stad en gemeente waar het goed toeven is. Groen trekt mensen aan. Groen loont. Daarom wil de gemeente zich inzetten voor groen met een positieve uitstraling waarbinnen het plezierig wonen, werken en recreëren is. Het Groenstructuurplan geeft aan vanuit welke visie er gewerkt wordt naar een fraaie en vooral duurzame groene inrichting van de woon- en werkomgeving. Het openbaar groen is er primair voor de bewoners, het groen moet gebruikt kunnen worden en men moet ervan kunnen genieten. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en herinrichtingen, zal aandacht voor behoud, verbetering of compensatie van bestaande groenvoorzieningen een belangrijk onderdeel vormen van het project. Welstandsnota - beeldkwaliteitsplan 16
Het welstandsbeleid van de gemeente Goes is verwoord in de "Welstandsnota Goes". Het belangrijkste doel van het welstandsbeleid is het vormen van een toetsingskader voor welstand, waarmee de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten behouden en versterkt kunnen worden. Hiervoor zijn een aantal beoordelingskaders opgesteld, waaronder enkele van gebiedsgerichte aard. Deze dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsomschrijving van het desbetreffende deelgebied waarop de aanvraag omgevingsvergunning van toepassing is te worden gehanteerd. Voor het plangebied is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan 'Riethoek' vormt als onderdeel van het bestemmingsplan het uitwerkingskader voor de gebouwde en onbebouwde ruimte. Dit beeldkwaliteitsplan geeft de gewenste ruimtelijke kwaliteit van het gebied weer De uitgangspunten ten aanzien van de massa, detaillering, materiaal- en kleurgebruik worden daarbij geformuleerd. Het totale stedenbouwkundig plan voor de Riethoek kan worden opgedeeld in drie kwadranten die worden gescheiden door groene zomen in twee richtingen. De drie kwadranten sluiten ruimtelijk op elkaar aan. Op belangrijke stedelijke punten zoals hoeken, kruising van wegen en groengebieden, krijgt dit een nadruk in de architectuur.
De inrichting van de groenzoom zal bestaan uit parkachtig landschap met bomenrijen, welke de hoofdverkeersassen in het plangebied benadrukken. De groene zoom geeft extra kwaliteit aan de openbare ruimte in de vorm van openheid, groen en zichtassen naar gebieden buiten de Riethoek. De architectuur van de Riethoek heeft een karakter, passend bij de architectuur van de omliggende woonbuurten. De woningen bieden een modern wooncomfort binnen overwegend traditionele architectuur. Rijke geveldetails, zoals dakoverstekken, verbijzonderingen in het gevelmetselwerk en sierlijsten bepalen de uitstraling. De diverse woningtypes hebben ieder een eigen architectuur in harmonie met de architectuur van de totale wijk. Hiermee is een eenheid gecreëerd met een grote mate van variatie. De bebouwing is voor het merendeel opgebouwd uit twee lagen met kap. Op bijzondere plaatsen in het plan is bebouwing bestaande uit twee of drie lagen en voorzien van een plat dak. De woningen zijn overwegend uitgevoerd in warme baksteen tinten. De kozijnen, dakranden en goten zijn uitgevoerd in hout met wit schilderwerk. Als scheidingsmiddel tussen openbaar en privéterrein is gebruik gemaakt van een eenduidige, duurzame erfafscheiding.
Aan de voorzijde van de woningen zijn gemetselde tuinmuren aangebracht, terwijl de zij- en achterkant van de percelen welke grenzen aan het openbaar gebied uitgevoerd zijn met uniforme hekwerken. Gemeentelijk klimaatbeleid Het klimaat verandert. Het wordt warmer, we krijgen te maken met langdurige perioden van hitte en droogte, er is een grotere kans op extreme neerslag en de zeespiegel stijgt. Klimaatverandering wordt veroorzaakt door de hoge concentratie broeikasgassen, zoals CO2, in de atmosfeer. Door het verminderen van de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen kunnen de gevolgen van klimaatverandering beperkt worden. In het Klimaatakkoord van Parijs staat omschreven dat de temperatuur op aarde niet verder mag stijgen dan 2°C, met de ambitie om dit te beperken tot 1,5°C. Op de Verenigde Staten na, heeft wereldwijd ieder land dit akkoord ondertekend. Landelijk zijn er doelen gesteld om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen: <0000> in 2050 is de uitstoot van CO2 met 95% verminderd; <0000> in 2050 hebben we een energieneutrale gebouwde omgeving; <0000> vanaf 1 juli 2018 worden nieuwbouwwoningen niet meer op het aardgasnet aangesloten. Ondanks dat we de uitstoot van broeikasgassen verminderen of zelfs stoppen, zullen we te maken krijgen met de gevolgen van klimaatverandering, zoals toenemende extreme weersomstandigheden.
Het is daarom van belang de openbare ruimte klimaatbestendig in te richten. Landelijk is het doel gesteld dat de openbare ruimte in 2050 klimaatrobuust is ingericht. De gemeente Goes levert een bijdrage aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en het behalen van de landelijke richtlijnen. Om deze landelijke richtlijnen te halen heeft de gemeente Goes de volgende doelstellingen vastgesteld: <0000> de gemeente Goes stimuleert duurzame nieuwbouw;
17
<0000> <0000> <0000> <0000>
de gemeente Goes ondersteunt de doelen van het Zeeuws Energieakkoord en werkt aan een energieneutrale particuliere woningvoorraad in 2045; duurzame energie wordt op kansrijke locaties opgewekt, zoals het toepassen van zonne-energie op daken; het gebruik van duurzame vervoersmiddelen wordt gefaciliteerd, onder andere door het plaatsen van openbare laadpalen; de gemeente Goes past circulaire economie toe wanneer de kans zich voordoet, zoals het toepassen van kansen voor circulair bouwen.
In paragraaf 5.10 'Duurzaamheid en klimaat' wordt verder ingegaan op de verschillende maatregelen die bijdragen aan het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering. Gemeentelijk Verkeers en Vervoersplan (GVVP) (augustus 2003) In het GVVP wordt ingegaan op het verbeteren van bestaande verkeersknelpunten en wordt ingespeeld op de verkeerseffecten van toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Er is tevens een beoordelingskader opgenomen om beleidsmatig de vinger aan de pols te houden. Beleid en toekomstige verkeerskwesties in Goes worden aan dit kader getoetst. In het GVVP is gekozen voor een integrale benadering van alle mobiliteitsdeelnemers op basis van een geografische indeling, waardoor de visie overzichtelijk aanschouwelijk is gemaakt. Het GVVP is vastgesteld 25 augustus 2005. Daarna is dit plan geactualiseerd d.m.v. de GVVP Tussenevaluatie 2008 en de GVVP Actualisatie 2013 (vastgesteld februari 2014). Een aantal zaken is verder verdiept in de volgende beleidsnota's: <0000> parkeerbeleid: Parkeerbeleidsplan 2009; Geactualiseerd in Parkeren Goes 2018-2025; <0000> verkeersveiligheidsbeleid: Op weg naar nul 2011; <0000> fietsbeleid: Goes Fiets Verder 2012.
4.5 Conclusie Het Rijksbeleid (de SVIR en AmvB Ruimte) streeft hoofdzakelijk naar een goede milieukwaliteit en een gezonde en veilige leefomgeving voor bewoners en werknemers. Gezien de conserverende aard van onderhavig bestemmingsplan levert dit geen strijdigheden op ten aanzien van dit streven. Omdat onderhavig bestemmingsplan geen wezenlijke ontwikkelingen mogelijk maakt en het genoemde beleid aansluit bij de bestaande situatie, is er bij de actualisatie van dit bestemmingsplan geen Daarnaast zijn het provinciale ruimtelijke beleid en het regionaal en gemeentelijke beleid met betrekking tot het plangebied eveneens hoofdzakelijk conserverend van aard. Getracht wordt de bestaande identiteit en het karakter van het plangebied te behouden. De kernbegrippen zijn 'kwaliteit', 'kwaliteitsverbetering' en kwaliteitsbescherming, waarbij duurzaamheid en een sterke economie nagestreefd wordt.
18
HOOFDSTUK 5 Sectorale aspecten 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt het project getoetst aan alle relevante sectorale aspecten. Deze toetsing geldt als basis voor de planologische afweging.
5.2 Archeologie Inleiding Archeologische sporen en resten in de bodem van de gemeente Goes vormen een spiegel van duizenden jaren bewoningsgeschiedenis. Dit zogenaamde ‘bodemarchief’ is van maatschappelijk belang, omdat het voor het grootste deel van het verleden de enige bron van informatie is. Tegelijkertijd is dit bodemarchief kwetsbaar voor allerhande ingrepen en vormen van gebruik die nu eenmaal verband houden met wonen, werken en recreëren. Om te voorkomen dat de archeologische informatie ongezien verloren gaat, is het noodzakelijk dat gemeenten in het ruimtelijk beleid waarborgen inbouwen voor de omgang met dit bodemarchief. Dit is een uitvloeisel van het Verdrag van Malta dat in 1992 door Nederland werd ondertekend. In eerste instantie berusten deze waarborgen op de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), het Besluit op de archeologische Monumentenzorg (Bamz) de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarmee werd behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Sinds 1 juli 2016 is het de verantwoordelijkheid voor Erfgoed naast de Wro en de Wabo verankerd in de Erfgoedwet.
Gemeentelijk archeologiebeleid Om op gemeentelijk niveau weloverwogen keuzes te kunnen maken heeft de gemeente Goes een gemeentelijk archeologiebeleid ontwikkeld, dat op 15 december 2011 is vastgesteld. Hiermee voldoet de gemeente niet alleen aan de wettelijke verplichtingen omtrent archeologie maar heeft het ook een formeel afwegingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid, dat gebaseerd is op een analyse van de plaatselijke situatie, geeft aan wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het rapport “Archeologiebeleid gemeente Goes” (d.d. 30 juni 2011) bestaat uit een “Deel A: Beleidsnota archeologie” en een “Deel B: Toelichting beleidskaart”. Deel B is een (ruimtelijke) uitwerking van het archeologiebeleid (deel A). Op basis van de beleidskaart, die bestaat uit een samenhangend pakket van kaarten en een toelichting, kan worden bepaald of voor een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling op een specifieke locatie al dan niet archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in 8 categorieën, waarvan enkele categorieën bekende archeologische waardevolle gebieden omvatten en andere een bepaalde verwachtingswaarde op archeologische vondsten weergeven. Aan elke categorie, uitgezonderd Categorie 1, is een, aan oppervlakte van grondverstoring gebonden, vrijstelling voor archeologisch onderzoek gekoppeld.
Bij alle categorieën, wederom uitgezonderd categorie 1, geldt in ieder geval dat geen onderzoek hoeft plaats te vinden indien de bodem niet dieper dan 40 cm wordt verstoord. De gehanteerde categorieën zijn: <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>
Categorie 1: archeologisch rijksmonument; hiervoor is altijd een monumentenvergunning nodig; Categorie 2: terrein van archeologische waarde; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m2 wordt verstoord; Categorie 3: stads- en dorpskernen van een specifieke archeologische verwachting; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m2 wordt verstoord; Categorie 4: hoge verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 250 m2 wordt verstoord; Categorie 5: matige verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 500 m2 wordt verstoord; Categorie 6: lage verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht; 19
<0000> <0000>
Categorie 7: verwachting van maritieme vondsten; hiervoor is altijd overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nodig; Categorie 8: archeologische vondsten worden niet verwacht; geen onderzoeksplicht.
Toetsing archeologiebeleid Het bestemmingsplangebied Goes Riethoek heeft op Kaartlaag 1 “Walcheren”, Kaartlaag 2 “Hollandveen” en Kaartlaag 3 “Wormer” een categorie 4 (hoge verwachting). Dit betekent dat er hoge verwachting geldt voor het aantreffen van archeologische resten vanaf de Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Op Kaartlaag 4 “Pleistoceen” is geen verwachting aangegeven. Omdat in het beleid niet de meest recente onderzoeken/ vondstmeldingen zijn opgenomen is bij het opstellen van dit bestemmingsplan, Archis3 (de nationale databank voor archeologie) geraadpleegd. Hierin werden geen nieuwe onderzoeken/ vondstmeldingen vermeld sinds het bureau- en booronderzoek uit 2008 van ArcheoPro (Bijlage ###). In dat onderzoek is een advies aangegeven tot verlaging van de archeologische verwachting voor het gehele plangebied. Op basis van de boringen is vastgesteld dat in het noordelijk deel van het plangebied overwegend kleiige afzettingen voorkomen en in het zuidelijk deel overwegend zandige afzettingen. In het gehele gebied is de onderliggende veenlaag door de klei- en zandafzettingen geërodeerd. Derhalve is de kans op het aantreffen van (intacte) vindplaatsen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd bijzonder klein geworden. De kleiige en zandige afzettingen van de laag van Walcheren zijn intact en weinig verstoord.
In theorie boden de zandige afzettingen in het zuiden de beste mogelijkheden voor bewoning vanaf de Middeleeuwen. Het booronderzoek heeft echter geen archeologische indicatoren opgeleverd en dat heeft in 2008 reeds geleid tot het advies tot vrijgave van het plangebied voor ontwikkeling (Bijlage 1). Conclusie De gronden met een archeologische verwachting (maatregelcategorie 4) zoals aangeduid op archeologische Maatregelenkaart-1, 2 en 3 (Walcheren, Hollandveen en Wormer) worden door de veronderstelde hoge verwachting archeologisch bestemd. Hierdoor zou voor het volledige plangebied een archeologische dubbelbestemming moeten worden opgenomen. Archeologisch onderzoek uit 2008 heeft echter aangetoond dat specifiek voor het plangebied Riethoek deze verwachting naar beneden bijgesteld kan worden tot maatregelcategorie 8 (geen verwachting). Voor het volledige plangebied vervalt daarom de archeologische dubbelbestemming. Archeologisch onderzoek is daarom binnen het bestemmingsplangebied niet noodzakelijk. Ondanks het vervallen van de noodzaak van archeologisch vervolgonderzoek bestaat altijd de kans dat bij graafwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen. Hiervoor bestaat een wettelijke meldingsplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet.
5.3 Bodem De toelichting van een bestemmingsplan bevat een paragraaf over de bodemkwaliteit. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Onderhavig bestemmingsplan betreft een beheersplan, waarbij de bestaande situatie wordt gereguleerd. Voor de ontwikkelingen van de afgelopen jaren die binnen het plangebied zijn vergund, is voor zover relevant de bodemkwaliteit destijds aan de orde gekomen. Er zijn in dit bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen meegenomen. Daarom vormt bodem geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Indien er nieuwe ontwikkelingen gaan spelen binnen het plangebied, dan dient afhankelijk van het beoogde gebruik en omvang tijdens de desbetreffende ruimtelijke (vergunning)procedure de actuele verontreinigingssituatie van de bodem in beeld te worden gebracht. De milieuhygiënische bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de gewenste functie(s). Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en/of het milieu. Afhankelijk van de resultaten kan nader onderzoek en/of saneringsmaatregelen nodig zijn om de bodemkwaliteit geschikt te maken voor de beoogde functie. Bij grondverzet tijdens de uitvoering kan een melding met een milieuhygiënische verklaring van de grond noodzakelijk zijn.
De mogelijkheden voor grondverzet binnen de gemeente zijn beschreven in de Nota bodembeheer.
20
5.4 Water Inleiding Voor de wijk Riethoek stelt de gemeente Goes een beheersplan op. Dit betreft een beheersmatig bestemmingsplan dat de huidige situatie als uitgangpunt neemt. Grote of ingrijpende ontwikkelingen worden in de komende periode niet in het gebied verwacht. De gemeente Goes streeft ernaar om het watersysteem binnen haar gemeentegrenzen duurzaam in te richten en te onderhouden. Dit doet zij in samenwerking met de waterbeheerder, waterschap Scheldestromen. Het watersysteem moet daarbij voldoen aan gestelde normen van de water-beheerder en de functies kunnen vervullen zoals die omschreven zijn in het Waterplan Goes. Dit beleidsplan voor water in het bebouwde gebied is opgesteld in samenwerking met het waterschap. Naast de samenwerking met de waterbeheerder wordt het gemeentelijke beleid ook afgestemd op het Omgevingsplan Zeeland 2018, waarin de provincie Zeeland het Rijksbeleid door vertaalt en uitwerkt. De doelstelling van het Omgevingsplan ten aanzien van water is een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en de waterbodems, een peilbeheer en een aanvaardbaar risico op wateroverlast dat is afgestemd op bestaande en toekomstige functies. Afbakening plangebied De afbakening van het plangebied is weergegeven op figuur 5.1. Het beheersplan heeft betrekking op de gehele wijk Riethoek. De bestaande bebouwing waar de wijk op aansluit, behoort niet tot het plangebied.
Maaiveld De maaiveldhoogte in de wijk bedraagt circa NAP+0,55 tot NAP+0,70 meter voor de centrale toegangsweg. De straten die daarvan aftakken liggen vervolgens weer iets hoger, circa NAP+0,80 tot NAP+1,00 meter. De aansluiting met de ’s-Gravenpolderseweg, de toegang tot de wijk, is aflopend tot circa NAP+0,40 meter. De wijk ligt over het algemeen relatief vlak. Wel zijn er lokaal laagtes gemaakt in het groen (wadi’s) om regenwater op te vangen. Hiertoe zijn verschillende wegen onder afschot naar deze groenvoorzieningen aangelegd.
21
Figuur 5.1 Afbakening plangebied (bron: Geoweb) Oppervlaktewatersysteem De wijk Riethoek is gelegen binnen het peilgebied GPG1070. Dit peilgebied kent een vast streefpeil van NAP-1,80 meter (zomer- en winterpeil). Het peilgebied beslaat een groot deel van het zuiden van de kern Goes en stroomt af in oostelijke richting in het naastgelegen peilgebied. Beide peilgebieden maken onderdeel uit van het afvoergebied Maelstede-Dekker. Op figuur 5.2 is goed zichtbaar dat de stromingsrichting hoofdzakelijk oostelijk gericht is. Langs de oostzijde van de wijk lopen enkele secundaire en tertiaire waterlopen die uitkomen in de primaire waterloop langs de W.F. Hermanslaan.
22
Figuur 5.2 Oppervlaktewatersystemen (bron: Waterschap Scheldestromen) Wateroverlast Het beleid van de gemeente Goes is er op gericht om wateroverlast tot een minimum te beperken. Bij het ontwerpen van water- en rioleringssystemen wordt gewerkt met maatgevende neerslag-situaties die een vastgestelde frequentie van voorkomen hebben (herhalingstijd). Aan de hand daarvan wordt het ontwerp uitgewerkt. Voor riolering is dit een korte hevige regenbui conform de Kennisbank Stedelijk Water. Dit is een neerslagsituatie van circa 20 mm in één uur, die statistisch gezien eenmaal per twee jaar optreedt. In het ontwerp van de het rioleringssysteem van de wijk Riethoek is uitgegaan van een gescheiden rioolstelsel, waarbij regenwater ook wordt opgevangen in wadi’s binnen de wijk. Deze wadi’s zijn lager gelegen groenvoorzieningen waar het overtollige regenwater vanaf de straten oppervlakkig naartoe kan afstromen en kan infiltreren in de bodem. Bij hoge peilen wordt het overige water vanuit de wadi’s geloosd op het oostelijk gelegen oppervlaktewater. De wijk kent geen (theoretische) hydraulische knelpunten. In de praktijk zijn er ook geen meldingen van (water)overlast. Het oppervlaktewater in stedelijk gebied reageert anders en wordt op overstroming/inundatie getoetst aan een regenbui T=100 (maatgevende neerslagsituatie die statistisch gezien eenmaal per honderd jaar optreedt).