CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendapunt 15. Regels met bijlagen

Besluitvormende raad 14 juli 2022, gemeente GoesBij agendapunt: Bestemmingsplan Binnenstad22.415 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Afwijken van de gebruiksregels

8.6.1 Afwijken gebruiksregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 8.5 sub a voor het toestaan dat woningen en onzelfstandige woonruimtes niet zijn georiënteerd op de openbare weg; b. artikel 8.5 sub b voor een vloeroppervlakte van minimaal 30 m²; c. artikel 8.5 sub e voor het gebruik van achtererven en andere buitenruimtes als terras en/of speeltuin en voor opslag; d. artikel 8.5 sub f voor het vestigen van detailhandel, dienstverlening of horeca op de eerste verdieping, mits: 1. het uit een oogpunt van volkshuisvesting aanvaardbaar is om de woonfunctie van het betreffende deel van het gebouw op te heffen; 2. de functie op de verdieping een verruiming betreft van het oppervlak van de functie ter plekke op de begane grond. 8.6.2 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 8.6.1 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 8.7

Wijzigingsbevoegdheid

8.7.1 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd functieaanduidingen binnen de bestemming 'Gemengd' te verwijderen of te wijzigen, indien: a. dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld; b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;

26

c.

de betreffende functie gedurende minimaal een jaar niet meer ter plaatse wordt uitgeoefend, tenzij sprake is van een verzoek van een belanghebbende.

8.7.2 Procedureregel Bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 8.7.1 zijn de algemene procedureregels van artikel 29 van toepassing.

27

Artikel 9 Groen 9.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' (G) aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. plantsoenen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, beplanting, parken, bermstroken en bermsloten; b. waterpartijen, watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; c. (voet- en fiets)paden, bruggen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en geluidwerende voorzieningen; d. voorwerpen van beeldende kunst en gedenktekens. 9.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 9.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de oppervlakte van een gebouw bedraagt maximaal 15 m²; b. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt maximaal 3,5 meter. 9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; b. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 9.3

Nadere eisen

9.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 9.3.2 Voorwaarden De in artikel 9.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 9.4

Afwijken van de bouwregels

9.4.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 9.2.2 sub a tot een hoogte van maximaal 15 meter; b. artikel 9.2.2 sub c tot een hoogte van maximaal 10 meter. 9.4.2 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 9.4.1 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

28

9.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. evenementen zijn toegestaan; b. het in gebruik nemen van onbebouwde gronden ten behoeve van opslagdoeleinden is niet toegestaan, tenzij het betreft de opslag van bouwmaterialen, puin en specie in verband met normale onderhoudswerkzaamheden dan wel ter verwezenlijking van de bestemming. 9.6

Afwijken van de gebruiksregels

9.6.1 Afwijken gebruiksregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 9.1 voor het realiseren van jongerenontmoetingsplaatsen; b. artikel 9.1 voor het gebruiken van maximaal 10% van het bestemmingsvlak voor parkeervoorzieningen. 9.6.2 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 9.6.1 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

29

Artikel 10 Horeca 10.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 2': horecabedrijven die voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Horeca-activiteiten; b. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 3': horecabedrijven die voorkomen in de categorieën 1, 2 en 3 van de Staat van Horeca-activiteiten; c. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 4': horecabedrijven die voorkomen in de categorieën 1, 2, 3 en 4 van de Staat van Horeca-activiteiten; d. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 5': horecabedrijven die voorkomen in de categorieën 1, 2, 3, 4 en 5 van de Staat van Horeca-activiteiten; e. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 6': horecabedrijven die voorkomen in de categorieën 1, 2, 3, 4, 5 en 6 van de Staat van Horeca-activiteiten, met dien verstande dat de horecavloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan de bestaande horecavloeroppervlakte op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan; f. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel': tevens detailhandel; g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - brouwerij': tevens een bierbrouwerij en bierbottelarij; h. de huisvesting van personen, met dien verstande dat het wonen niet is toegestaan op de begane grond; i.

aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; j. parkeervoorzieningen, tuinen, erven, paden, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. 10.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. gebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 10.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; b. ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' mogen uitsluitend gebouwen worden gebouwd die voorzien in een onderdoorgang voor het verkeer; c. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op ieder bouwperceel bedraagt maximaal het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het maatvoeringsvlak; d. indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, bedraagt de bebouwde oppervlakte van de gronden binnen het bouwvlak maximaal 100%. 10.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goot- en bouwhoogte van een gebouw bedragen maximaal de op de verbeelding aangegeven maten. 10.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a.

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 10.3

Nadere eisen

10.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van:

30

a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 10.3.2 Voorwaarden De in artikel 10.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 10.4

Afwijken van de bouwregels

10.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 10.2.2 sub a, mits deze maten met maximaal 1 meter worden overschreden. 10.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 10.2.3 sub b tot een hoogte van maximaal 10 meter. 10.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 10.4.1 en 10.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 10.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. woningen en onzelfstandige woonruimtes zijn georiënteerd op de openbare weg; b. de vloeroppervlakte van een woning bedraagt minimaal 40 m²; c. detailhandel in volumineuze goederen is niet toegestaan; d. detailhandel in en opslag van brand- en explosiegevaarlijke stoffen is niet toegestaan; e. het gebruik van achtererven en andere buitenruimtes als terras en/of speeltuin en voor opslag is niet toegestaan. 10.6

Afwijken van de gebruiksregels

10.6.1 Afwijken gebruiksregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 10.1 voor een horeca-activiteit die voorkomt in een hogere categorie van de Staat van Horeca-activiteiten, mits deze activiteit naar haar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met een krachtens artikel 10.1 ter plaatse toegelaten categorie horeca-activiteiten; b. artikel 10.1 voor een horeca-activiteit die niet in de Staat van Horeca-activiteiten is genoemd, mits deze activiteit naar haar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met een krachtens artikel 10.1 ter plaatse toegelaten categorie horeca-activiteiten; c. artikel 10.5 sub a voor het toestaan dat woningen en onzelfstandige woonruimtes niet zijn georiënteerd op de openbare weg; d. artikel 10.5 sub b voor een vloeroppervlakte van minimaal 30 m²; e. artikel 10.5 sub e voor het gebruik van achtererven en andere buitenruimtes als terras en/of speeltuin en voor opslag. 10.6.2 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 10.6.1 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; 31

b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; c. een milieudeskundige is gehoord met betrekking tot de vraag of aan de in dat artikel genoemde criteria voor het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid is voldaan. 10.7

Wijzigingsbevoegdheid

10.7.1 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen: a. in die zin dat de categorie-indeling van de van deze regels deel uitmakende Staat van Horeca-activiteiten wordt gewijzigd, indien en voor zover een wijziging van de belasting van de desbetreffende typen van horeca-activiteiten op het milieu als gevolg van technologische ontwikkelingen daartoe aanleiding geeft; b. voor het verwijderen of wijzigen van functieaanduidingen binnen de bestemming 'Horeca', indien: 1. dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld; 2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; 3. de betreffende functie gedurende minimaal een jaar niet meer ter plaatse wordt uitgeoefend, tenzij sprake is van een verzoek van een belanghebbende. 10.7.2 Voorwaarden Bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 10.7.1 sub a dient een milieudeskundige te worden gehoord met betrekking tot de vraag of aan de in dat artikel genoemde criteria voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is voldaan. 10.7.3 Procedureregel Bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 10.7.1 zijn de algemene procedureregels van artikel 29 van toepassing.

32

Artikel 11 Kantoor 11.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Kantoor' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het bedrijfsmatig uitoefenen van administratieve werkzaamheden ten behoeve van derden; b. wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, tuinen, erven, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, andere voorzieningen ten dienste van de bestemming en nutsvoorzieningen. 11.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 11.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; b. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op ieder bouwperceel bedraagt maximaal het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het maatvoeringsvlak; c. indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, bedraagt de bebouwde oppervlakte van de gronden binnen het bouwvlak maximaal 100%. 11.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goot- en bouwhoogte van een gebouw bedragen maximaal de op de verbeelding aangegeven maten.

11.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tussen (het verlengde van) de voorgevel van een hoofdgebouw en de openbare weg bedraagt maximaal 1 meter; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders bedraagt maximaal 2 meter; c. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 11.3

Nadere eisen

11.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 11.3.2 Voorwaarden De in artikel 11.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 11.4

Afwijken van de bouwregels

11.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in:

33

a. artikel 11.2.2 sub a, mits deze maten met maximaal 1 meter worden overschreden. 11.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 11.2.3 sub c tot een hoogte van maximaal 10 meter; b. artikel 11.2.3 sub d tot een hoogte van maximaal 10 meter. 11.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 11.4.1 en 11.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

34

Artikel 12 Maatschappelijk 12.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Maatschappelijk' (M) aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke activiteiten; b. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 1': tevens horecabedrijven die voorkomen in categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - molen': uitsluitend een molen; d. ter plaatse van de aanduiding 'wonen': tevens de huisvesting van personen ten dienste van de bestemming; e. ter plaatse van de aanduiding 'zend-/ontvanginstallatie': tevens een antennemast: f. detailhandel en horeca als ondergeschikte nevenactiviteit bij de ter plaatse uitgeoefende activiteiten; g. parkeervoorzieningen, tuinen, erven, paden, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. 12.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. gebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 12.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; b.

de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op ieder bouwperceel bedraagt maximaal het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het maatvoeringsvlak; c. indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, bedraagt de bebouwde oppervlakte van de gronden binnen het bouwvlak maximaal 100%. 12.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goot- en bouwhoogte van een gebouw bedragen maximaal de op de verbeelding aangegeven maten. 12.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tussen (het verlengde van) de voorgevel van een hoofdgebouw en de openbare weg bedraagt maximaal 1 meter; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders bedraagt maximaal 2 meter; c. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; d. de bouwhoogte van een antennemast ter plaatse van de aanduiding 'zend-/ontvanginstallatie' bedraagt maximaal 40 meter; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 12.3

Nadere eisen

12.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 12.3.2 Voorwaarden

35

De in artikel 12.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 12.4

Afwijken van de bouwregels

12.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 12.2.2 sub a, mits deze maten met maximaal 1 meter worden overschreden. 12.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 12.2.3 sub c tot een hoogte van maximaal 10 meter; b. artikel 12.2.3 sub e tot een hoogte van maximaal 10 meter. 12.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 12.4.1 en 12.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 12.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. evenementen zijn toegestaan; b. het gebruik van achtererven en andere buitenruimtes van horecabedrijven als terras en/of speeltuin en voor opslag is niet toegestaan. 12.6

Afwijken van de gebruiksregels

12.6.1 Afwijken gebruiksregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 12.5 sub b voor het gebruik van achtererven en andere buitenruimtes als terras en/of speeltuin en voor opslag. 12.6.2 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 12.6.1 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

36

Artikel 13 Recreatie 13.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een jachthaven ten behoeve van de watersport met de daarbij behorende botenhuizen, toiletgebouwen, ontspanningsgelegenheden, ondersteunende horeca en overige havenvoorzieningen, zoals aanlegsteigers; b. wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, tuinen, erven, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, andere voorzieningen ten dienste van de bestemming en nutsvoorzieningen. 13.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 13.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt maximaal 25% van het bestemmingsvlak. 13.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goot- en bouwhoogte van een gebouw bedragen maximaal 6 meter respectievelijk 10 meter; b. de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter. 13.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter; b.

de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 13.3

Nadere eisen

13.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 13.3.2 Voorwaarden De in artikel 13.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 13.4

Afwijken van de bouwregels

13.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 13.2.2 sub a, mits deze maten met maximaal 1 meter worden overschreden; b. artikel 13.2.2 sub b voor een kleinere afstand tot op de perceelsgrens. 13.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

37

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 13.2.3 sub b tot een hoogte van maximaal 10 meter; b. artikel 13.2.3 sub c tot een hoogte van maximaal 10 meter. 13.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 13.4.1 en 13.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

38

Artikel 14 Sport 14.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van sportactiviteiten; b. wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, tuinen, erven, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, andere voorzieningen ten dienste van de bestemming en nutsvoorzieningen. 14.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. niet voor bewoning bestemde gebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 14.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; b. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op ieder bouwperceel bedraagt maximaal het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het maatvoeringsvlak; c. indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, bedraagt de bebouwde oppervlakte van de gronden binnen het bouwvlak maximaal 100%. 14.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goot- en bouwhoogte van een gebouw bedragen maximaal de op de verbeelding aangegeven maten.

14.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tussen (het verlengde van) de voorgevel van een hoofdgebouw en de openbare weg bedraagt maximaal 1 meter; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders bedraagt maximaal 2 meter; c. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 14.3

Nadere eisen

14.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 14.3.2 Voorwaarden De in artikel 14.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 14.4

Afwijken van de bouwregels

14.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in:

39

a. artikel 14.2.2 sub a, mits deze maten met maximaal 1 meter worden overschreden. 14.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 14.2.3 sub c tot een hoogte van maximaal 10 meter; b. artikel 14.2.3 sub d tot een hoogte van maximaal 10 meter. 14.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 14.4.1 en 14.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

40

Artikel 15 Verkeer 15.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, bruggen, straten en paden; b. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox': uitsluitend garageboxen bedoeld voor de stalling van vervoermiddelen dan wel als huishoudelijke berg- en werkruimte; c. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage': tevens een parkeergarage; d. ter plaatse van de aanduidig 'railverkeer': tevens spoorwegen met bijbehorende voorzieningen; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - bunker': tevens een ondergrondse bunker; f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - busstation': tevens een busstation; g. ter plaatse van de aanduiding 'tunnel': tevens een onderdoorgang voor gemotoriseerd verkeer, fietsers en voetgangers; h. bij deze doeleinden behorende voorzieningen zoals pleinen, terrassen, markten, standplaatsen, parkeervoorzieningen, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, sport- en speelvoorzieningen, jongerenontmoetingsplaatsen, straatmeubilair, geluidwerende voorzieningen, kiosken, afvalverzamelvoorzieningen, openbare toiletten, reclame-uitingen, voorwerpen van beeldende kunst en gedenktekens. 15.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a.

niet voor bewoning bestemde gebouwen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 15.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; b. in afwijking van het bepaalde onder a. mogen gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen met een oppervlakte van maximaal 15 m² buiten het bouwvlak worden gebouwd. 15.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. de goot- en bouwhoogte van een gebouw bedragen maximaal 3,5 meter, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven; b. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' bedraagt de breedte van een garagebox maximaal 3,5 meter. 15.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; b. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 meter; c. de bouwhoogte van bovenleidingen bedraagt maximaal 10,5 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 15.3

Nadere eisen

15.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, ten behoeve van de verkeersveiligheid nadere eisen te stellen ten aanzien van de plaats en afmetingen van bebouwing. 15.4

Afwijken van de bouwregels

15.4.1 Gebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: 41

a. artikel 15.2.2 sub a, mits deze maten met maximaal 1 meter worden overschreden. 15.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 15.2.3 sub a tot een hoogte van maximaal 15 meter; b. artikel 15.2.3 sub d tot een hoogte van maximaal 10 meter. 15.4.3 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 15.4.1 en 15.4.2 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 15.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. evenementen zijn toegestaan; b. het in gebruik nemen van onbebouwde gronden ten behoeve van opslagdoeleinden is niet toegestaan, tenzij het betreft de opslag van bouwmaterialen, puin en specie in verband met normale onderhoudswerkzaamheden dan wel ter verwezenlijking van de bestemming.

42

Artikel 16 Water 16.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wateraanvoer en -afvoer, waterberging, waterhuishouding, paden, waterpartijen, vijvers en (primaire) waterlopen, alsmede voor bruggen, dammen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voorzieningen ten dienste van de waterkering en nutsvoorzieningen; b. ter plaatse van de aanduiding 'jachthaven': tevens een jachthaven met de daarbij behorende havenvoorzieningen, zoals aanlegsteigers; c. bij deze doeleinden behorende voorzieningen, zoals bermen, bermsloten en beplantingen. 16.2 Bouwregels Op de gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 16.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 meter; b. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 16.3

Nadere eisen

16.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, ten behoeve van de verkeersveiligheid nadere eisen te stellen ten aanzien van de plaats en afmetingen van bebouwing. 16.4

Afwijken van de bouwregels

16.4.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 16.2.1 sub a tot een hoogte van maximaal 15 meter; b. artikel 16.2.1 sub c tot een hoogte van maximaal 10 meter. 16.4.2 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 16.4.1 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 16.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. evenementen zijn toegestaan; b. het innemen van ligplaatsen voor woonboten is niet toegestaan.

43

Artikel 17 Wonen 17.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de huisvesting van personen in een woning; b. ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast': tevens een bed & breakfastaccommodatie; c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf aan huis': tevens aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten met een netto vloeroppervlak van maximaal 60 m²; d. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel': tevens detailhandel, met dien verstande dat detailhandel uitsluitend is toegestaan op de begane grond; e. ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening': tevens dienstverlening, met dien verstande dat dienstverlening uitsluitend is toegestaan op de begane grond; f. ter plaatse van de aanduiding 'garagebox': uitsluitend garageboxen bedoeld voor de stalling van vervoermiddelen dan wel als huishoudelijke berg- en werkruimte; g. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage': tevens een ondergrondse parkeergarage; h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - schuur': uitsluitend de opslag en berging van goederen en stoffen waarvoor geen melding hoeft te worden gedaan dan wel een vergunning is vereist op grond van milieuwetgeving, dan wel de stalling van vervoermiddelen; i.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - verzorgd wonen': uitsluitend een vorm van wonen, al dan niet in geclusterde vorm, in combinatie met zorg; j. aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; k. parkeervoorzieningen, tuinen, erven, paden, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. 17.2 Bouwregels Op de gronden mogen, met in achtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, de volgende bouwwerken worden gebouwd: a. hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 17.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend minimaal drie aaneengebouwde woningen toegestaan; b. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan; c. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' zijn twee-aaneen gebouwde en vrijstaande woningen toegestaan; d. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan; e. ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' mogen uitsluitend gebouwen worden gebouwd die voorzien in een onderdoorgang voor het verkeer; f. binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak mogen hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; g.

ter plaatse van de aanduiding 'erf' mogen uitsluitend bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, behorende bij het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel; h. op gronden buiten het bouwvlak en zonder aanduiding 'erf' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd; i. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen op ieder bouwperceel bedraagt maximaal het met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangegeven bebouwingspercentage van het maatvoeringsvlak; j. indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, bedraagt de bebouwde oppervlakte van de gronden binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'erf' op ieder bouwperceel gezamenlijk maximaal 60% met een maximum van 250 m². 17.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

44

a. de goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw bedragen maximaal de op de verbeelding aangegeven maten; b. de breedte van een hoofdgebouw - bijbehorende bouwwerken niet meegerekend - bedraagt op de gronden met de volgende aanduidingen minimaal: - 'vrijstaand' en 'twee-aaneen': 6 meter; - 'aaneengebouwd': 5 meter; c. de afstand tussen een hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens bedraagt op de gronden met de volgende aanduidingen minimaal: - 'vrijstaand': 3 meter; - 'twee-aaneen': aan één zijde 3 meter. 17.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. de goot- en bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedragen maximaal 3,2 meter respectievelijk 5 meter; b. de afstand tussen een bijbehorend bouwwerk en (het verlengde van) de voorgevel van een hoofdgebouw bedraagt minimaal 3 meter. 17.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tussen (het verlengde van) de voorgevel van een hoofdgebouw en de openbare weg bedraagt maximaal 1 meter; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen elders bedraagt maximaal 2 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter. 17.3

Nadere eisen

17.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 17.3.2 Voorwaarden De in artikel 17.3.1 bedoelde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gronden in verband met calamiteiten. 17.4

Afwijken van de bouwregels

17.4.1 Hoofdgebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 17.2.2 sub a, mits deze maten met maximaal 1 meter worden overschreden; b. artikel 17.2.2 sub c voor een kortere afstand tot op de zijdelingse perceelsgrens. 17.4.2 Bijbehorende bouwwerken Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 17.2.3 sub a voor een goot- en bouwhoogte die maximaal de op de verbeelding aangegeven maten bedragen, mits het bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd binnen het bouwvlak; b. artikel 17.2.3 sub b voor een kortere afstand tot op de voorgevelrooilijn. 17.4.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: 45

a. artikel 17.2.4 sub c tot een hoogte van maximaal 10 meter. 17.4.4 Voorwaarden Aan de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in de artikelen 17.4.1, 17.4.2 en 17.4.3 wordt slechts toepassing gegeven indien: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld en de (verkeers)veiligheid niet worden aangetast; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 17.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. het gebruiken of in gebruik geven van woningen als kamerverhuurpand is niet toegestaan; b. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bestaande kamerverhuurpanden. 17.6

Afwijken van de gebruiksregels

17.6.1 Afwijken gebruiksregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 17.5 sub a voor het gebruiken of in gebruik geven van een woning als kamerverhuurpand, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. in de woning is sprake van maximaal vier onzelfstandige woonruimtes; 2. elke onzelfstandige woonruimte wordt door maximaal één persoon bewoond, tenzij sprake is van partners; 3. op eigen terrein wordt voorzien in minimaal twee parkeerplaatsen, die ook in stand worden gehouden; 4. binnen een straal van 250 meter rondom het kamerverhuurpand is geen ander kamerverhuurpand aanwezig. 17.7

Wijzigingsbevoegdheid

17.7.1 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bouwaanduidingen binnen de bestemming 'Wonen' te wijzigen en functieaanduidingen te verwijderen, indien: a. dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld; b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; c. de samenstelling van de woningvoorraad niet onevenredig wordt verstoord; d. de te realiseren woning(en) past/passen binnen de geldende gemeentelijke woningbouwplanning; e. in het geval van verwijdering van een functieaanduiding: de betreffende functie gedurende minimaal een jaar niet meer ter plaatse wordt uitgeoefend, tenzij sprake is van een verzoek van een belanghebbende. 17.7.2 Procedureregel Bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 17.7.1 zijn de algemene procedureregels van artikel 29 van toepassing.

46

Artikel 18 Waarde - Archeologie - 1 18.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor het behoud van het ter plaatse aanwezige archeologisch waardevol gebied en van de ter plaatse aanwezige vindplaatsen, voor zover niet beschermd van rijkswege. 18.2

Bouwregels

18.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 18.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; c.

het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk waarvan de oppervlakte van de verstoring maximaal 50 m² bedraagt; 3. een bouwwerk dat niet dieper dan 40 cm beneden het maaiveld wordt geplaatst. 18.3

Specifieke gebruiksregels

18.3.1 Verhouding tot andere dubbelbestemmingen Voor zover de in artikel 18.1 bedoelde dubbelbestemming samenvalt met een of meer andere dubbelbestemmingen, worden – ook ten opzichte van de in artikel 18.1 bedoelde dubbelbestemming – de regels in acht genomen die bij deze andere dubbelbestemming(en) behoren. 18.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 18.4.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden zonder vergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor met toepassing van artikel 18.2.1 sub b of sub c een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van de bevoegde waterbeheerder; c. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;

47

d. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 18.4.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden Het in artikel 18.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden die normaal beheer of onderhoud betreffen; b. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn; c. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen of een ontgrondingsvergunning; d. werken en/of werkzaamheden waarbij geen grondbewerkingen plaatsvinden dieper dan 40 cm beneden het maaiveld; e. werken en/of werkzaamheden waarvan de oppervlakte van de verstoring maximaal 50 m² bedraagt; f. archeologisch onderzoek. 18.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden De werken en werkzaamheden, zoals in artikel 18.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts wordt een omgevingsvergunning in ieder geval verleend indien: a.

de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het betrokken terrein in voldoende mate worden veiliggesteld; c. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de activiteiten door een archeologisch deskundige; d. alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige. 18.5

Wijzigingsbevoegdheid

18.5.1 Wijzigen bestemming Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van archeologisch waardevolle gebieden, met inachtneming van de volgende regels, wijzigen voor: a. het toekennen van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - rijksmonument' aan gronden die ingevolge artikel 3.1 van de Erfgoedwet zijn of worden beschermd; b. het toekennen van een lagere waarde aan gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat deze gronden van een lagere archeologische waarde zijn. 18.5.2 Geheel of gedeeltelijk verwijderen archeologische bestemming Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsvlak verwijderen, met inachtneming van de volgende regels: a. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. op grond van archeologisch onderzoek wordt het niet meer noodzakelijk geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet; c. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

48

18.5.3 Wijzigen vorm bestemmingsvlak Burgemeester en wethouders kunnen de vorm van het bestemmingsvlak veranderen, met inachtneming van de volgende regels: a. wijziging is op grond van archeologisch onderzoek noodzakelijk of gewenst met het oog op de bescherming of de veiligstelling van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden; b. zonder verandering van de vorm van het bestemmingsvlak kan de bebouwing ten behoeve van de voor de gronden geldende andere bestemming niet of niet doelmatig worden gerealiseerd; c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; d. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige. 18.5.4 Procedureregel Bij het toepassen van de bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 18.5.1, 18.5.2 en 18.5.3 zijn de algemene procedureregels van artikel 29 van toepassing.

49

Artikel 19 Waarde - Archeologie - 2 19.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor het behoud van het ter plaatse aanwezige archeologisch waardevol gebied en van de ter plaatse aanwezige vindplaatsen, voor zover niet beschermd van rijkswege. 19.2

Bouwregels

19.2.1 Algemeen Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 19.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; c.

het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk waarvan de oppervlakte van de verstoring maximaal 250 m² bedraagt in gebieden met de bestemming 'Waarde - Archeologie - 2'; 3. een bouwwerk dat niet dieper dan 40 cm beneden het maaiveld wordt geplaatst. 19.3

Specifieke gebruiksregels

19.3.1 Verhouding tot andere dubbelbestemmingen Voor zover de in artikel 19.1 bedoelde dubbelbestemming samenvalt met een of meer andere dubbelbestemmingen, worden – ook ten opzichte van de in artikel 19.1 bedoelde dubbelbestemming – de regels in acht genomen die bij deze andere dubbelbestemming(en) behoren. 19.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 19.4.1 Verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden zonder vergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor met toepassing van artikel 19.2.1 sub b of sub c een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van de bevoegde waterbeheerder; c. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd; 50

d. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 19.4.2 Uitzondering op het verbod voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden Het in artikel 19.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en/of werkzaamheden die normaal beheer of onderhoud betreffen; b. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn; c. werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen of een ontgrondingsvergunning; d. werken en/of werkzaamheden waarbij geen grondbewerkingen plaatsvinden dieper dan 40 cm beneden het maaiveld; e. werken en/of werkzaamheden waarvan de oppervlakte van de verstoring maximaal 250 m² bedraagt in gebieden met de bestemming 'Waarde - Archeologie - 2'; f. archeologisch onderzoek. 19.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden De werken en werkzaamheden, zoals in artikel 19.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts wordt een omgevingsvergunning in ieder geval verleend indien: a.

de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het betrokken terrein in voldoende mate worden veiliggesteld; c. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de activiteiten door een archeologisch deskundige; d. alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige. 19.5

Wijzigingsbevoegdheid

19.5.1 Wijzigen bestemming Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van archeologisch waardevolle gebieden, met inachtneming van de volgende regels, wijzigen voor: a. het toekennen van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - rijksmonument' aan gronden die ingevolge artikel 3.1 van de Erfgoedwet zijn of worden beschermd; b. het toekennen van een lagere waarde aan gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat deze gronden van een lagere archeologische waarde zijn. 19.5.2 Geheel of gedeeltelijk verwijderen archeologische bestemming Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsvlak verwijderen, met inachtneming van de volgende regels: a. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. op grond van archeologisch onderzoek wordt het niet meer noodzakelijk geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet; c. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

51

19.5.3 Wijzigen vorm bestemmingsvlak Burgemeester en wethouders kunnen de vorm van het bestemmingsvlak veranderen, met inachtneming van de volgende regels: a. wijziging is op grond van archeologisch onderzoek noodzakelijk of gewenst met het oog op de bescherming of de veiligstelling van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden; b. zonder verandering van de vorm van het bestemmingsvlak kan de bebouwing ten behoeve van de voor de gronden geldende andere bestemming niet of niet doelmatig worden gerealiseerd; c. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; d. alvorens omtrent de vaststelling van een wijziging te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige. 19.5.4 Procedureregel Bij het toepassen van de bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 19.5.1, 19.5.2 en 19.5.3 zijn de algemene procedureregels van artikel 29 van toepassing.

52

Artikel 20 Waarde - Cultuurhistorie 20.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, naast de daarvoor aangewezen andere bestemming(en), primair bestemd voor het behoud, het herstel en de versterking van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermde stadsgezicht, met dien verstande dat: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - cultuurhistorie A' de volgende kwalitatieve kenmerken worden onderscheiden: <0000> concentratie van monumenten en beeldbepalende panden in een entourage die als geheel de eigen identiteit van de Goese binnenstad definieert; <0000> stedenbouwkundig patroon van straten en pleinen mede bepaald door de haven; <0000> profilering en inrichting van de openbare ruimte; <0000> situering, afmetingen en vormgeving van de bebouwing waaronder zeer karakteristieke monumenten en individueel herkenbare identiteit van de gevels in de gevelwanden; <0000> samenhang in de maatvoering tussen de gevels horizontaal (percelering), verticaal (gevelhoogte) en de openbare ruimte; b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11665749/2