CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendapunt 12. Westerstraat 2, Goes

Besluitvormende raad 27 juni 2024, gemeente GoesBij agendapunt: Bestemmingsplan “Westerstraat 2” Goes31.999 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In combinatie met het aanvragen van een hogere grenswaarde zal bovendien de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van de woningen in navolging van het Bouwbesluit, in verblijfsgebieden minimaal moeten voldoen aan minimaal 21 dB bij gebouw A en 23 dB bij gebouw B om een goed woon- en leefklimaat in de woningen te kunnen waarborgen.

4.7

Kabels en leidingen

In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt. In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen.

4.8

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht. Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, zie onderstaande afbeelding. Dit is gebaseerd op 164 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal, zie 4.11 Verkeer en parkeren.

Juust

31

Westerstraat 2, Goes

Afbeelding 15 | NIBM (bron: Infomil) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2 , PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt aan de hand van NSL-monitoringstool. In de onderstaande afbeelding zijn de concentraties NO2 , PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven.

Afbeelding 16 | Uitsnede NSL 2020-monitor (bron: Rijksoverheid) Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 17.3 µg/m3 , 15.6 µg/m3 en 8.0 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 , PM10 (beide 40 µg/m3 ) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De luchtkwaliteitssituatie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van de gewenste ontwikkeling.

Juust

32

Westerstraat 2, Goes

4.9

Natuur

De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven. Gebiedsbescherming Het plangbied ligt niet binnen de begrenzing van een natuurgebied, natuurnetwerk en Natura-2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is de Oosterschelde Dit natuurgebied ligt op circa 3,5 kilometer van het plangebied. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand van beschermde Natura 2000-gebieden plaatsvindt worden geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Voor deze ontwikkeling is met de AERIUS-calculator een stikstofberekening gemaakt voor zowel de realisatiefase als de gebruikfase. Er is in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase geen sprake van een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. In bijgevoegde memo en berekeningen (Bijlage 5) is één en ander nader onderbouwd. Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan. Daarmee zijn significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden uitgesloten.

Soortenbescherming Nieuwe ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde gebieden en beschermde soorten (dieren en planten). De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 34 appartementen. Daarnaast zullen er verbouwwerkzaamheden plaatsvinden aan de bestaande woning, enkele bosschages zullen verwijderd worden en de resten van het schuurtje zullen verwijderd worden. De bomen met boomholtes blijven behouden. Op 27 juni 202 is door NWC advies een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Bijlage 6). Uit de quickscan blijkt dat de (bedrijfs)woning en enkele bomen met boomholtes geschikt is als zomer-, paar-, of kraamverblijfplaats voor vleermuizen. Enkele bomen en struikvegetatie rondom de woning zijn eveneens geschikt als (onderdeel van een) foerageergebied. Daarnaast is in het plangebied een vijver aanwezig waarin wilgen groeien waarlangs vleermuizen ook kunnen foerageren. Langs de noordkant van het perceel staat een rij van acht oude populieren welke vleermuizen kunnen benutten om langs te foerageren/navigeren. Uit de quickscan blijkt verder dat er geen vogels met een vaste verblijfplaats in of nabij het plangebied zijn waargenomen. Overigens zijn er wel mogelijkheden voor een soorten met een vaste verblijfplaats als de Huismus en de Gierzwaluw en ook (algemene) broedvogels als de Spreeuw om onder de dakpannen of tussen de kieren in de muur te nestelen.

Daarnaast zijn er veel dichte struiken en bomen rond het woonhuis aanwezig welke schuilen foerageermogelijkheden voor de Huismus bieden. Tijdens de quickscan is een rustplaats (leger) van een Haas waargenomen in het plangebied. Het grasveld rond het woonperceel is dan ook geschikt om te fungeren als functionele leefomgeving van de Haas. Verder zijn in het plangebied de resten van een schuurtje aanwezig welke geschikt is om door soorten als de Steenmarter en de Wezel als schuilplaats te worden benut. Overigens wordt de aanwezigheid van de Steenmarter op basis van de meest recente verspreidingsgegevens niet verwacht. De struweelvegetatie rond het woonhuis is geschikt om te fungeren als (onderdeel van) het foerageergebied van marterachtigen zoals de Wezel. Er zijn geen (strikt) beschermde grondgebonden zoogdiersoorten tijdens de quickscan waargenomen. De vijver (laagte die is volgelopen met water) in het plangebied is geschikt om te fungeren als voortplantingswater voor verschillende soorten amfibieën. Er worden geen beschermde amfibieën verwacht op basis van verspreidingsgegevens en/of habitateisen. In de vijver in het plangebied is een aquatische bemonstering uitgevoerd. Tijdens de bemonstering met steeknetten is geen aquatische fauna aangetroffen in de vijver.

De aanwezigheid van (strikt) beschermde soorten vissen en weekdieren kan overigens, op basis van verspreidingsgegevens en de habitateisen van deze soorten, worden uitgesloten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanwege de realisatie van de 34 appartementen geen beschermde soorten

Juust

33

Westerstraat 2, Goes

worden verstoord. Aanbevelingen Bij verbouwwerkzaamheden aan de bestaande woning dient in ieder geval aanvullend onderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid van verblijfplaats van vleermuizen en de Huismus. In principe dient er ook aanvullend onderzoek gedaan te worden naar de Gierzwaluw, tenzij de werkzaamheden plaatsvinden in de winterperiode en de woning nadien nog steeds geschikt is voor Gierzwaluwen. Voordat de bosschages rondom de woning gerooid kunnen worden, is aanvullend onderzoek nodig naar de Huismus. Daarnaast dient hierbij rekening gehouden te worden met broedvogels (kappen buiten broedseizoen of broedvogelcheck voor rooiwerkzaamheden). Verder dient de functionaliteit van het plangebied voor de haas behouden te blijven. Het verwijderen van de resten van het schuurtje kan pas uitgevoerd worden, nadat aanvullend onderzoek de aanwezigheid van kleine marterachtigen heeft uitgesloten. De aanvullende onderzoeken ten behoeve van de overige werkzaamheden aan en rondom de woning en het verwijderen van de resten van het schuurtje zullen ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning worden uitgevoerd.

4.10

Niet gesprongen explosieven

In de Tweede Wereldoorlog is in Zeeland veel gevochten. Doordat tijdens de gevechten niet alle munitie is ontploft zijn er tot op de dag van vandaag blindgangers in de bodem te vinden. De Provincie Zeeland heeft een kaart ontwikkeld waar op te zien is waar gevochten is en waar een grote kans is om blindgangers in de bodem aan te treffen. Het plangebied ligt binnen het aandachtgebied 'gevechtshandelingen'. De gemeente Goes heeft onderzoek gedaan naar explosieven in de gehele gemeente (Bijlage 7). Het onderzoek is in kaart gebracht in een gemeentelijk platform. In het platform is te zien dat ter plaatse van Westerstraat 2 perceel A3915 geen verwachtingsgebieden zijn afgebakend (zie onderstaande afbeelding). Het aspect 'Niet Gesprongen Explosieven' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Indien bij de werkzaamheden onverwacht een object wordt aangetroffen, dient het protocol 'onverwacht aantreffen OO' gehanteerd te worden (Bijlage 7).

Afbeelding 17 | Uitsnede platform NGE (bron: Gemeente Goes)

4.11

Verkeer en parkeren

Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.

Juust

34

Westerstraat 2, Goes

Parkeren Op basis van het Parkeerbeleidsplan 2009-2020 van de gemeente Goes is het aantal benodigde parkeerplaatsen berekend. Uitgegaan wordt van het gebiedstype 'schil'. De gemeente Goes is een matig verstedelijkt gebied. Voor een appartement in het dure segment geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaats per appartement. In totaal zijn er voor de 20 koopappartementen 36 parkeerplaatsen benodigd. Voor een appartement in het middeldure segment geldt een parkeenorm van 1,7 parkeerplaats per appartement. In totaal zijn er voor de 14 huurappartementen 23,8 parkeerplaatsen benodigd. In totaal zijn er voor de 34 appartementen 59,8 (afgerond 60) parkeerplaatsen benodigd. Op de inrichtingstekening is rekening gehouden met 62 parkeerplaatsen. Het plan voorziet hiermee in de parkeerbehoefte. Voor de bestaande woning geldt een parkeernorm van 1,7 parkeerplaats. Op het perceel rondom de bestaande woning is voldoende ruimte aanwezig om parkeren op te lossen op eigen terrein en te voorzien in de benodigde parkeerplaatsen. In de directe omgeving van het plangebied is geen parkeercapaciteit beschikbaar, aangezien het gaat om betaald parkeren wat mogelijk op termijn ook gaat verdwijnen. Aan de westzijde van het plangebied worden 34 bergingen gerealiseerd waarin de fietsen gestald kunnen worden.

Gelet op de ligging van het plangebied ten opzichte van het centrum van Goes is de verwachting dat veel bewoners gebruik zullen maken van de fiets. Verkeersgeneratie Daarnaast is de gemiddelde verkeersgeneratie berekend op basis van de CROW-publicatie 381 'toekomstig parkeren'. Uitgegaan wordt van het gebiedstype 'schil centrum' en stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk gebied'. Voor een koopappartement in het dure segment is de minimale verkeersgeneratie 6,5 motorvoertuigbewegingen per etmaal en de maximale verkeersgeneratie 7,3 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De gemiddelde verkeersgeneratie voor een appartement in het dure segment is 5,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor een huurappartement in het middeldure segment is de minimale verkeersgeneratie 3,0 motorvoertuigbewegingen per etmaal en de maximale verkeersgeneratie 3,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De gemiddelde verkeersgeneratie voor een huurappartement in het middeldure segment is 3,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De minimale verkeersgeneratie van de bestaande vrijstaande woning bedraagt 7,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal en de maximale verkeersgeneratie bedraagt 8,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De gemiddelde verkeersgeneratie bedraagt hiermee 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie 163,6 (afgerond 164) motorvoertuigbewegingen per etmaal.

De capaciteit van de omliggende wegen is voldoende voor het afwikkelen van het verkeersbewegingen van de nieuwbouw. Het plangebied wordt aan de oostzijde ontsloten.

4.12

Water

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen. Thema en water(beheer)doelstelling Uitwerking Veiligheid waterkeringen Het plangebied is niet gelegen in nabijheid van een Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening waterkering en dus ook niet binnen de houden met de daarvoor benodigde ruimte. beschermingszone van de waterkering.

Juust

35

Westerstraat 2, Goes

Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de In de huidige situatie is er 129 m2 aan dakoppervlak, kans op extreme weersituaties. 360 m2 aan dichte bodemverharding en 549 m2 aan wateroppervlak. In totaal is in de huidige situatie een verharding aanwezig van 489 m2 . In de toekomstige is er 1.753 m2 aan dakoppervlak (gebouwen, woning en bergingen), 4722 m2 aan dichte bodemverharding (oprit, erf, paden en parkeerterrein) en 692 m2 aan wateroppervlak (poelen). In totaal is er in de toekomstige situatie een verharding aanwezig van 6.475 m2 . Dit leidt tot een verhardingstoename van 5.986 m2 (6.475 - 489). Van de totale verharding zal circa 4.111 m2 indirect afwateren en 1.875 m2 direct afwateren. Het deel wat indirect afwatert hoeft niet gecompenseerd te worden. Dit betekent dat de watercompensatie 276 m3 (1.875 * 0,147) bedraagt. De schuur, die in 2009 is afgebrand, mag ook meegerekend worden in de totale verharding van de huidige situatie. De schuur had een oppervlakte van ca. 680 m2 . Als het dakoppervlak van de voormalige schuur meegeteld wordt, is er een watercompensatie van 176 m3 (1.195 m3 * 0,147).

Binnen het plangebied worden twee nieuwe poelen aangelegd die zodanig gedimensioneerd worden dat er minimaal 176 m3 wordt gecompenseerd en mogelijk 276 m3. Dit wordt nader uitgewerkt. De bestaande poel wordt niet uitgebreid.

Juust

36

Westerstraat 2, Goes

Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Afvoer DWA Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ Inzameling huishoudelijk afvalwater vindt plaats RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. middels een vrijvervalstelsel. Afvalwater loost in een Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in rioolgemaal welke het water verpompt naar het verband met de reductie van hydraulische belasting van vrijverval stelsel in Klein Frankrijk. Onderzocht wordt de RWZI, het transportsysteem en het beperken van nog of het ook mogelijk is om het gehele stelsel onder overstorten. vrijverval te laten lozen in het stelsel van Klein Frankrijk. Het rioolgemaal komt dan te vervallen. In beide gevallen vindt afvoer plaats naar het bestaande stelsel in Klein Frankrijk. Afvoer HWA Inzameling hemelwater middels een vrijvervalstelsel. Hemelwater loost via het stelsel in de vijvers welke binnen het gebied aanwezig zijn. Indien de vijvers vol zijn, dan wordt het hemelwater via een overstort geloost op omliggende watergangen. Het plan is zo ontworpen, dat bij hevige regenval, het hemelwater oppervlakkig af kan stromen naar de vijvers of rondom gelegen watergangen. De vijvers worden dusdanig gedimensioneerd dat compensatie voor de toename in verhard oppervlak hier gecompenseerd wordt. Het plan heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding.

Grondwaterkwantiteit en verdroging De ontwikkeling voorziet niet in het onttrekken van Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast grondwater. De ontwikkeling veroorzaakt evenmin en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen mogelijke grondwateroverlast. van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden. Grondwaterkwaliteit Zowel tijdens de bouwfase als de gebruiksfase worden Behoud of realisatie van een goede geen uitlogende materialen gebruikt. Er zijn (daardoor) grondwaterkwaliteit. Denk aan geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te grondwaterbeschermingsgebieden. verwachten. Oppervlaktewaterkwaliteit Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitloogbare Behoud of realisatie van goede materialen. Er zijn (daardoor) geen nadelige gevolgen oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht voor de waterkwaliteit te verwachten. van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren. Volksgezondheid Binnen het plangebied is een sloot aanwezig en een Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en vijver/poel. De vijver/poel betreft een ondiepe laagte plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via die is volgelopen met water. Tussen de sloot en de o.a. de daarvoor benodigde ruimte. nieuw te realiseren woningen wordt een rij wilgen aangeplant en een afrastering gemaakt van schapengaas.

Hiermee wordt het risico op verdrinkingsgevaar geminimaliseerd. Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige kunnen veroorzaken.

Juust

De polderpeilen worden niet aangepast. Bodemdaling zal niet optreden. gebieden

37

Westerstraat 2, Goes

Natte natuur In het kader van de quickscan Wet natuurbeschermin g Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en is in de vijver in het plangebied ter inventarisatie een natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. aquatische bemonstering uitgevoerd. Tijdens de bemonstering met steeknetten is geen aquatische fauna aangetroffen in de vijver. De aanwezigheid van (strikt) beschermde soorten vissen en weekdieren kan overigens, op basis van verspreidingsgegevens en de habitateisen van deze soorten, worden uitgesloten. Onderhoud oppervlaktewater De sloten zijn bereikbaar vanaf het eigen perceel en Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden omliggende percelen. De wilgen zijn geplant op enige worden. Rekening houden met obstakelvrije afstand van elkaar waardoor de sloot bereikbaar is ten onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande behoeve van onderhoud. Ter plaatse van het (hout)beplanting. parkeerterrein wordt de zijde aan de watergang open gehouden als schouwstrook. Anderer belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder In het plangebied zijn geen gronden van het Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de waterschap gelegen. werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.

Wegen in beheer bij het waterschap In en in de nabijheid van het plangebied zijn geen (alleen invullen voor zover van toepassing) wegen gelegen die in beheer zijn bij het waterschap * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen? * na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer? *na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken. Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? * na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? * na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).

4.13

Milieu Effect Rapportage

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht. In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria

Juust

38

Westerstraat 2, Goes

uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. is de volgende activiteit opgenomen: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen (D.11.2). De bijbehorende drempelwaarde is: a) een oppervlakte van 100 hectare of meer, b) een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer, of c) 200.000 m² bedrijfsvloeroppervlakte of meer. Activiteit D11.2 is van toepassing. De gewenste ontwikkeling valt ver onder de bijbehorende drempelwaarden. Een vormvrije m.e.r-beoordeling is noodzakelijk. Hiervoor is een aanmeldnotitie opgesteld (Bijlage 8). Op basis van deze notitie (en voorgaande paragrafen) is gebleken dat het gewenste plan niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen

4.14

Conclusie

Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.

Juust

39

Westerstraat 2, Goes

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs. Dit plan voorziet in het realiseren van 34 appartementen en betreft een 'aangewezen' bouwplan, zoals dat hiervoor is benoemd. De gemeente Goes sluit met de initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst waarin onder andere het kostenverhaal is geregeld. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Ook eventuele planschade wordt op de initiatiefnemer verhaald. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Voor het verkrijgen van de noodzakelijke omgevingsvergunning(en) zullen de gebruikelijke leges in rekening worden gebracht.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan in ieder geval toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio. Inspraak Conform de Wet ruimtelijke ordening is het niet verplicht om een inspraakprocedure te volgen. De gemeente is vrij om toch inspraak te verlenen. Het voorontwerpbestemmingsplan wordt vier weken ter inzage gelegd. Tijdens deze terinzagelegging wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een inspraakreactie in te dienen. Het resultaat van de inspraak wordt verwoord in een 'Nota inspraak en overleg'. Deze nota zal als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan worden gevoegd. Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen.

Juust

40

Westerstraat 2, Goes

Bijlagen toelichting

Juust

41

Westerstraat 2, Goes

Bijlage 1 Archeologisch onderzoek

Juust

42

Westerstraat 2, Goes

ARTEFACT! RAPPORT 691

Goes Westerstraat 2 Gemeente Goes Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

M. van den Berg J.E.M. Wattenberghe

ARTEFACT RAPPORT 691

GOES WESTERSTRAAT 2

Colofon Titel

Goes Westerstraat 2. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

Auteur(s)

M. van den Berg en J.E.M. Wattenberghe

Artefact rapport

691

Status rapport

Definitief Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid

Datum

22 december 2022

Projectcode

2021ART138

Projectmedewerker(s)

Drs. F.G.R. D’hondt (veldwerk), drs. J.E.M. Wattenberghe (veldwerk en rapportage hfdst. 3 en 4)

ISSN

2213 7424

Autorisatie

Naam

drs. J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Prospector)

Paraaf

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl

© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V., 2022 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.

2

ARTEFACT RAPPORT 691

GOES WESTERSTRAAT 2

Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................................. 4 Administratieve Gegevens ...........................................................................................................................................5

1

Inleiding ........................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek ..................................................................................................................... 7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen .............................................................................................8 1.3 Wettelijk kader en beleid ........................................................................................................................... 10 1.4 Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming ........................................................................................ 12

2

Archeologisch bureauonderzoek ....................................................................................... 14 2.1 Methoden .................................................................................................................................................. 14 2.2 Landschap en geologie .............................................................................................................................. 15 2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling ..................................................................................................... 15

2.2.2

Aardkundige waarden .................................................................................................................. 19

2.3 Historie ......................................................................................................................................................24 2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling .......................................................................................... 24

2.3.2

Verstoringsgeschiedenis ............................................................................................................... 33

2.4 Archeologische waarden ........................................................................................................................... 33 2.5 Bouw- en cultuurhistorische waarden ........................................................................................................ 39 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................................40

3

Inventariserend veldonderzoek ........................................................................................ 44 3.1 Methoden ..................................................................................................................................................44 3.2 Geologie en bodem ................................................................................................................................... 45 3.3 Archeologie ............................................................................................................................................... 47

4

Conclusie en Advies ......................................................................................................... 50 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen ........................................................................................... 50 4.2 Advies ....................................................................................................................................................... 52

Lijst met figuren ........................................................................................................................................................54 Bronnen ..................................................................................................................................................................... 55

Bijlage 1

AMZ-cyclus ..........................................................................................................................................58

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen ..............................................................................................59

Bijlage 3

Tijdstabel ............................................................................................................................................ 60

Bijlage 4

Planvorming ........................................................................................................................................ 62

Bijlage 5

Boorstaten ........................................................................................................................................... 63

Bijlage 6

Vondstgegevens ................................................................................................................................. 64

3

ARTEFACT RAPPORT 691

GOES WESTERSTRAAT 2

Samenvatting Juust bereidt een voornemen van de initiatiefnemer voor om in een plangebied aan de Westerstraat 2 te Goes (gemeente Goes) twee appartementencomplexen voor in totaal 34 appartementen te realiseren. In het kader van de benodigde bestemmingsplanwijziging heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek is een groot aantal bronnen bestudeerd die geleid hebben tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model werd vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek met als doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden.

Op basis van de resultaten dit onderzoek kan gesteld worden dat: ⎯ Binnen het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied de oude getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer worden afgedekt door Hollandveen dat slechts beperkt geërodeerd en aan de randen veraard aanwezig is; ⎯ Het Hollandveen en/of de top van het Laagpakket van Wormer centraal in het plangebied zijn geërodeerd; ⎯ In het hele plangebied kreekafzettingen aanwezig zijn van het Laagpakket van Walcheren die te relateren zijn aan een middeleeuwse oost-west georiënteerde kreekrug; ⎯ De top van de kreekafzettingen doorwerkt is en soms archeologische indicatoren bevat; ⎯ De kreekafzettingen in het hele plangebied worden afgedekt door een of meer cultuurlagen met archeologische indicatoren bestaande uit voornamelijk baksteenbrokjes; ⎯ Twee boringen rond 1,40 m beneden het maaiveld zijn gestuit op puin, en in één boring mogelijk een gedempte sloot of waterput is aangeboord; ⎯ Een middelhoge verwachting bestaat op het voorkomen van archeologische vindplaatsen uit de Late IJzertijdRomeinse tijd in het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied vanaf 1,86 m-mv; ⎯ Een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische vindplaatsen uit de Middeleeuwen-Nieuwe Tijd in het gehele plangebied vanaf 0,30 m-mv; ⎯ Eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen worden bedreigd door de voorgenomen planvorming.

Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geadviseerd: ⎯ In het op te stellen bestemmingsplan een dubbelbestemming waarde archeologie op te nemen binnen het volledige plangebied met hierin de vigerende oppervlaktevrijstellingsgrens (250 vierkante meter) en dieptevrijstellingsgrens (0,30 m vanaf het huidige maaiveld) uit het gemeentelijke archeologiebeleid; ⎯ Indien mogelijk de inrichtingsplannen zo aan te passen dat niet dieper verstoord wordt dan 0,40 m vanaf het huidige maaiveld; ⎯ Indien planaanpassing niet mogelijk blijkt, wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht binnen die delen van het plangebied waar dieper wordt verstoord dan 0,40 m-mv. Conform de AMZ-cyclus (Archeologische Monumenten Zorg-cyclus) is een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (karterende en waarderende fase) de meest geschikte onderzoeksmethode (eventueel onder de variant Archeologische Begeleiding); ⎯ Een deel van het gebied is bebouwd met een rijksmonument. Verwacht kan worden dat ter hoogte van deze woning restanten van een oudere gesloopte voorganger te vinden zijn. Mede gezien de beperkte ruimte wordt geadviseerd in de directe nabijheid van de woning geen proefsleuvenonderzoek uit te voeren, maar de uitbouw hiervan onder archeologische begeleiding uit te voeren.

4

ARTEFACT RAPPORT 691

GOES WESTERSTRAAT 2

Administratieve Gegevens Projectnaam

Goes Westerstraat 2

Onderzoeksvorm

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

LOCATIE Provincie

Zeeland

Gemeente

Goes

Plaats

Goes

Adres / Locatie

Westerstraat 2

Hoekpunten coördinaten RD Centrum coördinaat RD

N 50.558 / 392.183 NO 50.710 / 392.137 W 50.519 / 392.100 Z 50.562 / 392.015 50.616 / 392.100

Kaartblad

65H

Kadastraal perceel

Gemeente Goes, Sectie A, Perceel 3915

Oppervlakte plangebied

21.058 m²

Vigerende bestemmingsplan

Goes West (2013)

ZO 50.717 / 392.070

BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats

Geen

AMK status

Geen

Archis vondstlocatie

Geen

Zeeuws Archeologisch Depot

Geen (mail helpdesk d.d. 22-3-2022)

OPDRACHTGEVER Naam

Juust

Contactpersoon

Dhr. G. Verweij

Adres

Goessestraatweg 17a, 4421 AD Kapelle

Telefoon

06 82731420

Email

gerard@juust.nl

BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Goes, College van Burgemeester en Wethouders

Contactpersoon

Dhr. A. Dorleijn

Adres

Postbus 2118, 4460 MC Goes

Telefoon

140113

Email

a.dorleijn@goes.nl

5

ARTEFACT RAPPORT 691

GOES WESTERSTRAAT 2

ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam

Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband (OAS)

Contactpersoon

Dhr. K-J. R. Kerckhaert

Adres

Postbus 49, 4330 AA Middelburg

Telefoon

0118 670870

Email

k.kerckhaert@goes.nl / adviesarcheologie@erfgoedzeeland.nl

BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam

Zeeuws Archeologisch Depot

Contactpersoon

dhr. J.J. H. van den Berg

Adres

Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg

Telefoon

0118 670618

Email

jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl

E-depot

EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V.

Contactpersoon

dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Telefoon

0115 851614

Email

janwattenberghe@artefact-info.nl

Certificaat

ARC-010/3 - BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004

ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding

Bestemmingsplanwijziging

Begin/einddatum veldwerk

12 april 2022

Projectnummer Artefact

2021ART138

Archis onderzoeksmelding

5201109100

Vindplaats(en)

Nog onduidelijk

6

ARTEFACT RAPPORT 691

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van het onderzoek

GOES WESTERSTRAAT 2

In opdracht van Juust heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied aan de Westerstraat 2 te Goes (gemeente Goes; figuren 1 en 2). De initiatiefnemer heeft het voornemen om hier 34 appartementen in twee gebouwen te realiseren. Het omringende terrein wordt ingericht met parkeerterreinen en groenvoorzieningen. Het plangebied omvat één perceel, dat kadastraal bekendstaat onder Gemeente Goes, Sectie A, Perceel 3915 en beslaat een oppervlakte van 21.058 m2.

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

Het plangebied is binnen bestemmingsplan Goes West (2013) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Agrarisch met waarden. Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 2. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 m2 en dieper reiken dan 0,40 m -mv (beneden maaiveld). Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de plannen mogelijk te maken, is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. In het kader hiervan is voorliggend archeologisch onderzoek uitgevoerd.

7

ARTEFACT RAPPORT 691

1.2

GOES WESTERSTRAAT 2

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Conform de AMZ- cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot een van de volgende uitkomsten: ⎯ Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek ⎯ Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied.

Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVOproefsleuvenonderzoek (IVO-P, waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O, waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯ De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. ⎯ Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen.

⎯ Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden.2 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20193 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen.

1 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: 4 2 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: 4-5 3 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019

8

ARTEFACT RAPPORT 691

GOES WESTERSTRAAT 2

Daarbij dienen volgende vragen te worden beantwoord: ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? ⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?

Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl.

9

ARTEFACT RAPPORT 691

1.3

GOES WESTERSTRAAT 2

Wettelijk kader en beleid

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 4 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt.

Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: ⎯ Basale harde gegevens en diachrone datasets ⎯ Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen ⎯ Uitwerking oud archeologisch onderzoek ⎯ Verdronken land en dorpen ⎯ Onderzoek naar infrastructuur ⎯ Verdedigingswerken in Zeeland ⎯ Boerderijen en rurale nederzettingen ⎯ Voedseleconomie van stad en platteland ⎯ Religieuze en rituele verschijningsvormen ⎯ Scheeps- en onderwaterarcheologie ⎯ Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 5 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007, de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening.

Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) zijn de burgemeester en wethouders de bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning. Het gemeentelijke beleid van Goes is in 2011 door Vestigia B.V. 6 opgesteld en vervolgens door het College van Burgemeester en Wethouders vastgesteld. In de beleidsnota van de gemeente is geconcludeerd dat de gemeentelijke ondergrond in vier archeologisch relevante lagen kan worden onderverdeeld. Op de hieruit volgende archeologische

4 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. 5 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019. 6 Alkemade et al. 2011; Brugman et al. 2011.

10

ARTEFACT RAPPORT 691

GOES WESTERSTRAAT 2

maatregelenkaart-in-lagen werd de archeologische waarde bepaald op basis van bekende landschappelijke en bodemkundige informatie, archeologische waarnemingen en bekende vindplaatsen. Elk van de vastgestelde categorieën vertegenwoordigt een bepaalde archeologische waarde of – wanneer de waarde nog niet is vastgesteld – een archeologische verwachting. Dit gemeentelijke beleid is meegenomen in de sinds 2011 opgestelde bestemmingsplannen waarbij gebieden met (een) archeologische (verwachtings)waarde een planologische bescherming hebben gekregen. De vrijstellingsgrenzen werden toegekend op basis van de (verwachtings)waarde.

Op de vigerende gemeentelijke archeologische maatregelenkaart-in-lagen geldt voor het plangebied: ⎯ Een hoge verwachting voor het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk; Laag 1) ⎯ Deels een hoge en deels geen verwachting voor het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop; Laag 2) ⎯ Deels een hoge en deels geen verwachting voor het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk; Laag 3) ⎯ Geen verwachting voor het Pleistoceen (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel; Laag 4) Het deel van het plangebied waarvoor geen verwachting geldt op de niveaus van het Hollandveen Laagpakket en het Laagpakket van Wormer (figuur 3) is waarschijnlijk te relateren aan een circa 60 m brede, west-oost georiënteerde geul die ter hoogte van het plangebied te zien is op de Geologische Kaart van Nederland (figuur 6). Op de geprojecteerde Geologische Kaart is deze geul echter ongeveer 30 m zuidelijker te situeren dan op de geprojecteerde maatregelenkaart.

Figuur 3 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de maatregelenkaart-in-lagen voor het niveau van het Hollandveen Laagpakket. Voor het Laagpakket van Wormer is het beeld hetzelfde. Paars = hoge verwachting; wit = geen verwachting. Bron: Brugman et al. 2011.

11

ARTEFACT RAPPORT 691

GOES WESTERSTRAAT 2

Het plangebied valt binnen bestemmingsplan Goes West (2013) en heeft hier een enkelbestemming Agrarisch met waarden. Mogelijke archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 2. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 m2 en dieper reiken dan 0,40 m -mv. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de plannen mogelijk te maken, is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk.

1.4

Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming

Het plangebied (figuren 2 en 4) ligt aan de Westerstraat 2 te Goes (gemeente Goes), ten noordwesten van de oude stadskern en ten zuiden van de Ringbaan West. Het plangebied omvat één perceel, dat kadastraal bekendstaat onder Gemeente Goes, Sectie A, Perceel 3915 en beslaat een oppervlakte van 21.058 m 2. Het is grotendeels door een sloot omgeven. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Westerstraat, aan de zuidoostzijde door een perceel grasland (Perceel 3916), aan de zuidwestzijde door het terrein van het Calvijn College, aan de noordwestzijde door een deel van industrieterrein Klein Frankrijk, en aan de noordoostzijde door een groenstrook met bomen (Perceel 794). Een centraal gelegen deel van het plangebied is bebouwd met een historische boerderij met de naam Klein Frankrijk (zie hoofdstuk 2.5). Het erf, waarvan overige opstallen niet meer aanwezig zijn, is via een oprijlaan verbonden met de Westerstraat. Enkele meters ten zuidwesten van de woning bevindt zich een waterpoel; dit betreft een oude drinkput, behorende tot de boerderij. De initiatiefnemer wil in het plangebied in totaal 34 appartementen in twee gebouwen realiseren. Het grootste van de twee appartementengebouwen krijgt min of meer dezelfde ligging en hetzelfde oppervlak als de 19 de-eeuwse schuur die hier tot 2009 stond (zie hoofdstuk 2.3.1). In dit gebouw zijn vier woonlagen voorzien.

In het kleinere appartementengebouw ten noorden hiervan zijn twee woonlagen voorzien. Tevens zijn binnen het plangebied bergingen, parkeerterreinen en andere verharding, groenvoorzieningen en twee nieuwe waterpartijen voorzien. De huidige woning en drinkput blijven behouden. Mogelijk krijgt de woning een éénlaagse uitbreiding aan de west- en zuidzijde. Ter plaatse van het vroegere bakhuis, ten noordwesten van de woning, is een nieuw te bouwen schuur voorzien. In de planvorming is geen sprake van onderkeldering van de nieuwbouw. Informatie over de beoogde fundering was ten tijde van het opstellen van voorliggend rapport nog niet beschikbaar. Plantekeningen zijn bijgevoegd in bijlage 4.

12

ARTEFACT RAPPORT 691

GOES WESTERSTRAAT 2

Figuur 4 Plangebied op een uitsnede van de luchtfoto (2021). Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl.

13

ARTEFACT RAPPORT 691

2

Archeologisch bureauonderzoek

2.1

Methoden

GOES WESTERSTRAAT 2

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.7 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap

Specificatie

Hoofdstuk

Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik

LS01

1.4

Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid

LS01

1.3

Beschrijven huidig gebruik

LS02

1.4

Beschrijven historische situatie

LS03

2.3.1

Beschrijven mogelijke verstoringen

LS03

2.3.2

Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond

LS02-03-04

2.5

Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken

LS04

2.2.2

Beschrijven bekende archeologische kenmerken

LS04

2.4

Opstellen gespecificeerde verwachting

LS05

2.6

Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. ⎯ (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten ⎯ Paleogeografische kaarten ⎯ Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ⎯ (Specialistische) literatuur ⎯ Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek ⎯ Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven ⎯ Lucht- en satellietfoto’s ⎯ Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten ⎯ Gemeentelijk en/of provinciaal archief ⎯ Archeologische Monumenten Kaart (AMK) ⎯ Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) ⎯ Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis ⎯ Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) ⎯ Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) ⎯ Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten ⎯ Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn ⎯ Amateurarcheologen, AWN

en/of heemkundevereniging ⎯ Provinciaal depot: archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)

7 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

14

ARTEFACT RAPPORT 691

2.2

Landschap en geologie

2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling

GOES WESTERSTRAAT 2

Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Omdat in beginsel de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen grotendeels te herleiden zijn op de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan geschetst worden aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos et al. zijn gepubliceerd.8 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar wordt, met de ligging van het plangebied, afgebeeld op figuur 5. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het Boreaal (circa 8.400 – 6.950 v. Chr.) steeg de zeespiegel en vernatte het pleistocene zandlandschap (Laagpakket van Wierden; Formatie van Boxtel) geleidelijk. Plantaardig materiaal werd door het stijgende waterniveau niet meer afgebroken.

Eerst op de lager gelegen delen, maar later ook hogerop in het landschap, groeide laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als Basisveen Laag (Formatie van Nieuwkoop). Deze veengroei deed zich eerst voor in het westen van Zeeland, maar de grens schoof door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op in oostelijke richting. Aan het veenvormingsproces kwam een einde in het Midden tot Laat Atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). 9 Door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking werd de strandbarrière opgeruimd en liep het noordelijke deel van Zeeland onder water. Er ontstond een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Ook in het plangebied was dit het geval. Grote delen van het oude pleistocene landschap werden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die toen gevormd zijn, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden.10 Vanaf het Subboreaal stagneerde de stijging van de zeespiegel in die mate dat de sedimentatie en de stijging elkaar in balans hielden. Er zetten zich meer kleiige sedimenten af. Deze klei is slap en bevat veel rietwortels. Die wortels zijn een indicatie voor het begin van een periode met veenvorming.

Op de hoger opgeslibde kwelders groeide een dichte rietvegetatie en plaatselijk ging zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het MiddenSubboreaal (3.100 v. Chr.) een quasi gesloten kustbarrière van strandwallen ontstond met daarachter een groot veenlandschap dat bestond uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes. 11 Het plangebied maakte deel uit van dit veenlandschap. Geologisch wordt dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Het veenmilieu veranderde in het Subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof en kon opgroeien tot ruim boven NAP. Omstreeks 500 v. Chr. bereikte het veenkussen zijn maximale omvang. Daarna trad een geleidelijk verval in. Water uit dit veengebied zocht zijn weg richting de zee, in steeds bredere geulen. Hierdoor werd de mariene invloed op het achterliggende land opnieuw geactiveerd. Tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle, op Walcheren, brak de strandwal door en ontstond een sluftergebied met een veelvoud aan smalle geulen die de verbinding tussen het veengebied met de zee versterkten. Het Veerse gat, de inbraakgeul tussen Walcheren en NoordBeveland, is wellicht toen ontstaan.12

8 Vos et al. 2018. 9 Van Rummelen 1978: 62-64. 10 Van Rummelen 1978: 53. 11 Vos & Van Heeringen 1997: 28. 12 Vos & Van Heeringen 1997: paleogeografische kaart.

15

ARTEFACT RAPPORT 691

GOES WESTERSTRAAT 2

16

ARTEFACT RAPPORT 691

GOES WESTERSTRAAT 2

Figuur 5 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: globale ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018.

17

ARTEFACT RAPPORT 691

GOES WESTERSTRAAT 2

Tot in de Late IJzertijd werd de landschappelijke ontwikkeling voornamelijk bepaald door natuurlijke factoren zoals de morfologie van de ondergrond, de zeespiegelstijging en de gedifferentieerde afzettingen en opslibbing van sediment. Grofweg vanaf de Romeinse tijd ging de antropogene invloed geleidelijk aan een meer bepalende rol spelen in de vorming en afbraak van het landschap.13 De ontwatering van het veen door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes resulteerden in erosie van het oppervlakteveen en inklinken van het veenlandschap. De zee kreeg opnieuw vat op het gebied. De eerste tekenen van overstromingen dateren dan ook al uit de 2de helft van de 2de eeuw. Vanaf het Midden-Subatlanticum (circa 250 n. Chr.) kon de zee ook verder en breder het achterland voorbij de strandwallen instromen, waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstond.14 Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf het deze periode resulteerde in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich hebben ingesneden, zijn zandige pakketten afgezet en de hoger gelegen veengronden zijn afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand kwamen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland overal aan het oppervlak.

Ook de omgeving van het plangebied bestond omstreeks 800 n. Chr. grotendeels uit een langzaam opslibbend kweldergebied met getijdengeulen. De geleidelijk aan droger en stabieler wordende situatie bood nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgden, vond een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt lag op schapenteelt en wolproductie. 15 De bewoners begonnen zich op den duur ook met dijken tegen het water te beschermen; tevens werden nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd. In het nieuw gewonnen land werd naast landbouw ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen kon gebruikt worden bij de productie van zout. Het weggraven van het veen had echter ook een aanzienlijke verlaging van het maaiveld en een erosie van het leefoppervlak tot gevolg.16 De degeneratie van het landschap in de Late Middeleeuwen werd bovendien in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken, wat leidde tot dijkdoorbraken tijdens stormvloeden, waarbij veel land verloren ging. Het oostelijk deel van Zuid-Beveland en meer specifiek Reimerswaal, dat na zware stormen aan het einde van de 16de eeuw onder water kwam te staan, is hiervan de bekendste exponent. Bovendien waren er fundamentele gevolgen voor de hydrografie van Zeeland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14290633/1