CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendapunt 12. Bijlagen bij toelichting bp brandweerpost

Beeldvormende raad 30 maart 2023, gemeente GoesBij agendapunt: Bestemmingsplan Brandweerpost ’s Heer Hendrikskinderendijk27.350 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Figuur 14 Projectie van het plangebied (bij benadering; rode polygoon) op een uitsnede van een plattegrond van Goes, vervaardigd door Hattinga omstreeks 1750. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr 128.

Op de Kadastrale Minuut uit circa 1832 worden voor het eerst de percelen en bebouwing nauwkeurig weergegeven, opgemeten ten behoeve van het heffen van grondbelasting. Deze kaart laat een exacte projectie toe (figuur 15). Op deze kaart is te zien dat het plangebied met twee percelen (gedeeltelijk) overlapt, ook dat er geen bebouwing ter plaatse van of in de directe omgeving aanwezig is. Een groot deel van het plangebied komt overeen met de aangegeven perceelsgrenzen, alleen de zuidwestelijke hoek is sindsdien gehalveerd. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels behoorde het westelijke perceel dat het plangebied maar gedeeltelijk overlapt tot dhr. Gerard de Leeuw, oud­burgemeester. Het perceel staat geregistreerd als bouwland. Het oostelijke perceel waar het plangebied volledig mee overeen komt behoorde tot de koopman Pieter Roetert Tak en stond bekend als weiland. Ook andere percelen uit de directe omgeving staan geregistreerd als bouwland of weiland. Zowel op de kaart van Hattinga als de Kadastrale Minuut is de “Oost Weg” duidelijk te herkennen en lijkt deze onveranderd te zijn. Daarentegen, de kreek of watergang die op oudere kaarten staat aangegeven is hier ook

28

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

aanwezig, maar is rechtgetrokken en komt overeen met de perceelsgrenzen. Het verloop van deze watergang is daarom niet meer met rondingen maar met scherpere bochten afgebeeld.

Figuur 15 Projectie van het plangebied (magenta polygoon) op uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut, omstreeks 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland.

Tot in de 19e eeuw bleef Goes een kleine handelsstad in een hoofdzakelijk agrarische omgeving. In 1868 kreeg Goes een treinverbinding, die echter niet tot industrialisatie leidde. 38 In 1917 kwam de stadsuitbreiding in een stroomversnelling, met de vaststelling door de gemeenteraad van het Bouwplan I en het Bouwplan II. Maar pas in de tweede helft van de 20ste eeuw kende Goes een verregaande stadsuitbreiding door de toename van nieuwe wijken buiten het oude stadsdeel.39 Ter plaatse van het plangebied blijft de situatie voor lange tijd onveranderd. Op figuur 16 is te zien dat er vanaf 1850 al sprake is van een boomgaard binnen het oostelijke perceel waarmee het plangebied overlapt en dit blijft ook zo. Het westelijke perceel wordt tot 1950 aangegeven als weide, daarna ook als boomgaard. Vanaf 1916 is er binnen, of net voorbij de zuidelijke grens van het plangebied sprake van een stenen duiker. Er is ook vanaf 1916 en zeker tegen 1950 sprake van een redelijk niveau van bebouwing aan de ’s­Heer Hendrikskinderendijk ten zuiden van het plangebied. Aan weerszijden van het plangebied verschijnt er pas bebouwing op de kaart van 1985. Ook het uitbreiden van de N664 lijkt het plangebied niet te verstoren.

38 Wilderom 68: 417. 39 Brugman et al. 2011: 40.

29

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

Figuur 16 Projectie van het plangebied (magenta polygoon) op de Topografische Kaarten uit 1850, 1916, 1950, 1968, 1985, 1995 en 2005. Bron: Esri Nederland, Kadaster.

30

ARTEFACT RAPPORT 696

2.3.2

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

Verstoringsgeschiedenis

Bodemloket, Bodeminformatie Op de websites van het Bodemloket40 en Bodemrapportage41 worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van het Bodemloket leert dat ter plaatse van het plangebied in november 2021 en januari 2022 verkennend onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit geconcludeerd is dat het niet ernstig, maar plaatselijk sterk verontreinigd is. Uiteindelijk is er besloten om geen vervolgactie te ondernemen. Daarnaast is er voor het plangebied geen informatie bekend is over saneringen, verontreinigingen of mogelijke ondergrondse tanks. KLIC Langs de oostelijke rand van het plangebied bevindt zich een ondergrondse hoogspanningsleiding, in de overige delen bevinden zich geen kabels en of leidingen. Gegevens (gemeente)archief, opdrachtgever en historische gegevens De websites van het Zeeuws Archief42, Beeldbank de Bevelanden43 en Beeldbank Zeeland44 hebben geen aanvullende informatie opgeleverd omtrent eventuele verstoringen in het plangebied. Ook bij de opdrachtgever zijn geen bijzonderheden bekend. Uit kaartmateriaal blijkt dat delen van het plangebied als boomgaard zijn gebruikt. De doorworteling en bewerking van de grond kan plaatselijk tot verstoringen van onbekende diepte hebben geleid.

Luchtfoto’s Luchtfoto’s uit de jaren ’40 en ’50 van de 20ste eeuw (zie verder) geven geen aanwijzingen voor grootschalige verstoringen. Op deze foto’s is geen bebouwing ter plaatse van het plangebied te herkennen. Zoals ook te zien op het kaartmateriaal blijkt uit de luchtfoto’s ook dat het plangebied in gebruik was als boomgaard, waardoor er daaraan gerelateerde verstoringen te verwachten zijn.

2.4

Archeologische waarden

Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. (Een deel van) de monumententerreinen zijn opgenomen op de gemeentelijke beleidskaarten en benoemd als gemeentelijke monumenten. De wettelijk beschermde monumenten vallen nog steeds onder de bevoegdheid van de RCE. De dichtstbijzijnde terreinen van hoge archeologische waarden zijn de stadskernen van Goes en ’s­Heer Hendrikskinderen, hoewel deze beiden zich op meer dan 700 meter van het plangebied bevinden. Eerder uitgevoerd onderzoek en vondstlocaties Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat binnen het plangebied nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden en dat er evenmin archeologische vondstlocaties bekend zijn. In een straal van 500 m rondom het plangebied zijn echter meerdere onderzoeken uitgevoerd, die in de onderstaande tabel worden opgesomd. De nummers in de linker kolom corresponderen met de groene nummers op figuur 17.

40 www.bodemloket.nl, geraadpleegd op 6 april 2022. 41 https://zeeland.nazca4u.nl/Rapportage/, geraadpleegd op 6 april 2022. 42 https://www.zeeuwsarchief.nl/. 43 https://beeldbankdebevelanden.nl/. 44 https://digitaal.dezb.nl/beeldbank/

31

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

Figuur 17 Onderzoeken en vondstlocaties. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2021. Nr.

Onderzoek nummer

Uitvoerder

Aard en resultaten onderzoek

1

5107109100

Artefact!

Archeologisch booronderzoek ’s­Heer Hendrikskinderenijk 149 (2021). Bij het onderzoek werd vastgesteld dat er sprake is van kleiige jonge getijdenafzettingen – geïnterpreteerd als kwelder­ en komafzettingen – bovenop Hollandveen, bovenop het Laagpakket van Wormer. De bodem was intact en er is een rond 1830 gedempte perceelsloot aangetroffen. Er werden geen vindplaatsen of cultuurlagen vastgesteld, maar vrijwel intact veen aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.

2

2348671100

SOB

Bureauonderzoek met controleboringen (2011). Geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen waargenomen; geen vervolgonderzoek.

3

2462313100

Artefact!

Bureauonderzoek kabeltracé Goes­Neeltje Jans (Windpark Bouwdokken). Er geldt een hoge verwachting op de kreekrug Goes–’s­Heer Hendrikskinderen. Nog geen vervolgonderzoek gepland.

4

4887382100

Artefact!

Archeologisch booronderzoek (2020) ’s­Heer Hendrikskinderen Reconstructie Nieuwe Rijksweg (N664). Er is sprake van kleiige jonge getijdenafzettingen geïnterpreteerd als geulafzettingen en mogelijk plaatselijk doorbraakafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. De bovenzijde van alle boorprofiele (met een dunnere laag in het oosten van het plangebied) bestaat uit opgebrachte en/of geroerde grond. In het westen zijn slootvullingen aangetroffen, in boring 3 is er een bodemvormingslaag of restant van een ouder akkerdek vastgesteld. Het Hollandveen en het Laagpakket van Wormer zijn nergens bereikt en er is geen vervolgonderzoek geadviseerd op basis van de voorgestelde verstoringsdieptes.

32

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

5

4013925100

Artefact!

Archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek (2017). Uit het booronderzoek blijkt dat het toenmalig plangebied gelegen is op kreekrugafzettingen (geulafzettingen, Laagpakket van Walcheren). Deze zandige afzettingen zijn in de top verstoord als gevolg van het gebruik van het plangebied als boomgaard in het verleden. Op de top van de geulafzettingen, hier gelegen tussen 0,22 m +NAP en 0,51 m –NAP (0,75 – 1,20 m –mv), kunnen vindplaatsen uit de vroege en Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd gelegen zijn. Gelet op de in alle boringen vastgestelde verstoring van dit niveau geldt hiervoor slechts een lage verwachting. Er is geen vervolgonderzoek aanbevolen.

6

3978392100

Artefact!

Archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek (2015). Op basis van het onderzoek kan gesteld worden dat binnen het plangebied een hoge verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen uit de vroege en Late Middeleeuwen, in het Laagpakket van Walcheren. Er is vervolgonderzoek aanbevolen bij verstoringen die dieper reiken dan 0,5 m ­mv in het noordwestelijke deel van het plangebied en 1 m ­mv voor het zuidoostelijke deel.

7

4005388100 4005533100

Artefact!

Archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek (2017). In de boringen zijn onder het recente bouwzand vanaf minimaal 0,10 m ­mv (0,23 m +NAP) geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren vastgesteld. In de boringen zijn geen oude akkerlagen en/of cultuurlagen aangetroffen. Tevens zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van bewoning binnen het plangebied. Onder de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren is vanaf minimaal 3,35 m ­mv (2,92 m –NAP) de top van het Hollandveen Laagpakket vastgesteld. Het veen is echter nergens intact aangetroffen. Op basis van het onderzoek kan gesteld worden dat binnen het plangebied een lage verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen. Dit betekent tevens dat de kans zeer klein wordt geacht dat bij de voorziene bodemingrepen (tot 0,80 meter beneden maaiveld) archeologische waarden verstoord zullen worden. Archeologisch vervolgonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

8

3976934100

SOB

Archeologisch booronderzoek (2015). Het onderzoek heeft uitgewezen dat zich hier onder de kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (op een diepte van circa 2 tot 2,4 m ­mv (2,4 ­2,5 m ­NAP) nog intact Hollandveen bevindt. Er is vervolgonderzoek aanbevolen bij bodemingrepen die tot in of onder de bovenzijde van het Hollandveen reiken.

9

3987926100

Artefact!

Archeologisch booronderzoek (2016). De ondergrond ter plaatse van het plangebied bestaat uit een gelaagde opbouw met komafzettingen van het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen op komafzettingen van het Laagpakket van Wormer. Zowel het niveau van het Hollandveen als het Laagpakket van Wormer worden als intact beschouwd. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren lijken enigszins door antropogene activiteiten te zijn aangetast. De lokale verstoringen zijn echter beperkt en kunnen gerelateerd worden aan enerzijds oudere land­ of tuinbouwactiviteiten of anderzijds aan egalisatiewerken of ophoogwerkzaamheden voorafgaand aan de bebouwing in het plangebied. De middelhoge archeologische verwachting voor de Late Middeleeuwen kan op basis van het booronderzoek dan ook naar laag worden bijgesteld. Samenvattend blijft dus enkel een middelhoge archeologische verwachting aanwezig op het niveau van het Hollandveen Laagpakket. De top van dit laagpakket komt in het plangebied voor op een diepte vanaf 1,95 m –NAP (1,9 m –mv). De aard en de omvang van de geplande bodemingrepen in het plangebied zijn van dien aard dat dit niveau niet zal worden geraakt. Vandaar dat voor de geplande ingrepen ter plaatse van het plangebied geen verder archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

10

2228215100

SOB

Archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek (2009). Hierbij is vastgesteld dat het profiel tot een diepte tussen 0,5 en 1,45 m ­mv verstoord is. De ondergrond bestaat hier uit diep reikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Enkel in het noorden van het plangebied is Hollandveen aangetroffen, dit is hier bovenin geërodeerd. Er zijn geen aanwijzingen voor archeologische vindplaatsen vastgesteld, er is geen vervolgonderzoek aanbevolen.

11

4896210100

Artefact!

Archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek (2021). Het plangebied bevindt zich op de rand van een geul van het Laagpakket van Walcheren waar in het zuidelijke deel de oudere niveaus zijn weg geërodeerd. In een deel van de boringen

33

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

is verblauwing aangetroffen waardoor vindplaatsen moeilijk zichtbaar zijn. In een van deze boringen is een ophooglaag onder deze verhardingslaag vastgesteld. Er zijn geen vindplaatsen of verdere archeologische indicatoren aangetroffen, waardoor er geen vervolgonderzoek is geadviseerd. 12

2467685100

Artefact!

Archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek (2015). De boringen laten zien dat de ondergrond vanaf het maaiveld tot vrij diep verstoord is, namelijk tot minimaal 0,60 en maximaal 1,30 m diepte (0,47 en 1,03 m –NAP). Het Laagpakket van Walcheren, waarvan de onverstoorde top tussen 0,47 en 1,03 m –NAP (0,60 – 1,30 m ­mv) gelegen is, bestaat in de onderzijde uit oeverafzettingen. Daarboven zijn komafzettingen aanwezig, uit de verlandingsfase van de genoemde kreek en uit de periode van vóór de bedijking in dit gebied, vóór de aanleg van de Goese Polder. De top van het Hollandveen, hier gelegen tussen 2,72 en 3,03 m –NAP (2,85 – 3,30 m ­mv), is als gevolg van erosie niet meer intact aanwezig. Op basis van het onderzoek kan gesteld worden dat binnen het plangebied een lage verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen. Archeologisch vervolgonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

13

3979753100

SOB

Archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek (2015). Hierbij is vastgesteld dat het profiel tot een diepte tussen 0,5 en 2,9 m ­mv verstoord is. De ondergrond bestaat hier uit geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Het onderliggende Hollandveen is slechts in één boring intact aangetroffen (op 3,95 m ­ mv/ 2,1 m ­NAP). Er is een vervolgonderzoek aanbevolen rondom de boring met intact veen, voor zover de bodemingrepen hier dieper dan 3,5 m ­mv worden voorzien.

14

4036710100

SOB

Archeologisch booronderzoek (2017) Klein Frankrijk. Top van de afzettingen van Duinkerke II blijkt niet intact. Op basis van historische informatie worden geen archeologische resten uit Nieuwe Tijd verwacht. Top Hollandveen is geërodeerd. Top Calais ligt op 3,16 – 3,71 m ­mv/ 2,60 – 3,23 m ­NAP; plaatselijk lijkt hier sprake van een rug. Geen vervolgonderzoek geadviseerd in het kader van voorgenomen werkzaamheden.

15

2423060100

Artefact!

Archeologisch booronderzoek (2013) Klein Frankrijk. Walcheren­inversierug aangetroffen; geulafzettingen hebben top van het Hollandveen geërodeerd. Geen aanwijzingen voor vindplaats, geen vervolgonderzoek geadviseerd.

16

4875767100

SOB

Archeologisch bureau­ en booronderzoek (2020) Klein Frankrijk. Er is sprake van plaatselijk geërodeerd Hollandveen en het plangebied is gelegen aan de rand van een Duinkerke II­kreek. Archeologisch vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

17

2194699100

Archeomedia

Archeologische begeleiding (2008). Rapport is online niet beschikbaar.

18

2183544100

SOB

Archeologisch bureau­ en booronderzoek (2008). Geen aanwijzingen voor archeologische vindplaatsen waargenomen.

19

2049424100

SOB

Archeologisch booronderzoek (2004) Fluitekruidstraat. (Kom­)Afzettingen van Duinkerke II op aangetast Hollandveen op Afzettingen van Calais aangetroffen. Geen bewoningssporen of andere archeologische indicatoren aangetroffen, vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

20

4036427100

Artefact!

Archeologisch booronderzoek (2017) Evertsenstraat – JP Coenstraat. Enkele verstoringen gerelateerd aan Nieuwe Tijdse bebouwing. Daarnaast geen aanwijzingen voor archeologische vindplaatsen of andere indicatoren aangetroffen.

21

4703876100

Econsultancy BV

Archeologisch booronderzoek (2019) Fluitekruitstraat. Het Laagpakket van Walcheren is vrij verstoord aangetroffen, maar het Hollandveen en Laagpakket van Wormer vrijwel intact. Er wordt geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.

22

2480741100

RAAP

Archeologisch booronderzoek (2015) Goes­West. Rapport is niet online beschikbaar.

Bovenstaande onderzoeksgegevens geven aan dat er gering sprake is van een (middel­)hoge archeologische verwachting voor de bovenzijde van het bodemprofiel uit voorgaande onderzoeken. De aangetroffen resten dateren 34

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

uit de Nieuwe Tijd al geldt er plaatselijke ook een verwachting voor de Middeleeuwen (met name ten zuidwesten van het plangebied, langs de zuidelijke zijde van de ’s­Heer Hendrikskinderendijk). Er zijn veelal geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig, waardoor de top van het Hollandveen op verschillende plaatsen is geërodeerd. Waar het veen niet geërodeerd is geldt wel nog een hoge verwachting voor het betreffende niveau. Binnen een straal van 500 meter zijn tevens meerdere vondstlocaties bekend; de nummers in de linker kolom corresponderen met de blauwe nummers op figuur 16. Nr.

Vondst locatie

Datering

Aard van de vondsten

1

1114709

­

Melding van resultaten van onderzoek 2467685100 (nr. 12 in bovenstaande tabel).

2

1088433

NTM­NTL

Roodgeglazuurd aardewerk en baksteenfragmenten, maar ook funderingen aangetroffen op locatie. De funderingen behoren vermoedelijk tot een voormalige Tiendenschuur.

Oudere archeologische resten in de wijdere omgeving In de wijdere omgeving van het plangebied zijn wel resten uit vroegere periodes bekend. Uit de Romeinse Tijd zijn op Zuid­Beveland meerdere resten van veenwinning/­ontginning gevonden. 45 Een belangrijke Romeinse vindplaats op Zuid­Beveland is Ellewoutsdijk, waar meerdere huisplaatsen uit de Romeinse Tijd zijn opgegraven. Bij ’s­Heer Abtskerke zijn ovenstructuren gevonden, waarvan wordt vermoed dat deze werden gebruikt voor de productie van kalkmortel, of wellicht zoutproductie. 46 Uit de Vroege Middeleeuwen kunnen mogelijk resten van kleinschalige bewoning verwacht worden in de vorm van schaapsboerderijen, die verspreid lagen over het schorrengebied. Er werden in deze tijd woonhoogtes opgeworpen; op Zuid­Beveland zijn vroege exemplaren hiervan gevonden in Abbekinderen en Wemeldinge. Overige meldingen Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (mail helpdesk archeologie d.d. 20 april 2022) heeft geen aanvullende informatie opgeleverd met betrekking tot het plangebied. Luchtfotoanalyse Lucht­ en satellietfoto’s kunnen aan de hand van herkenbare soil­ en/of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen in de bodem. Ook kunnen luchtfoto’s aanvullende informatie opleveren omtrent recent gebruik van het plangebied en mogelijke verstoringen.

In het kader van dit onderzoek zijn luchtfoto’s geraadpleegd uit ca. 1944­1945 (RAF; Wageningen University & Research), 1850, 1925 en 1949 (Geoloket Atlas van Zeeland) en satellietfoto’s uit 1959 t/m 2021 (Geoloket Atlas van Zeeland). De luchtfoto uit september 1944 (figuur 18) laat zien dat er ter plaatse van het plangebied geen sprake is van bebouwing, alleen van agrarische activiteit (in dit geval boomgaard). In deze periode behoorde het zuidwestelijke deel dat geen deel uitmaakt van het plangebied nog tot hetzelfde perceel. Pas op de luchtfoto uit 2003 (niet afgebeeld) heeft het perceel zijn huidige vorm en is er in de noordwestelijke hoek een klein gebouwtje aanwezig. Daarnaast is er op luchtfoto’s vanaf 2003 licht merkbaar verschil in de dichtheid tussen de begroeiing in de zuidwestelijke hoek van het plangebied.

45 De Clercq en van Dierendonck 2008: 22; van Heeringen 1995. 46 Van Dierendonck 2012: 48.

35

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

Figuur 18 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op uitsnede van luchtfoto uit september 1944. Bron: WUR.

2.5

Bouw­ en cultuurhistorische waarden

Bouw­ en cultuurhistorische waarden De Gemeente Goes beschikt niet over een bouwhistorische waardenkaart. Om vast te stellen of er binnen het plangebied waardevolle bouwhistorische elementen voorkomen werd het Geoloket Cultuurhistorie47 van de Provincie Zeeland geraadpleegd. Binnen het plangebied worden geen rijksmonumenten, MIP­objecten of historische boerderijen vermeld. In de omgeving komen dergelijke monumenten wel voor zowel ten noorden van de ’s­Heer Hendrikskinderendijk als in de kern van Goes en ’s­Heer Hendrikskinderen. Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog).48 Raadpleging van de kaart leert dat binnen, of direct grenzend aan, het plangebied geen militaire relicten worden weergegeven.

47 https://intgwbp.zeeland.nl/geoloket/?Viewer=Cultuurhistorie.

48

http://www.ikme.nl/ikmekaart.html

36

ARTEFACT RAPPORT 696

2.6

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

Archeologisch verwachtingsmodel

Op basis van deze beschikbare gegevens komen binnen het plangebied verschillende potentieel archeologische niveaus voor. Indien tijdens het bureauonderzoek geen argumenten werden aangetroffen die toelaten de verwachting voor een laagpakket omhoog of omlaag bij te stellen (zoals bijvoorbeeld bekende vindplaatsen in de omgeving, erosieve werking van geul(en)(systemen) of diep reikende verstoringen) wordt de verwachting zoals opgenomen op de gemeentelijke maatregelen­in­lagenkaarten overgenomen. In het plangebied zijn afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), op Hollandveen (Formatie van Nieuwkoop, in het noordelijke deel van het plangebied), op geulafzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) te verwachten. Plaatselijk kan Hollandveen aanwezig zijn vanaf 2,15 tot 3,60 m ­ NAP. Het Laagpakket van Wormer is te verwachten vanaf 3,35 m ­NAP. Er lijkt een zijtak van een fossiele inbraakgeul door het zuidelijke deel van het plangebied te lopen, waardoor de verschillen tussen het noordelijke en zuidelijke gedeelte van het plangebied te verklaren zijn. Het Basisveen Laagpakket en de bovenzijde van het onderliggend Laagpakket van Wierden zijn beiden naar verwachting in grote delen van het plangebied weg geërodeerd bij de vorming van het Laagpakket van Wormer. Waar deze lagen voor komen zijn deze gelegen op een diepte van ruim 11 m ­NAP.

Beide laagpakketten bevinden zich dan ook ruim buiten de mogelijke verstoringsdiepte en zijn met regulier archeologisch onderzoek niet te bereiken en worden verder buiten beschouwing gelaten. Op basis van het gemeentelijk beleid geldt voor het Laagpakket van Wierden een gematigde verwachting voor het Laat­Paleolithicum tot Mesolithicum. Het Basisveen Laagpakket is op de gemeentelijke maatregelen­in­lagenkaarten buiten beschouwing gelaten. Een ontwikkelend veenmoeras was geen geschikte plaats om op te wonen of landbouw te bedrijven. De verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de het Laat­Mesolithicum tot Midden­Neolithicum in die delen van het plangebied waarvoor Basisveen voor komt is dan ook laag. Oud getijdenlandschap ­ Laagpakket van Wormer – Formatie van Naaldwijk Na afloop van de vorming van de marine afzettingen die het Laagpakket van Wormer vormen is in principe bewoning mogelijk. Eventuele bewoning uit het Neolithicum is dan ook te verwachten bovenin deze afzettingen. De verwachting voor dergelijk vindplaatsen in de top van deze afzettingen is in de gemeentelijke maatregelen­in­lagenkaarten deels als hoog benoemd. Deze hoge verwachting is met name van toepassing in gebieden met een zandige afzetting, in gebieden met een kleiige bovenzijde van het pakket is de verwachting laag.

De gebieden met een kleiige afzettingen bovenin het pakket zullen namelijk deel hebben uitgemaakt van slikken­ of wadgebied dat ongunstig was voor bewoning. Daarenboven wijzen de uiterst zeldzame vondsten op dit niveau eerder op een gebruik van dit gebied als jachtgebied dan als woongebied. Eerder onderzoek (opgenomen in het DINO­loket) in de omgeving van het plangebied heeft uitgewezen dat het Laagpakket van Wormer er bovenin veelal uit kleiige afzettingen bestaat die pas op diepte over gaan op zandafzettingen. De kans wordt groot geacht dat dit ook binnen het huidig plangebied het geval zal zijn. De archeologische verwachting voor het betreffende niveau wordt dan ook bijgesteld naar een middelhoge verwachting. Datering

Neolithicum

Complextype Soort vindplaats

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, agrarische productie en voedselvoorziening Vindplaatsen met zowel grondsporen als een vondststrooiing

Omvang

Huisplaats: 500­2.000 m²

37

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Vanaf 3,35 m ­NAP (maar vermoedelijk dieper dan 3,50 m ­NAP)

Locatie

Volledige plangebied

Gaafheid en conservering

Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal

Mogelijke verstoringen

Er heeft naar verwachting geen grootschalige verstoring voorgedaan, anders dan de mogelijke erosie vanuit het Laagpakket van Walcheren.

Veenlandschap – Hollandveen Laagpakket– Formatie van Nieuwkoop Resten uit de Bronstijd tot Midden­IJzertijd kunnen voorkomen in de onderzijde van en het opgaand Hollandveen Laagpakket. Gedurende de Bronstijd en Midden­IJzertijd behoorde het plangebied echter tot een uitgestrekt veenmoeras waar de omstandigheden vermoedelijk te nat en ongunstig waren voor bewoning. Gecombineerd met het ontbreken van vindplaatsen uit deze periode in Zeeland (met uitzondering van het duinengebied in Westenschouwen en het pleistoceen dekzand in Nieuw Namen) wordt de archeologische verwachting voor deze periode laag ingeschat. In de (intacte) top van het Hollandveen kunnen vindplaatsen uit de Late IJzertijd tot en met Romeinse Tijd worden verwacht. De verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit deze periode in de top van het veen wordt op de maatregelen­in­lagenkaarten hoog ingeschat voor het grootste deel van het plangebied. Eerder onderzoek in de onmiddellijke omgeving heeft daarenboven uitgewezen dat het veen er in vele gevallen (maar niet overal) geërodeerd is. Gegevens uit het DINO­loket hebben aanvullend uitgewezen dat dit in het noorden en zuiden van het plangebied met vrijwel zeker het geval is. Op basis van deze resultaten kan de archeologische verwachting voor de bovenzijde van dit pakket dan ook naar beneden bijgesteld worden.

De archeologische verwachting voor resten uit de Late IJzertijd en Romeinse Tijd in de bovenzijde van het Hollandveen wordt dan ook bijgesteld naar en middelhoge verwachting. Indien het veen binnen delen van of het gehele plangebied daadwerkelijk geërodeerd is vervalt de archeologische verwachting voor de Late IJzertijd en Romeinse Tijd ter plaatse van het geërodeerde gebied. Datering

Late IJzertijd – Romeinse Tijd

Complextype

Rurale nederzettingen, grafvelden, sporen gerelateerd aan ambachtelijke activiteiten, infrastructuur

Soort vindplaats

Vindplaatsen met grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels) en houten paaltjes in het veen, bodembewerking in functie van de landbouw; vondststrooiing mogelijk

Omvang

> 200 m2; de omvang van deze vindplaatsen varieert sterk en is afhankelijk van de aard van de vindplaats

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, bewerkt natuursteen, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; mogelijk voorkomen van leef­, cultuur­ of ophooglagen. Tevens bestaat de mogelijkheid dat er houtskool wordt aangetroffen. Nederzettingsterreinen kunnen zich ook vertalen in een zwak heterogene en/of brokkelige, losse structuur in het veen, soms met bijmenging van klei.

Vondstdichtheid

Zeer laag: < 40 per m²

Diepteligging

Vanaf 2,15 m ­NAP

38

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

Locatie

Vrijwel volledig plangebied.

Gaafheid en conservering

Matig: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal maar mogelijk deels aangetast door moernering en/of erosie. Omdat dit (bij aanvang) een relatief organisch rijk en vochtig niveau betreft en dit naderhand in een vochtig zuurstofarm pakket gelegen is zal naar verwachting de conservering van organische materialen redelijk goed zijn. In het noorden mogelijk grotendeels aangetast door mariene erosie. In het zuiden van het plangebied mogelijk volledig weg geërodeerd.

Mogelijke verstoringen

Jong getijdenlandschap ­ Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk Voor de Middeleeuwen is de verwachting op het aantreffen van vindplaatsen op en langs de inversierug in principe hoog. Het is bekend dat de oeverzones van inbraakgeulen geprefereerde vestigingsplekken waren voor bewoning gedurende de Middeleeuwen (vanaf de 10e eeuw). Echter het gebied is tot in de 13e eeuw onbedijkt gebleven, waarbij er zich in het noorden van het plangebied jongere Walcherenafzettingen hebben gevormd bovenop de reeds aanwezige. De verwachting op resten uit de periode voorafgaand aan de 13e eeuw wordt dan ook slechts als laag gezien. Na de bedijking is het gebied gelegen tussen de woonkernen van Goes en ’s­Heer Hendrikskinderen, het maakt geen deel uit van deze woonkernen. De aanwezigheid van geïsoleerde wooneenheden (boerderijen) is echter niet uitgesloten. Eerdere onderzoeken in de onmiddellijke omgeving hebben evenwel geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen uit de Middeleeuwen opgeleverd. Daarbij komt dat er op de historische kaarten geen enkele indicaties zijn voor bewoning in de Nieuwe Tijd. Daarom wordt de archeologische verwachting voor de Middeleeuwen middelhoog geacht en voor de Nieuwe Tijd laag. Datering

Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur (weg), industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening. Vestingwal­ en ­gracht

Soort vindplaats

Vindplaatsen met grondsporen en bouwresten; mogelijk vondststrooiing; Off­site vindplaatsen; Vindplaatsen met een archeologische laag

Omvang

Huisplaats: 500 – 2.000 m2

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef­, cultuur­ of ophooglagen Zeer laag tot hoog: < 40 tot 100 per m²

Vondstdichtheid Diepteligging

Direct onder de bouwvoor of onder antropogene ophooglagen. Vindplaatsen die dateren uit de periode voorafgaand aan de 13e eeuw kunnen zich onder de jongere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren bevinden (in het noorden van het plangebied)

Locatie

Volledige plangebied

Gaafheid en conservering

Matig: goede ontwatering waardoor organische resten en metaal mogelijk slecht geconserveerd zijn als gevolg van de droge omstandigheden

Mogelijke verstoringen

Mogelijk aangetast door boomwortels

39

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

3

Inventariserend veldonderzoek

3.1

Methoden

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO­O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO­O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak49. Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan­ of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen

22

Grid

Verspringend driehoeksgrid

Dichtheid

8 boringen per hectare

Plaats­ en hoogtebepaling

RTK­GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2 cm)

Boorgegevens

Digitaal vastgelegd op iPad

Gebruikte codelijsten ­ standaard

(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)

Boordiepte

Maximaal 4,0 m­mv / 3,36 m­NAP

Gehanteerde boor

Edelmanboor (Ø 7 cm tot circa 1,0 m ­mv), Gutsboor (Ø 3 cm)

Opsporen indicatoren

In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen

Monstername

Geen

Oppervlaktekartering

Geen

Tijdens het beschrijven van de boringen is verder specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken:  de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment  aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen)  de genese van de laag  bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.)  de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op figuur 19, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 4. De maaiveldhoogte in het plangebied bedraagt tussen 0,15 en 1,52 m +NAP, waarbij de laagste waarden zich in het noorden en noordoosten bevinden en de hoogste in het zuiden en zuidoosten. Dit verschil is te relateren aan het verschil in de geologisch profielen dat bij het veldonderzoek is vastgesteld (zie verder).

49 Wattenberghe en Tejero, 26­4­2022: Plan van Aanpak Goes ’s­Heer Hendrikskinderendijk 117, gemeente Goes.

40

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

Figuur 19 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2021.

3.2

Geologie en bodem

De profielen in het plangebied staan in grote mate onder invloed van de brede kreekrug waarop de ’s­Heer Hendrikskinderendijk gelegen is. De zuidelijk gelegen profielen van boringen 18 t.e.m. 22 bestaan dan ook uitsluitend uit kreekbeddingafzettingen. Deze afzettingen worden gevormd door zwak tot stek siltige kalkrijke zanden. Deze zijn bovenin (licht)grijs van kleur en bevatten roestvlekken, onder de reductiegrens betreft dit donkergrijze zanden zonder roestvlekken. Onderin komen ook meer kleilaagjes en veengruis voor. In boringen 18 en 19, die meer naar de flank van de rug toe liggen zijn de zandafzettingen uiterst siltig en/ of kleiig en komt bovenaan het pakket uiterst siltige klei voor. Ten noorden van de boringen met kreekbeddingafzettingen komen in het profiel kreekoeverafzettingen voor. Deze vormen steeds de onderzijde van het Walcherenpakket en bestaan hoofdzakelijk uit kalkrijke matig tot uiterst siltige (plaatselijk zandige) donkergrijze kleien. Deze vertonen zand­ en siltlaagjes, vlekken verspoeld veen en worden onderin soms venig of humeus. In boringen 15 t.e.m. 17, waar het pakket het dikst is komen bovenaan het pakket kleiige uiterst siltige grijze zanden (met kleilaagjes) voor. Het pakket oeverafzettingen is het dikst in het zuiden, ter hoogte van boringen 15 t.e.m. 17 waar deze tot de maximale boordiepte (4 m ­mv, 2,74 tot 2,84 m ­NAP) voor komen.

In de overige boringen wordt het pakket in noordelijke richting geleidelijk dunner (van 1,5 tot minimum 0,2 m) en rust het op het Hollandveen. De onderzijde van de oeverafzettingen is hier aangetroffen op een diepte tussen 1,4 en 2,2 m ­mv (0,57 en 1,32 m ­NAP). De oeverafzettingen ontbreken in de profielen van boringen 1 en 3.

41

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

Bij boringen 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12 en 14 worden de oeverafzettingen afgedekt door kalkarme poelafzettingen van zwak silitge grijze klei. Onderin is deze klei plaatselijk donker van tint en zwak humus, in enkele profielen komt weinig schelpgruis voor. Dezelfde poelafzettingen zijn eveneens aangetroffen in boringen 1 en 3, echter in deze profielen zijn deze rechtstreeks op het Hollandveen afgezet. In boringen 1, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12 en 14 worden de poelafzettingen afgedekt door jongere overgangsafzettingen, bestaande uit matig tot uiterst siltige kalkrijke klei. Deze klei heeft een (licht)grijze tot licht grijsbruine kleur en bevat wat gruis van schelpen en blauwgrijze vlekjes blauwgrijze. De grens tussen deze overgangsafzettingen en de onderliggende poelafzettingen is vrij scherp en situeert zich tussen 0,5 en 1,35 m ­mv (0,43 m + en 0,81 m ­NAP). Dezelfde overgangsafzettingen zijn tevens aangetroffen bovenin de profielen van boringen 11, 13, 15, 16 en 17 waar deze op de oeverafzettingen rusten, op een diepte tussen 1 en 1,95 m ­mv (0,16 m + en 1,04 m ­NAP). Ook hier is de overgang vrij scherp.

Figuur 20 Boorpuntenkaart met de geïnterpreteerde boordata (voor het Laagpakket van Walcheren en Hollandveen). Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors 2021.

Het Hollandveen is aangeboord in boringen 1 tot en met 14 op een diepte tussen 1,4 en 3 m ­mv (1,16 en 2,31 m ­NAP). In boring en 1, 3 en 4 is het veen intact en is een veraarde veentop aanwezig (op een diepte tussen 1,4 en 1,7 m ­mv/ 1,16 en 1,25 m ­NAP), dit wordt hier afgedekt door poelafzettingen in boringen 1 en 3 en oeverafzettingen in boring 4. In de overige boringen is het veen geërodeerd. Het veenpakket bestaat uit bosveen op rietveen, met plaatselijk bovenin wat zegge. De dikte van het veenpakket bedraagt tussen 1,15 en 1,45 bij boringen met een intacte veentop en tussen 0,8 en 1,2 m in de overige boringen. In de meer zuidelijk gelegen boorprofielen ontbreekt het veen in vrijwel alle gevallen binnen de behaalde boordiepte (3,55 tot 4 m ­mv/ 2,03 tot 2,84 m ­NAP), enkel in boring 20 is eveneens

42

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

rietveen bereikt, op een diepte van 3,3 m ­mv (2,36 m ­NAP). Dit geeft aan dat ook in deze zone van het plangebied plaatselijk beneden de behaalde boordiepte mogelijk nog resten van het veen aanwezig kunnen zijn. In alle boringen waar het Hollandveen is aangeboord is tevens het onderliggende Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) bereikt. Dit is aanwezig vanaf een diepte tussen 2,55 en 3,8 m ­mv/ 2,4 en 2,87 m ­NAP. Het betreft wadafzettingen (slik), bestaande uit zwak siltige, matig slappe, kalkloze grijze klei met weinig riet. De bovenzijde van het boorprofiel wordt gevormd door een 30 tot 40 cm dikke bouwvoor. Deze bouwvoor is wat heterogeen van uitzicht, de bovenzijde van de onderliggende Walcherenafzettingen is veelal doorworteld (als gevolg van het historische gebruik als boomgaard). Bij boring 18 is de bouwvoor ven de bovenzijde van het Laagpakket van Walcheren vergraven tot 0,65 m ­mv (0,4 m +NAP).

3.3

Archeologie

In het volledige plangebied komen in de bouwvoor puinspikkels en ­brokjes voor. Deze zijn in enkele boringen ook aanwezig in de (doorwortelde) bovenzijde van het Laagpakket van Walcheren (boringen 3, 8, 9, 14, 21 en 22). Echter zijn aan het maaiveld eveneens grotere baksteen­ en ijsselsteenfragmenten waargenomen, samen met verschillende aardewerkfragmenten, die met uitzondering van enkele fragmenten uit de Late Middeleeuwen, hoofdzakelijk in de Nieuwe Tijd zijn te plaatsen.. Het aardewerk en bouwmateriaal ligt zowel verspreid over de akker alsook in enkele kleine clusters. In de zone tussen boringen 13­14 en 16 bevindt zich bijvoorbeeld een duidelijke puinconcentratie met een straal van circa 10 m. De in de bouwvoor (en plaatselijk) daaronder aangetroffen puinfragmentjes zijn wellicht ook aan deze vondstspreiding aan het maaiveld te relateren. In de geraadpleegde cartografische bronnen zijn echter geen aanwijzingen voor bebouwing in het plangebied aanwezig. De aangetroffen resten kunnen dan ook niet aan een bepaalde gekende bewoningsfase worden gekoppeld. Mogelijk werd er wel puinrijke grond uit de binnenstad opgebracht om historische niveauverschillen te nivelleren.

Uit navraag bij de voormalige eigenaar, die het plangebied in de tweede helft van de 20ste eeuw als boomgaard heeft gebruikt, is wel gebleken dat zij in ieder geval geen grond hebben opgevoerd en verspreid over het terrein. De oorsprong van dit vondstmateriaal blijft vooralsnog onduidelijk. Bij het uitzetten van de boringen is naast dit jongere archeologische vondstmateriaal ook wat ouder aardewerk opgemerkt. Met name in het centrale en zuidelijke deel van het plangebied konden verschillende kleinere fragmenten Volmiddeleeuws aardewerk worden geborgen. Er is geen systematische veldkartering uitgevoerd, maar rond boring 10 werden twee fragmentjes aardewerk uit het Rijnland (roodbeschilderd) of het Duitse Vorgebirge gevonden. Ook rond boring 14 is een gelijkaardig fragmentje gevonden, samen met een stukje grijsbakkend kogelpotaardwerk. Bij boring 16 is aan het oppervlak een fragment in Paffrath­aardewerk aangetroffen. Tot slot werd rond boring 18, naast een stuk Rijnlands/Vorgebirge aardewerk en een stuk kogelpot, een fragment Maaslands geglazuurd aardwerk meegenomen. Deze aardewerkvondsten kunnen wijzen in de richting van een rurale nederzetting uit de 11e eeuw. Net als bij het jongere vondstmateriaal valt niet uit te sluiten dat het opgebracht materiaal betreft.

Gezien de ligging van het plangebied, aan de net hoger gelegen oeverwal van een in de 11e eeuw opsiltende kreekbedding, lijkt het eerder waarschijnlijk dat dit resten zijn van een nederzettingsterrein. Dit wordt overigens bevestigd in het profiel van boring 19. In boring 19 is direct onder de bouwvoor (boven de kreekbeddingafzettingen) een pakket aangetroffen dat als (mogelijke) spoorvulling te interpreteren is. Dit pakket bestaat uit uiterst siltige kalkrijke lichtgrijze klei met zwarte vlekken. In deze klei bevinden zich sporen van verbrande klei en wat verbrand organisch materiaal. Deze laag is aangetroffen op en diepte van 0,4 m ­mv (1,12 m +NAP), de onderzijde ligt op 1,05 m ­mv (0,47 m +NAP).

43

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

4

Conclusie en Advies

4.1

Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen

Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens uit het bureauonderzoek werd een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de onderstaande onderzoeksvragen beantwoord worden en het verwachtingsmodel bijgesteld en verfijnd worden.  Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? De ondergrond bestaat binnen het plangebied uit kleiige afzettingen van het Laagpakket van Wormer (wadafzettingen) met daarop, vanaf een diepte tussen 2,55 en 3,8 m ­mv (2,4 en 2,87 m ­NAP) Hollandveen. Dit Hollandveen is intact (en veraard) bewaard gebleven in boringen 1, 3 en 4 en is er aangetroffen op een diepte tussen 1,4 en 1,7 m ­mv (1,16 en 1,25 m ­NAP). In de overige boringen is het veen bovenin geërodeerd, bij boringen 15­19 en 21­22, mogelijk is hier nog een rest veen aanwezig beneden de maximale boordiepte. Het veen is afgedekt door de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze bestaan in het zuiden uit kreekbeddingafzettingen met ten noorden hiervan kreekoeverafzettingen. In de noordelijke helft van het plangebied zijn de oeverafzettingen minder dik ontwikkeld en worden deze afgedekt door poelafzettingen. In het uiterste noorden komen plaatselijk geen oeverafzettingen voor en rusten de poelafzettingen rechtstreeks op het Hollandveen.

In het centrale deel van het plangebied en in het noordwesten hebben zich in een iets jongere fase overgangsafzettingen gevormd die afgezet zijn bovenop de poel­ en/of oeverafzettingen.  Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Er zijn geen grootschalige antropogene verstoringen van het profiel vastgesteld. Het Laagpakket van Wormer is intact; het Hollandveen is in het grootste deel van het plangebied geërodeerd vanuit het Laagpakket van Walcheren. Enkel bij boringen 1, 3 en 4 is het Hollandveen intact (en veraard). In de bovenzijde van het Laagpakket van Walcheren is er door het gebruik als boomgaard enige verstoring door wortelwerking opgetreden.  Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Aan het maaiveld bevinden zich in het volledige plangebied baksteenfragmenten en aardwerkfragmenten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. In de bouwvoor en bovenzijde van het Laagpakket van Walcheren zijn tevens puinspikkels en ­brokjes aangetroffen. Er zijn geen cartografische aanwijzingen voor de aanwezigheid van bebouwing in de Nieuwe Tijd die als bron voor dit bouwmateriaal (en vondsten) aangeduid kunnen worden.

Anderzijds is er, volgens mondelinge mededeling van de voormalige eigenaar, geen grond opgebracht of aangevoerd in de periode sinds 1950, de aangetroffen materialen zijn dan ook naar verwachting niet toe te schrijven aan een dergelijk externe oorsprong. Ter plaatse van boring 19 is in de bovenzijde van het Laagpakket van Walcheren tevens een mogelijke spoorvulling aangeboord. Deze is aangetroffen onmiddellijk onder bouwvoor (op 0,4 m – mv/ 1,12 m +NAP), de onderzijde ligt op 1,05 m ­mv (0,47 m +NAP).

44

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

 Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? De middelhoge verwachting voor het Neolithicum kan worden bijgesteld naar laag, gezien het aantreffen van kleiige wadafzettingen en rietresten in de top van het Laagpakket van Wormer. Hieruit blijken zeer natte omstandigheden, die het gebied ongeschikt maakten voor bewoning. Voor de Bronstijd t/m Midden­IJzertijd is er geen aanleiding om de lage verwachting voor het opgaand Hollandveen bij te stellen. Voor de Late IJzertijd – Romeinse Tijd kan de middelhoge verwachting worden bijgesteld naar geen verwachting voor het grootse deel van het plangebied, dit gezien de erosie van het Hollandveen Laagpakket vanuit het Laagpakket van Walcheren. Er geldt wel nog steeds een middelhoge verwachting voor het noordoosten en noordwesten van het plangebied (zone rond boringen 2­4 en 3). Hier is namelijk intact veen aangetroffen vanaf een diepte van minimaal 2,5 m ­mv/2,4 m ­NAP.

Voor de Vroege Middeleeuwen is er geen aanleiding om de lage verwachting bij te stellen, er zijn binnen het plangebied in het opgaand Walcherenpakket geen oudere afgedekte cultuurlagen of bodems aangetroffen die als potentieel ouder Middeleeuws archeologisch niveau gezien kunnen worden. Anderzijds dient de verwachting voor resten uit de latere fasen van de Middeleeuwen (na de 13e­eeuwse inpoldering) en Nieuwe Tijd op basis van de aanwezigheid van een mogelijk spoorvulling ter plaatse van boring 19 en de aanwezigheid van vondsten aan het maaiveld in het volledige plangebied, bijgesteld te worden naar een hoge verwachting. Eventuele resten zijn te verwachten vanaf de onderzijde van de bouwvoor (0,3 tot 0,4 m ­mv).

Figuur 21 Verwachtingskaart voor de Late­IJzertijd tot Romeinse Tijd (LIJZ­ROM) de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd (ME­NT). Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2021.

45

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

 Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Er zijn nog geen concrete plannen met daarop de nieuwe situatie beschikbaar, het is dan ook onbekend waar, over welke oppervlakte ne tot welke diepte de bodem verstoord zal worden binnen het plangebied met de realisatie van de nieuwe brandweerkazerne.  Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd? Het plangebied is niet in voldoende mate onderzocht. Of en waar vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht wordt nader toegelicht in onderstaande hoofdstuk.

4.2

Advies

In bovenstaande hoofdstukken wordt het archeologisch potentieel binnen het plangebied geïllustreerd. Daaruit blijkt dat:  binnen het volledige plangebied een hoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd vanaf de onderzijde van de bouwvoor  een middelhoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de Late IJzertijd en Romeinse Tijd in het noordoosten en noordwesten van het plangebied (paars op figuur 21). Om het inrichtingsplan mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. De resultaten van het voorliggende onderzoek laten niet toe om de dubbelbestemming te verwijderen. Om de mogelijk aanwezige archeologische waarden planologisch te beschermen wordt geadviseerd om in het nieuwe bestemmingsplan een dubbelbestemming waarde archeologie 2 op te nemen met vrijstellingsgrenzen van 250 vierkante meter en 0,40 m­ mv.50 De exacte bodemverstoringen (locatie, oppervlak, diepte) die met de nieuwe inrichting gepaard gaan zijn nog niet bekend. Indien binnen het plangebied graafwerkzaamheden plaatsvinden die de bovengenoemde vrijstellingsgrenzen overschrijden wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Conform de AMZ­cyclus (Archeologische Monumenten Zorg cyclus) dient het vervolgonderzoek te bestaan uit een karterend en/of waarderend inventariserend veldonderzoek.

Gezien de aard van de verwachte vindplaatsen (middelgrote tot grote vindplaatsen met grondsporen, wellicht zonder vondstenlaag) is het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (karterende en waarderende fase) de meest geschikte onderzoeksmethode. Tijdens een dergelijk gravend onderzoek kan de daadwerkelijke aan­ of afwezigheid van vindplaatsen, en de behoudenswaardigheid daarvan, vastgesteld worden. Op basis daarvan kan de bevoegde overheid een selectiebesluit nemen: vrijgeven, behoud in situ of opgraven. Indien uit een proefsleuvenonderzoek blijkt dat binnen het plangebied geen (behoudenswaardige) vindplaatsen aanwezig zijn dan kan de dubbelbestemming worden verwijderd. Voorafgaand aan het Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat ter beoordeling en goedkeuring moet worden voorgelegd aan de bevoegde overheid.

50 Op de maatregelen­in­lagenkaarten van het vigerende beleid valt het gehele plangebied binnen categorie 4 (hoge 46 verwachting). Dit wordt in de bestemmingsplannen opgenomen als dubbelbestemming waarde archeologie 2. In zones met waarde archeologie 2 geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 vierkante meter en dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld.

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

Lijst met figuren Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2021. ........................................ 7 Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2021. .............................................................................................................................................. 9 Figuur 3 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de luchtfoto (2020). Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl. ..................................................................................................................................................... 12 Figuur 4 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018................ 16 Figuur 5 Plangebied (rode polygoon) met een selectie van nabijgelegen DINO­boringen (genummerde blauwe stippen), geprojecteerd op een uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1978a............................... 18 Figuur 6 Bodemkaart van het “Noordwestelijke deel van Zuid­Beveland”. Bron: Steur, Ovaa en de Buck, 1957. ........ 20 Figuur 7 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus en de Lange 1986.

.................................................................................................................. 21 Figuur 8 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter­raster DTM). ............................................................................................................ 22 Figuur 9 Bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster) .......... 23 Figuur 10 Uitsnede uit een 17de­eeuwse kopie van de zgn. kaart van Gwijde van Dampierre uit 1274. Goes is met een rode cirkel aangeduid. Bron: Kaartenverzameling RAG/P. De Reu: BE­A0514/065­7. ................................................ 24 Figuur 11 Projectie van het plangebied (rode polygoon; bij benadering) op een uitsnede van een plattegrond van Goes, vervaardigd door Van Deventer omstreeks 1575...............................................................................................25 Figuur 12 Uitsnede van Ostium Scaldis door Christiaan Sgrooten, 1573. De globale ligging van het plangebied is aangegeven met een rode pijl. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België. .................................................................. 26 Figuur 13 Projectie van het plangebied (bij benadering; rode cirkel) op een uitsnede van de kaart van Zeeland, door Visscher­Roman uit circa 1650.

Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland. .................................................... 27 Figuur 14 Projectie van het plangebied (bij benadering; rode polygoon) op een uitsnede van een plattegrond van Goes, vervaardigd door Hattinga omstreeks 1750. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr 128. ........................ 28 Figuur 15 Projectie van het plangebied (magenta polygoon) op uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut, omstreeks 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland. ................................................................................................. 29 Figuur 16 Projectie van het plangebied (magenta polygoon) op de Topografische Kaarten uit 1850, 1916, 1950, 1968, 1985, 1995 en 2005. Bron: Esri Nederland, Kadaster. ................................................................................................. 30 Figuur 17 Onderzoeken en vondstlocaties. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2021. ..................................................................................................................................................... 32 Figuur 18 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op uitsnede van luchtfoto uit september 1944. Bron: WUR.36 Figuur 19 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2021.

..................................................................................................................................................... 41 Figuur 20 Boorpuntenkaart met de geïnterpreteerde boordata (voor het Laagpakket van Walcheren en Hollandveen). Bron ondergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors 2021. .................................................................... 42 Figuur 21 Verwachtingskaart voor de Late­IJzertijd tot Romeinse Tijd (LIJZ­ROM) de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd (ME­NT). Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2021. .........................................................................45

47

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

Bronnen Literatuur Alkemade, M., R.M. van Heeringen & W.A.M. Hessing, 2011. Archeologiebeleid gemeente Goes. Deel A: Beleidsnota archeologie, Vestigia­rapport V703­A, Amersfoort. Bazen, M.A.,1987. Bodemkaart van Nederland schaal 1: 50.000, Toelichting bij de kaartbladen 48 Oost Middelburg en 49 West Bergen op Zoom. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Brugman, B.A., R.M. van Heeringen en R. Schrijvers, 2011. Archeologiebeleid gemeente Goes. Deel B: Toelichting beleidskaart, Vestigia­rapport V703­B, Amersfoort. Brus, D.J. en G.W. de Lange, 1986. Geomofologische Kaart van Nederland, kaartblad 48 (gedeeltelijke) – 42 (gedeeltelijk) – 47 (gedeeltelijk) Middelburg – Zierikzee ­ Cadzand, Schaal 1:50.000. Wageningen, Stichting voor Bodemkartering. de Clercq, W. en R. M. van Dierendonck, 2008. Extrema Galliarum, Zeeland en Noordwest­Vlaanderen in het Imperium Romanum. Zeeuws Tijdschrift, 58/3­4, 5­34. Coen, I., 2008. De eeuwige Schelde? Ontstaan en ontwikkeling van de Schelde. Borgerhout. Dekker, C., 1971. Zuid­Beveland: de historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de Middeleeuwen, Van Gorcum, Assen. Dekker C., 2002. Een Schamele Landstede, Geschiedenis van Goes tot aan de Satisfactie in 1577. De Koperen Tuin, Goes. Delporte, F.M.J., 2020. 's­Heer Hendrikskinderen Reconstructie Nieuwe Rijksweg (N664).

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen, Artefact! Rapport 579, Zaamslag. van Dierendonck, R.M., 2012. Romeinse Tijd, in: P. Brusse en P. Henderickx, (eds.). De Geschiedenis van Zeeland, prehistorie ­ 1500. W­Books, Zwolle, 42­55. van Heeringen, R.M., 1995. Zeeland between Nehalennia and the Goths, in: Lodewijckx M., (red.). Archaeological and Historical aspects of Wes­European Societies, Album Amicorum André Van Doorselaer. Leuven University Press, Leuven, p. 255­262. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1, 19 februari 2018, Stichting Infrastructuur en Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Mulder, E.F.J. de, T. Kuijt en M.G.F.M. van der Aa, 2003. De ondergrond van Nederland. Wolters­Noordhoff, Groningen. Provinciaal Blad van Zeeland, nr. 8080, 2019. Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 10 december 2019, kenmerk 19434306, houdende vaststelling regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. Provincie Zeeland, 2017. Wie wat bewaart, die heeft wat. Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017­ 2020. Middelburg.

48

ARTEFACT RAPPORT 696

GOES ’S­HEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117

Van Rummelen, F.F.F.E., 1978a. Geologische Kaart van Nederland, Beveland, 1:50.000. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Van Rummelen, F.F.F.E., 1978. Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland, Beveland, 1:50.000. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Steur, G.G.L. I. Ovaa en J. de Buck, 1957. De bodemgesteldheid van het noordwestelijk deel van Zuid­Beveland (Wolfaartsdijk, c.a.). Stiboka rapport nr. 458, Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Vos, P.C. and R.M. van Heeringen, 1997. Holocene geology and occupation history of the province of Zeeland (SW Netherlands), in: Fischer, M.M., Holocene evolutions of Zeeland (SW Netherlands), Mededelingen Nederlands Instituut voor Toegapaste Geowetenschappen TNO, 59, 5­109. Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans, 2018. Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Prometheus, Amsterdam. Wattenberghe, J.E.M. en K. Tejero, 2022. Plan van Aanpak, Goes ’s­Heer hendrikskinderendijk 117, gemeente Goes. Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Intern document Artefact, Zaamslag. Wilderom M.H., 1968. Tussen afsluitdammen en deltadijken. Deel 3: Midden Zeeland (Walcheren en Zuid­Beveland), Vlissingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12526895/1