Agendapunt 12. Bijlagen bij toelichting bp brandweerpost
Tekst van het document
Brandweerpost 's-Heer Hendrikskinderendijk 117 Goes Bestemmingsplan Vastgesteld adviseurs • ingenieurs • openbare ruimte
COLOFON Documentgegevens Titel Rapportnummer Datum Status IMRO Gemeente
Brandweerpost 's-Heer Hendrikskinderendijk 117 Goes 000799 01-02-2023 vastgesteld NL.IMRO.0664.BPGP03-VG99 Goes
Opdrachtnemer Naam Adresgegevens Auteur(s) Contactgegevens
Juust Goessestraatweg 17A 4421 AD Kapelle Janita van Gastel | Rudi Lems +31(0)113 405 051
Brandweerpost 's-Heer Hendrikskinderendijk 117 Goes
Inhoudsopgave Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Archeologisch onderzoek
4
Bijlage 2
Bodemonderzoek
88
Bijlage 3
Aanmeldnotitie m.e.r.
282
Bijlage 4
Stikstofberekening
292
Bijlage 5
Quickscan flora en fauna
313
Bijlage 6
Antwoordnota
322
Juust
2
Brandweerpost 's-Heer Hendrikskinderendijk 117 Goes
Bijlagen bij toelichting
Juust
3
Brandweerpost 's-Heer Hendrikskinderendijk 117 Goes
Bijlage 1 Archeologisch onderzoek
Juust
4
Brandweerpost 's-Heer Hendrikskinderendijk 117 Goes
ARTEFACT! RAPPORT 696
Goes ’s-Heer Hendrikskinderendijk 117 Gemeente Goes Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
K. Tejero F.M.J.Delporte
Colofon Titel
Goes ’sHeer Hendrikskinderendijk 117. Gemeente Goes. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
Auteur(s)
K. Tejero MA en F.M.J. Delporte
Artefact rapport
AR696
Status rapport
Definitief Voorliggend rapport werd beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.
Datum
28 september 2022
Projectcode
2022ART23
Projectleider veldwerk
F.G.R. D’hondt (Senior KNA Prospector)
Projectmedewerker(s)
F.G.R. D’hondt en F.M.J. Delporte (veldwerk)
ISSN
2213 7424
Autorisatie
Naam
J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Prospector)
Paraaf
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefactinfo.nl W www.artefactinfo.nl
© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V., 2022 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................................. 4 Administratieve Gegevens ...........................................................................................................................................5
1
Inleiding ........................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek ..................................................................................................................... 7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen .............................................................................................8 1.3 Wettelijk kader en beleid ........................................................................................................................... 10 1.4 Plangebied en planvorming ....................................................................................................................... 11
2
Archeologisch bureauonderzoek....................................................................................... 13 2.1 Methoden .................................................................................................................................................. 13 2.2 Landschap en geologie .............................................................................................................................. 14 2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling ..................................................................................................... 14
2.2.2
Aardkundige waarden .................................................................................................................. 17
2.3 Historie ...................................................................................................................................................... 23 2.3.1
Historischgeografische ontwikkeling ........................................................................................... 23
2.3.2
Verstoringsgeschiedenis ............................................................................................................... 31
2.4 Archeologische waarden ........................................................................................................................... 31 2.5 Bouw en cultuurhistorische waarden ........................................................................................................ 36 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................................ 37
3
Inventariserend veldonderzoek ........................................................................................ 40 3.1 Methoden ..................................................................................................................................................40 3.2 Geologie en bodem ................................................................................................................................... 41 3.3 Archeologie ............................................................................................................................................... 43
4
Conclusie en Advies ......................................................................................................... 44 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen ........................................................................................... 44 4.2 Advies .......................................................................................................................................................46
Lijst met figuren ........................................................................................................................................................ 47 Bronnen .................................................................................................................................................................... 48
Bijlage 1
AMZcyclus ..........................................................................................................................................50
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst en afkortingen .............................................................................................. 51
Bijlage 3
Tijdstabel .............................................................................................................................................52
Bijlage 4
Boorstaten ...........................................................................................................................................54
Bijlage 5
Vondstenlijst ........................................................................................................................................ 55
3
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Samenvatting De Gemeente Goes heeft het voornemen om een nieuwe brandweerkazerne te realiseren aan de ’sHeer Hendrikskinderendijk 117 te Goes. Het achterliggende terrein wordt als groene bufferzone behouden en wordt ingericht als fruittuin, natuurgebied en wandel en/of vlindergebied met poelen. Het plangebied omvat een perceel dat kadastraal bekend staat onder Gemeente Goes, Sectie W, Perceel 255 en beslaat een oppervlakte van 28.025 vierkante meter. De geplande nieuwe inrichting van het gebied past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Om de realisatie van de plannen mogelijk te maken wordt dan ook een aanvraag tot een bestemmingsplanwijziging voorbereid. In het kader hiervan heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden dat: In het plangebied de bodemopbouw in het algemeen bestaat uit afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (kreekbedding, kreekoever en poelafzettingen, deels afgedekt door jongere overgangsafzettingen) op Hollandveen op afzettingen van het Laagpakket van Wormer; Het Hollandveen slechts in het noordoosten en noordwesten van het plangebied intact bewaard gebleven is en in de overige delen van het plangebied aangetast is door erosie; In het noordwesten en noordoosten van het plangebied (paars op figuur 21) dan ook een middelhoge verwachting geldt voor resten uit de Late IJzertijd en Romeinse Tijd op het niveau van het Hollandveen (vanaf een diepte van minimaal 2,5 m mv/2,4 m NAP); Er aan het maaiveld binnen het volledige plangebied archeologische resten (puin en aardewerk) uit de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd aangetroffen zijn en in één boring tevens de mogelijke vulling van een grondspoor uit deze periode; Er voor het volledige plangebied dan ook een hoge verwachting geldt voor resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Deze resten bevinden zich naar verwachting onmiddellijk onder de bouwvoor. Dit betekent dat de dubbelbestemming waarde archeologie niet kan worden verwijderd.
Om de mogelijk aanwezige archeologische waarden planologisch te beschermen wordt geadviseerd om in het nieuwe bestemmingsplan een dubbelbestemming waarde archeologie 2 op te nemen met vrijstellingsgrenzen van 250 vierkante meter en 0,40 m mv, een en ander conform het huidige archeologiebeleid. De exacte bodemverstoringen (locatie, oppervlak, diepte) die met de nieuwe inrichting gepaard gaan zijn nog niet bekend. Indien binnen het plangebied graafwerkzaamheden plaatsvinden die de bovengenoemde vrijstellingsgrenzen overschrijden wordt archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (karterende en waarderende fase) noodzakelijk geacht. Tijdens een dergelijke gravend onderzoek kan de daadwerkelijke aan of afwezigheid van vindplaatsen, en de behoudenswaardigheid daarvan, vastgesteld worden. Op basis daarvan kan de bevoegde overheid een selectiebesluit nemen: vrijgeven, behoud in situ of opgraven. Indien uit een proefsleuvenonderzoek blijkt dat binnen het plangebied geen (behoudenswaardige) vindplaatsen aanwezig zijn dan kan de dubbelbestemming worden verwijderd.
4
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Administratieve Gegevens Projectnaam
Goes ’sHeer Hendrikskinderendijk 117
Onderzoeksvorm
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
LOCATIE Provincie
Zeeland
Gemeente
Goes
Plaats
Goes
Adres / Locatie
’sHeer Hendrikskinderendijk 117, 4461 EB Goes
Hoekpunten coördinaten RD
ZO: 49.976/391.870 ZW: 49.891/391.844
Centrum coördinaat RD
49.897 / 392.006
Kaartblad
65G
Kadastraal perceel
Gemeente Goes, Sectie W, Perceel 255
Oppervlakte plangebied
28.025 m²
Vigerende bestemmingsplan
Buitengebied (2010) Gemeente Goes; enkelbestemming Agrarisch met waarden; dubbelbestemming waarde archeologie 1 (100 m2 /0,40 meter beneden maaiveld mv)
NO: 49.924/392.137 NW: 49.818/392.121
BEKENDE WAARDEN Gemeentelijk beleid
Geen
AMKterrein
Geen
Archis vondstlocatie
Geen
Zeeuws Archeologisch Depot
Geen (mail helpdesk d.d. 20042022)
OPDRACHTGEVER Naam
Juust
Contactpersoon
Dhr. R. Lems
Adres
Goessestraatweg 17a, 4421 AD Kapelle
Telefoon
+31(0)610325841
rudi@juust.nl
BEVOEGDE OVERHEID Naam
Gemeente Goes, College van Burgemeester en Wethouders
Contactpersoon
Dhr. A. Dorleijn
Adres
Postbus 2118, 4460 MC Goes
Telefoon
0113 249714
a.dorleijn@goes.nl
5
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam
Erfgoed Zeeland
Contactpersoon
Dhr. KJ. R. Kerckhaert
Adres
Postbus 49, 4330 AA Middelburg
Telefoon
0113 249715
kjr.kerckhaert@erfgoedzeeland.nl
BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam
Zeeuws Archeologisch Depot
Contactpersoon
dhr. J.J. H. van den Berg
Adres Telefoon
Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618
jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl
Edepot
EDNA (EDepot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)
UITVOERDER Naam
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V.
Contactpersoon
dhr. J.E.M. Wattenberghe
Adres
Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag
Telefoon
0115 851614
janwattenberghe@artefactinfo.nl
Certificaat
ARC010/2 BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004
ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding
Bestemmingsplanwijziging
Begin/einddatum veldwerk
28042022
Projectnummer Artefact
2022ART23
Archis onderzoeksmelding
5219295100
Vindplaats(en)
6
ARTEFACT RAPPORT 696
1
Inleiding
1.1
Aanleiding van het onderzoek
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
De Gemeente Goes heeft het voornemen om een nieuwe brandweerkazerne te realiseren aan de ’sHeer Hendrikskinderendijk 117 te Goes. Het achterliggende terrein wordt als groene bufferzone behouden en wordt ingericht als fruittuin, natuurgebied en wandel en/of vlindergebied met poelen. Het plangebied omvat een perceel dat kadastraal bekend staat onder Gemeente Goes, Sectie W, Perceel 255 en beslaat een oppervlakte van 28.025 vierkante meter (figuren 1 t/m 3).
Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2021.
Het perceel is binnen bestemmingsplan Buitengebied (2010) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Agrarisch met waarden. Mogelijke aanwezige archeologische waarden worden in het zuidelijke deel van het plangebied planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 1. Binnen dit deel van het plangebied geldt daarom een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 100 vierkante meter en dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld. Voor het noordelijke deel geldt geen dubbelbestemming. Het actuele archeologiebeleid van de gemeente Goes werd echter pas in 2011 vastgesteld en is nog niet verankerd in het bovengenoemde bestemmingsplan. Op de maatregeleninlagenkaarten van dit herziene beleid valt het gehele plangebied binnen categorie 4 (hoge verwachting). Dit impliceert dat in een nieuw bestemmingsplan een dubbelbestemming waarde archeologie 2 moet worden opgenomen. In zones met waarde archeologie 2 geldt een 7
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 vierkante meter en dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de plannen mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. In het kader hiervan dient een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd (voor het gehele plangebied).
1.2
Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen
Conform de AMZ cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied.
Dit omvat de aan of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO proefsleuvenonderzoek (IVOP waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVOoverig (IVOO waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geoarcheologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen.
Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats
1 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4.
8
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden.2 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming.
Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2021.
Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVOO, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20193 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Daarbij dienen volgende vragen te worden beantwoord: Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld?
2 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.45. 3 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
9
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?
1.3
Wettelijk kader en beleid
Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 20172020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 4 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt.
Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 20172020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: Basale harde gegevens en diachrone datasets Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen Uitwerking oud archeologisch onderzoek Verdronken land en dorpen Onderzoek naar infrastructuur Verdedigingswerken in Zeeland Boerderijen en rurale nederzettingen Voedseleconomie van stad en platteland Religieuze en rituele verschijningsvormen Scheeps en onderwaterarcheologie Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 5 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007, de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in
4 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. 5 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
10
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
de ruimtelijke ordening. Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) zijn de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning. Het gemeentelijke beleid van Goes werd in 2011 door Vestigia B.V. opgesteld en vervolgens in 2012 door het College van Burgemeester en Wethouders vastgesteld. 6 In de beleidsnota van de gemeente is geconcludeerd dat de gemeentelijke ondergrond in vier archeologisch relevante lagen kan worden onderverdeeld. Op de hieruit volgende archeologische maatregelenkaarteninlagen is de archeologische waarde bepaald op basis van bekende landschappelijke en bodemkundige informatie, archeologische waarnemingen en bekende vindplaatsen. Elk van de vastgestelde categorieën vertegenwoordigt een bepaalde archeologische waarde of –wanneer de waarde nog niet is vastgesteld– een archeologische verwachting. Op basis van de vigerende gemeentelijke archeologische maatregelenkaartinlagen geldt voor het plangebied: Een hoge verwachting voor het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk); een hoge verwachting voor het niveau van het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop); een hoge verwachting voor het niveau van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk); een gematigde verwachting voor het Pleistoceen (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel).
Het gemeentelijk beleid is meegenomen in de sinds 2012 opgestelde bestemmingsplannen waarbij gebieden met een archeologische waarde of verwachtingswaarde planologische bescherming hebben gekregen. De vrijstellingsgrenzen werden toegekend op basis van de (verwachtings)waarde. Als deze ondergrenzen worden overschreden, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden.
1.4
Plangebied en planvorming
Het plangebied (figuren 2 en 3) ligt aan de ’sHeer Hendrikskinderendijk 117 te Goes (Gemeente Goes). Het bevindt zich ten (noord)westen van de oude stadskern, direct ten noorden van de ’sHeer Hendrikskinderendijk,. Het plangebied omvat één perceel, dat kadastraal bekend staat onder Gemeente Goes, Sectie W, Perceel 255 en beslaat een oppervlakte van 28.025 m2. Aan de oost en zuidzijde is het plangebied omrand door een watergang (Perceel 153). Het noordelijke deel is omgeven door een perceel met akkerland (Perceel 151) en twee percelen boomgaard (Percelen 155 en 3827). Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan bedrijfsterreinen; Gebr. Weststrate B.V. aan de westkant en bedrijventerrein De Goese Poort aan de oostzijde. Het plangebied is momenteel in gebruik als akker en is via een oprijlaan verbonden met de Puyeweg. In de noordwestelijke hoek van het perceel is bebouwing aanwezig (dit betreft een vrijstaande woonwagen, er is dan ook geen sprake van ondergrondse structuren). De initiatiefnemer is voornemens om ter plekke een nieuwe brandweerkazerne te realiseren, waarbij het achterliggende terrein als groene bufferzone wordt behouden. Concrete plannen van de nieuwe situatie en gegevens over de omvang van de geplande (graaf)werkzaamheden zijn nog niet beschikbaar.
6 Alkemade et al. 2011.
11
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Figuur 3 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de luchtfoto (2020). Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl.
12
ARTEFACT RAPPORT 696
2
Archeologisch bureauonderzoek
2.1
Methoden
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.7 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap
Specificatie
Hoofdstuk
Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik
LS01
1.4
Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid
LS01
1.3
Beschrijven huidig gebruik
LS02
1.4
Beschrijven historische situatie
LS03
2.3.1
Beschrijven mogelijke verstoringen
LS03
2.3.2
Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond
LS020304
2.5
Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken
LS04
2.2.2
Beschrijven bekende archeologische kenmerken
LS04
2.4
Opstellen gespecificeerde verwachting
LS05
2.6
Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. (Landelijke en regionale) bodem, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten Paleogeografische kaarten Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) (Specialistische) literatuur Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, nietgesprongen explosieven Lucht en satellietfoto’s Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten Gemeentelijk en/of provinciaal archief Archeologische Monumenten Kaart (AMK) Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Gemeentelijke verwachtings en beleidskaarten Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn Provinciaal depot:
archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)
7 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
13
ARTEFACT RAPPORT 696
2.2
Landschap en geologie
2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling8
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Omdat in beginsel de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen grotendeels te herleiden zijn vanuit de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan geschetst worden aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos et al. zijn gepubliceerd.9 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur 4. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het Boreaal (circa 8.400 – 6.950 v. Chr.) steeg de zeespiegel en begon het pleistocene zandlandschap langzaam te vernatten. Plantaardig materiaal werd als gevolg van het stijgende waterniveau niet meer afgebroken.
Eerst op de lagergelegen delen, maar later ook hogerop in het landschap, groeide een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als Basisveen (Formatie van Nieuwkoop). Deze veengroei deed zich eerst voor in het westen van Zeeland, maar de grens verschoof door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk in oostelijke richting. Aan het veenvormingsproces kwam een einde in het Midden tot LaatAtlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). 10 Gaandeweg werd door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking de strandbarrière die het veenlandschap van de zee afschermde, opgeruimd en liep het noordelijke deel van Zeeland onder water. Hierbij ontstond een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Grote delen van het oude pleistocene landschap en Basisveen werden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die in dit getijdengebied gevormd zijn, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden. 11 In deze periode liep in de omgeving van het plangebied de oude Schelde in noordelijke richting. Vanaf het Subboreaal stagneerde de stijging van de zeespiegel in die mate dat de sedimentatie en de stijging elkaar in balans hielden. Er zetten zich hierbij meer kleiige sedimenten af. Deze klei is slap en bevat veel rietwortels.
Op de hoger opgeslibde kwelders groeide een dichte rietvegetatie in het getijdengebied. Op de getijdenafzettingen ging zich opnieuw veen vormen, zodat er vanaf het MiddenSubboreaal (3.100 v. Chr.) een quasi gesloten kustbarrière van strandwallen ontstond met daarachter een groot veenlandschap, bestaande uit een veenmoeras met kleine vennen en veenstroompjes. 12 Geologisch wordt dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Ook het plangebied maakte deel uit van dit veenlandschap. De Schelde had haar loop ten opzichte van het plangebied verlegd in zuidwestelijke richting. De rivier liep nu meer richting het noordwesten. Het veenmilieu veranderde in het Subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof en kon opgroeien tot ruim boven NAP. Omstreeks 500 v. Chr. bereikte het veenkussen zijn maximale omvang. Daarna trad een geleidelijk verval in. Water uit dit veengebied zocht zijn weg richting de zee in steeds breder wordende geulen. Hierdoor werd de mariene invloed op het achterliggende land opnieuw geactiveerd. Tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle, op Walcheren, doorbrak het water de strandwal en ontstond er een sluftergebied met een veelvoud aan smalle geulen die de verbinding tussen het veengebied en de zee versterkten.
Het Veerse Gat, de inbraakgeul tussen Walcheren en NoordBeveland, is in oorsprong wellicht ook in deze periode ontstaan.13
8 Deze paragraaf is grotendeels gebaseerd op, en deels overgenomen uit, eerdere bureauonderzoeken van Artefact in de
omgeving van onderhavig plangebied. 9 Vos et al. 2018. 10 Van Rummelen 1978: 6264. 11 Van Rummelen 1978: 53. 12 Vos and van Heeringen 1997: 28. 13 Vos and van Heeringen 1997: paleogeografische kaart.
14
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
15
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Figuur 4 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018.
16
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Tot in de Late IJzertijd werd de landschappelijke ontwikkeling voornamelijk bepaald door natuurlijke factoren zoals de morfologie van de ondergrond, de zeespiegelstijging en de gedifferentieerde afzettingen en opslibbing van sediment. Grofweg vanaf de Romeinse Tijd ging de antropogene invloed geleidelijk aan een meer bepalende rol spelen in de vorming en afbraak van het landschap. De ontwatering van het veen door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes resulteerden in erosie van het oppervlakteveen en inklinken van het veenlandschap. De zee kreeg opnieuw vat op het gebied. De eerste tekenen van overstromingen dateren dan ook al uit de tweede helft van de 2e eeuw. Vanaf het MiddenSubatlanticum (circa 250 n. Chr.) kon de zee ook verder en breder het achterland voorbij de strandwallen instromen, waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstond.14 Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf deze periode resulteerde in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich insneden, werden zandige pakketten afgezet. De hoger gelegen veengronden werden afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand kwamen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland aan het oppervlak.
Ook de omgeving van het plangebied bestond omstreeks 800 n. Chr. grotendeels uit een langzaam opslibbend kweldergebied. De geleidelijk aan droger en stabieler wordende situatie bood nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgden, vond dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt lag op schapenteelt en wolproductie. De bewoners begonnen zich ook met grootschalige bedijkingen tegen het water te beschermen. Tevens werden nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd. In het nieuwgewonnen land werd naast landbouw en veeteelt ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen werd namelijk gebruikt voor de productie van zout. Het weggraven van het veen had echter ook een aanzienlijke verlaging van het maaiveld en erosie van het leefoppervlak tot gevolg. 15 De degeneratie van het landschap in de Late Middeleeuwen werd nog eens in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken, hetgeen leidde tot dijkdoorbraken tijdens stormvloeden, waarbij veel land weer verloren ging. Het bekendste voorbeeld is het verdronken land van Zuid Beveland, dat na zware stormen in de 16e eeuw onder water kwam te staan. Dit had ook fundamentele gevolgen voor de hydrografie van Zeeland. De hoofdstroom van de Schelde, die tot dat ogenblik steeds via het Kreekrak en de Oosterschelde zijn weg naar de zee had gevonden, verlegde zich zuidwaarts naar de Westerschelde.
Al eeuwen drong deze zeearm verder binnen in het land, maar door de plots ontstane ruimte die het water kreeg op de verdronken Bevelanden kon de Westerschelde de laatste barrière opruimen en zich ontwikkelen tot zijn huidige dimensies.16
2.2.2
Aardkundige waarden
Geologie Op de Geologische overzichtskaart van Nederland17 (niet afgebeeld) is het plangebied te situeren binnen een gebied met code Na7. Dit duidt op de aanwezigheid van mariene zeeklei en zandafzettingen behorende tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), met inschakelingen van veen behorend tot de Formatie van Nieuwkoop. Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland18 (figuur 5) is het zuidelijke deel van het plangebied (ongeveer twee derde van het totale plangebied) gesitueerd in een bruingroen gekleurde en met horizontale streepjes aangegeven zone met code A0.2. Dit wil zeggen dat hier sprake is van afzettingen van Duinkerke II (Laagpakket van Walcheren volgens de nieuwe nomenclatuur) op Hollandveen op afzettingen van Calais (klei op zand; Laagpakket van Wormer volgens de nieuwe nomenclatuur). Het noordelijke deel is gesitueerd in een noordoostzuidwest georiënteerde mosterdkleurige strook met witte diamanten en strepen behorende tot code A0.3b. Dit betekent dat hier sprake is van afzettingen van Duinkerke IIIb op oudere afzettingen van Duinkerke (Laagpakket van Walcheren).
14 Vos and van Heeringen 1997. 15 Dekker 1971: 20. 16 Coen 2008. 17 De Mulder et al. 2003. 18 Van Rummelen 1978a.
17
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Volgens de bijbladen van de Geologische Kaart ligt de bovenkant van het pleistocene dekzand in het hele plangebied op een diepte van 15 tot 20 m NAP. Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich volgens de geologisch kaart een smalle geulbedding (geelgroene zone met code DO.2). Hier zijn tot grote diepte afzettingen van Duinkerke II aanwezig (Laagpakket van Walcheren).
Figuur 5 Plangebied (rode polygoon) met een selectie van nabijgelegen DINOboringen (genummerde blauwe stippen), geprojecteerd op een uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1978a.
Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Op basis van gegevens en modellen in het DINOloket kan de verwachte diepteligging van de verschillende archeologische lagen voor het plangebied worden bepaald. Hiertoe zijn vijf DINOboringen in de omgeving van het plangebied bestudeerd die diep genoeg zijn doorgezet en waarbij tevens de lithostratigrafie is benoemd. De situering van de betreffende boringen is te zien op figuur 5. In boring 1 (B48E0861), 20 m ten noorden van het plangebied, bestaat de bovenste 2,5 m mv uit kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze dekken op 3,50 m NAP een 10 cm dunne laag Hollandveen af. Hieronder liggen vanaf 2,60 m mv/ 3,60 m NAP tot meer dan 10,5 m mv afzettingen van het Laagpakket van Wormer, die voornamelijk bestaan uit klei en op grotere diepte overgaan in zand, waarna de overgang wordt ingezet tot de afzettingen van de formatie van Boxtel. In boring 2 (B48E0773), 50 m ten westen van het plangebied, bestaat de bovenste 1,9 m mv uit kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze dekken op 2,15 m NAP een 1,2 m dikke laag Hollandveen af. Hieronder liggen vanaf 3,10 m mv/ 3,35 m NAP tot 8,6 m mv afzettingen van het Laagpakket van Wormer. 18
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Dit dekt een 5 cm dun laagje basisveen af, wat daarna overgaat in de formatie van Boxtel op 8,65 m mv/8,90 m NAP. Boring 3 (B48E0860) bevindt zich in het midden van het plangebied en de bovenste 2,30 m mv bestaat uit kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze dekken op 2,40 m NAP een 1,20 m dikke laag Hollandveen af. Hieronder liggen vanaf 3,50 m mv/ 3,60 m NAP kleiafzettingen van het Laagpakket van Wormer, wat op grotere diepte overgaat in zand. In boring 4 (B48F0971), 100 m ten oosten van het plangebied, bestaat de bovenste 2,80 m mv uit kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Dit dekt op 2,80 m NAP een 80 cm dikke laag Hollandveen af en hieronder liggen vanaf 3,60 m mv/NAP kleiafzettingen van het Laagpakket van Wormer. Boring 5 (B48E0772) bevindt zich in het zuidelijke deel van het plangebied en de bovenste 3,50 m mv bestaat uit kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Hiervan bestaat vanaf 3,40 m NAP 40 cm uit zandige afzettingen i.p.v. kleiige. Vanaf 4,0 m NAP gaat dit pakket over in kleiafzettingen van het Laagpakket van Wormer. Het beeld dat uit deze boringen naar voren komt is dat er sprake is van dagzomende kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren op een laag Hollandveen. In boringen 2 en 3 is er sprake van een laag Hollandveen van 1,20 m dik, wat kan betekenen dat het intact is.
In het noordelijke gedeelte van het plangebied (boring 1) is het Hollandveen waarschijnlijk geërodeerd of gemoerd en daarom gereduceerd tot een dunne laag van een paar centimeter. Aangezien er in boring 2 ook intact basisveen en dekzand is aangetroffen, bestaat de kans dat dit deels in het noordelijke deel van het plangebied eveneens aanwezig is. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer reiken dieper dan 11 m mv. In het zuiden van het plangebied lijkt de geul die op de Geologische kaart net ten zuidoosten van het plangebied gelegen is aanwezig te zijn. Deze geul loopt met andere woorden westelijker door dan de Geologische kaart laat vermoeden en doorkruist ten minste een deel van het zuiden van het plangebied.
Bodem Op de Bodemkaart van Nederland19 (niet afgebeeld) valt het plangebied grotendeels in een zone met code Mn15A, wat wil zeggen dat er sprake is van kalkrijke poldervaaggronden in lichte zavel. Het noordelijke gedeelte van het plangebied is gelegen op een zone met code Mn25A/Mn56C, wat betekend dat er sprake kan zijn van kalkrijke of kalkarme poldervaaggronden in (zware) zavel. Grondwatertrappen (zie onderstaande tabel) geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Gwt VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. Met een slag om de arm valt dit te extrapoleren naar het plangebied. Het noordelijke deel van het plangebied heeft grondwatertrap V*, het zuidelijke deel van het plangebied heeft grondwatertrap VI, waaruit geconcludeerd mag worden dat er goede ontwatering is ter plaatse van het plangebied. Indeling grondwatertrappen
grondwatertrap
I
II
III
IV
V
VI
VII
GHG in cm mv
(< 20)
(< 40)
< 40
> 40
< 40
40 80
> 80
GLG in cm mv
< 50
5080
80120
80120
> 120
> 120
(> 160)
19 Bazen 1987.
19
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
De zone rond het plangebied komt ook voor op de meer gedetailleerde Bodemkaart van het “Noordwestelijke deel van ZuidBeveland” (Steur, Ovaa en de Buck, 1957, figuur 6). Op deze kaart is het noorden en noordwesten van het plangebied gelegen in een zone met zwaarzavelige en lichtkleiige jonge overgangsgronden met poelkleigrond (code MMt3p en MMt4p). In het centrale deel van het plangebied betreft dit zware oude kleiplaatgronden (code Moa17) en in het zuiden kalkrijke jongere kreekruggronden. Deze hebben een bovengrond van zware zavel (code MMr3).
Figuur 6 Bodemkaart van het “Noordwestelijke deel van ZuidBeveland”. Bron: Steur, Ovaa en de Buck, 1957.
Geomorfologie Ook op de Geomorfologische Kaart van Nederland 20 (figuur 6) wordt het plangebied in twee gesplitst door verschillende zones. Hier valt het noordelijke deel binnen de zone 3L20 (welvingen in getijafzettingen) en het zuidelijke deel binnen 3K33 (getijinversierug). Direct ten oosten van het plangebied begint de ongekarteerde regio van de stad Goes, waardoor de status van de directe omgeving van het plangebied slecht te bepalen is.
20 Brus en de Lange 1986.
20
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Figuur 7 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus en de Lange 1986.
Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand laat een goed beeld van het huidige reliëf in de omgeving van het plangebied zien (figuur 8). Op het AHN is te zien dat de ‘sHeer Hendrikskinderendijk, waaraan het plangebied grenst, gelegen is op een relatief hoge rug (de westoost georiënteerde getijinversierug aangegeven met geel en roodtinten op figuur 8) die een relatief laaggelegen gebied (blauwtinten op figuur 8) doorsnijdt. De grote, laaggelegen zone, bekend als de Poel, betreft een komgebied. Ten zuiden van deze rug zijn in de Poel nog meerdere zwak verheven liggende elementen waarneembaar (eveneens geel en roodtinten op figuur 8). Dit zijn wellicht de restanten van zijtakken van een fossiele inbraakgeul. Langs de noordelijke, westelijke, en in mindere mate, zuidelijke zijde van de Poel is een reeks van dijken zichtbaar. Deze zijn hoog gelegen en worden op figuur 8 egaal rood afgebeeld. Ten noorden, westen en zuiden van de dijken ligt het maaiveld hoger. Dit betreft hier recentere polders waar zich veel langer sediment heeft kunnen afzetten, waardoor het maaiveld hier beduidend hoger is komen te liggen dan binnen de Poel.
Aan de oostelijke zijde van het weergegeven kaartbeeld is een brede inversierug zichtbaar die het komgebied van noord naar zuid doorkruist. Op deze brede rug is Goes gesitueerd. Ook de contouren van de oude vesting van Goes zijn duidelijk herkenbaar. Het plangebied ligt, net zoals op de geomorfologische kaart hierboven ook te zien is, ter plaatse van een overgangszone waar het noordelijke deel lager ligt dan het zuidelijke (de westoost georiënteerde getijinversierug zichtbaar op figuur 7).
21
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Figuur 8 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meterraster DTM).
Op een kleinschaliger beeld is te zien dat het zuidelijke deel van het plangebied zich ter plaatse van een hoger gelegen gebied bevindt (figuur 9). Dit betreft het gebied grenzend aan de ’sHeer Hendrikskinderendijk. Binnen het plangebied zelf ligt het maaiveld tussen de 0,5 m + NAP en 0,5 m NAP. De langgerekte stroken die zichtbaar zijn op deze kaart kunnen verband houden met de voormalige functie van het perceel (boomgaard), hierbij kan worden gedacht aan afwateringsgreppels die zich naar het lagergelegen noorden en de hier gelegen watergang begeven. Of zich binnen het plangebied mogelijke archeologische resten bevinden, is uit de hoogtekaart niet op te maken.
22
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Figuur 9 Bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster)
2.3
Historie
2.3.1
Historischgeografische ontwikkeling21
Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologischinhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij ook vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport is gebruikgemaakt van meerdere oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de projecties op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18e eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten zijn ontwikkeld met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend van voor deze periode moeten als indicatief worden beschouwd. Romeinse Tijd Vanaf het midden van de 1e eeuw n. Chr. werd de Rijn de noordgrens van het Romeinse Rijk in WestEuropa. Zeeland werd onderdeel van de provincies Gallia Belgica en Germania Inferior. De Schelde vormde vermoedelijk de grens tussen
21
Deze paragraaf is grotendeels gebaseerd op, en deels overgenomen uit, eerdere bureauonderzoeken die Artefact heeft verricht in de omgeving van het plangebied, aangepast en aangevuld met gebiedsspecifieke gegevens.
23
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
deze provincies, waarbij het gebied ten noorden ervan, inclusief Tholen, behoorde tot Germania Inferior en het gebied ten zuiden ervan tot Gallia Belgica. De Schelde vormde tevens een belangrijke handels(vaar)weg. Goes en het plangebied in de Middeleeuwen Het dorp Goes wordt in 976 voor het eerst vermeld onder de naam Curtagosum. Het woord bestaat uit de waternaam Gosa met de aanduiding Curt, wat vertaald werd als Korte Gos, waarvan de naam Goes afkomstig is. Het dorp Goes is ontstaan als havenplaats aan de rand van de kreek de Korte Gos.22 Op de kreekrug ten zuiden van de havenplaats ontwikkelde zich de dorpskern van Goes, met een kasteelberg en de eerste parochiekerk. De haven was bepalend voor de marktfunctie van het omliggende platteland.23 Door deze gunstige economische factoren en de steun van de lokale ambachtsheren kon Goes zich onderscheiden van de overige dorpen op ZuidBeveland en gestaag uitgroeien tot een stad. Op een 17eeeuwse kopie van de Dampierrekaart, die de situatie van het graafschap Vlaanderen weergeeft omstreeks 1274 (figuur 10), is Goes als enige op Beveland weergegeven als verstedelijkt gebied.
Dit betreft mogelijk een anachronisme, waarbij de situatie van Goes tijdens het kopiëren van de kaart in de 17e eeuw is opgenomen, Goes kreeg namelijk pas in 1405 stadrechten24 en kreeg eerst in 1417 van gravin Jacoba van Beieren officieel toestemming om de stad te versterken met stadsmuren en een gracht.
Figuur 10 Uitsnede uit een 17deeeuwse kopie van de zgn. kaart van Gwijde van Dampierre uit 1274. Goes is met een rode cirkel aangeduid. Bron: Kaartenverzameling RAG/P. De Reu: BEA0514/0657.
Goes bleef als havenstad eeuwenlang een grote marktfunctie behouden. In eerste instantie was de lakennijverheid de belangrijkste economische bedrijvigheid in Goes, maar vanaf het midden van de 15e eeuw verschoof het zwaartepunt van de handel naar zoutraffinage. Dit zout werd, in tegenstelling tot wat men zou vermoeden, niet geraffineerd uit veen (zelzout), maar uit ruw baaizout, afkomstig uit Frankrijk of Portugal.25 Bij archeologische onderzoeken rond de oude stadskern (bijvoorbeeld aan het Hollandiaplein en de Oranjeweg) zijn evenwel al verschillende veenontginningen vastgesteld. Een projectie op een in 1575 door Jacob van Deventer vervaardigde plattegrond (figuur 11) toont de toenmalige ligging van het plangebied in de Goessche Polder, ten noordwesten van het laatmiddeleeuwse stadplan van Goes en ten noorden van de oostwest georiënteerde ´sHeer Hendrikskinderendijk. Langs deze dijk staat in het oosten (nabij Goes) en het westen hier en daar bebouwing aangegeven, maar niet ter hoogte van het plangebied.
22 Dekker 2002: 21. 23 Dekker 2002: 8593. 24 Dekker 2002: 139. 25 Dekker 2002: 361.
24
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Figuur 11 Projectie van het plangebied (rode polygoon; bij benadering) op een uitsnede van een plattegrond van Goes, vervaardigd door Van Deventer omstreeks 1575.
Bedijkingsgeschiedenis Betrouwbare historische gegevens uit de periode voor de dijkenbouw zijn uitermate schaars. Het plangebied bevindt zich net ten noorden van de polder De Breede Watering Bewesten Yerseke, kortweg de Westwatering; een van de oudste Zeeuwse poldergebieden. Deze polder wordt dan ook gerekend tot het zogeheten oudland, een term die wordt gebruikt om land te duiden dat werd bedijkt vóór 1200. Volgens historische bronnen werd de streek getroffen door een geweldige overstroming rond 1134 en werd het kerneiland van ZuidBeveland dat daarna overbleef gekenmerkt door schorren die al in de Karolingische tijd bewoond en ontgonnen zijn.26 Na deze inundatie werd een dijk opgeworpen als eerste beveiligingswerk op de noordrand van de kreekrug Wemeldinge – Kapelle – Kloetinge – ’sHeer Arendskerke, in een wijde boog rond de centrale punten van aantasting. Het westelijke gedeelte van deze dijk, tussen Goes en ’sHeer Arendskerke is later herhaaldelijk verhoogd en bestaat nog.27 De aanwezige grangiae (grote hoeven) van de Vlaamse Cisterciënzerabdijen op ZuidBeveland droegen bij aan de nodige financiering van de bedijkingsactiviteiten. 28 Op de Overzichtskaart van Zuid-Beveland voor de stormvloed van 1530 (niet afgebeeld) door prof. dr. C. Dekker wordt de zeedijk aangeduid die na de stormvloed van 1134 als primaire zeekering werd opgeworpen.
De ’sHeer Hendrikskinderendijk maakt onderdeel uit van deze zeedijk en werd vermoedelijk aangelegd tussen 1134 en 1147. Het plangebied ligt ten noorden van deze zeedijk en lag op dat moment dus in onbedijkt voormalig oudlandgebied, ten westen van Goes. Dit buitendijkse gebied werd in etappes teruggewonnen. De Goessche Polder, waarbinnen het plangebied gesitueerd is, werd vermoedelijk in de tweede helft van de 13e eeuw bedijkt. De opdracht tot bedijking van de Goessche Polder wordt door Dekker toegeschreven aan Pieter of Floris van Borsele, in samenwerking met andere ambachtsheren. Vanaf de bedijking van de Goessche Polder veranderde de ’sHeer Hendrikskinderendijk van een zeedijk in een binnendijk.29
26 Delporte, 2020. 27 Dekker 2002: 100 – 101. 28 Dekker 2002: 137 – 140. 29 Dekker 2002: 8589.
25
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
Dekker geeft aan, mede op basis van onderzoek door Vlam, dat het oudland en het onderliggende veen in de Goessche Polder tijdens de stormvloed van 1134 gedeeltelijk werd opgeruimd. 30 Anderzijds geeft hij aan dat bij de oudere polders, waaronder de Goessche Polder, de opslibbing reeds vergevorderd was ten tijde van de bedijking en onder het sediment dikwijls nog een Duinkerke IIlandschap ten grondslag ligt.31 Dit laatste wordt bevestigd door Wilderom, die stelt dat door Stiboka in vrijwel de gehele polder oppervlakteveen werd aangetroffen. Wilderom oppert overigens dat de Goessche Polder een verdedigende rol zou hebben gespeeld tegen het verder zuidelijk opdringen van de Schenge geul. Mede door het duidelijk verschil tussen het noordelijke (Oude Zeedijk) en zuidelijke (Rijksweg – ’sHeer Hendrikskinderendijk) dijkprofiel schrijft Wilderom dat de Goessche Polder een grote inlaag zou zijn geweest. Wilderom ziet deze theorie gestaafd door het ontbreken van een zelfstandig bestuur tot een eeuw na de aanleg van deze dijk.32 Gedurende de 15e eeuw verkeerde de Goessche Polder enkele keren in kritieke toestand, onder meer in 1409 door een dijkval.
Een inlaagdijk werd na 1425 aangelegd; bovendien werd de bestaande dijk verdikt en verhoogd, waardoor deze in het verdere verloop van de 15e eeuw buiten gevaar bleef.33 Het is echter niet duidelijk of de Goessche Polder in het eerste kwart van de 15e eeuw ook daadwerkelijk is geïnundeerd. De 16eeeuwse stormvloeden (1509, 1511, 1530, 1532 en 1570) hebben weinig schade aangericht. 34 Een aantal polders liep onder, maar groot landverlies werd niet opgetekend. De Goessche Polder werd bij de stormvloed in 1570 geïnundeerd en nog eens in 1808.35 Op de kaart van de Zeeuwse delta vervaardigd door Christiaan Sgrooten uit 1573 (figuur 11) is het eiland ZuidBeveland te zien met de stad Goes. Grote delen van Noord en ZuidBeveland zijn overstroomd of weggespoeld. Ter hoogte van het plangebied is hier duidelijk geen sprake van.
Figuur 12 Uitsnede van Ostium Scaldis door Christiaan Sgrooten, 1573. De globale ligging van het plangebied is aangegeven met een rode pijl. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België.
Goes en het plangebied vanaf de Nieuwe Tijd Stormvloeden, het verzanden van de havengeul en een grote stadsbrand in 1554 maakten een einde aan het belang van Goes als handelsstad. Ook de oorlog met Spanje heeft hiertoe bijgedragen. Tussen 1572 en 1577 werd de stad bezet door garnizoenen van de Spaanse koning. Na het uitbreken van de opstand tegen het Spaanse bewind bleef Goes 30 Dekker 1971: 8796. 31 Dekker 1971: 218219. 32 Wilderom 1968: 131132. 33 Dekker 2002:264267. 34 Dekker 1971: 316318. 35 Wilderom 1968: 131132.
26
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
aanvankelijk trouw aan de koning. Uiteindelijk verlieten de Spaanse troepen Goes in 1577 en in hetzelfde jaar sloten Goes en ZuidBeveland een overeenkomst met Willem van Oranje, de zogenaamde Satisfactie.36 In 1585 liet prins Maurits een verdedigingsgordel om de stad aanleggen en werd Goes een vestingstad.37 Hierbij werd de stad iets naar het noorden en westen uitgebreid. Dit is nog steeds duidelijk zichtbaar in het grondplan van de stad. Op een plattegrond van Goes uit het midden van de 17e eeuw (niet afgebeeld) waar de nieuwe verdedigingswerken zichtbaar zijn is duidelijk te zien dat een groot deel van het buitengebied rond de stad in gebruik is als boomgaard. Hoewel deze kaart niet tot het plangebied reikt, is het interessant om te vernemen wat voor functies het buitengebied van Goes gehad zou kunnen hebben.
Figuur 13 Projectie van het plangebied (bij benadering; rode cirkel) op een uitsnede van de kaart van Zeeland, door Visscher Roman uit circa 1650. Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland.
Op de VisscherRomankaart van Zeeland uit het midden van de 17e eeuw (figuur 13), wordt de Goesche Polder benoemd. Het ontbreken van topografische referenties in de omgeving van het plangebied, maakt ook op deze kaart een nauwkeurige projectie niet mogelijk. De weg die op de kaart van Jacob van Deventer (figuur 11) ten noordwesten van de stad loopt en afbuigt naar het zuidwesten, is op deze kaart niet als dusdanig afgebeeld. Mogelijk gaat het om een deel van de rechte weg die op de kaart door VisscherRoman in dit gebied is gelegen. Ook de weg die op van Deventer ten westen van het plangebied vanaf de ’sHeer Hendrikskinderendijk naar het de zeedijk in het noorden loopt, is op deze 17eeeuwse kaart niet afgebeeld. Alleen de ’sHeer Hendrikskinderendijk is duidelijk herkenbaar in relatie tot de tegenwoordige situatie. De kreek die vanaf de zeedijk naar het zuiden loopt is niet op de kaart door van Deventer weergegeven. Gelet op de positie van de inbraak achter de zeedijk vanwaar de kreek naar het zuiden loopt en de herkenbare vorm van de ’sHeer Hendrikskinderendijk is het mogelijk dat deze kreek door of in de directe 36 Dekker 2002: 541572. 37 https://www.zeeuwseankers.nl/verhaal/vestingwerkeningoes.
27
ARTEFACT RAPPORT 696
GOES ’SHEER HENDRIKSKINDERENDIJK 117
omgeving van het huidige plangebied heeft gelopen. De inbraak is duidelijk aanwezig is in de huidige topografie, direct ten zuiden van de Oude Zeedijk, ten noorden van de wijk Goese Polder, en de loop van de dijk is terug te vinden in zowel oudere als jongere kaarten. De kaarten van Hattinga, vervaardigd halverwege de 18e eeuw (figuur 14), staan bekend als nauwkeuriger en schaalvaster. De ’sHeer Hendrikskinderendijk is duidelijk herkenbaar. Haaks op deze dijk is de richting het noorden lopende “Oost Weg” afgebeeld, die reeds op de kaart van Jacob van Deventer is weergegeven en grofweg gelijk loopt met de huidige Deltaweg (N256). De kreek die reeds op de kaart van VisscherRoman is afgebeeld, is hier als watergang aangeduid en loopt deels door het plangebied in het noordelijke deel. In deze omgeving zijn op de kaart geen gebouwen afgebeeld.