Agendapunt 11. Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
Conclusie Met de uitgevoerde watertoets is aangetoond dat de specifieke eisen van de waterbeheerders op een goede wijze in het plan zijn verwerkt. Aan de hand van de beschreven randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen, kan op eenduidige wijze, later het waterhuishoudkundig(inrichtings)plan worden opgesteld. Het aspect water vormt verder geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
5.3
Geluidhinder
Ten behoeve van de beoogde gebiedsontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is om te toetsen of ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen geen sprake zal zijn van te hoge geluidbelastingen als gevolg van wegverkeerslawaai van omliggende wegen. In het kader van de naderende inwerkingtreding van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) is in het onderzoek uitgegaan van de grenswaarden en bepalingen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het volledige onderzoeksrapport is als Bijlage 4 toegevoegd aan voorliggende toelichting. Hieronder volgt een samenvatting met de belangrijkste onderzoeksresultaten en conclusie.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Wettelijk kader, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Het Bkl beoogt de burger te beschermen tegen te hoge geluidbelastingen. In dit besluit zijn onder meer normen voor geluid als gevolg van weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai vastgelegd. In het Bkl gelden standaardwaarden en grenswaarden voor de geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Onder geluidgevoelige gebouwen worden onder andere woningen verstaan. Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling dient dan ook rekening te worden gehouden met de in het Bkl opgenomen grenswaarden en bepalingen.
Geluidaandachtsgebieden Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een weg, spoor of rond een industrieterrein waar de geluidbelasting in (Lden) hoger is dan de standaardwaarde. Aangezien de geluidaandachtsgebieden nog niet zijn vastgesteld, zijn in dit onderzoek enkel de wegen opgenomen met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal op een afstand van 200 meter rondom het plangebied. Hiervan uitgaande zijn de volgende wegen relevant voor het onderzoek: Middelburgsestraat; Westsingel; Schengestraat. Standaardwaarde en grenswaarden
29
Nieuwe geluidgevoelige gebouwen nabij wegen worden beschermd door middel van geluidnormen. Bij geluidbelastingen onder de standaardwaarde is de kans op schade aan de gezondheid erg klein, daarom worden geen eisen gesteld aan deze geluidniveaus. Bij geluidbelastingen tussen de standaardwaarde en de grenswaarde is een afweging van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting noodzakelijk, waarbij ook gekeken moet worden naar de gecumuleerde geluidbelasting. Voor de gecumuleerde geluidbelasting bestaat geen toetsingskader met standaardwaarden en grenswaarden. Geluidbelastingen boven de grenswaarde zijn alleen in uitzonderingssituaties toegestaan, daarnaast moet in dat geval altijd worden getoetst aan het geluid in geluidgevoelige ruimten van het gebouw. De hiervoor genoemde wegen die relevant zijn voor het onderzoek betreffen gemeentelijke wegen. Zoals te zien in de onderstaande tabel is de standaardwaarde voor gemeentelijke wegen bepaald op 53 Lden in dB en de grenswaarde op 70 Lden in dB.
Tabel 4.1 Toegestane geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen
Bij overschrijding van de standaardwaarde maar niet van de grenswaarde, is een afweging van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting noodzakelijk, waarbij ook gekeken moet worden naar de gecumuleerde geluidbelasting. Wanneer ook de grenswaarde wordt overschreden, zijn nieuwe geluidgevoelige gebouwen enkel in uitzonderingssituaties toegestaan. In dat geval dient altijd getoetst te worden aan het geluid in geluidgevoelige ruimten van het gebouw. Afwijken van de standaardwaarde is enkel toegestaan indien zogenoemde bronmaatregelen of overdrachtsmaatregelen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Bij overschrijding van de standaardwaarde moet de effectiviteit van maatregelen worden onderzocht om de geluidbelasting te reduceren tot de hoogst toelaatbare geluidbelasting, respectievelijk de standaardwaarde.
Rekenresultaten Voor het akoestisch onderzoek is uitgegaan van het stedenbouwkundig verkavelingsplan. Voor de Middelburgsestraat, Westsingen en de Schengestraat zijn de wegverkeersgegevens aangeleverd door de gemeente. De etmaalintensiteiten zijn gebaseerd op het gemeentelijk verkeersmodel voor het prognosejaar 2040. Door de gemeente is aangegeven dat, vanuit een worst-case benadering, de wegverkeersgegevens voor het prognosejaar 2040 aangehouden kunnen worden. Voor wat betreft het wegverkeerslawaai zijn de berekeningen van de geluidbelastingen op de gevels van de nieuwe woningen uitgevoerd conform de rekenmethode uit bijlage IVd van de Aanvullingsregeling geluid Omgevingswet. In de onderstaande tabel zijn de voor de maatgevende woningen, de geluidbelastingen als gevolg van de relevante wegen weergegeven. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelastingen als gevolg van de gemeentelijke wegen (Middelburgsestraat, de Westsingel en de Schengestraat) ten hoogste 52 dB bedraagt. De standaardwaarde (53 dB) wordt derhalve niet overschreden.
30
Tabel 4.2 Toetsingsresultaten wegverkeer
Conclusie Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat als gevolg van wegverkeerslawaai de geluidbelasting op de beoogde woningen binnen het plangebied niet de standaardwaarde zal overschrijden.
5.4
Archeologie en cultuurhistorie
Ten aanzien van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling dient er in de ruimtelijke motivering een beschrijving te worden opgenomen hoe er in het plan rekening wordt gehouden met de eventueel aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden binnen het plangebied.
5.4.1
Archeologie
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving is in de Omgevingswet geregeld. In het geval van een wijziging van het bestemmingsplan is de gemeentelijke archeologische maatregelenkaart vigerend om te bepalen of en wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Op de gemeentelijke archeologische maatregelenkaart valt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting ter plaatse van het Walcheren Laagpakket, Hollandveen Laagpakket en het Wormer Laagpakket. Aan deze hoge verwachtingszones (categorie 4) zijn in Brugman et al. (2011) vrijstellingscriteria gekoppeld.
Voor plangebieden die groter dan 250 m2 zijn en waarbij de ingrepen dieper dan 40 cm -mv reiken is een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. Deze vrijstellingsgrens wordt met de voorgenomen ingrepen overschreden. Daarom is voor het gehele plangebied in het kader van de bestemmingsplanwijziging een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. In het kader van de planprocedure dient de aanvrager een rapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden.
31
Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNA-waarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt. Archeologisch vooronderzoek Ten aanzien van de beoogde ontwikkelingen heeft het archeologisch onderzoeksbureau Transect een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Het archeologisch vooronderzoek bestaat enerzijds uit een archeologisch bureauonderzoek (BO) en anderzijds uit een inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van boringen. Het volledige onderzoeksrapport is in Bijlage 5 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke motivering.
Bureauonderzoek (BO) De archeologische verwachting van het plangebied is afhankelijk van de landschappelijke ondergrond: Pleistoceen. Volgens de gemeentelijke maatregelenkaart is de top van het Pleistoceen in het plangebied al geërodeerd. Archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Mesolithicum worden in het plangebied daarom niet verwacht. Wormer Laagpakket (Formatie van Naaldwijk). In de top van het Wormer Laagpakket kunnen in theorie archeologische resten uit het Neolithicum aanwezig zijn. De kans is groot dat in het plangebied wadafzettingen aanwezig zijn. Daarom geldt een lage archeologische verwachting voor het Neolithicum. Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). Het veengebied kan in theorie bewoonbaar zijn geweest vanaf de Bronstijd bij ontwaterde veenkussens, maar hiervoor zijn in de omgeving van het plangebied nog geen aanwijzingen aangetroffen. Wel zijn in Zeeland vondsten uit de IJzertijd en Romeinse Tijd in het veen bekend. De archeologische verwachting voor de periode IJzertijd-Romeinse Tijd is hoog. Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk). In het noorden van het plangebied is naar verwachting een getijdengeul aanwezig. De wad- en kwelderafzettingen zijn volgens Brugman et al. (2011) niet bewoond tussen 350 en 750 na Chr. De archeologische verwachting voor de periode Vroege-Middeleeuwen A t/m C is daarom laag.
Vanaf ongeveer 1000 na Chr. zijn de schorren en kwelderruggen volgens Brugman et al. (2011) bewoond. In de omgeving van het plangebied zijn vondsten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bekend. Het plangebied maakt ook deel uit van de oudste polders van Zeeland. De verwachting op archeologische resten en/of sporen vanaf 1000 na Chr. is daarom hoog (Vroege-Middeleeuwen C-Nieuwe Tijd). Inventariserend veldonderzoek (IVO) Het veldonderzoek heeft de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek grotendeels bevestigd. In het plangebied is onderin de boringen sprake van wadafzettingen van het Laagpakket van Wormer. Deze afzettingen zijn slap en bevatten veel rietresten. De afzettingen vertonen daarbij geen tekenen van rijping of bodemvorming, wat duidt op een nat afzettingsmilieu dat vrijwel altijd onder water gestaan heeft. Archeologische resten uit de periode Neolithicum worden daarom niet verwacht. Bovenop de wadafzettingen is een laag Hollandveen aanwezig. Dit veen heeft in het midden van het plangebied een intacte, veraarde top, waarin archeologische vindplaatsen uit de periode Ijzertijd-Romijnse Tijd voor kunnen komen. Voor deze zone is voor de periode IJzertijd-Romeinse Tijd de hoge verwachting bevestigd. Voor het overige deel van het plangebied is een lage verwachting voor deze periodes vastgesteld.
Het veen wordt bedekt door getijdeafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Doordat in de top van deze afzettingen geen cultuurlaag of intacte bouwvoor is aangetroffen worden er geen vindplaatsen uit de periodes Vroege
32
Middeleeuwen D – Nieuwe Tijd verwacht. Voor deze periodes geldt een lage archeologische verwachting. In het noordwesten van het plangebied geldt voor de top van de geulafzettingen eveneens een lage archeologische verwachting. In de top van de geulafzettingen is immers geen cultuurlaag of bouwvoor aangetroffen. De verwachting op vindplaatsen uit de periodes Vroege Middeleeuwen C – Nieuwe Tijd is daarom laag. De top van de ondergrond bestaat uit een moderne ophoging van circa 30 tot 50 cm met een aanvulling van straatzand onder tegels.
Figuur 4.1 Archeologische verwachting- en advieskaart (bron: Transect-rapport 4945)
Advies Op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek blijkt dat er bij de sloop en bouw van woningen in het plangebied archeologische vindplaatsen verstoord kunnen worden. Archeologische vindplaatsen worden in de veraarde top van het Hollandveen op een diepte van 215-300 cm -mv (1,9-3,0 m -NAP) verwacht. Aangezien de bouw van de nieuwe woningen gepaard zal gaan met aanbrengen van heipalen, wordt dit archeologisch relevante niveau waarschijnlijk door de palen verstoord. Afhankelijk van het heipalenplan zal in het plangebied een vervolgonderzoek nodig zijn. Dit vervolgonderzoek geldt alleen voor de zone waar een intacte veentop is vastgesteld. In het document 'Handleiding Archeologievriendelijk bouwen' (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2016) staan uitgangspunten voor het gebruiken van funderingen, waarbij geen onevenredige verstoringen aan archeologische niveaus zullen optreden. Indien in de zone waar een vervolgonderzoek wordt geadviseerd, deze uitgangspunten gehandhaafd kunnen worden, zal een vervolgonderzoek niet nodig zijn. Er zullen immers geen onevenredige verstoringen aan het archeologische niveau toegebracht worden.
Als er niet archeologievriendelijk gebouwd kan worden, wordt geadviseerd om ter plaatse van de intacte veentop een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren (BRL4000: KNA Protocol 4003; Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven). Dit advies is conform de Regeling aanvullende Richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de Provincie Zeeland (2019). Voor een dergelijk gravend onderzoek is op voorhand van de werkzaamheden een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. Dit PvE dient tevens op voorhand door de bevoegde overheid (gemeente Goes) beoordeeld en
33
goedgekeurd te zijn. Het voornemen bestaat om de sloop en nieuwbouw van woningen in verschillende fases tussen 2025 en 2030 te laten plaatsvinden. Geadviseerd wordt om het archeologisch vervolgonderzoek ook per fase op te splitsen en uit te voeren. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Goes) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
Advies OAS p/a Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland. Om een advies te kunnen geven van de benodigde vervolgstappen heeft OAS p/a Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland het rapport van het archeologisch vooronderzoek beoordeeld. De volledige beoordeling en het advies is als Bijlage 6 toegevoegd aan voorliggende toelichting. Beoordeeld wordt dat het onderzoek door Transect voldoende beeld geeft van de archeologische verwachting van het gebied om een advies te kunnen geven. Het advies van Transect wordt echter niet volledig gevolgd:
De archeologische verwachting voor de afzettingen van het Laagpakket van Wormer kan bijgesteld worden naar laag. De top van deze afzettingen ligt op 2,8 tot 3,8 m onder NAP. De archeologische verwachting voor het Hollandveen wordt deels bijgesteld naar laag, en blijft deels hoog, namelijk daar waar het veen intact lijkt. De top van het intacte veen ligt op 1,87 à 2,0 meter onder NAP. Daar zijn resten van bewoning mogelijk uit de late ijzertijd - romeinse tijd. Op basis van de boorstaten kunnen drie clusters aangeduid worden met een hoge verwachting. Transect benoemt een zone, middenover het westelijk en centraal deel van het plangebied, waar Hollandveen met een intacte veentop aanwezig is. De boorstaten ondersteunen deze conclusie niet goed. In het westelijk deel heeft het veen, conform de boorstaten, telkens een erosieve top. De top van het veen ligt lager, en het veenpakket is dunner ten opzichte van het veen dat in de centrale boringen werd aangetroffen. Dat wijst er op dat het veen in het westelijk deel deels geërodeerd werd. De archeologische verwachting voor het laagpakket van Walcheren wordt deels bijgesteld naar laag wegens het ontbreken van een cultuurlaag en archeologische indicatoren. De verwachting blijft hoog in twee zones waar resten van bebouwing uit de nieuwe tijd en ophooglagen van de aanleg van de vesting mogelijk zijn.
Transect benoemt die hoge verwachting niet. De boringen op deze locaties geven geen uitsluitsel of de archeologische waarde wel of niet gehandhaafd kan blijven. In de drie boringen is wel onbestemd bouwpuin aangetroffen (driemaal) en houtskoolspikkels (eenmaal). De resten zijn mogelijk direct onder de moderne bouwvoor. Voor de zones met Hollandveen met een hoge verwachting is het primaire advies om geen graafwerkzaamheden uit te voeren die dieper gaan dan 1,8 meter onder NAP. Met oog op de aan te leggen riolering is dat wellicht niet haalbaar. In dat geval is het advies om archeologische begeleiding uit te laten voeren in de zone, aangeduid op bijgaande advieskaart. Het advies is om de archeologische begeleiding te benutten om de verwachting van de getijde afzettingen van Walcheren te verifiëren. Voor de verdere inrichting van de wijk zullen sloopwerkzaamheden nodig zijn. Zolang deze niet dieper gaan dan 1,5 meter onder maaiveld is verder geen archeologisch onderzoek nodig, behalve in de twee zones waar resten uit de nieuwe tijd verwacht worden. Voor de twee zones met bebouwing uit de Nieuwe Tijd is het advies om archeologische begeleiding uit te laten
34
voeren tijdens de aanleg van de riolering en/of de sloop van de huidige bebouwing, om de precieze ligging en waarde van eventuele resten uit de Nieuwe Tijd te bepalen. Ook daar waar tijdens vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen zijn aangetroffen, kunnen er toch archeologische grondsporen of vondsten verborgen zijn die in de uitvoeringsfase van toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten is er een meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016). Het advies is om de meldingsplicht als voorwaarde op te nemen in de omgevingsvergunning, of als dat aan de orde is, in het uitvoeringsbestek.
Conclusie Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling zal toepassing worden gegeven aan het bovenstaande advies van OAS p/a Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland. De gemeente Goes is nauw betrokken bij dit plan en zal, als bevoegd gezag zijnde, te allen tijden waken voor de juiste omgang met archeologische waarden.
5.4.2
Cultuurhistorie
Bij cultuurhistorische waarden aangaande gebouwd erfgoed gaat het over de positieve waardering van bouwsporen, objecten, patronen, structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop Nederland beleefd, ingericht en gebruikt wordt.
Beoordeling en conclusie De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie Zeeland aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. In het onderstaande figuur is een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart weergegeven waarop is te zien dat er binnen het plangebied geen bouwhistorische objecten aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied zijn eveneens geen bouwhistorische objecten aanwezig. De beoogde ontwikkeling van het plangebied zal dan ook niet leiden tot gevolgen op bouwhistorische objecten. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied.
35
Figuur 4.2 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Zeeland
5.5
Ecologie
Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten de voorgenomen ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna.
Quickscan Om inzicht te krijgen in de aanwezige ecologische waarden die aanwezig kunnen zijn binnen het projectgebied en de mogelijke projecteffecten op beschermde soorten is een quickscan Wet natuurbescherming opgesteld. De volledige rapportage van het onderzoek is als Bijlage 7 toegevoegd aan de ruimtelijke motivering. Hieronder worden de belangrijkste conclusies uit het onderzoek toegelicht.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Oosterschelde minimaal 3,6 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde onderdeel van dit Natura 2000-gebied betreft de Deesche Watergang nabij Kattendijke en heeft stikstofgevoelige habitats. Daarnaast liggen op een afstand van minimaal 4 kilometer nog een aantal Natura 2000gebieden als het Veerse Meer, Yerseke en Kapelsche Moer en Westerschelde en Saeftinghe. Met uitzondering van het Veerse Meer hebben deze gebieden ook stikstofgevoelige habitats. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling van het plangebied kan er sprake zijn van stikstofdepositie op nabijgelegen stikstofgevoelige habitats. Het aspect stikstofdepositie is opgenomen in paragraaf 5.6 van voorliggende ruimtelijke motivering. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van negatieve stikstofeffecten in zowel de sloop- en aanlegfase als de nieuwe gebruiksfase van het plangebied. Negatieve effecten als gevolg van overige verstoringsvormen dan stikstofdepositie (zoals geluid, trillingen, verlichting, mechanische effecten of menselijke aanwezigheid) zijn uitgesloten wegens de grote afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura
36
2000-gebied.
Natuurnetwerk Zeeland Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) is en een corridor langs de 's-Heer Hendrikskinderendijk. Dit ligt op circa 170 meter ten noorden van het plangebied. In de provincie Zeeland is een toetsing van externe werking binnen 100 meter noodzakelijk. Het plangebied ligt niet binnen 100 meter van NNZ, nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening Zeeland wordt niet overtreden.
Agrarisch gebied van ecologische betekenis Het plangebied is niet gelegen in een agrarisch gebied van ecologische betekenis. Het dichtstbijzijnde perceel ligt aan de zuidoostzijde van 's-Heer Hendrikskinderen, op een afstand van minimaal 910 meter ten westzuidwesten van het plangebied. In de provincie Zeeland is een toetsing van externe werking binnen 100 meter noodzakelijk. Het plangebied ligt niet binnen 100 meter van agrarisch gebied van ecologische betekenis, nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening Zeeland wordt niet overtreden.
Overige gebieden Overige gebieden zoals natuurcompensatie en gebiedsgerichte projecten, liggen op grote (minimaal 16 kilometer) afstand tot het plangebied. In de provincie Zeeland is een toetsing van externe werking binnen 100 meter noodzakelijk. Het plangebied ligt niet binnen 100 meter van strategische reservering, nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening Zeeland wordt niet overtreden.
Beschermde houtopstanden Er worden voor deze ontwikkeling enkele solitaire bomen gekapt. Het complete onderzoeksgebied bevindt zich echter binnen de bebouwde kom van Goes. Vanwege de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom is de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet van toepassing.
Soortenbescherming Jaarrond beschermde nesten Potentieel geschikte voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van soorten met jaarrond beschermde nesten in bebouwing zijn in het gehele onderzoeksgebied aanwezig. Gierzwaluw en huismus kunnen in de woningen tot broeden komen. De groene tuinen binnen het onderzoeksgebied zijn mogelijk een essentieel onderdeel van het functioneel leefgebied van huismus. Een boomnest in een met klimop begroeide els is geschikt als nestplaat voor ransuil. Door de voorgenomen sloop-en rooiwerkzaamheden binnen het plangebied kunnen permanente schadelijke effecten optreden op eventueel aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw en ransuil en functioneel leefgebied van huismus. Verbodsbepalingen Art. 3.1 lid 2 van de Wnb kunnen worden overtreden. Nader veldonderzoek naar huismus en gierzwaluw is nodig om te bepalen of vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel functioneel leefgebied in het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied is voor overige soorten met jaarrond beschermde nesten ongeschikt. Negatieve effecten zijn op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
37
Niet jaarrond beschermde nesten Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met niet-jaarrond beschermde nesten. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor Categorie 5-soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft lokaal en regionaal algemene vogelsoorten. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Schadelijke effecten op bezette nesten van Categorie 5-soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord).
Algemene vogels Het plangebied en de directe omgeving van het plangebied zijn potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord).
Vleermuizen Aanwezigheid van vleermuizen in gebouwen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) is binnen het plangebied niet uit te sluiten.. De werkzaamheden (sloop) kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Potentieel essentieel functioneel leefgebied (vliegroute) is eveneens aanwezig. De verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb worden mogelijk overtreden. Nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van vleermuizen is noodzakelijk (zie Hoofdstuk 6). Het plangebied is voor overige soorten welke beschermd zijn onder de Habitatrichtlijn ongeschikt. Negatieve effecten zijn op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Overige beschermde soorten Aanwezigheid van bunzing is niet uit te sluiten binnen het plangebied. Dit geldt voor de aanwezige deels verwilderde/verwaarloosde achtertuinen. Nader onderzoek naar vaste rusten verblijfplaatsen van deze soort is noodzakelijk. Het plangebied is enkel geschikt voor nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Zeeland een vrijstelling geldt, zoals egel, algemene (spits)muizen, gewone pad en bruine kikker. Negatieve effecten op deze soorten zijn niet op voorhand uit te sluiten, maar nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat schadelijke effecten op soorten zoals gewone pad, bruine kikker en muizen zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand. Voor overige vrijgestelde en niet-vrijgestelde Nationaal beschermde soorten is het plangebied ongeschikt. Negatieve effecten zijn op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek
38
is niet noodzakelijk.
Conclusie Uit de quickscan is gebleken dat de voorgenomen ontwikkelingen van het plangebied kunnen leiden tot schadelijke effecten op beschermde soorten en natuurgebieden. Het uitvoeren van nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel functioneel leefgebied van de huismus, gierzwaluw, vleermuizen en de bunzing is noodzakelijk.
5.6
Stikstofdepositie
Op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen uit te voeren die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De juridische basis voor de Wet natuurbescherming zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Per gebied zijn voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelen bepaald. Het grootste gedeelte van de Nederlandse natuurgebieden heeft te lijden onder verzuring, vermesting en verdroging. Hierdoor gaan kwetsbare en vaak bijzondere planten- en diersoorten achteruit en maken plaats voor meer algemene soorten. Een teveel aan stikstof, in de vorm van stikstofoxiden en ammoniak, is hier voor een groot deel debet aan. Voor wat betreft stikstofdepositie dient voor nieuwe of gewijzigde plannen onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Met behulp van een rekenprogramma (Aerius Calculator) moet worden bepaald of een plan een bijdrage (>0,00 mol N/ha/jaar) aan stikstofdepositie veroorzaakt ter plaatse van Natura 2000-gebieden.
Indien een bijdrage van 0,00 mol N/ha/jaar wordt berekend, kan worden gesteld dat er geen sprake is van een bijdrage en daarmee het initiatief niet tot significante negatieve effecten kan leiden.
Beoordeling Ten behoeve van dit plan is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De volledige berekeningen en bijbehorende rapportage is aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd als Bijlage 8 Hieronder volgt een korte samenvatting met de belangrijkste resultaten en conclusies. In het onderzoek zijn de stikstofeffecten in beeld gebracht van de realisatie van het plangebied, waarin 154 woningen worden gesloopt en 148 woningen worden gebouwd in een periode van vier jaar. Ingeschat wordt dat het maatgevende jaar in deze ontwikkeling het jaar 2027 is, waarin in dit onderzoek rekening is gehouden met de sloop van 78 woningen en bouw van maximaal 70 woningen plaatsvindt. Tegelijkertijd zijn dan al circa 60 woningen in gebruik genomen in 2027. Daarnaast is de fase doorgerekend waarin alle 148 woningen in gebruik zijn genomen (2029). Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit plan vrijkomt in zowel de sloopen bouwfase als de gebruiksfase in het maatgevende jaar 2027 enerzijds als de gebruiksfase in 2029 anderzijds leidt tot een depositietoename van 0,00 mol N/ha/jaar ten opzichte van de referentiesituatie. In de gebruiksfase voor het jaar 2029 is zelfs sprake van een afname aan depositie van -0,01 mol N/ha/jaar.
Door de verduurzaming van de woningen is dus voor de permanente gebruiksfase zelfs sprake van een kleine verbetering in de stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden.
39
Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor de uitvoering is daarbij rekening gehouden met werktuigen die geschikt zijn voor AdBleu.
Conclusie Uit de uitgevoerde berekeningen kan geconcludeerd worden dat zowel gedurende de sloopen aanlegfase als de gebruiksfase van het plan de stikstofbijdrage 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Hierdoor kan het initiatief niet tot significante negatieve effecten leiden ter plaatse van de Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor de haalbaarheid van het plan.
5.7
Luchtkwaliteit
In paragraaf 2.2.1 van het Bkl zijn omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht opgenomen. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waren deze waarden opgenomen in de Wet milieubeheer. Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' aangetast wordt. Projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit behoeven niet te worden getoetst aan de maximum toegestane grenswaarden. Hieronder vallen onder andere woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen. Een plan is NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 en NO2.
Beoordeling Niet in betekenende mate (NIBM) Onderhavig planvoornemen omvat de sloop van de 154 woningen en vervangende nieuwbouw van 148 grondgebonden woningen. Het planvoornemen behoort vanwege de relatief beperkte omvang tot de categorie van gevallen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan luchtverontreiniging. Een toets aan de 3% grens (bijdrage aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide) kan derhalve achterwege blijven.
Goede ruimtelijke ordening / Evenwichtige toedeling van functies aan locaties In het kader van een goede ruimtelijke ordening (of onder de Omgevingswet een evenwichtige toedeling van functies aan locaties) dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) van het RIVM is daartoe bepaald wat de totale concentraties zijn van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) nabij het plangebied. De toetsresultaten ter plaatse van de rekenpunten, alsmede de bijbehorende grenswaarden, zijn weergegeven in onderstaande tabel.
40
Tabel 4.3 Gegevens Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (bron: CIMLK)
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de concentraties van de maatgevende stoffen voor de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruim onder de grenswaarden blijven. Derhalve kan er ter plaatse van het plangebied worden gesproken van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van de luchtkwaliteit. Aan de hand van de Schone lucht Kaarten van het RIVM is de blootstelling aan luchtverontreiniging ter plaatse van het plangebied in kaart gebracht. Ter plaatse van het plangebied worden de grenswaarden voor roet, fijnstof en stikstofdioxide niet overschreden. Er derhalve worden geconcludeerd dat er ten aanzien van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Figuur 4.3 Uitsneden Schone Lucht Kaarten (bron: RIVM)
Conclusie Uit bovenstaande beoordeling blijkt dat de bijdrage van het plan 'niet in betekende mate' is en derhalve geen nader onderzoek benodigd is. Tevens kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
41
5.8
Bedrijven en milieuzonering
Met het instrument milieuzonering wordt een ruimtelijk kader vastgelegd voor de toelating van bedrijven ten opzichte van woningen en andere milieugevoelige functies, met enerzijds als doel het borgen van een goede ruimtelijke ordening / een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en anderzijds het borgen van ruimte voor bedrijven om hun bedrijf uit te oefenen. De VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023' gaat in op de gebruiksruimte van bedrijven. De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. In de VNG-uitgave gaat hierbij vooral om de gebruiksruimte op het gebied van geur en geluid. Voor bedrijventerreinen is onderscheidt gemaakt in vier zones met oplopende gebruiksruimte voor geluid en drie zones met oplopende gebruiksruimte voor geur. De VNG heeft een richtafstandenlijst gepubliceerd als losse bijlage van de VNG-uitgave. In deze richtafstandenlijst is aangegeven welke geur- en geluidzones gelden voor de verschillende typen bedrijven. Daarnaast zijn er aan de verschillende geur- en geluidzones richtafstanden gekoppeld waarmee een indicatie wordt gegeven voor de aan te houden afstand tot een rustige woonwijk. Wanneer er sprake is van een 'gemengd gebied' kunnen er kleinere richtafstanden aangehouden worden voor de zones.
Tabel 4.4 Richtafstanden tot werkingsgebieden (bron: VNG)
Beoordeling Het plangebied is gelegen binnen de wijk Goes-West. Binnen deze wijk zijn voornamelijk woonfuncties aanwezig en in mindere mate ook maatschappelijke functies die passen binnen een woongebied. Hiervan uitgaande wordt aangenomen dat er in de bestaande situatie van het plangebied sprake is van minimaal een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van milieuhinder van bedrijven. De omgeving van het plangebied kan daarom worden aangeduid als een 'rustige woonwijk'. In de nabije omgeving van het plangebied zijn drie bestemmingsvlakken 'Bedrijf' aanwezig, deze betreffen: Evertsenstraat 3 Goes, kadastraal perceel GOE00-C-5056 Dit perceel is bestemd als 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'opslag'. Ter plaatse is uitsluitend een bedrijf voor verkoop en opslag van antiek toegestaan. Op basis van de richtafstandenlijst van de VNG zijn de gebruiksruimtes voor geur en geluid van dit bedrijf geschikt voor functiemenging waarmee een richtafstand van 10 meter tot een rustige woonwijk aangehouden kan worden. De kortste afstand tussen het bouwvlak binnen het
42
bedrijfsperceel en de nieuwe woningen binnen het plangebied zal circa 45 meter bedragen. Vanuit dit bedrijfsperceel wordt ter plaatse van het plangebied van ook geen milieuhinder verwacht. En andersom wordt het bedrijf niet belemmerd door de realisatie van de woningen.
Evertsenstraat 9 Goes, kadastraal perceel GOE00-C-5452 Dit perceel is bestemd als 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'nutsbedrijf'. Ter is plaatse uitsluitend een bedrijf is toegestaan. Op basis van de richtafstandenlijst van de VNG heeft dit type bedrijf een geurruimte die geschikt is voor functiemenging en een geluidruimte zone 1. Om geluidhinder van dit bedrijf te beperken wordt een richtafstand van 30 meter geadviseerd. De kortste afstand tussen het bouwvlak binnen het bedrijfsperceel en de nieuwe woningen binnen het plangebied zal circa 30 meter bedragen. Vanuit dit bedrijfsperceel wordt ter plaatse van het plangebied van ook geen milieuhinder verwacht. En andersom wordt het bedrijf niet belemmerd door de realisatie van de woningen.
Jacob Catsstraat 2B, kadastraal perceel GOE00-C-3409 Dit perceel is bestemd als 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf timmer- en metselbedrijf'. Ter plaatse is uitsluiten een timmer- en metselbedrijf toegestaan. Op basis van de richtafstandenlijst van de VNG zijn de gebruiksruimtes voor geur en geluid van dit bedrijf geschikt voor functiemenging waarmee een richtafstand van 10 meter tot een rustige woonwijk aangehouden kan worden. In de bestaade situatie bedroeg deze afstand eveneens 10 meter. Aangenomen wordt dat er in de bestaande situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Hiervan uitgaande zal de aanwezigheid van dit bestemmingsvlak 'Bedrijf' ook niet leiden tot onevenredige milieuhinder in de nieuwe situatie van het plangebied. De ontwikkeling van het plan zal tevens niet leiden tot een belemmering in de bedrijfsuitvoering omdat deze in de bestaande situatie reeds belemmerd wordt door de aanwezige woningen.
Conclusie Ervan uitgaande dat ter plaatse reeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de vervangende nieuwbouw binnen het plangebied niet zal leiden tot (extra) belemmeringen en/of milieuhinder op omliggende functies, kan er worden geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
5.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid is gericht op het bereiken en in stand houden van een veilige fysieke leefomgeving. Ten aanzien van externe veiligheid zijn in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen met als doel de kans te beperken dat mensen die in de omgeving van een activiteit met externe veiligheidsrisico's verblijven door een ongeval met die activiteiten. Onder activiteiten met externe veiligheidsrisico's worden onder andere verstaan: bedrijven met gevaarlijke stoffen; het basisnet met vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen; windturbines. De begrippen 'plaatsgebonden risico' en 'groepsrisico' staan centraal in het beleid en de regelgeving voor externe veiligheid. Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand op een bepaalde plaats in de omgeving van een activiteit met externe veiligheidsrisico's overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij die activiteit of door een ongeval met een windturbine. De overlijdenskans van die
43
persoon mag in beginsel niet meer dan één op de miljoen per jaar zijn. Het groepsrisico geeft de kans weer waarbij een groep van tien of meer personen tegelijkertijd om het leven komt door een ongeval bij een activiteit met externe veiligheidsrisico's. Het groepsrisico is gekoppeld aan zogenaamde aandachtsgebieden die rond een activiteit met externe veiligheidsrisico's liggen. Daarbij worden drie verschillende aandachtsgebieden onderscheiden die zijn afgeleid van relevante ongevalscenario's bij een activiteit met externe veiligheidsrisico's: brandaandachtsgebieden; explosieaandachtsgebieden; en gifwolkaandachtsgebieden. De aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een incident nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen.
Figuur 4.4 Voorbeeld van een activiteit met een aandachtsgebied en voorschriftengebied
Beoordeling Op basis van Bijlage VI onder C. van het Bkl zijn in beginsel alle gebouwen met een woonfunctie en/of bestemd voor nachtverblijf 'kwetsbare gebouwen' in het kader van externe veiligheid. De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied met sloop en nieuwbouw voorziet daarmee in de ontwikkeling van kwetsbare gebouwen. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft op de Atlas Leefomgeving de kaart 'Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten' gepubliceerd. Op deze kaart zijn alle actuele activiteiten met externe veiligheidsrisico's weergegeven.
44
Figuur 4.5 Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten (bron: Ministerie IenW)
Op de bovenstaande uitsnede van de kaart van het Ministerie van IenW is te zien dat er binnen het plangebied en de nabije omgeving (< 200 meter) geen activiteiten met externe veiligheidsrisico's aanwezig zijn. Het plangebied is tevens niet gelegen binnen een brandaandachtsgebied of explosieaandachtsgebied. De gifwolkaandachtsgebieden zijn nog niet opgenomen in de kaart op de Atlas Leefomgeving. In artikel 5.12 lid 4 van het Bkl is bepaald dat en gifwolkaandachtsgebied wordt begrensd door de afstand van 1,5 kilometer vanaf de locatie binnen de begrenzing van de activiteit. Deze begrenzing sluit aan bij de door de brandweer en hulpverleningsdiensten gehanteerde levensbedreigende waarde (LBW). In dat kader is van belang dat verspreiding van een gifwolk afhankelijk is van variabelen zoals windkracht en de windrichting, die niet op voorhand bepaald kunnen worden bepaald. Uit een oogpunt van proportionaliteit en kosteneffectiviteit is het gifwolkaandachtsgebied beperkt tot het gebied waarbinnen mogelijke fysieke veiligheidsmaatregelen in verhouding staan tot de veiligheidswinst die deze opleveren. Op circa 450 meter ten zuiden van het plangebied is het spoorwegtraject tussen Roosendaal en Vlissingen aanwezig en op circa 2,2 kilometer ten zuiden van het plangebied loopt de Rijksweg A58.
Over beide transportroutes worden giftige stoffen vervoerd die in het geval van een ongeval kunnen leiden tot een giftige wolk. Als gevolg van de het spoorwegtraject is een gifwolkaandachtsgebied van toepassing over het plangebied. Gifwolkaandachtsgebieden kunnen niet als voorschriftengebied worden aangewezen. Om toch te komen tot voldoende bescherming tegen gifwolken is hieronder een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen.
Beperkte verantwoording groepsrisico Zelfredzaamheid Gezien de afstand van de spoorlijn tot het plangebied dient rekening te worden gehouden met het risico van een giftige wolk. In geval van het zich voordoen van een scenario met een giftige wolk luidt het advies: ramen en deuren gesloten houden en mechanische ventilatie uitschakelen. Het kunnen uitschakelen van mechanische ventilatie is in het
45
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) opgenomen als landelijke algemene bouweis voor nieuwe bouwwerken. Binnen het plangebied worden geen zeer kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt, zoals gebouwen met een zorgfunctie. Aangenomen word dat de bewoners van het plangebied zich zelfstandig kunnen voortbewegen en in veiligheid kunnen brengen bij eventuele calamiteiten. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Het plangebied ligt binnen het dekkingsgebied van een waarschuwings- en alarmeringsinstallatie. Daarnaast is NL-Alert operationeel voor vele mobiele telefoons. Dit kan worden gebruikt om de bevolking in geval van een calamiteit te waarschuwen.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Om effectief en efficiënt hulp te kunnen bieden ten tijde van een ongeval zijn de opkomsttijd, de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen van belang. De hulpverleningsdiensten moeten voldoende capaciteit beschikbaar hebben om alle effecten binnen een kort tijdsbestek te kunnen bestrijden. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Het plangebied is langs alle kanten bereikbaar voor hulpdiensten en bewoners kunnen in verschillende richtingen van de risicobron vluchten. Om een brand in het plangebied te kunnen bestrijden is het noodzakelijk dat er voldoende primair en secundair bluswater aanwezig is. Voor ruimtelijke ontwikkelingen wordt de aanwezigheid van bluswater in het kader van de omgevingsvergunning bouwen getoetst. In de omgeving van het plangebied moet een bluswatervoorziening aanwezig zijn die binnen drie minuten na aankomst van een tankautospuit deze van bluswater kan voorzien. Het plangebied is via het wegennet goed bereikbaar voor voertuigen van hulpverleningsdiensten.
Conclusie Ter plaatse van het plangebied gelden geen belemmeringen wat betreft externe veiligheid. Een nader onderzoek is niet benodigd. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
5.10
Verkeer en parkeren
Op het gebied van verkeer en parkeren bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel dient in het kader van het bestemmingsplan dat de ontwikkeling mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening of in het kader van de Omgevingswet een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Dit houdt onder meer in dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van de algemene kencijfers van de CROW-publicatie 183. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen uit het Parkeerbeleidsplan 2009-2020 van de gemeente Goes. Voor het juiste kencijfer/parkeernorm wordt een ligging in het gebied 'schil centrum' aangehouden, de gemeente Goes heeft een matig stedelijk karakter op basis van de adressendichtheid.
46
5.10.1 Verkeer De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van de bestaande 154 huurwoningen binnen het plangebied en vervangende nieuwbouw van 148 huurwoningen. Als gevolg van deze ontwikkeling is per saldo sprake van een afname van 6 woningen binnen het plangebied. Voor de berekening van de verkeersgeneratie van en naar het plangebied wordt uitgegaan van de algemene kencijfers van de CROW. Hierbij wordt rekening gehouden met de beoogde functie, de locatie van de ontwikkeling en de stedelijkheidsgraad van de gemeente. De verkeersgeneratie wordt beoordeeld op een maatgevende dag, een werkdag. De weekdag wordt conform het CROW met de factor 1,11 opgehoogd om de verkeersgeneratie van een werkdag te bepalen.
Tabel 4.5 Verkeersgeneratie plangebied (bron: CROW-publicatie 183)
In de bovenstaande tabel is de verkeersgeneratie van het plangebied in de bestaande situatie vergeleken met de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie. Omdat het aantal woningen binnen het plangebied zal afnemen, zal naar verwachting ook de verkeersgeneratie van het plangebied afnemen in de nieuwe situatie. Het verkavelingsplan van het plangebied in de nieuwe situatie gaat uit van het bestaande stratenpatroon. Het verkeer van en naar het plangebied zal in de nieuwe situatie dus gebruik blijven maken van de al bestaande verkeersroutes. Hiervan uitgaande zal de ontwikkeling van het plangebied ook niet leiden tot knelpunten met betrekking tot de afwikkeling van het verkeer op de ontsluitende wegen en kruispunten. Conclusie De beoogde ontwikkeling van het plangebied zal naar verwachting niet leiden tot negatieve gevolgen voor de verkeersafwikkeling. Het aspect verkeer staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.
5.10.2 Parkeren De gemeente heeft voor woningbouw parkeernormen opgenomen in het 'Parkeerbeleidsplan 2009-2020'. Hierin wordt onderscheidt gemaakt tussen goedkope, middeldure en dure woningen. In het beleidsplan van de gemeente zijn geen specifieke parkeernormen opgenomen voor sociale huurwoningen. Voor de berekening van de parkeerbehoefte van dit plan worden daarom de parkeernormen van goedkope woningen aangehouden.
Tabel 4.6 Parkeerbehoefte plangebied (bron: Parkeerbeleidsplan 2009-2020, gemeente Goes)
In de bovenstaande tabel is de parkeerbehoefte van het plangebied in de bestaande situatie vergeleken met de nieuwe situatie. Omdat er in de nieuwe situatie minder woningen binnen
47
het plangebied aanwezig zullen zijn, zal ook de parkeerbehoefte van het plangebied afnemen. Op basis van luchtfoto's is een inventarisatie gemaakt van het aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied in de bestaande situatie. Omdat slechts enkele woningen beschikken over een eigen oprit, zijn deze niet meegenomen in de inventarisatie. Binnen het plangebied zijn 146 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen aanwezig. De minimale parkeerbehoefte van het plangebied in de bestaande situatie is gelijk aan 231 parkeerplaatsen. Uitgaande van de parkeernormen uit het parkeerbeleidsplan van de gemeente, kan geconcludeerd worden dat in de bestaande situatie sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen in het plangebied om te kunnen voorzien in de minimale parkeerbehoefte. Het verkavelingsplan van het plangebied in de nieuwe situatie gaat uit van openbaar toegankelijke parkeerplaatsen. Door de woningen op een andere wijze te situeren is er ruimte vrijgemaakt voor parkeerhoven. Op basis van het verkavelingsplan zijn er in de nieuwe situatie 247 openbare parkeerplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Hiermee zal er worden voldaan aan de berekende parkeerbehoefte (222 parkeerplaatsen).
5.11
M.e.r.-beoordeling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Beoordeling en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is indien (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2); de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van 154 woningen en vervangende nieuwbouw van 148 woningen en blijft daarmee ruim onder de bovenstaande drempelwaarden. Dit houdt in dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is.
In de voorgaande paragrafen in hoofdstuk 5 van deze toelichting zijn de projecteffecten op alle relevante omgevings- en milieuaspecten beschreven. Hiermee is aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot nadelige milieueffecten.
48
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planbeschrijving
Wettelijk kader
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde standaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.
6.2
Planvorm
Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten gebouwen. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Het bestemmingsplan 'Goes-West, Noordelijk plandeel' kan gekarakteriseerd worden als een zogenaamd 'ontwikkelplan'. In een dergelijk plan ligt het accent van de juridische regeling vooral op het bieden van rechtsbescherming ten aanzien van het toekomstig gebruik van gronden en opstallen. Er is sprake van een gedetailleerd plan met de mogelijkheid om op een flexibele wijze de woningen te positioneren. Een en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een beperkt aantal bestemmingen en regels. De regels zijn opgebouwd uit de Inleidende regels (Hoofdstuk 1), de Bestemmingsregels (Hoofdstuk 2), de Algemene regels (Hoofdstuk 3) en de Overgangs- en slotregels (Hoofdstuk 4). De verbeelding van het bestemmingsplan bestaat uit 1 kaartblad.
6.3
Toelichting op de bestemmingen
6.3.1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis.
Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
6.3.2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Groen Het aanwezige openbare groen is bestemd als 'Groen', zoveel mogelijk in overeenstemming met het Groenstructuurplan.
49
Artikel 4 Verkeer Alle openbare ruimten, verblijfs- en verkeersgebieden zijn bestemd tot 'Verkeer'. Binnen deze bestemming zijn ook evenementen, terrassen en weekmarkt mogelijk gemaakt.
Artikel 5 Wonen Binnen de bestemming 'Wonen' zijn een aantal specifieke bouwaanduidingen opgenomen. Binnen de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen aaneengebouwde woningen worden gerealiseerd. De goot- en bouwhoogten van deze woningen zijn aangegeven op de verbeelding.
Artikel 6 Waarde - Archeologie 2 Op de gronden die zijn aangewezen als archeologisch waardevol gebied is de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' gelegd. Ter bescherming van de archeologische belangen zijn op deze gronden slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde toelaatbaar ten behoeve van de bestemming "Archeologisch waardevol gebied". Bouwwerken ten dienste van andere voor deze gronden geldende bestemmingen zijn slechts toelaatbaar indien het bouwwerk dient ter vervanging van een reeds aanwezig bouwwerk, het bouwwerk en de fundering niet dieper komen te liggen dan 1,5 m beneden NAP. Hiervoor is voor het college van burgemeester en wethouders een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Vrijstelling wordt slechts verleend indien de archeologische waarden niet worden geschaad. Ter bescherming van de archeologische belangen in het gebied is voor bepaalde werken en werkzaamheden een aanlegvergunningenstelsel opgenomen. Bepaalde werken en/of werkzaamheden zijn hiervan uitgezonderd Voor het college van burgemeester en wethouders zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen om met inachtneming van een aantal voorwaarden bestemmingsvlakken met de bestemming "Archeologisch waardevol gebied" gedeeltelijk of geheel te verwijderen. Tot slot zijn de procedureregels voorgeschreven die in acht genomen dienen te worden bij de beslissing omtrent een aanlegvergunning of wijziging.
6.3.3
Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Het doel van deze bepaling is om te voorkomen dat, wanneer volgens het bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van het bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waarvan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel zijn bepalingen opgenomen omtrent algemene bouwregels. Het betreft hier bepalingen ten aanzien van bestaande maten en het overschrijden van bouwgrenzen.
Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn (verbods)bepalingen opgenomen over het gebruik van in dit plan begrepen gronden.
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels
50
In dit artikel zijn een aantal algemene afwijkingsbepalingen opgenomen. Deze afwijkingen betreffen het overschrijden van bebouwingsgrenzen, geringe afwijkingen van het bestemmingsplan en het afwijken voor het oprichten van antennes en masten.
6.3.4
Overgangs- en slotregels
Artikel 11 Overgangsrecht Dit artikel betreft de overgangsbepalingen met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot.
Artikel 12 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan 'Goes-West, Noordelijk plandeel'.
51
Hoofdstuk 7 7.1
Handhaving
Inleiding
De gemeenteraad heeft tot taak bestemmingsplannen vast te stellen voor het grondgebied van de gemeente. In elk bestemmingsplan wordt het door de gemeente gewenste ruimtelijke beleid voor een bepaald gebied vertaald. Een nieuw bestemmingsplan legt de bestaande ruimtelijke kaders vast en bepaalt de grenzen waarbinnen planologische ontwikkelingen mogelijk zijn. Het biedt de gemeente een actueel beleidsmatig en juridisch toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven in een specifiek gebied. Om de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde leefomgeving te behouden en te verbeteren, is het noodzakelijk dat na het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan de daaruit voortvloeiende regels ook daadwerkelijk worden nageleefd. In gevallen waarin regels niet uit eigen beweging worden nageleefd dient in beginsel handhavend te worden opgetreden. Het uitblijven van handhavend optreden tegen de overtreding van regels die in een bestemmingsplan worden gesteld aan de bebouwing en inrichting van gronden, heeft een negatieve weerslag op de ruimtelijke kwaliteit, kan leiden tot rechtsongelijkheid, kan ongewenste precedentwerking tot gevolg hebben en vermindert het vertrouwen van de burger in het gemeentebestuur.