CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendapunt 11. Toelichting bestemmingsplan

Oordeelsvormende raad 28 maart 2024, gemeente GoesBij agendapunt: Bestemmingsplan Goes-West (noordelijk plandeel)18.522 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGSPLAN GOES-WEST, NOORDELIJK PLANDEEL GEMEENTE GOES

Opdrachtgever RWS Projecten Auteur Dhondt Projectnummer 23037 IMRO-identificatie NL.IMRO.0664.BPGW22-ON99 Status ontwerp Datum december 2023

Toelichting

3

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Opzet

5 5 6 6 7

Hoofdstuk 2 Beleidskaders 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal beleid 2.3 Regionaal en gemeentelijk beleid

8 8 11 13

Hoofdstuk 3 Inventarisatie en analyse 3.1 Historie plangebied 3.2 Bestaande situatie plangebied

18 18 18

Hoofdstuk 4

20

Visie op het plangebied

Hoofdstuk 5 Sectorale aspecten 5.1 Bodem 5.2 Water 5.3 Geluidhinder 5.4 Archeologie en cultuurhistorie 5.5 Ecologie 5.6 Stikstofdepositie 5.7 Luchtkwaliteit 5.8 Bedrijven en milieuzonering 5.9 Externe veiligheid 5.10 Verkeer en parkeren 5.11 M.e.r.-beoordeling

22 22 24 29 31 36 39 40 42 43 46 48

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving 6.1 Wettelijk kader 6.2 Planvorm 6.3 Toelichting op de bestemmingen

49 49 49 49

Hoofdstuk 7 Handhaving 7.1 Inleiding 7.2 Handhaving bestemmingsplannen 7.3 Handhavingsbeleid 7.4 Opleggen sancties

52 52 52 53 53

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid 8.1 Financiële haalbaarheid 8.2 Kostenverhaal

54 54 54

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke toetsing 9.1 Zienswijzen 9.2 Beroep

55 55 55

4

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

In de woonwijk Goes-West zijn veel verouderde woningen aanwezig die niet meer voldoen aan de eisen van deze tijd. Ook de inrichting, uitstraling en gebruiksmogelijkheden van de openbare ruimte vraagt om veel verbeteringen. Een integrale aanpak is nodig om de wijk weer toekomst- en klimaatbestendig te kunnen maken. De gemeente Goes heeft daarom in 2006 het Masterplan Goes-West vastgesteld. Hierin is de herstructureringsopgave van Goes-West vastgelegd, die erop is gericht om de wijk binnen een periode van circa 30 jaar weer eigentijds te maken. In het masterplan is de Goes-West verdeeld in verschillende deelgebieden. Voor het noordelijk plandeel van Goes-West is het voornemen om de herstructurering gefaseerd in vier fasen uit te voeren. Voorliggende ruimtelijke motivering is van toepassing op de eerste drie fasen van de herstructurering van het noordelijk plandeel. De vierde fase zal in een later stadium worden uitgewerkt en maakt daarom geen deel uit van dit bestemmingsplan. Voor de eerste drie fasen van de herstructurering van het noordelijk plandeel is gekozen om door middel van sloop en nieuwbouw de wijk te vernieuwen en tevens opnieuw in te richten. De gemeente Goes werkt hierin nauw samen met de woningcorporatie Beveland Wonen, die eigenaar is van de hier aanwezige 154 huurwoningen.

De beoogde herstructurering van het plangebied is niet mogelijk te maken binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan 'Goes West'. Om de ontwikkelingen mogelijk te maken is met de gemeente Goes overeengekomen om een nieuw bestemmingsplan op te stellen voor het plangebied. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

Figuur 1.1 Fasering Noordelijk plandeel Goes-West

5

1.2

Plangebied

Goes-West is gelegen ten westen van de binnenstad van Goes. Dit plan is van toepassing op de eerste drie (van de vier) fasen van de herstructureringsopgave van het noordelijk plandeel van Goes-West. Het plangebied bestaat uit de woonpercelen en openbare ruimte die grofweg zijn gelegen tussen de Couwervestraat, Eversenlaan, Jacob Catsstraat en de Joost de Moorstraat. Specifiek gaat het om de 154 huurwoningen van woningcorporatie Beveland Wonen met de volgende adressen: Couwervestraat 59 t/m 80; Bankertstraat 1 t/m 47; Joost de Moorstraat 2 t/m 31; Jacob Catsstraat 2 t/m 38 (even); en Evertsenstraat 18 t/m 96 (even).

Figuur 1.2 Ligging en begrenzing plangebied

1.3

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Goes West' van toepassing. Dit bestemmingsplan is is op 21 maart 2013 vastgesteld door de raad van de gemeente Goes. De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen, voorzieningen ten behoeve van het wonen en aan-huis-gebonden beroepen. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn verschillende bouwvlakken met de bouwaanduiding 'aaneengebouwd' opgenomen. Hier mogen uitsluitend minimaal 3 aaneengebouwde woningen worden gebouwd. Op de bouwvlakken zijn verschillende maatvoeringen opgenomen voor de maximum bouw- en goothoogtes van de woningen. De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn bestemd voor wegen, straten en paden en bij deze doeleinden behorende voorzieningen. Hier mogen uitsluitend nutsvoorzieningen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Ten behoeve van het behoud van het ter plaatse aanwezige archeologisch waardevol gebied, is over het gehele bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' van toepassing. Op deze gronden geldt dat bij bouwwerkzaamheden waarbij de grondverstoring plaatsvindt over een oppervlakte van meer dan 250 m2 en dieper dan 40 cm,

6

met een archeologisch rapport aangetoond moet worden dat er geen archeologische waarden worden geschaad door de werkzaamheden.

Figuur 1.3 Uitsnede bestemmingsplan 'Goes West' (plangebied is rood omlijnd)

Toetsing bestemmingsplan Het voorgenomen plan beoogd de herstructurering van het noordelijk plandeel (fase 1 t/m 3) van de wijk Goes-West. Hierbij worden de 154 bestaande woningen binnen het plangebied gesloopt en vervangen door 148 nieuwe woningen. De beoogde nieuwe stedenbouwkundige opzet van het plangebied en de situering van de nieuwe woningen wijken af van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden die in het geldende bestemmingsplan zijn opgenomen. Om de beoogde herstructurering mogelijk te maken is besloten om voor het plangebied een nieuw bestemmingsplan in procedure te brengen.

1.4

Opzet

Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding (plankaart). De regels en de verbeelding vormen tezamen het juridische bindende gedeelte van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 1 is de aanleiding voor het opstellen van het bestemmingsplan uiteengezet. Hoofdstuk 2 gaat in op het ruimtelijk beleid dat op de voorgestane ontwikkeling van toepassing is. Hoofdstuk 3 beschrijft de bestaande situatie en hoofdstuk 4 bevat de visie op het plangebied. De sectorale aspecten worden behandeld in hoofdstuk 5 en in hoofdstuk 6 wordt de juridische vorm van het bestemmingsplan beschreven. Hoofdstuk 7 beschrijft de handhavingsmogelijkheden op basis van het bestemmingsplan. De economische uitvoerbaarheid is in hoofdstuk 8 aangeduid en tot slot wordt in hoofdstuk 9 de maatschappelijke toetsing en overleg van de beoogde ontwikkeling behandeld.

7

Hoofdstuk 2

Beleidskaders

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt dient rekening te worden gehouden met het ruimtelijke beleid van hogere overheden. Hieronder wordt het initiatief getoetst aan de relevante beleidsstukken met betrekking tot de fysieke leefomgeving van zowel het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente.

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die er zijn. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden om te bouwen aan een mooier en sterker Nederland.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonden steden en regio's Toekomstig bestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

8

Beoordeling en conclusie Bovenstaand rijksbeleid is niet van directe invloed op onderhavige ontwikkeling. Het plan draagt wel bij aan het toekomstbestendig maken van de wijk en voorziet in de woonbehoeftes van de huidige en toekomstige generatie van inwoners. De inhoudelijke keuzes en afweging ligt bij de gemeente. Zij zullen daarbij uiteraard de richtlijnen en vier prioriteiten van het Rijk als leidraad gebruiken.

2.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 22 augustus 2011 vastgesteld en op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van nationale belangen, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, de uitoefening van defensietaken en bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen et cetera. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).

Figuur 2.1 Weergave radarverstoringsgebieden, Rarro 1 december 2020

Beoordeling Het plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied behorende bij het radarstation Wemeldinge. Binnen dit gebied dient rekening te worden gehouden met de functionele bruikbaarheid van het radarstation. Rondom radarstations mogen geen bestemmingen worden opgenomen die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvarabare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. De maximale hoogte van bouwwerken in een radarverstoringsgebied wordt bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf een punt op de top van de radarantenne (radarstation Wemeldinge meter 30 +NAP), oplopend met 0,25 graden tot een punt gelegen 15 kilometer vanaf voornoemde radarantenne.

9

In het kader van de Omgevingswet, die per 1 januari 2024 in werking treedt, zal de bescherming van de radarverstoringsgebieden worden vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In de tabel van bijlage XIV, onder E van het Bkl is de volgende rekenregel opgenomen voor de maximale bouwhoogte van een bouwwerk binnen een straal van 15 km rondom een radarstation: de hoogte van de antenne, vermeerderd met 0,004363 keer de afstand van de locatie waar het bouwwerk wordt toegelaten tot de locatie van de radar. De afstand tussen het plangebied en de antenne van het radarstation bedraagt circa 9,5 kilometer. Uitgaande van de bovenstaande rekenregel mogen binnen het plangebied geen bouwwerken worden gebouwd die hoger zijn dan 71,5 +NAP om het radarbeeld niet te kunnen verstoren. Het plangebied is gelegen op circa 0 meter +NAP.

Conclusie De beoogde nieuwbouwwoningen die met dit plan mogelijk worden gemaakt zullen de maximaal toegestane bouwhoogte ten aanzien van radarstations niet overschrijden. Het plan zal dan ook niet leiden tot verstoringen van het radarbeeld.

2.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 is artikel 3.1.6 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (kortweg: Ladder). De Ladder is een instructieregel die verplicht is voor ruimtelijke plannen waarbij een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' planologisch mogelijk wordt gemaakt. Het doel van de Ladder is het nastreven van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Dit betekent dat de behoefte aan deze nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden aangetoond én dat voor ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied gemotiveerd moet worden waarom deze niet binnen het bestaand stedelijk gebied kunnen worden ontwikkeld. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Ladder worden overgenomen in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij toepassing van de Laddertoets dient antwoord gegeven te worden op de vragen in de onderstaande vragenlijst. De vragenlijst van de Laddertoets dient doorlopen te worden totdat een vraag met 'nee' beantwoord kan worden. 1. 2. 3. 4. 5.

Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Is de voorgenomen ontwikkeling gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorgenomen ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied te realiseren?

Beoordeling De sloop en vervangende nieuwbouw betreft een herstructureringsproject gelegen in bestaand bebouwd gebied. Hiermee is de ontwikkeling aan te merken als een inbreidingsproject. Bruto bedraagt de nieuwbouw 148 woningen, netto worden er 6 woningen aan de woningvoorraad onttrokken. In de regionale woningmarktafspraken (mei 2020) en de Zeeuwse Woondeal (maart 2023) is de kwantitatieve woningbehoefte vastgesteld. Uitgaande van de recente Zeeuwse Woondeal gaat het om een behoefte van 2.735 woningen voor de periode 2022 tot en met 2030. Daarin is ook aangegeven dat de harde plancapaciteit in deze periode 915 woningen bedraagt. Tot en met november is er voor zo'n 30 woningen aan harde plancapaciteit toegevoegd en zijn ruim 260 woningen in procedure. Daarmee bedraagt de ladderruimte op basis van de recente Woondeal 1.530 woningen; deze ladderruimte is ruim voldoende voor

10

de fase 1 tot en met 3 van het Noordelijk plandeel Goes-West met 148 woningen (bruto). Inclusief sloop worden er in totaal 6 woningen aan de woningvoorraad onttrokken (netto).

Conclusie Op basis van de bovenstaande beoordeling is de voorgenomen herstructurering van het plangebied niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Een verdere verantwoording aan de Ladder is daarom niet nodig.

2.2

Provinciaal beleid

2.2.1

Zeeuwse Omgevingsvisie 2021

Provinciale Staten van Zeeland hebben op 12 november 2021 de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de volle breedte van de leefomgeving en alle andere onderwerpen die van belang zijn voor de toekomst van Zeeland. De visie voldoet aan de vereisten die de Omgevingswet stelt aan een Omgevingsvisie. De Zeeuwse ambities zijn: Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied. Een duurzame en innovatieve economie. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland. Deze vier Zeeuwse ambities vragen om een goede afweging van keuzes, zowel op regionaal als op lokaal niveau. De drie afwegingsprincipes die het Rijk daarvoor heeft bedacht (zie paragraaf 2.1.1) zijn in de Zeeuwse Omgevingsvisie vertaald naar vier afwegingsfactoren. Deze zijn nodig om een zorgvuldige afweging te kunnen maken bij concrete initiatieven en activiteiten in Zeeland. Deze afwegingsfactoren zijn: Doe meer met minder grond. Werk samen en deel kosten en baten. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld. De vier ambities zijn algemene strategische ambities met 2050 als horizon. Deze moeten ook richting geven aan beleidsdoelstellingen voor de kortere termijn (2030).

In de Omgevingsvisie Zeeland is dan ook het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven. Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema's (bouwstenen) uitgewerkt waarbij het beleid voor de komende 10 jaar is weergegeven en waarvoor instrumenten, waaronder de Zeeuwse Omgevingsverordening, kunnen worden ingezet.

11

Figuur 2.2 Ambities en bouwstenen (bron: Zeeuwse omgevingsvisie deel A)

Toetsing en conclusie Kijkend naar het onderhavige plan sluit deze het meest aan bij de bouwstenen zoals genoemd onder de ambitie 'Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland'. Bij inrichting en ordening van de ruimte wordt gestuurd op bundeling van functies voor het uitlokken van gezond gedrag, duurzaamheid en veiligheid. Hierbij wordt het volgende aangegeven: Herbestemming en herstructureringsopgaven bieden kansen om de omgeving zo in te richten dat de fysieke veiligheid wordt vergroot en gezond gedrag wordt bevorderd. De inrichting en ordening van onze ruimte kan zorgen voor voldoende afstand tussen (kwetsbare) bewoners en risicobronnen, goede vluchtroutes, bereikbaarheid voor hulpverleners, maar ook bijdragen aan zelfredzaamheid en gezond gedrag (bewegen, ontmoeten, ontspannen, eten). Dit vraagt om nabijheid van functies en het veilig en aantrekkelijk en uitnodigend maken van onze buitenruimte, ook voor ouderen en mensen met een beperking. Door invulling van onderhavig plan wordt aangesloten bij de Zeeuwse ambities.

2.2.2

Omgevingsverordening Zeeland 2018

De Omgevingsverordening Zeeland 2018 heeft net als het Zeeuwse Omgevingsplan betrekking tot de fysieke leefomgeving van de provincie. Er zijn in de omgevingsverordening geen specifieke regels opgenomen die dit projectgebied raken. Ten aanzien van de functie wonen is in de omgevingsverordening het volgende opgenomen:

Artikel 2.7 Wonen: In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie in het landelijk gebied wordt toegelaten wordt aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de in bijlage C bedoelde voorwaarden. Nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties in het landelijk gebied, die niet voldoen aan de in bijlage C bedoelde voorwaarden, worden in een bestemmingsplan niet toegelaten. In bijlage C zijn drie mogelijkheden opgenomen:

12

1. Het benutten van bestaande bebouwing, rood voor rood; 2. Ruimte voor Ruimte; 3. Nieuwe bebouwing, rood voor groen. Toetsing en conclusie Met betrekking tot wonen richt de Omgevingsverordening Zeeland 2018 zich met name tot woningbouw in het landelijk gebied. De omgevingsverordening stelt geen voorwaarden aan woningbouw in bestaand stedelijk gebied. Onderhavig plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, de Omgevingsverordening Zeeland 2018 is daarom niet van invloed op dit initiatief.

2.3

Regionaal en gemeentelijk beleid

2.3.1

Regionale Woningmarktafspraken

De vijf Bevelandse gemeenten hebben regionale woningmarktafspraken opgesteld en opgenomen in de 'Woningmarktafspraken De Bevelanden 2020 - 2030' (mei 2020). In dit document zijn de volgende uitgangspunten opgenomen:

Algemeen Niet méér bouwen dan de behoefte; Uitsluitend producten die echt iets toevoegen; goede producten op goede plekken; Lokaal maatwerk, aansluiten bij DNA van de plek; Flexibiliteit in de plannen; Onderling bespreken en afstemmen aan de voorkant. Ruimtelijk Hoge dichtheid in de kernen, lage in het landschap; In principe binnen de kernen, bij voorzieningen; Inbreiden voor uitbreiden; Vooral focus op kleine huishoudens in stad en dragende kernen; Inzetten op "mooie woondorpen". Programmatisch Duurzaam, extra energiebesparende maatregelen; Levensloop- en toekomstbestendig; Aandacht voor groen en water; Omvang voorraad sociale huurwoningen gelijk; Extra middenhuurwoningen; Meer hoogwaardige grondgebonden nultreden en semipermanente woningen. Vanuit het afsprakenkader wordt ingezet op: Realistische woningbouwproductie met ambitie. Binnen het programma wordt ruimte gecreëerd om in te kunnen spelen op de behoefte uit de markt. De juiste kwaliteit, Product Markt Combinaties en woonmilieus. Er wordt gestreefd naar een optimale match tussen vraag en aanbod. Toetsing en conclusie Met de beoogde herstructurering van het noordelijk plandeel van Goes-West wordt

13

ingespeeld op de behoefte aan een kwaliteitsverbetering van de sociale woningvoorraad. Het plan voorziet in de sloop van de 154 verouderde huurwoningen, waarvoor in de plaats 148 duurzame en toekomstbestendige woningen worden terug gebouwd. Een deel van de nieuwe woningen zullen daarbij ook geschikt zijn als levensloopbestendige woningen. Door het plangebied anders in te richten komt er daarnaast ook meer ruimte in de wijk beschikbaar voor groen. De herstructurering van het noordelijk plandeel van Goes-West sluit daarmee aan bij de doelen die zijn vastgelegd in de regionale woningmarktafpraken. Daarnaast hebben het Rijk, de provincie en de Zeeuwse gemeenten de Zeeuwse Woondeal gesloten (maart 2023). In deze afspraken zijn de ambities en doelen vastgelegd voor de opgaven voor de bouw en de versnelling van woningbouw, sleutelprojecten en herstructurering, betaalbaarheid (sociale- en middenhuurwoningen + 'goedkope' koopwoningen), de bouw van voor senioren geschikte woningen en de huisvesting van aandachtsgroepen.

Concreet is in de afspraken voor de periode 2022 tot en met 2030 opgenomen: Een woningbehoefte van 2.735 woningen; De ambitie om 1/3 deel van de woningen te bouwen in de categorie sociale huur (875 woningen) en 1/3 deel van de woningen in de categorie betaalbaar bestaande uit middenhuurwoningen met een maandhuur tot € 1.000 en/of koopwoningen met een maximale koopprijs van € 355.000 (900 woningen); De behoefte aan voor senioren geschikte woningen: 510 nultredenwoningen en 200 geclusterde woningen.

2.3.2

Regionale woonvisie

Met de Regionale Woonvisie De Bevelanden 2019 - 2023 beogen de vijf Bevelandse gemeenten inzicht te geven in de gezamenlijke missie en ambities van de regiogemeenten op het gebied van het wonen (oktober 2019). De visie is een parapluvisie voor verdere uitwerking in lokaal beleid. De Regionale Woonvisie bevat de volgende missie: 'Wij willen een aantrekkelijke regio zijn waar men graag woont, met een regionaal passend, duurzaam en toekomstbestendig woningaanbod'. Vanuit deze missie zijn de volgende vijf ambities geformuleerd: 1. De Bevelanden zet in op een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad: De Bevelanden heeft forse ambities op het gebied van duurzaamheid. In de woningvoorraad kan nog veel energie bespaard worden. 2. De Bevelanden voor iedereen: De regio De Bevelanden wil een complete regio zijn, met een passend woningaanbod voor jong en oud, rijk en arm, kleine en grote huishoudens, met en zonder ondersteuning, permanent en tijdelijk. 3. De Bevelanden zet alleen in op nieuwbouw die echt iets toevoegt: De Bevelanden streeft naar evenwicht in vraag en aanbod op de woningmarkt. De verwachte huishoudensgroei is de belangrijkste onderlegger voor het regionale woningbouwprogramma. 4. De Bevelanden benut het bestaande: De Bevelanden streeft naar een toekomstbestendige woningvoorraad.

Dit betekent continu investeren in onderhoud, aanpasbaarheid en verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. Naast de focus op vastgoed zal er ook aandacht moeten zijn voor de aanpak van sociale problematiek en de kwaliteit van de openbare ruimte. 5. De Bevelanden zorgt: Regio De Bevelanden wil een zorgzame regio zijn, waar vraag en aanbod naar wonen met zorg in balans zijn, ook voor de meest kwetsbare groepen.

14

Hierbij ziet de regio kansen voor innovatieve vormen van wonen met zorg die de diversiteit aan woonmilieus voor regionale woningmarkt als geheel zullen vergroten. Toetsing en conclusie Met de beoogde herstructurering vindt er een kwaliteitsverbetering plaats binnen de sociale woningvoorraad en de woonomgeving van het noordelijk plandeel van Goes-West. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming van met de regionale woonvisie.

2.3.3

Structuurvisie Goes2040

In juni 2012 heeft de gemeente Goes de Structuurvisie Goes2040 vastgesteld. In de structuurvisie zijn het beleid en de verwachte ontwikkelingen met een ruimtelijke relevantie weergegeven. Denk bijvoorbeeld aan wonen, werken en verkeer. Daarnaast is een aantal uitgangspunten opgenomen over zorg, welzijn, onderwijs en cultuur. In de structuurvisie zijn geen specifieke uitgangspunten opgenomen die betrekking hebben op dit plan.

Figuur 2.3 Uitsnede structuurvisie Goes2040 (locatie Goes-West aangeduid met een rode 'X')

Toetsing en conclusie Ten aanzien van wonen wordt er in de structuurvisie beschreven dat de gemeente Goes streeft naar kwalitatief hoogwaardige woonmilieus voor alle leeftijdsgroepen. Daarbij gaat het niet alleen om de juiste woning, toegesneden op de huidige en toekomstige gebruiker maar ook om de kwaliteit van de woonomgeving. Waar mogelijk wordt gestreefd naar energieneutrale bestaande bouw en nieuwbouw. Steeds meer aandacht zal nodig zijn voor onderhoud en waar nodig verbetering of herstructurering van bestaand bebouwd gebied. In woongebieden wordt ook een beperkte mate van functiemenging voorgestaan, bijvoorbeeld met dienstverlening of lichte bedrijvigheid, indien deze met de beoogde woonkwaliteit kan worden gecombineerd. De locatie van het plangebied is op de kaart van de structuurvisie aangeduid als 'herstructurering wonen'. In 2008 is gestart met de herstructurering van Goes-West. Deze wijk wordt gekenmerkt door een huurwoningvoorraad die eenzijdig en in een aantal opzichten woontechnisch verouderd is. Ook aan de inrichting en het gebruik van het openbaar gebied kan veel worden verbeterd. Het doel van de vernieuwing van de wijk is het

15

creëren van een wijk met een variëteit aan woningen voor gezinnen, alleenstaanden, ouderen en starters op de woningmarkt. Door een groenvoorziening als drager van de wijk te introduceren krijgt de openbare ruimte meer herkenbaarheid, bruikbaarheid en structuur en krijgt de wijk meer samenhang. In een gefaseerde aanpak die ongeveer tot 2030 loopt, zullen 485 verouderde woningen worden gesloopt en worden vervangen door in totaal 640 woningen. De beoogde herontwikkeling van het noordelijk plandeel van Goes-West, die middels dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, betreft een directe uitwerking van het gemeentelijke beleid zoals vastgelegd in de Structuurvisie2040.

2.3.4

Groenstructuurplan 2014-2024

In het Groenstructuurplan wordt de gemeentelijke visie op het openbaar groen beschreven. Er wordt gestreefd naar robuust en duurzaam groen, waarmee de hoofdgroenstructuren behouden blijven en versterkt worden. De juiste boom op de juiste plek is van belang, zodat deze kunnen uitgroeien tot volwassen exemplaren. hiermee wordt gestreefd naar het waarborgen en verhogen van de kwaliteit van de groene leefomgeving. Groen is van wezenlijk belang voor de woon-, werk- en leefomgeving van de stad Goes en de dorpskernen. Mensen voelen zicht prettiger in een groene omgeving. Zeker als dit groen ook fysiek beleefd kan worden. Goes wil graag dat de bewoners Goes ervaren als een mooie, groene stad en gemeente waar het goed toeven is. Groen trekt mensen aan. Groen loont. Daarom wil de gemeente zich inzetten voor Groen met een positieve uitstraling waarbinnen het plezierig wonen, werken en recreëren is. Het Groenstructuurplan geeft aan vanuit welke visie er gewerkt wordt naar een fraaie en vooral duurzame groene inrichting van de woon- en werkomgeving. Het openbaar groen is er primair voor de bewoners, het groen moet gebruikt kunnen worden en men moet ervan kunnen genieten. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en herinrichtingen, zal aandacht voor behoud, verbetering of compensatie van bestaande groenvoorzieningen een belangrijk onderdeel vormen van het project.

Toetsing en conclusie In de beoogde herstructurering krijgen de straten binnen het plangebied een groen beeld. Dit komt door het plaatsen van bomen in de hoven en het geven van voortuinen met groene erfafscheidingen aan de woningen. Daarnaast wordt in de wijk een langzaam-verkeersroute aangelegd met het centrum. Deze verbinding zal worden ingericht als een groene ruggengraat die van oost naar west door de wijk zal lopen. Binnen het plangebied is langs de Jacob Catsstraat een brede groene strook geprojecteerd die onderdeel uitmaakt van de groene ruggengraat. Dit gebied kan tevens worden ingericht als een park voor spelen en bewegen in de wijk.

2.3.5

Welstandsnota (mei 2016)

Het welstandsbeleid van de gemeente Goes is verwoord in de "Welstandsnota Goes". Het belangrijkste doel van het welstandsbeleid is het vormen van een toetsingskader voor welstand, waarmee de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten behouden en versterkt kunnen worden. Hiervoor zijn een aantal beoordelingskaders opgesteld, waaronder enkele van gebiedsgerichte aard. Deze dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsomschrijving van het desbetreffende deelgebied waarop de omgevingsaanvraag van toepassing is te worden gehanteerd.

16

Figuur 2.4 Uitsnede welstandsnota (plangebied is rood omlijnd)

Het plangebied is gelegen in een gebied dat is gekenmerkt door 'naoorlogse woningbouw'. Hier is het welstandstoezicht gericht op het handhaven van de basiskwaliteit. Bij deze gebieden wordt uitgegaan van de zogenaamde voor- en achterkant benadering. Het welstandstoezicht blijft beperkt tot die bouwwerken die vanaf het openbaar toegankelijke gebied zichtbaar zijn. Bouwwerken gesitueerd in een achtererfgebied en niet grenzend aan het openbaar gebied en/of op een niet naar de weg gekeerd dakvlak worden bij dit beleid niet onderworpen aan een preventieve welstandstoets.

Toetsing en conclusie In voorliggende situatie is sprake van vervangende nieuwbouw. De beoogde nieuwe ligging en situering van de woningen binnen het plangebied zal op een aantal plaatsen afwijken van de bestaande situatie. Hierdoor kan meer ruimte worden gecreëerd voor groen en parkeervoorzieningen. Er is een beeldkwaliteitsplan voor deze ontwikkeling opgesteld. Deze is als bijlage 1 aan de ruimtelijke motivering toegevoegd. Na vaststelling van het beeldkwaliteitsplan zal deze integraal onderdeel uitmaken van de "Welstandsnota Goes". De details en uitstraling van de gebouwen zullen getoetst worden bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen.

17

Hoofdstuk 3 3.1

Inventarisatie en analyse

Historie plangebied

Het plangebied is gelegen in de wijk Goes-West ten westen van de binnenstad van Goes. De eerste straten van Goes-West, de Schengestraat, de Scheldestraat en de Couwervestraat, dateren uit de jaren '20 van de twintigste eeuw. Destijds, vlak na de Eerste Wereldoorlog, was er sprake van een groot tekort aan woningen. In deze periode van 1918 tot 1923 werden meer dan 250 woningen gebouwd. Na de realisatie van deze bouwplannen was er nog steeds sprake van woningnood. De binnenstad van Goes was volgebouwd, dus de gemeente was gedwongen om verder te bouwen buiten de Veste. Vanaf deze periode werden er in Goes-West van tijd tot tijd diverse kleine groepen woningen gebouwd tot aan 1940, toen de ontwikkeling van de wijk stagneerde vanwege de Tweede Wereldoorlog. In de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog was er opnieuw sprake van een groot woningtekort in Goes, die door de explosieve bevolkingsgroei nog verder zou oplopen. Om de woningnood op te lossen zijn er destijds verschillende woningbouwplannen in ontwikkeling gebracht. Op deze wijze zijn ook de straten en woningen die het huidige plangebied vormgeven ontstaan als naoorlogse woonwijk.

Figuur 3.1 Ontwikkeling Goes-West in de twintigste eeuw (bron: topotijdrijs.nl)

3.2

Bestaande situatie plangebied

Het plangebied bestaat uit de 154 huurwoningen van Beveland Wonen aan de Couwervestraat, Evertsenstraat, Jacob Catsstraat, Bankertstraat en de Joost de Moorstraat en de daartussen gelegen openbare ruimte. De woningen zijn voornamelijk rijwoningen variërend van één tot twee bouwlagen met kap

18

en zijn in eigendom van de woningcorporatie Beveland Wonen. In de bestaande situatie verkeren de woningen in een verouderde staat waardoor ze niet voldoen aan de huidige isolatienormen. Dit vertaald zich onder andere in hogere energierekeningen. Daarnaast voldoen de indelingen en afmetingen van de woonruimten binnen de woningen niet meer aan de huidige woonstandaard. De openbare ruimte binnen het plangebied bestaat volledig uit de woonstraten en enkele parkeervoorzieningen. In het openbaar gebied zijn zeer weinig bomen of andere openbare groenvoorzieningen aanwezig die kwaliteit toevoegen. Doordat het openbaar gebied nagenoeg volledig is verhard, is het plangebied ook niet klimaatbestendig. Er zijn geen voorzieningen aanwezig die bij zware regenbuien het hemelwater kunnen opvangen waardoor de rioleringen kunnen overlopen en het water op straat komt te staan. Het verharde openbaar gebied en de dicht op elkaar staande bebouwing hebben op warme zomerdagen tevens een negatief effect op de mate waarin hittestress voorkomt. Het plangebied is in de bestaande situatie niet toekomst- en klimaatbestendig. Een integrale aanpak van de problematiek is noodzakelijk om het woon- en leefklimaat binnen het plangebied te kunnen waarborgen.

Figuur 3.2 Foto bestaande woningen aan de Bankertstraat

19

Hoofdstuk 4

Visie op het plangebied

Om de huidige problematiek van het plangebied aan te pakken zijn Beveland Wonen en de gemeente Goes het initiatief gestart om de wijk te vernieuwen en tevens opnieuw in te richten. De herstructureringsopgave van het plangebied zal worden uitgevoerd in drie fasen, die elkaar zullen opvolgen. Hierbij zullen alle 154 huurwoningen van Beveland Wonen die binnen het plangebied aanwezig zijn worden gesloopt. Door het plangebied opnieuw in te richten kan efficiënter met de beschikbare ruimte worden omgegaan. Hierdoor kunnen er binnen het plangebied 148 nieuwe huurwoningen worden gebouwd en komt meer ruimte beschikbaar voor het aanleggen van openbaar groen en voldoende parkeervoorzieningen. Voor de beoogde nieuwe situatie van het plangebied is door de gemeente Goes en Beveland Wonen een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan biedt kaders voor een goede samenhang en afstemming tussen het stedenbouwkundige plan, de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte. Het beeldkwaliteitsplan is als Bijlage 1 toegevoegd aan voorliggende ruimtelijke motivering.

Figuur 4.1 Het plangebied zal in de beoogde situatie een tuindorpachtig karakter krijgen. Bij de herstructurering van het plangebied zijn de bestaande straten als uitgangspunt genomen. De bestaande ondergrondse infrastructuur kan zodoende voor een groot deel gehandhaafd blijven. De nieuwe woningen worden uitgevoerd als grondgebonden tussenwoningen van één tot twee bouwlagen met een variatie aan verschillende kapvormen. De woonblokken zullen bestaan uit vier tot maximaal negen woningen en worden op zodanige wijze gesitueerd dat in de daartussen gelegen ruimten binnenhoven ontstaan. Een deel van de hoven zal een groene invulling krijgen met ruimte voor waterberging, spelen en recreëren. Het andere deel van de binnenhoven zal worden ingericht ten behoeve van het bewonersparkeren. Door de parkeerplaatsen binnen het plangebied uit te voeren met grasstenen wordt het verharde oppervlakte zo klein mogelijk gehouden. De architectuur van de nieuwe woningen zal het tuindorp karakter verder moeten ondersteunen. Een van de kenmerken van de Tuindorp-gedachte is dat de individuele woning ondergeschikt is aan het woonblok als geheel. Door de hoekwoningen uit te voeren

20

met een dwarskap of andere accenten in de voorgevel geven de woonblokken de wijk identiteit, karakter en herkenbaarheid en wordt er verwezen naar het tuindorp.

21

Hoofdstuk 5

Sectorale aspecten

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met verschillende sectorale aspecten. Aangetoond dient te worden dat het plan milieuhychiënisch uitvoerbaar is en er wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Wanneer voorliggend bestemmingsplan wordt vastgesteld zal naar verwachting de Omgevingswet inmiddels in werking zijn getreden. Ten behoeve van de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan en het aanvragen van de benodigde omgevingsvergunning(en), is in dit hoofdstuk daarom tevens rekening gehouden met de nieuwe wetgeving en de grens- en beoordelingswaarden die hierbij van toepassing zullen zijn.

5.1

Bodem

Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling van het plangebied dient aangetoond te worden dat de (milieuhychiënische) bodemkwaliteit geschikt is voor het gewenste gebruik. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Ten behoeven van de beoogde ontwikkeling van het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is in Bijlage 2 toegevoegd. Hieronder volgt een samenvatting van het rapport met de belangrijkste resultaten en conclusie.

Verkennend bodemonderzoek Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhychiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging die een belemmering kan vormen voor de voorgenomen plannen. Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende deellocaties onderscheiden: Deellocatie A: Couwervestraat 59 t/m 79; verdacht op NEN-parameters, arseen, OCB en asbest (bij puin); Deellocatie B: Bankertstraat 1 t/m 47, Couwervestraat 66 t/m 80 en Evertsenstraat 18 t/m 84; verdacht op NEN-parameters, arseen, OCB en asbest (bij puin); Deellocatie C: Bankertstraat 2 t/m 40, Joost de Moorstraat 3 t/m 31 en Couwervestraat 60 t/m 64; verdacht op NEN-parameters, arseen, OCB en asbest (bij puin); Deellocatie D: Evertsenstraat 86 t/m 69 en Jacob Catsstraat 2 t/m 38; verdacht op NEN-parameters, arseen, OCB en asbest (bij puin); Deellocatie E: Joost de Moorstraat 2 t/m 28; verdacht op NEN-parameters, arseen, OCB en asbest (bij puin); Deellocatie F: gedempte watergang; verdacht op NEN-parameters en asbest (bij puin). Zintuiglijke waarnemingen Zintuiglijk zijn in de grond sporen tot matig puin en sporen tot zwak kolengruis waargenomen. Puin waarvan de aard en herkomst onbekend is dient als asbestverdacht beschouwd te worden.

Verkennend bodemonderzoek Deellocatie A: Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond (traject 0,20 - 0,50 m-mv) ter plaatse

22

van boring A10 een sterke verontreiniging met PCB aanwezig is. In de ondergrond vanaf 0,50 m-mv is deze verontreinigingen niet meer aangetoond. Verder zijn in de bovengrond op deze deellocatie hooguit lichte verontreinigingen aanwezig met kwik, lood, zink, PAK en PCB. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. Het grondwater is licht verontreinigd met arseen en molybdeen.

Deellocatie B: In een mengmonster van de bovengrond is een sterke verontreiniging aangetoond met lood. Na uitsplitsing bleek in de individuele monsters hooguit sprake te zijn van lichte verontreinigingen met lood. Verder zijn in de bovengrond op deze deellocatie hooguit lichte verontreinigingen aangetoond met koper, kwik, lood, zink, minerale olie, PAK, PCB, drins en HCB. De ondergrond is licht verontreinigd met koper, kwik, lood zink en PAK.. Het grondwater ter plaatse van peilbuis B02 blijkt sterk verontreinigd te zijn met arseen. Peilbuis B01 is licht verontreinigd met arseen en in peilbuis B03 zijn geen verontreinigingen met de onderzochte stoffen aangetoond.

Deellocatie C: De bovengrond ter plaatse van deze locatie is hooguit licht verontreinigd met koper, kwik, lood, zink, PAK en PCB. De ondergrond is licht verontreinigd met kwik, lood en PAK. Het grondwater in beide peilbuizen blijkt sterk verontreinigd te zijn met arseen. Verder zijn hooguit lichte verontreinigingen aangetoond met barium, molybdeen en xylenen.

Deellocatie D: Ter plaatse van boring D10 is in de bovengrond (traject 0,00 - 0,50 m-mv) een sterke verontreiniging met zink en DDT en een matige verontreiniging met lood en nikkel aangetoond. In de ondergrond (traject 0,50 - 1,0 m-mv) van boring D10 blijkt hooguit sprake te zijn van lichte verontreinigingen met lood en nikkel. De verontreinigingen met zink en DDT zijn hier niet aangetoond. Verder blijkt de bovengrond op deze deellocatie hooguit licht verontreinigd te zijn met cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, PAK, PCB en diverse OCB. De ondergrond blijkt licht verontreinigd te zijn met molybdeen. In het grondwater blijkt een sterke verontreiniging met arseen aanwezig te zijn. Daarnaast zijn lichte verontreinigingen aangetoond met barium, molybdeen en xylenen.

Deellocatie E: De bovengrond blijkt hooguit licht verontreinigd te zijn met kwik, lood, zink en PAK. In de ondergrond is een lichte verontreiniging met molybdeen aangetoond. Het grondwater blijkt licht verontreinigd te zijn met arseen, molybdeen en xylenen.

Conclusie en aanbevelingen De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De omvang van de sterke grondverontreiniging is horizontale richting met PCB ter plaatse van boring A10 is vooralsnog niet bekend. Ook is de omvang van de sterke grondverontreiniging in horizontale richting met zink en DDT en de matige grondverontreiniging met lood en nikkel ter plaatse van boring D10 niet bekend. Geadviseerd wordt om nader onderzoek uit te voeren om de aard en omvang van de aangetoonde verontreinigingen vast te stellen. Daarnaast zijn in het grondwater lichte tot

23

sterke verontreinigingen met arseen aangetoond. Verhoogde (achtergrond)concentraties met arseen worden vaker in de provincie Zeeland aangetoond en er wordt verwacht dat deze veroorzaakt worden door natuurlijke bodemprocessen. Omdat arseen niet aan (bedrijfs)activiteiten te relateren is wordt nader onderzoek niet zinvol geacht. Verder zijn op alle deellocaties hooguit lichte verontreinigingen met de onderzochte stoffen in de grond en in het grondwater aangetoond. De aangetoonde lichte verontreinigingen zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. In verband met de waargenomen puinbijmengingen in de grond op alle deellocaties wordt geadviseerd om een verkennend asbestonderzoek uit te voeren, omdat puin waarvan de aard en herkomst onbekend is als verdacht op asbest beschouwd dient te worden.

Conclusie Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek zal ter plaatse van het plangebied een nader bodemonderzoek naar de aangetroffen bodemverontreinigingen en een verkennend asbestonderzoek worden uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zullen bij de aanvraag omgevingsvergunning worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.

5.2

Water

Bij ruimtelijke ontwikkelingen of bouwplannen dient water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te worden genomen en beschermd te worden. Concreet betekent dit dat onder andere onderzocht moet worden hoe op een duurzame wijze kan worden omgegaan met water. Hierbij speelt vasthouden, bergen en afvoeren van water in eigen gebied een belangrijke rol. Wanneer voor bouwplannen een bestemmingsplanwijziging nodig is, zal als een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan of besluit, een waterparagraaf opgenomen moeten worden. De waterparagraaf beschrijft de invloed van het plan op het watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het besluit of plan oplegt. Daarnaast worden de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of besluit hierin meegenomen en omvat het op basis van de gemaakte afwegingen een wateradvies. Om de waterhuishoudkundige consequenties van het plan in beeld te brengen en de waterbelangen te waarborgen c.q. te wegen dient voor deze situatie de watertoets te worden opgesteld. De watertoets vormt de basis voor het vastleggen van het wateraspect in het ruimtelijke plan. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. Bij de weging van het waterbelang vormen de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving uit het omgevingsplan en de waterschapsverordening de basis.

De weging van het waterbelang geldt ook voor het afwijken van een omgevingsplan bij een zogenaamde buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ten aanzien van de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt heeft Econsultancy een watertoets opgesteld. De volledige watertoets is in Bijlage 3 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan. Hieronder volgt een samenvatting met de belangrijkste punten.

Watertoets Waterbeleid Nationaal Water Programma 2022 - 2027 De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben in 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan

24

2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en Rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland.

Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptie De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema's beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken. Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om 'klimaat adaptief' te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben. Met klimaat adaptief wordt bedoeld: het klimaat veerkrachtig en robuust inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland. Met het nemen van klimaat robuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en (economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken.

Waterschap Scheldestromen Het waterschap heeft met betrekking tot waterbeheer een serie richtlijnen opgesteld voor planontwikkelingen in bebouwd gebied. Met deze richtlijnen geeft het waterschap aan waarmee rekening moet worden gehouden bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan. Uitbreiding van verhard oppervlak heeft tot gevolg dat hemelwater sneller wordt afgevoerd en veelal minder geborgen/geïnfiltreerd kan worden in de ondergrond. Bij een ruimtelijk plan met een toename aan afstromend verhard oppervlak dient vooraf te worden bepaald waarheen en hoe het overtollige hemelwater wordt geborgen (afgevoerd). Dit geldt overigens ook voor 'inbreidingen' en voor afkoppelprojecten van (bestaand) bebouwd gebied. Wanneer er een toename is van verhard oppervlak, mag het extra verharde oppervlak niet worden aangesloten op het gemengde rioolstelsel. Hiervoor dient, indien het water niet hergebruikt wordt, compensatie plaats te vinden in de vorm van een infiltratie- of extra aan te leggen waterbergingsvoorziening. Waterberging kan aangelegd worden op eigen terrein of gezocht worden in het watersysteem van het waterschap. Voor de inrichting van deze berging bestaat een groot aantal mogelijkheden.

Berging kan aangelegd worden door middel van nieuw te graven open water, maar kan bijvoorbeeld ook worden gevonden in droge bergingen zoals wadi's, regenwaterbassins en doorlatende verhardingen met ondergrondse waterberging. Het te hergebruiken of te infiltreren water kan in mindering worden gebracht op de waterbergingseis.

25

Voor de berekening van de waterberging wordt uitgegaan van een neerslagsituatie met een herhalingstermijn van 1 x per 100 jaar (T=100). Een dergelijke bui moet in principe binnen het ruimtelijk plangebied kunnen worden geborgen. Als richtlijn wordt gerekend met een waterbergingsbehoefte van 75 mm neerslag per m2 toename verhard oppervlak. In nieuw bebouwd gebied moet worden tegengegaan dat 'schone' verhardingen op het vuilwaterriool worden aangesloten. In bestaand bebouwd gebied is dat beter bekend onder de term afkoppelen. Wanneer geen uitlogende materialen, zoals koper, zink en lood worden gebruikt, wordt het afstromende hemelwater beschouwd als schoon. Dit hemelwater dient bij voorkeur in de aangegeven voorkeursvolgorde te worden aangewend: 1. hergebruik (bijv. voor toiletten, (auto)wassen, tuinsproeien); 2. infiltratie in de bodem; 3. lozing op oppervlaktewater (en kansen voor het (extra) doorspoelen daarvan). Het verlies aan waterberging door dempingen en door het instellen van een hoger oppervlaktewater-peil binnen een ruimtelijk plangebied t.o.v. het oorspronkelijk waterpeil dient te worden gecompenseerd. Doorgaande verbindingen die voor het waterbeheer van het achterliggende gebied noodzakelijk zijn, kunnen pas worden gedempt of aangepast nadat zij afdoende zijn gecompenseerd of omgeleid.

Als de benodigde totale waterberging planologisch gelokaliseerd is in een latere fase, dan dient per fase van het ruimtelijk plan rekening te worden gehouden met voldoende compensatie per onderdeel, zodat de realisatie van de waterberging (eventueel elders) ook gelijke tred houdt met de uitbreiding van het verharde oppervlak. In de waterparagraaf dient ingegaan te worden op de fasering en onderbouwing van de waterbergingsaspecten. Het heeft de voorkeur om waterberging en waterpartijen in het laagste deel van het peilgebied te situeren. Bij een hogere ligging van de waterberging dient de effectiviteit van een waterberging te worden gewaarborgd; vaak is het dan nodig dat er een specifiek peil regulerend kunstwerk wordt geplaatst.

Gemeente Goes De gemeente Goes streeft ernaar om het watersysteem binnen haar gemeentegrenzen duurzaam in te richten en te onderhouden. Dit doet zij in samenwerking met de waterbeheerder, Waterschap Scheldestromen. Het watersysteem moet daarbij voldoen aan gestelde normen van de waterbeheerder en de functies kunnen vervullen zoals die omschreven zijn in het Waterplan Goes. Dit beleidsplan voor water in het bebouwde gebied is opgesteld in samenwerking met het waterschap. Naast de samenwerking met de waterbeheerder wordt het gemeentelijke beleid ook afgestemd op het Omgevingsplan Zeeland 2018, waarin de provincie Zeeland het Rijksbeleid door vertaalt en uitwerkt. De doelstelling van het Omgevingsplan ten aanzien van water is een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en de waterbodems, een peilbeheer en een aanvaardbaar risico op wateroverlast dat is afgestemd op bestaande en toekomstige functies. De gemeente Goes hanteert als beleid, dat bij nieuw- en/of verbouw (inbreiding of uitbreiding) het vuilwater en het hemelwater gescheiden moeten worden aangeboden (conform het bouwbesluit 2012). In nieuwbouwsituaties dienen perceel eigenaren binnen financieel en praktisch haalbare grenzen het hemelwater op eigen terrein te verwerken, tenzij dit aantoonbaar niet mogelijk blijkt. Deze haalbaarheidstoets wordt door de gemeente uitgevoerd.

Bij planologische wijzigingen vereist de gemeente Goes een geohydrologisch onderzoek. Op basis van dit onderzoek beoordeelt de gemeente of de perceelseigenaar redelijkerwijs in staat is het hemelwater zelf te verwerken. Bij deze beoordeling betrekt de gemeente in ieder geval de volgende uitgangspunten: de lokale geohydrologische omstandigheden

26

(doorlatendheid bodem, grondwaterstand en de nabijheid van oppervlaktewater) en een kostenafweging.

Toekomstige ontwikkeling Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van de desbetreffende gronden ten behoeve van het voornemen om de bestaande gebouwen te slopen en hiervoor in de plaats nieuwbouw te realiseren. Buiten de te realiseren nieuwbouwwoningen wordt in opdracht van de gemeente Goes het openbare gebied heringericht.

Waterbergingsopgave Ontwikkelingen kunnen er voor zorgen dat hemelwater sneller wordt afgevoerd en veelal minder geborgen/geinfiltreerd kan worden in de ondergrond. Bij een ruimtelijk plan met een toename aan afstromend verhard oppervlak dient vooraf te worden bepaald waarheen en hoe het overtollige hemelwater wordt geborgen (afgevoerd). Dit geldt overigens ook voor 'inbreidingen' en voor afkoppelprojecten van (bestaand) bebouwd gebied. Vanuit het beleid van waterschap Scheldestromen mag bij nieuwbouwplannen waarbij sprake is van een toename van verhard oppervlak, het extra verharde oppervlak niet worden aangesloten op het gemengde rioolstelsel. Hiervoor dient, indien het water niet hergebruikt wordt, compensatie plaats te vinden in de vorm van een infiltratie- of extra aan te leggen waterbergingsvoorziening. Waterberging kan aangelegd worden op eigen terrein of gezocht worden in het watersysteem van het waterschap. Gemeente Goes conformeert zich aan het beleid van het waterschap. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak afnemen. Hierdoor is geen sprake van een verplichte retentievereiste vanuit het waterschap. Bij nieuw- en/of verbouw (inbreiding of uitbreiding) geldt vanuit de gemeente Goes het uitgangspunt dat het vuilwater en het hemelwater gescheiden moeten worden aangeboden (conform het bouwbesluit 2012).

In nieuwbouwsituaties dienen perceeleigenaren binnen financieel en praktisch haalbare grenzen het hemelwater op eigen terrein te verwerken, tenzij dit aantoonbaar niet mogelijk blijkt. Of waterberging/-compensatie nodig is zal blijken uit de door de gemeente uit te voeren haalbaarheidstoets.

Waterhuishouding Randvoorwaarden en uitgangspunten Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren); Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); Afname verhard oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie Toekomstig verhard oppervlak 21.672 m2, afname 6.502 m2. Geen retentievereiste vanuit het waterschap; Hemelwater op eigen terrein verwerken, tenzij niet mogelijk; Geen demping oppervlaktewater; Infiltratie beperkt mogelijk; Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG; GHG 0,8-1,0 m -mv. Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen. Hemelwater

27

Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld. Ten aanzien van de beoogde herinrichting van de openbare ruimte is door de gemeente Goes een schetsontwerp opgesteld van het vuil- en hemelwaterriool. Uitgangspunt van dit ontwerp is dat er in de meeste straten hemelwaterriolering wordt aangebracht waarbij er zo veel als (hydraulisch) mogelijk verharding wordt afgekoppeld van de bestaande gemengde riolering. Het schetsontwerp is door NU-adviesbureau geschematiseerd en doorgerekend met de buien 08, 09 en 10. Uit de resultaten van deze testberekeningen is gebleken dat met een toekomstige uitbreiding waarbij alle verharding (100% wegoppervlak en 100% dakoppervlak) wordt aangesloten op het nieuwe hemelwaterriool, er water op straat op zal treden. Ook wanneer minder verhard oppervlak wordt afgekoppeld (=100% wegoppervlak en 25% dakoppervlak). Concreet zou dit een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie betekenen. De belangrijkste reden is het gebrek aan afvoercapaciteit van het hemelwaterstelsel. Naast de relatief lange afstand naar het lozingspunt (circa 800 m) is hierbij ook de kleine afmeting (315 mm) in de centrale afvoerroute Jacob Catsstraat – J.P.

Coenstraat een knelpunt. Om het noordelijk plandeel toch waterrobuust en klimaatbestendiger te kunnen maken is gezocht naar optimalisaties in het ontwerp. Deze optimalisaties zijn gevonden in een combinatie van de volgende factoren: Minder verharding afkoppelen (advies: Couwervestraat en Scheldestraat gemengd laten); Beperken hoeveelheid aan te sluiten verharding vanuit de Evertsenstraat; Aanbrengen wadi's in de groenzones voor tijdelijk vasthouden/bergen en vertraagd afvoeren hemelwater; Ontharden en vergroenen parkeerplaatsen door toepassen halfverhardingen en/of grasbetonstenen (groenparkeren). Met deze optimalisaties wordt voldaan aan de eisen die de gemeente stelt aan het functioneren van de riolering (geen water op straat bij bui 08, 19,8 mm in één uur). Het hemelwatersysteem in de wijk is verder gebaat bij het beperken van de hoeveelheid aangesloten verharding. Bij de verdere uitwerking van het plan wordt hier zoveel als mogelijk rekening mee gehouden door (onder andere) het toepassen van groene verharding in openbaar gebied, het toepassen van groene daken en door in de toekomstige tuinen niet te veel verharding aan te brengen en bijvoorbeeld te werken met halfverhardingen. Voorbeelden hiervan zijn de toepassing van waterpasserende verharding of halfverharding (grind, schelpen, steenslag).

De uiteindelijke verwerking van het hemelwater en uitwerking van het systeem zal in overleg met de gemeente bij de aanvraag van de omgevingsvergunning nader worden vastgesteld. Bij het toekomstig ontwerp dient dan rekening te worden gehouden dat de lager gelegen delen op afstand van zowel de woning als naastgelegen particuliere percelen zijn gelegen. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende particuliere percelen dient te worden voorkomen. Hemelwater zal, indien mogelijk, zichtbaar worden afgevoerd. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd moeten plaatsvinden

Vuilwater Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen.

28

Conform het bouwbesluit 2012 wordt hemelwater en afvalwater gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13960429/1