Agendapunt 10. Toelichting met bijlagen ontwerp
Tekst van het document
Per landgoed mogen meerdere woningen in één gebouw of meerdere solitaire woningen worden gerealiseerd, waarbij een maximale totale omvang van 4.500 m³ geldt bij een oppervlakte van 5 hectare. Als een landgoed een kleinere oppervlakte heeft, wordt de maximale bebouwing naar verhouding eveneens kleiner. Indien meerdere solitaire woningen worden gebouwd, dient voor elk gebouw een extra hectare groen te worden gerealiseerd. Bestaande landhuizen Bestaande landhuizen zijn toegestaan op de daarvoor aangewezen gronden. Per bestemmingsvlak is, tenzij anders aangegeven, maximaal één woning toegestaan. Voor deze landhuizen, die veelal zijn gerealiseerd op grond van de vroegere zogenaamde “twee-hectareregeling”, geldt een maximale omvang van 1.000 m³. 33
Wonen en zorg Het realiseren van kleinschalige woonzorgvoorzieningen in het landelijk gebied kan door gebruik te maken van beeldbepalende, karakteristieke en monumentale boerderijen en bedrijfsgebouwen. Het gaat hierbij om initiatieven waarbij de nadruk ligt op de zorg en mensen daar onzelfstandig wonen. Indien voor de woonzorgfunctie meer ruimte nodig is dan de bestaande bebouwing biedt, wordt ruimte voor uitbreiding geboden onder de voorwaarde dat er een zorgvuldige afweging plaatsvindt en dat de te realiseren uitbreiding past in het beeldbepalende karakter van de bestaande bebouwing. Kamerverhuur De raad van de gemeente Goes heeft op 17 september 2020 het bestemmingsplan "Parapluherziening kamerverhuur" vastgesteld, dat beoogt het gebruik van woningen voor kamerverhuur te reguleren. De regeling uit deze parapluherziening is overgenomen in voorliggend bestemmingsplan en verbiedt het gebruiken van woningen als kamerverhuurpand. Via een afwijkingsbevoegheid kan evenwel medewerking worden verleend aan kamerverhuur onder een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden hebben betrekking op het aantal bewoners per kamerverhuurpand en per kamer en op het realiseren van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
Om met het oog op de leefbaarheid een bepaalde spreiding te bewerkstelligen geldt bovendien de voorwaarde dat binnen een straal van 150 meter rondom het kamerverhuurpand geen ander kamerverhuurpand aanwezig is. Op grond van de Regionale afspraken huisvesting arbeidsmigranten De Bevelanden uit mei 2020 kan onder deze voorwaarden ook huisvesting van arbeidsmigranten in reguliere woningen worden toegestaan. 4.2.3 Natuur Natura 2000 Op het grondgebied van de gemeente Goes zijn het Veerse Meer en de Oosterschelde aangewezen als Natura 2000-gebied. De Natura 2000-gebieden hebben in voorliggend bestemmingsplan een bestemming "Natuur" gekregen. Dagrecreatief medegebruik van de gebieden is toegestaan. Naast het open water zijn er schorren, bij eb droogvallende platen en slikken te vinden. De hoger gelegen platen worden als broedgebied door vogels en andere dieren gebruikt. Natura 2000-gebieden hebben een extra beschermde status voor de habitattypen (leefgebieden) en planten- of diersoorten die in deze gebieden voorkomen. Het belangrijkste rechtsgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk nadelige gevolgen hebben voor het Natura 2000-gebied. De provincie is in het algemeen het bevoegde gezag voor het verlenen van deze vergunningen.
Voor elk Natura 2000-gebied moet binnen drie jaar na aanwijzing een beheerplan worden opgesteld. Hierin staat wat er moet gebeuren om de natuurdoelen voor dat gebied te halen en wie dat gaat doen. Ook wordt hierin aangegeven welke activiteiten zonder vergunning in een gebied mogen plaatsvinden. De doelen voor veel Natura 2000-soorten en -leefgebieden worden nog niet gehaald. Met name de staat van instandhouding van soorten en leefgebieden van buitendijkse gebieden en delen van de duinen zijn matig tot zeer ongunstig. De oorzaken zijn vooral stikstofdepositie, verstoring, tekort aan leefgebied, verdroging, verzuring en versnippering. Er is sprake van een eerste set aan maatregelen die worden uitgevoerd voor het behalen van doelstellingen zoals deze zijn opgenomen in beheerplannen Natura 2000. Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) Het NNZ wordt beheerd door de terreinbeherende organisaties en beschermd via de provinciale Omgevingsverordening en het gemeentelijke beleid. De Westerschenge, De Weel, de Oosterschenge en de Deesche watergang hebben een belangrijke natuurfunctie. Tussen de Westerschenge en de Oosterschenge wordt een ecologische verbinding gerealiseerd waardoor er samen met de nieuwe natuurgebieden een in oostwestelijke richting belangrijke doorgaande ecologische zone tot stand komt.
De bestaande gebieden rond de Weel en rond de Deesche watergang worden uitgebreid met nieuwe natuur. De dijken in het buitengebied van Goes zijn gedeeltelijk aangewezen als bestaande natuur. Alle NNZ-gebieden met de status bestaande natuur dienen een passende bestemming in gemeentelijke bestemmingsplannen te hebben. In de voorliggende herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Goes worden de wijzigingen in de begrenzing van het Natuurnetwerk Zeeland of verandering van de status, bijvoorbeeld van natuurontwikkeling naar bestaande natuur, die Provinciale Staten in de afgelopen jaren hebben vastgesteld, verwerkt. Dat gebeurt door toekenning van een bestemming "Natuur" of "Waardevolle 34
dijk". Voor de begrenzing van deze gebieden is aangesloten bij de begrenzing van de gebieden in het Natuurbeheerplan Zeeland 2016. Ook de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden zijn in het Natuurbeheerplan vermeld. Het belang is gelegen in behoud en ontwikkeling van een bovenlokaal netwerk van natuurgebieden en bescherming van deze gebieden via het ruimtelijk spoor. Voorts levert dit beleid een bijdrage aan het behoud van belangrijke kenmerken van de provincie (open, 'groen en blauw' estuarien deltagebied). De bedoelde gebieden zijn tevens belangrijk voor de recreatie in Zeeland. De van nature in het wild levende dieren en planten worden rechtstreeks beschermd via de Wet natuurbescherming. Voor activiteiten met mogelijke gevolgen voor deze dieren of planten geldt een vergunningplicht. De provincie is in het algemeen het bevoegde gezag voor verlenen van deze vergunningen. Daarnaast zet de provincie actief in op (proactieve) soortenbescherming. Het soortenbeleid is verder uitgewerkt in de provinciale Beleidsnota Natuurwetgeving. Natuurontwikkeling De afgelopen decennia is de natuurontwikkeling in Zeeland voortvarend ter hand genomen en was Zeeland tot voor kort koploper in de opgave. Om in 2027 volgens het Natuurakkoord het Natuurnetwerk Zeeland voltooid te hebben moet vanaf nu per jaar gemiddeld zo’n 100 ha nieuwe natuur worden gerealiseerd.
Met het realisatietempo van gemiddeld zo’n 23 ha per jaar in de afgelopen zeven jaar wordt dat doel niet gehaald. De vertraging kent meerdere oorzaken. In de eerste jaren na de herijking van de ecologische hoofdstructuur was het budget niet toereikend (zowel voor wat betreft het provinciaal als het rijksaandeel). Verder moet nieuwe natuur tegenwoordig door grondeigenaren zelf (op vrijwillige basis) worden gerealiseerd, maar bestaat bij veel grondeigenaren nog onbekendheid over de (subsidie)mogelijkheden. Ook betekent zelfrealisatie vaak een fikse voorinvestering en vraagt het veel kennis en capaciteit. Daarbij komt dat het tegenwoordig in de meeste gevallen nog maar gaat om relatief kleine gebiedjes ter afronding van grotere natuurgebieden. De kosten zijn dan verhoudingsgewijs hoog en vaak hoger dan het subsidieplafondbedrag per hectare. Recent zijn met betrokken partijen strategieën voor versnelling van de opgave verkend en een aantal zijn ook al in gang gezet. In Zeeland is het realiseren van nieuwe natuur altijd op vrijwillige basis. Het kavelruilbureau wordt ingezet om het natuurwetwerk te realiseren.
4.2.4 Recreatie en toerisme Algemeen De gemeente acht de recreatieve mogelijkheden binnen het buitengebied van groot belang. De recreatiecentra aan het Veerse Meer en de Oosterschelde trekken jaarlijks vele bezoekers. Deze centra, alsmede de aanwezigheid van de stad Goes en de bevolkingsconcentratie in de ontwikkelingszone Goes, hebben een uitstraling op het landelijk gebied. Steeds meer mensen trekken het landelijk gebied in om daar te fietsen en te wandelen. Deze ontwikkeling sluit aan op de noodzakelijke verbreding van de landbouwactiviteiten. Steeds meer agrariërs zoeken naar mogelijkheden om een aanvullend inkomen uit het plattelandstoerisme te genereren. De recreant waardeert op het platteland de weidsheid, natuurelementen, landerijen en rust. De intensieve en de extensieve vormen van recreatie vullen elkaar aan en beide vormen verdienen binnen de gemeente een plaats. Om de verschillende kwaliteiten binnen de gemeente te bewaren is echter afstemming noodzakelijk tussen de verschillende recreatieve functies onderling alsmede op de andere functies in het landelijk gebied. Een verdere uitbouw van een goede toeristische infrastructuur door ontwikkeling van kleinschalige verblijfsaccommodaties zoals logies met ontbijt en verkoop van agrarische producten en wordt gezien als een potentie voor de versterking van het economische klimaat en zijn direct toelaatbaar.
Deelgebieden Veerse Meer en Oosterschelde In de omgeving van het Veerse Meer is plaats voor meer intensieve vormen van dagrecreatie. Langs het Veerse Meer zijn de voorzieningen erop gericht een grote druk op te vangen. De gemeente zet in op concentratie van de intensieve recreatie en streeft er daarom naar het dagrecreatieve verblijf direct rond het Veerse Meer te concentreren. Ook buiten de omgeving van het Veerse Meer streeft de gemeente naar het behoud van de concentraties van dag- en verblijfsrecreatie die grotendeels aan 35
de watersport, het sportduiken en sportvissen zijn verbonden. Dit betreft de omgeving van Goese Sas en de Kattendijksedijk. De Oosterschelde heeft potenties voor extensieve recreatievormen, vooral in de zin van recreatief medegebruik. De status Nationaal Park kan daarbij een verbindend kader vormen tussen de verschillende recreatieve gebieden. Poelbos en Ring van Tervate Voor recreatie vanuit de stad Goes zijn de omgeving van het Poelbos en de ring van Tervate van belang. Hoewel van karakter verschillend, zijn beide gebieden qua functie vergelijkbaar. De gemeente streeft in beide gebieden naar het behoud en de ontwikkeling van het karakter van een stedelijk uitloopgebied. Als speerpunt van het beleid geldt hier niet zozeer dat veel voorzieningen moeten worden geboden, maar vooral dat het afwisselende landschap behouden blijft. In beide gebieden leidt afwisseling van open ruimten, bos, heggen en de aanwezigheid van een kern tot een aantrekkelijk recreatief landschap. Het zijn de weinige gebieden in de directe nabijheid van de stad waar wandelend gerecreëerd kan worden. De gemeente wil aan agrariërs in dit gebied de mogelijkheid bieden met kleinschalige voorzieningen op de recreatie in te spelen. Te denken valt aan excursie- of voorlichtingsactiviteiten, kleinschalige horeca, tentoonstellingen, verhuur van paarden of fietsen enz.
De voorzieningen dienen echter ondergeschikt te blijven aan de agrarische bedrijfsvoering. Het Landschapsontwikkelingsplan is gericht op de ontwikkeling van het Poelbos voor meerdere functies. Overig gebied In het overige buitengebied staat recreatief medegebruik centraal. Het recreatief medegebruik per fiets en te voet heeft voor de gemeente prioriteit. Via de plattelandswegen moet het agrarische cultuurlandschap en het netwerk van natuurlijke kreken door de recreant beleefd kunnen worden. De gemeente streeft hiertoe naar het behoud en de versterking van het netwerk van recreatieve fietspaden en wandelpaden. Verblijfsrecreatie Nieuwe verblijfsrecreatieve voorzieningen en uitbreiding van bestaande voorzieningen zijn buiten de Zeeuwse kustzone, en dus ook in het buitengebied van Goes, uitsluitend mogelijk in bestaand stedelijk gebied. Daarnaast vereist de proviciale Omgevingsverordening dat wordt voldaan aan uitgangspunten ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, economische haalbaarheid, onderscheidend vermogen en een sociaal-maatschappelijke bijdrage. Buiten bestaand stedelijk gebied zijn nieuwe verblijfsrecreatieterreinen uitsluitend mogelijk als deze worden gerealiseerd in de vorm van een landgoed of buitenplaats of indien sprake is van een aandachtsgebied. Nieuwvestiging van een natuurkampeerterrein of landschapscamping is niet toegestaan binnen de gemeente Goes.
Campers dienen gebruik te maken van de reguliere kampeerterreinen. Voor bijzondere bijeenkomsten of gelegenheden kan de gemeente aan een organisatie of aan een groep camperbezitters, eventueel onder voorwaarden, ontheffing verlenen voor groepskamperen buiten het kampeerterrein op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Voor de uitbreiding van de campings “'t Veerse Meer”, de "Veerhoeve" (thans vakantiepark "VeerseKreek") en “De Haas” zijn aparte procedures doorlopen. Om die reden zijn deze campings niet in het plangebied opgenomen. Recreatiezone Wolphaartsdijk Rondom het gebied van de jachthaven in Wolphaartsdijk wordt al volop gerecreëerd. Toch kan het gebied een kwaliteitsimpuls goed gebruiken. Het gebied heeft alles in zich om een toeristisch gebied van formaat te worden. Er zijn campings, jachthavens, vakantieparken, restaurants, een zeilschool, natuurgebied etc. Het gebied is één van de zogenaamde hotspots in de “Gebiedsvisie Veerse Meer 2020-2030”, die inmiddels in samenwerking met diverse partners totstandgekomen is. De gemeente Goes werkt hieraan in het project “Recreatiezone Wolphaartsdijk”. Het doel van het project “Recreatiezone Wolphaartsdijk” is kwaliteitsverbetering van het recreatiegebied tussen Wolphaartsdijk en het Veerse Meer. Kernpunten daarin zijn identiteit, uitstraling en toegankelijkheid.
De recreatie moet een gezonde en dynamische bedrijfstak blijven met meer werkgelegenheid en toekomst in een landschappelijk aantrekkelijke omgeving. De gemeente stelt een integrale visie op waarin de plannen van de ondernemers in het gebied worden opgenomen. Deze visie wordt uitgewerkt in verschillende deelprojecten, waarvan er reeds een aantal zijn opgestart.
36
Minicampings In het beleid voor kleinschalig kamperen wordt geen onderscheid gemaakt naar de deelgebieden. Het zoneringsbeleid is hiermee komen te vervallen waardoor de mogelijkheden in heel het buitengebied gelijk zijn geworden. De koppeling met het agrarisch bedrijf/bouwvlak blijft echter gehandhaafd. De minicampings zijn oorspronkelijk ontstaan als kamperen bij de boer en onderscheiden zich daarmee als recreatief product. Bij het loskoppelen wordt dit uitgangspunt verlaten, wat niet wenselijk is. Daarnaast bestaat het gevaar dat het aantal minicampings gaat toenemen, temeer omdat er tevens de mogelijkheid bestaat om de minicampings uit te breiden tot 25 standplaatsen. Hiermee zou een situatie kunnen ontstaan die op gespannen voet komt te staan met de reguliere campings en de verblijfsrecreatieve structuur van het buitengebied verstoort. Overigens wordt de uitbreidingsmogelijkheid naar maximaal 25 eenheden - in beginsel zijn maximaal 15 eenheden toegestaan - via een binnenplanse afwijking mogelijk gemaakt, waarop het principe van verevening overigens niet van toepassing is. Hierbij worden als voorwaarden gesteld dat de gezamenlijke bebouwde oppervlakte ten behoeve van minicampings niet meer mag bedragen dan 100 m², de bebouwing aansluitend aan het bouwvlak opgericht dient te worden en dat er geen permanente kampeermiddelen zijn toegestaan.
Wanneer deze lijn strikt wordt toegepast, zou dat betekenen dat de activiteit zou moeten stoppen indien het agrarisch bedrijf zou worden beëindigd. Om die reden is een regeling opgenomen om een minicamping mogelijk te maken als vervolgactiviteit bij het beëindigen van het agrarisch bedrijf. Landschapscamping Een landschapscamping dient gekoppeld te worden aan het agrarisch bouwvlak en aan reële agrarische bedrijfsvoering. Gebouwde voorzieningen moeten zoveel mogelijk geconcentreerd worden op het bouwvlak. Als voorwaarde geldt dat de landschapscamping geen extra beperkingen mag opleveren voor de omliggende agrarische bedrijven. Daarnaast dient de oppervlakte cultuurgrond ten opzichte van de oppervlakte van de landschapscamping minimaal een verhouding van 2:1 te hebben en mogen er maximaal 60 eenheden worden gerealiseerd met een dichtheid van 30 eenheden per hectare. Het principe van verevening is van toepassing, waarbij de te realiseren natuur- en landschapselementen aan dienen te sluiten op de waarden in de omgeving. Onder voorwaarden zijn ook deels investeringen in andere omgevingskwaliteiten dan groen aan de orde. Binnen de gemeente Goes is er enkel ruimte voor de landschapscamping gevestigd aan de Muidenweg in Wolphaartsdijk. Dagrecreatie De belangrijkste dagrecreatieve voorzieningen bevinden zich bij het Veerse Meer.
Recreanten gebruiken het Veerse Meer om te varen, zeilen, surfen, zwemmen en vissen. Bij het haventje “De Piet” is het buitensportcentrum “Kanoa” gelegen waar mogelijkheden zijn voor het huren van kano’s, waterfietsen en roeiboten. In de Oosterschelde is bij Kattendijke de mogelijkheid om te sportvissen, windsurfen en te duiken. Ook het kanaal van het Goese Sas naar Goes wordt veelvuldig gebruikt als vaarwater en voor overige watergerelateerde activiteiten. Langs de Oosterschelde ligt bij de Zandkreekdam een strandje en ook bij het Goese Sas is een klein strandje gelegen. De terreinen voor dagrecreatie langs het Veerse Meer, De Piet en het recreatieterrein “Schelphoek” bestaan uit jong gevarieerd bos met wandelpaden. Daarnaast zijn er langs het Veerse Meer en de Oosterschelde diverse picknickplaatsen gelegen. Een dagrecreatieve locatie in het buitengebied van Goes, niet gelegen aan het open water, is het Poelbos tussen ‘s-Heer Arendskerke en Goes. Dit bos is een jong, parkachtig bos van 60 hectare met diverse picknickplaatsen en vijverpartijen. In het landelijk gebied van de gemeente zijn verder een aantal recreatieve fietsroutes, die recreatief medegebruik van het agrarische cultuurlandschap mogelijk maken. Hotspots In aansluiting op de, voornamelijk langs het Veerse Meer gesitueerde, aanwezige recreatieve doelen is er ruimte voor nieuwe recreatieve hotspots.
Deze elementen kunnen bijvoorbeeld van culturele, landschappelijke en/of gastronomische aard zijn. Gedacht kan worden aan meer intensief gebruik zoals een theehuis of museum of plekken met een laagdynamisch karakter zoals vogelkijkpunten of landschapseducatiepunten. Het routenetwerk en de hotspots sluiten op elkaar aan. De ontwikkeling van deze hotspots gebeurt door particulieren. Recreatieve routes Er is een netwerk van recreatieve route in het buitengebied aangelegd. Het onlangs gerealiseerde Kiekendiefpad heeft reeds een belangrijke aanzet gegeven voor de ontwikkeling van een wandelpadennetwerk. Dit netwerk kan nog verder uitgebreid worden. De nieuwe routes dienen aan te 37
sluiten op de bestaande recreatieve uitvalswegen, zoals bestaande fietsroutes. Het netwerk zal tevens aansluiting zoeken op de locaties met verblijfsrecreatie. Om de verscheidene landschapstypen optimaal te beleven worden de fiets- en wandelpaden over de grenzen tussen landschapstypen geleid, op andere plaatsen doorsnijden ze de afzonderlijke landschapstypen juist. De voorkeur gaat uit naar routes over dijken, omdat hierdoor een beter uitzicht ontstaat over het landschap dan vanaf het maaiveld. Knooppunten in het netwerk kunnen samenvallen met een pleisterplaats,of een pad wordt langs een interessant natuurkijkpunt gelegd. Ruiterroutes kunnen ontwikkeld worden in de omgeving van maneges.
4.2.5 Niet-agrarische bedrijven Niet-agrarische bedrijvigheid is in het landelijk gebied ongewenst. De thans aanwezige niet-agrarische bedrijven kunnen worden voortgezet. Nieuwvestiging is gezien het karakter en de verkeersaantrekkende werking die uitgaat van deze bedrijven, in het buitengebied niet toegestaan. De in het plangebied aanwezige semi-agrarische bedrijven mogen hun huidige bedrijfsvoering ter plaatse voortzetten en beperkt uitbreiden. Laatstgenoemde bedrijven zijn wat betreft karakter passend in het landelijk gebied, maar kunnen niet als zuiver agrarisch worden aangemerkt. Indien deze bedrijven niet als Nieuwe Economische Drager kunnen worden gezien, geldt evenals voor niet-agrarische bedrijven ten aanzien van nieuwvestiging dan ook een restrictief beleid. De agrarische ontwikkelingen in het plangebied zullen waarschijnlijk leiden tot het vrijkomen van agrarische bebouwing. Het algemene streven is erop gericht het gebruik van deze vrijkomende bebouwing in de agrarische sfeer te houden. Uitsluitend nieuwvestiging van NED's behoort daarom tot de mogelijkheden. Verspreid in het buitengebied bevinden zich enkele tientallen niet-agrarische of semi-agrarische bedrijven die in principe geen functionele relatie hebben met het landelijk gebied. Het betreft onder andere benzinestations, een mechanisatiebedrijf, opslagbedrijven, hoveniers en een grondverzetbedrijf.
De thans aanwezige niet-agrarische bedrijven mogen gehandhaafd blijven, maar de bebouwde oppervlakte daarvan mag in beginsel niet worden vergroot. De wens bestaat dat niet-agrarische bedrijven op termijn verhuizen naar een bedrijventerrein. Ook het bedrijventerrein Lewedorp behoort tot het plangebied. Dit kleinschalige bedrijventerrein bevindt zich ten noorden van de kern Lewedorp (gemeente Borsele) en is aan de noord- en zuidzijde ingeklemd tussen de spoorlijn Vlissingen – Roosendaal en de A58. Aan meerdere zijden rondom het bedrijventerrein liggen landbouwpercelen. Op het bedrijventerrein bevinden zich niet meer dan drie bedrijven, namelijk een aardappelfabriek met bijbehorende gebouwen en installaties, een aannemingsbedrijf en een autobedrijf. Binnen het bouwvlak beschikken de bedrijven over reguliere uitbreidingsmogelijkheden. De uitstraling van het bedrijventerrein aan de zijde van de Nieuwe Kraaijertsedijk is redelijk te noemen. Het wegprofiel wordt gekenmerkt door groene, goed onderhouden bermen. Aan de westzijde wordt het terrein afgeschermd door een begroeide dijk die bijdraagt aan de ruimtelijke inpassing van het terrein. Aan de zuidzijde is in het verleden een beplantingsstrook aangewezen, welke nog gedeeltelijk intact is. Afronding van deze beplantingsstrook is wenselijk. De uitstaling aan de noordzijde is duidelijk minder.
Hier is geen sprake van landschappelijke inpassing. Tussen de bebouwing en het spoor ligt een onduidelijk vormgegeven ruimte. Openbare ruime en eigendommen van derden lopen in elkaar over zonder erfafscheidingen. Een aantal verouderde panden en installaties die vroeger dienden voor laad- en losactiviteiten herinneren aan de verdwenen relatie met het spoor. De enige voorziening op dit deel van het terrein die nog dienst doet is de weegbrug. Opwaardering van de panden en installaties is wenselijk ten behoeve van een verbeterde uitstraling aan deze zijde van het bedrijventerrein. Het is daarbij wenselijk de vroegere relatie met het spoor zichtbaar te houden.
38
HOOFDSTUK 5 Sectorale aspecten 5.1 Archeologie Inleiding Archeologische sporen en resten in de bodem van de gemeente Goes vormen een spiegel van duizenden jaren bewoningsgeschiedenis. Dit zogenaamde ‘bodemarchief’ is van maatschappelijk belang, omdat het voor het grootste deel van het verleden de enige bron van informatie is. Tegelijkertijd is dit bodemarchief kwetsbaar voor allerhande ingrepen en vormen van gebruik die nu eenmaal verband houden met wonen, werken en recreëren. Om te voorkomen dat de archeologische informatie ongezien verloren gaat, is het noodzakelijk dat gemeenten in het ruimtelijk beleid waarborgen inbouwen voor de omgang met dit bodemarchief. Dit is een uitvloeisel van het Verdrag van Malta dat in 1992 door Nederland werd ondertekend. In eerste instantie berusten deze waarborgen op de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), het Besluit op de archeologische Monumentenzorg (Bamz) de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarmee werd behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Sinds 1 juli 2016 is de verantwoordelijkheid voor erfgoed naast de Wro en de Wabo verankerd in de Erfgoedwet.
Gemeentelijk archeologiebeleid Om op gemeentelijk niveau weloverwogen keuzes te kunnen maken heeft de gemeente Goes een gemeentelijk archeologiebeleid ontwikkeld, dat op 15 december 2011 is vastgesteld. Hiermee voldoet de gemeente niet alleen aan de wettelijke verplichtingen omtrent archeologie maar heeft het ook een formeel afwegingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid, dat gebaseerd is op een analyse van de plaatselijke situatie, geeft aan wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het rapport “Archeologiebeleid gemeente Goes” (d.d. 30 juni 2011) bestaat uit een “Deel A: Beleidsnota archeologie” en een “Deel B: Toelichting beleidskaart”. Deel B is een (ruimtelijke) uitwerking van het archeologiebeleid (deel A). Op basis van de beleidskaart, die bestaat uit een samenhangend pakket van kaarten en een toelichting, kan worden bepaald of voor een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling op een specifieke locatie al dan niet archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in 8 categorieën, waarvan enkele categorieën bekende archeologische waardevolle gebieden omvatten en andere een bepaalde verwachtingswaarde op archeologische vondsten weergeven. Aan elke categorie, uitgezonderd Categorie 1, is een aan oppervlakte van grondverstoring gebonden vrijstelling voor archeologisch onderzoek gekoppeld.
Bij alle categorieën, wederom uitgezonderd categorie 1, geldt in ieder geval dat geen onderzoek hoeft plaats te vinden indien de bodem niet dieper dan 40 cm wordt verstoord. De gehanteerde categorieën zijn: <0000> Categorie 1: archeologisch rijksmonument; hiervoor is altijd een monumentenvergunning nodig; <0000> Categorie 2: terrein van archeologische waarde; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m² wordt verstoord; <0000> Categorie 3: stads- en dorpskernen van een specifieke archeologische verwachting; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m² wordt verstoord; <0000> Categorie 4: hoge verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 250 m² wordt verstoord; <0000> Categorie 5: matige verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 500 m² wordt verstoord; <0000> Categorie 6: lage verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht; <0000> Categorie 7: verwachting van maritieme vondsten; hiervoor is altijd overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nodig; <0000> Categorie 8: archeologische vondsten worden niet verwacht; geen onderzoeksplicht. Toetsing archeologiebeleid Binnen de contouren van het huidige plangebied zijn in het archeologiebeleid van de gemeente Goes alle maatregelencategorieën aanwezig.
In het bestemmingsplan zijn twee van Rijkswege beschermde archeologische monumenten in zijn geheel gelegen. Het gaat om Rijksmonument 45128 (de resten van een twaalfde-eeuws klooster in Kattendijke, Monnikendijk 49 in Kattendijke) en Rijksmonument 39
45561 (terrein met daarin de resten van een Mottekasteel met voorburcht, omgeven door een gracht met brugconstructie. Het terrein is gelegen nabij de oude kerk van 's-Heer Arendskerke en het verdwenen kasteel).
Figuur 5. Rijksmonument 45128
Figuur 6. Rijksmonument 45561 Naast de Rijksmonumenten liggen in het buitengebied vier gebieden die bij de vaststelling van het archeologiebeleid opgenomen zijn als gemeentelijke vindplaats. Hiervan is bekend dat zich hier archeologische waarden bevinden die van gemeentelijk belang zijn. Het gaat in het buitengebied om de vindplaatsen 4 (Zwanenburg, huisplaats uit de 15de eeuw), vindplaats 6 (’s-Heer Hendrikskinderen Ongereedweg, nederzetting onbepaald uit de Late Middeleeuwen A-Nieuwe Tijd A), vindplaats 7 (Sinoutskerke, Hof van Bauwen Larisse 1599-1830) en vindplaats 12 (Sloelijn, Legerplaats 1940-1945).
40
Figuur 7. In rood aangegeven de ligging van de vindplaats 4
Figuur 8. In rood aangegeven de ligging van de vindplaatsen 6 en 7
41
Figuur 9. In rood aangegeven de ligging van vindplaats 12 Conclusie Binnen de contouren van het bestemmingsplan Buitengebied zijn alle in het archeologiebeleid van de gemeente Goes aanwezige maatregelencategorieën aanwezig. Deze zijn in de verbeelding weergegeven en de bijbehorende regels zijn opgenomen. Uitzondering hierop vormen de Rijksmonumenten. Voor alle werkzaamheden in die laatste categorie dient een Monumentenvergunning te worden aangevraagd. Voor sommige delen van het bestemmingsplangebied geldt dat geen aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Desondanks bestaat de mogelijkheid dat hier bij graafwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen. Voor dergelijke vondsten geldt op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht. Deze melding kan voor Zeeland gebeuren bij het speciaal daarvoor ingerichte meldpunt van Erfgoed Zeeland via telefoonnummer 0118-670870.
5.2 Bodem Nota’s Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaarten Voor de gemeente Goes is op 30 januari 2014 een algemene Nota Bodembeheer vastgesteld. Aanvullend hierop is op 7 juli 2016 een Nota Bodembeheer voor het Havengebied (Goese Schans) vastgesteld. In de nota’s is beschreven hoe binnen de gemeente Goes omgegaan dient te worden met grondverzet. In de nota’s zijn ook een bodemkwaliteitskaart en een bodemfunctieklassenkaart opgenomen. De verlenging van de bodemkwaliteitskaart voor de gemeente Goes exclusief het havengebied is op 5 november 2019 vastgesteld. Op 22 juli 2021 is de Nota Bodembeheer Havengebied opnieuw vastgesteld. Op 22 september 2020 is aanvullend een bodemkwaliteitskaart voor PFAS vastgesteld. Voor de waterbodems is een Waterbodemkwaliteitskaart beheersgebied waterschap Scheldestromen 2020 vastgesteld en erkend door de gemeente. Voor de wegbermen in beheer bij het waterschap Scheldestromen en de provincie Zeeland is een Nota Bodembeheer inclusief bodemkwaliteitskaart voor wegbermen in de provincie Zeeland Actualisatie 2020 opgesteld en in 2022 vastgesteld.
42
Gezamenlijk bepalen Nota’s en Bodemkwaliteitskaarten aan welke eisen grond moet voldoen wanneer deze wordt toegepast, wat de gemiddelde kwaliteit is van de grond wanneer deze wordt ontgraven en welke doelstelling gebruikt moet worden wanneer een bodemsanering nodig blijkt te zijn. Opgemerkt wordt dat de nota’s betrekking hebben op een aantal stoffen, zoals een aantal metalen, PAK, minerale olie, OCB en PFAS. Voor bepaalde situaties is gebiedsspecifiek beleid ontwikkeld waarbij afgeweken wordt van het algemene generieke beleid om zo beter te kunnen inspelen op de lokale situatie. Daarbij zijn bijvoorbeeld voor bepaalde stoffen Lokale Maximale Waarden (LMW) vastgesteld. Op basis van de bodemkwaliteitskaarten kan de gemiddelde bodemkwaliteit van een gebied worden aangegeven. Handreiking bouwen en bodemkwaliteit In deze handreiking wordt aangegeven in welke gevallen wel of niet een bodem- en/of asbestonderzoek noodzakelijk is bij het bouwen van bouwwerken, functiewijzigingen in bouwwerken en/of herinrichtingen. Ook wordt aangegeven onder welke voorwaarden bodemonderzoek moet plaatsvinden. Van toepassing zijn de actueel geldende onderzoeks-normen. Bodemkwaliteit Algemeen De toelichting van een bestemmingsplan bevat altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Het bestemmingsplan bevat een motivering over de bodemkwaliteit in relatie tot de boogde bestemming (functie). De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de gewenste bestemming. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Globale verontreinigingssituatie Op basis van de bodemkwaliteitskaart ligt het plangebied in de bodemkwaliteitszone Buitengebied en naoorlogse bebouwing. De gemiddelde kwaliteit van de bovengrond (0-0,5 m-mv) is in deze zone klasse Achtergrondwaarde (schoon). De gemiddelde kwaliteit van de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) is in deze zone klasse Achtergrondwaarde (schoon). Genoemde bodemkwaliteit(sklassen) zijn gebaseerd op een aantal stoffen (zogenaamde NEN5740 parameters): metalen, PAK en minerale olie. Ten aanzien van PFAS voldoet de gemiddelde kwaliteit van de bovengrond (0-0,5 m-mv) aan de bodemkwaliteits- en bodemfunctieklasse Landbouw/natuur. De gemiddelde kwaliteit van de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) is klasse Landbouw/natuur. Ten aanzien van bestrijdingsmiddelen gelden ter plaatse van (voormalige) boomgaarden wel lokale maximale waarden voor enkelen hiervan, namelijk DDD, DDE, DDT en drins.
Figuur 10: Bodemkwaliteitskaart
43
Binnen het plangebied is sprake van een aantal voormalige boomgaarden (t/m 1980). Ter plaatse van voormalige boomgaarden van voor 1980 is de bodem veelal verontreinigd met bestrijdingsmiddelen (OCB). De gemiddelde kwaliteit van de bovengrond (0-0,5 m-mv) ten aanzien van bestrijdingsmiddelen op voormalige boomgaardlocaties is klasse Industrie (licht tot matig verontreinigd). De gemiddelde kwaliteit van de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) is klasse Achtergrondwaarde (schoon). In onderstaande afbeelding zijn de ligging van voormalige boomgaarden t/m 1980 binnen het plangebied weergegeven.
Figuur 11: Voormalige boomgaarden aanwezig voor 1980. Verder is er binnen het plangebied sprake van voormalige stortplaatsen. Hier kan sprake zijn van allerlei bodemverontreinigingen. Op enkele van de stortplaatsen zijn schone afdeklagen aangebracht, waarvan een deel voldoende dik en een deel niet voldoende dik zijn. Op een aantal voormalige stortplaatsen zijn momenteel struiken en bomen aanwezig, waardoor er nu geen extra grond als afdeklaag aangebracht kan worden. Bij activiteiten op de voormalige stortplaatsen moet rekening gehouden worden met de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Zie voor de ligging van de voormalige stortplaatsen figuur 10. Naast de bodemkwaliteitskaart zijn er in het verleden verspreid over het bestemmingsplangebied bodemonderzoeken en -saneringen uitgevoerd. Incidenteel bestaat de kans op mogelijke al of niet bekende (rest-)verontreinigingen. Bij activiteiten in de bodem dient hiermee rekening gehouden te worden. Bij bebouwingen in het buitengebied kunnen nog al of niet gesaneerde ondergrondse brandstoftanks aanwezig zijn. Aan de Vlaamseweg, zuidwestelijk in het plangebied, is ter plaatse van een voormalig kleiduivenschietterrein door de schietactiviteiten een groot oppervlak ernstige verontreinigd geraakt, waardoor daar maatregelen nodig/ beperkingen aanwezig zijn. Momenteel is deze locatie in gebruik als zonnepark.
Conclusies Binnen het Bestemmingsplan Buitengebied is over het algemeen sprake van relatief schone en/of licht verontreinigde grond. Onderhavig bestemmingsplan betreft een beheersplan, waarbij de bestaande situatie wordt gereguleerd. Er zijn geen ontwikkelingen meegenomen waarbij bodemingrepen zijn voorzien. Daarom vormt bodem geen belemmering. Indien er ontwikkelingen gaan spelen binnen het plangebied, dient dan waarschijnlijk afhankelijk van de beoogde locatie, functie, inrichting en bodemingrepen de verontreinigingssituatie van de bodem beter in beeld te worden gebracht. Op basis daarvan dienen eventueel onderzoek/maatregelen bepaald en uitgevoerd te worden. Hierbij dient naast landelijke bodemwet- en regelgeving ook volgens het bodembeleid, zoals beschreven in paragraaf 5.2, gehandeld te worden.
44
5.3 Water Inleiding Het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied is een beheersmatig bestemmingsplan dat de huidige situatie als uitgangpunt neemt en handvatten geeft voor de ontwikkelingen in het buitengebied. Voor grotere of specifieke ontwikkelingen die in de komende planperiode in het buitengebied plaatsvinden, zullen afzonderlijke bestemmingsplannen worden opgesteld of omgevingsvergunningen worden verleend. Daarbij worden de wateraspecten van deze ontwikkelingen sec nader beschreven. De gemeente Goes streeft ernaar om het watersysteem binnen haar gemeentegrenzen duurzaam in te richten en te onderhouden. Dit doet zij in samenwerking met de waterbeheerder, waterschap Scheldestromen. Het watersysteem moet daarbij voldoen aan gestelde normen van de waterbeheerder en de functies kunnen vervullen zoals die omschreven zijn in het Waterplan Goes. Naast de samenwerking met de waterbeheerder wordt het gemeentelijke beleid ook afgestemd op het Omgevingsplan Zeeland, waarin de provincie Zeeland het Rijksbeleid vertaalt en uitwerkt. De doelstelling van het Omgevingsplan ten aanzien van water is een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en de waterbodems, een goed peilbeheer en een aanvaardbaar risico op wateroverlast dat is afgestemd op bestaande en toekomstige functies.
Afbakening plangebied Het bestemmingsplan heeft betrekking op de gehele landelijk gebied van de gemeente Goes. Dat komt neer op het gehele gemeentelijk grondgebied met uitzondering van die gebieden die in afzonderlijke bestemmingsplannen zijn geregeld zoals de kernen, bedrijventerreinen en een aantal recreatieterreinen. Maaiveld De maaiveldhoogte binnen de gemeente Goes varieert globaal tussen de NAP-1,50 meter en NAP+1,50 meter. Daarnaast lopen er door het gebied diverse dijkjes en oude kreekruggen die hoger gelegen zijn. Op de hoogtekaart in de figuur hieronder wordt dit goed zichtbaar in de verschillende kleuren van de gebieden. De donkere, lager gelegen delen zijn de zogenaamde poelgronden. Naarmate de gebieden lichter worden, worden ze hoger met daarbinnen in het rood de hoogst gelegen delen (veelal dijkjes).
Figuur 12. Maaiveldpeil (bron: AHN)
45
Oppervlaktewatersysteem Het buitengebied van de gemeente Goes is een uitgestrekt gebied. Het oppervlaktewatersysteem binnen dit buitengebied beslaat niet alleen de aanwezige waterlopen, maar ook een deel van de Oosterschelde en een deel van het Veerse Meer. Voor deze laatste twee wateren is Rijkswaterstaat de waterbeheerder. Voor de overige waterlopen is dat waterschap Scheldestromen. Het gebied is opgedeeld in diverse peilgebieden. Deze peilgebieden kennen een streefpeil voor de zomer en de winter (zomerpeil en winterpeil). Dit peil wordt gehandhaafd bij het peilregulerend kunstwerk en voor het grootste deel binnen de primaire waterlopen. In de daarop aangesloten secundaire of tertiaire waterlopen kunnen andere (vaak hogere) waterpeilen gelden, afhankelijk van het grondgebruik en de aanwezige kunstwerken (met name duikers).
Figuur 13. Oppervlaktewatersysteem (bron: waterschap Scheldestromen)
46
Het buitengebied van de gemeente Goes valt onder verschillende afvoergebieden. Vanuit deze afvoergebieden wordt het water uitgeslagen op het buitenwater. Een deel is noordelijk georiënteerd, richting de Oosterschelde en het Veerse Meer en een deel van het water wordt in zuidelijke richting afgevoerd en uiteindelijk naar de Westerschelde getransporteerd.
Figuur 14. Afvoergebieden (bron: waterschap Scheldestromen) De primaire functie van de waterlopen in het buitengebied is de waterhuishoudkundige functie, waarmee het waterschap zorgt voor de afvoer van overtollig water. Om invulling te kunnen geven aan de primaire functie is onderhoud van de waterlopen nodig. De Keur watersysteem van het waterschap bepaalt dat een sloot (oppervlaktewater) standaard aan twee zijden een obstakelvrije onderhoudsstrook heeft van 7 meter. Een afwijking is soms mogelijk via maatwerk in een watervergunning. Deze onderhoudsstrook dient vrij van bebouwing en beplanting te zijn. De kwaliteit van het oppervlaktewater wordt sterk bepaald door zowel natuurlijke factoren als door beïnvloeding door de mens. Voor met name nutriënten en bestrijdingsmiddelen wordt nog niet aan de gestelde waterkwaliteitseisen voldaan. De van nature aanwezige zoute kwel levert een belangrijke bijdrage aan het fosfaatgehalte in het oppervlaktewater. Het water in het kanaal, het Goese Meer en de haven in Goes is zout. Zoute kwel is fosfaatrijk en levert in de meeste wateren gehalten op die hoger zijn dan de gewenste waarde. Om in deze wateren algenbloei te voorkomen, is een laagblijvend nitraatgehalte van belang. Op de meeste plaatsen in Goes met hogere fosfaatwaarden wordt de groei van algen over het algemeen beperkt door het nitraatgehalte.
Verder is het zuurstofgehalte van het water op de meeste plaatsen in het buitengebied voldoende. Wateroverlast Het beleid van de gemeente Goes is er op gericht om wateroverlast tot een minimum te beperken. Bij het ontwerpen van water- en rioleringssystemen wordt gewerkt met maatgevende neerslagsituaties die een vastgestelde frequentie van voorkomen hebben (herhalingstijd). Aan de hand daarvan wordt het ontwerp uitgewerkt. 47
Indien er onverhoopt water op straat optreedt (door een hogere en/of langere neerslagfrequentie en/of door afstroming daarvan), ligt de prioriteit bij het voorkomen dat water vanaf de openbare ruimte woningen instroomt (schade). Om die reden wordt vanuit de gemeente voorgeschreven dat bij nieuwe ontwikkelingen het bouwpeil circa 20 tot 30 cm boven het straatpeil ligt. Met het oog op het voorkomen en beperken van wateroverlast bij extreme neerslagafvoersituaties is ook het watersysteem van de afvoergebieden binnen de gemeente Goes geanalyseerd en getoetst aan de gangbare WB21-normen. Voor het buitengebied geldt vooral de norm dat er geen inundatie mag optreden bij een herhalingstijd groter dan eenmaal per 25 jaar (T=25). Voor bebouwd gebied is het inundatierisico met een herhalingstijd van eenmaal per 100 jaar (T=100) relevant. Op basis van de onderzoeksresultaten van de projecten gebiedsgerichte aanpak (GGA) Maelstede-Dekker respectievelijk Planvorming Wateropgave (PWO) Schenge is een maatregelenpakket vastgesteld, dat vanaf 2013 in uitvoering is gekomen. De maatregelen in het gebied Maelstede-Dekker zijn inmiddels grotendeels uitgevoerd. Voor het gebied Schenge is dat nog niet het geval. De onderstaande figuur geeft een beeld van de gebieden die niet voldoen aan de gestelde eisen. Voor deze gebieden zijn maatregelen geformuleerd en deels ook al uitgevoerd.
De aard van de maatregelen blijft onderhevig aan voortschrijdend inzicht, maar daarbij geldt ook dat deze tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten moeten kunnen worden uitgevoerd.
Figuur 15. Toetsingsresultaten PWO-GGA gemeente Goes, falend gebied (bron: waterschap Scheldestromen) Bodem Zeeland is het land van de zeeklei, van de op- en aanwassen, slikken en schorren waaruit vruchtbare polders zijn ontstaan, omgeven door dijken en duinen ter bescherming tegen de zee. Zo ook het buitengebied van de gemeente Goes. De bodem is sterk beïnvloed door het afzettingsmechanisme, door eb en vloed, geulen en kreken. Verschillende landschapsvormen zijn ontstaan zoals het Oudland, het Middelland en het Nieuwland. Ook het veen is een bestanddeel, al ligt het verscholen onder een later hierop afgezette kleilaag. Door eb en vloed bewegingen ontstond een dikke laag zeeklei op het veengebied, met kreken die langzaam dichtslibden met zavel en zand. Door een sterke inklinking kwam het klei- op veengebied lager te liggen dan de verzande geulen, de kreekrestanten. Waar deze afzettingen nog aan de oppervlakte liggen, wordt dit Oudland genoemd. Deze oude eilanden zijn nu nog terug te vinden als 48
de laagst gelegen delen in het zuiden van de gemeente, ter hoogte van de polder de Breede Watering en de Poel. Het heeft een karakteristiek patroon van afwisselend laag gelegen poelgronden en hoog gelegen kreekruggronden. De overstromingen tussen 1014 en 1134 na Christus hebben geleid tot nieuwe geulenstelsels en kleiafzettingen. De Goese polder en het Kattendijks Poelgebied zijn bij de overstroming van 1134 onder water komen te staan. De Deessche Watergang is een overblijfsel van deze overstroming. Het land dat toen werd gevormd, wordt Middelland genoemd. Het Oudland en het Middelland vormen samen het kernland, dat in het zuiden en oosten van de gemeente ligt. De slechte landbouwkundige kwaliteit van veelal laag gelegen kernlandgronden wordt veroorzaakt doordat deze gronden lang in het laatste schorstadium hebben verkeerd. Deze gronden staan bekend als kleiplaatgronden en liggen ten oosten en zuidoosten van Goes. Het land dat vanaf de 13de eeuw door inpoldering op de zee is ingewonnen, wordt Nieuwland genoemd. Nieuwland komt in het noorden en westen van de gemeente Goes voor. De poelgebieden liggen over het algemeen lager dan NAP, waardoor zoute kwel vanaf het buitenwater een belangrijke rol speelt. Ook is de freatische grondwaterstand in deze gebieden relatief hoog. De kreekruggen en de schorgebieden liggen hoger dan NAP.
De kreekruggen kennen een dunne kleilaag, waardoor infiltratie van neerslag eenvoudig mogelijk is. Mede daardoor hebben zich op de kreekruggen zoetwaterbellen gevormd (afhankelijk van de mate van ontwatering). De voormalige schorgebieden kennen een dikke deklaag van klei, waarbij zoute kwel veel minder een rol speelt. De bodemkaart van de provincie Zeeland geeft de mate van zettingsgevoeligheid weer. Hierbij is zichtbaar dat het overgrote deel van het buitengebied sterk zettingsgevoelig is, behalve ter plaatse van de kreekruggen.
Figuur 16. Zettingsgevoeligheid (bron: Zeeuws Bodemvenster) Grondwatersysteem Het grondwatersysteem in het buitengebied is sterk afhankelijk van de bodemopbouw ter plaatse. Afhankelijk daarvan is er sprake van een dikke of dunnere deklaag en van zoute kwel of juist zoetwatervoorraad in de bodem. In de Wilhelminapolder (noordzijde van het buitengebied) is lokaal sterke, veelal matige tot afnemend geringe kwel aanwezig tot circa 1.000 meter landinwaarts. Dit
49
gebied maakt deel uit van een groot zoetwatersysteem waar dunne, zoete waterbellen aanwezig zijn die niet kunnen worden gewonnen in verband met verziltingsgevaar en waar het oppervlaktewater brak tot zout is. Grote zoetwaterbellen zijn in het buitengebied van Goes beperkt aanwezig. Op de overzichtskaart wordt zichtbaar waar de zoetwaterbellen voorkomen en waar er juist sprake is van zoute kwel (uiteenlopend van zeer gering tot sterk). Ook hier is de verbinding met de ondergrond en de bodemsamenstelling weer goed zichtbaar.
Figuur 17. Zoetwaterbellen en zoute kwel (bron: waterschap Scheldestromen) Op sommige locaties komt grondwateronttrekking voor. Een voorbeeld daarvan is ter plaatse van de oude getijdengeul, waar met name grondwateronttrekking voor de landbouw plaatsvindt. Ook in de Wilhelminapolder is een groot aantal vergunde onttrekkingen aanwezig voor beregening. Vooral de kreekruggen zijn gevoelig voor overmatige grondwateronttrekkingen en het verlagen van het oppervlaktewaterpeil. Overmatige grondwateronttrekking heeft namelijk een onevenredig sterke stijging van het zoute grondwater onder de zoetwaterbel tot gevolg. Daarnaast komt door het omlaag brengen van het zoete oppervlaktewater een toestroom van zoute kwel uit de omliggende gebieden op gang. Rondom diverse kwetsbare gebieden in het landelijk gebied zijn zogenoemde hydrologische beschermingszones ingesteld. Het betreft hier bijvoorbeeld welen en kreekrestanten. Natuurgebieden en bufferzones zijn als kwetsbaar gebied aangeduid. Voor het onttrekken van grondwater binnen kwetsbare gebieden is altijd vergunning nodig, uitgezonderd voor kleine tijdelijke onttrekkingen. Voor deze kleine onttrekkingen van minder dan 100 m³ per uur en maximaal 1.000 m³ per maand gelden algemene regels. De onttrekking mag daarbij niet langer duren dan 6 maanden. Nieuwe onttrekkingen worden in principe niet toegestaan.
Volgens de grondwatertrappenkaart (bodemdata.nl) komt in het buitengebied overwegend grondwatertrap VI voor. Dit komt overeen met een GHG van 40-80 cm beneden maaiveld en een GLG>120 cm beneden maaiveld. Daarnaast zijn er lokaal gebieden waar het grondwater hoger kan staan (trap IIIb, vaak op kreekrug) of juist lager (trap VII). Dit wordt zichtbaar in de overzichtskaart.
50
Figuur 18. Grondwatertrappen (bron: bodemdata.nl) Waterkwaliteit In het buitengebied zijn diverse meetpunten van het waterkwaliteitsmeetnet van het waterschap aanwezig. Het water in het plangebied is over het algemeen brak. Binnen de grenzen van de gemeente zijn enkele oppervlaktelichamen in het kader van de Europese Kaderrichtlijn Water aanwezig. Dit zijn kleine brakke zoute wateren (paars) en zwakke brakke zoute wateren (bruin).
Figuur 19. Oppervlaktewaterlichamen (bron: provincie Zeeland
51
Diverse waterlopen in het buitengebied zijn voorzien van natuurvriendelijke oevers. Bij werkzaamheden op of nabij het watersysteem wordt bekeken of oevers ecologisch ingericht kunnen worden indien dat nog niet het geval is. Ook bij de inrichting van de openbare ruimte is het van belang rekening te houden met de effecten op de waterkwaliteit. Vanuit dat oogpunt is het wenselijk geen gebruik te maken van uitlogende materialen zoals zink, lood en verduurzaamd hout en dient er aandacht te worden besteed aan de kwaliteit van het afstromende regenwater vanaf de weg- en terreinverharding. Ook is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen op verharding verboden om zo te zorgen dat er niet teveel diffuse bronnen het watersysteem belasten. Natuur Bij ontwikkelingen in het buitengebied dient rekening te worden gehouden met aangewezen natuurgebieden of bufferzones daaromheen. In de onderstaande kaart is hier een overzicht van gegeven.
Figuur 20. Natuur en landschapskaart (bron: provincie Zeeland) Riolering De panden in het buitengebied van de gemeente Goes zijn voor het grootste gedeelte voorzien van een drukriolering of een IBA. Er zijn nog 91 panden in niet-kwetsbaar gebied aanwezig die afvalwater lozen op een verouderde voorziening. Voor de panden in het buitengebied is een ontheffing van de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van het afvalwater gekregen van de Provincie Zeeland. Deze ontheffing is geldig voor onbepaalde tijd. Voor het buitengebied geldt dat iedere ongerioleerde lozing voor 2027 moet zijn voorzien van een zuiveringsvoorziening die voldoet aan de eisen van de Regeling lozing afvalwater huishoudens. Dit betekent minimaal een verbeterde septic tank (IBA klasse 1). Voor panden die zijn voorzien van drukriolering geldt de eis dat op deze drukriolering geen regenwater aangesloten mag zijn, maar alleen (huishoudelijk) afvalwater. Bij nieuwe (particuliere) bouwwerken in het landelijk gebied op locaties waar geen riolering aanwezig is en waarin binnen afzienbare termijn geen riolering zal worden aangelegd, vindt in eerste instantie de toetsing plaats of er wel of niet invulling gegeven zal worden aan de zorgplicht voor het inzamelen
52
van afvalwater. Indien dat niet het geval is, zal in de omgevingsvergunning worden opgenomen dat het vrijkomende afvalwater niet ongezuiverd op oppervlaktewater of in de bodem mag worden geloosd. Iedere nieuwe lozing dient te voldoen aan de eisen zoals die hierboven zijn verwoord. De gemeente zal bij bouwaanvragen voor deze nieuwbouw een melding doen aan de waterkwaliteitsbeheerder (waterschap Scheldestromen) en de betrokkenen naar haar doorverwijzen. Bij nieuw- en/of verbouw (inbreiding of uitbreiding) dienen het vuilwater en het hemelwater gescheiden te worden aangeboden (conform het Bouwbesluit 2012). Waterkeringen Een wezenlijk element in het landelijk gebied vormen de waterkeringen. De primaire waterkering bestaat uit een stelsel van dijken, inlaagdijken, afsluitdammen en andere constructies die beveiliging bieden tegen overstroming. Deze omsluiten de in Zeeland gelegen zogeheten dijkringgebieden. De waterstaatkundige functie van de primaire waterkeringen staat steeds voorop. Binnen de dijkringgebieden zelf liggen stelsels van regionale waterkeringen waarvan de waterstaatkundige functie eveneens voorop staat. Deze binnendijken moeten voorkomen dat bij een calamiteit een te groot gebied zou overstromen. Een aantal dijken heeft geen waterstaatkundige functie meer, maar is omwille van cultuurhistorische waarden of natuurwaarden beschermd.
In het bestemmingsplan worden deze dijken gerespecteerd en beschermd. In de Keur watersysteem van het waterschap zijn ingrepen die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor de waterkering verboden. Er zijn daartoe drie zones aangewezen: het waterstaatswerk, de beschermingszone A en de beschermingszone B. Het waterstaatswerk omvat de dijk inclusief de bermen. De inlagen bij Kattendijke vallen binnen het waterstaatswerk. Aan beide zijden van het waterstaatswerk ligt de beschermingszone A. Deze zone heeft twee functies, namelijk het garanderen van de stabiliteit van de dijk en het reserveren van ruimte voor een toekomstige dijkverzwaring. Binnen het plangebied varieert de breedte van de beschermingszone A aan de landzijde, afhankelijk van het waterkeringsprofiel ter plaatse, tussen de 10 en 50 meter. Bouwen in de beschermingszone A en in het waterstaatswerk is verboden. De beschermingszone B dient om bepaalde activiteiten die grote gevaren voor de waterkering kunnen opleveren (bijvoorbeeld het leggen van hoge drukleidingen) ook op grotere afstand te kunnen reguleren. Het waterschap kan in afwijking van de keurverboden een watervergunning verlenen.
Figuur 21. Waterkeringen (bron: waterschap Scheldestromen) 53
Figuur 22. Voorbeeld waterkering rondom Het Sas, Wilhelminadorp (bron: waterschap Scheldestromen) Wegen Het merendeel van de wegen in het buitengebied is eigendom van het waterschap Scheldestromen. De Keur wegen van het waterschap beschrijft het onderhoud en beheer van de wegen die vallen onder de verantwoordelijkheid van het waterschap. Voor activiteiten en werkzaamheden langs of in de buurt van wegen die een waterschap in beheer heeft, is in veel gevallen ontheffing en/of toestemming nodig. Het waterschap bekijkt of de activiteiten en werkzaamheden voldoen aan de Keur.
5.4 Flora en Fauna De Wet natuurbescherming zorgt voor de bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. Natuur is gezond en sterk als er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige diersoorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Bescherming van deze soorten is belangrijk. Wanneer het goed gaat met de natuur, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. De provincie is grotendeels verantwoordelijk voor de natuurbescherming en het natuurbeheer. Het Rijk is verantwoordelijk voor ruimtelijke ingrepen waarmee nationale belangen gemoeid zijn.
Figuur 23. Natuurnetwerk Zeeland binnen de gemeente Goes
54
Bescherming van gebieden Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe aan te leggen natuurgebieden. Het Zeeuwse deel van dit natuurnetwerk heet Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) Het doel van het natuurnetwerk is het behoud en de versterking van het aantal soorten in het wild voorkomende planten en dieren. De natuurgebieden van het Natuurnetwerk Zeeland dragen ook sterk bij aan de identiteit van Zeeland en aan de kwaliteit van Zeeland als woon- en werkgebied. Het grootste deel van het natuurnetwerk Zeeland is goed toegankelijk en beleefbaar. Bestaande natuur Dit zijn de bestaande natuurgebieden van Zeeland – duinen, deltawateren, schorren, kreken, dijken, weidegebieden en bossen. De provincie zet zich in om deze gebieden te beschermen, te beheren en open te stellen voor bezoekers. Nieuwe natuur Versnippering van het natuurwerk wordt opgeheven door op bepaalde plaatsen landbouwgrond om te zetten in natuur (nieuwe natuur) en zo natuurgebieden met elkaar te verbinden. Agrarisch gebied van ecologische waarde Kreken, dijken en reliëfrijke graslanden in het landbouwgebied worden beschermd door landbouw en natuurbeheer te combineren. Deze gebieden zijn beschermd op grond van de provinciale ruimtelijke verordening.
De Europese natuurbeschermingsrichtlijnen voor Natura 2000-gebieden zijn binnen de gemeente Goes van toepassing op De Oosterschelde en het Veerse Meer. Voor activiteiten, plannen en projecten in en rondom de Natura 2000-gebieden moet mogelijk een vergunning worden aangevraagd want deze kunnen negatieve effecten op de beschermde natuurwaarden hebben. Wanneer dergelijke activiteiten niet getoetst zijn in de beheerplannen, moet een initiatiefnemer nagaan of een vergunningsprocedure noodzakelijk is. Beschermde plant- en diersoorten De bescherming van planten- en diersoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Volgens deze wet mag geen schade toegebracht worden aan vogels en aan beschermde dieren of planten. De soorten die beschermd zijn, zijn te vinden in de Soortendatabase van het Rijk. Sommige dieren, zoals vleermuizen, gierzwaluwen, steenuilen en huismussen zijn kwetsbaar. In een dichtbevolkte samenleving als Nederland is goede natuurbescherming belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Als plannen, activiteiten of projecten effecten hebben op beschermde soorten, dan heeft kan een vrijstelling, aanwijzing of ontheffing nodig zijn. De provincie kan ontheffing verlenen voor het beschadigen, vernielen, vangen of doden van beschermde planten en dieren bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de aanleg van wegen, (nieuw)bouwplannen of de uitvoering van werken. Ook wanneer het vangen van dieren nodig is voor onderzoek kan de Provincie ontheffing verlenen. Jacht en schadebestrijding Als dieren schade veroorzaken kan de provincie toestemming geven om deze te doden, vangen of weg te jagen via een vrijstelling, aanwijzing of ontheffing. Bescherming van bomen en bossen: Bomen en bossen die onder bescherming van de Wet vallen, mogen alleen gekapt worden onder de voorwaarde dat er terug wordt geplant en nadat dit bij de provincie is gemeld. Het gaat hierbij over beplanting van enige omvang. Ruimtelijke ingrepen De Wet natuurbescherming kan van toepassing zijn bij het uitvoeren van werkzaamheden, bijv. bij de realisatie van een nieuw project, zoals de aanleg van een terrein of (water)weg. Of bij (ver)bouwen of het ingrijpend veranderen van een bestaande situatie. Het is belangrijk om te weten te komen of een activiteit met mogelijk schade voor planten- en/of diersoorten is toegestaan. Bij het uitvoeren van een activiteit, plan of project waarbij bomen, beschermde plant- en diersoorten en Natura 2000-gebieden aan de orde zijn dan kan de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. Deze Wet wordt per 1 januari 2017 uitgevoerd door de provincie. De bescherming van planten, dieren en hun leefgebieden 55
is niet nieuw. Dit werd voorheen geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming vervangt deze wetten en regelt ook dat de uitvoering ervan bijna volledig bij de provincie ligt en niet meer bij het rijk. Werkzaamheden kunnen effecten hebben op aanwezige natuur. Hiervoor kan een ontheffing of vergunning nodig zijn o.g.v. de Wet natuurbescherming. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het slopen of renoveren van een bestaand gebouw waarin vogels of vleermuizen hun verblijfplaats hebben. Deze verblijfplaatsen zijn beschermd, om snel en makkelijk te weten of er voor een activiteit iets moet worden geregeld zijn checklists door de Provincie ontwikkeld. Als na het invullen van de checklists niet meteen duidelijk is of de activiteit invloed heeft op de natuur dan is het nodig om een natuurtoets uit te laten voeren. In een natuurtoets wordt de situatie goed in beeld gebracht en wordt passend advies gegeven. Het kan zijn dat er maatregelen worden voorgeschreven waarmee rekening moet worden gehouden bij de activiteit om schade aan natuur te voorkomen. Voor veel ruimtelijke ingrepen is ook een omgevingsvergunning nodig van de gemeente. Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt getoetst op het onderdeel natuur. Bij de provincie kan ook apart een ontheffing of vergunning voor natuur worden aangevraagd.
Conclusie Omdat dit een beheersmatig bestemmingsplan is, is een toetsing aan de natuurwetgeving niet van toepassing. Het bestemmingsplan heeft geen gevolgen voor de bestaande natuur.