CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendapunt 10. Toelichting met bijlagen ontwerp

Besluitvormende raad 1 juni 2023, gemeente GoesBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied37.164 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

20 jaar. In dit plan zijn de streefbeelden voor Landschap en natuur vastgelegd. In principe is het uitgangspunt “De juiste plek voor het juiste programma”. Het streefbeeld is om de landschappelijke structuur te verhelderen, zonder dat dit ten koste gaat van de ruimte om in dit landschap gebieden aan te wijzen waar een (nieuw) programma plek moet krijgen. (Nieuw) 18

programma kan ook juist een middel zijn om landschappelijke doelen te verwezenlijken. Zowel ruimtelijk als financieel; op de plek zelf of op een andere plek door het principe van verevening. Binnen de gemeente liggen verschillende landschapstypen die alle hun eigen kenmerken hebben. Bepaalde vormen van programma zullen ruimtelijk gezien in het ene landschappelijk gebied wenselijker zijn dan in het andere. Ook kan het zo zijn dat er vormen van grondgebruik zijn die in meerdere landschapstypen een plek kunnen krijgen, maar dan wel in ieder landschapstype in een andere (meer geëigende) vorm.

Figuur 3. Wensbeeld LOP

3.3 Functionele opbouw van het gebied Landbouw De samenstelling van de bodem heeft grote invloed op de waterhuishouding en daarmee ook op de mogelijkheden voor de landbouw. De ontwikkeling van de landbouw verschilt dan ook per type gebied. De kreekruggen vormen van oudsher uitstekende landbouwgrond. Door de aanwezigheid van veel zoetwater in de ondergrond is hier fruitteelt en groenteteelt ontstaan naast melkveehouderij. De beschikbaarheid van zoet water is voor de landbouw in Zeeland over het algemeen een probleem. Het grondwater is al op geringe diepte zout. Daar waar zoet water in de ondergrond aanwezig is, ontstaan intensievere bedrijfsvormen zoals fruitteelt en groenteteelt. De aanwezigheid van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurelementen leggen enige beperkingen op aan de landbouw. De poelgronden hebben van oorsprong een slechte waterhuishouding door de aanwezigheid van zware klei in het profiel, deze waren voorheen vrijwel alleen geschikt voor grasland. Na de ruilverkavelingen is het karakter van het gebied veranderd. De poelgebieden zijn nu goed ontwaterd en dienen veel meer dan vroeger als akkerbouwland. Ondanks deze ruilverkavelingen is de verkavelingsituatie nog niet optimaal. De kavels zijn over het algemeen te klein voor een efficiënte bedrijfsvoering. Dit geldt overigens niet voor het gebied ten oosten van Goes.

Het nieuwland biedt relatief ruime gebruiksmogelijkheden door de goede waterhuishouding. Incidenteel bevinden zich in het gebied plaatgronden. Door de aanwezigheid van zand in de ondergrond zijn deze gronden enigszins gevoelig voor verdroging. Naast enige fruitteelt en groenteteelt nabij de dorpen vindt er hoofdzakelijk akkerbouw plaats. De grootste kavels zijn daarbij te vinden in de polders van de voormalige stroomgeul van de Schenge. Op dit moment zijn er in de gemeente Goes een kleine 120 landbouwbedrijven aanwezig, waarvan één intensieve veehouderij. Een aantal landbouwbedrijven bestaat uit meer dan één bedrijfsvorm. De totale oppervlakte agrarische gronden beslaat bijna 7.000 hectare. Het verbouwen van graan vormt met een oppervlakte van bijna 2.000 hectare het grootste deel van het agrarisch grondgebruik. Bij de regels is als bijlage een lijst met de agrarische bedrijven toegevoegd.

19

Wonen Burger- en zomerwoningen in het landelijk gebied zijn vooral te vinden in de voormalige landarbeiderswoningen, landhuizen en voormalige boerderijen die verspreid in het landelijk gebied voorkomen. Tevens worden de bebouwingsconcentraties Roode- en Blauwewijk meegenomen in dit bestemmingsplan. Het overige deel van de woningen in het buitengebied betreft bedrijfswoningen die zijn verbonden aan een landbouwbedrijf of een niet-agrarisch bedrijf. In het bestemmingsplan “Landelijk gebied” uit 2001 was nog onderscheid gemaakt tussen burgerwoningen en zomerwoningen. Voor zomerwoningen was het bebouwingsregime strenger dan voor burgerwoningen. Tevens was bij zomerwoningen permanente bewoning uitgesloten. Al in het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" zijn de individuele burgerwoningen en zomerwoningen gelijkgesteld. Dat blijft gehandhaafd. Aan de Oude Zeedijk bij Goes is verder nog een woonwagencentrum gelegen met 21 standplaatsen. In het plangebied komen meerdere landhuizen voor die een inhoud hebben van maximaal 1.000 m³. Deze landhuizen zijn destijds gebouwd op basis van de zogenoemde "twee-hectareregeling". In het Omgevingsplan komt deze vorm echter niet meer voor. Om de bestaande landhuizen te respecteren is hieraan in het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" al vastgehouden.

Dat wordt in dit bestemmingsplan voortgezet, deze gebouwen zijn immers met vergunning legaal tot stand gekomen. Er is evenmin zicht op het slopen van landhuizen binnen de planperiode, waardoor het ook verplicht is ze als zodanig te bestemmen. Vandaar dat in de regels hiervoor een specifieke bepaling is opgenomen. Recreatie en toerisme Verblijfsrecreatie is in het bijzonder aan de rand van het Veerse Meer aanwezig. Hier liggen onder andere bungalowparken en campings. Tevens ligt er in het overige deel van het buitengebied een aantal kleinere kampeervoorzieningen, zoals een kleinschalig kampeerterrein bij enkele boerderijen. Ook de jachthavens behoren tot de recreatieve sector, al dan niet in samenhang met dagrecreatieve functies zoals bij het Goese Sas. De belangrijkste dagrecreatieve voorzieningen bevinden zich eveneens bij het Veerse Meer. Recreanten gebruiken het Veerse Meer om te varen, zeilen, surfen, zwemmen en vissen. Bij het haventje “De Piet” zijn er mogelijkheden voor het huren van kano’s, waterfietsen en roeiboten. In de Oosterschelde is bij Kattendijke de mogelijkheid om te sportvissen, windsurfen en te duiken. Ook het kanaal van het Goese Sas naar Goes wordt veelvuldig gebruikt als vaarwater en voor overige watergerelateerde activiteiten. Langs de Oosterschelde ligt bij de Zandkreekdam een strandje en ook bij het Goese Sas is een klein strandje gelegen.

De terreinen voor dagrecreatie langs het Veerse Meer, De Piet en recreatiegebied “Schelphoek” bestaan uit jong gevarieerd bos met wandelpaden. Daarnaast zijn er langs het Veerse Meer en de Oosterschelde diverse picknickplaatsen gelegen. Een dagrecreatieve locatie in het buitengebied van Goes, niet gelegen aan het open water, is het Poelbos tussen ‘s-Heer Arendskerke en Goes. Dit bos is een jong, parkachtig bos van 60 hectare met diverse picknickplaatsen en vijverpartijen. In het landelijk gebied van de gemeente zijn verder een aantal recreatieve fietsroutes, die recreatief medegebruik van het agrarische cultuurlandschap mogelijk maken. Niet-agrarische bedrijven In het plangebied zijn diverse niet-agrarische bedrijven gevestigd. Deze zijn weergegeven op een bij de regels als bijlage toegevoegde lijst. Bestaande niet-agrarische bedrijven behouden hun rechten, maar mogen in beginsel niet uitbreiden. Het is wenselijk dat dergelijke bedrijven op termijn naar een bedrijventerrein verhuizen. Daarnaast maakt ook het bedrijventerrein Lewedorp onderdeel uit van het plangebied. Dit bedrijventerrein bevindt zich ten noorden van de kern Lewedorp (gemeente Borsele). Het gebied ligt aan de noord- en zuidzijde respectievelijk ingeklemd tussen de spoorlijn Vlissingen – Roosendaal en de A58 en wordt verder omsloten door akkers, wegen en sloten.

Het bedrijventerrein Lewedorp kenmerkt zich hoofdzakelijk door de aanwezigheid van een aardappelfabriek met bijbehorende gebouwen en installaties en een aannemingsbedrijf. Daarnaast is er een autobedrijf gevestigd. Voor de bedrijven op het bedrijventerrein biedt het plan wel uitbreidingsmogelijkheden.

3.4 Ruimtelijke opbouw van het gebied 3.4.1 Ruimtelijke hoofdstructuur De laatste 50-60 jaar is het landschap op grote schaal aangepast. Cultuurhistorische en gebiedseigen karakteristieke kenmerken zijn grotendeels verdwenen en incidenteel nog herkenbaar.

20

De bedoelde vervlakking van landschappen reikt vooralsnog te weinig impulsen aan om een vernieuwingsslag naar plattelandsontwikkeling te kunnen maken. Binnendijks kan onderscheid gemaakt worden tussen het kernland en het nieuwland. De kernlandschappen zijn gevormd door het oudland en middelland en betreffen kreekruggen en poelgronden. Door het grote verschil in bodemgesteldheid zijn gebiedseigen landschapskenmerken ontstaan en gemaakt. Het waren besloten landschappen, vormgegeven met o.a. smalle kronkelende en soms halfverharde wegen, kleinschalige bedrijvigheid, veel waterlopen, heggen, een zeer grote diversiteit aan kavels en kavelvormen. Op de hoogste gronden, de kreekruggen, concentreerde zich de landbouw en bebouwing, lintbebouwing, de boerderijen, enz. De wegen volgden de oorspronkelijke kreekruggen en hadden daarom een slingerend karakter. De gronden op de kreekruggen zijn door hun goede structuur en ontwatering voor een groot deel ook voor fruitteelt gebruikt en het poellandschap als weiland omdat het vaak te nat was. Langs de percelen op de kreekruggen met hun kenmerkende blokverkaveling groeien vaak (meidoorn)hagen en opgaande beplanting (houtsingels), windschutten, bomenrijen en bosjes. Het huidige poel- en kreekruggenlandschap is voor een belangrijk deel ontstaan na de ruilverkavelingen in de jaren ’70.

Door egalisatie, kavelvergroting, drooglegging, het rechttrekken van sloten en wegen zijn het oorspronkelijk reliëf en cultuurhistorisch landschapselementen bijna geheel verdwenen. Residuen van de oorspronkelijke cultuurhistorische landschappen zijn her en der terug te vinden, bijvoorbeeld een deel van de ring van Tervate, elementen in/van het Poelbos, beschermde weidegebieden, de vliedberg, grenslinden, locaties met knotbomen, meidoornheggen, hoogstamboomgaarden en boomweiden. Grenslinden zijn alleenstaande bomen op de grens van een ambachtsheerlijkheid, een kruispunt van dijken of op een plaats waar een dijkdoorbraak is geweest. Deze bomen staan veelal op markante plaatsen en zijn van cultuurhistorische en landschappelijke betekenis. De meeste grenslinden staan ten westen van ‘s-Heer Arendskerke. Knotbomen werden in vroeger tijden geknot voor brandhout. De bestaande heggen rond ‘s-Heer Arendskerke en ’s-Heer Hendrikskinderen verwijzen naar het oorspronkelijke cultuurhistorische landschap. Nabij ‘s-Heer Hendrikskinderen en Kloetinge zijn er nog enkele kenmerkende hoogstamboomgaarden die net als andere cultuurhistorische kenmerken hoog scoren qua belevingswaarde van het landschap. Boomweiden hadden een dubbelfunctie. Het waren/zijn weidegronden die volgens een patroon met één soort bomen beplant werden en ook dienden voor de productie van hout.

Boomweiden versterken de kwaliteit van woon- en werklandschappen, zie bijv. de boomweide ten zuiden van ‘s-Heer Arendskerke. Tot voor kort was ook de ring van Tervate bij Kloetinge rijkelijk bedeeld. Op de kreekruggen zien we nog incidenteel drinkputten, welen, vliedbergen en hollestellen. De drinkputten werden gegraven om het regenwater op te vangen voor het drenken van vee. De sloten zijn namelijk dikwijls brak of staan in de zomer droog door bemaling. Als de putten droog vallen of door het grondwater verzilten neemt hun waarde zowel voor de landbouw als voor de natuur af. Drinkputten zijn door het polderbeheer vaak verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor een aansluiting op het waterleidingnet of doordat grasland is omgezet in bouwland. Op de kreekrug van ‘s-Heer Arendskerke naar Kloetinge worden nog drinkputten aangetroffen. Welen zijn kleine ronde diepe wateren die zijn ontstaan op de plaats van een dijkdoorbraak, na het dichten van het dijkgat. Deze vormen door de grote diepte en verlandingsvegetatie aan de randen een bijzondere biotoop. Een goed voorbeeld is de Terluchtse Weel bij Wissekerke waar sprake is van een verlandingsvegetatie bestaande uit riet. Door het zoutgehalte van de weel verloopt het verlandingsproces zeer langzaam.

Vliedbergen zijn opgeworpen hoogten van middeleeuwse oorsprong, die vooral een functie hebben gehad als kasteelberg en door de hoogte markante elementen zijn in het landschap. Deze zijn te vinden ten zuiden van Wissekerke en bij de Groe - Halfweg (A58), de vliedberg ’s-Heer Arendskerke en de vliedberg Kloetinge. Hollestellen zijn cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen uit de tijd van voor de bedijking. Het zijn komvormige uithollingen met een bodem van klei, soms omringd door een kleikade, voor het verzamelen van zoet water in het poelgebied. In het landschap is het een opvallend element vanwege de bijbehorende beplanting. De meeste zijn in de loop van de tijd opgeruimd, enkel ten oosten van Kattendijke en ten zuiden van de Kattendijksedijk zijn deze nog aanwezig. Het nieuwland is landschappelijk te onderscheiden in bijvoorbeeld de Oud-Sabbingepolder en (op een heel andere landschappelijke schaal) de Schengepolders. De polders hebben een vlakke ligging, een duidelijke structuur en effectieve ontwateringsystemen en zijn na de ruilverkaveling grotendeels voor akkerbouw in gebruik. De kenmerken zijn grote kavels, rechte wegen op regelmatige afstand van elkaar en verspreide bebouwing. In dit landschap zijn het voornamelijk de dijken die het gezichtsveld en de schaal van het landschap bepalen. De bestaande dijken geven een goed beeld 21

van de inpolderingsgeschiedenis en zijn van landschappelijke en cultuurhistorische waarde. De oudste polders hadden een relatief kleinschalige verkaveling met beplanting op de dijken en in de polder op de perceelgrenzen en rond de erven. In de polders zijn ook oude en jonge dorpen gelegen evenals enkele verspreid liggende boomgaarden (in de oude polders). Ondanks de verschaling van de percelen voelen de oude polders aan als besloten, de volgende dijk, grens is vrijwel altijd in het zicht. Dat in tegenstelling tot de jonge polders (Schengegebied). De jonge polders staan hiermee in contrast doordat beplanting vrijwel alleen op de dijken terug te vinden is, dijken soms geëgaliseerd zijn en erven met erfbeplanting ruimtelijke incidenten zijn. De Schengepolders voelen hierdoor aan als een zeer open gebied, maar een beetje monotoon. De kreekrestanten van de Schenge vormen een aangename afwisseling in het gebied. Vanaf de openbare weg zijn deze soms nauwelijks zichtbaar door de rietkragen, afstand, enz. en dus nauwelijks echt voelbaar en (helaas) bijna niet toegankelijk voor mensen. Grote kreekrestanten worden omzoomd door graslanden, die prettig afsteken tegen de grote akkers. Rond de bebouwing, Wilhelminadorp, is relatief veel opgaand groen. De polders zijn overzichtelijk en besloten door de dijken, wegen en soms railverkeer.

3.4.2 Water- en groenstructuur Uit oogpunt van natuurwaarde kunnen vijf kwaliteiten worden onderscheiden, namelijk: <0000> De kreekrestanten; <0000> De graslanden op de kreekruggen; <0000> De dijken; <0000> De buitendijkse gebieden; <0000> De inlagen. Kreekrestanten In de bestaande kreekrestanten liggen over het algemeen de diepst gelegen delen van de voormalige getijdengeulen, die toen niet rendabel drooggelegd konden worden. Ook dijkdoorbraken hebben tot kreekvorming geleid. De bodem is zandig en veen ontbreekt. Bij Kattendijke is een doorbraakkreek, ter plaatse van de Deessche Watergang. De Wester- en Oosterschenge en de Weel in de Heerenpolder zijn restanten van getijdengeulen. Ook nabij Wilhelminadorp en Kattendijke liggen nog enkele kleine kreekrestanten, die nu alleen nog gebruikt worden voor de afwatering. In de kreekrestanten en oude getijdengeulen zijn vele kleinschalige, goed ontwikkelde overgangen van nat naar droog en van zout naar zoet aanwezig. Dit biedt ontwikkelingsmogelijkheden voor bijzondere soorten vegetaties met onder andere rietorchis en dunstaart. De vochtige graslanden rond de kreken zijn ook belangrijk als broedgebied voor weidevogels en als foerageer- en rustgebied voor ganzen, eenden en plevieren. De kreekranden vormen een belangrijke leefomgeving voor kleine zoogdieren en vlinders.

In de aangrenzende akkerranden is de oorspronkelijke flora met soorten als aardaker, blauw walstro, knopig doornzaad en Zeeuws doornzaad op veel plaatsen verdwenen. Het agrarisch gebruik van de aanliggende akkerbouwgronden is natuurlijk wel van invloed, o.a. verkleining van de randen en daarmee een aantasting c.q. verarming van de natuurwaarden, waardoor begroeiing met algemene ruigtekruiden als kweek, dauwbraam en brandnetel ontstaat. Bovendien zijn de kreekrestanten onderdeel van het afwateringssysteem en zijn die van invloed op de natuurwaarden door o.a. voedselrijk landbouwwater, verdroging omgeving, enz. Tot nu toe is de grondwaterstand in de kreekrestanten dicht aan het oppervlakte. De Deessche Watergang is een natuurgebied bestaande uit open water en oeverlanden. Het is een belangrijk broed- en voedselgebied voor steltlopers en watervogels. Bovendien hebben de oeverlanden waardevolle vegetatie met een grote diversiteit. De Weel in de Heerenpolder is een belangrijk weidevogelbroedgebied en een pleisterplaats voor steltlopers en eenden. De vegetatie is waardevol door de zoutminnende planten in de laagste delen van het weiland. De (twee) drinkputten in het terrein herbergen zeldzame waterplanten en zijn broedplaatsen voor amfibieën. De Oosterschenge bestaat uit niet-agrarische graslanden en open water.

Het open water trekt veel foeragerende en overwinterende watervogels en de graslanden zijn botanisch waardevol door de vele gradiënten van zout naar zoet en van nat naar droog. De Westerschenge bestaat uit water en oevergebied, dat voornamelijk uit rietland bestaat. De waardevolle oevervegetaties bieden aan tal van vogels nestgelegenheid en de kreek zelf is belangrijk voor foeragerende en overwinterende watervogels. De hiervoor bedoelde kreekrestanten van de Ooster- en Westerschenge zijn van voorname natuurlijke betekenis en vormen een vrijwel aaneengesloten natuurgebied.

22

Graslanden Op de kreekrug vanaf ‘s-Heer Arendskerke tot Kloetinge komen verspreid enkele botanisch waardevolle graslanden voor. De natuurwaarde ontlenen zij vooral aan de gevarieerde soortensamenstelling met zilte rus, aardbeiklaver, groot moerasscherm en kamgras. Ze zijn ontstaan door de vele kleine verschillen in hoogte en verschillen in vochthuishouding. De graslanden zijn waardevol omdat ze ook nog plaats bieden aan de op het bouwland veelal verdwenen landschapselementen zoals meidoornhagen, knotbomen, struwelen en drinkputten. Aan de voet van de meidoornhagen komen plaatselijk interessante vegetaties voor. De meidoornhagen bieden net als de knotbomen een broedgelegenheid aan vele vogels zoals heggenmus, grasmus. In de drinkputten en het struweel vinden bedreigde amfibieën zoals de kleine watersalamander en de kamsalamander een geschikte leefomgeving. Dijken De functie van de dijken als waterkering en het ontstane dijkenlandschap is genoegzaam bekend. Door de invloed van de zee en het daarmee samenhangende milde klimaat groeien op sommige dijken planten die elders in Nederland zelden worden aangetroffen. De diversiteit wordt nog versterkt door verschillen in hoogte, bodemsoort, hellingshoek en ligging ten opzichte van de zon. De dijken staan bekend als bloemdijken.

De meest natuurrijke delen zijn de zuidhellingen van dijken met lichte kalkrijke bodems, die in gebruik zijn als (onbemest) hooiland. Op de bloemdijken komen bijzondere plantensoorten knopig doornzaad voor, wilde marjolein, agrimonie, graslathyrus, ijzerhard, echte kruisdistel, knoopkruid en kattedoorn. Daarnaast zijn op enkele plaatsen ook blauw walstroo, echte heemst, stinkende ballote, rode ogentroost, paarse morgenster, bevertjes en driedistel waargenomen. Veel dijken worden landschappelijk gemarkeerd met bomenrijen, deels jonge bomen. Op de extensief beweide dijken en op de dijken met een spontane ontwikkeling is opslag van struiken als meidoorn, sleedoorn en hondsroos te vinden, waarbij de dichtheid aan struiken zeer verschillend is. De dijken zijn verder ook van belang voor de verplaatsing van kleine zoogdieren en reptielen en voor insecten en vogels. Buitendijkse gebieden In de Oosterschelde zorgt de getijdeninvloed voor een patroon van geulen, slikken, platen en schorren. De droogvallende gebieden zijn van belang als foerageer- en rustgebied voor vogels, vooral voor doortrekkende steltlopers als bonte strandloper, rosse grutto, wulp, zilverplevier en scholekster. Daarnaast is de vegetatie van zoutminnende planten, een lage schorvegetatie van onder andere zeekraal, zeegras, Engels gras, zeealsem, zeeweegbree, lamsoor, schorrenkruid en melkkruid, van hoge waarde.

In het Veerse Meer is daarentegen de getijdeninvloed na de afsluiting in 1961 verdwenen. De hogere delen zijn veranderd in permanent drooggevallen gronden. In de voormalige zandplaten heeft zich een zoetwaterlens gevormd, waarbij duinvalleivegetaties met orchideeën, addertong en kleverige ogentroost en plaatselijk spontane bosvorming zijn ontstaan. Enige jaren geleden is een doorlaat gemaakt met de Oosterschelde, veranderingen in de flora en fauna zullen geleidelijk optreden. Op de voormalige kleiige schorren komen nu voedselrijke graslandvegetaties voor met op laaggelegen plaatsen nog zilte vegetaties zoals zeekraal, blauw kweldergras, zilte schijnspurrie en zeevetmuur. Ze zijn van groot belang als broedterrein voor onder andere de kluut, kievit en grutto en als foerageer- en rustgebied voor wintergasten zoals kolganzen, brandganzen, smienten en wintertalingen. De gebieden aan het Veerse Meer zijn van west naar oost te verdelen in De Piet met een oppervlakte van ± 114 hectare, de Middelplaten van circa 300 hectare, de Schelphoek van 33 hectare en de Kwistenburg van 28 hectare. De Piet omvat water, oevervegetaties, jonge loofbosjes en cultuurgraslanden, waarvan de loofbossen het grootste deel uitmaken. De huidige functie is recreatie met als nevenfuncties natuur en bosbouw. De Middelplaten zijn als natuurreservaat in beheer bij Natuurmonumenten.

De zuidwestpunt is bedekt met jong loofbos en verder is het voornamelijk halfnatuurlijk grasland soms met struikopslag. Het gebied is belangrijk als broed-, voedsel- en doortrekgebied voor vogels. Tevens heeft het gebied belangrijke vegetaties en vindt er enige beweiding plaats. De Schelphoek bestaat uit cultuurgrasland en voor de recreatie aangeplant bos. De hoofdfunctie van het terrein is dagrecreatie voor het oostelijk deel en extensieve dagrecreatie voor het westelijk deel. Kwistenburg is een oevergebied met een brakke tot zoete lage vegetatie van enkele struiken, halfnatuurlijk grasland, riet en andere oeverplanten. Inlagen De inlagen liggen direct achter de zeedijk. Daar is de klei vaak afgegraven voor de zeedijk of de aanleg van een tweede dijk achter de zeedijk als extra bescherming tegen de zee (zogenaamde inlaagdijken). Op deze manier zijn deze laaggelegen natte gronden ontstaan. De laaggelegen inlagen 23

ondervinden invloed van zoute kwel, de hoger gelegen inlagen hebben juist meer een zoetwatermilieu. De bodem bestaat overwegend uit zware zavel en lichte klei. Op de hoger gelegen reliëfrijke delen van de inlagen komen relatief soortenrijke droge graslandvegetaties voor van onder andere veldgerst en kamgras, plaatselijk afgewisseld met zoete en zoute vegetaties in de lagere natte delen. Deze vegetaties trekken veel vogels. Tot de broedvogels van de graslandpercelen behoren vooral laatbroedende steltlopers als grutto en tureluur. De gedeelten waar geen of een korte vegetatie voorkomt bieden broedgelegenheid aan kenmerkende soorten voor kleiige kustgebieden, zoals kluut, scholekster, visdiefje en bontbekplevier. Voorts zijn de gebieden een belangrijk rust- en foerageergebied voor overwinterende en doortrekkende steltlopers, eenden, ganzen en zwanen. Daarnaast hebben ze een functie als hoogwatervluchtplaats voor steltlopers afkomstig van de Oosterschelde. Aan de Oosterschelde liggen enkele inlagen oostelijk van Kattendijke, die voornamelijk een zoutvegetatie bevatten en voor een groot gedeelte gebruikt worden als grasland. Ook ligt er een inlaag bij het Goese Sas, een natuurgebied met voornamelijk zoete vegetatie, dat in een verlandingsstadium verkeert (met veenmos, riet en struiken).

Ten noordoosten van Wolphaartsdijk langs het Veerse Meer ligt een inlaag die valt onder beheer van Staatsbosbeheer. Vanwege het bijzonder zilte milieu komt hier een bijzondere schrale vegetatie voor. 3.4.3 Verkeersstructuur Het wegennet in het buitengebied van de gemeente Goes bestaat uit wegen die in beheer zijn bij Rijk, provincie en waterschap. De wegen binnen de bebouwde kom zijn in beheer bij de gemeente Goes. De A58, tevens de zuidelijke begrenzing van de gemeente, is onderdeel van het landelijk hoofdwegennet en is in beheer bij het rijk. De provinciale wegen omvatten: de A256 en N256 tussen A58 en Noord-Beveland; de N289 vanaf de A58 richting Kloetinge; de N664 tussen Goes, ’s-Heer Arendskerke en Nieuwdorp; de N665 tussen Arnemuiden, Lewedorp, Heinkenszand en Nisse; de N668 tussen N664 en Wolphaartsdijk. De overige wegen buiten de bebouwde kom zijn in beheer bij het waterschap Scheldestromen. De provinciale wegen vormen belangrijke ontsluitingswegen in het landelijk gebied. De A256/N256 (de Deltaweg) neemt daarbij een bijzondere plaats in, mede vanwege de functie voor het (recreatie)verkeer van en naar Noord-Beveland en Schouwen-Duiveland. De overige wegen in het plangebied behoren tot het plattelandswegennet. Dit zijn 60 km/herftoegangswegen.

Deze over het algemeen smal gedimensioneerde wegen vervullen vooral een functie voor landbouwverkeer en verkeer verbonden aan de andere functies en bestemmingen in het buitengebied alsook voor fietsverkeer (woonwerker, scholieren en recreanten). Op figuur 4 is het streefbeeld te zien van wat nu of in de nabije toekomst wordt gezien als Stroomweg met maximum snelheden van 100, 120 en 130 km/h. Tevens zijn hierop aangegeven de Gebiedsontsluitingswegen met een maximum snelheid van 80 km/h, vrijliggende fietspaden, de overige buiten de kom gelegen wegen en de Erftoegangswegen met een maximum snelheid van 60 km/h, waarbij brommers en fietsers op de rijbaan rijden en in waarbij sommige gevallen een vrijliggend fietspad aanwezig is.

24

Figuur 4. Wegencategorisering GVVP 2013

25

HOOFDSTUK 4 Visie op het plangebied 4.1 Streefbeeld deelgebieden De gemeente hecht groot belang aan een economisch gezonde ontwikkeling van de landbouw. Deze sector is van belang vanwege de economische opbrengsten, de werkgelegenheid en met nadruk ook omdat zij in grote mate bepalend is voor het landschapsbeeld. Doordat het overgrote deel van de gronden in het landelijk gebied voor agrarische doeleinden worden gebruikt hebben veranderingen in deze sector relatief grote gevolgen voor het landschapsbeeld en voor de afstemming tussen de verschillende vormen van ruimtegebruik. In het beleid van de gemeente wordt getracht op mogelijke ontwikkelingen in de landbouw in te spelen. De gemeente wil de ruimte om op toekomstige mogelijkheden in te kunnen spelen zoveel mogelijk open houden. Binnen het buitengebied zijn er regionale verschillen in de agrarische structuur. Deze verschillen hangen samen met de perceelsgrootte, de grondsoort, de beschikbaarheid van zoet water en de aanwezige afzetstructuren. Het bij de lokale situatie passende agrarische gebruik draagt in belangrijke mate bij aan een herkenbare landschappelijke structuur. De ontwikkelingsmogelijkheden en het aanwezige landschap vormen de basis voor het gemeentelijke beleid ten aanzien van de landbouw. De regionale verdeling van landbouwtypen zoals hieronder wordt beschreven geeft slechts accentverschillen weer.

Het betreft geen absolute verdeling die de gemeente voorstaat. De Oud-Sabbingepolder De Oud-Sabbingepolder is een belangrijk cultuurhistorisch element dat samenhangt met de ontstaansgeschiedenis van het noordelijke deel van de gemeente. Het vormt een bijzonder vroege eilandkern. In het landschap is dit nog af te lezen aan de dijkstructuren. Later is het eiland door inpolderingen vergroot, waardoor ook Wolphaartsdijk ertoe behoorde. Tegenwoordig is het gebied vanwege de nabijheid van de verblijfsvoorzieningen langs het Veerse Meer erg in trek bij de recreanten. Vooral in het gebied rond Oud-Sabbinge worden overwegend middelgrote akkerbouwbedrijven geëxploiteerd. De gemeente verwacht in de Oud-Sabbingepolder agrarische productiemogelijkheden in de akkerbouw, tuinbouw en fruitteelt. Vanwege de bijzondere landschapsstructuur en de aanwezigheid van de recreatie acht de gemeente het noodzakelijk grootschalige industriële agrarische bebouwing terughoudend te benaderen. Noordelijke deel buitengebied Het agrarisch bedrijf Koninklijke Maatschap Wilhelminapolder, één van de grootse landbouwbedrijven van Nederland, omvat acht bouwvlakken. Eén van deze bouwvlakken, Meestoofweg 6-8 in Wilhelminadorp, betreft het enige bouwvlak binnen de gemeente dat het gemeentelijke standaardmaximum van een hectare rijkelijk overschrijdt. Dit bouwvlak is namelijk zo’n 2 hectare groot.

Waar schaalvergroting tot dusver in de akkerbouw een belangrijke remedie tegen verlies aan rendement bleek te zijn, lijkt de Wilhelminapolder een voorsprong te hebben op de overige agrarische bedrijven. Het nieuwland heeft langer de tijd gehad om buitendijks te kunnen opslibben voor het werd ingepolderd en heeft daarna nog niet de tijd gehad om in te klinken. Juist daarom is het gebied geschikt voor akkerbouw. De voorwaarde die hiermee verbonden is, uit zich mede in toepassing van geavanceerde bedrijfstechnieken. Het accent ligt op de verdere ontwikkeling en optimalisatie van grootschalige akkerbouw. De grote ruimtelijke maat van het landschap biedt vooral perspectief aan grootschalig landbouwkundig gebruik. De voormalige getijdengeul wordt als nationaal landschapspatroon getypeerd. Om dit te behouden wordt houtteelt terughoudend benaderd. Het is alleen na een landschappelijke toetsing toegestaan. Schengegebied en Deessche Watergang In dit gebied ligt het accent op natuurbeheer. De gemeente streeft in dit gebied naar beheerslandbouw en beweiding op basis van een contract met de natuurbeherende instantie. Vanwege de natuurdoelstellingen wordt op termijn alleen extensieve veeteelt nagestreefd. De openheid van het Schengegebied is mede vanwege de aanwijzing tot nationaal landschapspatroon een belangrijk aandachtspunt. De omgeving van de Deessche Watergang is landschappelijk van

26

belang. Het landschap is, in overeenstemming met de ligging op een kreekrug, kleinschalig van karakter. Kreekrug Arendskerke en Poelgebied Dit deelgebied wordt vanwege de afwisseling tussen bos- en landbouwgebieden in toenemende mate gewaardeerd als stedelijk uitloopgebied. Met name het landschap op de kreekrug is vanouds kleinschalig. De gemeente streeft ernaar dit landschap naar het zuiden door te trekken om het karakter van dit gebied als stedelijk uitloopgebied te versterken. Daarnaast heeft dit gebied echter ook een belangrijke functie voor de landbouw. Met betrekking tot de landbouw zijn op de hooggelegen delen kansen aanwezig voor kleinschalige akkerbouw, tuinbouw in de volle grond en fruitteelt. De kalkarme bodems van de poelgronden zijn minder aantrekkelijk voor de akkerbouw. Het landgebruik bestaat dan ook vooral uit weidebouw. Hier zijn kansen aanwezig voor melkveehouderij. Vanwege de landschappelijk-recreatieve waarden van dit gebied wordt grootschalige industriële agrarische bebouwing terughoudend benaderd. Tevens zal het oprichten van nieuwe agrarische bedrijven bijzonder terughoudend worden benaderd. De gemeente staat daarentegen aan agrarische bedrijven in dit gebied toe dat met kleinschalige recreatieve voorzieningen op de aanwezige recreatie wordt ingespeeld. Te denken valt aan het bieden van excursies, het verhuren van enkele rijpaarden en dergelijke.

Het oostelijk poelgebied Afhankelijk van de hoogteligging zijn hier mogelijkheden voor een verdere ontwikkeling van melkveehouderij op de lagere delen ofwel akkerbouw in combinatie met tuinbouw in de volle grond en fruitteelt op de hoogste delen. Vanuit landschappelijk oogpunt neemt het gebied tussen Goes en de Deessche Watergang een bijzondere plaats in. Door de openheid ontstaat een waardevol zicht op de kernen Goes, Kloetinge en Kapelle. Vanwege de recreatie in dit gebied is het zicht op deze kernen van bijzonder belang. Het realiseren van houtteelt wordt daarom terughoudend benaderd. Omgeving Kattendijke In het uiterste oosten van de gemeente sluit de landbouwontwikkeling nauw aan op de veilingactiviteiten te Kapelle. Het accent ligt op een verdere ontwikkeling richting de fruitteelt. Daarnaast zijn er ruime mogelijkheden voor tuinbouw in de volle grond en akkerbouw. Vanwege de relatieve kleinschaligheid van het gebied en de nabijheid van de Oosterschelde is het gebied aantrekkelijk voor dagrecreatie. Aan de agrarische bedrijven in dit gebied wordt de mogelijkheid geboden met kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen op de aanwezige recreatie in te spelen. Omgeving ring van Tervate De ring van Tervate en haar omgeving worden in toenemende mate als recreatiegebied bij de stad gewaardeerd, of als een zogenaamd stedelijk uitloopgebied.

Met betrekking tot de landbouwontwikkeling legt de gemeente hier het accent op het behoud en ontwikkeling van de aanwezige melkveehouderij. Daarnaast is er echter plaats voor tuinbouw in de volle grond, fruitteelt en eventueel akkerbouw. Door enkele agrarische activiteiten aan een vergunning te binden wordt getracht een afstemming te bereiken op het karakteristieke landschapsbeeld binnen de ring van Tervate en de openheid van omgeving. Vanwege de landschappelijke en de recreatieve waarden wordt grootschalige industriële agrarische bebouwing terughoudend benaderd. Ook in dit gebied staat de gemeente echter aan agrarische bedrijven toe dat met kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen ingespeeld wordt op de aanwezige recreatie.

4.2 Streefbeeld functies 4.2.1 Landbouw Akkerbouw De agrarische grond in het plangebied wordt voor het merendeel gebruikt voor akkerbouw, waardoor de economische omvang van de landbouw in de gemeente tevens grotendeels door de akkerbouw wordt bepaald. Producten die het meest geteeld worden zijn granen, consumptieaardappelen en suikerbieten. Dit vindt voornamelijk plaats op het nieuwland en in de poelgebieden. Vooral in Zeeland heeft de akkerbouw van oudsher een gevarieerd productiepakket vanwege een goede klimatologische en bodemkundige uitgangssituatie en een goede verkaveling. Vanwege de

27

herstructurering wordt naar een nieuwe toepassingsmogelijkheid van deze kwaliteiten gezocht. Omdat nieuwe productiemogelijkheden vooral binnen de akkerbouwsector worden gezocht, hoeft dit niet direct tot grote landschappelijke gevolgen te leiden. De bedrijfseconomische omvang van de akkerbouwbedrijven in de gemeente, berekend aan de hand van Nederlandse Grootte Eenheden (NGE), is in vergelijking met Nederland fors. Toch zijn veel akkerbouwbedrijven bedrijfseconomisch te klein om te kunnen concurreren met het buitenland. De productiekosten van het traditionele akkerbouwbedrijf kunnen gereduceerd worden door een vergroting van de bedrijfsoppervlakte en door teeltverbeteringen. Schaalvergroting zal in het bijzonder plaatsvinden op de bestaande grote akkerbouwbedrijven van meer dan 50 hectare. Deze bedrijven hebben, gezien hun bestaande omvang, goede mogelijkheden voor een verdere optimalisering van de bedrijfsvoering. Fruitteelt Aangezien de aanwezigheid van zoet grondwater voor de fruitteelt van groot belang is, bevindt fruitteelt zich vooral rond de kernen van ‘s-Heer Arendskerke, ‘s-Heer Hendrikskinderen, Kattendijke, Kloetinge en op de kreekrug ten zuidwesten van Goes. Dit betreft voornamelijk pit- en steenvruchten maar ook kleinfruit zoals zwarte bessen, bramen en frambozen. Voor de fruitteelt zijn de vooruitzichten relatief gunstig.

Binnen deze productietak zijn voor de komende jaren geen belangrijke veranderingen te voorzien. Groenteteelt De groenteteelt in de volle grond komt relatief weinig in het gebied voor. De teeltbedrijven bevinden zich vooral op de kreekrug en verder lokaal bij de overige kernen. De groenteteelt in de volle grond is sterk afhankelijk van de beschikbaarheid van zoet grondwater en is daarom alleen goed mogelijk op en aan de rand van de kreekruggronden. De groenteteelt zal naar verwachting niet sterk veranderen. Rundveehouderij De bestaande rundveehouderijen in de gemeente zijn gemiddeld vrij groot. De betekenis van de melkveehouderij in Zeeland is de laatste twintig jaar voortdurend afgenomen. Dit werd eerst voornamelijk veroorzaakt door de introductie van de melkquota in combinatie met de kleinschaligheid van de Zeeuwse melkproductie. Veel kleine bedrijven zijn daardoor gestopt met de melkveehouderij. Sinds enkele jaren heeft de stikstofcristis invloed op de veehouderij. De landbouw draagt voor meer dan 90 procent bij aan de emissie van ammoniak in Nederland De belangrijkste bronnen zijn veestallen, toediening van dierlijke en kunstmest, beweiding en mestopslag.

Depositie van stikstof beïnvloedt de bodemkwaliteit en daarmee op termijn de grondwater- en oppervlaktewaterkwaliteit en kan leiden tot aantasting van de samenstelling van flora en fauna (achteruitgang biodiversiteit), de boomgroei en de vitaliteit van ecosystemen (grotere gevoeligheid voor stressfactoren als vorst en insectenplagen). Voor landbouwbedrijven is in het bestemmingsplan daarom geen rechtstreeks mogelijkheid opgenomen om de bedrijfsvorm om te schakelen naar een andere bedrijfsvorm, zodat het aantal veehouderijen kan worden gereguleerd. Overigens zijn in principe alle gronden binnen het plangebied, afgezien van de natste delen van de kreekrestanten, geschikt als weidegrond. Overige teelten Tuinbouw en bloembollenteelt vindt slechts in geringe mate plaats binnen de gemeente. De ondervertegenwoordiging van deze teelten heeft voornamelijk te maken met het gebrek aan zoet water. Zonder zoet water is het in feite niet mogelijk dat agrariërs grootschalig overstappen op deze intensievere teelten. Grondgebonden agrarische bedrijvigheid De bestaande grootschalige landbouwstructuur binnen de gemeente wordt als een bijzondere kwaliteit gezien. Hierdoor is een relatief goede uitgangssituatie aanwezig om op het proces van schaalvergroting in te kunnen spelen. Deze kwaliteit vormt voor de gemeente reden om nieuwvestiging van agrarische bedrijven terughoudend te benaderen.

Nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven dienen zich in principe op vrijgekomen bouwvlakken te vestigen. Ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf waarbij sprake is van het oplossen van bestaande knelpunten in verband met ruimtegebruik en/of milieuhinder is de mogelijkheid voor nieuwvestiging (van een grondgebonden agrarisch bedrijf) opgenomen. Enkel voor volwaardige grondgebonden agrarische bedrijven zijn er onder voorwaarden mogelijkheden tot het toekennen van een nieuw agrarisch bouwvlak. 28

Intensieve veehouderij De intensieve veehouderij is van geringe betekenis. Voor de intensieve veehouderij geldt de mestafzet en de ammoniak- en stikstofuitstoot als grootste belemmering. Vooral de hoeveelheid fosfaat, die met de mest uitgereden mag worden, vormt een beperking. Nieuwvestiging is niet toegestaan. In de gemeente is sprake van één bestaande intensieve veehouderij. Hieraan worden in beperkte mate groeimogelijkheden geboden indien wettelijke eisen ten aanzien van dierenwelzijn een verruiming noodzakelijk maken. Aquacultuur Tot aquacultuur wordt de kweek van schaal- en schelpdieren, vis, zouttolerante gewassen en andere aquatische producten gerekend. Het gaat hierbij niet alleen om voedingstoepassingen, maar ook om industriële en energietoepassingen van gekweekte aquatische organismen. Waar de veranderingen in het klimaat, de voorziene bodemdaling in met name de kustprovincies en de toenemende verzilting een bedreiging lijken te vormen voor de gangbare landbouw, bieden ze kansen voor een omschakeling naar aquacultuur. Initiatieven voor aquacultuur worden gestimuleerd en ondersteund. Uitgangspunt voor provinciale ondersteuning is dat van zilte teelten of aquacultuur geen nadelige invloed uit mag gaan op de in bepaalde gebieden van nature aanwezige beschikbare zoet(grond)watervoorraad.

Aangezien bedrijven die investeren in aquacultuur worden gekenmerkt door verschillende fysieke vestigingsvormen, wordt allereerst onderscheid gemaakt in bedrijven die naar aard, omvang en schaal passen in de categorie agrarisch of semi-agrarische bedrijven en bedrijven die de uitstraling hebben van een regulier bedrijf. Bij de eerste categorie is het oprichten van bedrijfsgebouwen gekoppeld aan het agrarisch bouwvlak. In andere gevallen is vestiging op een bedrijventerrein aan de orde. In principe wordt daarmee aangesloten bij het algemene vestigingsbeleid voor bedrijven en agrarische vestiging. Binnen het plangebied bevindt zich één agrarisch bedrijf, zagerkwekelij Topsy Baits, dat zich volledig heeft toegelegd op aquacultuur. Ten behoeve van niet-grondgebonden aquacultuurtakken is het mogelijk om (met afwijking) foliebassins met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 1 hectare op te richten. Deze bassins kunnen zowel op als aansluitend aan het bouwvlak worden opgericht. De bassins vormen een nieuwe component in het landschap. In termen van openheid is de invloed, gelet op de geringe hoogte van de bassins van maximaal 1 meter, op het landschapsbeeld evenwel beperkt. Anderzijds vindt er wel een transformatie plaats van het traditionele grondgebonden agrarische gebruik naar kunstmatig oppervlaktewater.

Door steeds veranderende nieuwe technieken is de aquacultuur aan verandering onderhevig. Voor de belevingswaarde wordt er daarom gestreefd naar een zo rustig en natuurlijk mogelijk beeld in het landschap. Vandaar dat de bassins voorzien moeten worden van lage, met gras of andere bodembedekkers begroeide aarden wallen, zodat een eventueel hekwerk en de folie aan de zijkanten niet opvallen en de bassins een natuurlijke uitstraling krijgen. Het oprichten van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de aquacultuur dient plaats te vinden op het agrarisch bouwvlak. Voor zover aquacultuur is aan te merken als een grondgebonden agrarisch bedrijf is dit zonder meer mogelijk. Teeltondersteunende voorzieningen Teeltondersteunende voorzieningen (TOV’s) zoals tijdelijke afdekmaterialen, tijdelijke voorzieningen en minder in het oog springende grofmazige netten zijn op grond van de Omgevingsverordening toegestaan. Ingrijpender voor landschap en beeldkwaliteit zijn voorzieningen als plastic boogkassen, regenkappen en fijnmazige hagelnetten. In het bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met een maximale bouwhoogte van 3 meter en boogkassen tot een oppervlakte van maximaal 1 hectare per bedrijf.

Bouwvlakken Als algemeen principe vanuit het oogpunt van behoud van de landschappelijke kwaliteiten geldt voor alle landbouwbedrijven dat bebouwing op het bouwvlak dient te worden geconcentreerd. Dit betreft onder meer loodsen, mestbassins, glastuinbouw- en vergelijkbare boogkassen en waterbassins. In enkele gevallen, zoals bij waterbassins, kan hiervan worden afgeweken indien aansluit- of afvoerpunten op het bouwvlak ontbreken. Voor de duidelijkheid zijn in dit bestemmingsplannen de bouwvlakken concreet op de verbeelding aangegeven. In principe hebben deze een oppervlakte van 1 hectare (100 x 100 meter). In een aantal bestaande situaties is het bouwvlak al iets groter. Het bouwvlak van de Koninklijke Maatschap Wilhelminapolder aan de Meestoofweg in Wilhelminadorp is zo’n 2 hectare groot en wijkt daarmee sterk af van de standaardmaat voor agrarische bouwvlakken. 29

In het plan zijn wijzigingsbevoegdheden voor het college opgenomen voor het aanpassen van de vorm en voor vergroting van een bouwvlak tot 1,5 hectare, waarbij de langste zijde 150 meter mag zijn. Ten behoeve van een maximale bundeling ofwel de concentratie van bebouwing en daarmee een optimale benutting van het bouwvlak is er geen maximaal bebouwingspercentage opgenomen. Aangezien er binnen het bouwvlak voldoende logistieke ruimte aanwezig dient te zijn, zal een bouwvlak in de praktijk voor maximaal 70% tot 80% bebouwd kunnen worden. Daarnaast hoeft hiermee ten aanzien van de TOV’s niet te worden bepaald dat deze niet tot het bebouwingspercentage worden gerekend. Wel zijn er randvoorwaarden opgenomen ten aanzien van de afstanden van bouwwerken tot de perceelsgrens in het kader van een goede landschappelijke inpassing. Op afstand van het bouwvlak zijn kleinschalige bouwwerken van maximaal 50 m² toelaatbaar indien kan worden aangetoond dat deze bouwwerken noodzakelijk zijn ten behoeve van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Het gaat daarbij om schuurtjes, melkstallen of schuilgelegenheden voor vee. Tweede bedrijfswoningen De oprichting van tweede bedrijfswoningen op agrarische percelen wordt niet gewenst geacht omwille van de bescherming van de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden op termijn.

Bij het afstoten van de tweede bedrijfswoning op termijn of een gewijzigd gebruik ervan als bijvoorbeeld burgerwoning, kunnen namelijk ongewenste planologische conflictsituaties ontstaan. Daarnaast kan zelden de noodzaak tot het oprichten van een tweede bedrijfswoning, ten behoeve van onder meer toezicht, worden aangetoond. In dit plan is hiervoor om die reden geen regeling opgenomen. Bufferzones Verstoring vormt in het rijksbeleid een belangrijk milieuthema. In het landelijk gebied van Goes hangt dit veelal samen met bedrijfsmatige agrarische, niet-agrarische en recreatieve activiteiten. Verstoring door recreatie betreft veelal individuele recreanten die in afgesloten natuurgebieden doordringen of schade toebrengen aan landbouwgewassen. Deze vorm van verstoring is via ruimtelijk beleid niet te beïnvloeden. Verstoring door agrarische en niet-agrarische bedrijvigheid betreft hinder in de vorm van geluid, stank of stof voor woon-, natuur- en recreatieve functies. Om deze hinder zoveel mogelijk te voorkomen wordt in het ruimtelijk beleid een zekere afstand tot woon- en verblijfsrecreatiegebieden gewaarborgd. In principe dient een bufferzone van 100 meter aangehouden te worden. Tussen (glas)tuinbouw- en fruitteeltpercelen en woon- en recreatiegebieden dient een afstand van minimaal 50 meter aangehouden te worden.

Verschuiving activiteiten De problemen waarmee de agrarische sector kampt, zullen naar verwachting zorgen voor afvloeiing van agrarische bedrijven. Vaak zal de afvloeiing mede veroorzaakt worden door het ontbreken van een opvolger. Een tweede ontwikkeling is de toename van het aantal agrariërs dat naast de werkzaamheden in de landbouw een nevenberoep zal gaat uitoefenen. Dit zal vooral het geval zijn op bedrijven waar het agrarische inkomen onvoldoende blijkt. Hieronder vallen in eerste instantie de kleinste agrarische bedrijven. Tenslotte is het denkbaar dat een agrariër op zijn bedrijf semi-agrarische, agrarisch aanverwante en/of agrarische hulp- en nevenactiviteiten wil ontwikkelen. Planologisch gezien betekenen deze ontwikkelingen een afbrokkeling van het gewicht van de landbouwsector in het landelijk gebied. De afvloeiing van agrarische bedrijven zal leiden tot het vrijkomen van agrarische bedrijfsgebouwen. Deze gebouwen zullen vooral gebruikt gaan worden voor semi-agrarische, recreatieve en NED-activiteiten of voor bewoning. Dit is afhankelijk van de mogelijkheden die het gebouw en de omgeving bieden. De overgang zal na verloop van tijd kunnen leiden tot een toename van het aantal burgerwoningen en van het gebruik van de bijbehorende gebouwen voor burgerdoeleinden.

Het zal duidelijk zijn dat de ontwikkeling van semi-agrarische, neven- en vervolgactiviteiten een vermindering van het agrarische karakter van het gebied tot gevolg heeft. Nieuwe Economische Dragers (NED) Bij NED’s gaat het om kleinschalige niet-agrarische activiteiten als nevenactiviteit bij bestaande agrarische bedrijven of als vervolgfunctie in bestaande bebouwing op (voormalige) agrarische bedrijven. Voor het toelaten van NED’s als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf kan het college afwijken van het bestemmingsplan, waarbij een aantal criteria wordt gehanteerd. Daarbij zijn de volgende aandachtspunten van belang. <0000> Lijst van NED’s. Voor de regeling in het bestemmingsplan is uitgegaan van de lijst Nieuwe Economische Dragers 30

<0000> <0000>

<0000>

uit de Omgevingsverordening. Deze lijst is echter niet-limitatief, andere functies zijn ook mogelijk mits deze naar aard, omvang en effecten op de omgeving vergelijkbaar zijn met de in de lijst genoemde activiteiten. Op basis van de lijst kan in een concrete situatie worden getoetst of op een specifieke locatie een niet in de lijst genoemde functie kan worden toegelaten. Relatie met de agrarische bedrijfsvoering. Bedrijfsactiviteiten die zich op grond van milieukundige, hygiënische of dierenwelzijnscriteria niet verhouden met de bestaande agrarische functie, zullen in de regel niet worden toegestaan. Omvang van de activiteit. Het moet gaan om kleinschalige activiteiten. Daarom zijn er voorwaarden gesteld aan de maximale omvang en aan aspecten zoals de ruimtelijke uitstraling, verkeersaantrekkende werking (met eventuele gevolgen voor de bestaande infrastructuur) en milieucategorie, gekoppeld aan de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Overige aspecten Ook buiten het bestemmingsplan om kunnen voorwaarden gelden voor NED’s, bijvoorbeeld op grond van de Wet milieubeheer (meldingsplicht of vergunning of wijziging van bevoegd gezag van gemeente naar provincie).

Cumulatie Meerdere nevenactiviteiten of vervolgfuncties kunnen in beginsel naast elkaar op een perceel worden gevestigd. Dat betekent echter ook dat per nevenactiviteit of vervolgfunctie aan de investeringsvoorwaarden van de ruimtelijke kwaliteitswinst moet worden voldaan. Bovendien moeten de NED’s gezamenlijk nog steeds ondergeschikt zijn aan het agrarisch bedrijf als geheel. <0000> Ruimtelijke uitstraling De NED’s tezamen mogen de ruimtelijke uitstraling van het agrarisch bedrijf als geheel niet wezenlijk veranderen of bepalen. <0000> Verkeersaantrekkende werking Door het vestigen van meerdere NED’s mag de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toenemen ten opzichte van de situatie dat geen NED’s bij het agrarisch bedrijf aanwezig zijn. <0000> Categorie uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten Als NED is een bedrijfsactiviteit uit ten hoogste categorie 3 toelaatbaar. Bovendien moeten de NED’s zich ook milieukundig tot elkaar kunnen verhouden.

Nieuwbouw ten behoeve van de NED Onder voorwaarden worden door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijkheden geboden voor nieuwbouw ten behoeve van de NED’s: <0000> nieuwbouw moet passen binnen het bebouwingsvlak; <0000> nieuwbouw moet gepaard gaan met een goede landschappelijke inpassing; <0000> nieuwbouw dient gepaard te gaan met de afbraak van bestaande bebouwing en/of een investering in de ruimtelijke kwaliteit van de locatie. Overeenkomstig het Omgevingsplan zal bij de ontwikkeling van NED’s in het buitengebied als tegenprestatie ruimtelijke kwaliteitswinst moeten worden geboekt. Een streekeigen manier van landschappelijke vormgeving van deze ontwikkelingen is een vereiste. Dit draagt bij aan een verdere kwaliteitsimpuls van het landschap. Huisvesting arbeidsmigranten Om te kunnen inspelen op de huisvestingsbehoefte van seizoensgebonden arbeidskrachten maakt voorliggend bestemmingsplan het mogelijk hieraan gedurende een deel van het jaar via een afwijkingsbevoegdheid medewerking te verlenen. De in de Regionale afspraken huisvesting arbeidsmigranten De Bevelanden uit mei 2020 opgenomen uitgangspunten zijn vertaald in enkele voorwaarden. Zo dient het bij huisvesting op het agrarische erf te gaan om arbeidsmigranten die voor het desbetreffende agrarische bedrijf worden ingezet.

De regeling houdt in dat seizoensarbeiders in kampeermiddelen, woonunits en stacaravans mogen worden gehuisvest. Tijdelijke woonvoorzieningen dienen op of aansluitend aan het bouwvlak te worden geplaatst en na de oogstperiode te worden verwijderd. Ook zijn er mogelijkheden voor huisvesting in bestaande of nieuwe bedrijfsgebouwen. Verder gelden regels over de oppervlakte van de huisvesting en het aantal per woonvoorziening te huisvesten personen.

31

4.2.2 Wonen Algemeen Het primaat van het buitengebied ligt bij de landbouw. De gemeente Goes hanteert dan ook als uitgangspunt dat bewoning in het landelijk gebied in hoofdzaak is voorbehouden aan de agrarische beroepsbevolking. Desondanks bevinden zich in het buitengebied vele woningen die niet bewoond worden door de agrarische beroepsbevolking maar door derden. Bij wonen in het buitengebied door deze groep hoort daarom een zekere acceptatie van de met de agrarische bedrijvigheid samenhangende activiteiten. Door een toename van burgerwoningen in het landelijk gebied af te wijzen wordt getracht aantasting van het landelijke karakter te voorkomen, de agrarische belangen te beschermen en het draagvlak voor voorzieningen in de dorpskernen en de stad te behouden. Wonen hoort in principe in de kernen plaats te vinden. Toch wil de gemeente, conform provinciale en regionale doelstellingen, in bepaalde gevallen de landelijke woonwens faciliteren en ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor bijzondere projecten op het vlak van wonen, recreatie en zorg op geschikte locaties in het landelijk gebied. Hieronder, onder “uitzonderingen”, wordt daar nader op ingegaan. Voor wonen in het buitengebied is tevens de beeldkwaliteit en/of ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied van belang.

Burgerwoningen In het buitengebied bevinden zich meer dan 500 woningen die door derden bewoond worden, dit zijn de zogenoemde “burgerwoningen in het buitengebied”. De meeste daarvan zijn al van oudsher aanwezig. De woningen worden zowel permanent bewoond als gebruikt als tweede woning. Omdat zowel permanente bewoning als een gebruik als tweede woning als gevoelige functie aangemerkt wordt, treden er bij een wisseling van gebruik geen beperkingen op voor (de ontwikkelingsmogelijkheden van) eventueel in de directe omgeving aanwezige agrarische bedrijven. Ook leidt een wisseling van gebruik evenmin tot een toename van de woningvoorraad, het aantal woningen verandert immers niet. Recreatiewoningen op parken en campings tellen overigens niet mee in de woningvoorraad, deze mogen echter alleen recreatief gebruikt worden. Regelmatig worden verzoeken ingediend om in het buitengebied een nieuwe burgerwoning te mogen bouwen. Dat kan zowel op een zelfstandig perceel zijn als op een deel van een woonperceel dat voor dat doel zou kunnen worden afgesplitst van een bestaand perceel. Aan dergelijke verzoeken wordt geen medewerking verleend, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden of van een ruimtelijk knelpunt dat met het bouwen van één of meerdere woningen kan worden opgelost. Burgerwoningen mogen een inhoud hebben van maximaal 750 m³.

Deze maat is uitgezonderd van de algemene afwijkingsbevoegdheid die is opgenomen de regels. Dat geldt overigens ook voor de inhoud van bedrijfswoningen en landhuizen. Deze kunnen bovenop het maximum van 750 m³ alleen worden uitgebreid met bouwwerken die als vergunningvrij zijn aan te merken. Alle burgerwoningen zijn voorzien van een eigen bouwvlak. Voor het woonwagencentrum aan de Klaphekkeweg is een specifieke regeling opgenomen. Uitzonderingen De positie en de functie van het landelijk gebied veranderen. De woonfunctie kan een bijdrage leveren aan dit veranderingsproces, doordat bijvoorbeeld voormalige boerderijen worden hergebruikt als woning. Daarnaast kunnen woningen (naast recreatievoorzieningen en bedrijfsmatige activiteiten) worden gebruikt als kostendrager bij het oplossen van problemen en/of het stimuleren van gewenste ontwikkelingen in het landelijk gebied. Op deze manier kan een ruimtelijke kwaliteitsverbetering worden bereikt en landschappelijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven of worden versterkt. Wonen in het landelijk gebied is echter géén doel op zich, maar staat in het teken van bovenstaande ontwikkelingen. Ontwikkelingen moeten voorzien in een regionale behoefte, het agrarisch gebruik niet belemmeren en geen afbreuk doen aan landschappelijke waarden en natuurwaarden.

Er zijn verschillende mogelijkheden om een woonfunctie in het landelijk gebied te realiseren: 1. het benutten van bestaande bebouwing (rood voor rood); 2. ruimte voor ruimte (sloop en planologische sanering van bestaande bebouwing voor één nieuwe woning); 3. nieuwe bebouwing (rood voor groen). Hiertoe behoren nieuwe landgoederen en buitenplaatsen. 32

1. Rood voor rood Onder deze categorie vallen de mogelijkheden voor verbetering, uitbreiding en verplaatsing van bestaande individuele burgerwoningen en het benutten van cultuurhistorisch waardevolle voormalige agrarische bebouwing in het landelijk gebied, bestaande buitenplaatsen en landgoederen. Voor niet cultuurhistorisch waardevolle bebouwing geldt de ruimte-voor-ruimte-regeling. 2. Ruimte voor ruimte De ruimte-voor-ruimte-regeling heeft als uitgangspunt dat de kosten die gemaakt worden voor het saneren van een bouwwerk of fysiek knelpunt kunnen worden terugverdiend door het bouwen van woningen als kostendrager. Als voorwaarde geldt dat er door de afname van bouwvolume een ruimtelijke kwaliteitswinst plaats dient te vinden. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om vrijkomende en/of voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen om te zetten in woningen door middel van deze ruimte-voor-ruimte-regeling. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in beeldbepalende, cultuurhistorische waardevolle bebouwing en niet beeldbepalende bebouwing. Voor beeldbepalende, cultuurhistorisch waardevolle vrijkomende agrarische bebouwing geldt dat wonen een geschikte vorm is van (her)gebruik, waarmee behoud van de bebouwing gestimuleerd wordt.

Het kan bijvoorbeeld gaan om de verplaatsing van een agrarisch bedrijf naar een nieuwe locatie of het uitbreiden van bebouwing in het buitengebied ten behoeve van het vergroten van een nieuwe economische drager waarvoor elders bebouwing wordt gesaneerd. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om ongewenste of in onbruik geraakte objecten in het buitengebied te saneren in ruil voor planologische ontwikkelingsruimte, bijvoorbeeld in de vorm van een woon- of recreatieve functie. Een voorbeeld hiervan vormt de regeling voor sanering van vrijkomende bebouwing in het buitengebied, waarvoor in ruil een woonfunctie kan worden toegekend. Aan de uitvoering van deze regeling worden de volgende voorwaarden gesteld: <0000> er kunnen maximaal 3 compensatiewoningen worden gerealiseerd. Voor de realisatie van een woning/bouwkavel wordt uitgegaan van een te slopen oppervlak van 500 m² schuur of 0,5 ha glas of andere bebouwing van een vergelijkbare grootte. Hiervan kan worden afgeweken indien: <0000> uit een financiële onderbouwing blijkt dat onvoldoende kostendragers kunnen worden gegenereerd voor de sloop van het betreffende object; <0000> dit aantoonbare meerwaarde oplevert voor het landschap; <0000> het dient te gaan om niet-cultuurhistorisch waardevolle bebouwing; <0000> sloop en het voorkomen van heroprichting dienen te worden gewaarborgd. 3.

Rood voor groen Bij nieuwe landgoederen is het doel te komen tot verantwoorde, door de particuliere sector betaalde, natuur- en landschapsontwikkeling met een oppervlakte van minimaal 1,5 hectare en maximaal 5 hectare. In het Landschapsontwikkelingsplan wordt gesteld dat de zone langs de oude zeedijk, de grens van het oudland en de groene buffers tussen de dorpen ten westen van Goes goede plaatsen zijn voor nieuwe landgoederen. Nieuwe landgoederen kunnen bijdragen aan de verdichting van de groene zone achter de oude zeedijk en tussen de dorpen op de kreekruggen. In de open polders in het nieuwland is de ontwikkeling van nieuwe landgoederen niet gewenst, omdat daarmee al snel de karakteristieke openheid wordt aangetast. De openbare toegankelijkheid, waarbij maximaal 20% van de oppervlakte van het landgoed aan de openbaarheid mag worden onttrokken als privékavel, geldt als randvoorwaarde. De groene inrichting en de openbare toegankelijkheid vormen de vereiste verevening. Op de kreekruggen kunnen de openbare delen van de landgoederen ingericht worden met gebiedseigen elementen als (hoogstam)boomgaarden. Zo kan een landschap met fruitboomgaarden ontwikkeld worden dat veel toegankelijker is voor recreanten dan het huidige agrarische landschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12798100/1