Agendapunt 07. Bestemmingsplan PDF 20210354
Tekst van het document
ELSA HOEVE KLOETINGE Bestemmingsplan 08-12-2022
1/2
2/2
DATUM KENMERK
08-12-2022 NL.IMRO.0664.BPLG15-ON99
PROJECT PROJECTLEIDER
Elsa Hoeve Kloetinge Ing. J.A. van Broekhoven
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Gemeente Goes 20210354
AUTEUR STATUS
J. Dingemanse ontwerp
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
9
1.1
Aanleiding
9
1.2
Ligging plangebied
9
1.3
Geldend bestemmingsplan
10
1.4
Opzet van de toelichting
11
Hoofdstuk 2
Projectbeschrijving
13
2.1
Huidige situatie plangebied en directe omgeving
13
2.2
Beoogde ontwikkeling
19
Beleidskader
25
3.1
Rijksbeleid
25
3.2
Provinciaal beleid
27
3.3
Regionaal en gemeentelijk beleid
31
Omgevingsaspecten
33
4.1
Vormvrije m.e.r.‐beoordeling
33
4.2
Watertoets
34
4.3
Ecologie
34
4.4
Cultuurhistorie en archeologie
40
4.5
Bodem‐ en grondwaterkwaliteit
46
4.6
Verkeer
48
4.7
Bedrijven en milieuhinder
49
4.8
Geluid
51
4.9
Luchtkwaliteit
52
4.10
Externe veiligheid
54
4.11
Duurzaamheid
56
4.12
Kabels en leidingen
56
Juridische vormgeving
57
5.1
Wettelijk kader
57
5.2
Opzet van de bestemmingsregeling
57
5.3
Toelichting op de gehanteerde bestemmingen
58
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
3/129
Hoofdstuk 6
Handhaving
61
6.1
Inleiding
61
6.2
Handhaving bestemmingsplannen
61
6.3
Handhavingsbeleid
61
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
63
7.1
Economische uitvoerbaarheid
63
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
63
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Beeldkwaliteitsplan
Bijlage 2
Inrichtingsplan met landschappelijke inpassing
Bijlage 3
Vormvrije m.e.r.‐beoordeling
Bijlage 4
Watertoets
Bijlage 5
Quickscan flora en fauna
Bijlage 6
Nader onderzoek flora en fauna
Bijlage 7
Archeologisch bureau‐ en inventariserend veldonderzoek
Bijlage 8
Aerius memo
Bijlage 9
Stikstofberekening aanlegfase
Bijlage 10
Stikstofberekening gebruiksfase
Bijlage 11
Bouwhistorische verkenning
Bijlage 12
Eindrapport verkennend bodemonderzoek
Bijlage 13
Eindrapport nader bodemonderzoek
Bijlage 14
Rapport verkeer en parkeren
Bijlage 15
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
4/129
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
99
Artikel 1
Begrippen
99
Artikel 2
Wijze van meten
104
Bestemmingsplanregels
105
Artikel 3
Agrarisch
105
Artikel 4
Maatschappelijk
108
Artikel 5
Wonen
111
Artikel 6
Waarde ‐ Archeologie 1
114
Hoofdstuk 3
Algemene regels
117
Artikel 7
Anti‐dubbeltelregel
117
Artikel 8
Algemene bouwregels
118
Artikel 9
Algemene gebruiksregels
120
Artikel 10
Algemene afwijkingsregels
121
Artikel 11
Algemene wijzigingsregels
122
Artikel 12
Algemene procedureregels
123
Hoofdstuk 4
Overgangs‐ en slotregels
125
Artikel 13
Overgangsrecht
125
Artikel 14
Slotregel
126
Hoofdstuk 2
Bijlagen regels Bijlage 1
5/129
Inrichtingsplan en landschappelijke inpassing
6/129
TOELICHTING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Stelleweg 2 in Kloetinge was voorheen een agrarisch bedrijf gevestigd. Het bedrijf is ruim 10 jaar geleden gestopt en de bedrijfsgebouwen staan leeg en raken in verval. Bij de boerderij horen ook geen agrarische gronden meer. De bijbehorende woning wordt nog anti‐kraak bewoond. De bestaande bebouwing aan de Stelleweg 2 ‐ de Elsa Hoeve ‐ heeft de status van rijksmonument. De initiatiefnemers willen de Elsa Hoeve herontwikkelen naar een woonzorgcomplex voor ouderen met een zorgvraag. Er worden 38 woonzorgeenheden met ondersteunende algemene ruimten gerealiseerd. Zo krijgt de monumentale boerderij een nieuwe functie en wordt invulling gegeven aan de behoefte aan zorgwoningen in Goes. Op het naastgelegen kadastrale perceel GOE00‐X‐1552 is het voornemen om een vrijstaande reguliere woning te realiseren. Stedenbouwkundig en voor de beeldkwaliteit vormen beide ontwikkelingen een geheel. De uitvoering staat los van elkaar. In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' heeft de locatie de bestemming 'Agrarisch'. De beoogde ontwikkeling past niet binnen deze bestemming. Om de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken is met de gemeente Goes overeengekomen om een nieuw bestemmingsplan op te stellen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt tegen aan de kern en komgrens van de stad Goes, ten noorden van Kloetinge en ten oosten van Goes. Het plangebied maakt onderdeel uit van de stadsrand die de grens vormt met het buitengebied. De locatie is gelegen aan de Stelleweg, ten zuiden van de Hoge Meet, en omvat de monumentale boerderij Elsa Hoeve. De omliggende en direct aangrenzende oostelijke en zuidelijke percelen behoren niet tot de boerderij. Aan de overzijde van de Stelleweg ligt een vrijstaande woning en ten zuiden daarvan natuur‐ en gezondheidspark 'De Mirakel'. Het gebied ten oosten van het plangebied, is agrarisch in gebruik. De ligging van het plangebied is op figuur 1.1 weergegeven.
9/129
Figuur 1.1 Ligging plangebied (Bron: Google Maps, bewerking Rho adviseurs)
1.3
Geldend bestemmingsplan
Het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is het op 2 juni 2011 vastgestelde bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie ‐ 1'. Gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn bestemd voor de bedrijfsvoering van grondgebonden agrarische bedrijven en wegen, paden, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. Op het perceel ligt een bouwvlak van circa 1 hectare groot. Gronden met de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie ‐ 1' zijn bestemd voor bescherming en behoud van het ter plaatse archeologisch waardevol gebied en van de ter plaatse aanwezige vindplaatsen, niet zijnde beschermd van rijkswege. De beoogde woonzorgeenheden en vrijstaande reguliere woning passen zowel voor wat betreft gebruiks‐ als bouwmogelijkheden niet binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan.
10/129
Figuur 1.2 Aanduiding plangebied in geldend bestemmingsplan (Bron: Ruimtelijke Plannen, bewerking Rho adviseurs)
1.4
Opzet van de toelichting
De opzet van de plan toelichting is als volgt. In hoofdstuk 2 worden de huidige en beoogde situatie van het plangebied beschreven; In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader; In hoofdstuk 4 zijn de resultaten vermeld van de toetsing aan milieu‐ en overige aspecten; Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving; Hoofdstuk 6 beschrijft de handhavingsmogelijkheden op basis van het bestemmingsplan; Hoofdstuk 7 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
11/129
12/129
Hoofdstuk 2
2.1
Projectbeschrijving
Huidige situatie plangebied en directe omgeving
Het plangebied ligt tegen aan de kern en komgrens en van de stad Goes, ten noorden van Kloetinge en ten oosten van Goes. Het plangebied maakt onderdeel uit van de stadsrand die de grens vorm met het buitengebied. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1 hectare. De gronden zijn kadastraal bekend als GOE00‐X‐1551, GOE00‐X‐1552, en deels GOE00‐X‐829. De locatie is gelegen aan de Stelleweg, ten zuiden van de Hoge Meet, en omvat de monumentale boerderij Elsa Hoeve. De omliggende en direct aangrenzende oostelijke en zuidelijke percelen behoren niet tot de boerderij. Aan de overzijde van de Stelleweg ligt een vrijstaande woning en ten zuiden daarvan natuur‐ en gezondheidspark 'De Mirakel'. Het gebied ten oosten van het plangebied, is agrarisch in gebruik. De locatie wordt gekenmerkt door de openheid van het agrarische landschap aan de oostzijde en de bebouwde rand van Goes en Kloetinge aan de west‐, noord‐ en zuidzijde. Het plangebied maakt onderdeel uit van de polder Brede Watering Bewesten Yerseke. Direct ten westen en ten zuiden van het plangebied is een stadspark gelegen. Het plangebied is gelegen aan de Stelleweg, wat de overgang tussen stedelijk gebied en agrarisch landbouwgebied vormt. Het plangebied bestaat uit de monumentale boerderij Elsa Hoeve met diverse bijgebouwen en een deel braakliggende en onbebouwde grond.
Het perceel van de boerderij wordt aan de noord‐, oost‐ en zuidzijde begrensd door een uitgegroeide houtwal bestaande uit onder andere es, populier en wilg. Een aantal van deze bomen zijn beschermd. Aan de noordzijde is tevens een watergang gelegen en aan de zuidoostzijde van het perceel een vijver. Deze laatste is volledig overwoekerd door de aanwezige begroeiing. De zuidzijde van het plangebied maakt onderdeel uit van de landbouwgronden die hier zijn gelegen. De landbouwgronden maken geen deel uit van de boerderij. Aan de zuidwestzijde is tevens een watergang gelegen. Het plangebied wordt via de Stelleweg ontsloten en wordt hoofdzakelijk gebruikt door fietsers en bestemmingsverkeer. Ten noorden van het plangebied sluit de Stelleweg aan op de Hoge Meet doormiddel van een T‐splitsing waarbij de bochten van de Stelleweg verbreed zijn door middel van graskeien. Dit om te voorkomen dat bermen stuk worden gereden. Vanaf de Stelleweg is het achterliggende erf van de Elsa Hoeve vanaf twee zijden te bereiken. Het binnenterrein wordt omsloten door een grote landbouwschuur (figuur 2.2) een woning (figuur 2.3), bakkeet (figuur 2.4), varkenshok (figuur 2.5), een wagenschuur (figuur 2.6) en de houtwal aan de oostzijde. Hiermee vormt het samen met de woning een agrarisch ensemble. Vanaf het erf is op sommige plekken door de houtwal zicht op het achterliggende open landschap mogelijk.
De woning bestaat uit één laag met een kap en een grote landbouwschuur. Hiermee presenteert de boerderij zich nadrukkelijk aan de Stelleweg, hoewel de woning vrijwel volledig verscholen ligt achter beplanting. De woning en schuur staan in elkaars verlengde en hebben de nokrichting evenwijdig aan deze weg. Direct voor de grote landbouwschuur aan de Stelleweg staat een varkenshok. Deze heeft eveneens een kap met de nokrichting haaks op de weg. Verder achter op het erf, aan de noordzijde, staat nog een wagenschuur.
13/129
Ten zuiden van het plangebied staat een woning. Dit betreft een woonboerderij die door de groene inrichting onderdeel vormt van het natuur‐ en gezondheidspark. Deze boerderij bestaat uit een laag met een kap en heeft een vrijstaand bijgebouw. Meer naar het noorden is het woongebied Noordhoek en Mannee gelegen. Op de hoek van de Hoge Meet, direct aan de rotonde, is een kantoorgebouw gevestigd.
Figuur 2.1 Luchtfoto plangebied (Bron: Rho Basisviewer)
14/129
Figuur 2.2 Aan‐ en zijaanzichten van de schuur (Bron: Buro SRO)
15/129
Figuur 2.3 De woning (Bron: Buro SRO)
16/129
Figuur 2.4 De bakkeet (Bron: Kort Geytenbeek Architecten BNA)
17/129
Figuur 2.5 Het varkenshok (Bron: Kort Geytenbeek Architecten BNA)
Figuur 2.6 De wagenschuur (Bron: Kort Geytenbeek Architecten BNA)
18/129
2.2
Beoogde ontwikkeling
Ter plaatse van de Stelleweg word een woonzorgcomplex gebouwd bestaande uit 38 woonzorgeenheden en een vrijstaande reguliere woning. De beoogde ontwikkeling betreft een volledige herontwikkeling van de monumentale boerderij Elsa Hoeve en het naastgelegen kavel GOE00‐X‐1552. Hierdoor kan de monumentale boerderij worden behouden en wordt de vervallen bebouwing en het rommelig ogende perceel weer in ere hersteld. Door de vrijstaande woning en woonzorgcomplex gelijktijdig te wijzigen in het bestemmingsplan ontstaat de mogelijkheid om het gehele ensemble, met aanvullende nieuwbouw, op een ruimtelijk en landschappelijk wijze goed in te passen. In de beoogde situatie wordt het bouwvlak aanzienlijk verkleind, waardoor de bestaande bouwmogelijkheden ook aanzienlijk worden verkleind en de cultuurhistorisch waarden behouden blijven. In de huidige situatie is de oppervlakte van het agrarisch bouwvlak in het geldende bestemmingsplan 10.000 m2. In de beoogde situatie wordt het maatschappelijk bouwvlak ca. 4.000 m2 en het bouwvlak wonen ca. 1.000 m2. Hierdoor worden de bouwmogelijkheden met ca. 5.000 m2 verkleind. De basis ligt in de herontwikkeling van de Elsa Hoeve, waarbij de vrijkomende woonbestemming wordt gebruikt om de nieuwbouwwoning op kavel GOE00‐X‐1552 te kunnen realiseren.
De betreffende kadastrale percelen worden nadrukkelijk op elkaar afgestemd, waardoor er een fraai bebouwingsensemble zal ontstaan die aansluit op de agrarische gronden. Het bestaande ensemble wordt in ere hersteld en krijgt een maatschappelijk functie als woonzorglocatie. Het ontwerp gaat uit van de bestaande woning en grote landbouwschuur met haaks daarop, aan de noordoostzijde, een nieuw schuurvolume van één laag met een kap. De nokhoogte bedraagt ca. 11 meter. De nieuwe schuur krijgt een bij het ensemble passende architectuur. De kop van de beoogde grote landbouwschuur, het woonhuis en de bakkeet, worden door middel van een nieuw éénlaags plat en transparant (glazen) volume (ca. 3 meter hoog) met elkaar verbonden. Dit volume vormt de centrale entree van de woonzorgboerderij en laat, door zijn transparantie, de waarde van de bestaande bebouwing intact. Ten zuiden van de vernieuwde Elsa Hoeve wordt een vrijstaande woning gerealiseerd als onderdeel van het nieuwe ensemble. Deze woning, met een omvang van maximaal 750 m3, wordt ten opzichte van de Elsa Hoeve verder van de Stelleweg gebouwd, zodat de monumentale boerderij nadrukkelijk het zicht ter plaatse bepaald. De nieuwe woning heeft een inhoud van maximaal 750 m3, passend bij de bestaande bebouwing Elsa Hoeve. Dit volume bestaat uit één laag met een kap. De nokhoogte bedraagt circa 8 meter.
De beoogde woning wordt achter de achtergevellijn van de bestaande bedrijfswoning gerealiseerd waardoor het ondergeschikt is aan de bebouwing Elsa Hoeve. In het beeldkwaliteitsplan (zie bijlage 1) is een nadere beschrijving opgenomen van de ontwerpuitgangspunten van de woning en het woonzorgcomplex. De woning wordt zodanig gepositioneerd dat deze past in het ensemble met de Elsa Hoeve. Ook het beeldkwaliteitsplan wordt afgestemd op de Elsa Hoeve. Door middel van een landschappelijk inpassing wordt de beoogde ontwikkeling afgestemd op de bestaande als‐ de nieuwe situatie door een verzorgd groen uiterlijk en zone die wordt nagestreefd.
19/129
Het is de wens van de gemeente en van de eigenaar het monument te behouden. Behoud is alleen mogelijk door een nieuwe functie te geven aan de boerderij, de voorkeur gaat uit naar een maatschappelijke functie (woonzorgcomplex). Bij het geschikt maken voor de nieuwe functie moet zeer zorgvuldig omgesprongen worden met de waarden van het monument, zowel bouwkundig als ten aanzien van de landschappelijke inpassing. Dit vraagt een grote investering, een investering die niet alleen gedragen kan worden door de nieuwe maatschappelijke functie. Dat wordt nog eens versterkt door het feit dat het maatschappelijke programma veel ruimtes kent die niet rechtstreeks een opbrengst hebben. De investering die nodig is voor een goede omgang met het monument en de specifieke eisen aan de landschappelijke inpassing worden deels gedragen door het toevoegen van een woning aan het bebouwingsensemble op het naast gelegen kavel. Doordat de voormalige agrarische bedrijfswoning van de Elsa Hoeve, waarin op grond van het vigerende bestemmingsplan mag worden gewoond, ten behoeve van de verzorging van dementerende ouderen opgaat in het beoogde woonzorgcomplex, zullen initiatiefnemers deze woning uiteindelijk niet als reguliere burgerwoning of als bedrijfswoning aan de aanstaand exploitant van het woonzorgcomplex kunnen verkopen.
Het toekennen van een woonbestemming aan perceel GE00‐X‐1552 doet het gemis van deze inkomsten gedeeltelijk compenseren. Het gehele ensemble wordt op een aantrekkelijke en landschappelijk wijze ingepast. Daartoe wordt de bestaande houtwal aan de noord‐ en oostzijde ontdaan van slechte bomen en struiken. Nieuwe streekeigen bomen en heesters worden toegevoegd langs zowel de noord‐, oost‐ en zuidrand van het totale perceel. De huidige houtwal rondom de bestaande woning wordt verwijderd om zo zicht en openheid te creëren. Tussen de Elsa Hoeve en de nieuwe woning wordt een smalle houtwal/haag voorgesteld om voldoende privacy te waarborgen. De beoogde inrichting sluit aan bij die van de Elsa Hoeve door middel van streekeigen beplanting op eigen terrein. Hierdoor ontstaat een uitstraling als een bebouwingsensemble. Voor de landschappelijke inpassing is een inrichtingsplan gemaakt, zie bijlage 2. De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassingen wordt in de regels verankerd door een voorwaardelijke verplichting. Programma Het woonzorgcomplex is een complex voor kwetsbare ouderen gericht op 24‐uurs zorg. Bewoners hebben zorgindicatie ZZP4 en hoger. Het gaat hierbij om wonen in combinatie met zorg ter plaatse en het aanbieden van zorg (medische voorzieningen). De zorgvraag wordt afgestemd op de behoefte van de bewoners.
De ouderen komen voor ZZP4 en hoger in aanmerking als er vanwege een kwetsbare gezondheid en problemen met oriëntatie en geheugen afhankelijkheid is van zorg, begeleiding, persoonlijke verzorging en het invullen van de dag. Ook moet er 24 uur per dag een beroep kunnen doen op zorg en begeleiding. De kosten voor de zorg komen ten lasten van de WLZ (Wet Langdurige Zorg) en is gebaseerd op het VPT (Volledig Pakket Thuiszorg) pakket. Er zal in principe geen beroep worden gedaan op gemeentelijk WMO‐budget (Wet maatschappelijke ondersteuning).
20/129
In het nieuwe schuurvolume komt op de begane grond en de verdieping zorgwoningen. In de bestaande grote landbouwschuur, die volledig intact blijft, komen ook op de begane grond en verdieping zorgwoningen. Dit wordt een mix van studio's en appartementen, totaal 38 wooneenheden. In het centrale volume, dat zowel nieuw als oud (woning en bakkeet) verbindt, zijn onder andere de entrees voorzien, algemene voorzieningen, centrale keuken en algemene ontmoetingsruimte voor alle bewoners van de zorgwoningen. In het woonzorgcomplex zal een professioneel aanbod van zorg, welzijn en verpleging worden geboden. Daarnaast worden er diverse voorzieningen voor dagbesteding aangeboden en wordt het buitenterrein opgewaardeerd. In de bestaande woning en bakkeet is het kantoor en ondersteunende ruimten voorzien. De Stelleweg wordt zeer regelmatig gebruikt door schoolgaande jeugd, fietsers en wandelaars. Hierdoor is gekozen voor het ontzien van de Stelleweg van gemotoriseerd verkeer van en naar de Elsa Hoeve. Vanuit de noordzijde van het plangebied wordt door middel van de aanleg van een karrespoor aansluiting gezocht bij de Hoge Meet. Via dit karrespoor is de locatie en de parkeerplaatsen te bereiken. Wandelaars en fietsers van en naar de Elsa Hoeve gaat via de Stelleweg (niet via karrespoor toegangsweg) Op het plangebied zijn 19 parkeerplaatsen beschikbaar.
In het verlengde van de Wagenschuur zijn in totaal 17 parkeerplaatsen voorzien. Direct voor de entree zijn 2 MIVA‐parkeerplaatsen voorgesteld waarmee de loopafstand tot de entree gering is. Voor de nieuwe vrijstaande woning wordt het parkeren, doormiddel van 2 parkeerplaatsen op het eigen perceel opgelost.
Figuur 2.7 Beoogde inrichting ter indicatie (Bron: Buro SRO)
21/129
Figuur 2.8 Profielschets DD bestaande wagenschuur ter indicatie (Bron: buro SRO)
Figuur 2.9 Profielschets BB beoogde situatie (Bron: Kort Geytenbeek Architecten)
Figuur 2.10 Profielschets CC nieuw te bouwen vrijstaande woning ter indicatie (Bron: Kort Geytenbeek Architecten)
22/129
Figuur 2.11 Profielschets bestaande schuur ter indicatie (Bron: Kort Geytenbeek Architecten)
23/129
24/129
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Aan de hand van een toekomstperspectief 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is.
Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte.
25/129
Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit. Ruimte voor overgang naar een circulaire economie. Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de fysieke leefomgeving. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets‐ en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing en conclusie Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het mogelijk maken van 38 zorgeenheden en een vrijstaande woningen wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden.
De Nationale Omgevingsvisie wordt gekenmerkt door een hoog abstractie‐ en schaalniveau en heeft geen directe belangen die geborgd moeten worden ten aanzien van het plangebied en de beoogde ontwikkeling. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent een aantal nationale belangen zoals genoemd in de NOVI. Dit initiatief raakt geen rijksbelangen uit het Barro. 3.1.3
Besluit ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame ontwikkeling
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuw stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. De reden hiervoor is om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland te bevorderen. Een stedelijke ontwikkeling houdt in dat er nieuwe bebouwing wordt toegevoegd aan de huidige bebouwing. De ladder bestaat uit twee stappen: de eerste stap bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. De tweede stap omvat, indien de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toetsing en conclusie De ladderonderbouwing is op basis van jurisprudentie pas nodig vanaf 12 woningen. Voorliggende ontwikkeling voorziet in 38 zorgeenheden en een vrijstaande woning. Het gebruik van de huidige bedrijfswoning wordt gesaneerd waardoor de realisatie van de vrijstaande woning mogelijk is. Hierdoor is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het beleid geformuleerd in het Bro vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
26/129
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Zeeuwse Omgevingsvisie De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030. De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier Zeeuwse Ambities voor 2050: 1. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland; 2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied; 3. Een duurzame en innovatieve economie; 4. Klimaatbestendig en CO2‐neutraal Zeeland; In 2050 is er voor ieder een passende woning beschikbaar. In de omgeving van je huis kun je je veilig voelen. De verandering van de bevolkingssamenstelling en de noodzaak voor toegankelijke voorzieningen heeft tot vernieuwing van de Zeeuwse woningmarkt geleid. Hierbij is de noodzaak om barrières weg te nemen zodat alle Zeeuwen gemakkelijk deel kunnen nemen aan de samenleving. Hierbij draagt een schone, gezonde en veilige woonomgeving aan mee. Woningvoorraad De vraag naar extra woningen neemt toe in steden en in goed bereikbare kernen met voorzieningen. Bundeling van voorzieningen in combinatie met een goede bereikbaarheid daarvan is een gezamenlijke uitdaging.
Daarnaast zal het nodig blijven om de woningbouw in dorpen te faciliteren, dit zal dan primair via herstructurering, inbreiding binnen de bestaande kern, vervangende nieuwbouw en het verleggen van bestaande plannen naar nieuwe kansrijke locaties moeten gebeuren. Als dit noodzakelijk is, behoort maatwerk door een beperkte uitbreiding tot de mogelijkheden. De totale woningmarktafspraken in de regio bieden hiervoor het kader. Bij woningbouw staan de ruimtelijke doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik hoog op de agenda. Doel is om een samenhangende gebiedsgerichte aanpak van stedelijke gebieden mogelijk te maken. Hergebruik van waardevolle cultuurhistorische panden krijgt daarbij extra aandacht. Het is van provinciaal belang dat Zeeuwse steden de sociaaleconomische motor blijven van de provincie. Wonen Door vergrijzing en ontgroening neemt het aantal gezinnen af en (oudere) alleenstaande huishoudens juist toe. Hierdoor neemt de behoefte aan woonzorgvoorzieningen en woningen nabij voorzieningen in steden en centrumkernen toe. Projecten voor woningbouw en woonzorgvoorzieningen hebben een gemeentegrensoverschrijdende impact. Het omgevingsplan benadrukt dan ook het belang van regionale woningmarktafspraken. De regionale woningmarktafspraken zijn bedoeld om regionaal woningbouwbeleid vast te stellen en dienen als onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Cultuurhistorische waarden De provincie heeft als doelstelling om waardevolle landschappen en cultuurhistorisch erfgoed in Zeeland te beschermen en te ontwikkelen door (in)directe economische baten te vergroten die voortvloeien uit landschap en erfgoed. Daarbij wordt beoogd om de identiteit, diversiteit en belevingswaarde van landschap, natuur‐ en
27/129
cultuurhistorisch waarden te behouden en te versterken. Het gaat hierbij over monumentale bebouwing, zoals de Elsa Hoeve. De Elsa Hoeve is aangemerkt als historische boerderij. De provincie zet zich actief in voor het behoud van dit agrarisch erfgoed. De Provincie biedt ruime ontwikkelingsmogelijkheden voor bijzondere projecten op het vlak van wonen, recreatie en zorg op geschikte locaties in het landelijk gebied. In de praktijk zal per locatie en ontwikkeling maatwerk geleverd moeten worden, waarbij een vroegtijdige betrokkenheid van gemeente én Provincie wenselijk is. Nieuwe Economische Drager Een concrete invulling van het hiervoor beschreven principe van behoud door ontwikkeling is de Nieuwe Economische Drager. De provincie biedt ruimte voor nieuwe economische dragers die een een bijdrage leveren aan het behoud van de vitaliteit van het landelijk gebied. Herbestemmen en uitbreiden van bestaande bebouwing is onder bepaalde omstandigheden ook mogelijk. De provincie streeft hierbij naar voldoende ruimte voor zowel nieuwe als uitbreiding van bestaande niet‐agrarische en semi‐agrarische activiteiten in het landelijk gebied. Voorwaarde is dat deze activiteiten qua aard, schaal, omvang en verkeersaantrekkende werking passen in het landelijk gebied. Toetsing De ontwikkeling is een aanvulling op het bestaand stedelijk gebied van Goes en bevindt op korte afstand van voorzieningen.
Het gaat om zorgwoningen voor mensen met een zorgindicatie van ZZP4 of hoger. Het gaat hierbij om wonen in combinatie met zorg ter plaatse en het aanbieden van zorg (medische voorzieningen). De gemeente Goes maakt onderdeel uit van de regio Bevelanden. De woningmarktafspraken van deze regio zijn in de Agenda Wonen in De Bevelanden 2020 opgenomen. Hierin is aangegeven dat er in Goes meer behoefte aan centrumstedelijke woonmilieus is dan dat er nu gepland staat. Daarmee voldoet de ontwikkeling van 38 woonzorgeenheden en een vrijstaande reguliere woning aan de rand van Goes en Kloetinge in een behoefte. Het beoogde type zorgvoorziening is een aanvulling op de bestaande voorraad zorgvoorzieningen, waar door de veranderde markt behoefte aan is. Naast een kwaliteitsverbetering zorgt de beoogde ontwikkeling voor meer differentiatie op de woonzorgmarkt. De Elsa Hoeve voorziet in herbestemmen van behoudenswaardige bebouwing. Afwijken van het criterium Nieuwe Economische Drager is te rechtvaardigen omdat is aangenomen dat de ontwikkeling is gelegen in bestaand stedelijk gebied en het behoud van het cultuurhistorisch erfgoed niet mogelijk is zonder de beoogde invulling. Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met de Zeeuwse Omgevingsvisie.
3.2.2 Ontwerp Omgevingsverordening Provinciale Staten moeten op grond van de Omgevingswet één omgevingsverordening vaststellen, waarin alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. De invulling hiervan is de Omgevingsverordening Zeeland. Op 21 december 2021 hebben Gedeputeerde Staten een ontwerp Omgevingsverordening Zeeland vastgesteld voor inspraak. Nadat het ontwerp vanaf 11 januari tot en met 21 februari 2022 zes weken ter inzage heeft gelegen, hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening op 7 oktober 2022 vastgesteld. Inhoudelijk wijkt de nieuwe verordening nagenoeg niet af van de bestaande verordening uit 2018, die overigens blijft gelden tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Tot het moment van vaststelling van deze Omgevingsverordening is de Omgevingsverordening uit 2018 van kracht, zie paragraaf 3.2.3.
28/129
3.2.3
Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018
Een aantal onderwerpen uit het Omgevingsplan is juridisch vertaald in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Voor woningbouw zijn in de omgevingsverordening alleen regels opgenomen voor kleinschalige woningbouw in het buitengebied. Verder zijn er algemene regels opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied. Een beperkt aantal regels heeft vooral betrekking op stedelijke functies. Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan. Toetsing De Elsa Hoeve is een kenmerkend monumentaal pand en heeft zijn agrarische functie al meer dan 10 jaar verloren. De bebouwing staat al jaren leeg en is in verval getreden. Een vervolgfunctie is nodig voor behoud van het monument. Daarmee wordt de cultuurhistorische waarde behouden en kunnen de bestaande monumentale gebouwen in stand blijven en gerestaureerd worden. Daarnaast wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd en wordt met de voorziening ingespeeld op de sterk groeiende behoefte aan woon‐ /zorgvoorzieningen voor zorgbehoevende ouderen. De ontwikkeling is daarmee een unieke kans om het geheel te behouden en een passende invulling te geven.
Burgerwoning De vrijstaande woning maakt onderdeel uit van het totale complex. Omdat de bestaande bedrijfswoning wordt gesaneerd en deze ruimte wordt geïntegreerd in de woonzorg voorziening en plaats zal bieden voor ondersteunde algemene ruimtes en één burgerwoning wordt toegevoegd, is slechts sprake van het vervangen van de bedrijfswoning door een burgerwoning. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan bij bedrijfsbeëindiging in een wijzigingsbevoegdheid waarmee het gebruik van een bedrijfswoning kan worden gewijzigd in reguliere woonbestemming. Dit kan doordat het gebruik als dienstwoning door de bedrijfsbeëindiging is komen te vervallen. Deze wijziging is nooit doorgevoerd. Dit maakt het mogelijk dat de vrijstaande woning toegevoegd kan worden. Per saldo blijf het aantal woningen gelijk. Stedelijk gebied Het plangebied is gelegen tegenaan de formele komgrens. Het complex ligt aansluitend aan het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing van de stad, het daarbij behorende stedelijk groen en de stedelijke infrastructuur. Het betreffende perceel is volgens het bestemmingsplan Buitengebied 2010 bestemd voor agrarische doeleinden. In beginsel mag het perceel alleen voor agrarische doeleinden worden gebruikt. De woon‐/zorgvoorziening is strijdig met deze gebruiksbepaling. In onderhavig geval is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Overeenkomstig provinciaal beleid zijn nieuwe stedelijke ontwikkeling alleen binnen bestaand stedelijk gebied toegestaan. Betreffende ontwikkeling is gelegen op de grens van het stedelijk gebied. Na overleg met de provincie is geconcludeerd dat het perceel en de bebouwing, door de specifieke ligging, de feitelijke situatie en de aard van de omgeving onderdeel uitmaakt van het bestaande stedelijk gebied. De provincie verbindt hieraan de voorwaarde dat de huidige agrarische bestemming van het perceel komt te vervallen. Dit vraagt om een herziening van de huidige bestemming. Door middel van een bestemmingsplan kan medewerking worden verleend aan dit unieke plan.
29/129
Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met de regels uit de omgevingsverordening. 3.2.4
Zeeuwse Woonagenda
De Zeeuwse Woonagenda is een nieuwe manier van samenwerken tussen de Zeeuwse gemeenten en de Provincie Zeeland. In de Woonagenda staan de belangrijkste uitdagingen op woongebied. Deze uitdagingen gaan over het voorbereiden van woningen op de toekomst. Dit kunnen levensloopbestendige woningen zijn, waar bewoners kunnen blijven wonen ook als zij zorg nodig hebben. Of woningen die klaar zijn voor het veranderende klimaat. Hierdoor zijn er voldoende geschikte en betaalbare woningen voor inwoners van Zeeland, nu en in de toekomst. Deze samenwerking richt zich nog meer op de kwaliteit van het aantal woningen. Hierbij ligt de aandacht op het evenwicht tussen het aanbod en de woonwens van inwoners. In de Zeeuwse Woonagenda zijn 3 concrete ambities geformuleerd die aansluiten bij de visie en past binnen de integrale aanpak. Deze ambities vloeien voort uit de belangrijkste geschetste opgaven en dienen als richtpunt voor actie. Het gaat om: 1. Een toekomstbestendige woningvoorraad; 2. Kwalitatief complementaire woningbouw; 3. Innovatieve en fexibele woonvormen. Toetsing Doel 3 is het meest van toepassing op de beoogde ontwikkeling. Doel 3 houdt in dat er gericht ingezet wordt op innovatie om te komen tot nieuwe en flexibele woonvormen.
Het gaat om specifieke segmenten (arbeidsmigranten, huishoudens met zorgindicatie, bijzondere woonvormen zoals geclusterd wonen, flexwonen, et cetera.) en het optimaal gebruik maken van bestaand (leegstaand) vastgoed. Vervolgens zijn in de Zeeuwse Woonagenda 6 actielijnen opgesteld. Het gaat om:
Actielijn: gebiedsgerichte aanpak; Actielijn: financiële arrangementen; Actielijn: adaptief programmeren; Actielijn: complementair bouwen; Actielijn: hergebruik lege panden; Actielijn: flexibele schil.
De actielijn complementair bouwen is het meest van toepassing op de beoogde ontwikkeling. Hierbij wordt ingegaan om op maximale kwaliteit nieuwbouwplannen te creëren, waarbij extra wordt ingezet op specifieke woningtypen en segmenten die zonder deze aandacht minder goed van de grond komen. Het gaat om segmenten waarvan zonder ingrijpen oplopende tekorten worden voorzien. Primair betekent dit de realisatie van middenhuur en passende woonvormen voor ouderen: levensloopbestendig wonen en wonen met zorg. Kennis wordt hierbij geïmporteerd om samenwerkingen op te zetten met ontwikkelaars om meer en passende woningen voor ouderen van de grond te krijgen. Het gaat daarbij om passende woonvormen voor zowel zorgbehoevende‐ als ook voor niet zorgbehoevende ouderen, bijvoorbeeld geclusterde woonvormen. Gemeente werken daarbij zelf aan een woon‐zorgvisie. Vanuit de
30/129
actielijn complementair bouwen wordt verkend hoe op Zeeuws niveau hiervoor onderling kennis gedeeld kan worden en waar mogelijk samen op kunnen optrekken. Conclusie De ontwikkeling sluit aan op de doelstellingen die zijn gesteld in de Zeeuwse Woonagenda.
3.3
Regionaal en gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie #Goes (2012)
Structuurvisie #Goes (ontwerp, 2012) In de structuurvisie wordt gesteld dat Goes in 2040 een florerende centrumgemeente is met een breed aanbod aan voorzieningen en werkgelegenheid voor de inwoners van de Bevelanden. Op een aantal terreinen wordt beoogd de verzorgende functie een veel groter gebied te bereiken dan de Bevelanden. Het gaat hierbij om de zakelijke dienstverlening, specifieke vormen van onderwijs, de gezondheidszorg in vele gedaanten en aan vrije tijdsvoorzieningen. Er is opgenomen dat Goes een aantrekkelijke gemeente dient te zijn voor toeristen door de voorzieningen aan het water en haar veelzijdige historische centrum. Om een vitale centrumgemeente te blijven wordt aangegeven dat Goes inspeelt op nieuwe ontwikkelingen en er voor zorgt nieuwe ontwikkelingen te kunnen huisvesten. Daarbij zal het steeds minder gaan om grotere stadsuitbreidingen en steeds vaker om transformatie en herstructurering van bestaand stedelijk gebied. Dit zijn vaak lastige opgaven maar vernieuwing van bestaand stedelijk gebied is noodzakelijk om de stad op lange termijn gezond te houden. Grote opgaven die genoemd zijn binnen het bestaand stedelijk gebied zijn de Goese Schans en de stationsomgeving. De identiteit van Goes wordt in grote mate bepaald door de aanwezige monumenten en historische uitstraling. Het streven is de waardevolle elementen te beschermen en dit karakter te versterken.
Voor woningbouw is opgenomen dat de op dit moment al daartoe geoormerkte locaties waarschijnlijk voldoende ruimte bieden. Wel is er uitbreidingsruimte nodig voor werken, zorg en vrije tijd. Toetsing en conclusie De ontwikkeling past binnen de ambitie van Goes om vernieuwing van bestaand stedelijk gebied tot stand te brengen en draagt bij aan de uitbreidingruimte voor werk en zorg. Het planvoornemen versterkt de waardevolle elementen van de Elsa Hoeve en de identiteit van de stadsrand van Goes.
3.3.2
Regionale woonvisie
Met de Regionale Woonvisie De Bevelanden 2019 ‐ 2023 beogen de vijf Bevelandse gemeenten inzicht te geven in de gezamenlijke missie en ambities van de regiogemeenten op het gebied van het wonen (oktober 2019). De visie is een parapluvisie voor verdere uitwerking in lokaal beleid. De Regionale Woonvisie bevat de volgende missie: 'Wij willen een aantrekkelijke regio zijn waar men graag woont, met een regionaal passend, duurzaam en toekomstbestendig woningaanbod'. Vanuit deze missie zijn de volgende vijf ambities geformuleerd:
31/129
De Bevelanden zet in op een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad. De Bevelanden heeft forse ambities op het gebied van duurzaamheid. In de woningvoorraad kan nog veel energie bespaard worden. De Bevelanden voor iedereen. De regio De Bevelanden wil een complete regio zijn, met een passend woningaanbod voor jong en oud, rijk en arm, kleine en grote huishoudens, met en zonder ondersteuning, permanent en tijdelijk. De Bevelanden zet alleen in op nieuwbouw die echt iets toevoegt. De Bevelanden streeft naar evenwicht in vraag en aanbod op de woningmarkt. De verwachte huishoudensgroei is de belangrijkste onderlegger voor het regionale woningbouwprogramma. De Bevelanden benut het bestaande. De Bevelanden streeft naar een toekomstbestendige woningvoorraad. Dit betekent continu investeren in onderhoud, aanpasbaarheid en verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. Naast de focus op vastgoed zal er ook aandacht moeten zijn voor de aanpak van sociale problematiek en de kwaliteit van de openbare ruimte. De Bevelanden zorgt. Regio De Bevelanden wil een zorgzame regio zijn, waar vraag en aanbod naar wonen met zorg in balans zijn, ook voor de meest kwetsbare groepen. Hierbij ziet de regio kansen voor innovatieve vormen van wonen met zorg die de diversiteit aan woonmilieus voor regionale woningmarkt als geheel zullen vergroten.
Toetsing en conclusie In Nederland is een groeiende behoefte ontstaan naar verpleegplaatsen voor ouderen met dementie, aanvullend op de bestaand voorzieningen. De ontwikkeling van de zorgeenheden en de vrijstaande reguliere woning sluit aan op de marktvraag. Goes zet in op een divers aanbod van grootschalige én kleinschalige woonvormen met kwalitatief hoogwaardige zorg en dienstverlening en een toegankelijk welzijns‐ en voorzieningenaanbod. De ontwikkeling geeft daarmee invulling aan het beleid uit de Woonvisie. Het plan conflicteert niet met de regionale woningmarkt‐ of zorgafspraken en beperkt de ontwikkeling van reguliere woningen niet. 3.3.3
Welstandsnota
Het welstandsbeleid van de gemeente Goes is verwoord in de 'Welstandsnota Goes'. Het belangrijkste doel van het welstandsbeleid is het vormen van een toetsingskader voor welstand, waarmee de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten behouden en versterkt kunnen worden. Hiervoor zijn een aantal beoordelingskaders opgesteld, waaronder enkele van gebiedsgerichte aard. Deze dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsomschrijving van het desbetreffende deelgebied waarop de bouwaanvraag van toepassing is te worden gehanteerd. Toetsing Bij de benodigde omgevingsvergunning voor bouwen wordt getoetst aan de welstandscriteria. Specifiek voor het plan is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Zie hiervoor bijlage 1.
32/129
Hoofdstuk 4
4.1
Omgevingsaspecten
Vormvrije m.e.r.‐beoordeling
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan‐m.e.r.‐plichtig, project‐m.e.r.‐plichtig of m.e.r.‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.‐beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.‐beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.‐beoordeling. Voor de ontwerp‐bestemmingsplanfase moet een m.e.r‐beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing is als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.‐beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Onderzoek In het Besluit milieueffectenrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op; een oppervlakte van 100 hectare of meer, of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling bestaat uit 38 zorgeenheden en een vrijstaande reguliere woning. De ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Alhoewel de beoogde ontwikkeling onder de drempelwaarde blijft is door middel van een aanmeldnotitie onderzocht of sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten. Het bevoegd gezag dient op basis hiervan een m.e.r‐beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is. De aanmeldnotitie is opgenomen in bijlage 3. Conclusie Uit de aanmeldnotitie blijkt dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten, die zouden moeten leiden tot een m.e.r. (‐beoordelings) procedure.
33/129
4.2
Watertoets
Toetsingskader Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Ten behoeve van de beoogde ontwikkelingen is het aanmeldformulier van het waterschap voor de watertoets ingevuld (zie bijlage 4). Dit aanmeldformulier wordt voorgelegd aan het waterschap. Toetsing en conclusie Uit het aanmeldformulier blijkt dat er geen belangrijke aandachtspunten voor de waterhuishouding zijn.
4.3
Ecologie
Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht tot één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft.
34/129
De bescherming van deze gebieden heeft een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Soortenbescherming In het Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldoen moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.
De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos , wezel en woelrat.
Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000/Natuurbeschermingswet Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura‐2000. De afstand tot een Natura 2000‐gebied bedraagt circa 2.000 meter. Dit betreft het Natura 2000‐gebied 'Oosterschelde' (zie figuur 4.1). Gelet op deze afstand zal nieuwbouw van 38 zorgeenheden en een vrijstaande woning geen effect hebben op dit gebied.
35/129
Directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring zijn door de afstand op voorhand uitgesloten. Om negatieve effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000‐gebieden uit te sluiten zijn stikstofberekeningen gemaakt. Met het programma AERIUS Calculator is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000‐gebieden in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De memo is opgenomen in bijlage 8 en de berekeningen voor de aanleg‐ en gebruiksfase zijn opgenomen in bijlage 9 en 10. Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol N/ha/jr. Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een significant negatieve aantasting van Natura 2000‐gebied. Het bestemmingsplan is daarom in het kader van de Wet natuurbescherming uitvoerbaar, zonder verdere passende beoordeling en milieueffectrapportage.
Figuur 4.1 Ligging van de planlocatie (blauw omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000‐gebieden (Bron: Provincie Zeeland) Natuurnetwerk Zeeland Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het meest dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNZ ligt op ongeveer 750 meter. Dit is het gebied 'dijken Zuid‐Beveland'. Het plangebied ligt op circa 800 meter van een weidevogelgebied. De geplande activiteit ligt op geruime afstand van beide gebieden. De bouw en het gebruik van de ontwikkeling heeft vanwege de afstand en de
36/129
ligging geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van Natuurnetwerk Zeeland.
Figuur 4.2 Ligging plangebied (blauwe cirkel) ten opzicht van Natuurnetwerk Zeeland (Bron: Provincie Zeeland) Soortenbescherming Voor de ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 5. De conclusies van deze quickscan worden hierna kort weergegeven:
37/129
Vleermuizen Met het renoveren en verwijderen van de bebouwing en de bomen in het plangebied verdwijnen mogelijk verblijfplaatsen van verschillende gebouwbewonende en boombewonende vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en watervleermuis. Daarnaast kan niet essentieel foerageergebied van vleermuizen verdwijnen. In het kader van de Wet natuurbescherming dient te worden nagegaan of vaste rust‐ en verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van soorten door de ingreep worden aangetast. Dit kan niet worden uitgesloten zonder nader veldonderzoek. Huismus/gierzwaluw/steenuil Met het renoveren en verdwijnen van de bebouwing worden mogelijk verblijf‐ en/of nestplaatsen van huismus , gierzwaluw, en steenuil. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk. Kleine marterachtigen Met het vellen van de bomen en het groen in het plangebied verdwijnt mogelijk essentieel leefgebied van kleine marterachtigen. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk. Huiszwaluw Met het renoveren van de grote schuur kan een nestplek van huiszwaluw verdwijnen. Dit kan worden voorkomen door het realiseren van ruwe witte planken op dezelfde plek; of de betimmering niet te verwijderen. Vanwege mogelijke verstoring bij werkzaamheden kunnen ook nesten worden aangetast. Rugstreeppad Voor de rugstreeppad zijn maatregelen aanbevolen om kolonisatie te voorkomen.
Het is aan te bevelen om de braakleggingsperiode te beperken en plassen en watertjes te dempen in de periode april tot en met oktober. Voor enkele andere soorten zijn vrijblijvende aanbevelingen te doen ten aanzien van veiligheid: Reuzenbereklauw; deze invasieve exoot staat aan de noordzijde van het plangebied langs de watergang. De bladeren veroorzaken brandblaren; wat gezien de zorgfunctie in de toekomst niet wenselijk is. Door enkele jaren te beheren als gazon kan de soort worden uitgeroeid. De essenrij aan de noordzijde is aangetast door essentaksterfte. Een onderzoek naar de handhaafbaarheid van de bomen door een boomexpert in verband met takbreuk is aan te bevelen. Algemene voorwaarden Voor het uitvoeren van de werkzaamheden zijn twee algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming altijd van toepassing: de start van werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (het broedseizoen loop globaal van half maart tot half juli; voor zwaluwen tot in september) uit te voeren om verstoring van broedvogels en het broedsucces te voorkomen. Als er nesten van algemene vogels aanwezig zijn in het broedseizoen, dan is het noodzaak om een ecoloog in te schakelen. De ecoloog beoordeelt hoe de werkzaamheden voortgang kunnen vinden.
Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Verstoring moet worden beperkt en dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door het beperken van verlichting tijdens de avonduren ten behoeve van foeragerende en overvliegende
38/129
vleermuizen en andere nachtdieren. Nader onderzoek Op basis van de uitgevoerde quickscan flora en fauna dient voor de uitvoering van de plannen is middels aanvullend onderzoek meer duidelijkheid verkregen omtrent de aan‐ of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen, jaarrond beschermde vogels en kleine grondgebonden zoogdieren. Op diverse data is in 2021 is een aanvullend onderzoek naar vleermuizen, jaarrond beschermde vogels en kleine grondgebonden zoogdieren uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 6. De conclusies van het nader onderzoek worden hierna kort weergegeven: Vleermuizen Op en nabij de locatie is de aanwezigheid van drie vleermuissoorten aangetroffen, namelijk; de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en eenmaal een vleermuis in de groep NYCNOID welke niet tot soort op naam is te brengen (mogelijk laatvlieger). De gewone dwergvleermuis is een vooral object/gebouw bewonende soort. Voor deze soort is in het plangebied tijdens de veldbezoeken ook een verblijfplaats aangetroffen; een vermoedelijk zomer/paarverblijfplaats. Mogelijk wordt deze verblijfplaats ook in milde winters als verblijfplaats gebruikt. Signalen en kenmerken van de bebouwing binnen het plangebied als (massa)winterverblijfplaats zijn niet waargenomen. De overige waargenomen vleermuissoorten zijn vooral langs‐ en overvliegend en zonder binding met het plangebied waargenomen.
Binnen het plangebied zijn geen essentiële vliegroutes, of foerageergebied aanwezig. Buiten het plangebied (aan de overzijde van de weg) is wel essentieel foerageergebied aanwezig en vermoedelijk is op ruimere afstand > 100 meter ook een groot zomerverblijf/kraamverblijf aanwezig. Jaarrond beschermde vogels Binnen het plangebied zijn geen beschermde functies voor huismus, gierzwaluw, kerkuil, huiszwaluw, boerenzwaluw waargenomen. Van deze soorten zijn geen broed‐ en/of roestplaatsen waargenomen. Wel is een roestplaats van (man) torenvalk aan de achterzijde van de schuur aanwezig. Aan de schuur zijn restanten van huiszwaluwnesten waargenomen, huiszwaluwen/boerenwaluwen zijn niet (meer) actief op deze locatie. In het nader onderzoek zijn huiszwaluwen niet nestelend waargenomen. Ook het aanzetten tot broeden is niet waargenomen. Op basis van de restanten nestkommen is wel duidelijk dat hier vroeger wel nesten van huiszwaluwen waren. Aanvullend zijn er ter plaatse voorzieningen getroffen. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat er niets 'actiefs' is verdwenen in de periode van de onderzoeken. Kleine grondgebonden zoogdieren Op basis van het uitgevoerde cameraonderzoek zijn diverse soorten waargenomen, steenmarter (die mogelijk een incidenteel verblijf heeft in de kleinste schuur en konijn.
Daarnaast zijn er soorten als veldmuis, bosmuis, egel, roodborst, merel, zanglijster en zwartkop waargenomen. Wezel, hermelijn en bunzing zijn niet waargenomen binnen het plangebied. Conclusie Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000‐gebied. Het meest dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied betreft 'Oosterschelde' op circa 2.000 meter. Uit AERIUS berekening voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van
39/129
relevante stikstofdepositie (hoger dan 0,00 mol/ha/j) in de omliggende Natura 2000‐gebieden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4.2). Op circa 750 meter van de ontwikkeling is natuurgebied 'dijken Zuid‐Beveland' aanwezig die behoort tot het Natuurnetwerk Zeeland. Verder ligt het gebied niet binnen een waterwin‐, grondwaterbeschermings‐ of milieubeschermingsgebied. De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden. De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg. Soortenbescherming Uit nader onderzoek is gebleken dat voor de voorgenomen ontwikkeling het noodzakelijk is om een ontheffing soortbescherming Wet natuurbescherming aan te vragen, voor de soort gewone dwergvleermuis, konijn en (vermoedelijk) steenmarter (indien ook de kleine schuur gerenoveerd wordt). Voor zowel het mogen vernietigingen van (in ieder geval diverse) verblijfplaatsen, als verstoren van exemplaren. Voor overige vleermuissoorten, jaarrond beschermde vogels zijn in 2021 geen beschermde functies binnen het plangebied aangetoond. Wel zijn enkele van deze soorten (vermoedelijk) in de omgeving van het plangebied aanwezig. Met het planvoornemen gaan echter geen beschermde functies verloren.