Agendapunt 06. Tiny Houses Tiendendreef Goes
Tekst van het document
De beoogde ontwikkeling valt derhalve, naar analogie, onder het 3% criterium waardoor het aangemerkt kan worden als zijnde NIBM. Dit betekent dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
33/611
5.6
M.e.r.-beoordeling
Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen, gevallen, activiteiten en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Sinds 7 juli 2017 zijn gemeenten verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (MER). Het besluit behoeft niet separaat te worden gepubliceerd, maar moet wel worden opgenomen in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. Mede op basis van de bevindingen in dit hoofdstuk van deze toelichting is geconcludeerd dat er geen passende beoordeling en geen MER hoeft te worden opgesteld.
5.7
Milieuhinder en veiligheid
Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Een woning betreft een gevoelige bestemming en kent derhalve geen milieuzonering. Andersom dient ook gekeken te worden naar de omliggende functies. Ten noorden van het plangebied is het bedrijventerrein Klein Frankrijk gelegen. Voor de bedrijven nabij de woningen staat het vigerende bestemmingsplan maximaal categorie 3.2 toe. Hierbij wordt in de voormelde VNG-brochure gerekend met een zonering van 100 meter ten opzichte van hindergevoelige functies. De te bouwen woningen zijn op circa 130 meter afstand van deze bestemming gelegen. Er wordt aan de richtafstand voldaan. Verder is naast het perceel de voedselbank gelegen. Deze activiteit komt overeen met milieucategorie 1. De bijbehorende richtafstand is 10 meter. Hieraan wordt voldaan.
Enerzijds kan ervan worden uitgegaan dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen, anderzijds dat de bestaande bedrijven niet in hun mogelijkheden worden beperkt. Milieuhinder vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
34/611
5.8
Externe veiligheid
5.8.1 Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden. Bij ruimtelijke plannen dient aandacht te worden besteed aan de vraag of er risicovolle activiteiten in en/of nabij het plangebied aanwezig zijn dan wel komen en zo ja, of er sprake is van een toelaatbaar risico. Risicovolle activiteiten zijn: het opslaan, gebruiken en/of produceren van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het vervoer van gevaarlijke stoffen over auto-, spoor- en waterwegen of door buisleidingen (transportroutes). Als de afstand tot een risicovolle activiteit maar groot genoeg is, is er sprake van 100% veiligheid. Maar deze afstand kan kilometers groot zijn. Nederland is te klein om deze afstanden te hanteren. Daarom is gekozen voor het hanteren van een basisbeschermingsniveau. Dit wordt geconcretiseerd door toepassing van grens- en richtwaarden voor plaatsgebonden risico (PR) en oriëntatiewaarden voor groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon die permanent en onbeschermd op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een transportroute.
Ook buiten de PR-contouren bestaat nog een invloedsgebied waarbinnen groepen personen slachtoffer kunnen worden van een ongeval. Daarom moet ook het GR worden onderzocht. Het GR geeft de kans per jaar aan dat in één keer een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang die zich in de omgeving van een risicovolle activiteit bevindt, dodelijk door een ongeval met gevaarlijke stoffen worden getroffen. De hoogte van het GR is niet ruimtelijk weer te geven, wel het invloedsgebied waarover het GR wordt berekend. 5.8.2 Inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Dit besluit moet individuele en groepen burgers een basisbeschermingsniveau garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een inrichting. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Dat wil zeggen een kans van één op de miljoen per jaar dat een persoon die permanent en onbeschermd op een plaats aanwezig is, als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen overlijdt. Het Bevi legt daarnaast een verantwoordingsplicht voor een gemeente of provincie op voor het groepsrisico (indien dit risico verandert).
Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens; de afstand vanaf de inrichting waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval bij een inrichting. Bij de verantwoording moet de gemeente of provincie onder andere de zelfredzaamheid van de bevolking en de mogelijkheden voor hulpverlening meewegen. Zij moet hierover advies vragen bij de regionale brandweer. In Zeeland wordt aan deze adviseurstaak invulling gegeven door de Veiligheidsregio Zeeland. Op ca. 880 meter afstand is de productielocatie van Bison International gelegen. In het bestemmingsplan Goes West (2013) is het perceel bestemd voor een maatschappelijke functie. Op het perceel was voorheen een school
35/611
voor basisonderwijs gevestigd. Door de invulling met 11 Tiny Houses neemt de populatie sterk af. Daarnaast vervalt een grote groep verminderd zelfredzame personen. Hierdoor zal het groepsrisico logischerwijs afnemen. 5.8.3 Transportrisico's Buisleidingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Verkeersroutes gevaarlijke stoffen Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht wordt transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan. Op 1 april 2015 is de Regeling basisnet in werking getreden. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Er lopen geen wegverkeersroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen langs het plangebied. (bron: Risicokaart, website provincie Zeeland). De N256 ligt op 750 meter, de A58 ligt op 2.600 meter van het plangebied.
Gezien de afstand tot de wegen en de minimale toename van de populatie als gevolg van het bestemmingsplan is de invloed op het groepsrisico verwaarloosbaar. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor Ten noorden van het plangebied ligt op circa 760 meter afstand de spoorlijn Goes - Vlissingen. Over deze spoorlijn vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risico contour. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoor. Gezien de afstand tot de spoorlijn en de minimale toename van de populatie als gevolg van het bestemmingsplan is de invloed op het groepsrisico verwaarloosbaar. 5.8.4 Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
5.9
Duurzaamheid en klimaat
Naast de landelijke maatregelen om minder CO2 uit te stoten (zoals omschreven in paragraaf 2.3 van deze toellichting) zijn ook maatregelen die bijdragen aan het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering belangrijk zoals het klimaatrobuust inrichten van de openbare ruimte. Hierbij kan gedacht worden aan het toepassen van veel groen, wat zowel een waterbergend vermogen heeft, als een koelend vermogen. Sterk versteende omgevingen warmen namelijk snel op doordat stenen warmte opnemen en deze warmte een lange tijd kunnen uitstralen, met name 's nachts. In groene omgevingen zullen de nachten tijdens warme perioden daarom koeler zijn dan in sterk versteende gebieden zoals steden. Dit effect wordt ook wel het hitte-eiland effect genoemd.
36/611
5.9.1 Hitte-eiland effect In de gemeente Goes zijn twee gebieden te onderscheiden: Goes (stad) en het buitengebied met de kernen. Waar het buitengebied met de kernen een opwarming kent van 0,2 tot 0,6 °C op warme dagen, is dit in Goes 0,6 tot 1,8 °C, zie figuur 5.5. Hierop zijn de wijken Goese Meer en Noordhoek een uitzondering, zij hebben een opwarming van 0,2 tot 1,2 °C.
Figuur 5.5 Hitte-eiland effect in de gemeente Goes (Bron: Klimaateffectatlas) Het hitte-eilandeffect wordt tegengegaan door het creëren van schaduw en minder verharding. Met het creëren van schaduw, met een voorkeur door beplanting, bereikt minder zonnewarmte het verharde oppervlak. Hierdoor wordt de warmte niet vastgehouden door het verharde oppervlak en versterkt door omliggende gebouwen. De versterking kan voorkomen worden door bijvoorbeeld het vergroenen van muren. Minder verharding heeft hetzelfde effect als het creëren van schaduw, er zijn dan geen extra maatregelen nodig voor het voorkomen van warmteopname door verharding.
37/611
5.9.2 Droogte De watertoevoer in de gemeente Goes is afhankelijke van hemelwater. Dit komt doordat zowel het Veerse Meer als de Oosterschelde zoute wateren zijn. Met dit water kan het tekort aan water in de bodem niet aangevuld worden. In Wilhelminadorp staat het meetstation voor neerslag tekort per jaar. Op dit moment is het gemiddelde neerslag tekort per jaar ongeveer 186 mm, zie figuur 5.6. De verwachting is dat in 2050 dit tussen de 194 en 246 mm zal liggen.
Figuur 5.6 Neerslagtekort per jaar bij Wilhelminadorp (Bron: Klimaateffectatlas) Het is daarom van belang dat in de gehele gemeente Goes in de neerslagperiodes zoveel mogelijk hemelwater wordt opgevangen en vastgehouden. Dit kan door middel van maatregelen met groen en door technische maatregelen zoals seizoensberging en infiltratiekratten. Maatregelen voor waterberging gaan ook wateroverlast tegen. 5.9.3 Wateroverlast Zie paragraaf 5.11 Water – Wateroverlast. 5.9.4 Overstromingen De stijging van de zeespiegel zorgt ervoor dat de kans op overstromingen groter wordt. Wanneer een overstroming plaatsvindt binnen de gemeente Goes zal deze dreiging komen vanaf het Veerse Meer of de Oosterschelde. De kans op overstroming wordt verdeeld in eens per 10 (groot), 100 (middelgroot), 1000 (klein) en 100.000 (bijzonder klein) jaar. Binnen de gemeente Goes zijn geen gebieden aanwezen waarbij een grote kans op overstroming is. Wel is een middelgrote kans op overstromingen aanwezig. De gebieden die deze kans hebben staan aangegeven op onderstaande kaart (figuur 5.7). Hierbij ligt de grootste overstromingsdiepte tussen de 0,5 en 2 meter.
38/611
5.7 Locaties met een middelgrote kans (eens per 100 jaar) op overstromingen in de Goes, rood omcirkeld het plangebied (Bron: Klimaateffectatlas) Onderstaande kaart (figuur 5.8) geeft de kleine kans op overstromingen aan. Ook hier ligt de grootste overstromingsdiepte tussen de 0,5 en 2 meter. Het grootste verschil met de middelgrote kans op overstromingen is dat het gebied ten westen van Goes ook overstroomt.
39/611
5.8 Locaties met een kleine kans (eens per 1.000 jaar) op overstromingen in de gemeente Goes (Bron: Klimaateffectatlas) 5.9.5 Conclusie Op de kavels aan de Tiendendreef is enkel sprake van een bijzonder kleine kans op overstroming. Hierbij kan tot 0,5 meter water verwacht worden. Maatregelen die hiervoor genomen kunnen worden voor gevolgbeperking zijn verhoogd bouwen, een aangepaste drempelhoogte en/of hogere aansluitingen voor elektriciteit. Het plangebied is vergeleken met het bestaand maaiveld opgehoogd. Het maaiveld ligt op circa +0,10 m NAP ter plaatse van de tiny houses. Daarnaast ligt het vloerpeil van de tiny houses hoger dan het maaiveld en is de kans op overstroming in de tiny houses nihil. De kans op overstroming vormt voor deze ontwikkeling geen gevaar of belemmering.
40/611
5.10 Verkeer De ontsluiting van het plangebied verloopt via de Westsingel en de Tiendendreef. Beide wegen vallen binnen een zone 30 km/uur regime. De huidige verkeersintensiteit van deze wegen is ongeveer 300 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal). Hier is ook het verkeer ten behoeve van de naastgelegen school in mee genomen. In de gemeente Goes wordt door middel van een leefbaarheidsindicator (GVVP) aangegeven dat straten als deze niet drukker mogen zijn dan 3.500 mvt/etmaal. Parkeren en verkeersgeneratie Voor parkeren en de verkeersgeneratie worden de normen/richtlijnen uit het CROW (ASVV 2021) gehanteerd waarin de categorie en beschrijving 'kleine eenpersoonswoningen (tiny house, meestal grondgebonden)' hier van toepassing is. Om een parkeerkencijfer en verkeersgeneratie te kunnen bepalen, wordt bepaald in welke categorie Goes valt. Goes valt binnen de categorie 'matig stedelijk' met als locatie 'centrum'. Het parkeerkencijfer per woning is 0,5 - 0,6 parkeerplaatsen. De bijbehorende verkeersgeneratie is 1,5 - 1,8 per kamer (weekdag). De berekening van de parkeernorm bij 11 tiny houses is als volgt. Voor 11 tiny houses zijn 11 x 0,5 - 0,6 = 6 - 7 parkeerplaatsen nodig. Er worden 11 garages en 4 parkeerplaatsen aangelegd, waarmee ruim aan deze norm wordt voldaan. Bewoners van de Tiny Houses kunnen, in alle redelijkheid, niet uitwijken naar de omgeving.
Daar is het parkeren enkel toegestaan met vergunning (daar komt men niet voor in aanmerking wegens de Parkeren Op Eigen Terrein regeling) of betaald parkeren. Bezoekers parkeren in de directe omgeving (betaald/ met bezoekersregeling/of buiten reguleringstijden). Dat bezoekersparkeren leidt tot parkeerhinder is onwaarschijnlijk. De piekvraag parkeren school (werkdagmiddag), valt namelijk niet samen met piekvraag bewonersparkeren (werkdagavond). Handhaving in het gebied vindt plaats op reguliere basis. Voor de verkeersgeneratie is gerekend met een ruim aantal van 3 kamers per tiny house. Dit betekent maximaal 33 x 1,8 = 60 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Hiermee komt de totale verkeersintensiteit op circa 360 mvt/etmaal. Dit past ruim binnen de geldende normen. Uitgangspunt bij de beoordeling van de parkeerbehoefte als gevolg van een bestemmingsplan is dat alleen rekening hoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte op de locatie. Een eventueel bestaand tekort op of rondom het bouwplan kan buiten beschouwing worden gelaten. Om een goed beeld te hebben van de toekomstige verkeers- en parkeersiuatie aan de Tiendendreef is de ontwikkeling van de Tiny Houses ook beschouwd in relatie tot de aangrenzende school. Het gaat om kinderen voor speciaal onderwijs.
De regeling van de school is dat de vervoerder van de leerlingen verantwoordelijkheid is tot de schooldeur, kleine kinderen worden naar de klas gebracht. Dit betekent dat de busjes bij de school of direct omgeving ('s-Heer Hendrikskinderendijk) moeten worden geparkeerd. De school heeft afspraken met de vervoerders over het halen en brengen en de verdeling over opstalplaatsen aan de Tiendendreef en de 's-Heer Hendrikskinderendijk. Binnen het plan zijn, in overleg met de school, twee
41/611
keermogelijkheden bij de toegang tot de parkeerplaatsen van de Tiny Houses toegevoegd voor de verbetering van de verkeersafwikkeling. De verkeersleefbaarheid staat op twee momenten per dag onder druk. Gemeente kent hiervoor een norm van 3.500 motorvoertuigen per etmaal. Deze norm wordt niet overschreden. Conclusie Zowel het parkeren als de verkeersgeneratie voldoen ruim aan de geldende normen uit het CROW en vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.11 Water Inleiding Het perceel wordt voor een groot deel omringd door een waterloop die tevens de afbakening is tot de achterzijde van de omliggende percelen. Aan de oostzijde is het gebied verbonden met het reeds bestaande Tiny Forest. In deze waterparagraaf worden de wateraspecten van deze ontwikkeling nader beschreven aan de hand van tabel 5.1 zoals die door waterschap Scheldestromen wordt gehanteerd. Afbakening plangebied Zoals genoemd in hoofdstuk 4 is het perceel gelegen aan de Tiendendreef te Goes en wordt het betreffende kavel verder omsloten door de achterzijde van de bebouwing aan de 's-Heerhendrikskinderendijk, de Westsingel en de Middelburgsestraat. De planopzet is weergegeven in figuur 4.1. Maaiveld De maaiveldhoogte van het plangebied ter plaatse van het terrein waar de bouwactiviteiten plaatsvinden bedroeg circa NAP-0,10 tot NAP-0,40 meter, maar is door de gemeente Goes opgehoogd tot circa NAP+0,30 meter. De naastgelegen Tiendendreef kent een straatpeil van circa NAP-0,00 meter à NAP-0,10 meter. De omringende achtertuinen zijn van het perceel gescheiden door de eerder genoemde waterloop en liggen iets lager, circa NAP -0,10 meter tot NAP-0,40 meter. Alleen het noordelijk gelegen particuliere perceel ligt beduidend hoger. Bij de realisatie van deze woning is het perceel opgehoogd tot circa NAP+0,90 meter ter plaatse van de bebouwing.
42/611
Figuur 5.9 Hoogtelegging bestaand maaiveld (Bron: AHN viewer) Oppervlaktewatersysteem Er loopt rondom het perceel een tertiaire waterloop met een streefpeil van NAP-1,20 meter. Deze waterloop kan afvoeren via een gemaal ter plaatse van de Tiendendreef (achter het Tiny Forest). Dit gemaal is in eigendom van de gemeente Goes en verpompt het water naar de Veste. In de nabije omgeving is verder geen oppervlaktewater gelegen. De noordelijke waterlopen liggen aan de andere zijde van de (hoger gelegen) 's-Heerhendrikskinderendijk en maken deel uit van een ander peilgebied.
43/611
Figuur 5.10 Watersysteem rondom het plangebied in de bestaande situatie (Bron: waterschap Scheldestromen) In geval van werkzaamheden op of nabij de waterlopen kan onderzocht worden of de oevers ecologisch ingericht kunnen worden. In ieder geval is het wenselijk de oevers aan de zijde van de ontwikkeling aan te passen aan de minimale eisen van de waterbeheerder, waarmee de oevers iets flauwer worden aangelegd (minimaal talud 1:2). Ook een verbreding van de waterloop komt de bergende functie van het systeem ten goede. Verder is het wenselijk om binnen de ontwikkeling geen gebruik te maken van uitlogende materialen zoals zink, lood en verduurzaamd hout. Waterberging Het gebied is in de bestaande situatie niet verhard. In het recentere verleden echter wel (tot aan 2013) voor een langere periode. Deze bebouwing is echter afgebroken en het gebied is braak komen te liggen. Het bestemmingsplan Goes West (2013) voorzag in een volledig bouwvlak met de bestemming Maatschappelijk op deze locatie. In vergelijking met de recente historische situatie en het geldende bestemmingsplan is de bebouwing die in de toekomstige situatie gerealiseerd gaat worden beperkter van omvang. Dit gegeven en het feit dat het gebied direct afwatert op de Veste van Goes maakt dit initiatief mogelijk zonder compensatie in het watersysteem.
Toekomstige riolering De nieuwe ontwikkeling kan voor wat betreft de vuilwaterafvoer aansluiten op de bestaande vuilwaterriolering in de Tiendendreef. Dit is onderdeel van een een gescheiden rioleringssysteem. Het verhard oppervlak van de Tiny Houses dient direct geloosd te worden op het aangrenzende oppervlaktewater of in de bodem ter plaatse. De te realiseren nieuwe bebouwing kent een omvang van in totaal circa 650 m2. Daarnaast is er nog sprake van
44/611
verharding in de vorm van een toegangsweg en parkeervoorzieningen, waarbij deze laatste ook als half-verharding kunnen worden uitgevoerd. De totale omvang hiervan bedraagt circa 400 m2. Mede als gevolg van de directe lozing van regenwater door de Tiny Houses (versnelde afvoer) en de beperkte omvang van de bestaande waterloop in relatie tot het achterliggende afvoergebied en met het oog op de klimatologische ontwikkelingen is het raadzaam de bestaande waterloop te verbreden in de richting van de ontwikkeling en het bestaande talud te verflauwen. Daarmee ontstaat extra bergingscapaciteit. Indien er onverhoopt water op straat optreedt (door een hogere en/of langere neerslagfrequentie en/of door afstroming daarvan), ligt de prioriteit bij het voorkomen dat water vanaf de openbare ruimte woningen instroomt (schade). Om die reden wordt vanuit de gemeente voorgeschreven dat bij nieuwe ontwikkelingen het bouwpeil circa 20 tot 30 cm boven het straatpeil ligt. Bodem- en grondwatersysteem Volgens de bodemkaart van de provincie Zeeland is het perceel weinig tot matig zettingsgevoelig, in tegenstelling tot de omgeving. Dit wordt met name veroorzaakt door de grondslag en het feit dat er mogelijk een oude kreekrug in de buurt is gelegen. De bodem bestaat ter plaatse van de kreekrug zelf uit een zandige ondergrond. Naast de kreekrug uit kleigronden met plaatselijk veen.
Dat geldt ook voor het onderhavige kavel (Bron: dinoloket.nl). Wel is er sprake van een recente ophoging van het perceel. Het plangebied is niet in een grondwaterbeschermingsgebied gelegen of in een gebied met specifieke milieubescherming. Op het perceel zelf is geen grondwateroverlast bekend. Wel zijn er vanuit de directe omgeving meldingen van hoge grondwaterstanden bekend, met name aan de noordelijke zijde op de lager gelegen percelen. Dit zijn lokale grondwaterproblemen. Watertoetstabel De watertoetstabel brengt de waterhuishoudkundige consequenties van de ruimtelijke ontwikkeling in beeld. Voor de realisatie van de Tiny Houses op het perceel aan de Tiendendreef in Goes is deze tabel ingevuld om hier inzicht in te geven. Tabel 5.1 Watertoetstabel Thema en water(schaps)doelstelling Veiligheid waterkering Waarborgen van het veiligheidsniveau tegen water en de daarvoor benodigde ruimte.
45/611
Uitwerking Er zijn in het plangebied geen waterkeringen gelegen. Het veiligheidsniveau tegen water blijft onaangetast.
Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater) Bij de bouw wordt voldoende hoog gebouwd om instroming van oppervlaktewater in maatgevende situatie(s) te voorkomen. Het plan biedt voldoende ruimte voor vasthouden / bergen / afvoeren van water.
De waterlopen rondom het plangebied functioneren naar behoren. Wel stelt het Waterschap als eis voor het project de bestaande waterloop rondom het perceel te verbreden en het talud iets te verflauwen tot minimaal 1:2. De toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied leidt tot een toename aan verharding. Gezien de historisch aanwezige verharding hoeft hiervoor echter geen compenserende berging te worden aangelegd. Er vindt geen belemmering van de werking van waterschapsobjecten plaats.
Waterschapsobjecten Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van waterschapsobjecten niet belemmeren. Hierbij wordt gedacht aan milieucontouren rond RWZI's, rioolpersgemalen, poldergemalen, vrijverval- en/of persleidingen. Watervoorziening / -aanvoer De watervoorziening in het plangebied is niet in het Het voorzien van de bestaande functie van (grondgeding. Er vindt gescheiden afvoer van hemelwater en en/of oppervlakte)water van de juiste kwaliteit en de vuilwater plaats vanuit het plangebied. Hergebruik van juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het hemelwater wordt ter overweging meegegeven tegengaan van nadelige effecten van verande-ringen in (bijvoorbeeld grijswatergebruik voor toiletten). ruimtegebruik op de behoefte aan water. Volksgezondheid (water gerelateerd) Waar mogelijk kunnen oevers natuurvriendelijk en/of Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en met een flauw talud en plasbermen worden ingericht. plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via Bij de bouw wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt o.a. de daarvoor benodigde ruimte. van duurzame materialen. Riolering / RWZI (inclusief water op straat / overlast) De omliggende gebied is voorzien van gescheiden Optimale werking van de zuiveringen / RWZI's en van de riolering, maar ook van gemengde riolering. De (gemeentelijke) rioleringen.
Afkoppelen van (schone) riolering van de Tiny Houses dient ook gescheiden te verharde oppervlakken in verband met de reductie van worden aangelegd tot aan de perceelsgrens (conform hydraulische belasting van de RWZI, het Bouwbesluit). Het afvalwater kan worden aangesloten transportsysteem en het beperken van overstorten. op de bestaande afvalwater-riolering in de Tiendendreef. Het regenwater dient rechtstreeks te worden afgevoerd naar de aangrenzende sloot of ter plaatse in de bodem. Oppervlaktewaterkwaliteit Verslechtering van de waterkwaliteit is niet aan de Behoud / realisatie van goede orde. oppervlaktewater-kwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem.
46/611
Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveld dalingen met name in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Grondwaterkwaliteit Behoud / realisatie van een goede grondwater kwaliteit. Grondwateroverlast Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast.
Er vindt geen verandering plaats van de bestaande oppervlaktewaterpeilen of ontwikkelingen die van invloed zijn op de grondwaterstand. Het perceel is voor driekwart omgeven door een waterloop die fluctuaties in de grondwaterstand in de omgeving als gevolg van de ontwikkeling 'uitdempt'. Bodemdaling zal niet optreden. Er zijn geen locaties bekend waar de kwaliteit van het grondwater tekort schiet. Er is geen sprake van grondwateroverlast op de locatie zelf. Wel in de nabije omgeving, maar deze heeft een lokaal karakter. Als er grond wateroverlast optreedt, kan de particuliere perceeleigenaar zijn overtollige grondwater aanbieden aan de gemeente Goes. De gemeente draagt zorg voor een doelmatige afvoer hiervan. Verdroging is niet aan de orde.
Verdroging (natuur) Bescherming karakteristieke grondwater afhankelijke ecologische waarden; van belang in en rond natuurgebieden (hydrologische) beïnvloedingszone. Natte natuur Het plangebied en de (directe) omgeving kent geen Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde natte natuurwaarden. en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud waterlopen Onderhoud aan waterlopen wordt uitgevoerd conform Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden de 'BOB-afspraken' tussen gemeente en waterschap kunnen worden. Scheldestromen. Waterschapswegen Het plangebied kent geen waterschapswegen. Goede bereikbaarheid en in stand houden van wegen in beheer en onderhoud bij het waterschap.
47/611
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische vormgeving
Wettelijk kader
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde standaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.
6.2
Planvorm
Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten gebouwen. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Het bestemmingsplan Tiny Houses Tiendendreef Goes kan gekarakteriseerd worden als een zogenaamd 'ontwikkelplan'. In een dergelijk plan ligt het accent van de juridische regeling vooral op het bieden van rechtsbescherming ten aanzien van het toekomstig gebruik van gronden en opstallen. Er is sprake van een gedetailleerd plan met de mogelijkheid om op een flexibele wijze de woningen te positioneren. Een en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een beperkt aantal bestemmingen, een eenvoudig kaartbeeld en een uniforme opzet van de bouwbepalingen. De regels zijn opgebouwd uit de Inleidende regels (Hoofdstuk 1) de Bestemmingsregels (Hoofdstuk 2), de Algemene regels (Hoofdstuk 3) en de Overgangs- en slotbepalingen (Hoofdstuk 4).
De verbeelding van het bestemmingsplan Tiny Houses Tiendendreef Goes bestaat uit 1 kaartblad.
6.3
Toelichting op de bestemmingen
6.3.1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten
48/611
In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 6.3.2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen Binnen de bestemming Groen is bepaald dat het toegestaan is niet voor bewoning bestemde gebouwen op te richten met een maximale hoogte van 3.50 meter en een maximale oppervlakte van 15 vierkante meter. Tevens is het mogelijk binnen deze bestemming lichtmasten en vlaggenmasten op te richten van maximaal 8 meter hoog, alsook speeltoestellen en openbare nutsvoorzieningen van maximaal 4 meter hoog. Verder is opgenomen dat het mogelijk is om binnen de bestemming Groen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde van maximaal 2.00 meter hoog op te richten. Artikel 4 Verkeer Binnen de bestemming Verkeer is het oprichten van nutsvoorzieningen toegestaan met een maximale oppervlakte van 15 vierkante meter. Verder zijn antennes van maximaal 5.00 meter mogelijk alsook (licht-) masten van maximaal 8,00 meter en bouwwerken geen gebouwen zijnde van maximaal 2.00 meter. Ter plaatste van de aanduiding 'garage' is een garagebox toegestaan met een maximale goot- en bouwhoogte van 3.20 meter.
Artikel 5 Wonen In de bestemming Wonen mogen uitsluitend de huisvesting van personen in een Tiny House, tuinen, behorende bij de op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouwen en voorzieningen ten behoeve van de water- en energiehuishouding worden gerealiseerd. Binnen de bestemming Wonen mogen uitsluitend hoofdgebouwen worden gerealiseerd met een maximale hoogte van 6 meter, behalve ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Voor deze aanduiding zijn bepalingen opgenomen ten behoeve van de toegestane oppervlakte, goot- en bouwhoogte. Artikel 6 Waarde - Archeologie - 2 Op de gronden die zijn aangewezen als archeologisch waardevol gebied is de bestemming Waarde Archeologie 2 gelegd. Ter bescherming van de archeologische belangen zijn op deze gronden slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde toelaatbaar ten behoeve van de bestemming "Archeologisch waardevol gebied". Bouwwerken ten dienste van andere voor deze gronden geldende bestemmingen zijn slechts toelaatbaar indien het bouwwerk dient ter vervanging van een reeds aanwezig bouwwerk, het bouwwerk en de fundering niet dieper komen te liggen dan 1,5 m beneden NAP. Hiervoor is voor het college van burgemeester en wethouders een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Vrijstelling wordt slechts verleend indien de archeologische waarden niet worden geschaad.
Ter bescherming van de archeologische belangen in het gebied is voor bepaalde werken en werkzaamheden een aanlegvergunningenstelsel opgenomen. Bepaalde werken en/of werkzaamheden zijn hiervan uitgezonderd. Voor het college van burgemeester en wethouders zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen om met inachtneming van een aantal voorwaarden bestemmingsvlakken met de bestemming "Archeologisch waardevol gebied" gedeeltelijk of geheel te verwijderen. Tot slot zijn de procedureregels voorgeschreven die in acht
49/611
genomen dienen te worden bij de beslissing omtrent een aanlegvergunning of wijziging. 6.3.3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Het doel van deze bepaling is om te voorkomen dat, wanneer volgens het bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van het bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waarvan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel zijn bepalingen omgenomen omtrent algemene bouwregels. Het betreft hier bepalingen ten aanzien van bestaande maten en het overschrijden van bouwgrenzen. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn (verbods)bepalingen opgenomen over het gebruik van in dit plan begrepen gronden. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels Dit artikel bevat bepalingen voor algemene aanduidingen. Het betreft hier de algemene aanduiding voor de molenbiotoop. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn een aantal algemene afwijkingsbepalingen opgenomen. Deze afwijkingen betreffen het overschrijden van bebouwingsgrenzen, geringe afwijkingen van het bestemmingsplan en het afwijken voor het oprichten van antennes en masten.
Artikel 12 Algemene wijzigingsregels De algemene wijzigingsbevoegdheden van burgemeester en wethouders zijn in dit artikel opgenomen om nutsgebouwtjes te kunnen bouwen, voor het overschrijden van bebouwingsgrenzen en om geringe afwijkingen te kunnen laten plaatsvinden. Artikel 13 Algemene procedureregels Dit artikel bevat de procedureregels welke gelden bij de voorbereiding van een besluit tot het afwijken. 6.3.4 Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht Dit artikel betreft de overgangsbepalingen met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot. Artikel 15 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan "Tiny Houses Tiendendreef Goes”.
50/611
Hoofdstuk 7 7.1
Handhaving
Inleiding
De gemeenteraad heeft tot taak bestemmingsplannen vast te stellen voor het grondgebied van de gemeente. In elk bestemmingsplan wordt het door de gemeente gewenste ruimtelijke beleid voor een bepaald gebied vertaald. Een nieuw bestemmingsplan legt de bestaande ruimtelijke kaders vast en bepaalt de grenzen waarbinnen planologische ontwikkelingen mogelijk zijn. Het biedt de gemeente een actueel beleidsmatig en juridisch toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven in een specifiek gebied. Om de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde leefomgeving te behouden en te verbeteren, is het noodzakelijk dat na het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan de daaruit voortvloeiende regels ook daadwerkelijk worden nageleefd. In gevallen waarin regels niet uit eigen beweging worden nageleefd dient in beginsel handhavend te worden opgetreden. Het uitblijven van handhavend optreden tegen de overtreding van regels die in een bestemmingsplan worden gesteld aan de bebouwing en inrichting van gronden, heeft een negatieve weerslag op de ruimtelijke kwaliteit, kan leiden tot rechtsongelijkheid, kan ongewenste precedentwerking tot gevolg hebben en vermindert het vertrouwen van de burger in het gemeentebestuur.
7.2
Handhaving bestemmingsplannen
Onder handhaving wordt verstaan het nemen van maatregelen om de naleving van wettelijke voorschriften te bevorderen. Handhaving betreft dus niet alleen het daadwerkelijk repressief optreden tegen overtreders met behulp van sanctiemiddelen. Daaraan voorafgaand is het gewenst dat er heldere en hanteerbare regels zijn, moeten die regels kenbaar zijn en wordt er toezicht gehouden op de naleving ervan. Een eerste vereiste voor een goede handhaving is derhalve een bestemmingsplan met handhaafbare regels. Dat wil zeggen: regels die zodanig zijn opgesteld dat deze in de toetsingspraktijk goed hanteerbaar zijn. Voorlichting en preventief optreden vormen de basis voor effectieve handhaving. Een goede informatievoorziening draagt bij aan een verbetering van de naleving van bestemmingsplannen. Hoewel sanctionering in de meest optimale situatie niet nodig zou moeten zijn, zullen zich in de praktijk altijd gevallen voordoen waarin achteraf opgetreden moet worden tegen illegale situaties. In dergelijke gevallen kan het college van burgemeester en wethouders wettelijke dwangmiddelen inzetten om overtredingen gedwongen te (laten) beëindigen, zoals het opleggen van een last onder bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.
51/611
7.3
Handhavingsbeleid
De doelstelling van handhaving is het bevorderen van de naleving van wettelijke regels en het herstellen van overtredingen. Handhavend optreden in geval een overtreding is geconstateerd, is een beginselplicht, dat door middel van het voeren van een transparant beleid ingezet moet worden om de doelstelling te bereiken. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een leefbare en veilige woonomgeving voor de inwoners van de gemeente. De door het college van B&W aangewezen toezichthouders, zijn belast met het toezicht op de naleving van onder meer de ruimtelijke regelgeving. Deze taak wordt zo veel mogelijk consistent en stelselmatig uitgevoerd, zodat aan de beginselen van behoorlijk bestuur zoals rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en zorgvuldigheid kan worden voldaan. Ook daarvoor is het nodig handhavingsbeleid vast te stellen. Het handhavingsbeleid is, zoals vele andere beleidsvelden, altijd in beweging. Met behulp van monitoring wordt periodiek geëvalueerd en wordt zo nodig het beleid bijgesteld. De gemeente kan niet overal en altijd toezien op naleving van regels, waardoor het noodzakelijk is prioriteiten te stellen. De handhavingsprioriteiten worden steeds vastgesteld op basis van een risico-analyse.
Jaarlijks wordt op basis van het beleid een handhavinguitvoeringsprogramma vastgesteld zodat inzichtelijk wordt op welke wijze de beschikbare handhavingscapaciteit in een bepaald jaar wordt ingezet. Het handhavingsbeleid is erop gericht om zo veel mogelijk integraal te handhaven. Het houden van toezicht op illegale bouw en strijdigheid met bestemmingsplannen scoort dusdanig dat de prioriteit gemiddeld tot hoog genoemd kan worden. Wanneer een aspect een lage prioriteit heeft, betekent dit overigens niet dat de regel overtreden mag worden. De beginselplicht tot handhaving, zoals die door de Raad van State is geformuleerd, is onverkort van kracht. Er zal dus altijd serieus met constateringen en klachten worden omgegaan, ook al is de prioriteit van desbetreffende overtreden norm laag. Echter, de focus van de toezichthoudende ambtenaren zal met name zijn gericht op de gestelde prioriteiten zoals opgenomen in het beleid.
7.4
Opleggen sancties
Wanneer een overtreding niet vrijwillig wordt beëindigd, wordt doorgaans gekozen voor het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom om een overtreder te dwingen een illegale situatie te beëindigen. Deze bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen hebben een reparatoir karakter en zijn met vele juridische waarborgen omkleed. Omdat een overtreding van het bestemmingsplan in de Wet op de economische delicten is aangemerkt als een economisch delict, is ook strafrechtelijke handhaving een optie. Privaatrechtelijke handhaving is minder geschikt. Tot het gedogen van overtredingen wordt slechts in uitzonderlijke gevallen overgegaan, bijvoorbeeld wanneer in redelijkheid niet meer voldaan kan worden aan de geldende regels en aanpassing van de regelgeving aan gewijzigde beleidsinzichten nog niet heeft plaatsgevonden.
52/611
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Voor het plangebied is een exploitatieberekening opgesteld, waaruit blijkt dat de voorgenomen invulling van de kavel economisch uitvoerbaar is. Deze is ter vaststelling aan de gemeenteraad voorgelegd. Kostenverhaal Volgens artikel 6.12 van de Wro dient tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. Het kostenverhaal is verzekerd. De gemeente heeft de grond in eigendom, een exploitatieplan is dan ook niet nodig.
53/611
Hoofdstuk 9 9.1
Maatschappelijke toetsing
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan zal met in achtneming van artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening (Wro) gedurende zes weken ter inzage liggen en beschikbaar worden gesteld op www.ruimtelijkeplannen.nl en www.goes.nl/bestemmingsplannen. Gedurende deze termijn kunnen door een ieder zowel mondelinge als schriftelijke zienswijzen naar voren worden gebracht.
9.2
Zienswijzen
Het ontwerp bestemmingsplan "Tiny Houses Tiendendreef Goes" heeft m.i.v. 17 februari 2022 zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn is één zienswijze ingediend. Middels de antwoordnota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan 'Tiny Houses Tiendendreef Goes' is een nadere toelichting gegeven op de betreffende planaspecten. Deze antwoordnota is opgenomen in bijlage 11. De ambtshalve wijzigingen hebben geleid tot overleg en aanpassing van overige zaken, maar leiden niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
54/611
Bijlagen toelichting
55/611
56/611
Bijlage 1
57/611
Archeologie Bureau- en Inventariserend Veldonderzoek
Goes, Tiendendreef 4, 5 en 7 (gem. Goes) rapport 750
Goes, Tiendendreef 4, 5 en 7 (Gem. Goes) Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen
J. Walstra en L.C. Nijdam
Colofon ADC Rapport 750 Goes, Tiendendreef Een Bureauonderzoek en verkennend Veldonderzoek in de vorm van boringen Auteurs: J. Walstra en L.C. Nijdam In opdracht van: gemeente Goes © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, december 2006 Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Autorisatie: dr. E. Lohof ISBN 90-5874-55-97 ADC ArcheoProjecten Tel 033-299 81 81 Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Fax 033-299 81 80 Email info@archeologie.nl
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 2 Bureauonderzoek 2.1 Methoden 2.2 Resultaten Afbakenen plangebied en consequenties van het mogelijk toekomstig gebruik Landschappelijke en bodemkundige ontwikkeling Bekende archeologische waarden en historische gegevens Gespecificeerd verwachtingsmodel 3 Inventariserend Veldonderzoek 3.1 Methoden 3.2 Resultaten 4 Interpretatie 5 Conclusies 6 Advies Literatuur Lijst van afbeeldingen Lijst van tabellen Bijlage 1. Boorgegevens
ADC ArcheoProjecten Rapport 750
4 6 6 6 7 7 7 7 8 8 8 9 9 9 9 9 10 10 14
Goes , Tiendendreef 4, 5 en 7
Samenvatting In opdracht van de gemeente Goes heeft ADC ArcheoProjecten een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Tiendendreef te Goes. Het onderzoek werd uitgevoerd met het oog op de mogelijke aankoop van de percelen door de gemeente en om te bepalen of bij eventuele grondactiviteiten de kans bestaat dat archeologische resten in de ondergrond zullen worden aangetast. Het onderzoek heeft bestaan uit een bureauonderzoek en een inventariserend booronderzoek. Uit het bureauonderzoek kwam naar voren dat het plangebied gelegen is op kreekafzettingen afkomstig van de Duinkerke II-overstromingsfase (nu Laagpakket van Walcheren). Deze afzettingen zijn als gevolg van differentiële klink als een rug in het landschap komen te liggen. Volgens de geologische kaart kan in de noordzijde van het plangebied nog veen in de ondergrond voorkomen. Op de kreekrug kunnen sporen van bewoning vanaf de vroege Middeleeuwen verwacht worden. Op intact veen kunnen resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd verwacht worden. Uit historische kaartmateriaal blijkt dat binnen het plangebied langs de ’s-Heer Hendrikskinderendijk aan de noordzijde van het plangebied rond 1560 reeds bebouwing e aanwezig is. Waarschijnlijk gaat de bebouwing hier nog verder terug. Vanaf de 19 eeuw komt ook bebouwing midden in het plangebied voor.
Uit historische bronnen blijkt dat de bodem is opgehoogd met huisvuil uit Goes. Ten westen van het plangebied ligt een wiel (dijkdoorbraakskolkgat). Dit wiel is in de loop van de Nieuwe tijd gedempt. Tijdens het verkennend booronderzoek is gebleken dat tot 2,0 m –mv voornamelijk zandige lagen voorkomen. Grofweg de bovenste meter hiervan wordt geïnterpreteerd als opgebracht en derhalve archeologische niet relevant materiaal, de onderste meter lijkt wel van natuurlijke oorsprong. Binnen de 2,0 m –mv zijn geen kreekoeverafzettingen en/of veenlagen aangetroffen. Het vroeg- en laatmiddeleeuwse niveau lijkt derhalve vergraven te zijn en het archeologische niveau van de IJzertijd en Romeinse tijd (top veenlaag) zal zeer waarschijnlijk geërodeerd zijn. De grofheid van de natuurlijke afzetting zijn hiervoor een aanwijzing. De strook langs de ’s-Heer Hendrikskinderendijk kon niet afdoende onderzocht worden in verband met de aanwezige verharding. De verwachting blijft hier derhalve hoog voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Aanbevolen wordt om geen archeologisch vervolgonderzoek in het gebied uit te voeren. Een uitzondering hierop is een smalle strook grond aan de voet van ’s-Heer Hendrikskinderendijk (zie afb. 4).
Bij eventuele graafwerkzaamheden in deze strook wordt geadviseerd om vooraf intensief te boren of de werkzaamheden archeologisch te laten begeleiden.
ADC ArcheoProjecten Rapport 750
Goes , Tiendendreef 4, 5 en 7
Tabel 1 Archeologische perioden Periode
Tijd in jaren
Nieuwe tijd Late-Middeleeuwen Vroege-Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd Bronstijd Neolithicum (Nieuwe Steentijd) Mesolithicum (Midden Steentijd) Paleolithicum (Oude Steentijd)
1500 1050 450 12 800 2000 5300 8800 300.000
na Chr. na Chr. na Chr. voor Chr. voor Chr. voor Chr. voor Chr. voor Chr. voor Chr.
-
heden 1500 1050 450 12 800 2000 4900 8800
na Chr. na Chr. na Chr. voor Chr. voor Chr. voor Chr. voor Chr. voor Chr.
Tabel 2 Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied
Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kadastrale gegevens: Kaartblad: Coördinaten: Oppervlak onderzoeksgebied ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer (CIS-code): Opdrachtgever:
Bevoegd gezag:
Adviseur:
Beheer en plaats van documentatie:
ADC-projectcode: Periode van uitvoering:
Zeeland Goes Goes Tiendendreef 4, 5 en 7 gemeente Goes sectie I, nummers 094, 099 en 157 48F 50.627-391.930/50.494-391.824/50.572-391.770/50.654-391.840 ca. 1,2 ha 18940 Gemeente Goes Mevr. S. van Bommel Postbus 2118, 4460 MC Goes e-mail: s.van.bommel@goes.nl Gemeente Goes Mevr. S. van Bommel Postbus 2118, 4460 MC Goes e-mail: s.van.bommel@goes.nl Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland mevr. drs. N.J.G. van Jole Postbus 49 4330 AA Middelburg tel: 0118-670870, e-mail: njg.van.jole@scez.nl Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) Postbus 49 4330 AA Middelburg Beheerder: dhr. J.J.B. Kuipers tel: 0118-670879, e-mail: jjb.kuipers@scez.nl 4101600 augustus/september 2006
ADC ArcheoProjecten Rapport 750
Goes , Tiendendreef 4, 5 en 7
6
1 Inleiding In opdracht van de gemeente Goes heeft ADC ArcheoProjecten een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Tiendendreef te Goes. Het onderzoek werd uitgevoerd met het oog op de aankoop van de percelen door de gemeente Goes. Voor behartiging van de archeologische belangen binnen het plangebied is in de eerste plaats het archeologiebeleid op provinciaal niveau van belang. De uitgangspunten voor het provinciaal beleid ten aanzien van de archeologie staan vermeld in het Streekplan Zeeland 1997 (paragraaf 4.9.4) en de nota De kracht van cultuur. Uitgangspunten provinciaal cultuurbeleid 2001-2004 (2000; paragraaf 7.9) en de voortgangsrapportage (2002). Het provinciaal archeologisch beleid is in hoofdlijnen gebaseerd op het nationaal beleid (Het archeologiebeleid van het Rijk; paragraaf 2.1). Dit beleid is verder aangescherpt in de Nota inzake relatie r.o. en archeologie, vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Zeeland op 29 mei 2001. Het doel van het bureauonderzoek was het verwerven van informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven gebied. Het doel van het inventariserende veldonderzoek was het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel, gebaseerd op het bureauonderzoek.
Het onderzoek is uitgevoerd conform de geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 1 (KNA) en de Handleiding Programma’s van eisen Zeeland (p. 5 t/m 7). Op basis hiervan zijn de 2 volgende onderzoeksvragen opgesteld: - Zijn er (aanwijzingen voor) archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is naar verwachting de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Indien er archeologische waarden aanwezig zijn: - In welke mate worden deze waarden verstoord door realisatie van de geplande bodemingreep? - Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? Indien de (mogelijke) archeologische waarden niet kunnen worden behouden: - Welke vorm van nader onderzoek is nodig om de aanwezigheid van archeologische waarden en hun omvang, ligging, aard en datering voldoende te kunnen bepalen om te komen tot een selectiebesluit? Het bureauonderzoek is uitgevoerd op 11 september 2006, het booronderzoek vond plaats op 12 september 2006. Aan het onderzoek hebben meegewerkt: J. Walstra (projectleider), M. Stiekema (veldassistent), L.C. Nijdam (fysisch geograaf) en E. Lohof (senior archeoloog).
2 Bureauonderzoek 2.1 Methoden Het bureauonderzoek bestond uit het bestuderen van kaartmateriaal en literatuur betreffende de geschiedenis van het plangebied. Daartoe zijn ondermeer de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) van de provincie Zeeland, en geologische, bodemkundige en geomorfologische kaarten bestudeerd. Raadpleging van het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) leverde geen gegevens op. Uit het gemeentearchief van Goes was wél relevante informatie beschikbaar. Ook werden gegevens verzameld uit het Archeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), een digitaal archief met archeologische vondstmeldingen en terreinen die wettelijk zijn beschermd of waarvoor een meldingsplicht bestaat in het geval van voorgenomen grondwerkzaamheden. Voorts werden historische luchtfoto’s bekeken. Het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN) werd niet gebruikt, aangezien het terrein bebouwd is en deze bron dus weinig oplevert. Methoden toegepast bij het bureauonderzoek zijn conform de KNA, versie 2.2, en de Handleiding Programma’s van eisen Zeeland.
1 2
Provincie Zeeland Sophie, 2006
ADC ArcheoProjecten Rapport 750
Goes, Tiendendreef 4, 5 en 7
7
Op basis van deze gegevensbronnen is een verwachtingsmodel van het gebied opgesteld. Hierin is verwoord of en wélke archeologische waarden worden verwacht. Daarnaast zijn de (veronderstelde) eigenschappen van deze waarden zo gedetailleerd mogelijk aangegeven.
2.2 Resultaten Afbakenen plangebied en consequenties van het mogelijk toekomstig gebruik Het plangebied omvat het terrein van twee scholen (De Kring en De Vliedberg) aan de Tiendendreef te Goes. Het gebied is gelegen ten zuiden van de ’s-Heer Hendrikskinderendijk, ten westen van de Westsingel en ten noordoosten van de Middelburgsestraat. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 1,2 ha. Aanleiding voor het onderzoek is verwerving van de percelen door de gemeente. Het is nog niet bekend welke soort bebouwing plaats zal vinden; waarschijnlijk zal het om grondgebonden woningen gaan. Toekomstige ingrepen in het gebied zouden eventuele waardevolle archeologische resten in de ondergrond kunnen aantasten. Landschappelijke en bodemkundige ontwikkeling Vanaf 9000 v. Chr. vult het Noordzeebassin zich met water van de smeltende ijskappen in Scandinavië. Gedurende deze zeespiegelstijging schuift de kustlijn met ca. 40 meter per jaar landinwaarts. Op Zuid-Beveland raakt het Pleistocene oppervlak tussen 6600 v.Chr. en 5500 v. Chr. met veen begroeid (Basisveen). Vanaf 5500 v. Chr. tot 3100 raakt het veengebied overstroomd en worden klei en zandlagen afgezet (voorheen afzettingen van Calais genoemd). Door het sluiten van de strandbarrières langs de kust, neemt de mariene activiteit in het gebied achter de kustbarrière sterk af en vindt op grote schaal weer veenvorming (Hollandveen) plaats.
Deze veenvorming gaat door tot circa 700 v. Chr., wanneer als gevolg van het doorbreken van de strandbarrière het veen langs kleine kreekjes ontwatert (voorheen Duinkerke I). Hierdoor klinkt het veen gedeeltelijk in en wordt het oppervlak steeds beter begaanbaar. Vanaf het einde van de e e Romeinse tijd, in de 4 en 5 eeuw na Chr., overstroomt het veenoppervlak. Als gevolg van deze overstromingen werd het veen ter plaatse van geulen geërodeerd en ter plaatse van platen bedekt met zand- en kleilagen (voorheen Duinkerke II). Overigens is de indeling in Calais- en 1 Duinkerke-afzettingen komen te vervallen en vervangen door het Laagpakket van Walcheren. Volgens de geologische kaart komen aan de noordzijde van het plangebied het Laagpakket van Walcheren en Hollandveen voor. In het zuidelijke deel is het Hollandveen volledig geërodeerd. De omgeving van Goes is thans gelegen in het zogenaamde Oudland. In dit landschap liggen met zand opgevulde geulen als ruggen thans hoog in het landschap. Dit is het gevolg van 2 differentiële klink, waardoor veen- en kleigebieden sterker zijn ingeklonken dan de kreekruggen. Vanaf de vroege Middeleeuwen zijn deze kreekruggen het meest geschikt voor bewoning en akkerland. Op de geomorfologische kaart is te zien dat het onderzoeksgebied op een dergelijke 3 kreekrug ligt.
Aan de noordzijde van het plangebied kan nog intact veen in de ondergrond voorkomen, waarop bewoningsresten uit de IJzertijd en Romeinse tijd aanwezig kunnen zijn. Bekende archeologische waarden en historische gegevens Het onderzoeksgebied bevindt zich in het vroegere Goese Ambacht, ten westen van de oude stadskern van Goes (AMK nr. 13456). Er zijn een groot aantal ARCHIS-waarnemingen in de omgeving (afb. 2), deze zijn allemaal in de oude binnenstad. De waarnemingen zijn gerelateerd aan vondsten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. De plaatsnaam Goes is al in 976 genoemd. Door de stormvloed van 1134 werd het e oorspronkelijke dorp echter vernietigd. Sinds de 12 eeuw vormde het Slot Ostende van de Heren van Borssele de kern van Goes. Sinds 1405 heeft Goes stadsrechten. In 1417 werd een gracht rond het grondgebied gegraven en werden poorten en een stadsmuur gebouwd. De Grote Kerk werd in 1423 voltooid. Het oudste deel van het stadhuis stamt uit 14e eeuw. Tijdens de
1 2 3
Mulder et al., 2003 Berendsen, 1997 STIBOKA, 1986
ADC ArcheoProjecten Rapport 750
Goes, Tiendendreef 4, 5 en 7
8
Tachtigjarige Oorlog werden vestingwerken aangelegd. Een groot deel van deze vestingwerken is 1 thans nog herkenbaar. In 1554 brandde driekwart van de stad af. Uit gegevens van het gemeentearchief blijkt dat de ’s-Heer Hendrikskinderendijk uit het midden e van de 12 eeuw stamt. Langs de zuidkant van ‘s-Heer Hendrikskinderendijk is al sinds vele eeuwen bewoning aanwezig. Bij een dijkdoorbraak ten westen van het gebied is op een onbekend tijdstip een grote ‘weel’ ontstaan. Deze weel had al in 1361 betekenis als visvijver en e was bekend als Reigersweel. Gedeelten van de weel werden in de loop van de 15 eeuw gedempt met huisvuil. Mogelijk is er ook huisvuil gestort binnen het onderzoeksgebied. Op de stadsplattegrond van Goes van Van Deventer uit ca. 1560 zijn tegen de zuidzijde van ’s-Heer Hendrikskinderendijk enkele huizen en een molen getekend, maar is op de Tiendendreef zelf geen bebouwing aangegeven. Het weel is wel reeds op deze kaart aanwezig al is het wiel kleiner dan op latere kaarten. Mogelijk heeft later nog een overstroming plaatsgevonden. Op een kaart van 1650 zijn al enkele huizen aanwezig tegen de dijk. De weel is gedempt in de jaren 1920 en 30. Daarna is hierop de Middelburgsestraat aangelegd. Op een kadastrale kaart van 1832 zijn verschillende woningen en moestuinen te zien onder aan de dijk. Meer naar het zuiden waren 2 toen nog steeds geen huizen.
Op een historische kaart uit 1914 is de weel nog steeds te zien, 3 4 alsmede de bewoning onderlangs de dijk (zie afb. 3). Op een luchtfoto uit 1945 is de situatie ten opzichte van de kaart van 1914 nauwelijks gewijzigd. Gespecificeerd verwachtingsmodel De IKAW kaart geeft een hoge indicatieve waarde binnen het onderzoeksgebied (zie afb. 2). Deze hoge waarde houdt verband met de ligging van het plangebied op een Duinkerke II kreekrug, waarop resten van bewoning vanaf de vroege Middeleeuwen kunnen voorkomen. Echter uit de geologische kaart blijkt dat in het noordelijk deel van de onderzoekslocatie nog veen in de ondergrond kan voorkomen. Indien hier intact veen voorkomt, kunnen op de top van het veen resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd verwacht worden. Langs ’s-Heer Hendrikskinderendijk (uiterste noordzijde van het plangebied) kunnen resten uit de vroegste periode van de dijkaanleg (circa 1200) en Nieuwe tijd verwacht worden. Resten uit de Nieuwe tijd kunnen ook verwacht worden in het centrale deel van het plangebied (zie afb. 3). Indien verstoring van de bovengrond plaatsvindt, kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan. Hierbij is van belang in hoeverre bovengenoemde archeologische verwachtingsniveaus nog intact zijn en op welke diepte, te bepalen door middel van het booronderzoek.
3 Inventariserend Veldonderzoek 3.1 Methoden Methoden toegepast bij het Inventariserend Veldonderzoek zijn conform de KNA, versie 2.2, en de Handleiding Programma’s van eisen Zeeland. Uitgangspunt van het inventariserend veldonderzoek is het gespecificeerde verwachtingsmodel zoals dat is opgesteld in het bureauonderzoek. In het plangebied zijn 9 grondboringen uitgevoerd met als doel het bepalen van de bodemopbouw en eventuele bodemverstoringen, alsmede het opsporen van archeologische vindplaatsen. De boringen werden zo optimaal mogelijk verspreid over het gebied, maar vanwege de aanwezige bebouwing en verhard oppervlak (schoolplein, straat) was het niet mogelijk een regelmatig grid aan te houden, zoals in de eisen van de Provincie Zeeland vastgelegd is. Om dezelfde reden was het ook niet mogelijk direct aan de voet van de dijk te boren. De boringen werden met een 7 cm Edelmanboor gezet tot 1,20 m –mv (vanwege de verstoorde bodem was er geen aanleiding tot het gebruik van een 20 cm boor zoals voorgeschreven in het Plan van Aanpak). Vijf boringen werden met een guts verder doorgezet tot 2 m diepte om een beter inzicht in de onderliggende bodemopbouw te verkrijgen. Doorzetten tot nog grotere diepte werd
1
ARCHIS II Gemeentearchief Goes, 2005 Bonnekaart, 1914 4 www.dewoonomgeving.nl 2
3
ADC ArcheoProjecten Rapport 750
Goes, Tiendendreef 4, 5 en 7
9
bemoeilijkt door de grove textuur van het materiaal, maar ook niet nodig geacht voor een goede interpretatie. De bodemtextuur en archeologische indicatoren werden beschreven volgens SBB 5.1 van het NITG-TNO waarin ondermeer de standaard classificatie van bodemmonsters volgens NEN5104 1 wordt gehanteerd. De horizontale coördinaten werden bepaald aan de hand van de locale topografie. De hoogte van het maaiveld ter plaatse van de boringen werd bepaald aan de hand van de topografische kaartenserie 1 : 25.000.