CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

AGendapunt 05. Nieuwe Rijksweg 2D 's-Heer Hendrikskinderen Bijlagen toelichting

Oordeelsvormende raad 9 december 2021, gemeente GoesBij agendapunt: Bestemmingsplan Nieuwe Rijksweg 's Heer Hendrikskinderen24.816 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In dit gebied werden naast aardewerk en munten uit de Merovingische periode ook verschillende munten uit de Karolingische periode gevonden. Hoewel hier nergens nederzettingssporen zijn aangetroffen, maken de vondsten uit de Merovingische en Karolingische periode wel aannemelijk dat in deze eeuwen sprake was van bewoning. Op basis van historische bronnen is nabij Westenschouwen de aanwezigheid gekend van

44 Van Dierendonk en Vos, reds., 2013. 45 Ook de goden Jupiter, Neptunus, Cocncordia en Victoria komen in Domburg op verschillende van deze altaren voor. Van Dierendonck, 2012, 53‐54. 46 Van Dierendonk en Vos, reds., 2013. 47 Dijkstra en Zuidhoff red, 2011.

29

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

een nederzetting villa Scaltheim48 Ook op de vindplaats bij Brabers werden enkele fragmenten Karolingisch aardewerk aangetroffen die lijken te wijzen op bewoning in deze periode.49 Al snel werd het gebied vanuit Engeland en Vlaanderen gekerstend. Bronnen maken gewag dat Willibrordus in 695 Villam Walichrum, of het koningsdomein Walcheren, zou hebben bezocht. Villam Walichrum was gelegen nabij het huidige Domburg en omvat meerdere vindplaatsen die vanaf de 17e eeuw op de stranden bij Domburg werden ontdekt. Dit betreft zowel vindplaatsen die als grafveld als vindplaatsen die als nederzetting kunnen worden geïnterpreteerd. Dit complex van vindplaatsen (vondsten, sporen) alsook de geschiedenis van het archeologisch onderzoek en de beschikbare historische bronnen werden door Deckers in 201450 onder de loep genomen en uitgewerkt. Hoewel er enkele aanwijzingen zijn voor activiteit in de omgeving vanaf het begin van de Merovingische periode, en mogelijk continuïteit vanaf de laat‐Romeinse tijd, is er pas voor de periode vanaf het einde van de 6e eeuw en merkbare toename van archeologische data. Volgens Deckers, betreft het hier de resten van een nederzetting die gedurende de 7e eeuw reeds enig belang had en die functioneerde als een religieus en sociaal‐politiek centrum en mogelijk ook handelsplaats.51 Deze groeide gedurende de 8e en het begin van de 9e eeuw verder uit.

De nederzetting, die vanaf het einde van de 8e eeuw een koningsgoed werd, krijgt vanaf de 9e eeuw functie als garnizoensplaats. De nederzetting zal uiteindelijk tegen of gedurende het begin van de 11e eeuw verdwijnen.52 Ook het gebied waar later de ringwalburg van Domburg zou ontstaan maakt vanaf de 7e eeuw deel uit van het landbouwareaal van de nederzetting en wordt later gedeeltelijk gebruikt als grafveld. Vanaf circa het begin van de 8e eeuw maakt het vervolgens deel uit van het nederzettingsareaal. De ringwalburg zelf dateert uit de tweede helft van de 9e eeuw. Ook in het achterland kan vanaf de 8e en 9e eeuw kleinschalige bewoning verwacht worden. Hierbij moet gedacht worden aan eerder kleinschalige schaapsboerderijen die eigendom waren van vrije boeren of grondbezitters. Zij doen in hoofdzaak aan schapenteelt, maar drijven ook handel in wol.53 Meestal liggen deze boerderijen verspreid over het schorrengebied, op de schaarse verheven delen van dit landschap. In sommige gevallen is ook beperkt aan landschapsinrichting gedaan.

Naast de eerste bedijkingen (waaronder de Tubindic tussen Aardenburg en Oostburg, IJzendijke en Vreemdijke enkele van de vroegst gekende exemplaren zijn) en verhoogde wegen worden ook woonhoogtes opgeworpen (vroege exemplaren hiervan zijn gekend op Duiveland‐Nieuwerkerk en Buttinge op Walcheren).54 In de 9de eeuw wordt het hele kustgebied geteisterd door invallen van de Vikingen. Traditioneel worden deze aanvallen gezien als de aanleiding tot de aanleg van de meest bekende exponenten van de vroege middeleeuwen in Zeeland: de ringwalburgen. Een dergelijk groot rond verdedigingswerk met aarden wal met palissade en gracht is in Zeeuws‐Vlaanderen aangetoond in Oostburg. Ook buiten Zeeland werden deze constructies aangetroffen in onder andere de overige kustdelen en rivierengebieden van Nederland, België en Frankrijk. Uit recente publicaties is gebleken dat enkele van de in deze streken aangetroffen ringwalburgen niet noodzakelijk door de plaatselijke bevolking aangelegd hoeven te zijn en dat het beeld iets gecompliceerder is. Er zijn namelijk aanwijzingen dat 48 Beekman, 2007; Dekkers, 2014. 49 Trimpe Burger, 1995. 50 Deckers, 2014, 293‐395. 51 Deckers, 2014, 387‐388. 52 Deckers, 2014, 395. 53 Verhulst, 1995, een recent voorbeeld van een dergelijke schapenboerderij ijs de 7e‐8e ‐eeuws schapenboerderij die

nabij Serooskerke (Walcheren)is aangetroffen en die hierboven reeds aangehaald is. 54 Hendrikx, 2012, 92.

30

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

ook de Vikingen dergelijke ringwallen hebben aangelegd en bewoond. Niet alle in dit deel van Europa (en Nederland) aangetroffen ringwallen dienen dan ook toegeschreven te worden aan de plaatselijke bevolking. Voorts ontstaat stillaan de indruk dat deze ringwalburgen niet uitsluitend als tijdelijke verdedigingsplaatsen zijn aangelegd, zoals aanvankelijk is aangenomen, maar dat deze wel degelijk bewoond kunnen geweest zijn55 en/of bewust aangelegd als een machtsuiting door plaatselijke, dan wel vreemde, machtshebbers.56 Rond 1000 AD zijn grote delen van Zeeland reeds opnieuw bewoond. De hoger gelegen kreekruggen waren uitermate geschikt voor de aanleg van wegen en het stichten van nederzettingen. Onder impuls van lokale ambachtsheren werden kerken gesticht. Grote delen van Zeeland krijgen hun huidige aanzien in de middeleeuwen wanneer grootschalige bedijkingen aangelegd werden. Deze werden met name vanuit Vlaanderen, onder meer door de sterke expansiezucht van de Vlaamse abdijen en de noodzaak tot de uitbreiding van de landbouwgronden om de stijgende voedselbehoeften van de groeiende steden te beantwoorden, mogelijk gemaakt. Deze ontwikkelingen zorgden voor een sterke expansie van de bevolking en de eerste steden kwamen tot ontwikkeling.

Een belangrijke activiteit die in de late middeleeuwen voor sterke economische impuls zorgde, was het moerneren (veen als brandstof) en selneren, ten behoeve van zoutproductie. Belangrijke productie‐ en handelscentra waren Goes, Zierikzee, Reimerswaal, Tholen, Axel, Biervliet en Hulst. Het ontginnen van de moeren resulteerde ook in het ontstaan van wegdorpen en (moer)vaarten voor het transport van veen en zout. De grootschalige binnendijkse ontginningen resulteerden in een sterk verlaagd Zeeuws landschap. Door de bedijking kon tijdens stormvloeden het water zich niet verspreiden over het uitgestrekte schorrengebied. In plaats daarvan werd het water opgedreven tegen de dijken en kwam het maximale stormvloedniveau steeds hoger te liggen. Wanneer nu tijdens een van de extreme stormvloed die vanaf de 12e/13e eeuw de regio veelvuldig teisterden, de dijken braken konden diepe getijdengeulen zich in het landschap insnijden. Grote overstromingen ten gevolge van stormvloeden zetten grote gebieden eerder bedijkt land opnieuw onder water.

De nieuwe tijd (1500 n. Chr. tot heden) De stormvloeden uit de late middeleeuwen teisterden ook gedurende de nieuwe tijd Zeeland en werden tijdens de Tachtigjarige Oorlog aangevuld met militaire inundaties. In Zeeland wordt de 16de eeuw dan ook gekenmerkt door rampspoed. De grote overstromingsrampen van 1530 en 1532 die het oostelijk deel van Zuid‐Beveland troffen, waren van doorslaggevende betekenis voor de afwatering van de Schelde. Tot aan de overstroming was de Oosterschelde de hoofdgeul. Het wantij, de grens waar de vloedstromen vanuit de Oosterschelde en Westerschelde elkaar raakten, lag tot 1530 tussen het Verdronken Land van Saeftinge en Zuid‐Beveland. Na de overstromingsramp kwam het en wantij echter tussen Zuid‐Beveland en de Brabantse Zoom te liggen. De wantij‐verlegging had tot gevolg dat de Oosterscheldegeul ter hoogte van het wantij ging verzanden door de sterk afgenomen getijdestroom. In de Westerschelde daarentegen namen de stroomsnelheden juist toe omdat de Westerschelde het debiet van de achterliggende Schelde overnam. Het nieuwe wantijgebied tussen de Wester‐ en Oosterschelde slibde in de volgende eeuwen hoog op en werd ingedijkt. Aan de verbinding tussen de Wester‐ en Oosterschelde kwam definitief een einde toen in 1871 een spoordijk gereed kwam tussen Zuid‐Beveland en de Brabantse Zoom.

55 56

Zoals onder andere het geval lijkt te zijn geweest in Domburg. Deckers, 2014, 381‐387. Ten Harkel, 2013.

31

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Vóór de grote overstromingsramp van 1953 waren de Zeeuwse eilanden nog niet via waterstaatkundige werken verbonden met het vasteland. Reeds voor de Tweede Wereldoorlog was men zich bewust van het feit dat in Zuidwest‐Nederland de kustverdediging tegen extreme hoge stormvloeden ontoereikend was. In 1937 waren er door Rijkswaterstaat plannen gemaakt ter verbetering van de kustbeveiliging in dit gebied. Volgens deze plannen zou een groot aantal dijken moeten worden verhoogd en enkele ingrijpende waterstaatkundige werken zouden moeten worden gerealiseerd. Vanwege de krappe overheidsfinanciën en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zijn de plannen niet uitgevoerd. Door het uitblijven van structurele werken bleef de onveilige situatie bestaan en kon de catastrofale overstromingsramp van 1953 plaatsvinden. Een zware noordwesterstorm, aangezwollen tot orkaankracht (windkracht 12) gepaard gaande met springtij, teisterde op 1 februari 1953 meer dan 20 uur onafgebroken de Nederlandse, Engelse en Belgische kust. Het zeewater, dat bij eb nauwelijks meer zakte, rees tot hoogten die sedert 1825 niet meer waren voorgekomen. In Vlissingen bereikte het zeewater een hoogte van 4,55 m +NAP. De dijken braken op 89 plaatsen en 137.000 ha land kwam onder water te staan. De ramp kostte in Nederland aan 1835 mensen het leven.

Direct na de ramp, op 21 februari 1953, werd de Deltacommissie ingesteld, waarvan de adviezen uiteindelijk resulteerden in het versneld uitvoeren van het Deltaplan, waarmee in 1958 werd begonnen. In het kader van het Deltaplan werden het Veerse Gat (1961), Haringvliet (1971) en Grevelingen (1976) afgesloten. Het gebied rond de Oosterschelde wordt nu beschermd door de stormvloedkering, een open dam (gereed in 1986) die gesloten wordt tijdens extreem hoge stormvloeden. De Westerschelde kon niet worden afgedamd vanwege de scheepvaartbelangen van Antwerpen. Rond deze zeearm zijn in het kader van het plan de dijken verzwaard. Met de voltooiing van het Deltaplan is de wapenspreuk van Zeeland recht gedaan: Luctor et Emergo.

2.3.2

Historische gegevens

Het plangebied is gelegen direct ten oosten van de bebouwde kom van het dorp ’s‐Heer Hendrikskinderen. Dit dorp ligt op de noordelijke grens van het kerneiland van Zuid‐Beveland. Dit kerneiland wordt gevormd door de schorren die overbleven na de grote stormvloeden van 1014 en 1134.57 Hoewel deze schorren in de Karolingische tijd al bewoond en ontgonnen zijn, is over deze periode weinig concrete informatie bekend. Archeologisch informatie uit Kloetinge en Abbekinderen doen wel concluderen dat bewoning op dat ogenblik zich concentreert op de hogere oeverwallen van smalle geulen en op kunstmatig opgeworpen woonterpjes. Het dorp ’s‐Heer Hendrikskinderen is gelegen in de grotere polder De Breede Watering Bewesten Yerseke, kortweg de Westwatering genoemd, uit het eind van de 12e eeuw.58 Dit is één van de oudste Zeeuwse poldergebieden; de polder wordt dan ook gerekend tot het zogeheten Oudland, een term die wordt gebruikt om land te duiden dat werd bedijkt vóór 1200. Na de inundatie door de stormvloed van 1134 werd namelijk een dijk opgeworpen op de noordrand van de kreekrug Wemeldinge – Kapelle – Kloetinge – ’s‐Heer Arendskerke, die een bescherming moest vormen tegen de te noorden hiervan gelegen Schenge. Nabij het latere ’s‐Heer Hendrikkinderen betreft dit de ’s‐Heer Hendrinkskinderendijk die richting Kloetinge overgaat in de Heernisseweg, het Lange Dijkje en de Braanjendijk.

Verder oostwaarts wordt tussen Yerseke en Hansweert eveneens een dijk aangelegd.59

57 Dekker, 1971, 83‐97. 58 Dekker, 1971, 106. 59 Dekker, 1971, 100‐101.

32

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Afbeelding 11 Overzicht van de 12de‐ en 13de‐eeuwse bedijking in het noordwesten van Zuid‐Beveland. Bron: Dekker 1971, 100.

De bewoning bij ’s‐Heer Hendrikskinderen begint ten laatste rond 1200 als de toenmalige ambachtsheer een nederzetting sticht aan de weg die vanaf de ’s‐Heer Hendrikskinderendijk in zuidoostelijke richting het achterliggende poelgebied inloopt. Deze weg is de voorloper van de huidige Oude Rijksweg. De ambachtsheer, Heynric van Scenghe (Hendrik van Schenge), beheerde een grondgebied van ongeveer 350 hectare en gaf de opdracht tot de bouw van een kerk voor het dorp. Deze kerk wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde uit 1267 waarin over Ecclesia Henrici wordt gesproken. De stichting van de kerk kan echter al eerder in de 13de eeuw geplaatst worden, aangezien zowel Arnoldus en Henricus de Scinge reeds vermeld worden op een oorkonde van de Middelburgse Abdij uit 1198. Nog voor de kerk voltooid was overleed Hendrik van Schenge. Zijn kinderen voltooiden de bouw en maakten van de nederzetting rondom deze kerk een zelfstandige parochie met de naam Tser Heynricskinderkercke. Vlakbij (ten zuiden van) de kerk hadden Hendrik, en later zijn kinderen, een omgrachte heuvel aangelegd (motte) waar zij zich in geval van nood (oorlog, overstroming) konden terugtrekken. Eveneens rond 1200 is de Westwetering volledig omsloten met een ringdijk.

Afbeelding 12, een uitsnede van de Overzichtskaart van Zuid‐Beveland vóór 1530 door Dekker (1971), geeft de kustlijn van Zuid‐Beveland in circa 1250 (rode stippellijn) en 1530 (blauwe lijn) weer. Een vergelijking tussen deze twee lijnen toont duidelijk de landwinst buiten het Oudland in de periode van 1250 tot 1530. Met name ten het zuiden van het eiland Zuid‐Beveland zijn vanaf 1445 de eerst landbruggen (in de vorm van polders en een dam op de Zwake) met het eiland Borssele aangelegd.60

60 Wilderom, 1968, 196.

33

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Afbeelding 12 Verkleinde uitsnede van de Overzichtskaart van Zuid‐Beveland vóór 1530 door Dekker, uit 1971. Het plangebied is met een lichtblauw ingevulde polygoon weergegeven. De kustlijn uit circa 1250 is met een rode stippellijn weergegeven, de kustlijn uit 1530 met een brede blauwe lijn, parochiegrenzen met een smalle blauwe lijn. Onmiddellijk ten zuiden van het plangebied staat een berg aangegeven (blauwe cirkel).

‘s‐Heer Hendrikskinderen en het plangebied zijn gelegen op de noordelijke rand van de 13e‐eeuwse polders. De begrenzing hiervan wordt gevormd door de onmiddellijk ten noorden van het plangebied gelegen dijk (de ’s‐Heer Hendrikskinderendijk).Tegen de 16e eeuw is het poldergebied hier naar het noorden uitgebreid en ligt de begrenzing van het vasteland circa 1 km noordelijker. Onmiddellijk ten zuiden van het plangebied wordt door Dekker een berg (werf) weergegeven (blauwe cirkel). Volgens de studie (en veldbezoeken) door de 19de‐eeuwse onderzoeker J. C. de Man moet er in ’s‐Heer Hendrikskinderen aanvankelijk een bergje gelegen hebben ten zuiden van de kerk (eveneens aangegeven door Dekker). Ten noorden van de kerk is naderhand in de loop van de 13e eeuw door de heren van Schenge een kasteel gebouwd (’s‐Heer Hendriksburg of Huis te Werf).61 Het is dit kasteel (of een voorloper ervan) die door Dekker onmiddellijk ten zuiden van het plangebied wordt aangeduid. Van den Broecke schrijft echter dat de ambachtsheren in de 12de eeuw wellicht nog op een werf woonden en dat in de 14de eeuw een bepaald stuk land nog omschreven werd als ‘’t werf ende ’t voerhof’. Deze heuvel waarop wellicht een versterkte hoeve stond werd in 1875 afgegraven en bevond zich ten zuiden van de kerk.

Het eigenlijke kasteel werd dus gebouwd als opvolger van de zuidelijker gelegen werf die later door de plaatselijke bevolking omschreven werd als Poelberg.

61 De Man, 1902.

34

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Het dorp ’s‐Heer Hendrikskinderen is in de late middeleeuwen een zogenaamd poeldorp, dat leeft van de exploitatie van het nabijgelegen veengebied. Zo wordt vanuit ’s‐Heer Hendrikskinderen in het zuidelijk gelegen poelgebied (De Poel) veen gewonnen. Het dorp is daardoor in deze periode gestaag gegroeid waardoor het in 1560 een vrijwel complete kerkring heeft. Zoal hierboven reeds aangehaald wordt ten noorden van het dorp in de loop van de 13e eeuw een kasteel gebouwd. Dit kasteel zou gesticht zijn door één van de nakomelingen van Hendrik van Schenge. Aanvankelijk noemde men het kasteel dan ook Heer Heinsburf of ook wel ’s Heer Hendriksburg. De naam veranderde in de eerste helft van de 15e eeuw toen het kasteel in bezit kwam van de procureur generaal van het Hof van Holland die zich in Rijswijk vestigde op het landgoed Te Werve. Vermoedelijk woonde één van zijn kinderen in het kasteel te ’s‐Heer Hendrikskinderen en werd vanaf toen het kasteel Te Werf of Te Werve en later het Huis te Werve genoemd.62

Afbeelding 13 Globale locatie van het plangebied (aangeduid met lichtblauwe cirkel) op Ostium Scaldis, Kaart van de Zeeuwse Delta uit het midden van de 16e eeuw, door C. Sgrooten, 1573. Zie ook afbeelding 14. Bron:

Koninklijke Bibliotheek van België.

De Breede Watering Bewesten Yerseke is, mede dankzij de vele dijkwerkzaamheden vanaf de 12e eeuw, gedurende de zware stormvloeden uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd grotendeels onaangetast gebleven. Met name de vloeden van 1530 en 1532 veroorzaakten grote schade in grote delen van Zeeland. In de omgeving van de Wetering liep Oostelijk Zuid‐Beveland ten oosten van de dijk tussen Yerseke en Hansweert (Brede Wetering Beoosten Yerseke) onder water en aan de westelijke rand van Zuid‐Beveland verdronk de regio rond Heinkenszand.

62 Hollestelle, 1986, van den Broecke, 1978, 221 ‐223.

35

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

De kaart met de monding van de Schelde uit de Brusselse Atlas van Christian Sgrooten uit omstreeks 1570 geeft een goed beeld van deze situatie (zie afbeelding 13). De verdronken regio’s zijn blauw‐ geelbruin gevlekt maar de namen van de verdronken dorpen staan nog weergegeven. Projectie van het plangebied op deze kaart is niet zinvol. Op afbeelding 13 is de ligging van het plangebied bij benadering met een cirkel weergegeven. Rechts onderaan de afbeelding is een detail van deze kaart weergegeven, op dit detail wordt het dorp als Zer Heijms Kijnderen benoemd en wordt ten noorden van het dorp het kasteel Huis te Werve weergegeven.

Afbeelding 14 Ligging van het plangebied op de minuutkaart van Jacob van Deventer uit 1572. Bron: Biblioteca Nacional de España.

De stadsplattegrond van Goes, getekend door Jacob van Deventer in 1572, geeft een meer gedetailleerd beeld van de omgeving van het plangebied (afbeelding 14). De weg die vanaf het noordwesten van de vesting Goes naar het westen loopt, loopt vrijwel gelijk met de huidige ’s‐Heer Hendrikskinderendijk. Haaks op deze weg staat een andere weg die in noordelijke richting naar de zeedijk loopt. Het verloop van deze voormalige zeedijk is ten zuiden van de huidige Oosterschenge duidelijke te herkennen. Deze heeft in de huidige topografie dan ook nog de naam “Oude Zeedijk”. Het dorp Zeer Henrukskinderen wordt weergegeven als een ringdorp met centraal in de ring de kerk. Ten noorden van het dorp staat het kasteel afgebeeld. Dit is op deze kaart voorzien van meerdere torens maar lijkt niet omgracht. Het huidig plangebied is te situeren in de omgeving van het kasteel, ten zuiden van de ’s‐Heer Hendrikskinderendijk.

36

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

De onder water staande delen van westelijk Zuid‐Beveland zullen pas in de loop van de 16e en 17e eeuw opnieuw bedijkt worden. Grote delen van oost Zuid‐Beveland (Brede Wetering Beoosten Yerseke) zijn dan nog steeds verdronken. De kaart van Zeeland uit het midden van de 17e eeuw door Visscher (afbeelding 15) toont de omgeving van Sheynrixkindren in deze periode. Deze kaart toont een vereenvoudigd beeld van de wegen tussen de woonkernen en de woonkernen zelf.

Afbeelding 15 Uitsnede van de Zelandiae comitatus novissima tabula, door N. Visscher, oorspronkelijk uit het midden van de 17e eeuw, afgebeelde uitgave uitgegeven door Ottens in 1740. Bron: Nationale Bibliotheek België.

Op de kaart door Visscher is geen sprake van een ringdorp en ook het kasteel ten noorden van het dorp is niet weergegeven. Dit kasteel moet en de realiteit op dat moment wel nog aanwezig geweest zijn. Zo zijn er beelden uit het eind van de 17e eeuw bewaard gebleven die het kasteel gedetailleerd weergegeven. Op dat tijdstip was het oorspronkelijk 13e‐eeuwse kasteel gemoderniseerd en had het meer het karakter van een buitenplaats gekregen. De in 1696 gemaakte prent van het kasteel (afbeelding 16), laat een door een vierkante gracht omgeven gebouw zien. Het gebouw zelf heeft eveneens een vierkante vorm en is voorzien van enkele torens en een binnenplaats. Het geheel is bereikbaar via een brug langs de westelijke zijde. Ten zuiden van het kasteel ligt een pleziertuin en ten zuidwesten ervan een moestuin of akker. Ten noorden en oosten van het geheel ligt een boomgaard of bos. Op de achtergrond is een verhoogde rij bomen zichtbaar, dit betreft vermoedelijk de locatie van de ’s‐Heer Hendrikskinderendijk met daarachter de Goesche Polder en de Oosterschelde. Ten westen van het kasteel ligt een weg die de verbinding vormt tussen de achterliggende dijk en (vermoedelijk) de kern van ‘s‐Heer Hendrikskinderen.

37

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Afbelding 16 Kopergravure met zicht op Het Slot van s Heer Heinskinderen. Gravure uit 1690‐1696. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, deel II, nr 1485.

In zijn standaardwerk “Middeleeuwse kastelen in Zeeland” schrijft van den Broecke: “Over vorm, bouwontwikkeling en indeling van het kasteel zijn de gegevens schaars. De afbeeldingen die er nog van bestaan, laten een gebouwenkomplex zien, rechthoekig van vorm en gegroepeerd rond een rechthoekige binnenplaats. Vermoedelijk werd één zijde van die binnenplaats voor een deel door een muur begrensd. Via een houten brug bereikte men een poortgebouw, dat bekroond werd door twee arkeltorentjes. Zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen grensden aan de binnenplaats. Het geheel werd verfraaid door twee hoektorens en een kortere toren op het dak van de zuidelijke vleugel. Onder het gebouw moet een omvangrijk keldersysteem hebben gelegen, terwijl het gebouwenkomplex door een slotgracht was omgeven. Het kasteel lag in een park, met aan de oostelijke zijde ervan een siertuin waarin vermoedelijk een slotkapel stond. In zijn kroniek van Zeeland vermeldt Smallegange dat het kasteel "heerlijk was vercierd". Het bezat voorts "ongemeen schone hoven, tuijnen en plantagiën, met grachten en vijvers rondsom".In de Tegenwoordige staat van Zeeland wordt slechts vermeld dat het kasteel een vierkante voorhof bezat en van ruime zalen en vertrekken was voorzien.

Naar het schijnt heeft Robert van Schilperoort op het eind van de zeventiende eeuw zowel het kasteel als het park en de tuinen laten herstellen en verfraaien.”63

63

Van den Broecke 1978: 223

38

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Uit ongeveer dezelfde periode als afbeelding 16 bestaat er een plattegrond van het kasteel opgesteld door Hildernisse in 1694 (afbeelding 17). Deze plattegrond laat zien dat het kasteel inderdaad een vierkant grondplan kent met de hoofgebouwen ten noorden van de open binnenplaats. De gebouwen aan de oostelijke en westelijke zijde zijn minder omvangrijk en langs de zuidelijke zijde lijkt slechts sprake van een langgerekte smal gebouw. In het grondplan is slechts één als dusdanig herkenbare (achthoekige) toren te zien, in het zuidwesten van het kasteel. Langs de oostelijke zijde is een tweede toren aanwezig die echter slechts voor de helft een achthoekig grondplan vertoond en over gaat in een achterliggende rechthoekig gebouw. Een buitaanzicht van dezelfde hand laat het kasteel van de oostelijke zijde in een ietwat uitgetrokken perspectief zien (niet afgebeeld, betreft: Zelandia Illustrata, deel II, nr. 1484). Net als op afbeelding 16 zijn alle gebouwen voorzien van daken en het langgerekte smalle gebouw langs de zuidelijke zijde is voorzien van meerdere brede deurdoorgangen. Duidelijk mag zijn dat, mocht dit eerder al het geval zijn geweest, het geheel na de verbouwingen in de 17e eeuw geen merkbaar defensieve structuur meer vormde.

Afbeelding 17 Platte Grond van 't Huis te Werf, te Nerf of s' Heer Hendriksburg, na. Jc. Hildernisse. 1694. De plattegrond is oostgericht. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, deel II, nr 1483

39

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

De kaart van Hattinga uit circa 1744 toont de situatie van de regio in de 18e eeuw (zie afbeelding 18). Ook op deze kaart is het plangebied slechts bij benadering te projecteren. Uit de projectie blijkt dat het plangebied gelegen is in de Heerlykheid van ‘s Heer Henderiks Kinderen. Het uiterste oosten van het plangebied valt bij deze projectie binnen de Jurisdictie van Goes, dit is echter het gevolg van de afwijking in de kaart en projectie en strookt niet met de realiteit. Het uiterste westen van het plangebied valt deels samen met het op deze kaart opnieuw aangegeven kasteel Huis te Werve (niet als dusdanig benoemd, maar herkenbaar aan zijn vierkant grondplan). ‘s Heer Henderiks Kinderen staat op deze kaart afgebeeld als ringdorp, waarbij de kerk zich buiten (ten oosten van) de ring bevindt.

Afbeelding 18 Globale ligging van het plangebied (lichtblauw) op een uitsnede van de Kaarte van het Westelyk Gedeelte van Zuydbeveland door D.W.C. Hattinga uit 1747‐1748. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr 125.

Nadat het veengebied in de Poel grotendeels uitgeput raakt krimpen veel poeldorpen of verdwijnen ze zelfs geheel. Ook ’s‐Heer Hendrikskinderen ondergaat een krimp. Zo had dorp in 1750 nog 28 huizen en een eeuw later nog slechts 23. Ook het kasteel verliest in de loop van de 18e eeuw zijn belang en zal omstreeks 1766, nadat de laatste bewoner is overleden, als herberg gaan fungeren. Op het einde van de 18e‐begin 19e eeuw wordt het geheel dan ter afbraak verkocht. Hierbij wordt de koper opgedragen de bestaande muurwerken af te breken tot ten minste twee voet beneden de hoogte van de binnenplaats. Het afbraakpuin kon afgevoerd worden maar mocht ook in de kelders en gracht gestort worden.64

64 Hollestelle, 1986, 58‐60.

40

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

De situatie in de omgeving van het plangebied in de eerste helft van de 19e eeuw is te zien op het Minuutplan van de Kadastrale Kaart uit de periode tussen 1811 en 1832 (afbeelding 19). De kadastrale kaart had tot doel grondbelasting te kunnen heffen op grondbezit en gebouwen. Deze kaart geeft dan ook de omvang van de aanwezige gebouwen en de grenzen van de verschillende percelen weer. De daadwerkelijk fysieke inrichtingen van de percelen en perceelsgrenzen (greppel, houtwal… of helemaal geen afbakening) is op deze kaarten niet aangegeven.

Afbeelding 19 Projectie van het plangebied op het Minuutplan van de Kadastrale Kaart uit 1811‐1832. De locatie van het plangebied is met een lichtblauw kader aangegeven. Schaal 1:5.000. Bron: Geoloket Provincie Zeeland/ CHS.

Op het Minuutplan van de Kadastrale Kaart is te zien dat het plangebied met meerdere percelen gedeeltelijk overlapt. Het is gelegen ten zuiden van de ’s Heeren Hendriks kinderschen Dijk en is gelegen in de Kerkhoek op het kaartblad Gemeente ’s Heeren Hendrikskinderen, Sectie B, de Poel. Volgens de OAT (Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel), die bij de Kadastrale Minuut hoort, zijn perceel nrs. 51, 53, 54, 61 en 62 in gebruik als bouwland. Nr. 52 betreft een rietveld, mogelijk is dit een laatste drassige restant van de voormalige kasteelgracht. De aanwezigheid van deze (mogelijke) voormalige gracht geeft aan dat het westen van het plangebied inderdaad ter plaatse van het kasteel Huis te Werve is gelegen, zoals eerder al uit de kaart door Hattinga bleek. Het is echter niet te bepalen of de op het minuutplan nog aangegeven gracht in dat geval de noordelijke dan wel de zuidelijke slotgracht betreft. Voor wat betreft de kern van ‘s ‐Heer Hendrikskinderen bevestigd het Minuutplan eveneens

41

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

het beeld uit de kaart door Hattinga (afbeelding 18). Ook hier is de kerk ten oosten van de dorpsring gelegen, maar wordt deze wel voorzien van een eigen omringende weg en vertoont de percelering een opvallende semi circulair plan, gevormd door het voormalige kerkhof rondom de kerk.

Afbeelding 20 Projectie van het plangebied op een uitsnede uit de Topografische Kaart van 1935. Schaal 1: 10.000. Bron: GISserver.

Afbeelding 21 Projectie van het plangebied op een uitsnede uit de Topografische Kaart van circa 1950. Schaal 1: 10.000. Bron GISserver.

De topografische militaire kaarten uit 1857, 1910 en 1916 (niet afgebeeld) geven een beeld dat gelijkaardig is aan het minuutplan. Op de topografische militaire kaart uit 1935 is de situatie ook nog steeds dezelfde (afbeelding 20) maar daarna wordt, voorafgaand aan 1950 (afbeelding 21) de weg op de ’s‐Heer Hendrikskinderendijk rechtgetrokken, de situatie binnen het plangebied blijft echter

42

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

onveranderd. Pas in de periode tussen 1968 en 1985 (afbeelding 22) wordt binnen het plangebied de huidige bebouwing en tuincentrum ontwikkeld. Het uiterste westen van het plangebied blijft onbebouwd maar wordt mogelijk wel verhard vanaf het begin van de 21e eeuw.

Afbeelding 22 Projectie van het plangebied op een uitsnede uit de Topografische Kaart van circa 1985. Schaal 1: 10.000. Bron GISserver.

2.3.3

Archeologische Gegevens

In deze paragraaf worden de bekende archeologische gegevens weergegeven die zich in de directe omgeving van het onderzoeksgebied bevinden. Hierbij is een straal van circa 500 m rondom het onderzoeksgebied gehanteerd. Alleen de archeologische onderzoeken en waarnemingen die relevante informatie met betrekking tot het opstellen van een specifiek archeologisch verwachtingsmodel opleveren worden nader besproken. De overige worden enkel opgesomd in de tabellen. Deze gegevens werden ontleend aan Archis, het ZAD en de gemeentelijke verwachtingskaart. Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen, daterend van de prehistorie tot de nieuwe tijd.

Archeologische Monumentenkaart (AMK) De AMK is een digitaal bestand van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland dat door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in samenwerking met de Provincie Zeeland is opgesteld. Op de kaart staan terreinen met archeologische status aangegeven (zie afbeelding 23). Statustoekenning vindt plaats nadat het terrein is getoetst aan een aantal door de RCE gehanteerde criteria: kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde. De AMK is opgenomen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. De AMK wordt echter sinds 2014 niet meer bijgehouden en heeft op zichzelf geen juridische status meer, enkel voor de beschermde archeologische monumenten is het RCE nog steeds bevoegd.

43

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Hoewel deze kaart geen juridische status meer heeft worden gegevens uit deze kaart toch in het bureauonderzoek opgenomen. Dit om een zo compleet mogelijk beeld te creëren. Op de AMK wordt ten zuidenwesten van het plangebied een archeologisch terrein weergegeven (monumentennummer 13.445. Dit betreft een terrein van hoge archeologische waarde, waarin de oude kern van ’s‐Heer Hendrikskinderen is opgenomen, met daarin bewoningssporen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd.

Afbeelding 23 Projectie van het plangebied op de Topografische Kaart van Nederland met aanduiding van onderzoeksmeldingen, vondstlocaties, AMK‐terreinen (gegevens ontleend aan Archis 3) en gemeentelijke vindplaatsen. Schaal 1:7.500. Bron: Esri/ Kadaster/ARCHIS3, 2019.

44

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Onderzoeken en vondsten In de onmiddellijke nabijheid en in de ruime omgeving van het plangebied zijn in het verleden verschillende onderzoeken uitgevoerd. Voor een overzicht van de overige in de omgeving (straat 500 m) uitgevoerde onderzoeken zie tabel 3 en afbeelding 23. Tabel 3 Overzicht onderzoeksmeldingen in de omgeving van het plangebied. Nr. 1

Onderzoeksmelding 2285564100

Uitvoerder SOB Research

Aard en resultaten onderzoek Bureauonderzoek met controleboringen (2010). Geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen waargenomen; geen vervolgonderzoek.

2

2348671100

SOB Research

Bureauonderzoek met controleboringen (2011). Geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen waargenomen; geen vervolgonderzoek.

3

2462313100

Artefact!

Bureauonderzoek kabeltracé Goes‐Neeltje Jans (Windpark Bouwdokken). Er geldt een hoge verwachting op de kreekrug Goes– ’s‐Heer Hendrikskinderen. Nog geen vervolgonderzoek gepland.

4

4013925100

Artefact!

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (2017). Uit het booronderzoek blijkt dat het toenmalig plangebied gelegen is op kreekrugafzettingen (geulafzettingen, Laagpakket van Walcheren). Deze zandige afzettingen zijn in de top verstoord als gevolg van het gebruik van het plangebied als boomgaard in het verleden. Op de top van de geulafzettingen, hier gelegen tussen 0,22 m +NAP en 0,51 m –NAP (0,75 – 1,20 m –mv), kunnen vindplaatsen uit de vroege en late middeleeuwen en nieuwe tijd gelegen zijn. Gelet op de in alle boringen vastgestelde verstoring van dit niveau geldt hiervoor slechts een lage verwachting. Er is geen vervolgonderzoek aanbevolen.

5

3978392100

Artefact!

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (2015). Op basis van het onderzoek kan gesteld worden dat binnen het plangebied een hoge verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen uit de vroege en late middeleeuwen, in het Laagpakket van Walcheren. Er is vervolgonderzoek aanbevolen bij verstoringen die dieper reiken dan 0,5 m ‐mv in het noordwestelijke deel van het plangebied en 1 m ‐mv voor het zuidoostelijke deel.

6

2216673100

SMA

Bureauonderzoek (2008). Inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen aanbevolen vanwege eventuele sporen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd op de het Laagpakket van Walcheren op geringe diepte onder het huidige maaiveld.

2216438100

SOB Research

Verkennend booronderzoek (2008). Geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen waargenomen; geen vervolgonderzoek aanbevolen.

2012999100

RAAP

Booronderzoek (2001). De vondsten betreffen alleen enkele laatmiddeleeuwse vondsten en de vulling van een sloot. Ier is zowel intact als geërodeerd Hollandveen aanwezig. Er is geen vervolgonderzoek aanbevolen.

7

45

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Nr. 8

Onderzoeksmelding 4572315100 4573230100

Uitvoerder Artefact!

Aard en resultaten onderzoek Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (2017) op twee locaties binnen de kern van ’s‐Heer Hendrikskinderen. Deelgebied A betreft de Oude Rijksweg en deelgebied B de Frank van Borsselenstraat. Op basis van het onderzoek kan gesteld worden dat binnen deelgebied A een middelhoge verwachting bestaat op het aantreffen van archeologische vindplaatsen, meer specifiek oudere fasen van de Oude Rijksweg. Resten van bebouwing worden niet verwacht binnen dit deelgebied. Slechts in één boring, gelegen net naast de Oude Rijksweg, is een laag aangeboord wat mogelijk een restant van een oud wegdek kan zijn. Gezien de ligging van deze boring kan deze laag ook mogelijk een demplaag van een oude bermsloot zijn of resten van een sloop uit de directe omgeving. Hierdoor wordt vervolgonderzoek geadviseerd voor deelgebied A. Voor deelgebied B geldt een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden die in verband kunnen worden gebracht met het kasteel te Werve. Tevens kunnen aan de zuidzijde resten worden aangetroffen van laat middeleeuwse en/of nieuwe tijdse bebouwing, weergegeven op de kaart door van Deventer. Op basis van het booronderzoek kunnen resten worden aangetroffen vanaf circa 0,6 m ‐mv (0,24 m ‐ NAP). Er wordt dan ook vervolgonderzoek geadviseerd voor deelgebied B.

9

2432895100

SOB Research

Archeologisch booronderzoek (IVO‐O) (2014). Ophooglagen aangetroffen boven diep reikende geulafzettingen (Laagpakket van Walcheren) met daarin puinbrokjes, mortelspikkels en houtskoolspikkels uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd. Er is vervolgonderzoek aanbevolen.

2454668100

SOB Research

Archeologische begeleiding n.a.v. booronderzoek (zie hierboven) bij de aanleg van riolering. Tijdens het onderzoek zijn meerdere puinsporen vastgesteld. Mogelijk is ook de fundering van het voormalige poortgebouw van het kasteel te Werve aangetroffen.65

10

2324946100

SOB Research

Bureauonderzoek met verkennende boringen (2011). Er is een mogelijke vindplaats uit de late middeleeuwen aangetroffen. In de boringen zijn een puinlaag en ophooglagen van moerneringsklei waargenomen. Er is vervolgonderzoek (AB) geadviseerd indien behoud in situ niet mogelijk is.

11

2392192100

Grontmij

Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (2012). Er geldt een hoge verwachting voor de bovenzijde van het Hollandveen. Er werden verder geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen waargenomen. Er is geen vervolgonderzoek aanbevolen.

Binnen het plangebied zijn in het verleden nog geen vondsten gedaan die gemeld werden in Archis. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende archeologische vondsten gedaan uit late middeleeuwen en nieuwe tijd, zie tabel 4, afbeelding 23. Tabel 4 Overzicht van de vondstlocaties in de omgeving van het plangebied. Nr.

Vondstlocaties

Datering

Aard van de vondsten

12

1088363

LMEB

30 cm dikke cultuurlaag met baksteenfragmenten, waargenomen bij rioleringswerkzaamheden in 2000 (SCEZ) op een diepte van 0,7 m ‐mv. Tevens werden op een diepte van 0,5 m ‐mv donkere verkleuringen waargenomen, opgevuld met baksteenpuin en grind. Mogelijk behoren deze sporen tot aan een 15e‐eeuwse boerderij. Is tevens een

65 Voor een weergave van deze poort zie rechts op afbeelding 16.

46

ARTEFACT! RAPPORT 443

13

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

gemeentelijke vindplaats. Resten van te Werve, het kasteel uit de 16e‐19e eeuw. Hier zijn in 1963 funderingen en enkele fragmenten aardewerk en glas aangetroffen. Is tevens een gemeentelijke vindplaats.

1028532

LMEB‐NTC

1064154

LMEB‐NTC

Locatie van voormalig kasteel te Werve, ook bekend onder de naam 's‐ Heer Hendriksburg, gesticht eind 13e eeuw door de Heren van Schenge, gebouwd als opvolger van een zuidelijker gelegen werf (later bekend als de Poelberg). De middeleeuwse grondvorm was die van een vierkant kasteel met dikke muren. Na 1689 is het slot in een buitenplaats veranderd. Later was het voormalige kasteel in gebruik als herberg. Het werd in 1803 voor afbraak verkocht. Bij een archeologische waarneming in 1964 (ROB) legde men een deel van de slotgracht, van de oostelijke buitenmuur en van een fundering aan de overzijde van de gracht vast.

14

1145258

LMEB‐NT

Melding van de resultaten van de archeologische begeleiding onderzoeksmelding 2454668100 (nr. 9 tabel 3). Er is een bodemopbouw aangetroffen met recente ophooglagen/ bodemverstoringen (uit de 20e eeuw), ten dele op oude ophooglagen (uit de periode van de 16e eeuw t/m het begin van de 20e eeuw), op geulafzettingen. Er konden drie oudere ophooglagen worden onderscheiden, die op basis van vondstmateriaal zijn gedateerd in respectievelijk de 19e/ begin 20e eeuw, de 17e eeuw en de 16e eeuw. Er zijn bij het onderzoek 14 archeologische sporen aangetroffen. Deze sporen zijn merendeels gerelateerd aan de aanwezigheid van de Oude Rijksweg en de voorgangers van deze weg. De belangrijkste vondst betreft de resten van de voormalige poort van kasteel te Werve (Spoor nr. 5). In de sporen en ophooglagen zijn ook archeologische vondsten aangetroffen: aardewerkfragmenten, baksteen(‐fragmenten), dierlijk bot, metaal en natuursteen. Doordat de archeologische begeleiding gebeurde in een zeer smalle rioolsleuf, kon slechts een fragmentarisch en incompleet beeld van de hier aanwezige archeologische resten worden verkregen.

15

1030156

LME

Kerk van ’s‐Heer Hendrikskinderen, met kerkhof. Op basis van baksteenmonsters daterend uit de late middeleeuwen.

16

1095048

LME ‐NT

Puinlaag van Zeeuwse moppen op ophooglagen van opgebrachte moerneringsklei met tamelijk veel fosfaatresten. Aangetroffen bij een booronderzoek 2324946100 (nr. 10 tabel 3).

17

1064153

LMEB

Kasteelberg ten zuidoosten van de kerk van 's‐Heer Hendrikskinderen, ongeveer ten zuiden van de T‐kruising van de huidige Jan van Brabantstraat en Zwanenburg. Bewoning waarschijnlijk vroeger dan de stichting van de parochie (voor 1216). De afgraving van de vliedberg (Poelberg geheten) geschiedde in 1875; men vond er toen niets bijzonders. Is tevens een gemeentelijke vindplaats.

18

1148451

LME‐NT

Melding op basis van onderzoek 4573230100, nr. 8 tabel 3). In vrijwel alle boringen is een antropogene laag vastgesteld tussen de bouwvoor en de natuurlijke top van het Laagpakket van Walcheren. Op basis van het booronderzoek kon niet worden vastgesteld of deze laag een opgebrachte laag of cultuurlaag betreft. In de meeste boringen zijn in deze laag puinbrokjes aanwezig. In deelgebied A is in één boring een puinlaag vastgesteld, waarvan de herkomst onduidelijk is. Mogelijk betreft het een restant van een ouder wegdek, een vulling van een oude bermsloot of afkomstig van de sloop van een gebouw van het nabijgelegen perceel. In deelgebied B zijn in boring 8 op verschillende dieptes humeuze lagen aangetroffen.

47

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD), gemeentelijke vindplaatsen en cultuurhistorische waarden Navraag bij het ZAD heeft geen extra informatie opgeleverd.66 In de nabije omgeving van het plangebied staan op de gemeentelijke beleidsadvieskaart van Goes drie gemeentelijke vindplaatsen weergegeven (roze gearceerd op afbeelding 23). Dit betreft drie vindplaatsen die ook in Archis zijn opgenomen. Namelijk de locatie van de vondst van sporen die mogelijk toe te schrijven zijn aan een 15e‐eeuwse boerderij (nr. 12 tabel 4) en de locaties van het voormalige kasteel Huis te Werve (nr. 13 tabel 4) en de kasteelberg (motte) ten zuiden van de kerk (nr. 17 tabel 4). Op de provinciale kaart met cultuurhistorische waarden 67 word de oorspronkelijke kern van ’s‐Heer Hendrikskinderen als een ringdorp weergegeven.

Recent gebruik: verstoringen en lucht‐ en satellietfoto’s In het kader van het bureauonderzoek zijn lucht‐ en satellietfoto’s geraadpleegd uit 1944, 1959, 1970, 2003, 2005, 2007 tot en met 2017. De luchtfoto uit 1944 (afbeelding 24) levert in aanvulling op de historische kaarten uit hoofdstuk 2.3.2 de informatie dat het plangebied op dat tijdstip gebruikt wordt om bomen en planten te kweken. In 1959 (afbeelding 25) is het gebied dan weer in gebruik als landbouwgrond. Als nadien het plangebied als tuincentrum ontwikkeld wordt, word het westen van het plangebied even opnieuw als boomkwekerij gebruikt (foto uit 1970, zie afbeelding 26). Vanaf 2003 is de situatie gelijk aan de huidige situatie. Door de aanwezigheid van en winkelpand en verharding lenen de beelden vanaf de 21e eeuw zich niet tot een nader onderzoek naar aanwijzingen van ondergrondse archeologische resten in de vorm van soil‐ of cropmarks.

Afbeelding 24

Projectie van het plangebied op een luchtfoto uit 1944. Bron: WUR.

66 Mailcorrespondentie met de heer H. Jongepier (ZAD/EZ). 67 Raadpleegbaar via het Geoloket van de provincie Zeeland.

48

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Afbeelding 25

Projectie van het plangebied op een luchtfoto uit 1959. Bron Geoloket provincie Zeeland.

Afbeelding 26

Projectie van het plangebied op een luchtfoto uit 1970. Bron Geoloket provincie Zeeland.

Volgens de gegevens van het Kabel en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) bevindt zich in het plangebied enkele kabels en leidingen. Dit betreft allemaal huisaansluitingen. In het bodemloket worden geen bekende bodemvervuilingen of uitgevoerde saneringen binnen het plangebied weergegeven. Plaatselijk zal de bovenzijde van de bodem verstoord zijn door de aanleg van de het bestaande winkelpand, de huidige verharding en het gebruik als boomkwekerij in het verleden.

49

ARTEFACT! RAPPORT 443

2.4

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Archeologisch verwachtingsmodel

Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Bij het opstellen van de archeologische verwachting is de te verwachten geologische situatie binnen het plangebied van groot belang. De beschikbare geologische informatie doet vermoeden dat binnen het plangebied geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig zijn en dat deze geulafzettingen het Hollandveen Laagpakket en Laagpakket van Wormer weg geërodeerd hebben. Deze gegevens laten toe te besluiten dat ter plaatse van het plangebied uitsluitend vindplaatsen kunnen worden aangetroffen uit de middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Voor de middeleeuwen is de verwachting op het aantreffen van vindplaatsen op en langs de inversierug in principe hoog. Het is bekend dat de oeverzones van inbraakgeulen geprefereerde vestigingsplekken waren voor bewoning uit de middeleeuwen (vanaf de 10e eeuw). Volgens historische bronnen zou ’s‐Heer Hendrikskinderen rond 1200 ten zuidwesten van het plangebied gesticht zijn. Dat is op enige afstand van het plangebied. Daarnaast zijn bij de eerdere onderzoeken onmiddellijk grenzend aan het plangebied nog geen archeologische resten vastgesteld.

Om die reden wordt voor het oostelijke deel van het plangebied slechts een middelhoge verwachting voor de middeleeuwen en nieuwe tijd aangehouden. Voor het westelijke deel van het plangebied geldt echter een hoge verwachting op het voorkomen van resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd. Dit deel van het plangebied is immers gesitueerd in de onmiddellijke omgeving van het, in oorsprong middeleeuwse kasteel Huis te Werve. De oorsprong van het kasteel ligt wellicht in de 13e eeuw en het is in gebruik gebleven tot het einde van de 18e eeuw. De exacte contouren, omvang en ligging zijn niet bekend. Met name over de pre‐ 17de eeuwse situatie is immers geen informatie voorhanden. Uit historische bronnen is bekend dat het 13e eeuwse kasteel in de loop van de 17e eeuw gemoderniseerd is. Het is onbekend in welke mate hierbij ook het grondplan van het kasteel is aangepast, al lijkt dat beperkt te zijn gezien de vorm van het grondplan. Van het 17de eeuwse kasteel zijn de plattegrond en een (mogelijk deels geromantiseerd) aanzicht bekend. Daarop is ook te zien dat het kasteel omgracht is. Op ouder kaartmateriaal wordt geen gracht weergegeven, hoewel zou verwacht worden dat deze toch aanwezig moet zijn geweest. Het omringende park (met moestuin, siertuin met slotkapel en boomgaarden) is bij de omvorming van het terrein tot buitenplaats in de 17de eeuw aangelegd.

Op basis van het bureauonderzoek is echter niet met zekerheid te stellen of het hoofdgebouw en centrale deel van het kasteelterrein binnen het huidige plangebied is gesitueerd of net ten zuiden ervan. Projectie van ouder kaartmateriaal laat veronderstellen dat het kasteel binnen het westelijke deel van het plangebied kan gesitueerd worden. Door de schaalvastheid van de kaarten en het beperkt aantal referentiepunten is dit echter niet met grote stelligheid te beweren. De eerste kaart die met grote nauwkeurigheid, schaalvastheid en mate van detail is ingemeten, en ook te projecteren, is de kadastrale minuutkaart uit 1830. Daarop is het kasteel(terrein) echter niet meer afgebeeld of aan de perceelsvormen met zekerheid te herkennen. Aan de zuidelijke rand komt een klein perceel (nr. 52) voor dat als nat rietland staat omschreven en mogelijk het restant van de voormalige kasteelgracht vormt. Het is echter niet duidelijk of dit dan de zuidelijke of noordelijke gracht betreft. Een archeologische waarneming die door de ROB in 1964 werd gedaan bij de aanleg van de Jacoba van Beierenstraat maakt melding van een deel van de slotgracht, van de oostelijke buitenmuur en van

50

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

een fundering aan de overzijde van de gracht. De coördinaten van deze waarneming zijn wellicht niet exact maar toch voldoende precies om te veronderstellen dat het kasteel dus ten zuiden van het plangebied ligt en perceel 52 op de kadastrale kaart uit 1830 vermoedelijk het restant van de noordelijke gracht betreft. Dit lijkt ook te worden bevestigd door de resultaten van een Archeologische Begeleiding die in 2014 door SOB werd uitgevoerd bij de heraanleg van de riolering in de Ruychrockstraat68. Op het kruispunt met de Oude Rijksweg werd een bakstenen fundering aangetroffen op een diepte van circa 1,50 m‐NAP die geïnterpreteerd werd als de fundering van de toegangspoort van het Huis te Werve. Bovenstaande argumenten in overweging nemend lijkt het aannemelijk te veronderstellen dat het kasteel zich net ten zuiden van het huidige plangebied heeft bevonden. Het plangebied zou dan gesitueerd worden ter plaatse van de voormalige (park)boomgaard tussen het kasteel en de polderdijk. Het is echter niet uit te sluiten dat zich in dit gebied, direct grenzend aan het kasteel, archeologische resten bevinden die kunnen gerelateerd worden aan (bij)gebouwen en landschapsinrichting behorende bij de 17de eeuwse buitenplaats/kasteel.

Bovendien kan niet worden uitgesloten dat binnen het plangebied archeologische resten voorkomen die in relatie staan tot de middeleeuwse voorganger van het kasteel, denk daarbij aan landgebruik, boerderijen, bijgebouwen, e.d.m. Complexen die binnen het plangebied aangetroffen kunnen worden zijn nederzettingsterreinen: terpen, hofsteden en huizen (zowel houtbouw als baksteenbouw), afvalputten (beerputten), waterputten, gebruiksmateriaal zoals dierlijk bot, glas, metaal en natuursteen. Daarnaast kunnen resten worden aangetroffen van infrastructuur, bijvoorbeeld resten van wegen en/of bermsloten. In het westen van het plangebied kunnen grachten, funderingen, afvallagen en ophooglagen aangetroffen worden die aan het hier voormalig gelegen kasteel en diens landschapstuinen kunnen worden toegeschreven.

68

Kasbergen 2017

51

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

3

Inventariserend veldonderzoek

3.1

Doel en methode

Bij het inventariserend veldonderzoek wordt een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase. De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Een eenvoudige terreininspectie, maar ook geo‐archeologisch booronderzoek behoren tot de middelen. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Tevens kunnen aanvullende methoden worden ingezet om ontbrekende informatie, ten behoeve van een waardestelling, te verzamelen. Bij de keuze voor de uitvoering van het inventariserend veldonderzoek dient altijd de minst destructieve methode te worden gekozen om aantasting van de waarden vóór een eventueel besluit tot beschermen of opgraven, tot een minimum te beperken. Booronderzoek en proefsleuvenonderzoek zijn op dit moment de enige karterende methoden voor het opsporen van (niet zichtbare) sites buiten de historische kern die breed inzetbaar zijn.

Booronderzoek is een geschikte prospectietechniek voor het opsporen van sites die zich kenmerken door een archeologische laag of een vondststrooiing met een voldoende hoge dichtheid. Indien een op te sporen site zich kenmerkt door een lage vondstdichtheid (< 40 vondsten/m²), is booronderzoek minder geschikt. Booronderzoek maakt het verder mogelijk de diepteligging, de dikte en de stratigrafische positie van de archeologische laag of lagen te bepalen. Daarnaast is booronderzoek een betrouwbare methode om de mate van antropogene verstoring en/of natuurlijke bodemerosie van het te onderzoeken gebied, te kunnen bepalen. In beide gevallen kunnen archeologische sporen geheel of gedeeltelijk verdwenen zijn. Proefsleuvenonderzoek is bij lage vondstdichtheden en een grondsporenniveau effectiever in het opsporen van sites dan booronderzoek. Sites met een lage vondstdichtheid maar zonder een grondsporenniveau kunnen het best opgespoord worden door het (handmatig) graven van testputten. Voor onderhavig onderzoek is gekozen voor het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen zoals dit in de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland beschreven staat.

Het veldonderzoek had tot doel om middels controleboringen (verkennende boringen) het, op basis van voorgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel te toetsen.69 Het onderzoek is uitgevoerd conform de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland en de eisen gesteld in de opdrachtaanvraag. Conform de provinciale richtlijnen dienen bij vooronderzoek 8 boringen per hectare te worden uitgevoerd, met een minimum van 4 boringen voor plangebieden kleiner dan 0,5 hectare. Dit betekent dat tijdens het veldonderzoek 10 boringen moeten worden gezet. 69 KNA Versie 4.0: Protocol 4003.

53

ARTEFACT! RAPPORT 443

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Afbeelding 27 Overzicht van de uitgevoerde verkennende boringen. Schaal 1:2.000. Bron ondergrond: Bron: Esri/ Kadaster, 2019

De boringen zijn ingemeten door middel van een dGPS met een maximale horizontale en verticale afwijking van 2 cm. Voor een boorpuntenkaart binnen de huidige topografie wordt verwezen naar afbeelding 28. De maximale diepte van de boringen bedraagt 3 m – mv (3,04 m –NAP). Tot circa 1 meter –mv is geboord met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm, er is verder verdiept met een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn bodemkundig beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Het opgeboorde materiaal is in het veld visueel gecontroleerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Het kalkgehalte van de verschillende bodemniveaus is vastgesteld door bedruppelen van het boormonster met een HCL‐oplossing. Het nemen van grondmonsters behoorde, gezien de (verkennende) fase waarin het onderzoek zich bevond, niet tot de opdracht. De boorstaten zijn te vinden in Bijlage 2. Het uitvoeren van een oppervlaktekartering bleek omwille van de terreingesteldheid (verharding en bebouwing) niet mogelijk.

54

ARTEFACT! RAPPORT 443

3.2

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

Resultaten

De maaiveldhoogte in het onderzoeksgebied varieert tussen 0,71 m +NAP en 0,04 m ‐NAP. De onderzijde van het geologisch profiel wordt in alle boringen70 gevormd door afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Dit betreft geulafzettingen bestaande uit matig tot sterk siltig zand (met onderin veelal kleibandjes) en klei (met onderin zandlaagjes) waarbij het onderscheid tussen beide pakketten vaak zeer vaag is. Zowel de klei‐ als de zandafzettingen zijn kalkrijk en bevatten veelal schelpengruis en fragmenten van schelpen. De onderzijde van het Laagpakket van Walcheren kon in de boringen niet binnen de maximale boordiepte vastgesteld worden. De bovenzijde van het onverstoorde pakket is aangetroffen op een diepte tussen 1 en 1,25 m ‐mv (0,54 en 1,29 m ‐NAP). Er werden, conform de verwachting, binnen de maximale boordiepte van 3 m – mv (3,04 m –NAP) geen resten van het Hollandveen of afzettingen van het Laagpakket van Wormer aangetroffen. Bovenop het Laagpakket van Walcheren is in elke boring een pakket van (blauw)grijze sterk siltige klei en/of zand aangetroffen dat telkens puinresten, wat grind en kleibrokken bevat. In boring nr. 5 is in dit pakket op een diepte van 0,7 m ‐mv (0,6 m ‐NAP) ondoordringbaar baksteen(puin) aangetroffen.

Dit pakket is telkens verstikt doordat het afgedekt is met bestrating, hierdoor is alle nuance van kleur verdwenen in een blauwgrijs tot grijs pakket. Een datering en nauwkeurige interpretatie van dit pakket is op basis van een booronderzoek niet te bepalen. Mogelijk betreft het hier een ophoog‐ of leeflaag. Gelet op de ligging nabij het historische Huis te Werve is niet uit te sluiten dat het aangetroffen niveau met deze historische element in verband te brengen is. De bovenzijde van de boorprofielen bestaat in het volledige plangebied uit een pakket opgebrachte grond. Dit pakket, plaatselijk afgedekt met tegels en platen, loopt door tot een diepte tussen 0,35 en 0,5 m ‐mv.

70 Met uitzondering van boring nr. 5, zie verder.

55

ARTEFACT! RAPPORT 443

4

Conclusie en Advies

4.1

Conclusie

’s‐HEER HENDRIKSKINDEREN NIEUWE RIJKSWEG 2C‐2D

In het kader van het nieuw op te stellen bestemmingsplan werd een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. Op basis van het bureauonderzoek kan gesteld worden dat binnen het plangebied een middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van archeologische vindplaatsen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd, met name op nederzettingsterreinen die al dan niet in relatie staan tot het voormalige kasteel Huis te Werve. Binnen het westelijke deel van het plangebied wordt de verwachting op het voorkomen van archeologische waarden die een relatie hebben met het voormalige kasteel zelfs hoog geacht. Het gaat daarbij wellicht niet om resten van het eigenlijke kasteel maar wel de (rand van de noordelijke) kasteelgracht, bijgebouwen, voorzieningsgebouwen zoals boerderijen en elementen die te maken hebben met de landschapstuin uit de late 17de eeuw. Op de bekende afbeeldingen waar de 17de eeuwse buitenplaats worden afgebeeld zijn ter hoogte van het plangebied geen gebouwen te ontwaren maar deze afbeeldingen kunnen geenszins als volledig en waarheidsgetrouw worden beschouwd, zeker niet voor de middeleeuwse fase van kasteel(terrein). Op basis van de bodemgesteldheid kunnen vindplaatsen uit perioden ouder dan de middeleeuwen worden uitgesloten.

Het verwachtingsmodel werd getoetst door het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van 10 verkennende boringen. De resultaten van dit booronderzoek laten toe het eerder opgestelde verwachtingsmodel (deels) te bevestigen. Binnen het plangebied komen diepreikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren voor waardoor het onderliggende veenpakket en de oude getijdenafzettingen zijn weg geërodeerd. Er geldt dan ook geen verwachting meer op het voorkomen van archeologische vindplaatsen uit het neolithicum (Laagpakket van Wormer) tot en met de Romeinse tijd (Hollandveen). Onder een pakket opgebrachte grond met een dikte tussen 0,35 en 0,5 meter werden in alle boringen een antropogeen doorwerkte (of opgebrachte) laag aangetroffen die telkens puinresten, wat grind en kleibrokken bevat. In boring 5 is in dit pakket op een diepte van 0,7 m ‐mv (0,6 m ‐NAP) zelfs ondoordringbaar baksteen(puin) aangetroffen. Hoewel dit op basis van het booronderzoek niet met zekerheid valt te stellen betreft het mogelijk een ophoog‐ of leeflaag. Gelet op de ligging, grenzend aan het kasteel Huis te Werve, kan niet worden uitgesloten dat binnen het plangebied archeologisch waardevolle vindplaatsen uit de late middeleeuwen of nieuwe tijd aanwezig zijn, die mogelijk aan het kasteelterrein (en misschien met name aan de middeleeuwse fase) kunnen zijn verbonden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10900074/1