2026-017 Definitief Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
Tekst van het document
Dit vanwege de benodigde omvang of door eisen aan de ligging. Denk daarbij aan veiligheidsrisico’s voor munitieopslag of eisen aan de ligging voor stedelijke en amfibische oefengebieden.
Zie Kamerstuk 36 592, nr. 35, vergaderjaar 2024-2025, Tweede Kamer en Kamerstuk 36 592, nr. 37, vergaderjaar 2024-2025, Tweede Kamer. 6
Pagina 26 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
Defensie heeft gekozen voor een nationaal programma, zodat de ruimtelijke behoeften van Defensie zoveel mogelijk zowel in onderlinge samenhang als in samenhang met andere nationale en regionale opgaven worden afgewogen. In september 2025 is de ontwerp Nota Ruimte uitgekomen. De Nota Ruimte dient ter vervanging van de NOVI en geeft op nationaal niveau richting aan de ruimtelijke ordening binnen Nederland. Het NPRD is in de ontwerp Nota Ruimte opgenomen. De ruimtelijke plannen van Defensie zijn daarmee integraal onderdeel van de ontwerp Nota Ruimte. Op deze wijze zal het NPRD naar verwachting deel uitmaken van de nieuwe nationale visie op de ruimte binnen Nederland. In de loop van 2026 zal de definitieve Nota Ruimte worden gepubliceerd. 7.2
Meekoppelen waar mogelijk, oplossen waar nodig Defensie zoekt bij de afweging van haar ruimtelijke opgaven naar koppelkansen met andere ruimtelijke opgaven en met het creëren van vitaliteit in de regio, zoals via werkgelegenheid. In de afweging met die andere opgaven neemt Defensie de ontwikkelprincipes uit de NOVI en het ontwerp Nota Ruimte als uitgangspunt, namelijk: • • •
7.2.1
Recht doen aan volgende generaties: niet afwentelen Recht doen aan schaarste: combineren waar mogelijk Recht doen aan eigenheid
Recht doen aan volgende generaties: niet afwentelen Problemen dienen opgelost en niet vooruitgeschoven te worden. Dit uitgangspunt betekent dat Defensie problemen niet af wil schuiven naar elders of naar toekomstige generaties en streeft naar een eerlijke verdeling van de lusten en lasten. Bij het uitwerken van de behoeften voor nieuw ruimtegebruik heeft Defensie kritisch gekeken naar ruimtelijke uitbreiding die binnen Nederland nodig is. Wat moet echt in Nederland gebeuren? Op dit moment benut Defensie de kansen tot militaire samenwerking en oefeningen in het buitenland maximaal en onderhoudt nauwe banden met bondgenoten. Door middel van internationale samenwerking kan Defensie haar hoofdtaken in mondiaal verband uitvoeren en kan de paraatheid van de krijgsmacht middels buitenlandse oefeningen op niveau worden gehouden. Ook wordt er op deze manier invulling gegeven aan taken en oefeningen waar in Nederland geen ruimte voor is. Maar niet alles kan naar het buitenland worden afgewenteld. Bij het stellen van de behoeften binnen het NPRD is kritisch gekeken wat er in Nederland moet en kan en wat er op bestaande defensielocaties mogelijk is. Om de hoofdtaken in Nederland naar behoren uit te voeren heeft Defensie, gezien het huidig dreigingsniveau, meer ruimte in Nederland nodig.
De huidige ruimtevraag die in het kader van het NPRD is opgesteld is daarom de minimale behoefte voor wat er in Nederland nodig is; zowel voor de paraatheid van de krijgsmacht als de verdediging van Nederland. Eventuele aangepaste (toekomstige) behoeften van de krijgsmacht in relatie tot het besteedbare budget voor Defensie – bijv. een verhoging of verlaging van de wettelijk vastgestelde NAVO-norm van 2% van het bbp – kan betekenen dat Defensie in de toekomst meer ruimte zoekt om behoeften te ontwikkelen. Ook in dat geval zal Defensie streven naar een goede verdeling van activiteiten over binnen- en buitenland. Het is voor een goede ruimtelijke inrichting wezenlijk dat die ruimtebehoefte ook binnen Nederland niet ondoordacht op andere functies afgewenteld wordt, zoals op landbouwgronden en natuur. Hoewel het niet altijd mogelijk is dit te voorkomen,
Pagina 27 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
heeft Defensie hier zoveel mogelijk rekening mee gehouden bij de bepaling tot voorkeurslocaties. Uitgaande van de locatiekeuzes in dit NPRD (zie hoofdstuk 8) zal een groot deel op bestaand defensieterrein gerealiseerd worden. Het overige ruimtebeslag zal gerealiseerd worden in gebieden met momenteel een andere functie dan voor Defensie bestemd. Het betreft dan voornamelijk agrarisch gronden (43,8%), natuur (50,9%) en een klein deel betreft bedrijventerrein (3,0%) of heeft een overige bestemming (2,6%). 7.2.2
Ook brengt een aantal behoeften indirect ruimtebeslag (veiligheidszones- of geluidcontouren) met zich mee. Waar mogelijk beperkt Defensie de impact hiervan op andere ruimtelijke ontwikkelingen. De realisatie van enkele behoeften op de voorkeurslocaties die in dit programma zijn aangewezen, hebben bereikbaarheidseffecten. Dit kan leiden tot de vraag om bestaande (spoor)weginfrastructuur aan te passen. In een Kamerbrief over infrastructuurinvesteringen is opgenomen dat de ministeries van Defensie en IenW bezien waar deze opgaven al een plek hebben of kunnen krijgen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Daar waar de MIRT-systematiek niet passend is, zal gezamenlijk worden gekeken naar de mogelijkheden voor tijdige ingebruikname van benodigde infrastructuur gelet op de noodzakelijke versterking van de krijgsmacht. 7
7.2.3
Recht doen aan schaarste: combineren waar mogelijk Ruimte is schaars en waardevol. Dit uitgangspunt betekent dat Defensie waar het kan naar mogelijkheden zoekt voor slimme functiecombinaties en naar efficiënt ruimtegebruik met behoud van ruimtelijke kwaliteit. Bij de bepaling van voorkeurslocaties heeft Defensie meervoudig ruimtegebruik zoveel mogelijk als uitgangspunt gehanteerd. Hierbij is zowel gekeken naar koppelingen met bestaande invullingen van een gebied als de opgaven van medeoverheden. Juist vanwege de schaarste is het belangrijk oog te hebben voor mogelijkheden om ruimtebeslag te combineren. Militaire oefenterreinen kunnen bijdragen aan andere maatschappelijke behoeften. Functiecombinatie draagt eraan bij dat het ruimtebeslag van Defensie, ook indirect door milieueffecten, efficiënt is. Waar mogelijk draagt Defensie bij aan andere functies, op de bestaande terreinen en bij de uitbreidingen. Ook in die gevallen heeft een zorgvuldige afweging plaatsgevonden. Zo is het aantal gehinderde woningen en bedrijven en het aantal woningen die eventueel gesloopt of aangepast zouden moeten worden, een zeer belangrijk criterium geweest bij de selectie van de voorkeurslocaties. Ook is goed afgewogen welke behoeften van Defensie op welke soorten van gronden het beste een plek kunnen krijgen.
Zo is goed gekeken naar mogelijkheden voor combinaties met natuur en is kritisch afgewogen op welke landbouwgronden bepaalde activiteiten een plek moeten krijgen. Ook is er oog geweest voor de uiteindelijke spreiding van activiteiten over Nederland. Defensie ziet daarom verschillende kansen voor functiecombinaties. Deze kansen worden met name gezien op het gebied van cultureel erfgoed, natuur en biodiversiteit, rekening houden met water en bodem, en energie en duurzaamheid. Cultureel erfgoed
7
Zie Kamerstuk 29 435, nr. 270, vergaderjaar 2024-2025, Tweede Kamer. Pagina 28 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
Cultureel erfgoed is onlosmakelijk vervlochten met de identiteit van Defensie. Het vertelt het verhaal van Defensie en verbindt Defensie met haar militairen, veteranen en de samenleving. Erfgoed bestaat niet alleen uit monumenten, ofwel gebouwd erfgoed. Het bestaat ook uit archeologie en landschappelijk, stedenbouwkundig en groen erfgoed. De veranderende veiligheidssituatie in de wereld vraagt om aanpassingen. Oefenen op een moderne manier verhoudt zich niet altijd goed tot het erfgoed van Defensie, en kan niet altijd met gebruikmaking van de bestaande gebouwen en (oefen)terreinen. Uitganspunt is dat militair erfgoed een militair gebruik heeft of in een andere functie bij kan dragen aan gebruik ten dienste van de taakstelling van Defensie. Voor uitbreiding van Defensie in het kader van het NPRD geldt dat er zoveel mogelijk rekening gehouden is met erfgoed. In het planMER is erfgoed dan ook als gebiedskenmerk meegenomen in het onderzoek. Op die manier is onderzocht op welke wijze uitbreiding van Defensie effect heeft op bestaand erfgoed. Defensie kijkt bijvoorbeeld hoe uitbreiding bij kan dragen aan opgaven voor erfgoed. Mogelijkheden van functiecombinatie is bijvoorbeeld het borgen van archeologisch erfgoed in veiligheidscontouren; zo kan archeologisch erfgoed onverstoord bewaard blijven.
Ook vindt Defensie het belangrijk dat aanwijzing en afstoting van monumenten plaatsvindt in samenspraak met betrokkenen en overheden, en geen impact heeft op de operationele paraatheid van Defensie. De grote aanpassingen die nodig zijn, bieden de gelegenheid om het vastgoed van Defensie in lijn te brengen en houden met de erfgoedwet en de omgevingswet. Om te zorgen voor een goede en zorgvuldige omgang met het erfgoed, wordt de Leidraad Afstoot Monumenten toegepast. Ook voert Defensie cultuurhistorische analyses uit op terreinen met grote ontwikkelingen en werken de departementen van Defensie en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) op het gebied van erfgoed nauw samen. Natuur en biodiversiteit Defensieterreinen bieden rust en ruimte aan de natuur. Defensie is van oudsher gewend in het beheer en gebruik zoveel mogelijk rekening te houden met de aanwezige natuur en die, waar mogelijk, te versterken. Door het militaire gebruik is op meerdere terreinen een unieke dynamiek ontstaan met voor Nederland bijzondere natuur. Ook zijn er bijzondere ecologische waarden aanwezig die niet in wetgeving zijn verankerd maar wel van belang zijn voor de algehele kwaliteit van de Nederlandse natuur. Hiermee is Defensie een van de grootste natuurbeheerders van Nederland. Defensie neemt de opgaven rondom natuur en biodiversiteit serieus en werkt hierin samen met betrokken overheden en partijen.
Met deze samenwerking voorkomt Defensie dat de – vaak minder optimale – staat van de natuur in Nederland een potentiele belemmering vormt voor militaire activiteiten en omgekeerd. Door bij te dragen aan natuurdoelen levert Defensie op haar eigen terreinen ook een bijdrage aan het oplossen van stikstofproblematiek. Om de stikstofproblematiek op te lossen is enerzijds emissiereductie nodig en anderzijds natuurherstel. Defensie kan een bijdrage leveren aan de natuurherstelopgave met herstelmaatregelen op eigen terrein. Omdat natuur goed samen gaat met defensieterreinen kan de natuur robuuster worden gemaakt door bij de uitbreiding van Defensie ook te kijken naar combinaties met en in natuur. Met name in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gaat een militaire bestemming goed samen met natuur.
Pagina 29 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
In lijn met de motie-Nordkamp/Heite 8 voert Defensie dan ook uitvoerige gesprekken met natuurorganisaties. Zo zijn o.a. de Waddenvereniging, het Omgevingsberaad Wadden, Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer bij het NPRD betrokken, waarbij er ook een intentieovereenkomst is gesloten met Staatsbosbeheer. Op advies van de Commissie MER is daarnaast verdiepend onderzoek uitgevoerd naar de effecten op natuur. Goede voorbeelden van de koppeling van uitbreiding met natuur zijn de behoeften voor opslaglocaties voor munitie. Voor zowel behoefte 2 (grootschalige munitieopslag) als 3 (munitieopslag voor snel-inzetbare-capaciteit) is gekeken naar mogelijke koppelingen met natuur. Het plaatsen van een munitiedepot leidt tot het aanwijzen van veiligheidscontouren om het depot heen. Binnen deze contouren gelden beperkingen voor activiteiten. Deze beperkingen vergroten de mogelijkheid voor de natuur om ongestoord te ontwikkelen, en bieden kansen om natuurnetwerken zoals het NNN beter te verbinden. Door op deze manier ruimte voor Defensie in te regelen, wordt ook ruimte voor natuur geboden. Duurzaamheid, energie en circulariteit Defensie moet altijd over voldoende energie beschikken. Defensie streeft daarom zoveel mogelijk naar energieonafhankelijkheid bij zowel de inzet als bedrijfsvoering. Ook voor de uitbreiding zet Defensie in op voldoende duurzame energie op nieuwe locaties.
In een recente kamerbrief is uiteengezet dat voor Defensie de focus op twee thema’s ligt: energiezekerheid en autonoom voortzettingsvermogen. Defensie blijft bijdragen aan de bestaande nationale klimaat- en duurzaamheidsopgaven, met hierbij een sterkere verbinding aan de gevechtskracht, waarbij de hoofdtaken van Defensie leidend zijn 9. Defensie heeft rekening gehouden met de verschillende nationale programma’s op het gebied van energie, zoals het Nationaal Programma Energiehoofdstructuur, het Nationaal Programma Regionale Energiestrategieën en het Nationaal Programma Aanlanding Wind op Zee. Bij het zoeken naar locatie-alternatieven heeft Defensie gebieden, die reeds bestemd waren voor de realisatie van windturbines, als uitsluitingscriterium meegenomen. Ook is bij de bovenregionale behoefte laagvlieggebieden helikopters rekening gehouden met windturbines, door een licht planologisch regime te kiezen, om meervoudig ruimtegebruik te faciliteren. Woningbouwopgave Bij de uitwerking van de ruimtebehoeften heeft Defensie rekening gehouden met de woningbouwopgave en -plannen. In het planMER-onderzoek is onderzocht in hoeverre de Woondeals, de NOVEX-verstedelijkingsstrategieën en lokale en regionale bouwplannen raken aan de behoeften binnen het NPRD.
Ook zijn de woningbouwopgave en de behoeften uit het NPRD onderwerp van afstemming geweest tussen Defensie en het ministerie van VRO bij het bepalen van de voorkeurslocaties. Agrarisch medegebruik Defensie zoekt zoveel mogelijk naar koppelkansen met andere functies, waaronder de landbouw. Om te kijken in hoeverre agrarisch medegebruik mogelijk is, werkt Defensie verder aan het opstellen van uitgangspunten voor dit beoogde
8 9
Zie Kamerstuk 36 592, nr. 28, vergaderjaar 2024-2025, Tweede Kamer. Zie Kamerstuk 36 592, nr. 52, vergaderjaar 2025-2026, Tweede Kamer. Pagina 30 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
medegebruik. Dit gebeurt om goed te kunnen oefenen en is ook in lijn met de motie-Diederik van Dijk c.s. en de motie-Heite c.s. 10 Zodra de uitgangspunten zijn vastgesteld, wordt dit verder besproken met agrarische koepelorganisaties om verdere uitgangspunten en het vervolgproces af te stemmen. Dit proces vindt grotendeels plaats na definitieve vaststelling van het NPRD. 7.2.4
Recht doen aan eigenheid Dit uitgangspunt betekent dat Defensie wil beschermen en benutten wat er is en nieuwe, onderscheidende ruimtelijke kwaliteit wil ontwikkelen. Defensie werkt aan lokaal passende oplossingen, die daar ook voor arbeidsplaatsen en vitaliteit zorgen. Voor de uitbreiding van activiteiten weegt Defensie gebiedskenmerken mee. Hierbij past Defensie, waar nodig, haar activiteiten aan bestaande gebiedskenmerken aan. Dat betekent dat Defensie aanwezige ruimtelijke kwaliteit benut en ontwikkelt en tegelijk bijdraagt om nieuwe en onderscheidende ruimtelijke kwaliteit te ontwikkelen. Defensie heeft hierbij oog voor verschillende gebiedsopgaven en werkt actief mee aan lokaal passende oplossingen. Defensie onderschrijft dat elke regio telt. Daarom is voor de uitbreiding van Defensie goed gekeken naar bijdragen voor de regio. Sociaal-economische ontwikkelingen zoals werkgelegenheid dragen bij aan de vitaliteit van gebieden. Dit is bijvoorbeeld het geval voor behoefte 1 (versterken en concentreren van ondersteunende eenheden). Bij het zoeken naar een voorkeurslocatie is daarom ook rekening gehouden met mogelijke koppelkansen voor werkgelegenheid.
Rekening houden met water en bodem Defensie houdt op haar terreinen rekening met de belasting van bodem en water en streeft, in samenwerking met andere overheden en terreinbeherende organisaties, naar gezonde bodems op al haar terreinen in 2050. Gezonde bodems zijn cruciaal voor het ontplooien van defensieactiviteiten. Daarnaast dragen gezonde bodems optimaal bij aan de sponswerking en doelen op het gebied van biodiversiteit, circulaire economie, klimaat (adaptatie en -mitigatie), een goede (grond)waterkwaliteit en voedselvoorziening. Duurzaam beheer van die bodems is noodzakelijk om ze bestand te houden tegen klimaateffecten als verdroging, koolstofdioxide op te slaan en stikstof vast te leggen. Defensie houdt bij de uitvoering van het NPRD rekening met de waterkwaliteit en de waterkwantiteit, met het oog op voorkomen van verslechtering van oppervlaktewater zoals bedoeld in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Voor de uitbreiding van activiteiten, zowel op bestaande als nieuwe locaties, is ‘rekening houden met water en bodem’ één van de selectiecriteria geweest waarom een bepaald gebied wel of niet geschikt is voor een bepaalde ruimtevraag. Uitgangspunt is: niet in zeer diepe polders, uiterwaarden of gebieden met te hoge grondwaterstand. Ook dient de bodemsoort en -situatie geschikt te zijn voor de beoogde defensieactiviteit.
Op basis van de gebieden die overblijven na deze analyses worden redelijkerwijs te beschouwen alternatieven onderzocht met een beoordelingskader waar de thema’s bodem, oppervlaktewater, grondwater en waterveiligheid deel van uitmaken. In de uiteindelijke weging spelen alle onderdelen uit het beoordelingskader een rol.
Zie Kamerstuk 36 592, nr. 35, vergaderjaar 2024-2025, Tweede Kamer en Kamerstuk 36 592, nr. 37, vergaderjaar 2024-2025, Tweede Kamer. 10
Pagina 31 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
7.3
Samengaan van belangen op provinciaal en regionaal niveau Eind 2022 is in het nationale ruimtelijke beleid een start gemaakt met het programma NOVEX. Doel is om in nauwe samenwerking met de provincies te komen tot een ruimtelijke vertaling van de nationale programma’s naar de provincies waarbij ook duidelijk zou worden wat ruimtelijk mogelijk en realiseerbaar is. De provincies hebben de ruimtelijke opgaven uit de nationale programma’s gecombineerd met de provinciale ruimtelijke opgaven en uitgewerkt tot ruimtelijke voorstellen. Defensie is na het uitbrengen van de NRD voor het NPRD actief gaan participeren in het NOVEX-traject. Dit heeft erin geresulteerd dat in provincies waarin dit aan de orde is, specifieke ruimtebehoeften van Defensie zijn uitgewerkt in relatie tot de andere ruimtelijke opgaven. Voorbeelden van ruimtelijke opgaven die in NOVEX-kader zijn afgestemd, zijn de verstedelijkingsopgaven in Noord-Brabant, Twente en De Peel, de voorgenomen defensieactiviteiten in Gelderland i.r.t. De Veluwe, amfibisch oefenen en HNS in Zuid-Holland. Het kabinet zal in het kader van het programma NOVEX zogeheten ruimtelijke arrangementen met de provincies afsluiten.
Doel hiervan is om vanuit nationaal (nationale programma’s en Nota Ruimte) en provinciale omgevingsvisies (POVI) het perspectief op ruimtelijk beleid onderling af te stemmen en zo bij te dragen aan de uitvoering van opgaven in een provincie. Relevante afspraken op het terrein van Defensie zullen worden opgenomen in deze arrangementen. Naast het NOVEX-traject zoekt Defensie ook, waar passend, naar mogelijkheden om bij de uitvoering van de behoeften regionale opgaven mee te nemen als koppelkans. Deze koppelkansen zullen met name in het bijbehorende participatietraject naar voren komen. Met het benutten van regionale koppelkansen geeft de uitbreiding van Defensie niet alleen een bijdrage aan nationale doelen, maar ook aan regionale ontwikkelingen. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de wens vanuit de Kamer om regionale opgaven bij de uitbreiding van Defensie te betrekken 11 Interferentie met andere belangen is ook onderdeel van het planMER. Om interferentie te voorkomen met lopende rijks-, regionale en lokale plannen op een bepaalde locatie heeft het planMER-onderzoek voor de verschillende locatiealternatieven deze plannen meegenomen in het onderzoek. Met deze informatie heeft Defensie met stakeholders kunnen afstemmen en een keuze kunnen maken tijdens de verschillende trechterrondes.
In het planMER is ondermeer gekeken naar de Woondeals, de NOVEX-verstedelijkingsstrategieën, provinciale en lokale woningbouwplannen, plannen voor duurzame energie-ontwikkeling, infrastructuur en natuurontwikkeling.
11
Zie Kamerstuk 36 592, nr. 39, vergaderjaar 2024-2025, Tweede Kamer Pagina 32 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
8
Aangewezen locaties voor uitbreiding
Voor de uitbreiding van militaire activiteiten die in Nederland nodig zijn, en die niet op bestaande defensieterreinen kunnen worden ingepast, wordt extra ruimte gezocht. Het invullen van deze ruimtevragen is noodzakelijk om de hoofdtaken van Defensie uit te kunnen voeren en is daarom van nationaal belang. Binnen de krijgsmacht zijn 57 behoeften met een ruimtevraag geïdentificeerd en daarvoor zijn de mogelijke locaties onderzocht. Defensie heeft een zorgvuldig en navolgbaar proces doorlopen om tot deze uitbreiding te komen en zorg te dragen voor nationale veiligheid. Hieronder wordt eerst het proces van trechtering tot voorkeursalternatieven beschreven. Vervolgens worden de ruimtebehoeften uitgewerkt. Deze zijn eerder in de NRD van dit programma uitgeschreven en zijn op punten geactualiseerd. Bij elke ruimtebehoefte wordt beschreven welke locatie voor invulling van de behoefte is aangewezen met daarbij de overwegingen, aandachtspunten en eventuele koppelkansen. 8.1
Trechteringsproces De vaststelling van de definitief aangewezen locaties is gebaseerd op de uitkomsten van het planMER-onderzoek, bestuurlijk draagvlak, defensiebelang en inspraak door inwoners, bedrijven, belangenorganisaties en (mede-)overheden. Ten behoeve van transparantie en navolgbaarheid zijn in de verschillende fases van het NPRD door heel Nederland informatiebijeenkomsten georganiseerd. Om nadere afstemming met medeoverheden – zowel op rijksniveau als regionaal – en inwoners in het proces te borgen, is gekozen voor een gefaseerde aanpak, . Mede om zo snel als mogelijk duidelijkheid te geven over de voortgang van het proces en als locaties niet verder zouden worden onderzocht 12. Dit proces is verdeeld in twee stappen, zeef 1 en zeef 2, en aangeduid met de term ‘trechtering’. Omdat de categorie locatiespecifieke behoeften van aard verschilt van de categorie behoeften met een bovenregionale afweging, is gekozen om voor deze categorie een vergelijkbare trechtering in te richten, maar met een ander proces. De behoeften met een bovenregionale afweging zijn middels twee zeven getrechterd. De alternatieven voor de locatiespecifieke behoeften zijn in de tweede zeef in één keer tot voorkeursalternatief getrechterd. De beide sporen verenigen zich daarmee in de tweede zeef.
In zeef 1 is voor de locatie-alternatieven met een bovenregionale afweging een voorlopige trechtering tot verder te onderzoeken locaties-alternatieven en niet verder te onderzoeken locatie-alternatieven gemaakt op basis van het planMERonderzoek. Dit onderzoek is in de kern een objectief wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijke effecten van nieuwe defensieactiviteiten op de fysieke leefomgeving op en rondom de onderzochte locaties voor de verschillende behoeften. In het planMER-onderzoek zijn voor elk van de behoeften de alternatieven voor locaties in beeld gebracht en beoordeeld op effecten van inpassing van de betreffende ruimtebehoefte op die locatie. Voor de behoeften met een bovenregionale afweging zijn de verder te onderzoeken locatie-alternatieven interdepartementaal afgestemd en middels bestuurlijke overleggen in oktober 2024 met medeoverheden besproken. Omdat Defensie z.s.m.
12
Kamerstuk 36 124, nr. 51, vergaderjaar 2023-2024, Tweede Kamer. Pagina 33 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
duidelijkheid heeft willen geven aan inwoners en stakeholders in onderzochte gebieden, heeft Defensie in het najaar van 2024 het resultaat van de eerste trechtering middels een Kamerbrief openbaar gemaakt en via directe communicatie kenbaar gemaakt. De locatiespecifieke behoeften zijn niet meegenomen in zeef 1. Voor de locatiespecifieke behoeften met een groot (in)direct ruimtebeslag is Defensie aan de hand van de beschikbare planMER-resultaten in gesprek gegaan met medeoverheden over die locatiespecifieke behoeften. De locatiespecifieke behoeften waarvoor alternatieven waren geformuleerd en dus een voorkeurslocatie moest worden bepaald, zijn meegenomen in de trechtering van zeef 2. In zeef 2 is getrechterd tot voorlopige voorkeurslocaties. Deze trechtering is uitgebreider dan de eerste en baseert zich dan ook op de resultaten uit het planMER-onderzoek, het militair defensiebelang (met het oog op de gereedstelling) bestuurlijk draagvlak en maatschappelijke draagbaarheid. In deze zeef zijn zowel de behoeften met een bovenregionale afweging als de locatiespecifieke behoeften meegenomen. Om te komen tot definitieve voorkeurslocaties zijn in maart 2025 bestuurlijke overleggen gevoerd over de resultaten uit de tweede zeef. De uitkomsten van deze gesprekken hebben geleid tot definitieve voorkeurslocaties in het Ontwerp NPRD, dat door het Kabinet is vastgesteld op 23 mei 2025.
Gelijktijdig met vaststelling van het ontwerp NPRD is het planMER gepubliceerd. Deel A van het planMER onderzoek biedt een volledig overzicht van de onderzoeksresultaten per behoefte en locatie-alternatief. In deel B is de keuze voor de uiteindelijke voorkeursalternatieven beschreven, met de effecten en aspecten die in deze keuze een rol hebben gespeeld. Ook is in beeld gebracht tot welke cumulatie en spreiding van militaire activiteiten in Nederland de keuze voor deze voorkeursalternatieven leidt. Tussen het ontwerp en het definitieve besluitvorming van het NPRD is inspraak mogelijk geweest op zowel het ontwerp NPRD als op het planMER. Daarnaast is extra onderzoek uitgevoerd op basis van advies van de Commissie MER, ingediende zienswijzen en zoals voorgenomen in het ontwerp NPRD. Dit heeft geleid tot een aanvulling en een addendum op het planMER. De aanvulling planMER bevat verdiepend onderzoek op eerder aangewezen voorkeursalternatieven met daarbij een reactie op het advies van de commissie MER. Het addendum bevat aanvullend onderzoek voor 9 specifieke behoeften waarvoor nog geen voorkeursalternatief was vastgesteld met het ontwerp NPRD en die na vaststelling van het NPRD nog ter inzage worden gelegd. Mede op basis van extra onderzoek en ingediende zienswijzen zijn een aantal voorkeursalternatieven bijgesteld.
In november 2025 zijn de bijstellingen interdepartementaal afgestemd en middels bestuurlijke overleggen met medeoverheden besproken. Dit heeft uiteindelijk geleidt tot definitieve locaties voor invulling van de behoeften.
Pagina 34 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
8.2
Definitief aangewezen locaties bovenregionale behoeften Dit deel van het programma bevat de dertien ruimtebehoeften van Defensie waarvoor een bovenregionale afweging is gemaakt om definitieve locaties aan te wijzen. Voor elk van de ruimtebehoeften wordt de behoefte toegelicht. Tevens wordt de definitief aangewezen locatie voor invulling van de behoefte geschetst. Vervolgens wordt onderbouwd waarom Defensie voor deze locatie kiest. Voor twaalf van de dertien behoeften is de benodigde ruimte gevonden. Voor één van de dertien behoeften is met het NPRD geen ruimte gevonden in Nederland. Op het volgende kaartbeeld worden de definitief aangewezen locaties voor de twaalf behoeften met een bovenregionale afweging weergegeven. De detailkaarten per behoefte zijn in hoofdstuk 11 toegevoegd.
Pagina 35 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
8.2.1
Behoefte 1: versterken en concentreren van ondersteunende eenheden Defensie heeft behoefte aan een centraal gelegen kazerne voor de groei, versterking en concentratie van ondersteunende eenheden. Dit is nodig om de slagkracht en operationele (gevechts)-ondersteuning, combat support (CS) en combat service support (CSS) in het landdomein te versterken. Voor deze behoefte is nabijheid van bestaande oefenterreinen of de mogelijkheid tot het creëren van een nieuw oefenterrein van belang, en de mogelijkheid om een kazerne te ontwikkelen die de toekomstige groei van de landmacht kan borgen. Zeewolde-Spiekweg is de definitief aangewezen locatie voor invulling van de behoefte. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. Vanuit militair oogpunt is deze locatie zeer geschikt vanwege de centrale ligging. De locatie is goed te bereiken voor de huidige werknemers van de desbetreffende eenheden, maar ligt ook goed gepositioneerd ten opzichte van nieuw arbeidspotentieel vanuit Utrecht, NoordHolland en Flevoland. De locatie ligt op korte afstand van oefenterreinen op de Veluwe en heeft betere mogelijkheden voor de landschappelijke inpassing van een nieuw oefenterrein. De positie van dit oefenterrein is gunstig gelegen ten opzichte van eventuele nieuwe woningbouwlocaties. Op deze locatie kan geoefend worden met drones.
Het realiseren van de behoefte op deze locatie geeft weinig milieudruk op de omgeving en is goed inpasbaar in het landschap. De gronden op deze locatie zijn voor een groot deel al rijksbezit, waardoor er sneller kan worden gestart met de realisatie en de kosten beperkt kunnen worden. Met de komst van de kazerne is veel werkgelegenheid gemoeid, een belangrijk aspect voor de ontwikkeling van de hele regio. Deze ontwikkeling past ook goed in het rijksbeleid gericht op spreiding van rijkswerkgelegenheid. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden: •
•
•
•
Realisatie van de behoefte kan niet zonder gevolgen voor de omgeving gerealiseerd worden. 387 ha agrarische grond en 245 ha natuur en 21 ha overig zal hiervoor van functie veranderen naar een militaire bestemming. Er zijn negen woningen en/of bedrijven met een agrarische functie op deze locatie aanwezig. De impact van het amoveren van woning/bedrijven op bewoners en betrokkenen is zeer groot. In de realisatiefase van deze behoefte zal een proces worden ingericht dat aan deze impact zo goed mogelijk recht doet. Een tweede aandachtspunt is dat de realisatie van de behoefte op deze locatie mobiliteitseffecten heeft. Samen met de regio wordt in beeld gebracht welke randvoorwaarden nodig zijn met betrekking tot de mobiliteit en de doorstroming op aan- en afvoerwegen richting Flevoland. Daarbij wordt ook gekeken naar uitstralingseffecten en ontwikkelingen in de naastgelegen provincies, zoals verkeer van en naar Nijkerk in combinatie met de intensivering van activiteiten in Stroe en Ermelo. Een derde aandachtspunt is dat de locatie in een netwerk van natuurgebieden ligt en aantasting daarvan niet geheel te voorkomen is. Natuurcompensatie zal nodig zijn. In de vervolgfase moet daarom aandacht zijn voor natuurcompensatie en ruimtelijke inpassing. De definitief aangewezen locatie biedt hiervoor voldoende ruimte.
Het realiseren van een volledig nieuwe kazerne op deze locatie zal aanzienlijk tijd vergen. Hiervoor zal Defensie in de tussenliggende periode op de bestaande locaties Ermelo en Stroe het gebruik intensiveren. En met de groei van de krijgsmacht blijven Ermelo en Stroe ook op de langere termijn in gebruik. Met de regio worden hierover afspraken gemaakt in een bestuurlijk voornemen. Pagina 38 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
•
8.2.2
Een belangrijk aandachtspunt voor de realisatie is dat in afstemming met de provincies en betrokken gemeenten en andere belanghebbenden een optimale inpassing van de nieuwe kazerne wordt bepaald. Een samenhangend gebiedsen participatieproces is daarbij randvoorwaardelijk om te borgen dat de verschillende omgevingsbelangen goed op elkaar worden afgestemd.
Behoefte 2: extra locatie grootschalige munitieopslag Defensie heeft behoefte aan een extra locatie voor grootschalige munitieopslag, als aanvulling op reeds bestaande opslaglocaties. De munitievoorraad wordt op langere termijn structureel fors opgehoogd om te voldoen aan (NAVO-)taken. Veranderende logistieke concepten vragen om modernere en ruimere munitieopslag. Daarnaast brengt de positie van ‘doorvoerland’ richting bondgenoten ook met zich mee dat (tijdelijk) munitie moet worden opgeslagen. Staphorst is de definitief aangewezen locatie voor invulling van de behoefte. De locatie is door de gemeente Staphorst gedurende het participatieproces en met ‘het Staphorster bod aan de Rijksoverheid voor grootschalige munitieopslag, d.d. 19 december 2024’ naar voren gebracht als extra te onderzoeken locatiealternatief. Het realiseren van een grootschalig munitieopslag in Nederland is gezien de omvang en benodigde veiligheidszonering geen eenvoudige opgave. Dat de Gemeente Staphorst vanuit haar verantwoordelijkheid een stap naar voren doet om in een veranderende veiligheidssituatie een actieve bijdrage te leveren aan de nationale veiligheid en ruimte voor defensie is dan ook noemenswaardig. Een aantal overwegingen heeft geleid tot de keuze voor Staphorst als aangewezen locatie voor invulling van de behoefte.
De realisatie van deze behoefte is grotendeels mogelijk binnen een reeds bestaande veiligheidscontour. Dat komt doordat de munitieopslag op deze locatie gerealiseerd kan worden door een bestaande munitieopslag uit te breiden. Door de aanwezigheid van reeds bestaande veiligheidszonering blijft het aantal woningen of bedrijven, dat (mogelijk) geamoveerd zou moeten worden beperkt. De locatie is centraal gelegen in Nederland en er is voldoende ruimte in de omgeving voor de benodigde uitbreiding. Omdat een deel van de gronden al in eigendom is van Defensie kan de realisatie relatief snel plaatsvinden. Voor de krijgsmacht heeft deze locatie als voordeel dat deze relatief dichtbij het huidige munitiecomplex in Veenhuizen ligt, wat effectieve samenwerking in de bedrijfsvoering mogelijk maakt. Tegelijkertijd liggen beide locaties ver genoeg uit elkaar om te voorzien in strategische spreiding. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden: •
•
Ondanks dat een bestaande munitieopslag kan worden uitgebreid heeft de realisatie van deze behoefte op deze locatie nog steeds effect op de omgeving en op omwonenden. Een belangrijk aandachtspunt voor de realisatie is dat de veiligheid voor de omgeving en omwonenden geborgd blijft, en dat in afstemming met inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden een optimale inpassing van het grootschalige munitiecomplex wordt bepaald. Een samenhangend gebieds- en participatieproces is daarbij randvoorwaardelijk om te borgen dat de verschillende omgevingsbelangen zoals verwoord in het Staphorster bod over de realisatie van het munitiecomplex goed op elkaar worden afgestemd. 44 ha natuur en 12 ha agrarische grond zal hiervoor van functie veranderen naar een militaire bestemming, als aanvulling op 15 ha bestaand defensieterrein.
Pagina 39 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
•
•
•
In de veiligheidszone rondom deze locatie waarin een woonfunctie na realisatie niet meer toegestaan is, liggen nu vier woningen. Omdat het hier mede gaat over een bestaande situatie en een bestaande veiligheidszone, heeft Defensie onderzocht in hoeverre het mogelijk is om deze woningen te sparen. Uit verdiepend onderzoek is gebleken dat ten minste drie van de vier woningen de woonfunctie kan behouden. Ten minste één woning kan geen woonfunctie behouden. Dit betreft de bestaande defensiewoning op het MMC Staphorst. De impact van het amoveren van woning/bedrijven op bewoners en betrokkenen is zeer groot. In de realisatiefase van deze behoefte zal een proces worden ingericht dat aan deze impact zo goed mogelijk recht doet. Een veilige, robuuste en rechtstreekse aansluiting op het hoofdwegennet (A28) en een veilige spoorwegovergang is nodig voor de omgeving, voor het verbeteren van de omgevingsveiligheid en voor de beleving daarvan. Hierdoor kunnen de kernen van de gemeente Staphorst in de toekomst meer dan nu worden ontzien van militair munitietransport en overige zwaar transport. Om dit te bereiken is het Staphorster bod het uitgangspunt voor de realisatie van de grootschalige munitieopslag. Defensie, provincie Overijssel en de gemeente Staphorst trekken hierin samen op en maken afspraken over programmatische aanpak.
Defensie coördineert het proces rond het Staphorster bod en de realisatie van de nieuwe grootschalige munitieopslag, inclusief de hiervoor benodigde interdepartementale afstemming. Door deze rol op deze wijze op te pakken wordt invulling gegeven aan de motie van de leden Van Dijk, Boswijk en Heite. 13 In hoofdstuk 10 wordt nader ingegaan op de infrastructuur gerelateerde opgaven die uit het NPRD volgen. De locatie ligt grotendeels in natuurgebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. Door de uitbreiding van het bestaande munitiecomplex is er sprake van aantasting van het NNN. Bij de verdere uitwerking wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met bestaande natuur- en recreatiewaarden en het minimaliseren van aantasting van het NNN. Afhankelijk van de gekozen aanpak zal natuur gecompenseerd moeten worden in lijn met de wettelijke kaders die daarvoor gelden. Hiervoor zal eerst naar mogelijkheden op de aangewezen locatie voor het grootschalige munitiecomplex worden gekeken, met multifunctioneel gebruik van ruimte als doel. Defensie zal daarnaast in gesprek gaan met de provincie, gemeente en Staatsbosbeheer om te verkennen hoe natuurcompensatie invulling kan geven aan de ambitiekaart voor natuur in de regionale gebiedsvisie.
Met de hierboven genoemde aandachtspunten wordt tegemoetgekomen aan de zorgen en randvoorwaarden zoals die door de gemeente in het ‘Staphorster bod aan de Rijksoverheid voor grootschalige munitieopslag’ naar voren zijn gebracht. 8.2.3
Behoefte 3: nieuwe munitieopslag SIC (Snel Inzetbare Capaciteit) Defensie heeft behoefte aan een locatie waar munitie kan worden opgeslagen. Om snel te kunnen reageren op dreigingen buiten Nederland moeten eenheden kunnen beschikken over containers met munitie die gereed zijn onmiddellijk te worden getransporteerd. Deze gereedstelling is in NAVO verband afgesproken. Daarbij is de zogenoemde ‘Notice to move’ (NTM) – de reactietijd op een oproep – aanzienlijk verkort en is de hoeveelheid benodigde munitie vergroot. Er wordt daarom gezocht naar een locatie waar circa 480 standaard zeecontainers kunnen worden opgeslagen. Met het oog op efficiënte transportlijnen is het zoekgebied voor de
13
Kamerstuk 36 592, nr. 34 vergaderjaar 2024-2025, Tweede Kamer. Pagina 40 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
opslag voor SIC gericht op Noordoost Nederland vanwege de nabijheid van de Eemshaven. Kollumerwaard-West is de definitief aangewezen locatie voor invulling van de behoefte. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. De overweging die daarbij het zwaarst heeft gewogen is dat voor de realisatie van de behoefte op deze locatie geen woningen hoeven te wijken, vanwege een reeds aanwezige niet-actieve kruitfabriek. De zoneringen en vergunning voor de kruitfabriek bestaan al in dit gebied, daardoor zijn de activiteiten van een munitieopslag gemakkelijker te realiseren. Vanuit militair perspectief is de locatie zeer goed bruikbaar door de nabijheid van een ander defensiecomplex. Dit heeft voordelen voor de bedrijfsvoering omdat hiervandaan ondersteunende diensten georganiseerd kunnen worden en eenheden zich kunnen verzamelen bij inzet om van daaruit de inzetmunitie op te halen. Ook de afstand tot Eemshaven, van waaruit eenheden worden ingezet, is relatief kort. Realisatie op deze locatie heeft een vrij beperkte impact op de omgeving. De projectlocatie ligt niet op zeer vruchtbare landbouwgrond en er is geen sprake van bodemdaling. De keuze voor deze locatie doet recht aan de wens vanuit de omgeving voor een zoveel mogelijk westelijke inpassing, met zoveel mogelijk behoud van agrarisch gebied, die aansluit op aanwezige infrastructuur.
Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden: •
•
•
• • •
•
•
Realisatie van de behoefte kan niet zonder gevolgen voor de omgeving gerealiseerd worden. 13 ha agrarische grond en 2 ha natuur en 18 ha overig zal hiervoor van functie veranderen naar een militaire bestemming. Op de agrarische gronden rondom de nieuwe munitieopslag, waaronder in de veiligheidszones, wordt gebruik gemaakt van drones voor precisielandbouw en landbouwinnovatie. Ook in de nieuwe situatie blijven die mogelijkheden bestaan. De locatie ligt direct naast een Natura 2000-gebied (Vogelrichtlijngebied). Vanwege de aard en het ruimtebeslag van de behoefte is de impact echter als beperkt ingeschat. Er is geen sprake van grootschalige verlichting en de intensiteit van activiteiten die mogelijk hinder veroorzaken (geluidsoverlast) is beperkt tot crisissituaties waarbij snel veel transporten moeten plaatsvinden. Realisatie kan effect hebben op mogelijk aanwezige diersoorten. Aanwezigheid van een of enkele kraamverblijven van vleermuissoorten is niet uit te sluiten. De ontsluiting van het complex en de aansluiting op de bestaande lokale en provinciale wegstructuren. De verdere ruimtelijke inpassing en optimalisatie van de exacte ligging van de opslag zal gebeuren in afstemming met partijen in het gebied, waarbij oog zal zijn voor het minimaliseren van de impact op de omgeving.
Een aandachtspunt voor de realisatie is dat in afstemming met de provincies en betrokken gemeenten en andere belanghebbenden een optimale inpassing van de munitiecomplex SIC wordt bepaald. Een samenhangend gebieds- en participatieproces is daarbij randvoorwaardelijk om te borgen dat de verschillende omgevingsbelangen goed op elkaar worden afgestemd. Een aandachtspunt voor de realisatie is dat de veiligheid voor de omgeving en omwonenden geborgd blijft inclusief de veiligheid tijdens het munitietransport van en naar het munitiecomplex.
Pagina 41 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
8.2.4
Behoefte 4: nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven (springterrein) Defensie heeft behoefte aan een nieuw springterrein, in aanvulling op het bestaande oefenspringterrein in Reek. De behoefte is tweeledig. Ten eerste neemt het aantal opleidingen en oefeningen toe en is daarvoor op het bestaande terrein in Reek onvoldoende capaciteit. Ten tweede heeft Defensie de behoefte om in Nederland met zwaardere explosieven te oefenen wat niet mogelijk is op het terrein in Reek. Met het NPRD wordt geen locatie aangewezen voor invulling van de behoefte. Deze behoefte wordt met het NPRD dus niet ingevuld. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. Vanuit planMER komt de locatie Lelystad als voorkeursalternatief naar voren, echter met significante aandachtspunten. De effecten op de leefomgeving zijn groot. Zo bestaat er een risico dat explosieven de relatief dunne kleilaag in Flevoland doorbreken en er zout grondwater als kwel naar boven komt. Ook gaat ontwikkeling op deze locatie ten koste van waardevolle landbouwgrond en meerdere agrarische bedrijven/woningen. De locatie ligt daarnaast dicht bij de aanvliegroutes van Lelystad Airport wat met name interfereert met civiele luchtvaart. Er is op deze locatie dus sprake van een stapeling van verschillende negatieve effecten.
Cumulatie met andere defensiebehoeften waarvoor in dezelfde regio een voorkeursalternatief wordt aangewezen, versterken deze negatieve effecten. Daartegenover staat dat deze locatie niet groot genoeg is om invulling te geven aan de volledige behoefte. Een nieuw springterrein op deze locatie zou wel leiden tot meer capaciteit voor opleiding en training, maar niet voor het oefenen met grotere explosieven. Het kabinet heeft, mede vanuit het besef dat de provincie Flevoland ook voor de toename van jachtvliegtuigcapaciteit en een kazerne voor ondersteunende eenheden de aangewezen locatie is, de keuze gemaakt om voor het springterrein met het NPRD geen locatie aan te wijzen. Ook het ontbreken van bestuurlijk draagvlak heeft hieraan bijgedragen. Door deze keuze blijft er echter alsnog steeds onvoldoende capaciteit in Nederland om militair personeel volledig op te leiden en te trainen in het gebruik van explosieven. Defensie heeft en houdt hier wel behoefte aan. Defensie zal daarom bezien in hoeverre deze behoefte op een andere wijze geheel of gedeeltelijk ingevuld kan worden.
8.2.5
Behoefte 5: oefenen in verstedelijkt gebied (oefendorp) Ontwikkelingen op het krijgstoneel tonen aan dat militair optreden in verstedelijkt gebied steeds belangrijker wordt. De taakstelling van een moderne en toekomstgerichte krijgsmacht vereist daarom het kunnen optreden in verstedelijkt gebied. Er wordt verwacht dat de verhouding van optreden in landelijk/verstedelijkt gebied verschuift van 90/10 naar 50/50. Op dit moment is er in Nederland onvoldoende capaciteit om dit type oefenen te faciliteren; zo zit het huidige oefendorp Marnehuizen aan haar maximum capaciteit. Om voldoende capaciteit binnen Nederland te garanderen is er behoefte aan een aanvullend – met Marnehuizen vergelijkbaar – oefendorp. Het Oefenterrein (OT) Weerterheide is de definitief aangewezen locatie voor invulling van de behoefte. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. Deze locatie biedt de mogelijkheid om op eigen terrein een bebouwd gebied te creëren met daaromheen voldoende ruimte als benaderingszone. Daarnaast bevind deze locatie op een bestaand oefenterrein waar al lage hoogte gevlogen mag worden met helikopters. Ondanks dat het oefenterrein reeds een bestaande functie heeft, is weinig sprake Pagina 42 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
van verdringing van andere activiteiten van Defensie op dit oefenterrein. De zuidelijke ligging van deze locatie heeft voordelen boven andere locaties vanwege bereikbaarheid en spreiding voor de diverse onderdelen van Defensie, maar ook biedt deze locatie een goede spreiding ten opzichte van de andere militaire oefendorpen in Nederland. Op de Nassau-Dietz kazerne, aangrenzend aan het oefenterrein zijn mogelijkheden voor kazernefaciliteiten te realiseren. Realisatie heeft weinig nadelige effecten op de omgeving ten opzichte van het bestaande gebruik. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden: •
•
•
8.2.6
De ontwikkeling van het verstedelijkt gebied vindt plaats in Natura 2000-gebied (vogelrichtlijngebied) uit het planMER blijkt dat de voorgenomen activiteit geen significante gevolgen heeft op de aanwezige vogelsoorten. Daarvoor zijn wel mitigerende maatregelen noodzakelijk. De locatie ligt grotendeels in natuurgebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. Bij de verdere uitwerking wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met bestaande natuur- en recreatiewaarden en het minimaliseren van aantasting van het NNN. Afhankelijk van de gekozen aanpak zal natuur gecompenseerd moeten worden in lijn met de wettelijke kaders die daarvoor gelden. Hiervoor zal eerst naar mogelijkheden op de aangewezen locatie voor uitbreiding van de Weerterheide worden gekeken, met multifunctioneel gebruik van ruimte als doel. Defensie zal daarnaast in gesprek gaan met de provincie, gemeente en Staatsbosbeheer om te verkennen hoe natuurcompensatie invulling kan geven aan de ambitiekaart voor natuur in de regionale gebiedsvisie. Voor de Weerterheide is in het planMER, ter ondersteuning van de behoefte oefenen in verstedelijkt gebied, onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van helikopterlandingen. Er is echter gekozen om hiervoor vooralsnog geen voorkeursalternatief vast te leggen.
De mogelijkheden voor helikopterlandingen hangen namelijk samen met de toekomstige inrichting van het oefendorp, de heringebruikname van de Nassau-Dietzkazerne en de aangewezen uitbreidingsgebieden van oefenterrein Weerterheide. Besluitvorming over helikopterlandingen in de uitbreidingsgebieden van oefenterrein Weerterheide wordt derhalve onderdeel van het vervolg- en gebiedsproces.
Behoefte 6: amfibisch oefengebied Er is een grote behoefte naar meerdere mogelijkheden om amfibisch te kunnen opleiden, trainen en oefenen in Nederland. Voor de meer grootschalige oefeningen gaat het om een beperkt aantal oefeningen in het jaar, circa 10 tot maximaal 15. De huidige amfibische trainings- en oefenlocatie op Texel beschikt over onvoldoende capaciteit om de krijgsmacht voldoende amfibisch te laten oefenen, ook op een hogere moeilijkheidsgraad. Daarnaast heeft de locatie op Texel te kampen met verscheidene problemen van o.a. morfologische aard zoals kusterosie. Daarbij komt dat de locatie op Texel te klein is om op adequate wijze scenario’s geschikt aan moderne oorlogsvoering – bijv. het ‘doorstoten’ landinwaarts – te oefenen. Er is daarom behoefte aan nieuwe locaties met voldoende capaciteit, trainingswaarde en afwisselingen die geschikt zijn om realistische scenario’s te simuleren. Maasvlakte II, Marnehuizen, Vliehors en Groote Keeten zijn de definitief aangewezen locaties voor invulling van de behoefte. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. De behoefte vraagt om afwisselender te kunnen oefenen, dus in verschillende landschapstypologieën. De locaties Marnehuizen (dijk met oefendorp), Vliehors (strandvlakte en schietrange),
Pagina 43 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
Groote Keeten (strand en strandopgangen) en Maasvlakte (in gebouwde omgeving) bieden samen deze mogelijkheid, omdat elke locatie geschikt is voor een ander trainingsdoel voor amfibisch oefenen en belasting op de omgeving kan worden verdeeld. Dit is belangrijk omdat veel van het Nederlandse kustlandschap kwetsbaar natuurgebied is. Hoewel amfibisch oefenen een belasting kan vormen voor natuur en landschap, leidt de spreiding van activiteiten ertoe dat de aantasting van kwetsbare natuur en historisch landschap op de aangewezen locaties beperkt is. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden: •
•
•
•
•
•
8.2.7
In de vervolgfase moet er aandacht zijn voor de unieke waarden en landschappelijke kernkwaliteiten van de Waddenzee. De locatiealternatieven Vliehors en Marnewaard liggen in het waddengebied. De vaartuigen die naar deze aanlandingsplekken varen gaan door de Waddenzee, een gebied dat zowel als Natura 2000-gebied als UNESCO Werelderfgoed beschermd wordt. Door afspraken te maken over oefenen in relatie tot het broedseizoen kan de impact op natuur beperkt worden, dit geldt met name voor het oefenen op de Vliehors. Voor amfibische oefeningen op de Maasvlakte II is het vanwege de aanwezige intensieve havenactiviteiten en kwetsbare haveninfrastructuur belangrijk om oefeningen in nauwe coördinatie met het havenbedrijf, gemeente Rotterdam en de omgeving voor te bereiden en waar nodig voor de veilige uitvoering en ter voorkoming van onnodige verstoring van de bedrijfsvoering aanvullende afspraken te maken. Voor amfibische oefeningen op de Marnewaard vanuit de Waddenzee is het belangrijk dat het gebruik in goede afstemming plaatsvindt met de dijkbeheerder omdat het een primaire waterkering betreft. Voor amfibische oefeningen vanuit het Lauwersmeer betreft het aanlanden op een recreatiestrand en het passeren van doorgaande wegen een aandachtspunt.
Het is belangrijk dat hiervoor goede afstemming plaatsvindt met de omgeving en waar nodig voor de veilige uitvoering aanvullende afspraken worden gemaakt. Voor het oefenen op Groote Keeten is het belangrijk dat alleen het strand en de strandopgang wordt gebruikt, zodat de duinenrij en achterliggende natuur (Natura 2000) wordt ontzien. In algemene zin is goede afstemming met de economische en recreatieve functies in het gebied, onder ander door een goede en vroegtijdige communicatie over wanneer oefeningen plaatsvinden, mogelijk.
Behoefte 7: gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support Defensie heeft behoefte aan voldoende, gegarandeerde havencapaciteit (afmeer- en overslagcapaciteit) voor de afhandeling van meerdere schepen tegelijk met militaire lading. Dit is nodig omdat Nederland zich binnen NAVO verband heeft gecommitteerd aan taken en activiteiten als transitieland in het kader van Host Nation Support (HNS). Hierbij komen eenheden tot brigadegrootte met meerdere schepen aan in Europa om daarna te worden doorgevoerd met weg-, rail- en binnenwatervervoer naar de eindbestemming. Ook is munitieoverslag nodig. Momenteel maakt Defensie vooral gebruik van de havens van Vlissingen en de Eemshaven voor militaire mobiliteit. In de nabije toekomst zal er intensiever gebruik worden gemaakt van havencapaciteit in het teken van HNS. Om dit mogelijk te maken is Defensie op zoek naar extra gegarandeerde havencapaciteit, in de vorm van opstelplaatsen, een kade die geschikt is voor schepen met een diepgang van 15 meter en een aanwezige spoorontsluiting. Hiermee kan Nederland voldoen aan de afgesproken verplichtingen in het kader van HNS. Pagina 44 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
Rotterdam Noord-West Maasvlakte II is de definitief aangewezen locatie voor invulling van de behoefte. Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. In samenspraak met het Havenbedrijf Rotterdam, gemeente Rotterdam en de provincie is voor deze behoefte een geschikte locatie gevonden op de Maasvlakte II. Op Maasvlakte II komen veel verschillende functies samen, waardoor een goede inpassing aandacht vraagt. Om die reden wordt er in NOVEX-verband samengewerkt, om uitdagingen in het havengebied aan te pakken en de toekomst vorm te geven. De aangewezen locatie biedt voldoende ruimte voor de specifieke defensiebehoefte en houdt rekening met de economische en ruimtelijke ontwikkelingen in het havengebied. Door gegarandeerde havencapaciteit op deze locatie toe te voegen aan het bestaande havengebruik in Vlissingen en Eemshaven is voldoende havencapaciteit beschikbaar om de volledige defensiebehoefte te kunnen realiseren. De HNSactiviteit van Defensie op de aangewezen locatie op de Maasvlakte II is inpasbaar rekening houdend met de omgevingsveiligheid voor andere ontwikkelingen en activiteiten in de Rotterdamse haven. De verdere inrichting van de omliggende, momenteel nog grotendeels te ontwikkelen terreinen lijken, rekening houdend met omgevingsveiligheid, goed te combineren uitgaande van de beoogde ontwikkelingen.
Er is geen significant overstromingsrisico en de locatie is goed bereikbaar. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte op Maasvlakte II zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden: •
•
Zolang Defensie van de aangewezen locatie en afmeervoorziening gebruik maakt, moet er een (planologische) borging vigerend zijn die veiligstelt dat de locatie te allen tijde door Defensie gebruikt kan worden. De interne veiligheid op de locatie is een aandachtspunt. In de vervolgfase worden eventuele mitigerende maatregelen verder onderzocht i.s.m. het havenbedrijf en zal de noodzaak daarvan door Defensie worden afgewogen.
Voor haar taken in het kader van Host Nation Support zal Defensie ook gebruik blijven maken van locaties in andere havens, waaronder in de Eemshaven en Vlissingen. Daarom zal Defensie ook de ontwikkelingen in die zeehavens blijven volgen en aangehaakt blijven op gesprekken over eventuele ontwikkelingsmogelijkheden. 8.2.8
Behoefte 8: toename gebruik jachtvliegtuigcapaciteit Deze behoefte betreft ruimte in Nederland voor 2.300 extra jachtvliegtuigsorties. Het aantal jachtvliegtuiglocaties moet daarbij toereikend zijn voor: 1. De thuisbasis van drie Nederlandse jachtvliegtuigsquadrons en een reserveveldfunctie. 2. Het accommoderen van internationale beddown en het beoefenen van HNS. 3. Het beoefenen van het ACE-concept. Hoe meer locaties hoe meer invulling gegeven kan worden aan het ACE-concept. Lelystad Airport is de definitief aangewezen locatie voor invulling van deze behoefte. Voor de benodigde fysieke uitbreiding van de luchthaven inclusief verlenging van de start- en landingsbaan is een ontwerpvoorkeursalternatief vastgesteld (zie hoofdstuk 9). Een aantal overwegingen heeft geleid tot deze keuze. Defensie ontwikkelt op Lelystad Airport door naar een derde jachtvliegtuiglocatie naast de bestaande
Pagina 45 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
vliegbases Volkel en Leeuwarden. Dit betekent dat op termijn permanent jachtvliegtuigen worden gestationeerd op Lelystad Airport. Het gaat hierbij om militair medegebruik van een civiele luchthaven. Militair-civiele samenwerking op Lelystad Airport biedt veel synergiemogelijkheden, zoals gedeeld ruimtegebruik, medegebruik van ondersteunende diensten en gezamenlijke investeringen. Permanente stationering van jachtvliegtuigen betekent dat Defensie extra banen creëert wat bijdraagt aan de ontwikkeling van de regio. Voor Defensie biedt het mogelijkheden dat het met de aanwezigheid in Lelystad veel dichterbij arbeidspotentieel zit de provincie Flevoland en de Randstad. De effecten van jachtvliegtuigen zijn merkbaar in de omgeving, maar het aantal gehinderden voor deze locatie is significant minder dan op de andere onderzochte locaties. In vergelijking met andere onderzochte locaties zijn er ook minder graas- en hokdieren. De aangewezen locatie biedt samen met de bestaande jachtvliegtuiglocaties voldoende fysieke, milieu- en geluidsruimte voor het huisvesten van drie jachtvliegtuigsquadrons, het inbedden van een reserveveld-functie en het accommoderen van internationale beddown en HNS. Met Lelystad Airport als extra jachtvliegtuiglocatie kan beter invulling worden gegeven aan het Agile Combat Employment (ACE)-concept, zij het in beperkte mate.
Het verder versterken van het ACE-concept is mogelijk door het toevoegen van zogenaamde Contingency Locations. De mogelijke impact hiervan is wel onderzocht in het planMER-onderzoek, maar het toevoegen van extra Contingency Locations is geen onderdeel van het voorkeursalternatief. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte op deze locatie zal met de volgende aandachtspunten rekening moeten worden gehouden: •
•
•
Realisatie van deze behoefte kan niet zonder gevolgen voor de omgeving en leidt met name tot geluidsimpact op omwonenden, bedrijven, recreatie en natuur. Er liggen maximaal tien woningen/bedrijven in de berekende geluidscontour van 70 Lden en hoger, waarbinnen, op basis van civiele regelgeving, geen woonfunctie is toegestaan. Realisatie heeft mogelijk effect op civiele luchtvaart. Het inpassen en rekening houden met de huidige gebruikers van Lelystad en de mogelijke toekomstige ontwikkelingen van Lelystad Airport vragen een goede afstemming. Een goede en veilige aansluiting op het luchtruim en de inpassing in het luchtruim vergen nog nader onderzoek en afstemming. Voor de doorontwikkeling naar een volwaardige jachtvliegtuiglocatie is meer ruimte nodig voor de benodigde militaire infrastructuur - inclusief de vereiste verlenging van de start en landingsbaan - dan is aangegeven in het ontwerp NPRD. Uit verdiepend onderzoek blijkt dat er voor een ingroei van de volledige behoefte 150 tot 240 Ha aan ruimte nodig is voor de fysieke uitbreiding van de luchthaven (inclusief 40 Ha voor verlenging van de start- en landingsbaan). Deze ruimte kan voor een deel gevonden worden op terreinen die reeds in eigendom zijn van Lelystad Airport, maar er is ook ontwikkeling buiten de luchthaven nodig.
Voor het vaststellen van een ontwerp voorkeursalternatief voor de benodigde fysieke ruimte is tussen ontwerp- en definitief NPRD aanvullend onderzoek uitgevoerd. Dit aanvullend onderzoek is onderdeel van de negen specifieke behoeften waarvoor met het ontwerp NPRD nog geen ontwerp voorkeursalternatief kon worden vastgesteld en dat na vaststelling separaat ter inzage zal worden gelegd. Zie hoofdstuk 9 voor de verdere uitwerking hiervan.
Pagina 46 van 181
Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 19-12-2025
8.2.9
Behoefte 9: onbemande maritieme helikopters Defensie heeft behoefte om met maritieme drones (zwaarder dan 150 kg) te oefenen in de bestaande maritieme oefengebieden. Daarvoor zoekt Defensie corridors op een vlieghoogte van circa 3.000 voet om naar de oefengebieden te vliegen. Er wordt nu nog niet geoefend met maritieme drones. Defensie heeft wel oefengebieden waar oefenen met drones mogelijk is: de bestaande oefengebieden EHD 41, EHD 42 en EHR 8. Vanwege het maritieme karakter en de samenwerking met de NH-90 is vliegbasis De Kooy, bij Den Helder de enige logische plek voor het stationeren van deze drones. De geoptimaliseerde routes naar de EHD 41, EHD 42 en EHR 8 zijn de definitief aangewezen routes voor de transfer met de maritieme drones van Maritiem vliegkamp de Kooy naar de oefengebieden EHD 41, EHD 42 en EHR 8. Het gaat hierbij om permanente corridors die tijdelijk geactiveerd kunnen worden. Voor de EHR 8 is overigens geen specifieke route nodig omdat deze in de Controlled Trafic Region (CTR) van MVKK De Kooy ligt. De volgende overweging heeft geleid tot deze keuze: deze routes hebben beperkte impact op omgeving en natuurwaarden. Bij de verdere ontwikkeling en inpassing van de behoefte in deze gebieden zal met het volgend aandachtspunt rekening moeten worden gehouden: •