2025-017 Onderzoek Van-cijfer-naar-stem
Tekst van het document
Jiska Peper Liselotte van Loon-Dikkers Sarah Boelens Frouke Sondeijker
Van cijfer naar stem Ervaringen van jongeren rondom doorplaatsingen in jeugdzorg
Inhoud Samenvatting
3
1
Inleiding
4
1.1. 1.2. 1.3.
Aanleiding Doel en onderzoeksvragen Leeswijzer
4 4 4
2
Methode
5
2.1. 2.2. 2.3.
Vragenlijst Diepte-interviews Focusgroep met professionals
5 7 7
3
Resultaten
8
3.1. 3.2.
8
3.3. 3.4. 3.5.
Aantal doorplaatsingen en de redenen daarvoor Hebben kinderen en jongeren inspraak of steun bij de beslissing tot doorplaatsing? Geen tijd om afscheid te nemen: het doorplaatsen zelf Wat zijn de ervaringen op verschillende leefgebieden? Wat zeggen professionals?
9 12 14 18
4
Conclusies en aanbevelingen
19
4.1. 4.2. 4.3.
Aanbevelingen Mogelijke beperkingen van het onderzoek Tot slot
20 21 21
Bronnen
22
2
Samenvatting Doorplaatsingen in de jeugdzorg met verblijf komen veel voor: een groot deel van de kinderen met een uithuisplaatsing verhuist opnieuw, vaak met weinig voorbereidingstijd. Een doorplaatsing leidt tot stress en meer gedragsproblemen, waardoor een vicieuze cirkel van doorplaatsingen op de loer ligt. Meer inzicht in de oorzaken, ervaringen en gevolgen is daarom nodig om doorplaatsingen te verminderen en het proces rondom de doorverhuizingen te verbeteren als ze onvermijdelijk zijn. In opdracht van Stichting Het Vergeten Kind hebben wij hier onderzoek naar gedaan en hebben een antwoord gezocht op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.
Hoe vaak zijn de deelnemende jongeren doorgeplaatst en wat zijn daarvoor de redenen? In hoeverre worden jongeren betrokken of gehoord rondom de beslissing om te worden doorgeplaatst? Is er sprake van hulp of steun bij de doorplaatsing? Wat zijn de ervaringen van jongeren met de doorplaatsingen op allerlei leefgebieden, zoals school, werk, sociale contacten, vrije tijd en welbevinden? Welke oplossingsrichtingen zijn er volgens professionals nodig om: a. Het aantal doorverplaatsingen te verminderen of te stoppen? b. De ervaringen van de doorplaatsingen voor jongeren te verbeteren?
We hebben een online vragenlijst uitgezet onder jongeren die door zijn geplaatst in jeugdzorg met verblijf. Deze vragenlijst is door 119 jongeren van 16 t/m 23 jaar ingevuld. Daarnaast hebben we 15 jongeren uitgebreid geïnterviewd over hun ervaringen met doorplaatsingen. Tot slot hebben we een focusgroep gehouden met vijf professionals die ruime ervaring hebben in het werken met de doelgroep.
mentale - en slaapproblemen), schoolloopbaan en sociale contacten (minder of helemaal geen contact meer met vrienden/familie). De steun en begeleiding die jongeren bij de doorplaatsingen hebben ontvangen, schieten vaak tekort. Een groot deel voelde zich onvoldoende geïnformeerd, niet serieus genomen en miste een vaste steunfiguur. Professionals en jongeren hebben een aantal aanbevelingen om het doorplaatsen zoveel mogelijk te verminderen of te stoppen, en om de omstandigheden waaronder een doorplaatsing plaatsvindt te verbeteren: Behandel en hulp op de locatie: Verplaats hulp in plaats van het kind en zorg voor goede afstemming tussen locatie en jongere. Opleiding van hulpverleners: Investeer in de professionalisering van hulpverleners om moeilijk gedrag beter te kunnen hanteren. Jongeren betrekken en informeren: Informeer jongeren tijdig en eerlijk over doorplaatsingen en betrek hen in het proces. Ondersteuning en afscheid: Zorg voor een steunfiguur, en laat jongeren afscheid nemen van hun oude woonplek en contact houden met familie/vrienden. Tastbare herinneringen: Geef iets tastbaars mee uit hun tijd op de huidige plek, zoals een fotoboekje. Veilige, huiselijke sfeer: Creëer een veilige sfeer en vermijd dreigen met doorplaatsingen vanwege gedrag.
Hoewel sommige jongeren positieve aspecten noemen, blijft het terugkerende patroon van gebrekkige betrokkenheid en steun zorgwekkend. Dit onderzoek pleit voor een meer menselijke en zorgzame aanpak, waarin jongeren als volwaardige mensen worden behandeld. Zoals Eva (21 jaar) het in een interview verwoordt: “We zijn gewoon mensen. We hebben meer hulp nodig, maar verder zijn we gewoon mensen.”
De resultaten laten zien dat de jongeren in ons onderzoek gemiddeld zes keer in hun leven zijn doorgeplaatst (met soms uitschieters naar meer dan 20 keer). Een aantal jongeren had heel recent (korter dan 2 maanden geleden) nog een doorplaatsing meegemaakt. Redenen voor een doorplaatsing die jongeren vaak te horen krijgen, zijn het ontbreken van passende hulp op de woonplek, problemen in het (pleeg)gezin of op de locatie of het toe zijn aan meer zelfstandigheid. Er komt naar voren dat een groot deel van de kinderen en jongeren worden doorverhuisd zonder dat de reden met hen wordt besproken en zonder dat zij betrokken worden bij de beslissingen. De doorplaatsingen hebben zeer negatieve gevolgen voor hun welbevinden (zoals meer
3
1 1.1.
Inleiding
situaties kunnen doorplaatsingen wel wenselijk of zinvol zijn, bijvoorbeeld als een jongere toe is aan meer zelfstandigheid (Den Ouden, 2021).
Aanleiding
Het is daarom van groot belang dat er meer onderzoek gedaan wordt naar de redenen waarom kinderen door worden geplaatst en wat hun ervaringen zijn met betrekking tot hun welbevinden, school, werk, sociale contacten en vrije tijd. En, als doorplaatsing onvermijdelijk is, hoe dit proces zo optimaal mogelijk kan worden georganiseerd.
In 2022 woonden ca. 43.000 kinderen en jongeren tot en met 22 jaar in een vorm van jeugdhulp met verblijf, zoals een pleeggezin of instelling (CBS, 2022). Dat het vaak niet bij één verhuizing blijft, blijkt uit onderzoek van het Vergeten Kind (2018; Dekker e.a., 2022): zij rapporteerden dat 75% van de door hen ondervraagde kinderen die een uithuisplaatsing meemaken, doorverhuist. Gemiddeld wordt een kind vier keer doorgeplaatst (Dekker e.a., 2022). Daarbij is er voor het merendeel van de ondervraagde kinderen sprake van veel onzekerheid: 63% van hen hoort pas één week of zelfs één dag van tevoren dat hij/zij weer naar een andere plek moet verhuizen (Dekker e.a., 2022). Naar aanleiding van dit eerdere onderzoek is ervoor gepleit om doorplaatsingen in de jeugdzorg beter in kaart te brengen. Pas als inzichtelijk wordt gemaakt hoe groot het probleem is, waar het goed gaat en waar niet, kan er gericht gewerkt worden aan verbetering.
1.2.
Stichting het Vergeten Kind heeft het Verwey-Jonker Instituut gevraagd om nader onderzoek te doen naar de redenen en het proces rondom doorplaatsingen in de jeugdzorg en de ervaringen die jongeren daarbij hebben gehad op verschillende leefgebieden. In dit onderzoek wordt antwoord gegeven op de volgende onderzoeksvragen: 1. 2.
Wat is precies een doorplaatsing? Een doorplaatsing is een verplaatsing binnen jeugdzorg met verblijf. Een verhuizing naar bijvoorbeeld een pleeggezin telt mee, een tijdelijk verblijf op een crisisplek ook. De initiële uithuisplaatsing zelf telt niet mee. Voor een kind is het belangrijk dat het een zo stabiel mogelijke thuissituatie heeft (Konijn e.a., 2019). Verhuizingen leiden tot veel onrust en kinderen moeten steeds opnieuw wennen of zich aanpassen aan hun nieuwe plek (Konijn e.a., 2019). Gedragsproblemen worden groter naarmate het aantal doorplaatsingen toeneemt (Leathers, 2006), waarmee er een vicieuze cirkel ontstaat: het vinden van een stabiele plek voor een kind wordt door de gedragsproblemen steeds moeilijker. Uit ander recent onderzoek van Ketenbreed Leren[1] komt naar voren dat door de vele doorplaatsingen die jongeren meemaken, zij ook vaak van school moeten veranderen, moeten stoppen met school, of geen passend onderwijs meer kunnen volgen (Spijk-de Jonge e.a., 2022). In sommige
1
Ketenbreed Leren is een onderzoeks- en veranderproject waarin er wordt geleerd van hulpverleningstrajecten die eindigen in specialistische jeugdhulp met verblijf. Ketenbreed Leren | Branches Zorg voor Jeugd
Doel en onderzoeksvragen
3. 4. 5.
1.3.
Hoe vaak zijn de deelnemende jongeren doorgeplaatst en wat zijn daarvoor de redenen? In hoeverre worden jongeren betrokken of gehoord rondom de beslissing om te worden doorgeplaatst? Is er sprake van hulp of steun rondom de doorplaatsing? Wat zijn de ervaringen van jongeren met de doorplaatsingen op hun welbevinden (fysiek en mentaal), school, werk, sociale contacten, vrijetijdsbesteding en persoonlijke bezittingen? Welke oplossingsrichtingen zijn er volgens professionals[2] nodig om: a. Het aantal doorverplaatsingen te verminderen of te stoppen? b. De ervaringen van de doorplaatsingen voor jongeren te verbeteren?
Leeswijzer
In dit rapport gaan we allereerst in op de methode die is gebruikt om de onderzoeksvragen te beantwoorden (hoofdstuk 2). Hierna gaan we in op de resultaten van de dataverzameling (hoofdstuk 3). Tot slot bespreken we de conclusies en aanbevelingen die op basis van het onderzoek kunnen worden geformuleerd (hoofdstuk 4).
2
Hoewel dit geen initiële onderzoeksvraag was, hebben ook jongeren zelf meegedacht over oplossingsrichtingen.
4
2
Methode
In dit hoofdstuk bespreken we de onderzoeksmethodes die gebruikt zijn om de onderzoeksvragen te beantwoorden. Er zijn drie methodes ingezet, namelijk 1) een online vragenlijst onder jongeren die door zijn geplaatst (paragraaf 2.1), 2) diepte-interviews met jongeren die door zijn geplaatst (paragraaf 2.2), en 3) een focusgroep met professionals die werken met jongeren die door zijn geplaatst (paragraaf 2.3). In dit hoofdstuk beschrijven we de verschillende onderzoeksmethodes en de participanten die hebben deelgenomen. Er is gekozen voor een leeftijdsrange van 16 t/m 23 jaar. De ondergrens van 16 jaar is gekozen omdat deze jongeren de meeste ervaring hebben met (meerdere) doorplaatsingen en omdat zij – beter dan jongere kinderen – kunnen reflecteren op de positieve en/of negatieve impact hiervan op verschillende leefgebieden. Om zo recent en accuraat mogelijk te reflecteren op doorplaatsingen is de bovengrens voor deelname gesteld op 23 jaar. Bovendien wordt 23 jaar geregeld als grens in jeugdzorg en begeleiding beschouwd om hulp te ontvangen.
2.1.
Vragenlijst
Het doel van de vragenlijst was om inzicht te krijgen in de aantallen keren dat jongeren door zijn geplaatst en de redenen daarvoor. Ook zijn positieve en negatieve ervaringen uitgevraagd met betrekking tot doorplaatsingen op diverse (leef)gebieden. Hieronder vielen hun fysieke en mentale welbevinden, school, werk, sociale contacten, vrijetijdsbesteding en persoonlijke bezittingen. Ook konden de jongeren invullen in hoeverre ze betrokken werden bij de beslissing om te worden doorgeplaatst en of ze hulp of steun kregen bij dit proces. De vragen waren veelal gesloten, maar er zijn ook open vragen gesteld in de vragenlijst om jongeren de ruimte te bieden om meer uitleg te geven.
Aan de vragenlijst zijn 156 jongeren gestart. Van deze jongeren hebben 37 geen enkele vraag over doorplaatsingen ingevuld. Deze jongeren zijn daarom geëxcludeerd. Het totaal aantal deelnemende jongeren komt daarmee op 119 jongeren. In Tabel 2.1 staan achtergrondkenmerken van de deelnemende jongeren weergegeven. De gemiddelde leeftijd van deze jongeren is 19.8 jaar. Een ruime meerderheid was vrouw. Tabel 2.1. Achtergrondkenmerken van deelnemende jongeren. Aantal
Gemiddelde (SD)
Leeftijd
119
19.8 (2.3)
Geslacht
Aantal
Percentage
Vrouw
89
74.8
Man
26
21.8
Anders
2
1.7
Zeg ik liever niet
2
1.7
SD=standaarddeviatie
De gemiddelde leeftijd bij de initiële uithuisplaatsing was 11.9 jaar, maar er waren grote verschillen tussen de jongeren (SD = 4.5). Bij ruim twee derde van de jongeren waren meerdere redenen de oorzaak van de initiële uithuisplaatsing. Het meest werden geweld en mishandeling en/of psychische problemen bij de ouders of henzelf genoemd als reden, maar ook andere redenen werden genoemd. In Tabel 2.2 is een overzicht van de redenen voor de uithuisplaatsing te vinden.
De werving van de jongeren verliep via het netwerk van Het Vergeten Kind en het Verwey-Jonker Instituut. Zo zijn er oproepen verspreid via sociale media (Instagram, Facebook, LinkedIn) en zijn professionals actief benaderd om de vragenlijst te delen met jongeren. Bovendien is aan deelnemende jongeren gevraagd om de vragenlijst te verspreiden via hun eigen netwerk. De vragenlijst stond open in augustus, september en oktober 2024.
5
Tabel 2.2. Redenen initiële uithuisplaatsing van jongeren Reden uithuisplaatsing
Aantal
Figuur 2.1.
Huidige woonvorm van de jongeren Zelfstandig
Percentage jongeren*
Pleeggezin/Adoptiegezin
(Psychische) problemen bij mezelf
69
58,0% Gezinshuis, logeerhuis, zorgboerderij
Geweld/mishandeling (tussen je ouders of tegen jou)
62
52,1%
Psychiatrische problemen (bij een van je ouders/opvoeders)
53
44,5%
Gesloten(jeugdzorg) instelling
Verwaarlozing
40
33,6%
Begeleid wonen
Verslaving (bij een van je ouders/opvoeders)
20
Leefgroep
Weer thuis
16,8%
Geen vaste plek
Misbruik
20
16,8% Anders
Anders (o.a. verstandelijk beperkte ouder(s), ouders overleden, toeslagenaffaire
21
17,6%
Wil ik niet zeggen
1
0,8%
* Het totale percentage is meer dan 100%, omdat jongeren meerdere redenen aan konden geven voor de uithuisplaatsing.
Op het moment van deelname woonden de meeste jongeren zelfstandig (32.2%), begeleid (27.1%) of weer thuis (16.1%) (Figuur 2.1).
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
Meer dan de helft van de jongeren woont minder dan een jaar op de huidige woonplek en is vrij recent nog doorgeplaatst (Figuur 2.2). Figuur 2.2.
Periode dat jongere op huidige woonplek woont 6,8%
13,7%
> 2 jaar 31,6%
1 tot 2 jaar 6 maanden - 1 jaar 3-6 maanden
12,0%
1-3 maanden < 1 maand 18,8%
17,1%
6
2.2.
Diepte-interviews
Het doel van de diepte-interviews was om nader zicht te krijgen op de redenen en de impact van de doorplaatsingen. Met behulp van de tijdlijnmethode is met elke jongere gesproken over de uithuisplaatsing en over maximaal drie doorplaatsingen. Bij elke doorplaatsing is gevraagd naar de communicatie rondom de doorplaatsing, de impact van de doorplaatsing op verschillende leefgebieden (welbevinden, school, familie, vrienden, werk en vrije tijd en persoonlijke bezittingen), hoe de jongeren zich voelden, en wat ze gemist of nodig hadden. Daarnaast gaf de jongere elke besproken doorplaatsing een cijfer van 0 tot 10 (0 = slecht en 10 = goed), en gingen zij vervolgens in op wat de doorplaatsing beter had kunnen maken. In dit laatste deel van het interview kwamen veelal oplossingsrichtingen voor het tegengaan of verbeteren van doorplaatsingen ter sprake. Jongeren konden zichzelf opgeven voor deelname aan het diepte-interview via de online vragenlijst. In totaal is er met 15 jongeren een diepte-interview gehouden in de maanden september en oktober in 2024. Hiervan hebben 6 interviews live plaatsgevonden, namelijk 2 keer op de woonplek van de jongere, 3 keer bij het Verwey-Jonker Instituut en eenmalig in een park. De overige interviews vonden online plaats, zoals via videobellen (6 keer via Microsoft Teams of WhatsApp) of telefoneren (3 keer).
Voor deelname ontvingen de jongeren een vergoeding van 15 euro. De gemiddelde leeftijd van de deelnemende jongeren was 19,5 jaar (SD=1,9). We hebben 13 vrouwen, 1 man en 1 non-binair persoon gesproken.
2.3.
Focusgroep met professionals
In een online focusgroep en twee individuele gesprekken is met vijf professionals gesproken, met als doel te praten over welke oplossingsrichtingen er zijn om het aantal doorplaatsingen te verminderen of stoppen. Ook gingen we in gesprek over het verbeteren van de ervaringen van de doorplaatsingen op jongeren. De gesprekken zijn via Teams of telefoon gehouden en vonden plaats in november 2024. De professionals waren werkzaam als jeugdbeschermer, raadsonderzoeker, zorgcoördinator bij kleinschalige woonvoorzieningen, gezinshuisouder en als orthopedagoog-generalist. Hoewel we met vijf professionals niet een compleet beeld kunnen krijgen van alle jeugdzorg professionals, hadden allen ruime ervaring in het werken met de doelgroep en zijn verschillende werkvelden, instanties en woonvormen gerepresenteerd.
7
3
Resultaten
In dit hoofdstuk staan de resultaten van het onderzoek weergegeven. In paragraaf 3.1 gaan we in op het aantal doorplaatsingen dat de jongeren mee hebben gemaakt en de redenen voor de doorplaatsingen. In paragraaf 3.2 bespreken we in welke mate jongeren inspraak en steun hebben ervaren bij de doorplaatsing, waarbij we ook ingaan op hun behoeften. De doorplaatsing zelf komt in paragraaf 3.3 aan de orde. In paragraaf 3.4 gaan we in op de ervaringen met betrekking tot de doorplaatsingen op de verschillende leefgebieden. Tot slot is in paragraaf 3.5 beschreven hoe professionals tegen (het voorkomen van) doorplaatsingen aankijken.
3.1.
Aantal doorplaatsingen en de redenen daarvoor
Bij het uitvragen van de redenen en ervaringen rondom de doorplaatsingen, hebben de jongeren dit vanwege de tijdsinvestering ingevuld over maximaal vijf doorplaatsingen.[3] Niet alle jongeren konden zich de redenen herinneren van een doorplaatsing (8,4% van de doorplaatsingen). Bij 26,1% van de doorplaatsingen werd de jongere niet verteld wat de reden was. De redenen die wel met de jongeren werden gecommuniceerd, waren dat er geen passende hulp aanwezig was (66,4%), er problemen in het (pleeg)gezin/ op de locatie waren (56,3%), ze toe waren aan meer zelfstandigheid (42,0%), of vanwege hun leeftijd (25,2%) (Figuur 3.2). Jongeren gaven ook overige redenen voor doorplaatsingen aan (39,5%). Voorbeelden hiervan zijn: voorgevallen incidenten, tijdelijk/crisis verblijf en de mogelijkheid om dichterbij huis te wonen. In meerdere gevallen gaven jongeren aan dat er geen andere beschikbare plekken waren, dat de thuissituatie toch nog niet geschikt bleek en dat de overdracht niet goed was, waardoor een doorplaatsing volgde. Enkele jongeren hadden het gevoel dat de begeleiding hen niet wilde helpen. Figuur 3.2.
De gemiddelde leeftijd waarop de jongeren voor het eerst werden doorgeplaatst was 13,2 jaar (SD=3,9), waarbij de eerste doorplaatsing gemeld werd op 2-jarige leeftijd en de laatste toen de jongere 19 jaar was. Enkele jongeren wisten de exacte leeftijd van de 1e doorplaatsing niet meer (N=5). Figuur 3.1.
De redenen die jongeren te horen kregen voor hun doorplaatsing
Vanwege mijn leeftijd Toe aan meer zelfstandigheid
Het aantal doorplaatsingen dat de jongeren achter de rug hebben
Problemen op de locatie/(pleeg)gezin >10 keer 13%
1-2 keer 18%
Geen passende hulp aanwezig
9-10 keer 8%
Werd mij niet verteld Weet ik niet meer
3-4 keer 24%
7-8 keer 20%
0% 5-6 keer 17%
Gemiddeld zijn de jongeren die de vragenlijst in hebben gevuld 6,2 keer doorgeplaatst (SD=4,5) (minimaal 1 keer, maximaal 25 keer). Ongeveer 1 op de 5 deelnemende jongeren had 1 of 2 doorplaatsingen meegemaakt, maar ruim 1 op de 8 jongeren had meer dan 10 doorplaatsingen achter de rug (Figuur 3.1). Sommigen waren zelfs meer dan 20 keer doorgeplaatst (N=4).
10%
20%
30%
40%
50%
60% 70%
Noot: Het totale percentage is hoger dan 100%, omdat jongeren meerdere antwoorden aan konden kruisen.
3
Het invullen van redenen en ervaringen rondom doorplaatsingen kostte veel tijd. Er is daarom voor gekozen om jongeren over maximaal 5 doorplaatsingen in te laten vullen wat de redenen en ervaringen waren. Indien zij minder dan 5 doorplaatsingen mee hadden gemaakt, vulden zij het over minder doorplaatsingen in. Wanneer jongeren meer dan 5 doorplaatsingen mee hadden gemaakt, is hen gevraagd zelf 5 doorplaatsingen te kiezen waarover zij de vragen in wilden vullen.
8
Aanvullend blijkt ook uit de diepte-interviews dat de reden om doorgeplaatst te worden vaak onduidelijk bleef voor de jongeren zelf. Samira (19 jaar) vertelde hierover:
“
Achteraf kwam het er waarschijnlijk op neer dat zij de zorg voor mij niet aankonden en dat zij vonden dat ik naar een GGZ-instelling moest, maar dat hebben ze nooit zo tegen mij gezegd. Ik moest van de één op andere dag naar een crisisopvang, omdat het op dat moment niet goed met mij ging. Zij zeiden dat ik zelfmoordgedachten had, maar dat was helemaal niet zo op dat moment.’’
Als de begeleiding wel een reden noemde, was dit bijvoorbeeld dat het niet goed ging op de huidige plek, dat de begeleiding de zorg niet aankon of dat de problematiek van de jongere te complex was. Een dergelijke reden werd bij uiteenlopende doorplaatsingen gegeven. Linda (18 jaar) vertelde hierover: ‘’Bij alle plekken zeiden ze, zij is te moeilijk om hier te wonen, zij heeft te complexe problematiek. Dat willen we hier niet hebben. Daardoor voelde ik me erg ongewild.’’ Andere redenen die naar voren kwamen om doorgeplaatst te worden, waren dat groepen of instellingen plotseling sloten of dat er geen match was tussen de jongere en de woonplek. Enkelen benoemden dat het doorverhuizen zo normaal was geworden, dat ze niet meer anders ‘wilden’. Jeroen (19 jaar) zei:
“
Hoe dichterbij ik kwam bij de mensen bij wie ik woonde, de begeleiders, of de mensen van het pleeggezin, gezinshuisouders, hoe meer ik weer wilde doorverhuizen. En als ik dat niet voor elkaar kreeg, dan ging ik alles in de strijd gooien om het toch te laten lukken. Het was een soort overlevingsstand.’’
67,5% van de jongeren was het (helemaal) oneens met de beslissing om te worden doorgeplaatst. Ook was een groot deel het (helemaal) oneens met de stellingen dat zij betrokken werden bij die beslissing (84,4%) en dat er naar hun wensen werd geluisterd (80%). Volgens bijna driekwart van de jongeren (73,8%) werd er niet naar hun wensen geluisterd. Figuur 3.3.
Mate waarin jongeren het eens zijn met de stellingen over ervaren steun en betrokkenheid bij de beslissing tot doorplaatsen (percentueel per antwoordoptie, m.u.v. ‘niet van toepassing/weet ik niet meer’ en ‘heel verschillend per doorplaatsing’) 35,1 32,4
Ik was het eens met de beslissing om door te plaatsen
10,8 14,9 6,8 54,4 30,0
Ik werd actief betrokken bij de beslissing om door te plaatsen
7,8 3,3 4,4 57,9
Er werd naar mijn wensen geluisterd in de beslissing om door te plaatsen
22,1 12,6 4,2 3,2 44,7
3.2.
Hebben kinderen en jongeren inspraak of steun bij de beslissing tot doorplaatsing?
De jongeren konden in de vragenlijst aangeven in hoeverre ze zich gehoord of gesteund voelden bij de beslissing tot een doorplaatsing. Op een schaal van 1 (helemaal niet mee eens) tot 5 (helemaal mee eens) hebben zij aangegeven in welke mate zij het eens zijn met verschillende stellingen over de steun en betrokkenheid. Wanneer de stelling niet van toepassing was, of als het erg verschilde per doorplaatsing, konden de jongeren dit ook aangeven. In Figuur 3.3 is te zien welke percentage jongeren het (on)eens was met de stellingen. De antwoordopties ‘niet van toepassing’ en ‘heel verschillend per doorplaatsing’ zijn in deze figuur buiten beschouwing gelaten.
27,1 20,0
Het gesprek vond plaats op een fijne plek 7,1 1,2
Het werd duidelijk en begrijpelijk aan mij verteld
0% Helemaal niet mee eens Niet mee eens
34,5 33,3 10,3 14,9 6,9
20%
40%
Niet mee eens/niet mee oneens
60%
80%
100%
Helemaal mee eens Mee eens
9
in moesten pakken. Ze hadden zelf geen invloed op de keuze tot doorplaatsen. Tijdens een diepte-interview met Nisa (21 jaar) vertelde zij:
Vervolg Figuur 3.3 36,6 29,0
Er werd eerlijk gezegd wat er ging gebeuren
18,3 12,9
“
3,2 32,6 24,7 20,2 13,5 9,0
Er werd eerlijk gezegd waarom de doorplaatsing nodig was
Verder benoemden verschillende jongeren dat ’vrijwillige’ doorplaatsingen vaak niet écht vrijwillig waren, omdat de jongeren eigenlijk geen andere keuze hadden dan ’ja’ te zeggen tegen de doorplaatsing. Zo zegt een anonieme jongere in de vragenlijst:
40,7 34,1
Ik kon vragen stellen en laten zien hoe ik mij voelde
12,1 7,7 5,5
“
56,7 22,2
Ik kreeg steun en werd gerustgesteld in het gesprek
De informatievoorziening verliep vaak erg verschillend per doorplaatsing: een deel van de jongeren benoemt dat ze bij sommige doorplaatsingen wel meer te horen kregen over de nieuwe plek, maar dat ze bij andere doorplaatsingen van tevoren helemaal niets te horen kregen. Jongeren voelden zich hierdoor machteloos. Suze (18 jaar) zei in haar diepte-interview:
32,3 6,5 6,5 2,2
0% Helemaal niet mee eens Niet mee eens
Ik ben voorgelogen zodat ik ‘vrijwillig’ zou gaan. Veel informatie werd gebracht alsof het hetzelfde zou zijn als waar ik eerst woonde. Dit was verre van waar.’’
13,3 4,4 3,3 52,7
Ik kreeg genoeg informatie over de nieuwe pleken de nieuwe mensen
Er werd tegen mij gezegd: ‘Jij gaat weg, wij zijn je spullen aan het inpakken en je gaat dadelijk weg.’ Dit was dezelfde dag. Ik vond dat heel heftig. Deze plek kende ik al goed, ik woonde daar al 1,5 jaar. Het was gewoon vertrouwd voor mij. Dus het was wel heel heftig dat ik weg moest en niet wist waar ik terecht kwam.’’
20%
40%
Niet mee eens/niet mee oneens
60%
80%
100%
Helemaal mee eens Mee eens
Ook over de gesprekken over de doorplaatsing waren de jongeren over het algemeen negatief. Zo waren ze het (helemaal) oneens met de stelling dat het gesprek op een prettige plek plaatsvond (71,8%), dat het voldoende duidelijk (67,8%) en eerlijk (65,6%) werd verteld wat er zou gebeuren. Iets meer dan de helft van de jongeren waren het (helemaal) oneens met dat er eerlijk werd gezegd waarom de doorplaatsing nodig was (57,3%). Respectievelijk 74,8%, 78,9 % en 85% was het (helemaal) oneens met de stellingen dat er voldoende mogelijkheid was om vragen te stellen, steun te krijgen en informatie te krijgen over de nieuwe plek. Bij de open vraag “Wil je nog meer vertellen over hoe jou is verteld dat je zou worden doorgeplaatst?’’ hebben 52 jongeren aanvullende informatie gegeven. Een groot deel van de jongeren geeft hierin aan dat hen pas kort van tevoren werd verteld dat ze weg moesten en snel hun spullen
“
Ik voelde me aan mijn lot overgelaten en voelde me machteloos. Ik dacht ‘hallo, hoe kan je dit zomaar bepalen?’’’
Bovendien blijkt uit de interviews dat in sommige gevallen nog geen vervolgplek was gevonden tijdens de doorplaatsing. Linda (18 jaar) vertelde hierover:
“
Omdat ze niets voor mij konden vinden, zat ik opeens op een vakantiepark. Na een week kreeg ik te horen dat dit niet kon en moest ik binnen één uur weg zijn. En toen stond ik op straat. Iedereen trok zijn handen ervan af, terwijl ik verlengde jeugdhulp had.’’
Toch zijn er ook enkele jongeren die aangeven dat het proces rondom sommige doorplaatsingen goed begeleid werd. Deze jongeren ontvingen uitleg over de doorplaatsing en kregen de tijd om afscheid te nemen van vrienden/begeleiders. Derya (17 jaar) bevestigde de wisselende ervaringen rondom de doorplaatsingen: ‘’Bij de gesprekken voor mijn eerste doorverhuizing werd er echt naar mij geluisterd. Ik heb heel duidelijk gezegd ‘Ik wil uit huis.’ Toen werd er echt actie ondernomen
10
en ben ik die week naar een gezinshuis gestuurd. Bij mijn volgende doorverhuizing had ik geen enkele inspraak. Ze hadden daar een plek en de begeleiders dachten dat ik erbij paste. Uiteindelijk viel ik heel erg buiten de groep.’’ Bijna alle geïnterviewde jongeren raden nadrukkelijk aan dat jongeren meegenomen moeten worden in de beslissing om doorgeplaatst te worden, dat hier duidelijke communicatie over moet zijn en dat ze uitleg over de nieuwe plek willen ontvangen. Valerie (20 jaar) benadrukte het belang hiervan:
“
Bij veel doorplaatsingen was ik onder de 16 en dan nemen ze je niet mee in de beslissing om doorgeplaatst te worden. Ik denk dat het heel belangrijk is een kind mee te nemen in de beslissing, ook als het kind nog erg jong is. Bij mij hebben ze dat nooit gedaan en ik wist pas op de dag zelf wat er ging gebeuren. Ik denk niet dat dat zo hoort.’’
Didi (21 jaar) gaf een van haar doorplaatsingen een 10, omdat ze deze doorplaatsing zo positief had ervaren. Toen zij uitlegde waarom vertelde ze:
“
Ik werd hier voor het eerst betrokken in de situatie, er werd mij duidelijkheid geboden. Ik moest voor mijzelf overzicht bewaren over wat ik wilde weten en dan beantwoordden zij mijn vragen. Er werd naar mij toegestapt. Ik hoefde me niet te gedragen zoals zij wilden, maar zoals ik was.’’
Behoeftes van jongeren In de online vragenlijst konden jongeren aangeven waar ze behoefte aan hadden gehad bij de doorplaatsingen. Een groot deel van deze jongeren had behoefte aan meer duidelijkheid, steun, veiligheid en een vast persoon die er voor hen was. Een anonieme jongere schreef:
“
Een troostende arm om mij heen zou fijn zijn geweest en ik wou dat ik duidelijkheid had vanaf dag één. Op zo’n moment had ik echt heel veel nabijheid en liefde nodig.’’ Een andere anonieme jongere schreef: ‘’Een duidelijke uitleg en een vertrouwd gezicht.’’
En weer een andere anonieme jongere schreef:
“
Meer informatie en tijd om te wennen op een nieuwe plek. Een vast contactpersoon waar een kind zich prettig bij voelt. Daarbij bedoel ik geen voogd die alleen op komt dagen in je rechtszaken en verder nooit wat laat horen.’’
De diepte-interviews bevestigen de bevindingen uit de vragenlijst. Eva (20 jaar) vertelde tijdens haar diepte-interview dat ze ook behoefte had gehad aan meer duidelijkheid:
“
Je moet iemand beter voorbereiden en uitleggen waar je naartoe gaat en duidelijk uitleggen wat de regels zijn. Desnoods een rondleiding waar je naartoe gaat en wat je kamer wordt. Het zou ook fijn zijn om tips te krijgen over wat je mag meenemen, zoals tijdschriften, boeken of iets om te knutselen, omdat je geen telefoon mag.’’
Linda (18 jaar) vertelde over wat zij miste: ‘’Ik miste een steun, iemand met wie ik het er over kon hebben.’’ Andere behoeftes die uit de online vragenlijst naar voren kwamen, waren tijd om afscheid te nemen, transparante communicatie en de mogelijkheid om in contact te blijven met de (biologische) ouders. Een anonieme jongere schreef: ‘’Ik had graag meer met mijn ouders kunnen bellen.’’ Deze uitkomsten worden ondersteund door de diepte-interviews. Nisa (21 jaar) had ook behoefte aan meer steun en liefde, zij vertelde: ‘’Ik had nodig dat ze me behandelden als een kind, mij steun en liefde gaven, gewoon dat soort dingen.’’ Verder vertelde Jacey (17 jaar) over zijn behoefte aan duidelijke communicatie en over het belang van écht luisteren naar jongeren:
“
Ik had behoefte aan duidelijke communicatie. Echt praten met elkaar. Niet alleen vragen ‘hoe gaat het met je?’, maar er ook echt dieper op ingaan. Als kinderen en jongeren niet worden begrepen, dan gaat het mis. Dan vergooien ze hun hele toekomst.’’
Een groot deel van de geïnterviewde jongeren geeft aan een meer menselijke behandeling te willen krijgen. Ze benadrukken dat het geven van straffen niet werkt en dat ze juist steun en liefde missen. Ze vinden dat ze gewoon kind horen te kunnen zijn, en dat er ten minste één persoon in hun leven hoort die om hen geeft. Jacey (17 jaar) zei hierover:
“
Het kan ook anders. Het hoeft niet met de consequenties, het hoeft niet met scheurpakken, het hoeft niet met fixatie. Het hoeft allemaal niet op die manier. Je kan het ook anders brengen, zodat een jongere het ook leert te begrijpen en niet boos hoeft te worden.’’
11
En Linda (18 jaar) benadrukte het gemiste stukje liefde:
“
Ik heb gewoon een stukje liefde gemist. In de jeugdzorg krijg je geen liefde. Je hebt een paar begeleiders, maar je krijgt geen echte liefde zoals je dat van je ouders zou kunnen krijgen. En dat stukje liefde heb ik wel heel erg gemist, vooral toen ik me zo alleen voelde en weer weg moest.’’
Ruim de helft van de jongeren (52,8%) had ten tijde van de doorplaatsing geen vaste steunfiguur (bijv. ouder, familie, vriend(en), mentor of begeleider) bij wie zij terecht konden en had niemand bij wie zij terecht konden voor nazorg(82,2%). Bovendien was 62,2% het (zeer) oneens met de stelling dat er na de doorplaatsing contact kon worden gehouden met mensen van de vorige woonplek, zoals pleegouders of hulpverleners. Figuur 3.4.
Fien (17) benoemde dat als er meer tijd wordt genomen om een passende plek te vinden, het dan minder vaak fout zal gaan:
“ 3.3.
Zoek gewoon voor iemand een passende plek. Zoek niet uit haast een plek voor iemand. Dat hebben ze drie keer bij mij gedaan en drie keer moest ik weg, omdat die plek niet paste bij mij.’’
Geen tijd om afscheid te nemen: het doorplaatsen zelf
Bij de jongeren is in kaart gebracht hoe de doorplaatsing verliep en wie er bij de doorplaatsing aanwezig waren. De jongeren zijn over het algemeen negatief over de manier waarop de doorplaatsing verliep. Op een schaal van 1 (helemaal niet mee eens) tot 5 (helemaal mee eens) hebben zij aangegeven in welke mate zij het met verschillende stellingen eens zijn. Ook konden de jongeren aangeven dat de stelling niet van toepassing was, of dat het erg verschilde per doorplaatsing. In Figuur 3.4 is weergegeven in hoeverre jongeren het gemiddeld (on)eens waren met de stellingen. In deze figuur zijn de antwoordopties ‘niet van toepassing’ en ‘heel verschillend per doorplaatsing’ buiten beschouwing gelaten. Bijna driekwart van de jongeren was het (helemaal) oneens met de stelling dat zij tijd hadden om afscheid te nemen van mensen die voor hen belangrijk waren (70,8%), en ook (helemaal) oneens met de stelling dat zij wisten hoelang zij op de nieuwe woonplek zouden blijven (86%). Over de steun van anderen bij de doorplaatsing zijn zij ook negatief. Zo is 64,8% het het (helemaal) oneens met de stelling dat er iemand was bij wie zij terecht konden voor vragen. Jeroen (19 jaar) vertelde ook hierover in een diepte-interview:
“
Spullen inpakken deden ze eigenlijk altijd met z’n allen. Het moest zo snel mogelijk ingepakt worden en wanneer alles ingepakt was, moest ik de deur uit. Alles in vuilniszakken.’’
Mate waarin jongeren het eens zijn met de stellingen over de doorplaatsingen (percentueel per antwoordoptie, m.u.v. ‘niet van toepassing/weet ik niet meer’ en ‘heel verschillend per doorplaatsing’)
47,6
Ik had tijd om afscheid te nemen van mensen die voor mij belangrijk waren
23,2 19,5 7,3 2,4 33,0 31,8
Er was iemand bij wie ik terecht kon voor vragen
13,6 17,0 4,5 65,6
Ik wist hoelang ik op mijn nieuwe woonplek zou blijven
20,4 6,5 2,2 5,4 40,7
Ik had een vast steunfiguur naar wie ik toe kon (bv. ouders, familie, vriend(en), mentor, begeleider)
12,1 22,0 17,6 7,7 57,8
Na de doorplaatsing kon ik bij iemand terecht voor hulp (nazorg)
24,4 8,9 6,7 2,2 48,3
Na de doorplaatsing kon ik contact onderhouden met mensen in mijn vorige woonplek, zoals pleegouders of hulpverleners
16,9 18,0 9,0 7,9
0%
20%
40%
60%
80%
100%
12
Suze (18 jaar) geeft aan hoe belangrijk het oude contact voor haar was met een begeleider:
“
Bij mijn eerste woongroep had ik een begeleidster en dat was echt een topvrouw. Zij was er altijd voor mij. Zij heeft mij toen ook naar de crisisopvang gebracht. Ik heb nog steeds contact met haar. Toen ik werd doorgeplaatst gaf zij mij haar privénummer. Zij heeft daar uiteindelijk heel veel gezeik mee gekregen. Voor mij voelde het alsof er toch nog iemand aan mij dacht. Dat betekende heel veel voor mij.”
Voor maximaal vijf doorplaatsingen hebben jongeren aangegeven of ouder(s), andere familieleden, vriend(en), mentor/persoonlijk begeleider of iemand anders aanwezig was bij de doorplaatsing. In totaal hebben we informatie verkregen over 430 doorplaatsingen. In Figuur 3.5 is te zien dat ouder(s), de mentor/persoonlijk begeleider of iemand anders het meest aanwezig waren. Onder de categorie ‘anders’ worden uiteenlopende aanwezigen geschaard, waaronder een voogd, pleegouders, behandelaar, crisisdienst, politie, maar soms ook helemaal niemand (in 5% van de doorplaatsingen (22 keer) was er niemand aanwezig bij een doorplaatsing). Figuur 3.5.
“
Uit zowel de vragenlijst als de interviews komt naar voren dat een doorplaatsing naar een plek veel verderop grote impact heeft op de levens van jongeren. In paragraaf 3.4 gaan we hier verder op in. Voor maximaal vijf doorplaatsingen hebben de jongeren aangegeven in wat voor bepakking hun spullen werden verhuisd wanneer zij doorgeplaatst werden. In totaal hebben we informatie over 425 doorplaatsingen. In Figuur 3.6 is te zien waarin persoonlijke bezittingen worden meegegeven bij een doorplaatsing. Het valt op dat de eigen tas en een vuilniszak bijna even vaak werden gebruikt. Ook een doos werd vaak gebruikt. Andere manieren die door de jongeren worden genoemd, zijn vooral bigshoppers en plastic zakken. Suze (18 jaar) maakte mee dat ze haar spullen in vuilniszakken mee moest nemen. Ze vertelde hierover in haar diepte-interview:
“
Aanwezigen bij de doorplaatsing
180
School was ineens heel ver weg, ik moest 15km heen en 15km terugreizen. Ik wilde echt niet van school wisselen, want anders kon ik mijn vrienden helemaal niet blijven zien.’’
Dat ik spullen in vuilniszakken moest doen, het voelde alsof ik een zwerver was. Onmenselijk. Dit zou je ook niet met je eigen kind doen. Ze boden ook niet aan om te helpen ofzo.’’
Enkelen geven in de online vragenlijst aan dat ze geen spullen konden meenemen en dat deze later pas werden bezorgd, waardoor ze soms dagen in dezelfde kleding liepen. Roos (21 jaar) vertelde in haar diepte-interview dat zij pas na een maand haar spullen kreeg:
160 140 120
“
100 80 60
Een maand later, na mijn verhuizing, stonden opeens al mijn spullen op de oprit. Die waren daar gewoon gedumpt.’’
Verder vertelde Malou (18 jaar) in haar diepte-interview dat zij ook geen beschikking had over haar eigen spullen en kleding:
40 20 0 Ouder(s)
Andere Vriend(en) Mentor/ familieleden persoonlijk begeleider
Anders
De doorplaatsing was meer dan de helft van de keren meer dan 15 kilometer ver. Een afstand van minder dan 10 kilometer kwam weinig voor. In een diepte-interview vertelde Derya (17 jaar) dat ook zij 15 km verderop was doorgeplaatst:
“
Deze doorplaatsing was niet duidelijk en ik was er niet bij betrokken. Ik had alleen de kleding die ik op dat moment aanhad.’’
Samira (19 jaar) vertelde dat zij haar spullen niet op mócht halen op haar oude woonplek:
“
Ik mocht mijn spullen niet ophalen. Met opa en oma ben ik toen gewoon die kant op gegaan. Toen we voor de deur stonden, mocht ik niet naar binnen. Toen ben ik achterom geslopen om toch mijn spullen te pakken. Dat was echt heel raar.’’
13
Figuur 3.6.
Aantal keer dat een bepakking voor de persoonlijke bezittingen is gebruikt tijdens de doorplaatsingen
160 140 120 100 80 60 40 20 0 Eigen tas
Koffer
Doos
Vuilniszak
Andere manier
Weet ik niet meer
In de vragenlijst werd ook gevraagd wat voor invloed de doorplaatsing(en) had op de persoonlijke/waardevolle spullen van de jongeren. 54 jongeren gaven aanvullende informatie. Een groot deel van de jongeren benoemde dat ze veel spullen kwijtraakten tijdens doorplaatsingen. Een anonieme jongere beschreef: ‘ Veel spullen zijn weggegooid of kapot gegaan en gemaakt.”
Ook mochten ze hun spullen niet bij zich houden op bepaalde instellingen en werden spullen gestolen door begeleiding of groepsgenoten. Een anonieme jongere schreef:
“
Er is veel kleding gestolen en ben ook spullen kwijtgeraakt als de leiding het inpakte.”
Een deel hiervan benoemt dat ze zo weinig spullen over hebben dat het past in enkele dozen, vuilniszakken of bigshoppers. Enkelen vertelden dat ze (een deel van) hun spullen wel bij zich konden houden. Een anonieme jongere schreef:
“
Wat zijn de ervaringen op verschillende leefgebieden?
Bij de jongeren is in kaart gebracht wat volgens hen de invloed was van de doorplaatsingen op verschillende leefgebieden. Aan de jongeren die de online vragenlijst invulden, is gevraagd hier een cijfer voor te geven, waarbij een 0 een heel slechte invloed betekent, een 5 neutraal (het had geen invloed), en een 10 een heel goede invloed. Deze vragen zijn gesteld over alle doorplaatsingen bij elkaar. Wanneer de ervaringen tussen de doorplaatsingen verschilden, is gevraagd een gemiddelde te schatten. De meeste jongeren hebben ervaren dat de doorplaatsingen een negatieve invloed hadden op de uiteenlopende leefgebieden (fysieke en mentale gezondheid, school, werk, sociale contacten, vrije tijd en bezittingen). Het gemiddelde cijfer ligt voor elk leefgebied tussen de 2 en 3. De verdeling van de antwoorden is goed te zien in Figuur 3.7, waar voor elk leefgebied het percentage jongeren te zien is dat een bepaald cijfer heeft gegeven. Uit de figuur blijkt duidelijk dat de ervaringen van jongeren wel uiteenlopen. De doorplaatsingen pakten voor veel jongeren negatief uit, maar op andere jongeren had het juist een positieve invloed.
180
“
3.4.
Mijn knuffel had ik altijd bij me: dat is het belangrijkste.’’
Figuur 3.7.
Cijfer over de invloed van de doorplaatsing op de leefgebieden
35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 0
1
2
3
4
5
6
Heel slechte invloed
7
8
9
10
Heel goede invloed
Fysieke gezondheid
School
Vrienden
Mentale gezondheid
Familie
Vrije tijd
Werk/bijbaan
14
De open antwoorden uit de online vragenlijst geven een uitgebreider overzicht van de ervaringen van jongeren op de verschillende leefgebieden (N = 71). Deze ervaringen worden ondersteund door de resultaten uit de diepte-interviews. Per leefgebied geven we weer welke ervaringen naar voren kwamen. Gezondheid Meer dan de helft van de jongeren (N = 62) heeft aanvullende informatie gegeven in de vragenlijst bij de vraag ‘’Hoe had de doorplaatsing(en) invloed op je gezondheid en wil je hier iets over vertellen?’’. Bijna al deze jongeren benoemden dat de doorplaatsingen een negatief effect hadden op hun slaapritme en dat ze vaak nauwelijks sliepen door stress die ze ervaarden. Ook werd vaak genoemd dat ze slechter aten, vaker ziek waren en sommigen hadden ook last van paniekaanvallen door de stress/de angst. Een anonieme jongere beschreef:
“
Na de doorplaatsing naar een gesloten instelling kwam ik veel aan, omdat ik veel minder kon bewegen. Vroeger was ik heel actief altijd. Maar daar, als je twee keer in de week een sportmoment had, dan was dat al veel. En hoeveel beweging je kreeg, hing ook weer van je gedrag af.’’
Mentaal welbevinden Bij de vraag ‘’Hoe had de doorplaatsing(en) invloed op hoe je je voelde en wil je hier iets over vertellen?’’ hebben 54 jongeren aanvullende informatie gegeven. Een groot deel van deze jongeren voelde zich erg eenzaam, angstig, depressief of ze voelden zich alsof ze nooit goed genoeg waren. Bij enkele jongeren leidde dit tot suïcidale gedachten, automutilatie, psychoses en PTSS. Een anonieme jongere schreef hierover:
“
“
De doorplaatsing had een hele slechte invloed, het maakte me heel eenzaam en ik werd alleen maar meer suïcidaal...’’
Ik ging me niet meer hechten of binden aan groepsgenoten of groepsleiders. Dit omdat ik nooit wist hoelang ik ergens zou wonen en ik wist dat ik ze uiteindelijk toch weer moest verlaten. Niet meer binden deed ik uit zelfbehoud, maar het zorgt er ook voor dat je vereenzaamt.’’
Uit de interviews komt een vergelijkbaar beeld naar voren. Zo zegt Chloe (22 jaar):
“
Ik ervaar vaak veel spanning voordat ik ga slapen, en voel me niet veilig wanneer ik naar bed ga. Dit is een klein beetje beter geworden na de doorplaatsing maar niet veel beter.’’
Uit de interviews komt een vergelijkbaar beeld naar voren. Zo vertelde Samira (19 jaar) dat zij veel aankwam in gewicht, omdat ze niet meer kon bewegen:
“
Ook gaven meerdere jongeren aan dat ze zich niet meer konden hechten aan plekken en mensen en meer gingen piekeren. Een andere anonieme jongere zei bijvoorbeeld:
Ik kan me niet meer zo goed binden aan een vaste plek. Ik heb echt het idee dat ik elke drie jaar moet verhuizen en als dat dan niet gebeurt, word ik heel onrustig. Ik kan me ook minder goed binden aan mensen. Ik heb zoveel begeleiders gehad in relatief korte tijd dat ik het nu weer heel lastig vind om een nieuwe begeleider te krijgen, omdat ik dan toch het idee heb dat die weer weggaat.’’
School Bij de vraag ‘’Hoe had de doorplaatsing(en) invloed op je school en wil je hier iets over vertellen?’’ hebben 59 jongeren in de vragenlijst aanvullende informatie gegeven. Een groot deel van de jongeren geeft aan dat ze door hun doorplaatsingen helemaal niet meer naar school konden en een deel daarvan heeft ook nooit een middelbareschooldiploma kunnen halen. Ook werd er door meerdere jongeren benoemd dat hun school opeens erg ver weg was (zoals een reistijd van 2 uur), dat ze geen les konden krijgen op hun eigen niveau, dat ze vaak moesten veranderen van school en dat ze vertraging opliepen door de doorplaatsingen. Een anonieme jongere beschreef bijvoorbeeld:
“
Het schoolniveau paste helemaal niet bij mij. Ik deed 2 havo/vwo en opeens zat ik in 3 VMBO basis/kader. Zowel het schoolniveau als mijn klasgenoten sloten niet bij mij aan. Uiteindelijk heeft dit ervoor gezorgd dat ik 4 jaar langer over mijn middelbare school heb gedaan en uiteindelijk niet met een vwo-diploma van school kwam maar met een vmbo-basis/kader.’’
Enkelen benoemden dat het juist goed met ze ging op school, omdat ze sterk het gevoel hadden dat ze zichzelf moesten bewijzen, een anonieme jongere schreef waarom:
15
“
Doordat ik een doorplaatsing wilde voorkomen ging ik heel hard met m’n school bezig om me te bewijzen.’’
De resultaten worden bevestigd in de diepte-interviews, waarbij veel jongeren aangeven dat hun doorplaatsingen veel invloed hebben gehad op hun schoolcarrière. Ilse (21 jaar) zei hierover in haar diepte-interview:
“
Ik ben al zo lang niet meer naar school geweest, dat ik niet eens zou weten waar ik moet beginnen. Ik heb geen diploma, niks. Ik wil wel iets met school doen, maar ik weet niet wat.’’
Echter vertelden sommige jongeren in hun diepte-interview ook positieve verhalen, zoals Valerie (20 jaar):
“
De doorplaatsing was tijdens de zomervakantie, dus toen kon ik gewoon beginnen in een nieuwe groep. Het viel daardoor helemaal niet op dat ik nieuw was. Er werd ook voor me geregeld dat ik in de zomervakantie al kon kennis maken met mijn nieuwe juf. Dat was heel fijn.’’
Contact met familie Bijna de helft van de jongeren (N = 51) heeft bij de vraag ‘’Hoe had de doorplaatsing(en) invloed op jouw contact met je familie en wil je hier iets over vertellen?’’ aanvullende informatie gegeven. Voor een groot deel van deze jongeren verslechterde hun contact met hun broertjes en/of zusjes door de doorplaatsingen of was contact helemaal niet meer mogelijk. Soms mochten jongeren van de begeleiding ook geen contact onderhouden met familie, een anonieme jongere zei bijvoorbeeld:
“
Ik begon mijn familie steeds minder te zien tot ik ze op een gegeven moment helemaal niet meer mocht zien.’’
Een andere anonieme jongere zei:
“
Ik heb soms periodes langer dan 3 maanden mijn ouders niet gezien of gesproken. Mijn broers en zussen zag ik misschien 1 keer per jaar tijdens een bezoek moment van een uur.”
Een deel van de jongeren geeft aan dat geen contact met familie niet in verband staat met hun doorplaatsingen, maar met iets anders. Enkelen geven aan dat ze hun hele familie kwijt zijn. Eén iemand zegt dat het contact hetzelfde is gebleven. Uit sommige diepte-interviews bleek dat jongeren wel goed contact konden onderhouden met familie. Suze (18) vertelde:
“
Omdat het in dezelfde stad was, kon ik mijn familie gewoon blijven zien.’’
Contact met vrienden Bijna de helft van de jongeren hebben aanvullende informatie gegeven op de vraag ‘’Hoe had de doorplaatsing(en) invloed op jouw contact met je vrienden en vriendinnen die je hebt en wil je hier iets over vertellen?’’ (N = 51). Veel jongeren benoemen dat ze door hun doorplaatsingen al hun vrienden zijn kwijtgeraakt of een deel van hun vrienden. Ze geven hier verschillende redenen voor, bijvoorbeeld dat ze te ver weg werden geplaatst om hun vrienden nog te kunnen zien of dat contact niet meer mogelijk was, omdat dat niet mocht van de instelling. Jacey (17) vertelde hierover in zijn diepte-interview:
“
Ik belde mijn beste vriend altijd als ik moest huilen. Maar de begeleiding pakte mijn telefoon af, terwijl ik op een open groep was. Toen kon ik geen contact meer hebben met mijn beste vriend die mijn enige steun was in deze periode.’’
Fien (17) vertelde in haar diepte-interview hoe moeilijk het was om contact te houden met haar vrienden van thuis:
“
Het was vooral moeilijk om contact te houden met vrienden, aangezien ik na mijn opname ergens ver van mijn huis was geplaatst. Die kon ik gewoon bijna niet zien. Dat is nu nog steeds het geval.’’
Enkelen benoemen dat nieuwe vrienden maken moeilijk was in de jeugdzorg, omdat ze vaak snel weer werden doorgeplaatst. Dit bleek ook uit een diepte-interview met Didi (21 jaar):
“
Met vrienden kon ik geen contact houden. Soms was het wel gezellig met wat jongeren van de groep. Je zit daar niet helemaal opgesloten. Je mag wel naar buiten als je dat wil. Maar er waren geen mensen waar ik op kon bouwen.’’
16
Vrijetijd 47 jongeren hebben aanvullende informatie gedeeld over hoe de doorplaatsing(en) invloed had op hun vrije tijd en wat dit voor hen betekende. Een groot deel van de jongeren benoemt dat zij door hun doorplaatsingen hun hobby’s en sport niet meer konden uitvoeren. Hier werden verschillende redenen voor gegeven, waaronder dat de afstand tot de sportclub te groot werd of dat het niet toegestaan of mogelijk was om hun hobby’s en sport uit te oefenen bij de instelling waar ze woonden. Een anonieme jongere beschreef:
“
Ik deed vroeger aan karate en daar was ik heel goed in. Maar door alles moest ik er verplicht mee stoppen. Helaas heb ik er tot de dag van vandaag niks meer mee gedaan...’’
Enkelen benoemden dat ze geen vrije tijd hadden, omdat ze door de omstandigheden juist hard gingen werken, zich terugtrokken of geen motivatie hadden om hun sport/hobby op te pakken. Een anonieme jongere beschreef bijvoorbeeld: ‘
Tijdens de diepte-interviews vertelden niet veel jongeren over bijbaantjes. Echter vertelde Lieke (23 jaar) in haar diepte-interview dat zij wel haar baan kon behouden, maar in eerste instantie niet naar haar werk mocht:
“
Ik kon nog naar mijn werk, die was nu 10 minuutjes langer fietsen. Maar in eerste instantie mocht ik er niet heen. Dat vond ik heel heftig, want mijn werk was ook mijn uitlaatklep.’’
Veel andere jongeren in de online vragenlijst benoemen dat ze veel verschillende bijbaantjes hebben gehad, omdat ze door de doorplaatsingen niet bij hun huidige bijbaantje konden blijven werken (bijvoorbeeld door de afstand). Een anonieme jongere schreef:
“
Elke keer moest ik ontslag nemen en bij een andere solliciteren na een doorplaatsing.’’
Eén jongere kon zijn/haar eigen bijbaantje behouden.
“
Door alles wat er gebeurde ging ik heel veel werken, waardoor ik geen vrije tijd had.’’
In sommige diepte-interviews daarentegen benoemden jongeren juist dat ze hun hobby’s weer konden oppakken of behouden na een doorplaatsing, zo vertelde bijvoorbeeld Lieke (23 jaar):
“
In mijn nieuwe gezinshuis herontdekte ik mijn liefde voor bakken. En nu, na 4 jaar, ben ik die nog steeds niet kwijtgeraakt.’’
Bijbaantje Ongeveer een derde van de jongeren gaf aanvullende informatie bij de vraag ‘’Hoe had de doorplaatsing(en) invloed op je werk/bijbaantje en wil je hier iets over vertellen?’’ (N = 38). De meeste jongeren geven aan geen kans te hebben gehad om een bijbaan te vinden door hun doorplaatsingen binnen de jeugdzorg, bijvoorbeeld omdat dit niet mocht van de instelling. Een anonieme jongere schreef hierover:
“
Er wordt aanbevolen dat er een betere mogelijkheid moet zijn om onderwijs te (blijven) volgen, dat contact met vrienden en familie mogelijk moet blijven en dat de afstand tussen thuis en hun nieuwe woonplek kleiner moet zijn. Derya (17) kon niet meer naar school door de jeugdzorg, zij beveelt aan:
“
Er moet met jongeren beter gekeken worden naar school. Dat is voor mij uiteindelijk wel het lastigst geweest. Ik denk ook dat heel veel scholen daar niet goed rekening mee houden.’’
Zo kan school bijvoorbeeld proberen een wat flexibeler rooster te maken voor jongeren als ze opeens van veel verder weg moeten komen. En Jeroen (19 jaar) had graag contact met zijn familie willen behouden: ‘
“
Dat ze mij zouden ondersteunen om contact met mijn moeder en mijn vader te behouden.’’
Ik heb door de verschillende verhuizingen niet echt een baan kunnen vinden, omdat ik niet duidelijk kon zijn over hoelang ik op één plek zou blijven.’’
17
3.5.
Wat zeggen professionals?
Tijdens de focusgroep zijn we in gesprek gegaan over mogelijke verbeterpunten voor: (1) het verminderen van doorplaatsingen, (2) jongeren voorbereiden op en begeleiden bij doorplaatsingen, en (3) de effecten op diverse leefgebieden. 1. Het verminderen van doorplaatsingen Het feit dat jongeren doorgeplaatst moeten worden, betekent dat ze uithuisgeplaatst zijn. De professionals geven aan dat preventie aan de voorkant, dus vóór de uithuisplaatsing, (zoals betere hulp bij de thuissituatie, om een uithuisplaatsing te voorkomen) al veel kan opleveren. Dit voorkomt dat er een uithuisplaatsing plaatsvindt en voorkomt daarmee ook dat er een vicieuze cirkel ontstaat van doorplaatsing op doorplaatsing. Als er namelijk een crisissituatie uitbreekt in de thuissituatie, ben je te laat en vaak moet het kind dan uithuisgeplaatst worden. Een ander verbeterpunt is dat een nieuwe woonplek beter geïnformeerd moet worden over de achtergrond en problematiek van het desbetreffende kind. Door het gebrek aan informatie gaat het vaak fout binnen de groep of pleeggezin, omdat er geen passende hulp geboden kan worden. Meer tijd investeren in het matchingsproces tussen een te plaatsen kind en de samenstelling van de reeds aanwezige kinderen op een groep of in een gezin(shuis) is hierbij ook erg belangrijk.
Als dit niet of te snel heeft plaatsgevonden (wat regelmatig voorkomt in tijden van crisis of plaatsgebrek) heeft dat als gevolg dat een kind binnen afzienbare tijd weer moet worden doorgeplaatst. Ook wordt aangegeven dat er meer moet worden gekeken naar wat de context om een kind heen kan doen (school, groepsleider, ouders waar mogelijk betrekken), in plaats van te kijken naar wat een kind mankeert. De context maakt namelijk dat een kind zich veilig voelt en dat het niet wegloopt of agressief wordt bijvoorbeeld. Er wordt geopperd om hierbij het voorbeeld vanuit de gehandicaptenzorg te volgen, waar veel gewerkt wordt met de ‘Triple C’ methode[4]. Hierin staan menselijke behoeften centraal–zoals autonomie en veiligheid, en worden gedragsproblemen van een kind gezien als een uiting van deze onvervulde behoeften. Daarbij wordt door hulpverleners vaak beoordeeld op de kalenderleeftijd van een kind, maar een kind met zware trauma’s heeft een veel lagere sociaal-emotionele leeftijd: er wordt aangeven om erop te letten dat je als hulpverlener niet te hoge eisen stelt qua verantwoordelijkheid en een kind daarop afrekent.
2. Kinderen voorbereiden op en begeleiden bij doorplaatsingen Om kinderen beter voor te bereiden op de doorplaatsing, als deze echt onvermijdelijk is, geven professionals aan dat begeleiders geen valse verwachtingen moeten scheppen. Ook geven zij aan dat keuzes die gemaakt worden over de kinderen eerlijk gecommuniceerd moeten worden. Op dit moment gebeurt dit volgens de professionals niet altijd. Een tweede verbeterpunt dat genoemd wordt, is dat het mogelijk moet zijn dat kinderen en jongeren langzaam af kunnen bouwen bij hun huidige woonplek, want verhuizen is een grote verandering. Tot slot wordt gezegd dat hulpverleners een kind mogen opzoeken op de nieuwe plek als het kind dat graag wil. Een hulpverlener zegt hierover:
“
Dit stukje contact, waarmee je laat zien als begeleider dat je ze niet bent vergeten, is vaak heel waardevol voor de jongeren. Al is het maar een telefoontje of een appje.’’
3. De effecten op school en mentale gezondheid Kinderen kunnen vaak (deels) niet naar school tijdens hun tijd in de jeugdzorg en twee professionals geven aan dat dit probleem bij de scholen ligt. Scholen kunnen jongeren met een ‘’te groot dossier, te veel problematiek’’ weigeren. Ze kunnen geen ondersteuning bieden, want dit kost te veel geld en tijd. Een verbeterpunt zou kunnen zijn dat scholen moeilijker jongeren kunnen weigeren en dat scholen extra middelen krijgen bij de begeleiding van een kind. Verder gaven veel jongeren aan dat hun mentale gezondheid juist verder achteruitging tijdens hun doorplaatsingen. Volgens een aantal professionals komt dit mede door niet passend gedrag van begeleiders richting de jongeren en dat er niet achter het gedrag wordt gekeken (zoals bij punt 1 ook is aangegeven). Een hulpverlener zei: ‘
“
Ik hoor collega’s tegen jongeren zeggen dat als ze niet stoppen met bepaald gedrag, dat ze dan doorgeplaatst zullen worden. Dat kan echt niet, een kind voelt zich niet veilig hierdoor.’’
Een ander vulde aan:
“
Kijk niet naar wat een kind hééft, maar wat het nódig heeft.’’
Durf daarbij als hulpverlener ook aan de bel te trekken als de problematiek te complex is en je extra hulp nodig hebt. Dit kan bijvoorbeeld bij het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE). 4
https://www.triplecwerkplaats.nl/over-triple-c/
18
4
Conclusies en aanbevelingen
In dit onderzoek hebben we de redenen achter een doorplaatsing in kaart gebracht, hoe jongeren doorplaatsingen hebben ervaren op diverse leefgebieden, en in hoeverre zij zich gehoord en gesteund voelden rondom de doorplaatsing. Dit is gedaan aan de hand van drie onderzoeksmethoden, namelijk 1) een vragenlijst onder 119 jongeren van 16 t/m 23 jaar die door zijn geplaatst, 2) diepte-interviews met 15 jongeren die door zijn geplaatst, en 3) een focusgroep met professionals die werk(t)en met jongeren die door zijn geplaatst. Per onderzoeksvraag reflecteren we op de resultaten en doen we aanbevelingen voor verbeteringen. 1. Hoe vaak zijn de deelnemende jongeren doorgeplaatst en wat zijn daarvoor de redenen? Op basis van dit onderzoek lijken meerdere doorplaatsingen eerder regel dan uitzondering. In onze steekproef waren jongeren gemiddeld zes keer doorgeplaatst in hun leven. En één op acht jongeren zelfs meer dan tien keer. Gevraagd naar de redenen voor de doorplaatsing, weet meer dan een kwart van de jongeren niet waarom ze doorgeplaatst worden. Redenen die jongeren (of kinderen) te horen krijgen variëren, maar het lijkt erop dat het maar zelden vanuit de wens of behoefte van de jongere gebeurt.
Redenen die jongeren het meest te horen krijgen, zijn het ontbreken van passende hulp op de woonplek (de problematiek van de jongeren werd geregeld te complex bevonden voor de begeleiding). Ook problemen in het (pleeg)gezin of op de locatie werden vaak genoemd als reden om doorgeplaatst te worden, zoals dat er geen match was tussen het gezin en de jongere of dat de instelling sloot. Bovendien werd een deel van de jongeren verteld dat ze toe waren aan meer zelfredzaamheid, waarna ze door werden geplaatst. 2. In hoeverre worden jongeren betrokken of gehoord rondom de beslissing om te worden doorgeplaatst? Het beeld dat ontstaat op basis van dit onderzoek is dat er ondanks aanbevelingen in legio eerdere onderzoeken (o.a.: Balogh e.a., 2022; Ince & Schmidt, 2017; Sondeijker e.a., 2020; Verwijs et al., 2011) nog steeds niet met, maar over jongeren wordt gesproken en dat veelal zonder hen te betrekken ingrijpende beslissingen over hun leven worden genomen. De impact die het niet
betrekken van kinderen en jongeren bij dergelijke beslissingen heeft is groot en zelden positief voor de betreffende kinderen en jongeren. Daar waar jongeren zeiden wel betrokken te zijn geweest, keken ze ook positiever terug op de doorplaatsing. Het minimale dat ze verwachten is tijdig duidelijkheid krijgen over een doorplaatsing. 3. Is er sprake van hulp of steun rondom de doorplaatsing? Ondanks dat uit eerder onderzoek (o.a.: de Boer e.a., 2023; Capelle & Cox, 2021; Peelen e.a., 2023) in de jeugdzorg is gebleken dat steunfiguren voor jongeren nuttig zijn en ook zeer gewaardeerd worden, ontbrak het vele jongeren aan een steunfiguur. Er was bij een groot deel van de jongeren een sterke behoefte aan meer duidelijkheid, steun, veiligheid en een vast persoon die er voor hen was voorafgaand, tijdens en na een doorplaatsing. Zowel uit de vragenlijsten als uit de interviews blijkt dat jongeren veelal negatief zijn over de manier waarop de doorplaatsing verliep. Er werd met name weinig steun ervaren en weinig tot geen informatie verstrekt over de nieuwe woonplek. Een aantal jongeren heeft wel steun en duidelijkheid gekregen, maar deze groep was sterk in de minderheid. Ook hadden jongeren graag meer steun gekregen bij de doorplaatsing zelf, en hadden zij afscheid willen nemen van de mensen met wie zij woonden.
Veel jongeren misten een steunfiguur tijdens hun tijd in de jeugdzorg en zij konden geen contact houden met de mensen van de vorige woonplek. Dat veel jongeren doorgeplaatst werden zonder aanwezigheid van een steunfiguur, laat zien dat jongeren het vaak alleen moesten doen. En de mentor/persoonlijk begeleider van de jongere die geregeld bij de doorplaatsingen aanwezig waren, verloren ze vaak na de doorplaatsing uit het oog. Sommige jongeren mochten geen contact onderhouden met vrienden, terwijl zij hen juist als hun steunfiguur beschouwden. Hoewel dit ook uit veiligheid kon worden gedaan, wijst niets er op dat er met kinderen en jongeren wordt gekeken naar wie er voor hen belangrijk zijn: hebben die mensen een positieve dan wel negatieve invloed op jou en hoe kunnen we er samen voor zorgen dat je een aantal van die mensen kunt blijven zien? Hoewel dit geen duurzame oplossing is, geven ook professionals aan dat het toegestaan moet zijn om vrijwillig contact te mogen behouden met jongeren. Dit is nu nog niet (standaard) het geval, maar kan mogelijk worden gemaakt op verzoek van zowel een hulpverlener als een jongere (wellicht in de vorm van ambulante uren). De professionals zijn van mening dat vrijwillig contact veel voor de jongeren kan betekenen. De jongeren wijzen er inderdaad op dat als dit (privé) toch werd gedaan, dit gebaar erg gewaardeerd werd.