CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

047. 0664NL.IMRO.0664.BPWI02-ON99 Ontwerp On99.Pdf

Besluitvormende raad 19 september 2024, gemeente GoesBij agendapunt: Bestemmingsplan Wilhelminadorp-Zuid17.048 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Zuidelijke sloot Aan de zuidzijde van het plangebied is een sloot gelegen die niet als leggerwater is aangeduid (grijs weergegeven in figuur 4.3). Deze sloot, een kopsloot, maakt geen deel uit van de reguliere onderhoudswerkzaamheden die binnen de BOB-overeenkomst van waterschap en gemeente vallen (onderhoudsafspraken).

Toekomstige oppervlaktewatersysteem In het kader van de toekomstige ontwikkeling van het plangebied is overleg gevoerd met het waterschap over het watersysteem. Vanuit dit overleg zijn diverse aandachtspunten, kansen en potentiële knelpunten benoemd. Deze zijn verwerkt in het toekomstige oppervlaktewatersysteem. Eisen De waterafvoer van noordelijke in zuidelijke richting dient gewaarborgd te blijven. Alle waterlopen moeten toegankelijk zijn voor onderhoud en derhalve zijn voorzien van een onderhoudsstrook. Deze strook is minimaal 5 meter breed in geval van enkelzijdig onderhoud (maximale bovenbreedte waterloop is dan 8 meter). Voor enkelzijdig onderhoud (afwijking van de Keur) dient een watervergunning te worden aangevraagd. In geval van het realiseren van nieuwe waterlopen geldt een minimaal profiel van 0,5 meter bodembreedte en een talud van 1:2. Bij een toename aan verharding (realisatie nieuwbouwwijk) dient er aanvullende bergings-capaciteit te worden gerealiseerd. Deze bedraagt 75 mm ten opzichte van het toegenomen verhard oppervlak en dient binnen het plangebied te worden gerealiseerd. In geval van werkzaamheden op of nabij de waterlopen kan onderzocht worden of de oevers ecologisch ingericht kunnen worden. Verder is het wenselijk geen gebruik te maken van uitlogende materialen zoals zink, lood en verduurzaamd hout.

Nieuwe westelijke waterloop Aan de westzijde van het plangebied wordt een nieuwe waterloop gerealiseerd in het verlengde van de bestaande waterloop die noordelijk langs de Lindenberghstraat is gelegen. Deze waterloop kan direct invulling geven aan de noodzakelijke bergingscompensatie voor de nieuw te realiseren bebouwing. De aansluiting van deze waterloop op het bestaande watersysteem is een punt van aandacht. Het doortrekken van de waterloop in zuidelijke richting tot aan de Wilhelminapolderweg lijkt logisch, maar stuit op problemen qua hoogteligging van de bestaande waterlopen langs deze weg. De bodem ter plaatse ligt namelijk aanzienlijk hoger. Het op diepte brengen van de sloten langs de Wilhelminapolderweg vereist een aanzienlijke verbreding om dit mogelijk te maken. Dit vergt een financiële investering en een aanzienlijk ruimtebeslag. Vanuit deze overwegingen is er daarom voor gekozen om de nieuwe westelijke waterloop aan te sluiten op de eerder genoemde tertiaire waterloop aan de zuidzijde van het plangebied. In afstemming met het waterschap moet bezien worden op welke wijze deze tertiaire waterloop moet worden opgewaardeerd om te voldoen aan de minimale eisen van het waterschap en om te worden opgenomen in de BOB-overeenkomst. De tertiaire waterloop wordt iets in westelijke richting verlengd.

Op deze manier kan de totale afvoer in het gebied worden gewaarborgd en wordt voorkomen dat de nieuwe westelijke waterloop een kopsloot wordt (zonder doorspoeling). Oostelijke waterloop Gezien de huidige inrichting van de oostelijke waterloop, het verdeelde eigendom en de aangesloten regenwaterafvoeren en de heersende wensen en gevoelens van de aangrenzende bewoners is het wenselijk om deze waterloop intact te houden. Vanuit het watersysteem beredeneerd blijft daarmee de afvoer vanuit het gehele gebied goed gewaarborgd. Riolering Rondom het plangebied, in de kern Wilhelminadorp, is bestaande riolering aanwezig voor de betreffende bebouwing. Aan de oostzijde betreft dit een gemengd rioolstelsel, waarbij een deel van de verharding oppervlakkig afvoert naar de centraal gelegen groenzone in de I.G.J. van den Boschstraat. Met behulp van IT-riolering (infiltratieriolering) wordt het overtollige regenwater afgevoerd naar het oppervlaktewater in de buurt. Aan de noordzijde van het perceel (Lindenberghstraat) is een gescheiden rioleringssysteem aanwezig. Het overtollige regenwater voert via regenwaterriolering af naar het oppervlaktewater en de vuilwaterriolering sluit aan op de gemengde riolering in de I.G.J. van den Boschstraat.

Het gemengde riool voert in zuidelijke richting af naar het hoofdrioolgemaal van Wilhelminadorp dat gelegen is aan de I.G.J. van den Boschstraat. Het rioolgemaal is gelegen ter hoogte van het punt waar deze weg overgaat op het gelijknamige fietspad. Het rioolgemaal is in beheer en eigendom van waterschap Scheldestromen. De nieuwbouw in het plangebied dient gescheiden gerioleerd te worden, waarbij het regenwater en het afvalwater separaat worden aangeboden. Het regenwater vanaf het verhard oppervlak dient direct (oppervlakkig) of via regenwaterriolering geloosd te worden op het aangrenzende oppervlaktewater. Oppervlakkige afstroming van de wegen en overige verharding kan onder meer door voldoende hoogteverschil (afschot) in het maaiveld aan te brengen, richting de randen van de kern waar het oppervlaktewater zich bevindt. Waar mogelijk wordt ook gebruik gemaakt van voorzieningen als ‘groenparkeren’ om de hoeveelheid verharding zoveel als mogelijk te beperken. Het afvalwater wordt verzameld in een vuilwaterriool. Dit kan worden aangesloten op de bestaande vuilwater- of gemengde riolering in de bestaande kern. Wateroverlast Het beleid van de gemeente Goes is er op gericht om wateroverlast tot een minimum te beperken.

Bij het ontwerpen van water- en rioleringssystemen wordt gewerkt met maatgevende neerslag-situaties die een vastgestelde frequentie van voorkomen hebben (herhalingstijd). Aan de hand daarvan wordt het ontwerp uitgewerkt. Voor riolering is dit een korte hevige regenbui, de zogenaamde bui 08 conform de Kennisbank Stedelijk Water. Dit is een neerslagsituatie van één uur met een omvang van circa 20 mm, die statistisch gezien eenmaal per twee jaar optreedt. Het oppervlaktewater in stedelijk gebied reageert anders en wordt op overstroming/inundatie getoetst aan een regenbui T=100 (maatgevende neerslagsituatie die statistisch gezien eenmaal per honderd jaar optreedt). Conform landelijke afspraken (NBW) mag er bij deze neerslagsituatie geen inundatie optreden vanuit het oppervlaktewater. Het waterschap heeft op basis van berekeningen het bijbehorende maximale peil voor peilgebied GPG1385 (streefpeil NAP-0,90 meter zomerpeil en NAP-1,00 meter winterpeil) bepaald op NAP-0,15 meter. In geval de bodem van de waterloop hoger ligt dan dit peil, kan worden uitgegaan van een bergende schijf van maximaal 40 cm water. Het bovenstaande betekent dat er voor die statische bui (T=100) geen inundatie optreedt.

Indien er onverhoopt water op straat optreedt (door een hogere en/of langere neerslagfrequentie en/of door afstroming daarvan), ligt de prioriteit bij het voorkomen dat water vanaf de openbare ruimte woningen instroomt (schade). Om die reden wordt vanuit de gemeente voorgeschreven dat bij nieuwe ontwikkelingen het bouwpeil circa 20 tot 30 cm boven het straatpeil ligt. Waterberging Het plangebied is in de bestaande situatie niet verhard. In de toekomstige situatie komt er nieuwe verharding bij in de vorm van de nieuwe bebouwing van woningen en van de straten en parkeervoorzieningen in de openbare ruimte. Deze nieuwe verharding zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. Dit dient gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging. Zoals eerder genoemd kan deze compenserende waterberging gevonden worden in met name de nieuw te realiseren waterloop aan de westzijde van het perceel. De omvang van de compenserende waterberging bedraagt 75 mm per nieuwe m2 verharding. Het plangebied kent een bruto omvang van circa 1,8 ha. Uitgaande van een verhardingspercentage van circa 40% van de uitgeefbare percelen en inclusief groene parkeervoorzieningen komt er ongeveer 7.600 m2 nieuwe verharding in het gebied bij. De compenserende waterberging voor deze verharding bedraagt dan 75 mm x 7.600 m2 = 570 m3.

Een belangrijk deel van deze compenserende waterberging kan gevonden worden in de nieuwe westelijke waterloop en gedeeltelijk in de opwaardering van de tertiaire waterloop ten zuiden van het plangebied. Bij de verdere uitdetaillering van de waterlopen naar de definitieve eindsituatie dient qua dwarsprofielen en dergelijke hier rekening mee te worden gehouden.

Bodem- en grondwatersysteem Volgens de waterkansenkaart van de provincie Zeeland (bodem) is het gebied waar het perceel in is gelegen matig zettingsgevoelig. Dit wordt met name veroorzaakt door de grondslag. De bodem bestaat uit klei en fijne zandgronden. Door de bodemsamenstelling zijn er ook zeer geringe mogelijkheden voor infiltratie. Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of in een gebied met specifieke milieubeschermingseisen. Volgens de waterkansenkaart kan de gemiddeld hoogste grondwater-stand stijgen tot circa 40-60 cm onder het maaiveld. Ten aanzien van het grondwater is er in de huidige situatie geen grondwateroverlast (bekend) en ook in de directe omgeving zijn er geen meldingen hiervan bekend. De waterkansenkaart geeft aan dat er sprake is van geringe tot matige kwel. Vanuit de eerdere keuze om de oostelijke waterloop te handhaven, kan dit ook vanuit het perspectief van het grondwater positief meewerken. Het oostelijk gelegen Havenkanaal kent een peil van NAP+1,30 meter, hetgeen beduidend hoger is dan de omgeving. De bestaande waterloop tussen het kanaal en het nieuwe perceel dient in zeker zin ook als kwelsloot. In de bestaande omgeving (zowel de Lindenberghstraat als de I.G.J. van den Boschstraat) zijn peilbuizen geplaatst. Deze peilbuizen meten de freatische grondwaterstanden.

Uit de metingen blijkt dat het grondwater ruim beneden maaiveld staat (1,00 tot 1,60 meter). Toetsing Watertoetstabel De watertoetstabel (zie tabel 4.1) brengt de waterhuishoudkundige consequenties van de ruimtelijke ontwikkeling in beeld. Voor de realisatie van de nieuwbouwwijk Wilhelminadorp Zuid is deze tabel ingevuld om hier inzicht in te geven. Tabel 4.1 Watertoetstabel Thema en water(schaps)doelstelling Veiligheid waterkering Waarborgen van het veiligheidsniveau tegen water en de daarvoor benodigde ruimte. Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater) Bij de bouw wordt voldoende op hoogte gebouwd om instroming van oppervlaktewater in maatgevende situatie(s) te voorkomen. Het plan biedt voldoende ruimte voor vasthouden / bergen / afvoeren van water.

Uitwerking Langs het Havenkanaal ligt een regionale kering. De beschermingszones daarvan liggen echter buiten het plangebied. Het veiligheids-niveau tegen water blijft onaangetast. De bestaande waterlopen in en rondom het plangebied functioneren naar behoren. Er zijn geen knelpunten bekend. Voor de nieuwe westelijke waterloop dient, in overleg met het waterschap, een minimaal talud van 1:2 te worden gehanteerd en een bodembreedte van 1,00 meter. De toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied leidt tot een toename aan verharding. Hiervoor dient daarom compen-serende berging te worden aangelegd met een omvang van circa 570 m3. Deze berging wordt grotendeels gevonden in de aanleg van de nieuwe, westelijke waterloop langs het plangebied.

Waterschapsobjecten Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van waterschapsobjecten niet belemmeren. Hierbij wordt gedacht aan milieucontouren rond RWZI’s, rioolpersgemalen, poldergemalen, vrijverval- en/of

Er vindt geen belemmering van de werking van waterschapsobjecten plaats. Indien voor de toegankelijkheid van het perceel waterlopen (op een nieuwe locatie) gekruist moeten worden, dient afstemming met het waterschap plaats te vinden (onder andere afmetingen duikers).

persleidingen. Watervoorziening / -aanvoer Het voorzien van de bestaande functie van (gronden/of oppervlakte)water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water. Volksgezondheid (water gerelateerd) Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.

De watervoorziening in het plangebied is niet in het geding. Er vindt gescheiden afvoer van hemelwater en vuilwater plaats vanuit het plangebied. Hergebruik van hemelwater wordt ter overweging meegegeven (bijvoorbeeld grijswatergebruik voor toiletten). Waar mogelijk kunnen oevers natuur-vriendelijk en/of met een flauw talud en plasbermen worden ingericht. Bij de bouw wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van duurzame materialen.

Riolering / RWZI (inclusief water op straat / overlast) Optimale werking van de zuiveringen / RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.

Het plangebied wordt gescheiden gerioleerd, waarbij getracht wordt diverse verharde oppervlakken rechtstreeks (oppervlakkig) te laten afwateren naar de aanwezige waterlopen en verharding te beperken via bijvoorbeeld ‘groenparkeren’.

Oppervlaktewaterkwaliteit

Verslechtering van de waterkwaliteit is niet aan de orde.

Behoud / realisatie van goede oppervlaktewater-kwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveld-dalingen met name in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken.

Er vindt geen verandering plaats van de bestaande oppervlaktewaterpeilen of ontwikkelingen die van invloed zijn op de grondwaterstand. Het plangebied is omgeven door waterlopen die fluctuaties in de grondwaterstand naar en vanuit de omgeving ‘uitdempen’. Bodemdaling zal niet optreden.

Grondwaterkwaliteit Behoud / realisatie van een goede grondwater-kwaliteit. Grondwateroverlast Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast.

Verdroging (natuur)

Er zijn geen locaties bekend waar de kwaliteit van het grondwater tekort schiet.

Er is geen sprake van grondwateroverlast. Als er wel grondwateroverlast optreedt, kan de particuliere perceeleigenaar zijn overtollige grondwater aanbieden aan de gemeente Goes. De gemeente draagt zorg voor een doelmatige afvoer hiervan. Verdroging is niet aan de orde.

Bescherming karakteristieke grondwater afhankelijke ecologische waarden; van belang in en rond natuurgebieden (hydrologische) beïnvloedingszone. Natte natuur

Het plangebied en de (directe) omgeving kent geen natte natuurwaarden. Op basis van de flora-

Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.

en fauna quickscan worden de bestaande houtwallen aan de noord- en zuidzijde van het plangebied gehandhaafd.

Onderhoud waterlopen

Onderhoud aan waterlopen wordt uitgevoerd conform de ‘BOB-afspraken’ tussen gemeente en waterschap Scheldestromen. Voor de zuidelijke waterloop (geen leggerwater) zullen hierover aanvullende afspraken met het waterschap worden gemaakt.

Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden kunnen worden.

Waterschapswegen Goede bereikbaarheid en in stand houden van wegen in beheer en onderhoud bij het waterschap.

Het plangebied zelf kent geen waterschaps-wegen. Wel zijn de zuidelijk gelegen Wilhelminapolderweg (erftoegangsweg A) en het naastgelegen fietspad aangeduid als waterschapsweg.

Conclusie Het watertoetsproces geeft inzicht in de waterhuiskundige consequenties van het plan. In deze paragraaf is een watertoetstabel opgenomen. Deze zal naar het Waterschap gestuurd worden. De reactie die hierop zal volgen, wordt verwerkt in de watertoetstabel. Uit de watertoetstabel volgt vervolgens dat het aspect Water vooralsnog geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Flora en Fauna Inleiding De wet natuurbescherming zorgt ervoor dat planten- en diersoorten blijven bestaan. Kwetsbare soorten mogen niet verdwijnen. Toetsing van de ruimtelijke ingreep vindt daarom plaats aan de hand van de Natuurbeschermingswet waarin onder andere de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn omgezet naar nationale wetgeving. Toetsingskader De wet natuurbescherming vormt het toetsingskader voor het plangebied is daarom een quickscan beschermde soorten en gebieden uitgevoerd (bijlage 3 Notitie quickscan beschermde soorten en gebieden woningbouwontwikkeling, Wilhelminadorp) Toetsing Stikstofdepositie De uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 heeft een streep gezet door de tijdelijke vrijstelling van de stikstofuitstoot als gevolg van de sloop-, aanleg- en bouwfase, zoals opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Hierdoor dient het stikstofonderzoek net als voorheen niet alleen de gebruiksfase te beslaan, maar ook rekening te houden met (de mobiele voertuigen die ingezet worden bij) de sloop-, aanleg- en bouwfase. Bovendien zal met de inwerkingtredingvan de Omgevingswet ook een inspanningsverplichting gaan gelden om de stikstofuitstoot bij bouwprojecten te verminderen. Door deze uitspraak dienen stikstofberekeningen te worden uitgevoerd zoals voor 1 juli 2021 het systeem was.

Dit betekent dat conform de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig kan zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen. Voor deze ontwikkeling heeft IDDS een onderzoek, kenmerk A4233-07/VMI/rap1, naar de gevolgen van de bouw en gebruik van deze woonwijk opgesteld. Uit het onderzoek blijkt dat het planvoornemen niet tot extra stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden leidt. Het onderzoek is in bijlage 4 gevoegd.

Dit aspect vormt geen belemmering voor het plan. Planten Uit de NDFF (databank waarin waarnemingen van planten- en diersoorten worden opgeslagen en gevalideerd) is in dit plangebied de beschermde naakte lathyrus en bokkenorchis bekend. Naakte lathyrus is een zeer zeldzame vlinderbloemige van lichte bodems en zonnige standplaatsen en stond van oudsher vaak in graanakkers en klavervelden. De waarnemingen van deze soort komen vooral uit de bebouwde kom van Goes. Bokkenorchis komt voor in bestendig beheerde, stikstofarme bermen en graslanden. Het plangebied en naastgelegen terrein zijn (als intensief gebruikte akker in een poldergebied op zeeklei) niet geschikt voor naakte lathyrus, bokkenorchis of andere beschermde soorten. In de groenzone komen algemene grassen en kruiden voor van voedselrijke bodems. De ondergroei van de houtwallen is niet vlakdekkend onderzocht maar op grond van de aanwezige soorten in de vegetatie (braam, brandnetel, look-zonder-look, fluitenkruid) wordt het voorkomen van beschermde soorten ook hier uitgesloten. Ongewervelden Uit de ruime omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde ongewervelden bekend (NDFF, 2022). Het voorkomen van beschermde ongewervelden in het plangebied wordt uitgesloten. Vissen Uit de ruime omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde vissen bekend (NDFF, 2022).

Vanwege de beperkte waterkolom, matige waterkwaliteit (en mogelijk brak water) wordt het voorkomen van beschermde vissen in sloten in en rondom het plangebied uitgesloten. Amfibieën Indien de sloten brak zijn, vormen deze daardoor geen geschikt voortplantingswater voor amfibieën. Indien de sloten niet brak zijn, kunnen ze voor beperkte aantallen algemeen voorkomende (nietkritische) amfibieën gebruikt worden voor de voortplanting. Vanwege de naastgelegen agrarisch gebruikte akker is de waterkwaliteit beperkt en de geschiktheid daardoor gering. In tuinvijvers in omliggende tuinen komen de algemeen voorkomende amfibieën vermoedelijk voor. In de houtwallen kunnen deze soorten geschikt landhabitat vinden. De akker heeft nauwelijks tot geen betekenis voor amfibieën. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor overtreding van verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen. Op grond van verspreidingsgegevens (NDFF) en het veldonderzoek wordt geconcludeerd dat het plangebied géén betekenis heeft voor andere beschermde soorten amfibieën. Reptielen Uit de ruime omgeving van het plangebied zijn geen reptielen bekend (NDFF, 2022). Een uitzondering is een locatie in Kattendijk; hier komen muurhagedis en hazelworm voor. Dit betreft uitgezette dieren. Het plangebied en ruime omgeving is niet geschikt voor reptielen; intensief gebruikte akkers en houtwallen vormen geen geschikt leefgebied.

De aanwezigheid van reptielen in het plangebied wordt uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Uit de ruime omgeving van het plangebied zijn de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren bekend: haas, konijn, bunzing, wezel, hermelijn, woelrat, egel. Alle genoemde zoogdieren zijn van het ‘Beschermingsregime andere soorten’. Voor de meest soorten geldt dat er een vrijstelling is voor overtreding van verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen. Haas, konijn, wezel en hermelijn zijn in de provincie Zeeland niet vrijgesteld. Het plangebied vormt een (geschikt) leefgebied voor de haas. In de houtwallen, ondergroei en groenzone kunnen de volgende soorten voorkomen: bunzing, egel, wezel, hermelijn, bosmuis, veldmuis, rosse woelmuis. In de houtwal en op de akker kunnen veldmuis, haas en konijn voorkomen. Konijn kan burchten hebben in de houtwal aan de zuidzijde van het plangebied. De haas kan eveneens gebruik maken van de houtwal en groenzone. Ook kleine marterachtigen zoals bunzing, hermelijn en wezel kunnen verblijfplaatsen hebben in deze houtwal. Kleine marterachtigen hebben veelal grote territoria (meerdere hectare). Verspreid over het territorium hebben ze schuilplaatsen; vanwege de grote hoeveelheid oud hout en stronken (dekking) en de rustige ligging is de zuidelijke houtwal zeer geschikt. Vanwege de beperkte alternatieve locaties

met dekking in het polderlandschap kan de houtwal van wezenlijke betekenis zijn voor wezel, bunzing en/of hermelijn. Op grond van verspreidingsgegevens (NDFF) en het veldonderzoek wordt geconcludeerd dat het plangebied géén betekenis heeft voor andere beschermde soorten grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Uit de ruime omgeving zijn waarnemingen van gewone dwergvleermuis bekend (NDFF, 2022). Rust- en verblijfplaatsen Vanwege afwezigheid van gebouwen in het plangebied zijn verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten. De groenzone met solitaire populieren vormt geschikt foerageergebied voor vleermuizen. De populieren zijn nog relatief jong en hebben geen holten. Verblijfplaatsen van boombewonende soorten zijn hier uitgesloten. In de houtwal aan de zuidkant van het plangebied staan een aantal beuken met spechtenholten in de stam. Een oude wilg heeft ook losse schors en scheuren in de stam. Deze holten vormen mogelijk verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Dergelijke holten kunnen gedurende het gehele jaar worden gebruikt; als winter-, zomer, paar- en kraamverblijfplaats. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn beschermd.

Foerageergebied en vliegroute De houtwallen aan noord- en zijde van het plangebied zijn geschikt als foerageergebied voor diverse soorten vleermuizen; vanwege de openheid van de rest van het landschap vormen de houtwallen belangrijke plekken met dekking, voedsel (insecten) en luwte. Het plangebied ligt in open agrarisch polderlandschap; struwelen en opgaande beplantingen zijn zeer schaars. De houtwallen kunnen vanwege de beperkte alternatieven in de ruime omgeving van wezenlijke betekenis zijn als foerageergebied. Ook als vliegroute zijn de houtwallen geschikt; zij vormen structuren in het landschap. Vleermuizen maken gebruik van sonar bij hun oriëntatie; vanwege afwezigheid van andere structurerende elementen kunnen de houtwallen van wezenlijke betekenis zijn als essentiële vliegroute tussen verblijfplaats en foerageergebied (en een beschermende functie hebben op grond van de Wet natuurbescherming). Vogels Tijdens het veldbezoek zijn groene specht en grote bonte specht waargenomen, voor deze soorten is de zuidelijke houtwal zeer geschikt als broedhabitat. Verder zijn andere holtebroedende soorten zoals kool- en pimpelmees waargenomen. Nesten van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats zijn niet vastgesteld in de houtwallen of in de solitaire populieren in de groenzone.

Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van nesten van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats uitgesloten. De beide houtwallen vormen een geschikt broedbiotoop voor algemeen voorkomende vogels (merel, houtduif, zwartkop, fitis, heggenmus) waarvan de nestplaats niet jaarrond beschermd is Conclusie Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied betreft 'Oosterschelde' op circa 1.500 meter. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Op circa 700 meter van de ontwikkeling is natuurgebied ‘Oosterschenge’ aanwezig. Dit natuurgebied behoort tot het Natuurnetwerk Zeeland. De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op deze beschermde gebieden. De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg. Soortenbescherming Uit nader onderzoek is gebleken dat het voor de voorgenomen ontwikkeling niet noodzakelijk is om een ontheffing soortbescherming Wet natuurbescherming aan te vragen indien de houtwallen buiten de plangrens blijven. Door de houtwallen te sparen en niet te belichten en te betreden wordt vernietiging van verblijfslocaties voorkomen.

4.6 Geluidhinder Inleiding De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moeten deze aspecten worden getoetst. In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, en andere geluidsgevoelige gebouwen, zoals scholen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende infrastructuur. Indien nieuwe woningen worden gebouwd en deze liggen binnen de geluidszone van een weg, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting. In het akoestisch onderzoek “bestemmingsplan Wilhelminadorp deellocatie 3” van 04-04-2023, projectnummer 20230404-01, is onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting van de omliggende wegen op de woningen in het plangebied. Toetsingskader Wegverkeerslawaai Bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan of een herziening daarvan dient op grond van artikel 76 van de Wgh een onderzoek naar verkeerslawaai te worden ingesteld. Hierbij moeten de in de wet aangegeven, binnen de zones langs de wegen geldende, waarden in acht worden genomen.

Alle wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing, zoals woningen, binnen de wettelijke geluidzones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Voor het onderhavige bestemmingsplan, dat de mogelijkheid biedt tot het bouwen van nieuwe woningen en het aanleggen van nieuwe wegen moet op basis van de Wet geluidhinder akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Toetsing De geluidsbelasting in de toekomstige situatie als gevolg van verkeer op de Langeweg, Brugstraat, Wilhelminapolderweg, Westhavendijk en straten in het dorp resulteert niet in een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de woningen in het plangebied. Conclusie Wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.

4.7 Luchtkwaliteit Inleiding Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De verontreiniging is afkomstig van verschillende bronnen, zoals het gemotoriseerde verkeer, industriële en agrarische inrichtingen en achtergrondconcentraties van verontreinigende stoffen. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn: Regels opgesteld die de uitstoot van verontreinigende stoffen door de industriële en agrarische inrichtingen en het gemotoriseerde verkeer beperken. Grenswaarden opgesteld waaraan de kwaliteit van de buitenlucht moet voldoen. Vooral de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn vaak beperkend bij het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. Uitgangspunt is dat een project niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de

luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren. De normen voor luchtkwaliteit staan in de Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2 luchtkwaliteitseisen. Luchtkwaliteitsnormen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als aannemelijk is dat aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden wordt voldaan: <0000> Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. <0000> Een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. <0000> Een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. <0000> Een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Toetsingskader In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderhavig plan bestaat uit de realisatie van 30 woningen en ligt daarmee ver onder de het aantal van 1.500 woningen. Het project is dan ook te beschouwen als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de toename aan NO2 en PM10 inzichtelijk gemaakt aan de hand van de NIBM tool.

Daarbij is uitgegaan van een uitbreiding van 59 woningen. De hierdoor veroorzaakte verkeersgeneratie bedraagt volgens de landelijke verkeerskencijfers van het CROW (ASVV 2012) 480 autobewegingen per etmaal. De NIBM tool laat zien dat dit niet in betekenende mate bedraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (zie figuur 4.4).

Figuur 4.4 NIBM tool Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.

4.8 Overige milieuhunder en bedrijvigheid Inleiding Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering 2009’ wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Een woning is een gevoelige bestemming en kent derhalve geen milieuzonering. Andersom dient ook gekeken te worden naar de omliggende functies. Ten noorden van het plangebied zijn bedrijven gelegen. Toetsing De bedrijven in de omgeving zijn geïnventariseerd. Om te bepalen of de bedrijven een belemmering vormen voor het plan, zijn de milieucategorieën en bijbehorende richtafstanden uit de VNG-brochure hieronder weergegeven (zie tabel 4.2). Tenslotte is de werkelijke afstand tot het plangebied gemeten. Tabel 4.2 Weergave richtafstanden Bedrijf Milieucategorie Dorpshuis Kibeo Stichting Zeeuwse landschap Basisschool KMWP Kynologenclub Zeeland

2 1 1 2 3.1 3.1

Richtafstand (m) 30 10 10 30 50 50

Afstand tot plan (m) 380 380 250 175 360 750

Voor de ontwikkeling van Wilhelminadorp zuid is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van het terugdringen van de spuitzone van 50 meter. Uit “Locatie specifiek onderzoek spuitzone Wilhelminadorp Zuid” kenmerk 2200546.r01a (bijlage 5) blijkt dat de spuitzone kan worden teruggebracht tot 10 meter. Het ontwerp van de woonwijk is hierop aangepast. Conclusie Aan alle richtafstanden wordt ruimschoots voldaan. Overige milieuhinder en bedrijvigheid vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Externe veiligheid Inleiding Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (bijvoorbeeld een chemische fabriek of lpg-vulpunt) en de transport bronnen (bijvoorbeeld route gevaarlijke stoffen of buisleidingen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de kans op een dodelijk ongeval binnen een bepaald gebied. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Toetsingskader Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen. Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.

Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Besluit externe veiligheid en inrichtingen (Bevi) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen. Ontwikkelingen In het plangebied wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Daarmee worden nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Het plan staat geen risicovolle inrichtingen toe.

Toetsing Risicovolle inrichtingen Om te bepalen of er in en om het plangebied risicovolle inrichtingen zijn gelegen welke van invloed zijn op het plangebied, is het vergunningenbestand van de gemeente Goes en de EV-signaleringskaart geraadpleegd (zie figuur 4.5). In de omgeving van het plangebied is één risicovolle inrichting gelegen. De Koninklijke Maatschap Wilhelminadorp aan de Meestoofweg beschikt over een bovengrondse propaantank van 18m3. Het invloedsgebied van de propaantank ligt binnen de perceelgrenzen van het bedrijf. Deze risicovolle activiteit vormt dus geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.

Figuur 4.5 Uitsnede EV-signaleringskaart risicovolle bedrijven

Transport bronnen Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transport-assen zijn gelegen is de externe veiligheids-signaleringskaart geraadpleegd (zie figuur 4.6). De onderstaande transportassen zijn beoordeeld.

Figuur 4.6 Uitsnede EV-signaleringskaart transport gevaarlijke stoffen Rijkswegen, provinciale wegen, gemeentelijke wegen Rijkswegen, en provinciale wegen waarover een dusdanige hoeveelheid gevaarlijke stoffen wordt vervoerd dat deze externe veiligheid relevant zijn, liggen op meer dan 200 meter. Deze zijn derhalve niet relevant. Gemeentelijke route vervoer gevaarlijke stoffen In het plangebied zijn geen routes vervoer gevaarlijke stoffen gelegen. Spoorweg-Vlissingen Bergen op Zoom Door de gemeente Goes loopt de spoorlijn Vlissingen- Bergen op Zoom. Deze spoorlijn is op ca. 3 kilometer van het plangebied gelegen. Dit traject is derhalve niet relevant. Vaarwegen Vaarwegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn in de omgeving van het plangebied niet aanwezig. Buisleidingen Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van risicovolle leidingen.

Conclusie Transport Er zijn geen relevante transport-risicobronnen in de omgeving van het plangebied gelegen welke een belemmering vormen voor het bestemmingsplan. Conclusie Er zijn geen bedrijven in en om het plangebied aanwezig waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen en/of gebezigd. Daarnaast zijn er in en om het plangebied geen transportmodaliteiten gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Er is derhalve ook geen sprake van een plaatsgebonden risico of groepsrisico. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan

4.10 Vormvrije m.e.r. beoordeling Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen, gevallen, activiteiten en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Sinds 7 juli 2017 zijn gemeenten verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (MER). Het besluit behoeft niet separaat te worden gepubliceerd, maar moet wel worden opgenomen in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. Mede op basis van de bevindingen in dit hoofdstuk van deze toelichting is geconcludeerd dat er geen passende beoordeling en geen MER hoeft te worden opgesteld.

4.11 Duurzaamheid en klimaat Inleiding Het klimaat verandert. Het wordt warmer, we krijgen te maken met langdurige perioden van hitte en droogte, er is een grotere kans op extreme neerslag en de zeespiegel stijgt. Ook bodemdaling en biodiversiteitsverlies zijn een gevolg van een veranderend klimaat. Klimaatverandering wordt veroorzaakt door de hoge concentratie broeikasgassen, zoals CO , in de atmosfeer. Door het verminderen van de uitstoot van CO en andere broeikasgassen kunnen de gevolgen van klimaatverandering beperkt worden. Herstel van biodiversiteit draagt bij aan stabieler ecosystemen waardoor de gevolgen van klimaatverandering beter opgevangen kunnen worden In het Klimaatakkoord van Parijs staat omschreven dat de temperatuur op aarde niet verder mag stijgen dan 2°C, met de ambitie om dit te beperken tot 1,5°C. Landelijk zijn er doelen gesteld om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen: - In 2050 is de uitstoot van CO met 95% verminderd; - In 2050 hebben we een energieneutrale gebouwde omgeving; Vanaf 1 juli 2018 worden nieuwbouwwoningen niet meer op het aardgasnet aangesloten. Ondanks dat we de uitstoot van broeikasgassen verminderen of zelfs stoppen, zullen we te maken krijgen met de gevolgen van klimaatverandering, zoals toenemende extreme weersomstandigheden. Het is daarom van belang de openbare ruimte klimaatbestendig in te richten.

Landelijk is het doel gesteld dat de openbare ruimte in 2050 klimaatrobuust is ingericht. Hiervoor is een landelijke maatlat opgesteld (https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2023Z05065&did=2023D119 15) en wordt er gesproken over het vaststellen van een groennorm voor het stedelijke gebied. Er is hiervoor een verkenning gestart naar de best mogelijke juridische vorm voor verplichting Toetsingskader Gemeentelijk klimaatbeleid De gemeente Goes levert een bijdrage aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en het behalen van de landelijke richtlijnen. Om deze landelijke richtlijnen te halen heeft de gemeente Goes de volgende doelstellingen vastgesteld: <0000> De gemeente Goes stimuleert duurzame nieuwbouw;

<0000> <0000> <0000>

De gemeente Goes ondersteunt de doelen van het Zeeuws Energieakkoord en werkt aan een energieneutrale particuliere woningvoorraad in 2045; Duurzame energie wordt op kansrijke locaties opgewekt, zoals het toepassen van zonne-energie op daken; Het gebruik van duurzame vervoersmiddelen wordt gefaciliteerd, onder andere door het plaatsen van openbare laadpalen.

De gemeente Goes past circulaire economie toe wanneer de kans zich voordoet, zoals het toepassen van kansen voor circulair bouwen. Naast maatregelen om minder CO uit te stoten, zijn ook maatregelen die bijdragen aan het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering belangrijk, het klimaatrobuust inrichten van de openbare ruimte. Hierbij kan gedacht worden aan het toepassen van veel groen, wat zowel een waterbergend vermogen heeft, als een koelend vermogen. Sterk versteende omgevingen warmen namelijk snel op doordat stenen warmte opnemen en deze warmte een lange tijd kunnen uitstralen, met name ’s nachts. In groene (Groen is lastig te kwalificeren: een strakgeschoren gazon draagt veel minder bij dan een bos of struweel.) omgevingen zullen de nachten tijdens warme perioden daarom koeler zijn dan in sterk versteende gebieden zoals steden. Dit effect wordt ook wel het hitte-eiland effect genoemd.

Figuur 4.7 Hitte-eiland effect In figuur 4.7 is te zien dat de temperatuur in een sterk verstedelijkt gebied hoger is dan in de meer landelijke omgeving. In volledig groene gebieden, zoals parken en bossen, is de temperatuur het laagst. Ook aan de rand van de stadskernen is de temperatuur lager dan in het stadscentrum, doordat er in deze gebieden minder hoogbouw is en er meer ruimte is voor groen. De hittestresskaarten van de gehele gemeente Goes laten in grote lijnen dezelfde patronen zien. De kreken en beboste percelen (Poelbos en parken) zijn duidelijk koeler. Het bedrijventerrein De Poel, het historisch centrum en de wijk Goes Oost zijn warmer. Ook in het buitengebied zijn warme plekken te vinden. Het gaat daarbij om braakliggende landbouwgronden, waar de grond duidelijk opwarmt. De kleine kernen warmen wel iets op, maar profiteren van het omliggende groen. Als laatste is te zien dat opwarming plaatsvindt in het kleine industrieterrein Eindewege (Bron: hittestress onderzoek Movares).

4.12 Conclusie In hoofdstuk 4 is het initiatief getoetst aan de relevante omgevingsaspecten. Geconcludeerd wordt dat deze omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.

HOOFDSTUK 5 Juridische vormgeving 5.1 Planvorm Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten gebouwen. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Het bestemmingsplan Wilhelmindadorp Zuid heeft betrekking op de ontwikkeling van 59 woningen ten zuidwesten van de kern Wilhelminadorp. Een en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een beperkt aantal bestemmingen, een eenvoudig kaartbeeld en een uniforme opzet van de bouwbepalingen.

5.2 Toelichting op de bestemmingen 5.2.1 Inleidende regels Artikel 1 Begripsbepalingen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht dienen te worden, gemoeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen Binnen de bestemming ‘Groen’ mogen niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. De bouwbepalingen zijn met name gericht op de maximaal toegestane hoogtematen. De oppervlakte van gebouwen mag maximaal 15 m² bedragen. Hierdoor wordt het mogelijk om bijvoorbeeld een gebouw van maximaal 15 m² toe te staan ten behoeve van speelvoorzieningen. Artikel 4 Verkeer De wegen en verblijfsgebieden in het plangebied hebben de bestemming ‘Verkeer’. Binnen deze bestemming zijn niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde (bijvoorbeeld speeltoestellen en afvalcontainers) toegestaan. De bouwbepalingen zijn met name gericht op de maximaal toegestane hoogtematen. Ten behoeve van de verkeersveiligheid kunnen er nadere eisen worden gesteld aan de plaats en afmeting van de bebouwing. Tot slot zijn enige afwijkingsbevoegdheden opgenomen.

Artikel 5 Water De watergangen binnen het plangebied zijn bestemd tot ‘Water’. Binnen de bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De maximale hoogte bedraagt 2 meter boven NAP. Middels een afwijkingsbevoegdheid kan van deze hoogte afgeweken worden. Artikel 6 Wonen Het overgrote deel van de gronden is bestemd tot ‘Wonen’ De volgende woontypen worden onderscheiden: aaneengebouwd (aeg), gestapeld (gs), twee-aaneen (tae) en vrijstaand (vrij). Binnen deze bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Per type bouwwerk zijn bouwbepalingen opgenomen. Beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten in de woning en/of bijbehorende bouwwerken

zijn rechtstreeks toegestaan. Ten aanzien van de hoofdgebouwen zijn bepalingen opgenomen betreffende de minimale breedte, de afstand tot de zijdelingse perceelgrens, de goot- en de totale hoogte. Ten aanzien van de bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn bepalingen opgenomen betreffende de goot- en totale hoogte en de afstand tot (het verlengde van) de voorgevelrooilijn. Het plan biedt de mogelijkheid om door middel van afwijkingsbevoegdheden op flexibele c.q. gewenste toekomstige ontwikkelingen in te spelen. 5.2.3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Het doel van deze bepaling s om te voorkomen dat, wanneer volgens het bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van het bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waarvan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel zijn bepalingen opgenomen omtrent algemene bouwregels. Het betreft hier bepalingen ten aanzien van bestaande maten en het overschrijden van bouwgrenzen. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn (verbods)bepalingen opgenomen over het gebruik van in dit plan begrepen gronden. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn een aantal algemene afwijkingsbepalingen opgenomen.

Deze afwijkingen betreffen het overschrijden van bebouwingsgrenzen, geringe afwijkingen van het bestemmingsplan en het afwijken voor het oprichten van antennes en masten. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels De algemene wijzigingsbevoegdheden van burgemeester en wethouders zijn in dit artikel opgenomen om nutsgebouwtjes te kunnen bouwen, voor het overschrijden van bebouwingsgrenzen en om geringe afwijkingen te kunnen laten plaatsvinden. Artikel 12 Algemene procedureregels Dit artikel bevat de procedureregels welke gelden bij de voorbereiding van een besluit tot het wijzigen van het plan. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht Dit artikel betreft de overgangsbepalingen met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot. Artikel 14 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan ‘Wilhelminadorp Zuid’.

HOOFDSTUK 6 Handhaving 6.1 Inleiding De gemeenteraad heeft tot taak bestemmingsplannen vast te stellen voor het grondgebied van de gemeente. In elk bestemmingsplan wordt het door de gemeente gewenste ruimtelijke beleid voor een bepaald gebied vertaald. Een nieuw bestemmingsplan egt de bestaande ruimtelijke kaders vast en bepaalt de grenzen waarbinnen planologische ontwikkelingen mogelijk zijn. Het biedt de gemeente een actueel beleidsmatig en juridisch toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven in een specifiek gebied. Om de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde leefomgeving te behouden en te verbeteren, is het noodzakelijk dat na het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan de daaruit voortvloeiende regels ook daadwerkelijk worden nageleefd. In gevallen waarin regels niet uit eigen beweging worden nageleefd dient in beginsel handhavend te worden opgetreden. Het uitblijven van handhavend optreden tegen de overtreding van regels die in een bestemmingsplan worden gesteld aan de bebouwing en inrichting van gronden, kan leiden tot rechtsongelijkheid, kan ongewenste precedentwerking tot gevolg hebben en vermindert het vertrouwen van de burger in het gemeentebestuur.

6.2 Handhaving bestemmingsplannen Onder handhaving wordt verstaan het nemen van maatregelen om de naleving van wettelijke voorschriften te bevorderen. Handhaving betreft dus niet alleen het daadwerkelijk repressief optreden tegen overtreders met behulp van sanctiemiddelen. Daaraan voorafgaand is het gewenst dat er heldere en hanteerbare regels zijn, moeten die regels kenbaar zijn en wordt er toezicht gehouden op de naleving ervan. Een eerste vereiste voor een goede handhaving is derhalve een bestemmingsplan met handhaafbare regels. Dat wil zeggen: regels die zodanig zijn opgesteld dat deze in de toetsingspraktijk goed hanteerbaar zijn. Voorlichting en preventief optreden vormen de basis voor effectieve handhaving. Een goede informatievoorziening draagt bij aan een verbetering van de naleving van bestemmingsplannen. Hoewel sanctionering in de optimale situatie niet nodig zou moeten zijn, zullen zich in de praktijk altijd gevallen voordoen waarin achteraf opgetreden moet worden tegen illegale situaties. In dergelijke gevallen kan het college van burgemeester en wethouders wettelijke dwangmiddelen inzetten om overtredingen gedwongen te (laten) beëindigen, zoals het opleggen van een last onder bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.

6.3 Handhavingsbeleid De doelstelling van handhaving is het bevorderen van de naleving van wettelijke regels en het herstellen van overtredingen. Handhavend optreden is een beginselplicht, dat door middel van het voeren van een transparant beleid ingezet moet worden om de doelstelling te bereiken. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een leefbare en veilige woonomgeving voor de inwoners van de gemeente. Het team Toezicht en Handhaving van de afdeling Vergunningen en Handhaving is, namens het college, belast met het toezicht op de naleving van onder meer de ruimtelijke regelgeving. Deze taak wordt zo veel mogelijk consistent en stelselmatig uitgevoerd, zodat aan de beginselen van behoorlijk bestuur zoals rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en zorgvuldigheid kan worden voldaan. Ook daarvoor is het nodig handhavingsbeleid vast te stellen. Het handhavingsbeleid is, zoals vele andere beleidsvelden, altijd in beweging. Met behulp van monitoring wordt periodiek geëvalueerd en wordt zo nodig het beleid bijgesteld. Het handhavingsbeleid van de gemeente Goes is vastgesteld op 28 januari 2013 en gepubliceerd op 6 februari 2013. Naast de uitgangspunten die de gemeente hanteert omtrent Handhaving is hierin ook een risico-analyse opgenomen. De gemeente kan niet overal en altijd toezien op naleving van regels, waardoor het noodzakelijk is prioriteiten te stellen.

De handhavingsprioriteiten zijn vastgesteld op basis van de risico-analyse, opgenomen in hoofdstuk 4 van het handhavingsbeleid. Jaarlijks wordt op basis van het beleid een handhavingsuitvoeringsprogramma vastgesteld zodat inzichtelijk wordt op

welke wijze de beschikbare handhavingscapaciteit in een bepaald jaar wordt ingezet. Het handhavingsbeleid is erop gericht om zo veel mogelijk integraal te handhaven.

Het houden van toezicht op illegale bouw en strijdigheid met bestemmingsplannen scoort dusdanig dat de prioriteit gemiddeld tot hoog genoemd kan worden. Wanneer een aspect een lage prioriteit heeft, betekent dit overigens niet dat de regel overtreden mag worden. De beginselplicht tot handhaving, zoals die door de Raad van State is geformuleerd, is onverkort van kracht. Er zal dus altijd serieus met constateringen en klachten worden omgegaan, ook al is de prioriteit van de desbetreffende overtreden norm laag. Echter, de focus van de toezichthoudende ambtenaren zal met name zijn gericht op de gestelde prioriteiten zoals opgenomen in het beleid.

6.4 Opleggen sancties Wanneer een overtreding niet vrijwillig wordt beëindigd, wordt doorgaans gekozen voor het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom om een overtreder te dwingen een illegale situatie te beëindigen. Deze bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen hebben een reparatoir karakter en zijn met vele juridische waarborgen omkleed. Omdat een overtreding van het bestemmingsplan in de Wet op de economische delicten is aangemerkt als een economisch delict, is ook strafrechtelijke handhaving een optie. Privaatrechtelijke handhaving is minder geschikt. Tot het gedogen van overtredingen wordt slechts in uitzonderlijke gevallen overgegaan, bijvoorbeeld wanneer in redelijkheid niet meer voldaan kan worden aan de geldende regels en aanpassing van de regelgeving aan gewijzigde beleidsinzichten nog niet heeft plaatsgevonden.

HOOFDSTUK 7 Economische uitvoerbaarheid 7.1 Inleiding Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.6 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Deze uitvoerbaarheid heeft in het bijzonder betrekking op de financieel economische uitvoerbaarheid. In dat verband is hiernaar onderzoek verricht. Daarnaast moet worden aangegeven of er een exploitatieplan wordt opgesteld dat er sprake is van een overeenkomst.

7.2 Financieel economische uitvoerbaarheid en uitvoering bestemmingsplan Op grond van artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeente verplicht om op gronden waar voorgenomen bouwplannen zijn voorzien een exploitatieplan vast te stellen tenzij het kostenverhaal anders in verzekerd. Aangezien alle gronden in het bezit van de gemeente zijn, worden de kosten verhaald via de gronduitgifte en is een exploitatieplan niet noodzakelijk. Op basis van de gehanteerde uitgangspunten blijkt dat naar huidige inzichten de grondopbrengsten lager zijn dan de kosten van de grondexploitatie. De gemeente heeft voor het verschil elders dekking gevonden in haar begroting, waardoor het kostenverhaal voor de gemeente veiliggesteld kan worden. De gemeente heeft alle gronden in bezit. De afzetbaarheid van het programma, zoals dat mogelijk gemaakt wordt in dit bestemmingsplan, is conform de woningbouwplanning waarin voor Goes tot 2030 2.700 woningen worden gerealiseerd.

7.3 Exploitatieplan en exploitatieovereenkomst De locatie-eisen die de gemeente noodzakelijk acht, zijn vastgelegd in het bestemmingsplan en het door de gemeenteraad vast te stellen beeldkwaliteitsplan

7.4 Conclusie Het bestemmingsplan is gezien het vorenstaande economisch uitvoerbaar.

HOOFDSTUK 8 Maatschappelijke toetsing 8.1 Vooroverleg artikel 3.1.1 Bro Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1. Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan waar nodig het plan voor overleg te worden toegezonden aan besturen van gemeenten, aan Rijks- en provinciale diensten en dergelijke. In bepaalde gevallen kan worden afgeweken van het vereiste vooroverleg. Het ontwerpbestemmingsplan wordt toegestuurd aan de volgende relevante overlegpartners: - Provincie Zeeland - Waterschap Scheldestromen - Veiligheidsregio Zeeland - Stedin - Gasunie - Woningcorporatie De Bevelanden.

8.2 Ontwerpbestemmingsplan Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening jo afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt dan met inachtneming van de ingediende zienswijzen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14419906/1