CConstaterende datGoes
Koppel je AI →
Document · PDF

005. GEWIJZIGDE VERSIE IHP Goes 2024-2040

Besluitvormende raad 20 maart 2025, gemeente GoesBij agendapunt: Integraal Huisvestingsplan Primair Onderwijs (IHP PO)18.668 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

IHP Goes 2024-2040 Primair onderwijs

Opdrachtgever Gemeente Goes

Datum 20 december 2024

Referentienummer 2240001/20241220/TBOD

Auteur(s) Tijmen Bruil, Onno Damen, Florine Meijering

│ Onderdeel van ICS Ruimteregiegroep BV

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

Inleiding 1.1

Aanleiding

4

1.2

Leeswijzer

5

1.3

Status IHP

6

Visie op onderwijs

7

2.1

Aanbod in de gemeente

7

2.2

Type voorzieningen

7

2.3

Doorlopende ontwikkellijn: samenwerking tussen kindpartners

8

2.4

Passend onderwijs en inclusiever onderwijs

9

Visie op huisvesting

12

3.1

Flexibiliteit en ruimtegebruik

12

3.2

Duurzaamheid

12

3.3

Veiligheid

15

3.4

Type maatregelen binnen IHP

16

(Vervangende) Nieuwbouw

16

Renovatie

17

3.5

4.

4

Verduurzamen

20

In stand houden

20

Afstoten

21

3.6

Investeren in huisvesting maatschappelijke partners

22

3.7

Spelregels beheer en exploitatie

22

Huisvestingsscenario’s

24

4.1

Begrippenpagina

24

4.2

Goes-noord

26

4.2.1 4.3

Stamperiusschool

Goes-West

26 30

4.3.1

KC De Poeljeugd

31

4.3.2

Auris De Kring

31

4.3.3

De Tweern/ Deltaschool

32

4.3.4

Dr. C. Steenblokschool

33

De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICS Adviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICS Adviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICS Adviseurs B.V., gedeponeerd bij de Rechtbank Overijssel onder nummer 9/2021, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICS Adviseurs B.V.

www.icsadviseurs.nl

4.4

Goes-Oost

4.4.1

Koelmanschool

34

4.4.2

OBS Prof. Dr. Kohnstamm

35

4.4.3

Prinses Ireneschool

36

4.4.4

RKBS Bisschop Ernst

37

4.4.5

Odyzee – De Wissel

38

4.4.6

IKC Kloetinge

38

4.5

Goes Zuid De Argo

40

4.5.2

Montessorischool de Basis

41

4.5.3

CBS Prinses Beatrix en OBS de Zuidwesthoek

41

4.5.4

De Sprienke

42

4.5.5

Odyzee

43

’s-Heer Arendskerke

44

4.6.1 4.7

6.

40

4.5.1

4.6

5.

34

OBS Schengehof

Wolphaartsdijk

44 45

4.7.1

Alberoschool Het Samenspel

45

4.7.2

Johannes Calvijnschool

46

Financiële kaders en werkwijze

47

5.1

Uitgangspunten

47

5.2

Investering schoolbesturen

47

5.3

Totale investering IHP

48

5.4

Fasering

48

5.4.1

Vastgestelde scenario’s

48

5.4.2

Uitgangspunten niet-vastgestelde scenario’s

49

5.5

Stopjaren

49

5.6

Voorgestelde investeringsagenda

51

Slotsom en aanbevelingen

53

6.1

Slotsom

53

6.2

Aanbevelingen

53

Bijlagen

www.icsadviseurs.nl

54

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Dit integraal huisvestingsplan (hierna: IHP) is opgesteld voor de gemeente Goes voor de periode 2024-2040. Dit wil zeggen dat de onderwijs- en kinderopvangvisie en ambities in kaart zijn gebracht en de basis vormen voor dit IHP. In onderwijshuisvesting is er de nodige dynamiek. Landelijke ontwikkelingen en de lokale context in Goes vragen om duidelijke, door schoolbesturen en gemeente gedragen kaders voor toekomstbestendige onderwijshuisvesting. De lokale context kent vele uitdagingen: vergrijzing, krimp of juist groei, leegstand, verouderde, niet duurzame schoolgebouwen en specifieke vraagstukken in Goes, namelijk:       

Gebouwensituatie in Goes-Oost: vier basisscholen in deze wijk (vraagstuk van samenvoeging of verplaatsing); Toekomstplannen gemeente Goes met betrekking tot woningbouw (2.700 woningen tot 2030), waarvan 500 in Wilhelminadorp en consequenties voor ruimtebehoefte van scholen; Mogelijkheden van modulair of aanpasbaar bouwen (bijvoorbeeld schoolwoningen) om in te kunnen spelen op ontwikkelingen; De invulling van inclusiever onderwijs en hoe dat vormgegeven gaat worden in de huisvesting; Enkele onderwijsgebouwen naderen het einde van de levensduur en komen in aanmerking voor planvorming: hoe wordt daar invulling aan gegeven vanuit gemeente en schoolbestuur; Opvang asielzoekers en Oekraïners: hoe en waar kunnen we deze leerlingen met een niet-Nederlandse achtergrond onderwijs bieden en huisvesten; Verduurzamen van bestaande gebouwen: nadere afspraken tussen gemeente en schoolbesturen (verantwoordelijkheden).

www.icsadviseurs.nl

4/55

Het voorliggende IHP is opgesteld onder begeleiding van ICSadviseurs en in samenwerking met de schoolbesturen van het primair onderwijs en vertegenwoordigers van de gemeente. Het IHP biedt een perspectief voor de schoollocaties voor het primair en speciaal onderwijs voor de komende zestien jaar1.

1.2 Leeswijzer Een belangrijk uitgangspunt voor het IHP is dat het een gezamenlijk plan is van de schoolbesturen, de opvangorganisaties en de gemeente. Betrokkenheid van en draagvlak bij de schoolbesturen en de opvangorganisaties vormt de basis voor de aanpak. De schoolbesturen zijn betrokken bij het IHP-proces door het participeren in een aantal gezamenlijke bijeenkomsten. Hierin zijn informatie, inzichten en standpunten onderling gedeeld om zo tot een samenhangend en gedragen plan te komen. 

Visie op onderwijs en huisvesting Om uiteindelijk tot plannen te kunnen komen, wordt eerst de vraag beantwoord wat de gemeente en de schoolbesturen en opvangorganisaties met hun onderwijs- en opvanghuisvesting beogen. Thema’s als aanbod, krimp en groei, gezondheid, duurzaamheid en investeren in kinderopvang zijn behandeld in werksessies. Hierin wordt dieper ingegaan op de visie die de gemeente en schoolbesturen al hadden opgesteld. Situatieschets per kern Aan de hand van de basisinformatie en het inzicht in de vooraf benoemde knelpunten en ontwikkelingen, is een situatieschets gemaakt van de gemeente Goes in de vorm van een zogenaamde kansenkaart. Deze kansenkaart geeft de knelpunten én kansen per kern in een visualisatie weer. Tijdens de werksessies is per school(gebouw) stilgestaan bij mogelijke ontwikkelrichtingen, samenwerking & clustering en karakteristieken van het onderwijs en/of huisvesting inclusief opvang. Hieruit zijn verschillende scenario’s naar voren gekomen. Scenariovorming, prioritering en oplossingsrichting Op basis van de scenario’s is een prioritering ontstaan met schoolgebouwen die binnen het IHP, in verschillende fasen, om een ingreep vragen. De basisinformatie uit de factsheets, de situatieschets per kern en de prioritering vormen de input voor de oplossingsrichting.

De oplossingsrichting is erop gericht de geconstateerde knelpunten op te lossen en de geformuleerde ambities te realiseren. Financiële vertaling oplossingsrichting Voor de oplossingsrichting worden de investeringskosten in beeld gebracht. Op basis hiervan kan vervolgens door de gemeente de consequentie voor de meerjarenbegroting worden gemaakt. Rapportage IHP De situatieschets per kern, de gezamenlijke ambities en afspraken, oplossingsrichtingen en de scenario’s, inclusief financiële vertaling, zijn vastgelegd in het voorliggende rapport. In deze rapportage is ook voor elke schoollocatie een voorstel opgenomen voor de toekomstige huisvesting.

1 Om het IHP actueel te houden wordt in hoofdstuk 6 een voorstel gedaan voor de actualisatie van de basisgegevens.

www.icsadviseurs.nl

5/55

1.3 Status IHP Dit IHP komt in overleg tussen gemeenten, schoolbesturen tot stand. Het IHP vormt daarnaast een perspectief om alle besluiten rond investeringen in huisvesting de komende jaren langs te leggen en kan iedere vier jaar worden geactualiseerd. Het IHP is als het ware een koersdocument en geen blauwdruk. Op deze manier blijft flexibiliteit (beargumenteerd) behouden. Het is aan alle partijen om te waarborgen dat projecten en daaraan gekoppelde investeringen mogelijk zijn. Het plan krijgt status met een vaststellingsbesluit vanuit de gemeenteraad. Het geeft inzicht in de geraamde investeringen voor een periode van vier jaar, met een doorkijk naar de twaalf jaar daarna. De gemeenteraad stelt het plan vast en neemt afzonderlijke besluiten over de investeringen binnen deze periode en daarna.

www.icsadviseurs.nl

6/55

2. Visie op onderwijs In dit hoofdstuk is de visie op onderwijs- en opvang(huisvesting) beschreven. De visie vormt het fundament voor het Integraal Huisvestingsplan Goes. In een interactieve werksessie, met vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de gemeente, zijn de ontwikkelingen benoemd die van invloed zijn op onderwijs(huisvesting) in de gemeente Goes.

2.1 Aanbod in de gemeente De gemeente Goes bestaat uit zeven kernen, te weten Goes, Wolphaartsdijk/ Oud Sabbinge, Kloetinge, Wilhelminadorp, ’s-Heer Arendskerke/ Eindewege, ’s-Heer Hendrikskinderen en Kattendijke. Regulier onderwijs Binnen de gemeente Goes zijn in totaal 18 scholen in het regulier (primair) onderwijs te vinden. Niet iedere kern heeft een onderwijsvoorziening; kinderen uit Kattendijke gaan elders naar school. De stad Goes beschikt over de grootste concentratie met 12 scholen binnen het regulier (primair) onderwijs, Wolphaartsdijk over 2 scholen en de overige kernen met uitzondering van Kattendijke over 1 school in het primair onderwijs. Speciaal onderwijs Binnen de gemeente Goes zijn in totaal 52 scholen in het speciaal onderwijs te vinden. Eén school is gericht op het speciaal basisonderwijs, één school is gericht op het speciaal onderwijs en de overige scholen zijn gericht op het (voortgezet) speciaal onderwijs. Vier van de speciaal onderwijsvoorzieningen zijn gehuisvest in de kern Goes. Eén voorziening is gehuisvest in de kern Kloetinge.

2.2 Type voorzieningen De schoolbesturen en de gemeente hebben het streven om een bereikbaar aanbod van kindvoorzieningen te blijven realiseren in kindcentrum (KC), educatieve centra of multifunctionele accommodaties. Kindcentra In een kindcentrum werken onderwijs en opvang samen aan een stabiele, intellectuele, persoonlijke en sociale groei van kinderen van 0 – 12 jaar. Samen zorgen ze voor een doorlopende lijn vanuit een gedeeld pedagogisch en didactisch concept. Nauwe samenwerking, gelijkwaardigheid als kindpartner (binnen de gestelde kaders) en vertrouwen tussen de betrokken partners is essentieel om de continuïteit in de samenwerking te waarborgen. De schoolbesturen bepalen zelf met wie ze deze samenwerking aan willen gaan. Een gezamenlijke koers kan niet slagen wanneer draagvlak bij een van de partners ontbreekt. Dit vindt bij voorkeur plaats in één gebouw of in de directe omgeving. Bij nieuwbouw is het streven van een kindcentrum vanzelfsprekend en wordt tijdens de planvorming bekeken of er ook behoefte aan is. Het vroegtijdig maken van (inclusieve) plannen stelt in staat om het gebouw zodanig in te zetten, dat het samenwerking tussen onderwijs en partners faciliteert. Bij bestaande bouw worden de mogelijkheden bekeken.

Educatieve centra In een educatief centrum werken onderwijsinstellingen samen met diverse educatieve partners, waarbij de focus niet altijd uitsluitend op het kind ligt. Afhankelijk van de lokale behoeften en het beschikbare aanbod kan de schoolfunctie worden uitgebreid met zorg- en ondersteuningsdiensten voor zowel kinderen als ouders. Door meerdere voorzieningen op één locatie samen te brengen, ontstaat de mogelijkheid om ruimtes en expertise efficiënt te benutten. Door vanuit de behoeften van het kind te denken en gezamenlijk naar

2 Praktijkonderwijslocatie De Wissel maakt geen onderdeel uit van dit IHP en is dan ook geen onderdeel van dit aantal locaties.

www.icsadviseurs.nl

7/55

mogelijkheden te zoeken, kunnen waardevolle samenwerkingsverbanden worden gevormd die zowel de organisaties als de betrokken gezinnen ten goede komen. Bovendien krijgt de kwaliteit van scholen een impuls. Het educatief centrum heeft de mogelijkheid accenten te leggen die passen bij de ontwikkelbehoefte van het individuele kind, ouder en de wijk. Multifunctionele accommodaties Naast kindcentra en educatieve centra is het mogelijk om een kindervoorziening uit te breiden tot een multifunctionele accommodatie (MFA). In een dergelijke accommodatie worden meerdere maatschappelijke disciplines samengebracht onder één dak, met als doel synergie te creëren tussen de verschillende gebruikers. Het uitgangspunt is dat deze partijen een toegevoegde waarde leveren aan de kindervoorziening en daardoor effectief kunnen samenwerken met zowel de school als de kinderopvang binnen het gebouw. Multifunctionele accommodaties spelen een steeds belangrijkere rol in het versterken van de sociale cohesie en het faciliteren van diverse activiteiten binnen wijken. Deze accommodaties fungeren als centrale punten waar verschillende doelgroepen samenkomen voor onderwijs, zorg, sport, cultuur en andere maatschappelijke functies. Door het bieden van flexibel inzetbare ruimtes die beschikbaar zijn van vroeg in de ochtend tot in de avonduren, vormen MFA’s een dynamische en toegankelijke spil in de wijk.

De ruimtes binnen de MFA’s zijn flexibel in te richten en aan te passen aan de behoeften van verschillende gebruikers. Of het nu gaat om een vergaderruimte voor een buurtbijeenkomst, een sportzaal voor naschoolse activiteiten, of een klaslokaal voor volwasseneneducatie, de multifunctionele aard van deze ruimtes zorgt voor maximale benutting.

2.3 Doorlopende ontwikkellijn: samenwerking tussen kindpartners De doorlopende ontwikkellijn van opvang en primair onderwijs, kan ook worden doorgetrokken naar het voortgezet onderwijs en verder om een ontwikkellijn van 0-18 jaar te creëren. Idealiter een opstap naar een leven lang leren en ontwikkelen. De schoolbesturen in de gemeente Goes denken na over de overgang van het PO naar het VO (soepele overgang). Een naadloze ontwikkellijn bevordert niet alleen de continuïteit in de leerervaringen van kinderen, maar ondersteunt ook hun sociale en emotionele groei. Integratie van opvang, primair- en voortgezet onderwijs De visie is gericht op het creëren van een samenhangend en geïntegreerd systeem waarin opvang, primair onderwijs en voortgezet onderwijs elkaar naadloos aanvullen. Dit bevordert een integrale benadering van de ontwikkeling van kinderen en jongeren en zorgt ervoor dat ze in elke fase van hun groei en leren optimaal worden ondersteund. Dit omvat: 

Vroege opvang (0-4 jaar): ─ Kwalitatieve kinderopvang: Zorgdragen voor een stimulerende en veilige omgeving die de ontwikkeling van basisvaardigheden en sociale interactie bevordert. ─ Samenwerking met ouders: Een nauwe samenwerking met ouders om de overgang naar het primair onderwijs soepel te laten verlopen. Primair onderwijs (4-12 jaar): ─ Continuïteit in onderwijs: Het aanbieden van een doorlopende leerlijn die aansluit bij de ervaringen en kennis die kinderen hebben opgedaan tijdens de opvangperiode. ─ Flexibele overgangen: Het waarborgen van een soepele overgang tussen de verschillende leerjaren en scholen, met aandacht voor de individuele behoeften van elk kind. Voortgezet onderwijs (12-18 jaar; binnen VSO ook tot 20 jaar): ─ Voorbereiding op de toekomst: Het voorbereiden van leerlingen op de overgang naar het voortgezet onderwijs door middel van gerichte programma’s en ondersteuning. ─ Ondersteuning en begeleiding: Het bieden van extra begeleiding en ondersteuning om ervoor te zorgen dat leerlingen succesvol kunnen doorgroeien naar verdere onderwijsniveaus.

www.icsadviseurs.nl

8/55

Bij het plannen en ontwikkelen van huisvesting voor opvang, primair en voortgezet onderwijs, wordt gestreefd naar een flexibele en functionele inrichting die de doorlopende ontwikkellijn ondersteunt. Dit houdt in dat ruimtes multifunctioneel ingericht worden die kunnen worden aangepast aan de veranderende behoeften van kinderen en jongeren naarmate ze ouder worden. Een doorlopende ontwikkellijn van 0 tot 183 jaar is essentieel voor het waarborgen van een integrale en ondersteunende leeromgeving voor kinderen en jongeren. Door opvang, primair en voortgezet onderwijs op elkaar af te stemmen, streven de kindpartners naar een geïntegreerde aanpak die bijdraagt aan de algehele ontwikkeling en het welzijn van onze jeugd. De gemeente zet zich in voor een toekomstbestendige en samenhangende huisvesting die deze benadering ondersteunt en de continuïteit van leren en ontwikkeling bevordert. 10-14 onderwijs Het aanbieden van 10 -14 onderwijs is een landelijke trend om deze doorgaande ontwikkellijn en overstap tussen primair en voortgezet onderwijs te versterken. Het doel van 10-14 onderwijs is het versoepelen en verkleinen van de overstap van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs. Daarnaast zijn er ook leerlingen die bewust voor 10-14 onderwijs kiezen voor het krijgen van extra begeleiding.

Binnen de gemeente Goes zijn geen concrete initiatieven voor het aanbieden van 10-14 onderwijs, maar schoolbesturen denken hier wel over na om dit in de toekomst aan te gaan bieden. Het niveau van ondersteuning van de gemeente in deze ontwikkeling wordt later vastgesteld.

2.4 Passend onderwijs en inclusiever onderwijs Het VN-verdrag over de Rechten van Personen met een Handicap is in juli 2016 in werking getreden. Landen moeten zorgdragen voor een inclusievere samenleving, waartoe ook inclusiever onderwijs behoort. Schoolbesturen en gemeente onderschrijven het belang van het aanbieden van passende en inclusievere opvang en onderwijs. Kansengelijkheid en het recht op kwalitatief goed onderwijs en goede opvang voor alle kinderen is belangrijk. Daarnaast is er ook aandacht voor toegankelijkheid van de gebouwen. Daarnaast hebben scholen sinds 1 augustus 2014 de zorgplicht om een passende onderwijsplek voor ieder kind te realiseren4. Kinderen gaan in principe naar het reguliere onderwijs, waar ze worden uitgedaagd op basis van de mogelijkheden en de onderwijsbehoefte. Wanneer de ondersteuningsbehoefte toeneemt en/of scholen niet tegemoet kunnen komen aan de ondersteuningsbehoefte, is de school verantwoordelijk om in overleg met ouders en schoolbesturen binnen de regio een passend onderwijsaanbod te realiseren. Voor de ontwikkeling van kinderen die extra ondersteuning nodig hebben in de leeftijd 0-18 jaar is deze beschikbaar. Bijvoorbeeld kinderen met problemen op het gebied van onder andere emotie, gedrag en leren worden ondersteund om het maximale uit hun ontwikkeling te kunnen halen. Dit geldt voor kinderen met en zonder diagnose.

Om passend en inclusief onderwijs mogelijk te maken zijn de schoolbesturen betrokken bij dit IHP in overleg over de mogelijkheden en knelpunten om het komen tot voorzieningen voor passend en inclusief onderwijs. Hier wordt onder andere onderzocht of binnen de bestaande onderwijscapaciteit zorg- en begeleidingsmaatregelen toegevoegd kunnen worden om leerlingen zo lang mogelijk op het primair onderwijs te houden. Eventuele gevolgen hiervan op de ruimtebehoefte zijn niet meegenomen. Inclusieve gebouwen In de gemeente Goes streven we naar een samenleving waarin iedereen gelijke kansen krijgt en volwaardig kan deelnemen aan alle facetten van het leven. Deze visie strekt zich ook uit tot onze gebouwen en publieke

3 Voor speciaal onderwijs geldt dat deze leeftijd kan afwijken tot en met 20 jaar. 4 In het Bouwbesluit 2012 worden onder andere eisen gesteld aan de toegankelijkheid van gebouwen voor mensen met een beperking, zoals

rolstoeltoegankelijkheid, de aanwezigheid van aangepaste toiletten, en andere voorzieningen die nodig zijn om een inclusieve leeromgeving te waarborgen. Deze toegankelijkheid is ook geborgd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

www.icsadviseurs.nl

9/55

ruimtes. Inclusieve gebouwen vormen een essentieel onderdeel van onze plannen voor toekomstbestendige huisvesting en dragen bij aan een integrale en rechtvaardige samenleving Fysieke Toegankelijkheid Fysieke toegankelijkheid is de eerste stap naar inclusiviteit. Wij zorgen ervoor dat alle openbare en multifunctionele gebouwen in de gemeente Goes voldoen aan de hoogste normen van toegankelijkheid. Dit betekent dat gebouwen ontworpen en aangepast worden om barrièrevrij te zijn voor mensen met fysieke beperkingen, zoals rolstoelgebruikers, ouderen en mensen met tijdelijke of blijvende mobiliteitsproblemen. Enkele voorbeelden zijn het rolstoelvriendelijk inrichten door hellingbanen, automatische deuren en een liftinstallatie. Mentale Toegankelijkheid Mentale toegankelijkheid is minstens zo belangrijk als fysieke toegankelijkheid. Het gaat om het creëren van een omgeving die het mentale en emotionele welzijn van alle gebruikers ondersteunt en bevordert. Inclusieve gebouwen moeten een veilige, gastvrije en ondersteunende omgeving bieden voor iedereen, ongeacht hun achtergrond of mentale toestand. Mentale toegankelijk kan onder andere gewaarborgd worden door:  

Duidelijke communicatie: Informatie moet op een begrijpelijke en toegankelijke manier gepresenteerd worden, bijvoorbeeld door gebruik van eenvoudige taal en visuele hulpmiddelen. Ondersteuning voor mensen met cognitieve beperkingen: Ruimtes moeten zodanig ontworpen worden dat ze overzichtelijk en niet overweldigend zijn. Dit kan door gebruik te maken van rustige kleuren, voldoende verlichting en een logisch indeling. Privacy en rust: Het creëren van rust- en privéruimtes voor mensen die behoefte hebben aan een moment van rust of terugtrekking. Voorbeelden hiervan zijn prikkelarme ruimten of kolfruimten (vanuit Arboregelgeving) waar dit gevraagd wordt.

Inclusieve gebouwen dragen bij aan een gelijkwaardige samenleving waarin iedereen zich welkom en ondersteund voelt. De gemeente Goes zet zich in om deze principes te integreren in toekomstige huisvestingsprojecten waar dit gevraagd wordt, zodat er een positieve impact op het welzijn en de participatie van alle inwoners ontstaat5.

5 Daarin speelt ook mee dat bij (vervangende) nieuwbouw de nieuwe huisvestingsnormering uit de verordening gehanteerd. In de praktijk

leidt dit vaak tot minder vierkante meters dan in bestaande bouw (oude normering). Dit maakt de noodzaak voor vierkante meters voor inclusiviteit pregnanter.

www.icsadviseurs.nl

10/55

Inclusiever en meer op maat gemaakt onderwijs vragen om meer ruimte In het onderwijs zijn twee ontwikkelingen gaande die op gespannen voet staan met de normatieve vierkante meters. Het gaat dan om het passend onderwijs en het streven om te komen tot meer inclusief onderwijs. Daarnaast ontwikkelt het onderwijs zich ook naar andere onderwijsconcepten met meer op maat gemaakte werkwijze van het toekomstige onderwijs. Beide ontwikkelingen hebben invloed op de ruimtebehoefte en -vraag vanuit het onderwijs. Het gaat dan om meer diversiteit aan werkplekken én meer spreekruimten. Dit om zo meer ruimte te geven aan begeleiding/ondersteuning (bijvoorbeeld vanuit school en/of jeugdhulp) maar ook dat kinderen kunnen leren op de plek die bij het kind/ de activiteit past (bijvoorbeeld in stilte of in groepsverband samenwerken aan een project). Voorstel is om hiervoor extra vierkante meters beschikbaar te maken boven de normatieve meters. In een bestaand gebouw met overmaat kan de leegstand ingezet worden, maar bij nieuwbouw ‘die aan de maat’ gemaakt wordt, bestaat die mogelijkheid niet. Hiervoor is een beleidsregel van ‘meer meters’ een mogelijkheid om het onderwijs tegemoet te komen. Dit geeft de mogelijkheid om meer individuele werkplekken, overlegplekken en spreekkamers te realiseren. De investering van deze meer meters wordt gepleegd vanuit de gemeente.

De exploitatielasten komen voor rekening van het schoolbestuur. De investering wordt gepleegd bij nieuwbouw (of uitbreiding). De extra vierkante meters worden niet als automatisme toegekend aan een project. Schoolbestuur, opvangorganisatie en gemeente gaan in gesprek indien behoefte bestaat aan meer vierkante meters. Daarbij wordt eerst gekeken of deze extra vierkante meters door multifunctionaliteit of dubbel ruimtegebruik gerealiseerd kunnen worden. De gemeente en het schoolbesturen gaan per situatie in gesprek over de mogelijkheden om waar mogelijk aanvullende vierkante meters voor inclusief onderwijs te realiseren. In een OOGO wordt besproken welke sociale en ruimtelijke gevolgen deze toekenning van extra vierkante meters heeft op de scholen en de wijk in de omgeving.

www.icsadviseurs.nl

11/55

3. Visie op huisvesting 3.1 Flexibiliteit en ruimtegebruik Voor gemeente en schoolbesturen is het wenselijk om bestaande voorzieningen zo optimaal mogelijk vorm te geven, rekening houdend met inhoudelijke samenwerking, passend onderwijs en leerlingenaantallen. Bij (vervangende) nieuwbouw is het van belang om aandacht te hebben voor toekomstige aanpasbaarheid. Dit betekent:  

Uitbreidingsmogelijkheden: bij planvorming rekening houden met (toekomstige) uitbreiding zonder dat de uitbreiding het onderwijskundige of opvangconcept tenietdoet. Aanpasbaarheid: bij planvorming rekening houden met toekomstige aanpasbaarheid om groei, krimp en/of onderwijsontwikkeling (flexibel) op te vangen. Het gebouw faciliteert daarmee de gebruikers en niet andersom. Transformeren van functie: bij projecten (constructief) rekening houden met het transformeren van schoolgebouwen naar een andere functie dan een schoolgebouw. Dit betekent dat bij de planvorming rekening wordt gehouden met het veranderen van functie naar bijvoorbeeld woningen. Belangrijk aandachtspunt is dat de transformeerbaarheid niet ten koste mag gaan van de bruikbaarheid van het gebouw voor het onderwijs.

Om in te spelen op groei en krimp en mogelijke veranderingen in gebruik is het de ambitie om flexibele huisvesting te realiseren. Flexibele schoolgebouwen zijn gebouwen die eenvoudig aanpasbaar zijn aan een veranderende ruimtevraag. Het zijn gebouwen die over ruimten beschikken die voor verschillende doeleinden kunnen worden ingezet en waar verschillende gebruikers multifunctioneel gebruik van maken. Flexibele gebouwen vragen om een flexibele inrichting die aanpasbaar is aan het type gebruik. Een onderdeel van de toekomstige aanpasbaarheid is om leegstand tegen te gaan. De vraag naar onderwijs kan in een wijk afnemen door onder andere vergrijzing, met als gevolg dat er minder behoefte is aan onderwijscapaciteit. Met een aanpasbaar gebouw wordt een gebouw inzetbaar voor meer dan enkel onderwijsdoeleinden. Overige gebruikers binnen een gebouw zijnde kindcentrum of educatief centrum kunnen met een aanpasbaar gebouw eenvoudig meer ruimte vergaren indien mogelijk.

3.2 Duurzaamheid De Nederlandse overheid heeft met Klimaatakkoord6 de doelen voor verduurzaming duidelijk gemaakt. In 2050 moet Nederland energieneutraal en gasloos zijn. Daarop volgden Regionale Energie Strategieën (RES) die voor verschillende regio’s keken naar de vertaling van dit akkoord. Gemeenten zijn hier vervolgens mee aan de slag gegaan. Binnen het IHP worden, in lijn met de geldende wet- en regelgeving, duurzaamheidsambities geformuleerd voor onderwijshuisvesting. Onderwijshuisvesting, gefinancierd met maatschappelijke middelen vanuit overheidswege, wordt aangemerkt als maatschappelijk vastgoed.

6 Klimaatakkoord 2019 – Rijksoverheid

www.icsadviseurs.nl

12/55

Definities BENG: Bijna Energieneutraal Gebouw BENG is van toepassing op de gebouwgebonden energie. De gebruikgebonden energie zoals energie voor smartboards, laden van ICT-apparatuur en keukenfaciliteiten wordt buiten beschouwing gelaten. De energieprestaties voor BENG-gebouwen worden vastgelegd aan de hand van drie eisen:   

De maximale energiebehoefte per kWh/m2/jaar; Het maximaal primair fossiel energiegebruik in kWh/m2/jaar; Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten.

Het is per project maatwerk hoe aan deze prestatie-eisen kan worden voldaan. Meer informatie is te vinden op de website van RVO. ENG: Energieneutraal gebouw Ook hier draait het om gebouwgebonden energie. De gebruikgebonden energie wordt buiten beschouwing gelaten. Het verschil met BENG is dat het saldo energieverbruik en opbrengst, ten aanzien van de gebouwgebonden energie, nul is. Nul op de meter Bij een nul-op-de-meter-gebouw wordt zowel het gebouwgebonden als het gebruikgebonden energieverbruik gecompenseerd. Het verschil met ENG is dat het saldo energiegebruik en -opbrengst, ten aanzien van de gebouwgebonden en gebruikgebonden energie, nul is. Netcongestie In 2023 heeft de ontwikkeling plaatsgevonden dat in enkele regio’s grootschalige elektriciteitsaansluitingen geweigerd zijn door de netbeheerder wegens netcongestie. Netcongestie treedt op wanneer er een tekort aan netcapaciteit is als gevolg van de grote vraag vanuit een regio. Zo kan de vraag groter zijn dan de hoeveelheid elektriciteit die het elektriciteitsnet kan transporteren. Er wordt onderscheid gemaakt tussen laag-, midden- en hoogspanningsnet. Onder het laagspanningsnet vallen aansluitingen van onder andere woningen en kleine bedrijven. Ook kleine scholen komen mogelijk in aanmerking voor een laagspanningsnet. Het is echter aannemelijker dat scholen een midden-, of hoogspanningsnet aansluiting behoeven.

Op deze spanningsnetten vindt netcongestie plaats. Als een school in aanmerking komt voor (vervangende) nieuwbouw of levensduurverlengende renovatie, dient rekening gehouden te worden dat een mogelijk vol elektriciteitsnet kan leiden tot het niet aan kunnen sluiten van de school op dit net. Dit vraagt om een maatwerkoplossing per project waarin dit IHP op geanticipeerd wordt door een frictiebudget op te nemen per project. Gezondheid Een goed binnenklimaat is belangrijk voor goede ontwikkelprestaties. De ontwikkelingen rondom de COVID-19 pandemie benadrukken het belang van een goed binnenklimaat. Een gezonde school is een schoolgebouw met een laag energieverbruik en een gezond binnenklimaat als het gaat om luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid. Gezonde scholen dragen bij aan een duurzaam gebouw, omdat ze het energieverbruik terugdringen en de CO2-uitstoot beperken. In de praktijk zijn vooral de CO2-concentratie en de binnentemperatuur vaak te hoog als gevolg van slechte ventilatie. Daarnaast draagt een gezond klimaat in het gebouw bij aan de ontwikkelprestaties en vermindert het gezondheidsklachten. Bij nieuwbouw of renovatie van schoolgebouwen geldt als uitgangspunt het kwaliteitsniveau Frisse Scholen Klasse B en de vereisten die gelden voor opvangvoorzieningen. Hierdoor ontstaat een goed binnenklimaat.

www.icsadviseurs.nl

13/55

Voor bestaande gebouwen is de ambitie om ook een goed binnenklimaat te realiseren. De investeringen die een goed binnenklimaat vraagt, worden gewogen en in relatie gebracht met het perspectief (nog te verwachten gebruiksduur) van het gebouw. Gemeente, schoolbesturen en opvang hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de ambitie van een goed binnenklimaat in bestaande gebouwen te realiseren. Vanuit het schoolbestuur kan de bestaande situatie in beeld worden gebracht inclusief inzicht in de benodigde maatregelen. Vervolgens wordt de koppeling gelegd met geplande investeringen vanuit het onderhoudsplan. In de praktijk blijkt dat het realiseren van een goed binnenklimaat vraagt om het aanbrengen van meer installaties. Dit heeft qua financiën enerzijds een investeringskant en anderzijds een exploitatiekant. Het aanbrengen van installaties betekent in de praktijk vaak een verhoging van het energieverbruik en de onderhoudscomponent voor schoolbesturen. Als in een bestaand gebouw een investering in het binnenklimaat aan de orde is, dan is het in eerste instantie aan het schoolbestuur (al dan niet samen met de opvang) om te verkennen of ze de investering kan plegen. De opvangorganisatie investeert zelf of voldoet de bekostiging van de gepleegde investeringen (voor het deel dat ze gebruiken) via een huurvergoeding. Alle betrokken partijen maken samen een beargumenteerde keuze.

Investeringen in binnenklimaat Voor investeringen in het binnenklimaat is ook een spanning aanwezig vanuit beschikbare middelen. Zowel gemeente als schoolbesturen ontvangen hiervoor geen aanvullende bekostiging. Beide zien wel de noodzaak tot investeringen. Binnen het IHP wordt bij bestaande gebouwen ervoor gekozen investeringen in binnenklimaat mee te nemen op natuurlijke momenten, zoals bij renovatie of grote onderhoudsinvesteringen, tenzij vanuit de Rijksoverheid aanvullende bekostiging volgt.

Circulariteit Het streven naar een toekomstbestendige samenleving vraagt om een bewust en verantwoordelijk gebruik van grondstoffen. De ontwikkeling naar een circulaire economie, een economie zonder verspilling van grondstoffen en uitputting van de hulpbronnen van de aarde vormt hiervoor de basis. Nederland wil in 2050 een volledig circulaire economie zijn. Het realiseren en gebruiken van schoolgebouwen maakt integraal onderdeel uit van de ontwikkeling naar een circulaire economie en levert hieraan een bijdrage. Gemeente en schoolbesturen zien diverse kansen om circulariteit te integreren in projecten, maar ook in het gebruik van de schoolgebouwen. Circulaire principes worden zoveel mogelijk toegepast binnen bouwprojecten. Denk daarbij aan het gebruik van hergebruikte materialen, biobased grondstoffen en demontabele bouwmethodes. Ook in het gebruik van ruimte komt de circulaire gedachte tot leven. Om een circulair gebouw en -gebruik te realiseren wordt bij ieder project een team samengesteld van adviseurs, architecten en aannemers die ervaring hebben met circulair bouwen. Ook wordt er in de voorbereidingsfase voldoende tijd ingeruimd om de circulaire principes te vertalen naar een haalbaar ontwerp. Bij circulair bouwen behouden de gebouwen een zekere restwaarde, omdat bouwmaterialen na een levenscyclus herbruikbaar zijn. Materialen krijgen een toekomstwaarde.

Daarmee wordt het mogelijk om restwaarde toe te kennen aan het gebouw en de investering niet volledig naar nul af te schrijven. Circulariteit wordt meegenomen in projecten waar kansen zich aandienen. Hierbij is het beleid Circulaire Economie 2025-2028 van de 13 Zeeuwse gemeenten het uitgangspunt. NB: Schoolbesturen hebben een open houding ten aanzien van een bijdrage in investering in onderwijs mits deze exploitatiegericht zijn. Daarbij speelt wel mee dat schoolbesturen, net als gemeenten, vanuit de Rijksoverheid onvoldoende middelen krijgen voor de taken waar zij voor staan. Dat betekent dat er van beide kanten keuzes gemaakt moeten worden. Voor schoolbesturen is de keuzevrijheid beperkt omdat investeringen niet ten koste mogelijk gaan van het primaire bedrijfsproces. Voor een school geldt dat ongeveer 85-90% van haar kosten bestaat uit de formatie en het restant voor andere uitgaven beschikbaar is, waaronder huisvesting. Ook voor de gemeente Goes geldt dat zij in 2014 (motie Van Haersma-Buma) en 2015 (overheveling buitenonderhoud) te maken heeft gehad met een korting in haar Gemeentefonds.

www.icsadviseurs.nl

14/55

Schoolpleinen Groen schoolplein Een groen schoolplein daagt een kind ook uit om bewegend te leren. Net als bij een gezond binnenklimaat draagt bewegen bij aan goede leerprestaties en de ontwikkeling van een kind. Om kinderen op school uit te dagen tot meer bewegen, moet de schoolomgeving ’beweegprikkelend’ ingericht worden7. Denk hierbij aan hoogteverschillen, klimmuren en meubilair dat bewegen stimuleert, maar ook activiteiten die de school organiseert: beweegactiviteiten in de pauze en naschoolse sportactiviteiten. Het is aan het schoolbestuur en de opvangorganisaties om de buitenruimte en binnenruimte op een interessante wijze vanuit de gezamenlijke pedagogische visie vorm te geven, in te richten en beweegvriendelijk te maken. Daarnaast kan ook gedacht worden aan het realiseren van onderwijs- en opvangvoorzieningen nabij of samen met sportvoorzieningen. In het voortgezet onderwijs is sprake van voldoende buitenruimte (sportvelden) voor het bewegingsonderwijs. Een groen schoolplein wordt ingericht zonder de toegankelijkheid van de voorziening te beperken. Ieder kind moet gebruik kunnen maken van de voorzieningen en een veilige aanlooproute richting de school hebben. Gemeente en schoolbesturen maken zich hard voor het waar mogelijk realiseren van Groene schoolpleinen.

Openbaar schoolplein Een openbaar schoolplein kenmerkt zich door de toegankelijkheid buiten schooltijden, waardoor het beschikbaar blijft voor de buurt. Dit geeft het plein een ontmoetingsfunctie en draagt bij aan het voorkomen van rondzwerven van kinderen en vandalisme. Bij het openstellen van schoolpleinen is overleg tussen gemeente en schoolbestuur essentieel om afspraken te maken over de inrichting en het onderhoud. De intensievere benutting van het plein door de ontmoetingsfunctie kan leiden tot een kortere afschrijvingstermijn. Om dit te ondervangen, kan worden gekozen voor duurzame materialen, waarbij ook de doelstelling om groene schoolpleinen te realiseren, wordt meegenomen.

3.3 Veiligheid Veiligheid is een fundamenteel aspect van een leeromgeving. Onze visie op veiligheid omvat zowel de fysieke veiligheid binnen de schoolgebouwen als de veiligheid in de directe omgeving. Het creëren van een veilige en beschermende omgeving is essentieel voor het welzijn van leerlingen, personeel en bezoekers, en draagt bij aan een optimaal leerklimaat. Door zowel de fysieke veiligheid binnen de schoolgebouwen als de veiligheid in de omgeving zorgvuldig te plannen en te beheren, wordt een omgeving gecreëerd waarin leerlingen zich veilig voelen en optimaal kunnen leren. Enkele scholen binnen de gemeente Goes bekleden een regiofunctie en bieden daarmee onderwijs aan kinderen van binnen én van buiten de gemeente. Deze regiofunctie houdt in dat er meer auto- en busverkeer vanuit omliggende kernen en gemeenten naar deze scholen is wat leidt tot verkeersdrukte in de betreffende wijken. Toenemend auto- en busverkeer leidt tot een minder veilige verkeerssituatie voor voetgangers en fietsers in de wijk (zoals de situatie aan de Bergweg). Het streven is om voor iedere school het autoverkeer rondom de school te beperken door middel van een goede haal- en brengvoorziening. Hierdoor wordt het mogelijk om kinderen zelfstandig en veilig naar school te laten gaan. Om dit te bewerkstelligen wordt bij (vervangende) nieuwbouw en/of renovatie verder gekeken dan enkel het gebouw.

Stedenbouwkundig wordt gekeken wat de maatregel als gevolg heeft voor de omgeving. Dit biedt de mogelijkheid om stedenbouwkundige

7 Een groen schoolplein leidt tot meer schoonmaakmaatregelen in de scholen. Nieuwe scholen kunnen rekening houden met een passende

inrichting, voor bestaande scholen leidt dit mogelijk tot een toenemende mate aan schoonmaak.

www.icsadviseurs.nl

15/55

oplossingen te bedenken die ervoor zorgen dat het gebied rondom de school verkeersveilig en overzichtelijk blijft8. Verkeersveiligheid rondom scholen is van essentieel belang voor het waarborgen van een veilige leeromgeving voor leerlingen, ouders en personeel. In de gemeente Goes wordt gestreefd naar een integraal verkeersveiligheidsbeleid dat de veiligheid van alle betrokkenen vooropstelt. Dit beleid richt zich op het creëren van veilige en toegankelijke routes naar en rondom scholen, met als doel het minimaliseren van verkeersongevallen en het garanderen van een veilige verkeersomgeving. Met het aanleggen van goed gemarkeerde en verlichte oversteekplaatsen nabij scholen kunnen leerlingen veilig de straat oversteken. Ook kunnen veilige en gescheiden fiets- en wandelpaden de verkeersstroom scheiden en voetgangers en fietsers beschermen.

3.4 Type maatregelen binnen IHP Voor elke onderwijsvoorziening wordt binnen het IHP een maatwerkscenario beschreven dat leidend is voor de maatregelen en investeringen die de komende jaren door gemeente en schoolbesturen gepleegd worden. In het IHP wordt onderscheid gemaakt tussen schoolgebouwen die de komende periode in stand worden gehouden en gebouwen waar de noodzaak tot vervanging of een maatregel aanwezig is. In het IHP hanteren we daarom de volgende huisvestingsscenario’s: 1. 2.

3. 4. 5. 6.

(Vervangende) nieuwbouw; Renovatie; a. 40 jaar levensduurverlengend b. 20 jaar levensduurverlengend Verduurzamen; Investeren in binnenklimaat; In stand houden; Afstoten.

Hieronder wordt de definitie en het afwegingskader van de huisvestingsscenario’s verder uitgewerkt. Per scenario wordt hieronder een nadere toelichting gegeven. Hierbij wordt gesproken over gemeente en schoolbesturen vanuit hun positie als mogelijke bouwheren. In beginsel is het schoolbestuur bouwheer tenzij gemeente en schoolbestuur anders overeenkomen.

(Vervangende) Nieuwbouw Onder nieuwe gebouwen worden de schoolgebouwen verstaan waarvoor in het IHP een noodzaak tot vervanging wordt aangetoond. Deze gebouwen krijgen binnen afzienbare tijd een grootschalige ingreep in de vorm van (vervangende) nieuwbouw met een levensduur van 40 jaar. Bij nieuwe schoolgebouwen wordt gestreefd naar een maximale bijdrage aan de verduurzamingsopgave. Boven op de bestaande wetgeving om BENG te realiseren, is de ambitie uitgesproken om bij nieuwbouw van scholen te laten voldoen aan ENG9. Het streven op het gebied van gezondheid is om gemiddeld Frisse Scholen klasse B te behalen, en waar mogelijk of op onderdelen Frisse Scholen klasse A.

8 In praktijk is het niet altijd mogelijk om een stedenbouwkundige aanpassing te doen door bijvoorbeeld een hoge bevolkingsdichtheid in de

wijk. De gemeente stuurt echter op het autoluw maken van de binnenstad en haar drukke stedelijke gebieden. 9 Op dit moment loopt een Europees wetgevingstraject waarbij mogelijk ENG per 2027 voor nieuwbouw verplicht gaat worden.

www.icsadviseurs.nl

16/55

Spelregels IHP – (vervangende) nieuwbouw Voor de oplossingsrichting (vervangende) nieuwbouw zijn de volgende spelregels van toepassing:  Een haalbaarheidsonderzoek dient aan te tonen of nieuwbouw een beter alternatief is voor renovatie (als daar geen direct uitsluitsel over wordt gegeven op basis van bepaalde context).  Het haalbaarheidsonderzoek wordt in gezamenlijkheid door gemeente en schoolbestuur uitgevoerd om eenzijdige sturing te voorkomen.  De gemeente financiert het wettelijke deel (momenteel BENG en gemiddeld Frisse Scholen klasse B), waarbij per project wordt bekeken op welke onderdelen Frisse Scholen klasse A kan worden behaald binnen het budget. Voor het budget wordt uitgegaan van realistische investeringsbedragen.  Een haalbaarheidsonderzoek, met daarin maatregelen met een rendabele terugverdientijd in de exploitatie (passend binnen het Onderwijsaccountsprotocol), moet aantonen of hogere duurzaamheidseisen zoals ENG haalbaar zijn. Het opstellen van dit haalbaarheidsonderzoek is onderdeel van het bouwproces.  De stap van BENG naar ENG kan worden gezet met een bijdrage vanuit het schoolbestuur. Het uitgangspunt is dat deze eenmalige bijdrage kan worden verantwoord door terugverdienen binnen een redelijke termijn en passend binnen het Onderwijsaccountsprotocol.  Het uitgangspunt voor nieuwbouw is ENG.

Voor ieder project dient een financiële afweging gemaakt te worden of deze investering haalbaar is. De gemeente en het schoolbestuur gaan hierover in overleg.  Er wordt een klimaatscan uitgevoerd om te beoordelen welke klimaat adaptieve maatregelen er mogelijk zijn.  De omschreven ambities voor flexibiliteit, inclusie en circulariteit dienen bij nieuwbouwprojecten zoveel als mogelijk te worden geïntegreerd, passend binnen het budget. Het realiseren van uitbreiding bij een schoolgebouw is een variant van nieuwbouw. Vaak gaat het hier om kleinere projecten waardoor het bedrag voor nieuwbouw kan oplopen (afhankelijk van de grootte). Bij een dergelijke kleine uitbreiding is het duurzaamheidsconcept van het bestaande gebouw leidend. Mocht het duurzaamheidsconcept van het bestaande gebouw minder zijn dan BENG, dan wordt er gestreefd naar minimaal BENG.

Renovatie De VNG heeft samen met de koepelorganisaties PO-Raad en VO-Raad een advies tot wijziging van de wet ingediend, waaronder het toevoegen van renovatie als alternatief voor nieuwbouw10. In het advies van de VNG, PO-raad en VO-raad wordt het uitgangspunt gehanteerd dat renovatie dient te worden beschouwd als een volwaardig alternatief voor nieuwbouw, om de levensduur van schoolgebouwen te verlengen, waarbij het gebouw (weer) voldoet aan de functionele eisen en kwaliteitseisen. Hierbij zijn ook de wettelijke eisen van toepassing en de ambities van nieuwbouw worden zoveel mogelijk benaderd. Een voorbeeld vormt het voldoen aan BENG. Dit is in bestaande bouw niet volledig haalbaar, maar wordt beredeneerd zoveel mogelijk gehaald. Verder wordt per casus bezien op welke wijze renovatie verantwoord is qua investeringen versus opbrengst. De afweging voor (levensduur verlengende) renovatie wordt gemaakt wanneer een gebouw 40 jaar in gebruik is geweest zonder grootschalige tussentijdse investeringen met als doel om de levensduur te verlengen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee vormen van renovatie:  

Levensduurverlengende renovatie met een scope van 40 jaar; Levensduurverlengende renovatie met een scope van 20 jaar.

10 De verwachting is dat de nieuwe wet vanaf 2025 vastgesteld wordt. In afwachting daarvan geldt tot vaststelling daarvan bovenstaande.

www.icsadviseurs.nl

17/55

Bij renovatie wordt gekeken naar:    

Functionele staat: verbeteren van de functionaliteit (flexibiliteit, multifunctionaliteit en aansluiten onderwijsconcept); Technische staat: levensduurverlenging door investering in bouwkundige en installatietechnische ingrepen; Ruimtelijke staat; Verduurzaming van het gebouw (ambitie BENG).

Onderdeel van het haalbaarheidsonderzoek is een vergelijking met de kosten van vervangende nieuwbouw op basis van kapitaallastniveau inclusief eenmalige investeringen zoals tijdelijke huisvesting. Als de kosten te veel oplopen kan vervangende nieuwbouw de te prefereren keuze zijn in verband met het halen van maximaal rendement uit het inzetten van maatschappelijke middelen (lees: lage structurele lasten). Het haalbaarheidsonderzoek bestaat ten minste uit inzicht in:  De kosten van instandhouding op basis van het uitgevoerde onderhoud van de afgelopen vijf jaar en een actueel meerjaren onderhoudsplan;  De staat van het gebouw op basis van een objectieve schouw volgens de systematiek van de verordening aangevuld met een gebrekenrapportage inclusief indicatie van de benodigde investeringen om deze op te lossen;  Benodigde aanpassingen op basis van een actueel ruimteprogramma (inhoudelijke wensen kindcentrum) en op basis van de meest actuele leerlingenaantallen en leerlingenprognoses;  Het herontwikkelingspotentieel van het kavel en de mogelijke opbrengsten hiervan (wellicht ter compensatie van boekwaarde);  De klimaateffecten van een maatregel;  De omgang met netcongestie;  Benodigde investeringen voor vernieuwen van bouwkundige en installatietechnische aspecten;  Benodigde investeringen voor verduurzaming;  Wet- en regelgeving op het gebied van binnenklimaat;  De

actuele boekwaarde;  Benodigde tijdelijke huisvesting of andere investeringen. Voor zowel renovatie als vervangende nieuwbouw wordt een investeringsraming op kengetallenniveau gemaakt. Deze investeringen worden vertaald naar een kapitaallast op basis van actuele parameters (zoals rekenrente en afschrijvingstermijnen) van de gemeente Goes. Bij nieuwbouw wordt ook het eenmalig afboeken van de boekwaarde betrokken. Zo kan een vergelijk gemaakt worden tussen renovatie en vervangende nieuwbouw. In de afweging voor nieuwbouw of renovatie dient er ook aandacht te zijn voor de locatie (in de wijk/kern en leerlingenprognoses) en de klimaateffecten (impact op CO2-depositie, verkeersbewegingen, verduurzamingsmogelijkheden). (Vervangende) Nieuwbouw biedt de kans om energie-efficiënte en duurzame oplossingen te integreren, zoals goede isolatie en hernieuwbare energiebronnen. Renovatie kan de ecologische voetafdruk verkleinen door bestaande materialen te hergebruiken en het gebouw te verduurzamen. Beide opties moeten worden beoordeeld op hun impact op energieverbruik, CO2-uitstoot, en het lokale milieu, inclusief aspecten zoals waterhuishouding en het stedelijk hitte-eiland-effect.

Spelregels IHP – levensduurverlengende renovatie met een scope van 40 jaar Voor de oplossingsrichting van een levensduurverlengende renovatie met een scope van 40 jaar zijn de volgende spelregels van toepassing:  Een haalbaarheidsonderzoek (inclusief schouw) dient aan te tonen of renovatie een beter alternatief is dan nieuwbouw.

www.icsadviseurs.nl

18/55

  

  

Het haalbaarheidsonderzoek dient in gezamenlijke opdracht van gemeente en schoolbestuur te worden gemaakt om eenzijdige sturing te voorkomen. De bijdrage vanuit de gemeente en aanvullende bijdrage vanuit het schoolbestuur is vergelijkbaar met de spelregels voor nieuwbouw. In het afwegingskader binnen het haalbaarheidsonderzoek dienen de volgende afwegingen ten grondslag te liggen aan de motivatie om te kiezen voor renovatie in plaats van nieuwbouw: ─ Het gebouw heeft een goede uitstraling, ligging en/of functionaliteit, en/of; ─ Het gebouw heeft verschillende bouwdelen, en/of; ─ Het gebouw heeft nog een hoge boekwaarde, en/of; ─ De exploitatie vormt geen probleem, en/of; ─ Renovatie vormt een duurzamer alternatief dan nieuwbouw, circulaire maatregelen worden hierin meegenomen, en/of; ─ Er ruimte is in het gebouw of op het terrein om het gewenste aanbod te realiseren, en/of; ─ Het gebouw dusdanig flexibel is dat er multifunctioneel gebruik van ruimten kan worden gemaakt en aanpassingen/uitbreidingen in de toekomst mogelijk zijn (indien gewenst). Er wordt een klimaatscan uitgevoerd om te beoordelen welke klimaat adaptieve maatregelen er mogelijk zijn. De omschreven ambities voor flexibiliteit, inclusie en circulariteit dienen bij renovatieprojecten zoveel mogelijk te worden geïntegreerd. Bij deze renovatie wordt uitgegaan van ingrepen die de levensduur met 40 jaar verlengen.

Spelregels IHP - levensduurverlengende renovatie met een scope van 20 jaar   

 

Het realiseren is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente en schoolbesturen op basis van genoemde haalbaarheidsonderzoek annex maatregelenplan; De kosten voortkomend uit de gebrekenrapportage betreffen onderhoudswerkzaamheden en zijn voor rekening van het schoolbestuur vanuit haar onderhoudsverplichting; De gemeentelijke bijdrage is maximaal 70%11 van de investering voor nieuwbouw. Het percentage van 70% vormt het kantelpercentage vanaf wanneer nieuwbouw vanuit bedrijfseconomisch oogpunt verantwoorder is dan renovatie. De gemeentelijke bijdrage bestaat uit maximaal deze 70% van het kengetal voor de kosten van vervangende nieuwbouw. Deze gemeentelijke bijdrage wordt niet overschreden. Zo wel, dan is in het haalbaarheidsonderzoek beargumenteerd aangeven waarom dit gebeurt12. De gemeentelijke bijdrage is een invulling van het voorstel vanuit de VNG en PO-raad dat de gemeente bijdraagt in de bekostiging van renovatie. Daarmee wordt vooruitgelopen op de verwachte nieuwe wetgeving waarin renovatie als voorziening wordt opgenomen; De hogere duurzaamheideisen kunnen worden gemaakt met een bijdrage vanuit het schoolbestuur. Het uitgangspunt is dat deze eenmalige bijdrage kan worden verantwoord door terugverdienen en passend binnen het Onderwijsaccountantsprotocol.

Kwaliteitsniveau Frisse Scholen klasse B; Bij deze renovatie wordt uitgegaan van ingrepen die de levensduur met 20 jaar verlengen.

In het proces om te komen tot een afweging voor renovatie zijn nog drie spelregels van toepassing:  Als er aanleiding is om de bouwkundige en installatietechnische maatregelen ter discussie te stellen, kan een gebrekenrapportage inclusief maatregelen opgesteld worden ter onderbouwing;  Er kunnen argumenten zijn om een bestaand gebouw toch te handhaven in plaats van (vervangende) nieuwbouw (bijvoorbeeld bij het behoud van de fundering om de CO2-uitstoot te beperken). Dit dient

11 70% is het omslagpunt waarop vervangende nieuwbouw bedrijfseconomisch voordeliger wordt dan renovatie. Dit is afhankelijk van de

bouwconjunctuur en regelgeving. In de huidige praktijk benaderen de kosten voor renovatie de kosten voor nieuwbouw. 12 Voorbeelden van argumenten kunnen zijn: monumentale status, beeldbepalend gebouw, geen alternatieve locatie beschikbaar, hoge boekwaarde van een gebouw en (kwalitatief) verschillende bouwdelen (met verschillende bouwjaren).

www.icsadviseurs.nl

19/55

uitgebreid beargumenteerd te worden in een haalbaarheidsonderzoek. Daarna is het een maatregel die volgens de genoemde maatregelen voor bekostiging in aanmerking komt; Aandacht voor in- of uitbreiden van het gebouw met behoud van het onderwijsconcept. Wetgeving rond renovatie Voor renovatie als voorziening in de onderwijshuisvesting is door het Rijk wetgeving in de maak. De verwachting is dat deze in 2025 een feit wordt. Tot het moment dat de wetgeving van kracht is gelden bovenstaande spelregels voor renovatie.

3.5 Verduurzamen Bij verduurzamen wordt specifiek gekeken naar het verbeteren van de energieprestaties en het binnenklimaat van bestaande schoolgebouwen, zonder dat volledige renovatie plaatsvindt. In lijn met de landelijke klimaatdoelstellingen wordt voor verduurzamen gestreefd naar de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) en waar mogelijk naar Energieneutrale Gebouwen (ENG). Daarnaast geldt de norm Frisse Scholen Klasse B als minimumeis voor het binnenklimaat van alle scholen. Door gerichte investeringen te doen, wordt de duurzaamheid van het gebouw aanzienlijk verbeterd zonder dat dit een volledige vernieuwing van het pand vereist. Onderdelen van verduurzamen: 

Energieprestaties: Het streven is dat alle bestaande schoolgebouwen voldoen aan de eisen van BENG. Waar mogelijk wordt ENG behaald, zeker voor gebouwen met een lange resterende levensduur. Dit houdt onder meer in dat het energieverbruik zoveel mogelijk wordt gereduceerd en dat de resterende energievraag zo duurzaam mogelijk wordt ingevuld, bijvoorbeeld met zonnepanelen of andere hernieuwbare energiebronnen.

Frisse Scholen Klasse B: Alle schoolgebouwen dienen minimaal te voldoen aan de eisen van Frisse Scholen Klasse B. Dit betekent dat er aandacht is voor luchtkwaliteit, ventilatie, temperatuurregeling en akoestiek, waarbij wordt gestreefd naar een gezonde leeromgeving voor zowel leerlingen als personeel.

Uitvoeren van verduurzamingsscan: Voor alle gebouwen wordt een verduurzamingsscan uitgevoerd om te bepalen welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn naast de verplichte Erkende Maatregelen (Wet Milieubeheer). Deze scan brengt in kaart hoe de energieprestaties kunnen worden verbeterd, welke maatregelen kunnen bijdragen aan het aardgasvrij maken van een gebouw en welke opties er zijn om CO2-uitstoot te verminderen.

Langetermijndoelen: Verduurzaming is niet enkel gericht op de korte termijn, maar houdt rekening met de ambitie om tegen 2050 alle gebouwen CO2-neutraal te maken. Daarom wordt in verduurzamingstrajecten altijd rekening gehouden met toekomstige vereisten en wordt zo veel mogelijk naar een toekomstbestendige oplossing gestreefd.

Koppeling aan MJOP: Het verduurzamen wordt zo veel mogelijk verweven in het Meerjaren Onderhoudsplan (MJOP). Dit zorgt ervoor dat verduurzamingsmaatregelen op logische en kostenefficiënte momenten worden uitgevoerd, bijvoorbeeld bij de vervanging van installaties of isolatie.

In stand houden Onder in stand houden vallen de gebouwen die binnen de looptijd van het IHP (ca. 16 jaar) in stand worden gehouden. Hoewel deze gebouwen geen grootschalige ingreep krijgen, is ook voor deze categorie aandacht voor hoe kan worden bijgedragen aan de verduurzaming en het verbeteren van het binnenklimaat in lijn met de landelijke klimaatdoelstellingen. Over 27 jaar dienen namelijk alle gebouwen CO2neutraal te zijn.

www.icsadviseurs.nl

20/55

Het in stand houden en onderhouden van schoolgebouwen is een verantwoordelijkheid van het schoolbestuur, die hiervoor een meerjaren onderhoudsplan (MJOP) opstelt. Bij het planmatig onderhoud wordt minimaal het conditieniveau 3 van in stand houding op sober en doelmatig niveau (NEN2767) gehanteerd13. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de handhaving van dit niveau en de uitvoering van de onderhoudswerkzaamheden. Het schoolbestuur is ook verplicht om de Erkende Maatregelen (Wet Milieubeheer) uit te voeren. Dit betreft duurzame maatregelen met een terugverdientijd van maximaal 5 jaar. Voor het onderhouden en het uitvoeren van de Erkende Maatregelen zet het schoolbestuur een deel van de bekostiging die zij vanuit het Rijk ontvangt in. Deze regeling blijft gehandhaafd. Toch vraagt het behalen van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord om aanvullende maatregelen voor bestaande gebouwen. Hieronder zijn spelregels opgenomen hoe hiermee om te gaan. Spelregels IHP – in stand houden Hiervoor gelden de volgende spelregels:  Voor alle schoolgebouwen wordt door middel van een scan inzichtelijk gemaakt welke maatregelen er, aanvullend op het activiteitenbesluit, haalbaar zijn om het binnenklimaat te verbeteren, de CO2-uitstoot te verminderen, energie te besparen en aardgasvrij ready te zijn.

Er kan onderscheid gemaakt worden tussen verschillende categorieën van gebouwen: ─ Leeftijd 35 jaar of ouder: voor deze gebouwen is het aannemelijk dat er binnen afzienbare tijd door middel van levensduurverlengend renoveren of (vervangende) nieuwbouw (na afweging in een haalbaarheidsonderzoek) de CO2-uitstoot wordt gereduceerd. Met een light scan wordt inzichtelijk gemaakt welke duurzame maatregelen binnen de resterende levensduur van het gebouw haalbaar en verantwoord zijn. Voor gebouwen die binnen nu en 5 jaar in het IHP staan voor een ingreep, wordt geen scan uitgevoerd; ─ Leeftijd jonger dan 35 jaar: deze gebouwen verwachten noch binnen het IHP noch voor 2050 een grootschalige ingreep. Een uitgebreide scan maakt inzichtelijk welke maatregelen zorgen voor een substantiële verduurzaming voor deze categorie gebouwen.  De gemeente bekostigt de scan gezamenlijk met het schoolbestuur (voorstel: 50-50 verhouding). In het IHP wordt opgenomen voor welke gebouwen een scan noodzakelijk is.  Als de uitkomsten van de scan aanleiding geven tot het doorvoeren van maatregelen zijn de schoolbesturen in principe verantwoordelijk voor bekostiging daarvan. Het uitvoeren van de maatregelen wordt zoveel mogelijk gekoppeld aan natuurlijke momenten in het MJOP (koppeling verduurzamingsmaatregelen aan investeringen vanuit onderhoud).  Binnen een gebouw kan sprake zijn van huurinkomsten.

Deze opbrengsten kunnen ingezet worden voor verduurzamingsmaatregelen en de bekostiging daarvan.

Afstoten Rekening houdend met het scenario waarin een schoolbestuur besluit om het geven van onderwijs niet te continueren, wordt het gebouw teruggegeven aan de gemeente. Het gebouw verliest niet automatisch zijn onderwijsbestemming. Deze situatie doet zich voor bij gebouwen die niet langer als school in gebruik blijven en volgens de Verordening Onderwijshuisvesting worden onttrokken aan de onderwijsbestemming.

13 Bij conditie onder deze score, ook als het partieel is, dient dit te worden hersteld.

www.icsadviseurs.nl

21/55

Bij het onttrekken is het belangrijk dat het perspectief (lees: wat gaat er daarna mee gebeuren) van het gebouw bekend is. De gemeente en het schoolbestuur gaan met elkaar in gesprek om het perspectief te bepalen. Afhankelijk van dit perspectief maken gemeente en schoolbesturen concrete afspraken over de staat waarin het schoolbestuur het gebouw gaat terugleveren aan de gemeente opdat het schoolbestuur haar onderwijsactiviteiten daarop kan afstemmen. Als een gebouw na de onttrekking wordt gesloopt, zijn in de periode daarvoor minder instandhoudingsinvesteringen benodigd dan wanneer het gebouw daarna weer voor maatschappelijke doeleinden opnieuw ingezet wordt.

3.6 Investeren in huisvesting maatschappelijke partners Vanwege de samenwerking tussen onderwijs en overige maatschappelijke partijen is huisvesting van deze partijen ook een belangrijk gegeven. Onder deze partijen worden onder andere kinderopvangorganisaties en zorg- en ondersteuningsorganisaties bedoeld. Het streven is te komen tot gezamenlijke huisvesting waar de kans zich voordoet. Hiervoor zijn twee mogelijkheden: 1. 2.

De maatschappelijke partner investeert zelf in de huisvesting of; De gemeente investeert transparant in de huisvesting en verkrijgen een vergoeding vanuit de maatschappelijke organisatie via het betreffende schoolbestuur op basis van een kostprijsdekkende huurafspraak (compensatie kapitaallasten).

In bovenstaande situatie is sprake van een kostprijsdekkende huurafspraak. Deze huurafspraak bestaat uit een vergoeding van de kapitaallasten (rente14 en afschrijving) die ten gunste komt van de gemeente voor de gepleegde investering. Het deel dat bestaat uit de exploitatielasten wordt verstrekt aan het schoolbestuur die het gebouwdeel van de maatschappelijke partner verder kan exploiteren. Bovenstaande staat los van de situatie van medegebruik. Dit is van toepassing op bestaande gebouwen met leegstand waarin de maatschappelijke partner een exploitatievergoeding betaald. Er kan alleen sprake zijn van een kapitaallastafspraak als de gemeente een aantoonbare investering pleegt ten gunste van de maatschappelijke partner. Bovenstaande gaat over het huisvesten van maatschappelijke partners. In geval van een kindcentrum ligt de keuze voor de kindpartner bij het schoolbestuur en niet de gemeente.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15235750/1