CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Verslag Commissie Samenleving 28 en 29 september 2022

Raadscommissie Samenleving 31 oktober 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Verslag vergadering d.d. 28 + 29 september 2022 + actielijst25.217 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Men wil het zeker niet uitrollen over de gemeente. Daarnaast, overlast kan men niet alleen via een QR-code aangeven. Dat moet ook nog bij de politie plaatsvinden. Mevrouw IJtsma is benieuwd wat de ervaring was van de professionals. Wat ervaren zij in het contact met de jongeren? Wethouder Doremalen reageert.  Die ervaringen zijn verschillend. Men heeft het nog niet helemaal in beeld. Om die reden wil men er ook niet verder op ingaan. Dat kan beter wanneer de evaluatie er echt is. Wanneer van alle betrokkenen duidelijk is hoe hun ervaringen zijn. De heer Van Vugt komt terug op de opmerking van de wethouder over een betere inpassing van de JOP in Gilze. Wanneer men alle punten bij elkaar neemt, de inpassing, de onduidelijkheid over de meerwaarde van de JOP en eventueel de QR-code, is het dan wel zinvol om het vergunningentraject te starten? Omwonenden hebben al aangegeven daar bezwaar tegen aan te tekenen. Wethouder Doremalen antwoordt.  Het voordeel van de JOP in Gilze is bewezen. Dat blijkt ook uit de evaluatie. Men ziet er ook vaste groepen jongeren. Samen voldoende reden om het vergunningentraject te starten. In Rijen loopt de pilot nog en wacht men nog even af. De heer Van Dongen valt over het punt dat de toegevoegde waarde van de jongeren bewezen is. Dat ging over de zomermaanden. Wat gebeurt er de komende vier maanden? Wethouder Doremalen antwoordt.

 In de komende vier maanden laat men de jongeren in dezelfde JOP wanneer ze daar gebruik van willen maken. Waarschijnlijk maakt men er minder gebruik van. De heer Houtepen vraagt de wethouder na te denken over een alternatief voor de huidige JOP. Om dit vervolgens met de commissie terug te koppelen.

34

Wethouder Doremalen reageert.  Aan welk alternatief denkt men dan? Men weet zelf niet zo gauw een alternatief. De heer Houtepen heeft hier niet direct een antwoord op. Spreker kan zich voorstellen dat er mensen zijn die dit wel weten. In elk geval iets op een andere locatie, dan de nu min of meer verstopte locatie in Rijen. Tweede termijn De heer Houtepen heeft eigenlijk alles al naar voren gebracht. De heer Van Vugt hoort bij veel partijen grote twijfels over het succes van de JOP’s. Mevrouw Van der Meer brengt naar voren dat haar partij net twijfelt over de noodzaak van de JOP’s. De heer Van Vugt erkent dat, maar bij de meeste partijen leeft die twijfel wel. Daarbij worden min of meer dezelfde argumenten naar voren gebracht. Het zou goed zijn om samen een signaal af te geven aan het college om de zaken anders aan te pakken. Wanneer het toch doorgaat dan moet men het college een paar suggesties meegeven. In Gilze moet men zeker niet het vergunningstraject ingaan. Spreker vraagt zich af of de activiteiten in het jongerencentrum A16 geen alternatief zijn voor de doelgroep van de JOP’s, zoals de wethouder naar voren heeft gebracht. Dat hangt af van verschillende factoren zoals openingstijden, mogelijkheden, privacy en dergelijke.

Vinden andere partijen het goed om samen met D66 te kijken naar een mogelijkheid om de vergelijkbare faciliteiten die er in Rijen zijn ook te realiseren in Gilze? Kijken of daar behoefte aan is. Mevrouw Van der Meer vraagt of de heer Van Vugt bereid is de jongeren te faciliteren met een JOP en een onderzoek te doen in Gilze naar ook zoiets als A16 in Rijen. Er zijn verschillende groepen met verschillende behoeften. De heer Van Vugt kan zich daar wel bij aansluiten. Echter, ga eerst eens kijken of er een behoefte is aan een JOP. Is die er, maak er dan een nette JOP van. Luister beter naar de jongeren qua locatie en dergelijke. Mevrouw Van der Meer is blij dat de heer Van Vugt nu de jongeren zelf noemt als partij waar men naar moet luisteren. De eerste locatieoptie in Rijen was samen gekozen door jongeren, jongerenwerk, politie, buurtregisseur. Die locatie is niet doorgegaan omdat de buurt het er niet mee eens was. Het is een gevoelig onderwerp. Wanneer men dan eindelijk een locatie heeft, dan is er altijd wel iemand die daar niet tevreden mee is. Echter, er wordt samen met de jongeren naar locaties gekeken. De heer Van Vugt geeft aan het op dit punt met mevrouw Van der Meer eens te zijn. Bij de eerste optie is naar de jongeren geluisterd. Bij al de andere locaties zijn de jongeren niet in beeld geweest. Dat wil men echter wel.

Wanneer er al een JOP moet komen, dan moet men die wens goed met de jongeren checken om vervolgens samen met hen te kijken wat een goede locatie is. Mevrouw Van der Meer heeft toch een andere voorstelling van zaken. Wat betreft de JOP in Rijen is er uiteindelijk wel naar de jongeren geluisterd. De heer Van Vugt is het ook op dit punt eens met mevrouw Van der Meer. Maar, men kan niet zeggen dat de JOP in Rijen nu wel goed gebruikt wordt. De heer Bisschops heeft de wethouder horen zeggen dat de JOP ook echte bedoeld is voor een andere doelgroep dan de jongeren die in het jongerencentrum komen. Welke doelgroep bezoekt dan volgens de heer Van Vugt de JOP? De heer Van Vugt laat het van de jongeren zelf afhangen. Men gaat de doelgroep niet beschrijven. Wanneer er behoefte is bij een voldoende grote groep, dan mag er een JOP zijn die voor de jongeren prettig is, maar waarbij ook rekening wordt gehouden met de sociale veiligheid. Op dit moment is zoiets niet in beeld. Mevrouw Van der Meer vindt dat de heer Van Vugt een wisselend signaal afgeeft over de (potentiële) gebruikers van een JOP. Spreekster is in ieder blij dat de JOP gebruikt wordt. De heer Van Vugt heeft niet gezegd dat de JOP wordt gebruikt door de verkeerde doelgroep. Men weet dat die in Gilze niet gebruikt wordt. De wethouder zegt van wel, maar dat zullen dan heel 35

weinig gebruikers zijn. Wanneer de JOP’s gebruikt worden, dan kunnen ze blijven bestaan. Dat is niet het geval. Dan hebben de JOP’s ook geen meerwaarde. Naast de eventuele JOP’s moet men er voor zorgen dat er in zowel Gilze als Rijen een net jeugdhonk met activiteiten kan zijn als daar behoefte aan is. Meer wordt er niet gevraagd. Is daar een onderzoek naar te doen? Ook om te kijken of de activiteiten in A16 verruimd kunnen worden voor de doelgroep die daar behoefte aan heeft. In de stemwijzer stond dat alle partijen vonden dat er een jeugdhonk in Gilze zou moeten komen. Alleen Gemeentebelang was op dit punt neutraal. Mevrouw Van der Meer merkt op dat de vagen in de temwijzer heel mooi op ja of nee zijn geformuleerd. Gemeentebelang stond in deze inderdaad op de neutrale as. Men wil namelijk eerst weten of er behoefte aan een jongerencentrum is. Mevrouw IJtsma is wel tevreden met de JOP’s. Zeker als de wethouder kan bevestigen dat die toch goed gebruikt wordt en dat men er goede ervaringen mee heeft. Men vindt de mening van de jongeren daarbij wat belangrijker dan de mening van de omwonenden. Het is vaak een geval van ‘niet in mijn achtertuin’. Toch moet men een plaats voor een JOP creëren. Men vindt het belangrijk om de evaluatie van de wethouder af te wachten over de JOP in Rijen.

Wat men van de jeugd hoort is dat er echt gebruik van de JOP’s wordt gemaakt, met name door de doelgroep. Een groep die niet zit te wachten op een gebouw of verwarming. Die gewoon wil hangen. Natuurlijk wisselt de plek waar men wil hangen. In elk geval buiten en niet binnen. De heer Van Dongen woont dicht in de buurt van de JOP. Men heeft daar iemand nog nooit met slecht of koud weer iemand zien hangen. Spreker komt er wel elke dag langs. Mevrouw IJtsma denkt dat de doelgroep voor een JOP en doelgroep is die buiten wil hangen. Het is geen doelgroep die men moet faciliteren met een gebouw of met verwarming. De heer Van Dongen denkt dat het goed is dat men het onderzoek eens moet doen. Nu gaat een ieder uit van de eigen beleving. Mevrouw IJtsma heeft duidelijk aangegeven met jongeren gesproken te hebben die met enige regelmaat in de JOP komen. De heer Van Vugt constateert dat mevrouw IJtsma geen antwoord heeft gegeven op zijn vraag. Ze is een voorstander om in Gilze een onderzoek te doen onder jongeren omdat er behoefte is aan een soort van jongerencentrum voor een ander doelgroep waar men het nu over heeft. Mevrouw IJtsma vindt het prima om onder jongeren te onderzoeken of daar behoefte aan is. Dat neemt niet weg dat men de JOP nog steeds een goed idee vinden. Mevrouw Schuermans constateert dat veel er veel gezegd wordt ‘ik denk dat’.

Echter, men praat hier voor en over de jongeren. Dan moet men ook weten wat de jongeren willen. Men is heel benieuwd hoe de evaluatie van de JOP in Rijen uitpakt. Wat ook belangrijk is, is de veiligheid. Het gaat daarbij om de veiligheid van de jongeren in de JOP, maar ook over de veiligheid van de inwoners. Het moet niet zo zijn dat straks iedereen zich onveilig voelt. De heer Bisschops vraagt hoe veiligheid wordt bedoeld. Is dat overlast voor de omwonenden? Mevrouw Schuermans geeft aan dat veel oudere mensen zich in het winkelcentrum onveilig voelen. Soms terecht en soms onterecht. De veiligheid is een punt waarvan spreekster vindt da het meegenomen moet worden, met name ’s nachts. Maar dat is eigenlijk politiewerk. Ook jongeren die in de JOP zitten moeten veilig met elkaar om kunnen gaan. Daar moet ook op gelet worden. De heer Bisschops vraagt of mevrouw Schuermans met veiligheid overdag straatintimidatie bedoelt. Dat heeft niets te maken met de JOP’s waar men het nu over heeft. Mevrouw Schuermans geeft aan dat in het eerder genoemde winkelcentrum achterin heel veel jongelui staan. Daar is weinig controle op. Men vraagt zich af of er iemand van het straatwerk van ContourdeTwern wel eens daar naar toe gaat. Het gaat om het veilige gevoel, waarmee niet gezegd wordt dat het onveilig is. Het roept echter bij veel mensen een gevoel van onveiligheid op.

Terugkomend op het A16-verhaal in Rijen, denkt men dat er sprake is van verschillende doelgroepen. Tijdens de verkiezingstijd is al aangegeven dat er een onderzoek moet komen in Gilze onder soortgelijke jongeren als de gebruikers van A16 in Rijen. Mevrouw Van der Meer kan het voorstel van de QR-code niet rijmen met wat GGR in het verleden heeft gezegd. Toen wilde men wel wat doen voor de jongeren. Men pleitte in de vorige raadsperiode 36

juist voor een plek nabij de huidige locatie. Nu meten de jongeren daar weer weg. De heer Van Dongen vindt de afstand van zijn woning tot de JOP niet zo relevant. Alleen laat spreker zijn hond uit in het park. Wellicht geeft dit wat verduidelijking. De QR-code heeft zoals uitgelegd een tweeledig doel. Mevrouw Van der Meer vindt dat het antwoord vaan de heer Van Dongen een verduidelijking. GGR heeftaangegeven dat men graag ziet dat er interviews met de buurt worden gehouden, maar GGR noemt niet een keer daarbij de jeugd zelf. Daarbij hoort men GGR ook nog zeggen dat men een JOP realiseert en dat men de vernielingen bijna bij de jeugd zelf worden neergelegd. Een gedeelte van de jeugd in de gemeente heeft geen behoefte om met elkaar te zijn. Een voorziening als een JOP is juist voor de doelgroep die zich niet uitspreekt. Daar heeft men een open oor voor. Die jongeren bestaan. De heer Van Vugt sluit zich geheel aan bij de laatste woorden van mevrouw Van der Meer. Goed luisteren naar de jongeren. Vandaar de vraag of er een onderzoek onder de jongeren zou moeten plaatsvinden om te kijken of een soort jeugdhonk wenselijk is. Daar heeft mevrouw Van der Meer niets over gezegd. Mevrouw Van der Meer denkt dat dit een goed idee is. Maar dan wel losgekoppeld van de JOP’s. De heer Van Dongen heeft vanavond al meerdere malen gehoord dat de A6 een prima plaats zou zijn voor de jongeren.

Alleen is de A16 ’s avonds nooit open. Dan zou men daarmee eens moeten beginnen. Bovendien is de A16 niet op alle dagen open. Zo is het geen aantrekkelijke plek voor jongeren. Mevrouw Van der Meer denkt dat het goed is om een onderscheid te maken tussen A16 en een hangplek. Verder neemt spreekster afstand van de woorden van de heer Van Dongen, omdat men daarmee de jongerenwerkers tekort doet. De heer Van Dongen vindt dat men de jongerenwerkers niets te kort doen. Die doen hun uiterste best voor de activiteiten waar ze voor zijn. Alleen ’s avonds is er geen capaciteit. De heer Bisschops vraagt of de heer Van Dongen bedoelt of er een hangplek geschapen moet worden bij A16. Spreker heeft vastgesteld dat hangjongeren geen behoefte hebben aan een locatie als A16. De heer Van Dongen brengt naar voren dat die locatie nog nooit aan hangjongeren is aangeboden. De hangjongeren hebben de keuze tussen twee smaken, een container en een container. De heer Van Vugt heeft voor de heer Van Dongen dezelfde vraag als voor anderen. Moet er een onderzoek komen zoals eerder is aangegeven? De heer Van Dongen vindt at er meer energie gestoken moet worden in het vinden van alternatieve locaties. De heer Van Vugt heeft het niet over onderzoek naar alternatieve locaties maar locaties voor een onderkomen van jongeren.

De heer Bisschops denkt dat het goed is om middels een onderzoek gekeken wordt naar de behoefte in Gilze om een jongerencentrum te realiseren zoals A16 in Rijen. Men constateert dat er echt een behoefte is aan een JOP. Men moet de JOP’s blijven behouden omdat blijkt dat er behoefte aan is en omdat er gebruik van gemaakt wordt. De heer Van Haperen maakt een compliment aan de heer Bisschops van wege zijn bereidheid om zijn standpunt te herzien vanwege de positieve zaken in dit debat. De heer Bisschops constateer dat er in Rijen met betrekking tot de JOP gesproken wordt over criminaliteit en drugsoverlast, De wethouder heeft aangegeven dat er op dat punt geen officiële meldingen zijn. Het is lastig om ditte beoordelen. Liever niet in mijn achtertuin. Veel omwonenden zulle dat zo voelen. Van een zekere overlast zal altijd sprake zijn. Dat hoort erbij. Het is nooit zo dat iedereen tevreden is. De voorzitter constateert dat dit agendapunt voldoende behandeld is. Daarmee is de discussie hierover gesloten. 12. RIB samenwonen in de bijstand

37

De voorzitter geeft aan dat de behandeling van het agendapunt gaat overeenkomstig de afgesproken procedure. De oplegnotitie komt van Gemeentebelang. D66. Daarom krijgt die fractie het eerste het woord. Mevrouw Van der Meer begrijpt na lezing van de RIB om de pilot en het definitieve beleid van Tilburg af te wachten. Maar, het lijkt spreekster geen ingewikkelde zaak. Het gaat waarschijnlijk niet om veel inwoners die op proef willen samenwonen. Waarom zou de gemeente niet kijken naar mensen die men nu al tegemoet kan komen. De RIB toont weinig sociale beleidsdaadkracht. Dat had men eigenlijk wel graag gezien. Zeker in deze tijd met crises op de woning- en energiemarkt kan het juist voor die paar inwoners helpen als ze kunnen samenwonen op proef. Met een beetje pech gaat men pas van start met dit beleid in de tweede helft van 2023. Dat is ruim na het aannemen van een unanieme motie. Zijn andere partijen het eens met een eerdere start met samenwonen op proef? Mevrouw Frankemölle heeft gelezen dat het college rekening wil houden met de uitkomsten van de pilot in Tilburg. Het proces loopt daar best snel. Men denkt dat zorgvuldigheid ook wel handig is. Laat men nog even geduld hebben en het resultaat van Tilburg meenemen. De vraag aan de wethouder is of er contact met de collega’s in Tilburg.

Kan de wethouder wat meer over de pilot vertellen? Is de afronding van het onderzoek al in zicht? Kan dat betekenen dat het beleid in deze gemeente iets eerder naar voren wordt gehaald? Mevrouw IJtsma heeft kennis genomen van de RIB. Men heeft geen bezwaar tegen het voorgestelde tijdspad. Het is goed om met Tilburg op te trekken zodat men de resultaten van de evaluatie mee kunnen nemen in het eigen beleid. De heer Van Vugt sluit zich aan bij de bijdrage van beide vorige spreeksters. Mevrouw Vervaet kan zich ook aansluiten bij wat is gezegd. Een uniform beleid in de regio is ook wenselijk. Er zijn verschillende situaties mogelijk. Dat vraagt om zorgvuldige beleidsregels. De heer Van Dongen luit zich volledig aan bij de vragen van mevrouw Vervaet. De heer Hofman sluit zich aan bij de vragen van mevrouw Frankemölle. Daarnaast nog een vraag aan de wethouder. Welke last komt op de gemeente af wanneer het beleid naar voren wordt getrokken? Stel dat de evaluatie goed is, wat betekent dat voor de werkdruk van het gemeentelijke apparaat in deze gemeente. Opmerkingen/beantwoording vragen  Van de pilot in Tilburg komt op korte termijn de eindevaluatie. Het proces loopt daar al een tijd.  Gezien de motie was het voortel van het college om de eerder genoemde evaluatie af te wachten voordat men zelf beleid opstelt.

 Wachten op de evaluatie voordat men zelf beleid opstelt, geeft de mogelijkheid om het beleid te harmoniseren. Maar ook dat men het beleid meteen kan aanpassen.  Men denkt dat het aangegeven tijdpad haalbaar is en dat het snel is.  Met het aangegeven tijdspad kan men de lessen uit Tilburg in een keer meenemen, het beleid harmoniseren en de nodige zorgvuldigheid betrachten. Tweede termijn Mevrouw Van der Meer begrijpt de overwegingen, maar toch is het tijdstip van de start jammer. De voorzitter stelt vast dat er geen andere commissieleden in de tweede termijn iets naar voren willen brengen, De RIB is hiermee voldoende behandeld. De discussie erover is gesloten. 13. RIB Cliëntervaringsonderzoek Wmo over 2021 De voorzitter geeft, na het agendapunt te hebben ingeleid, D66 als maker van de oplegnotitie als eerste het woord.

38

De heer Van Vugt vindt op zich een goed ervaringsonderzoek. Goed dat het in 2021 weer gedaan kon worden. Men maakt zich wat zorgen over de teruglopende cijfers van de resultaten van de ondersteuning. In hoeverre trekt het college daar leerervaringen uit? Als tweede de vraag of men met dit onderzoek door moet gaan. Er is een apart jeugdonderzoek en een apart Wmo-onderzoek. De vraagstelling van beide onderzoeken verschilt. Spreker is er een voorstander van om dit type van onderzoek te behouden. Het is een wetenschappelijk goed gevalideerd onderzoek. Het is een onderzoek dat een hoge response geeft. Bovendien kan men de resultaten goed vergelijken met soortgelijke onderzoeken in de rest van Nederland. Met een onderzoek op een nieuwe manier raakt men de vergelijking met het verleden kwijt en met de rest van Nederland. Hoe denken de andere partijen daarover? Mevrouw Vervaet vindt het van belang dat de resultaten van het cliëntervaringsonderzoek van deze gemeente vergeleken kunnen worden met die van andere gemeenten. Daarmee kan men de uitkomsten plaatsen. In de RIB wordt gesproken over afstemming van het onderzoek met andere regiogemeenten in het Hart van Brabant. Dat is prima. Maar, aan de wethouder de vraag of men dan niet het risico loopt dat de uitkomsten van het onderzoek niet meer te vergelijken zijn met die van andere gemeenten in het land.

Mevrouw Van Aerts is tevreden met de uitkomsten van het onderzoek. In het rapport komen slechts enkele citaten naar voren. Er worden wel veel cijfers getoond. Vooral omdat er veel gesloten vragen zijn gesteld. Echter hierdoor mist men verklaringen van stijgingen en dalingen van cijfers ten opzichte van voorgaande jaren. Het rapport laat niet zien waar extra aandacht nodig is of wat juist moet worden behouden. In vervolgonderzoek heeft men behoefte aan meer duiding van de cijfers middels aanbevelingen en verklaringen. Zijn er vanuit de ambtelijke organisatie leerervaringen vanuit het onderzoek waar de raad zich niet van bewust is? Wanneer de hoofdindicatoren gehandhaafd blijven, ziet spreekster niet in waarom de vraagstelling niet enigszins aangepast kan worden waardoor de cliënten ze beter kunnen beantwoorden of omdat ze beter passen bij de tijd. Wel moeten de hoofvragen hetzelfde blijven om een vergelijking met andere gemeenten te behouden. Een suggestie is om meer open vragen te stellen om de duiding te kunnen creëren en om een telefonische interviewronde toe te voegen. Wat is de mening van de andere fracties hierover? De heer Houtepen sluit zich aan bij de mening van D66. Een prima rapport, wetenschappelijk verantwoord en veel informatie. Geen reden om een andere onderzoekmethode te gaan hanteren.

Welke andere uitkomsten verwacht de wethouder op basis van een andere onderzoekmethode? De heer Van Haperen vindt het belangrijk om te zien waar de gemeente staat. Er is veel informatie. Het zou fijn zijn dat de duiding van de informatie beschikbaar blijft. De argumenten van de heer Van Vugt zijn heel steekhoudend. Spreker is benieuwd naar de reactie van de wethouder. Men werkt tenslotte ook samen in het Hart van Brabant. In de RIB staat dat men wil onderzoeken of men met een andere werkwijze meer inzicht kan krijgen in cliëntervaringen. Daaruit kan men concluderen dat de huidige methode goed voldoet of sorteert men zo voor op een verandering? Mevrouw Frankemölle hoort veel positieve geluiden over het onderzoek. Mem is tevreden over de wijze van rapporteren. Het geeft een goed en duidelijk beeld. Veel informatie en duidelijk leesbaar. Men heeft zoiets van waarom het onderzoek op een andere manier. Kan het onderzoek wel beter? Men wacht de beantwoording van de vragen af. De heer Van Laerhoven geeft een compliment voor het onderzoek en de inhoud. Een uitstekend onderzoek. Vergelijken met andere gemeenten is belangrijk.

Gaat men met een onderzoek naar een ander onderzoek alles overboord gooien wat men nu heeft? Wil men met een ander onderzoek beginnen bij nul? Wat zijn de consequenties van de aanpassing van de onderzoekwerkwijze? Opmerkingen/beantwoording vragen  D66 komt met een aantal punten die nog steeds voldoende zijn.

39

  

Er zijn ook gebreken aan het huidige onderzoek. Mevrouw Van Aerts gaf dat al een beetje aan. Het onderzoek levert hele mooie tabellen en cijfers. Wanneer men die gaat vergelijken met voorgaande jaren, dan moet men gissen naar het waarom. Men krijgt veel cijfers, men kan benchmarken met andere gemeenten, maar men krijgt geen duiding van de cijfers. Waarom is iets zo? Wat is de reden van een ontwikkeling? Heet huidige onderzoek is kwantitatief van aard en vindt eenmaal per jaar plaats. Nu gemeenten meer vrijheid hebben bij het uitvoeren van het cliëntervaringsonderzoek Wmo kan men het onderzoek anders inrichten. Men kan kwalitatieve elementen meenemen. Men kan de onderzoek frequentie verhogen, waardoor de resultaten actueler zijn.

De heer Van Laerhoven vraagt of de wethouder naast het huidige onderzoek een soort uitbreiding toevoegen om de kwalitatieve verdieping te zoeken? Of lat men het huidige onderzoek los? De wethouder antwoordt.  Dat is nog niet bekend. Dat hangt mede af van wat de Adviesraad Sociaal Domein als advies geeft.  Verandert het onderzoek, dan wordt benchmarken lastiger. Echter, ook andere gemeenten zoeken naar een andere onderzoek opzet. Mevrouw Frankemölle vraagt in hoeverre de invloed gaat vanwege het feit dat het onderzoek regionaal gedaan wordt. Wethouder Doremalen antwoordt.  De regionaliteit heeft niet direct met de inkoop te maken. Wel kijken de gemeenten in Hart van Brabant samen naar de inhoud van het onderzoek. Daarmee blijft de mogelijkheid voor onderlinge vergelijking van de regiogemeenten bestaan. De heer Van Laerhoven vraagt of het goed begrepen is dat benchmarken sowieso lastiger wordt omdat gemeenten hun eigen onderzoeksmethode mogen hanteren. Wanneer men het bestaande onderzoek houdt, dan is nog altijd de ‘eigen’ trend zichtbaar. Dat is ook belangrijk. Wethouder Doremalen reageert.  Benchmarken wordt in de nieuwe situatie sowieso ingewikkelder. Een aantal gemeenten zal het bestaande onderzoek houden, maar een aantal andere zal naar een andere opzet gaan.  De eigen trend moet men ook goed kunnen volgen met de methode die men gaat hanteren.

Mevrouw Van Aerts constateert dat de response hoog is. Ligt dat aan de vragenlijst of ligt dat aan het onderzoekbureau? Wanneer er een ander onderzoek komt, wordt hetzelfde bureau dan uitvoerder van het onderzoek of gaat een ander bureau dat doen? Wethouder Doremalen antwoordt.  Daar kan men op dit moment geen antwoord op geven. Dat weet men nog niet.  Het verzoek is die vragen schriftelijk in te dienen. Dan kan daar rekening mee gehouden worden bij de keuze voor een onderzoek en voor eventueel een ander onderzoekbureau. De heer Van Vugt heeft de argumenten van de wethouder voor de open vragen gehoord. Dan ligt het toch voor de hand om een combinatie te doen. Daarmee houdt men de gegevens voor de benchmark

40

beschikbaar, men houdt de vergelijking me het verleden en men krijgt een verdieping van de cijfers. Dat is voor iedereen een vooruitgang. Wethouder Doremalen reageert.  Dit is een mogelijkheid. Het is wel de bedoeling dat er een goede afstemming komt met de andere gemeenten van het Hart van Brabant.  Over de opzet van het onderzoek wordt advies gevraagd. Ook kijkt men bij andere gemeenten wat zij gaan doen en waarom men het op een bepaalde manier gaat doen. Wat daaruit komt, is nog niet te zeggen. De heer Houtepen is benieuwd of hetzelfde onderzoekbureau een onderzoek met een andere opzet gaat uitvoeren. Wethouder Doremalen antwoordt.  Die vraag kan ook nog niet beantwoord worden. De heer Van Haperen is benieuwd of het om een collegebesluit gaat. Wat is de invloed van de raad op het soort onderzoek en het onderzoekbureau? Wethouder Doremalen antwoordt.  De wethouder weet het niet direct. Zojuist heeft de griffie aangegeven dat het een collegebevoegdheid is. De heer Van Haperen vertrouwd erop dat de wethouder de raad over de uitkomst informeert voordat er iets definitiefs plaatsvindt. De wethouder zegt toe.  Wanneer het onderzoek naar een mogelijke andere onderzoekwerkwijze is afgerond, wordt de raad daarover via een RIB met alle bijzonderheden over geïnformeerd. Mevrouw Frankemölle vraagt of men in de RIB ook de aanbevelingen van de Adviesraad meeneemt.

Wethouder Doremalen meldt het volgende.  In principe adviseert de Adviesraad het college. Het is meestal gebruikelijk dat men het advies doorstuurt naar de raad. Dat zal men aan de RIB toevoegen. Tweede termijn De heer Van Vugt doet een dringend beroep op de wethouder om het huidige type onderzoek te handhaven. Als er een verandering in komt dan pleit spreker voor het toevoegen van open vragen aan het bestaande onderzoek. Dan houdt men de vergelijking met de rest van Nederland en met het verleden. Mevrouw Vervaet pleit ervoor dat de vergelijking mogelijk blijft en dat men trends kan blijven zien. Gesloten vragen blijven belangrijk omdat die vaak tot een hogere response leiden dan open vragen. Mevrouw Van Aerts heeft vertrouwen in het bestaande onderzoekbureau. Dat zou men moeten behouden. Verder is het van belang dat men de tevredenheid van de eigen inwoners kan duiden. Men pleit voor een onderzoek met een kwantitatief deel en een kwalitatief deel.

41

De heer Van Haperen onderschrijft het belang van duiding van de tevredenheid van de eigen inwoners. Eden vergelijking op dit punt zou mooi zijn, omdat daar ook hele succesvolle programma’s lopen. Daar zou men van kunnen leren. Dan kan men het voor de eigen inwoners nog beter maken. Mevrouw Van Aerts is het daarmee eens. De heer Van Laerhoven stelt vast dat mevrouw Van Aerts erg op de kwalitatieve kant zit. Echter, wanneer men te veel open vragen heeft, zal de response afnemen. Misschien dat men op een andere manier story telling kan krijgen. Mevrouw Van Aerts vindt dat men in deze op het advies van het onderzoekbureau moet vertrouwen. Het zou fijn zijn dat men leerpunten uit het onderzoek kan halen. De heer Houtepen is van mening dat men om meer te leren de onderzoekmethode moet gaan aanpassen. Dat is niet een reden om van onderzoekbureau te veranderen. Spreker pleit er ten eerste voor om met het huidige bureau verder te gaan. De heer Van Haperen stelt vast dat der veel gezegd is. Men neemt aan dat de wethouder dit allemaal meeneemt in de overwegingen. Men met niet de behoefte hebben om voortdurend ambtelijk op dat te kunnen sturen. Dat staat los van het onderzoek. Mevrouw Frankemölle denkt dat de wethouder de zaken wel meeneemt die commissie als belangrijk naar voren heeft gebracht. Men kan zelf ook de story telling van de eigen inwoners inbrengen.

De heer Van Laerhoven merkt op dat er al heel veel gezegd is. Spreker vraagt zich af of het behandelen van dit soort RIB’s op deze manier met deze lengte van tijd wel effectief is. De voorzitter stelt vast dat er geen verdere vragen of opmerkingen zijn. Daarmee is het agendapunt voldoende behandeld. 14. Rondvraag en sluiting De voorzitter geeft nu ruimte voor de rondvraag. Voor de rondvraag heeft D66 een aantal vragen schriftelijk ingediend. De heer Van Vugt gaat de vragen niet herhalen. Dank aan de wethouder voor de beantwoording. Spreker vraagt om extra aandacht voor mensen die een energietoeslag hebben aangevraagd. Zeker als het gaat om de uitbetaling van de toeslag. De voorzitter constateert dat er verder geen vragen meer zijn. Niets meer aan de orde zijnde, sluit de voorzitter na alle aanwezigen bedankt te hebben voor hun inbreng de vergadering om 21.30 uur.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering Samenleving van 31 oktober 2022. , voorzitter

, griffier

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11969917/2