CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadscommissie Ruimte 2 november 2021, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan Raakeindse Kerkweg 9117.688 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: • het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren; • het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; • inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; • helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; • het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); • afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; • een duurzame energiewinning. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.

De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

31

gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor (1) x 0,06 (m) Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt.

Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Voor het overige zijn er in de Keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied. Beleid gemeente Gilze en Rijen De gemeente Gilze-Rijen heeft haar beleid omtrent water vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk rioleringsplan (vGRP). In het vGRP is onder meer het hemel- en grondwaterbeleid van de gemeente opgenomen. Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten binnen de gemeente dienen hydrologisch neutraal uitgevoerd te worden. Hemelwater dient bij voorkeur bovengronds te worden geborgen en geïnfiltreerd, danwel vertraagd te worden afgevoerd naar omliggende watergangen. Voor inbreidingsgebieden geldt dient een infiltratievoorzieningen met een bergingsnorm van 20-40mm te worden aangelegd. Bij uitbreidingsgebieden geldt een bergingsnorm van 40mm. Beoordeling Voor de beschermde gebieden en attentiegebieden die in de keur zijn aangewezen geldt voor zowel het grondwater- als het oppervlaktewatersysteem een strikt beschermingsbeleid conform het provinciaal beleid.

Dit betekent dat alle ingrepen in

32

Gemeente Gilze-Rijen

dergelijke gebieden in beginsel vergunningplichtig blijven, met daaraan gekoppeld een terughoudend en stringent vergunningenbeleid. De attentiegebieden hebben tot doel het tegengaan van verdere verdroging van de natte natuurparel door ingrepen in de waterhuishouding in de directe omgeving. Nieuwe waterhuishoudkundige ingrepen zijn enkel toegestaan indien ze gericht zijn op het verbeteren van de condities voor de natuur. In stedelijke gebieden kunnen aanpassingen in het watersysteem wel worden toegestaan ten behoeve van stedelijke ontwikkelingen of ter voorkoming van ernstige grondwateroverlast, mits de waterafvoer niet meer bedraagt dan ten hoogste de landbouwkundige afvoer.

Uitsnede Leggerkaart Keur Brabantse Delta. Bron: BrabantseDelta.nl, 2021.

In de omgeving van het plangebied bevinden zich watergangen die op grond van de Keur wordt beschermd met een B-status. Ten aanzien van het onderhoud van de watergang is geen beschermingszone vastgesteld. Onderhoud van de watergang dient plaats te vinden door de aangrenzende perceeleigenaren. Onderliggend bestemmingsplan maakt een functiewijziging van een bedrijfsfunctie naar een woonfunctie binnen bestaande bebouwing mogelijk. Overtollige bedrijfsbebouwing en bedrijfsmatige voorzieningen (639 m2) zullen worden gesaneerd en ingericht als tuin en groenstructuur. Na uitvoering van de plannen zal het areaal aan verhard oppervlak afnemen ten opzichte van de uitgangssituatie, zodat geen sprake is van een retentievereiste als verplicht door het waterschap op basis van de Keur 2015. In de beoogde situatie vindt geen nieuwbouw plaats. Er is sprake van een functiewijziging binnen bestaande bebouwing. Vanuit het vGRP zijn er geen verplichtingen tot het aanleggen van een infiltratievoorziening. De ontwikkeling is hydrologisch neutraal. Conclusie Er worden vanuit oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de uitvoering van het plan.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

33

5.4

Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

Beoordeling De gemeente Gilze-Rijen beschikt over een beleidsplan ‘Gilze en Rijen, van onderaf bekeken’ met daarin opgenomen een archeologische beleidskaart. Op basis van de beleidskaart zijn voor het hele grondgebied beleidscategorieën aangewezen waarmee per categorie wordt aangegeven vanaf welke bewerkingsoppervlakte en diepte het uitvoeren van archeologisch onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Ter hoogte van het plangebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde (categorie 6).

34

Gemeente Gilze-Rijen

Uitsnede Archeologische beleidskaart GilzeRijen. Plangebied is rood gearceerd. Bron: Gemeente Gilze- Rijen, 2010.

De gemeente heeft de bescherming van in de beleidsadvieskaart opgenomen middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarden vertaald in dubbelbestemmingen in de geldende bestemmingsplannen. De directe omgeving van het plangebied is in het verleden voornamelijk gebruikt als onbebouwd, agrarisch gebied. Op basis van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied is ter plaatse geen bijzondere archeologische verwachtingswaarde toegekend. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Indien er bij het ontgraven van het terrein toch nog archeologische sporen gevonden worden, dienen deze binnen drie dagen te worden gemeld bij de afdeling ruimte van de gemeente GilzeRijen.

5.5

Cultuurhistorie Toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. De Provincie Noord- Brabant heeft in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) regels voor het veiligstellen van het Brabantse cultureel erfgoed opgesteld. In de

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

35

Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 (herzien 2016) is de meest recente erfgoedinformatie voor de bebouwde en onbebouwde omgeving weer. De belangrijkste Brabantse cultuurhistorische waarden zijn vastgelegd binnen de Interim Omgevingsverordening. De provincie maakt onderscheid tussen cultuurhistorische landschapswaarden en cultuurhistorische panden en objecten.

Uitsnede CHW 2016. Het plangebied is globaal aangeduid met een rode arcering. Bron: Provincie Noord-Brabant, 2016.

Beoordeling De omgeving ten zuiden van de kern Molenschot kenmerkt zich als een jonge open zandontginning. Het landschap bestaat grotendeels uit een open en rationeel verkaveld weidegebied. De ontginningsstructuur met open weiden, besloten kernen en groene linten is ook in het hedendaagse landschap herkenbaar aanwezig. De planlocatie is gelegen binnen het cultuurlandschap van de Baronie. De cultuurhistorische waarden binnen de Baronie bestaan uit oudere en jongere zandontginningen. De oude dorpen en buurtschappen met omliggende akkercomplexen, groenlanden, voormalige heidevelden en groenstructuren vormen de dragende structuren van het gebied. De oude kern van Molenschot en de omliggende graslanden hebben het historische karakter behouden. Nieuwe ontwikkelingen dienen de landschappelijke karakteristiek te versterken. Aan een aantal historische wegen in de omgeving van het plangebied, waaronder Lijndonk, is in de CHW een redelijk hoge cultuurhistorische waarde toegekend. Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen monumentale gebouwen aanwezig. Het hergebruik van de bestaande voormalige bedrijfswoning heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarden van de Lijndonk.

Met de beoogde sanering van bedrijfsmatige bebouwing en voorzieningen wordt bijgedragen aan het versterken van de landschappelijke structuur van kleinschalige en besloten linten in contrast tot open agrarische gebieden.

36

Gemeente Gilze-Rijen

Uitsnede topografische kaart 1900 omgeving Molenschot. Het plangebied is globaal aangeduid met een rode arcering. Bron: topotijdreis.nl, 2021.

Uitsnede topografische kaart 1950 omgeving Molenschot. Het plangebied is globaal aangeduid met een rode arcering. Bron: topotijdreis.nl, 2021.

Conclusie De beoogde functiewijziging van een voormalige bedrijfswoning met een agrarische verschijningsvorm naar een woonfunctie past binnen de aanwezige landschappelijke karakteristiek. De beoogde woonfunctie aan een bestaande lintstructuur, past binnen de landschappelijke structuur van besloten lintbebouwing en open jonge zandontginningen.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

37

5.6

Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 - 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen.

De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) vindt plaats via lokaal en regionaal beleid. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Binnen het NNN zijn in principe geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die de kernkwaliteiten negatief kunnen beïnvloeden. Een uitzondering kan worden gemaakt voor ontwikkelingen waarvoor geen reëel alternatief bestaat en er sprake is van een groot openbaar belang. Voor dergelijke ontwikkelingen geldt de ‘nee- tenzij’ toets. Indien schade ontstaat, moet deze worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft de 'Regte Heide & Riels Laag', gelegen op een afstand van circa 4,5 kilometer. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. De functiewijziging vindt plaats binnen bestaande bebouwing. De aard en gebruiksintensiteit blijven gelijk. Gezien de aard, de kleine schaal van de ontwikkeling en de afstand tot omliggende natuurgebieden, is het redelijkerwijs uit te sluiten dat er enig effect zal optreden binnen Natura 2000-gebieden. Dit geldt niet voor de emissie van stikstof.

De sloop van 260 m2 aan bebouwing en het afbreken van voorzieningen als een stapmolen en een rijbak heeft een zeer beperkte uitstraling maar dient wel onderzocht te worden. In bijlage 2 bij deze toelichting is de AERIUS-berekening opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat de stikstof depositie minder dan 0,00 kg NHx en NH3 per jaar per hectare bedraagt.

38

Gemeente Gilze-Rijen

Het plangebied is niet gelegen binnen of aangrenzend aan een onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het dichtstbij gelegen onderdeel van het Natuur Netwerk Brabant bevindt zich op een afstand van circa 600 m ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard en de kleine schaal van de ontwikkeling is het redelijkerwijs uit te sluiten dat er enig effect zal optreden binnen het NNB-gebied. Conclusie Onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van beschermde soorten in omliggende NNB of Natura 2000-gebieden.

5.7

Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.

Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Ten behoeve van het bepalen van de aanwezigheid van te beschermen flora en fauna is in december 2020 een quickscan uitgevoerd door onderzoeksbureau ‘Veldbiologische werken’. Het onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Met het uitgevoerde onderzoek is de locatie beoordeeld op de aanwezigheid van

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

39

geschikt habitat voor beschermde soorten en eventuele effecten die als gevolg van de planontwikkeling kunnen optreden. In de huidige situatie is het plangebied bebouwd en bedrijfsmatig in gebruik ten behoeve van een hoefsmid. In de nieuwe situatie zal bebouwing worden gesloopt. Voorafgaand aan de sloop van bebouwing is een verkennend onderzoek noodzakelijk naar de aanwezigheid van beschermde dieren waaronder vleermuizen en vogels. Uit de onderzoeksresultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek blijkt dat het plangebied niet fungeert als leefgebied voor strikt beschermde soorten. Tijdens het veldonderzoek zijn geen sporen of geschikte habitats van beschermde soorten aangetroffen. Het (incidentele) gebruik van het plangebied door een aantal algemene soorten zoals de egel is niet uit te sluiten. Aanbevolen wordt om uit voorzorg vóór aanvang van de werkzaamheden het plangebied te controleren op de aanwezigheid van egels en broedende vogels. In algemene zin dient de zorgplicht in acht te worden gehouden bij uitvoering van de werkzaamheden. Schade aan flora en fauna dient op basis van deze zorgplicht in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten ten aanzien van soortenbescherming. Nader onderzoek is niet noodzakelijk (zie tevens de rapportage in bijlage 3).

5.8

Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). In de VNG- handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009 staan richtafstanden opgenomen voor het toetsen van ruimtelijke ontwikkelingen. De richtafstanden geven een algemene indicatie van de te verwachten milieubelasting per bedrijfscategorie. Van de algemene richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken wanneer milieuonderzoek naar de specifieke situatie een andere mate van milieubelasting aantoont. De indicatieve afstanden moeten worden aangehouden ten opzichte van de gevels van omliggende gevoelige objecten.

40

Gemeente Gilze-Rijen

Tabel 1 Richtafstandenlijst VNG 2009 Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk in meters 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied in meters 0 10 30 50 100

Beoordeling Gebiedstypologie De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als een gemengd gebied. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie zoals een woning, moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet er getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich diverse functies die hinder kunnen veroorzaken voor de woning. Andersom kunnen de functies belemmerd worden in de bedrijfsvoering als gevolg van het realiseren van een milieugevoelige functie als een woning. De combinatie van functies in de omgeving maakt het gebied tot een gemengd gebied. Door deze classificatie kan in het kader van bedrijven en milieuzonering de toegekende classificatie aan bedrijven met één stap verlaagd worden. Milieurelevante activiteiten omgeving Veehouderij Schoolstraat 86 Ten noorden van de planlocatie aan de Schoolstraat 86 is een intensieve veehouderij gevestigd. De grens van het bouwvlak van de veehouderij is gelegen op circa 12 meter van de gevel van de woning.

Aan de Schoolstraat 86 worden volgens de geldende vergunning melkkoeien en vleeskalveren gehouden. Volgens de richtafstandentabel voor functiescheiding in de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering 2009’ is het fokken en houden van rundvee aan te merken als een categorie 3.2 activiteit. De bepalende milieuaspecten zijn op basis van een gemengd gebied volgens SBI- code 2008 0141/ 0142: geur (50 m), stof (10 m) en geluid (10 m). Recreatie park Brabantse Weelde, Raakeindse Kerkweg 71 Het recreatiepark ligt ten zuiden van de initiatieflocatie. De locatie betreft een bungalowpark. Grenzend aan de initiatieflocatie mogen alleen recreatiewoningen worden gerealiseerd. De centrale voorzieningen, de kantine en het zwembad, liggen in de noordwestelijke hoek van het park. Deze bevinden zich op een afstand van ca. 280 meter tot de woning. De voormalige bedrijfswoning aan de Raakeindse Kerkweg 91 is

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

41

een reeds een gevoelige functie ten opzichte van het park en het omzetten van bedrijfswoning naar burgerwoning betekent geen wijziging in de milieuhygiënische beoordeling. Milieurelevante activiteiten planlocatie In de uitgangssituatie is ter plaatse een hoefsmid aanwezig. Een hoefsmid is aan te merken als activiteit behorende tot milieucategorie 3.1. In de beoogde situatie wordt het houden van paarden ten behoeve van de hoefsmid beëindigd. Hiermee vervalt tevens de richtafstand.

Honden-uitlaatservice Binnen het plangebied is een kleinschalige honden-uitlaatservice gevestigd. De activiteiten vinden hoofdzakelijk plaats buiten het planperceel. Binnen kantooruren wordt voor de uitlaatservice gebruik gemaakt van twee hondenverblijven in de te behouden schuur. De twee hondenverblijven zijn beoordeeld aan de hand van SBI-code 2008 0149 (Houden en fokken van huisdieren). Deze valt onder milieucategorie 3.1 met een maximale richtafstand van 30 m op basis van het milieuaspect geluid en 10 m op basis van het milieuaspect geur. De SBI-code is gericht op een typische hondenkennel of fokkerij. Het aantal gehouden dieren is veel hoger dan in de onderhavige situatie. Het betreft hiermee een worst-case benadering. In de directe omgeving zijn een tweetal gevoelige objecten gelegen, namelijk de bedrijfswoning van de veehouderij aan de Schoolstraat 86 en de woning aan de Lijndonk 5D. Beoordeling richtafstand In de uitgangssituatie is sprake van een bedrijfswoning, In de nieuwe situatie wordt deze omgezet naar een burgerwoning. Een bedrijfswoning is reeds een gevoelige functie voor omliggende activiteiten. In de nieuwe situatie wordt derhalve geen nieuwe gevoelige functie toegevoegd. In het belang van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er geen hindersituaties ontstaan als gevolg van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling.

De afstand van activiteiten tot gevoelige functies dient voldoende groot te zijn. Tevens dient in het kader van de omgekeerde werking de functiewissel geen beperkingen op te leveren voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-brochure geven een indicatie voor de te verwachten milieuhinder tussen functies. Ten aanzien van de veehouderij aan de Schoolstraat 86 wordt de richtafstand (50 m) voor geurhinder niet gehaald. De afstand tussen het plangebied en de veehouderij voldoet niet aan de richtafstand voor functiescheiding. De afstand tot de woning voor de milieuaspecten stof en geluid (10m) afkomstig van de veehouderij is voldoende groot. De afstand tussen de hondenverblijven binnen het plangebied en de bedrijfswoning van de veehouderij bedraagt meer dan 32 m. Deze afstand is voldoende groot. De afstand tussen de hondenverblijven en de gevel van de woning aan de Lijndonk 5D bedraagt ca 33 m. Ook deze afstand is voldoende groot. De hondenuitlaatservice beschikt slechts over een tweetal hondenverblijven binnen bebouwing. De richtafstanden gaan uit van

42

Gemeente Gilze-Rijen

een gemiddelde activiteit. De werkelijke geluidsbelasting zal door de kleine schaal naar verwachting lager uitvallen daar het verglijkbaar is met het houden van twee privé honden. Het houden van meer dieren laat staan het fokken is op grond van de bestemming strijdig en daarmee niet toelaatbaar. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor het onderhavige plan ten aanzien van de milieuaspecten geluid, stof en gevaar. Omliggende activiteiten vormen geen belemmering voor de nieuwe woonfunctie en de woonfunctie met hondenuitlaatservice vormt geen belemmering voor een toekomstige ontwikkeling van omliggende activiteiten. De richtafstand ten behoeve van de hondenuitlaatservice is in theorie gelijk aan de richtafstand voor een hoefsmid in de uitgangssituatie. Ten aanzien van het aspect geur is vervolgonderzoek noodzakelijk. De geurbelasting van de veehouderij aan de Schoolstraat 86 wordt getoetst in paragraaf 5.9.

5.9

Geurhinder en veehouderijen Toetsingskader Voor veehouderijen is het beleid ten aanzien van het aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) die op 1 januari 2007 in werking is getreden. Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de wet zijn normen bepaald die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen bij vergunningverlening aan de veehouderij. Als de geuremissie van een dier niet bekend is (geen geuremissiefactoren vastgesteld), stelt de wet minimumafstanden tussen veehouderij en geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend met contouren. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden (ouE/m³). Hiervoor zijn emissiefactoren vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken) bij vergunningverlening aan de veehouderij. Bij het beoordelen van een ruimtelijk plan voor het onderdeel geurhinder van veehouderijen spelen standaard de volgende vragen: 1. Is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd? 2.

Worden omliggende bedrijven (in dit geval de nabijgelegen veehouderijen) (onevenredig) in hun belangen geschaad? Gemeentelijk geurbeleid De Wet geurhinder en veehouderij biedt gemeenten de mogelijkheid om af te wijken van de minimumafstanden zoals vastgelegd in de Wgv. De gemeente Gilze-Rijen heeft in 2008 een geurverordening vastgesteld. De minimaal aan te houden afstand tussen een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en de buitenzijde van een dierenverblijf bedraagt hierdoor 25m.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

43

Beoordeling Beperking omliggende veehouderijen Door De Roever Omgevingsadvies is in januari 2021 een geuronderzoek uitgevoerd (zie tevens bijlage 4). Het agrarisch bedrijf aan de Schoolstraat 86 is het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf. Het betreft hier een rundveehouderij met vleeskalveren. Voor de veehouderij worden zowel dieren gehouden waarvoor vaste afstandscriteria gelden als dieren waarvoor een geuremissiefactor per dier is vastgesteld. Binnen het plangebied is reeds een bedrijfswoning gelegen welke geen onderdeel uitmaakt van een veehouderij. In de uitgangssituatie is daarmee reeds sprake van een geurgevoelig object. In de beoogde situatie blijft er sprake van een geurgevoelig object. Door de beoogde ontwikkeling wordt de veehouderij derhalve niet (verder) belemmerd in zijn ontwikkelingsmogelijkheden ten opzichte van de uitgangssituatie. Woon- en leefklimaat In het belang van een goede ruimtelijke ordening dient inzichtelijk te worden gemaakt dat er als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling geen overlastsituatie ontstaat. In onderstaande figuur is de vaste afstandscontour van 25 meter weergegeven van de dierenverblijven van de veehouderij aan de Schoolstraat 86. De woning binnen het plangebied bevindt zich op voldoende afstand van de dierenverblijven ten aanzien van de melkveehouderij. Het beoogde bijgebouw bij de woning bevat geen geurgevoelige functies.

De veehouderij beschikt tevens over 5 vleeskalveren. Voor deze dieren is een emissieberekening uitgevoerd. De maximale geurbelasting binnen het plangebied als gevolg van de vleeskalveren bedraagt 0,9 OUE/m3. Dit geldt als een hele lage voorgrondbelasting. Ten aanzien van de cumulatieve invloed van overige veehouderijen in de omgeving op het plangebied is tevens een achtergrondberekening uitgevoerd. Uit deze berekening volgt dat de maximale geurbelasting binnen het plangebied 1,7 OUE/m3 is. Met een voorgrondbelasting van 0,9 OUE/m3 en een achtergrondbelasting van 1,7 OUE/m3 is sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat.

44

Gemeente Gilze-Rijen

Uitsnede Onderzoek geurhinder veehouderijen. Afbeelding 4 Vaste afstandscontour. Bron: De Roever Omgevingsadvies, 2021.

5.10 Gezondheid Toetsingskader Ten aanzien van gevoelige functies in de omgeving van veehouderijen geldt een landelijk toetsingskader voor het beoordelen van het aspect volksgezondheid. In 2018 is door het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ opgesteld. Op basis van een stappenplan kan worden beoordeeld of er ter plaatse een knelpunt bestaat op het gebied van volksgezondheid op basis waarvan een maatwerkadvies van de GGD moet worden opgevraagd. Ten aanzien van het aspect volksgezondheid is in januari 2021 door De Roever Omgevingsadvies een Notitie volksgezondheid in relatie tot veehouderijen opgesteld (zie tevens bijlage 5). Beoordeling - Stap 1. Er is geen sprake van een knelpunt als gevolg van de emissie van endotoxine (via fijnstof) afkomstig van omliggende pluimvee of varkenshouderijen. Bedrijven met een relevante emissie bevinden zich op een grote afstand van het plangebied. - Stap 2. Het plan leidt niet tot een toename van de fijnstofemissie ter plaatse. - Stap 3. Op basis van het uitgevoerde geuronderzoek in het kader van de Wet Geurhinder en veehouderij blijkt er sprake te zijn van een zeer lage geurbelasting ter plaatse. - Stap 4. Er bevinden zich geen veehouderijen met verschillende diersoorten op korte onderlinge afstand van elkaar en op korte afstand van het plangebied. - Stap 5.

Er bevinden zich geen: pluimveehouderijen (<1 km), overige veehouderij (<250 m) of geitenhouderij (<2 km) van het plangebied. - Stap 6. Er is geen sprake van bedrijfsmatige mestbe- of verwerking in de directe omgeving. - Stap 7. Of er sprake is of zal zijn van ongerustheid bij omwonenden is in dit stadium niet bekend. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geurhinder en veehouderijen geen belemmering vormt voor het onderhavige plan. Tevens ontstaan als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen knelpunten ten aanzien van de volksgezondheid als gevolg van de invloed van omliggende veehouderijen.

5.11 Geluid Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76a van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.12 eerste lid onder 30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

45

zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximumsnelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB.

In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling geluidsbelasting Binnen de planlocatie is reeds een bedrijfswoning gelegen. Met onderhavig plan wordt uitsluitend een functiewijziging naar een woonbestemming binnen bestaande bebouwing mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van het toevoegen van een nieuwe geluidgevoelige functie. Nader geluidsonderzoek naar de geluidsbelasting op de gevel van de woning wordt niet noodzakelijk geacht. Omliggende wegen hebben een maximale toegestane snelheid van 60km/uur. De wegen zijn verkeersextensief. Er is geen reden om aan te nemen dat er niet zou kunnen worden voldaan aan een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Vliegtuiglawaai Toetsingskader Ten aanzien van de beoordeling van geluid afkomstig van luchtvaartactiviteiten geldt de Wet luchtvaart. Deze wet is ook van toepassing van militaire vliegvelden zoals de Vliegbasis Gilze-Rijen. Het plangebied bevindt zich binnen de 35-45 KE-zone van de militaire vliegbasis GilzeRijen. Binnen deze zone is het oprichten van nieuwe geluidgevoelige objecten niet toegestaan. De maximaal toelaatbare geluidhinder voor vliegtuiglawaai is vastgesteld op 35 KE.

Ter hoogte van de planlocatie zal enige vorm van geluidshinder als gevolg van de vliegverkeersbewegingen optreden.

46

Gemeente Gilze-Rijen

Beoordeling Op de planlocatie is reeds een geluidsgevoelig object in de vorm van een (bedrijfs)woning aanwezig. Als gevolg van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt derhalve geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. Conclusie De aspecten wegverkeerslawaai en vliegverkeerslawaai vormen geen belemmering voor de beoogde functiewijziging naar een woonfunctie.

5.12 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6 H6 ), zwaveldioxide (SO2 ), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m³. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m³ mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m³. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m³ mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

47

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 als NO2 . In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling In de bestaande situatie is reeds een gevoelige functie in de vorm van een bedrijfswoning aanwezig ter plaatse. In de nieuwe situatie wordt geen nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

5.13 Externe veiligheid 5.12.1

Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

48

Gemeente Gilze-Rijen

Uitsnede risicokaart. Het plangebied is met rode aanwijzer aangeduid. Bron: www.risicokaart.nl, 2021

Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Ten aanzien van het aspect inrichtingen is geconstateerd dat in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen aanwezig zijn. Op grotere afstand van het plangebied bevinden zich een aantal bedrijven waarbinnen op kleine schaal opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (gastank). De meest nabij gelegen inrichting waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt is een agrarisch bedrijf op circa 1,4 km ten westen van het plangebied. Het plan voorziet verder niet in een toename van kwetsbare objecten of een toename van het aantal personen. Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor de onderhavige wijziging.

5.12.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

49

Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. De onderstaande transportassen zijn beoordeeld. - Rijkswegen Het plangebied ligt op ruime afstand, circa 700 meter, van de Rijksweg A58 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Gelet hierop zijn risicoberekeningen niet noodzakelijk en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Het plan voorziet verder niet in een toename van kwetsbare objecten of een toename van het aantal personen. Conclusie De transportassen vormen geen belemmeringen voor het plan.

5.12.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling In de nabijheid van het plangebied zijn geen hogedruk buisleidingen aanwezig. De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op circa 600 meter afstand en betreft een gastransportleiding. Gelet hierop zijn risicoberekeningen niet noodzakelijk en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied. Het plan voorziet verder niet in een toename van kwetsbare objecten of een toename van het aantal personen.

50

Gemeente Gilze-Rijen

Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.14 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.1) a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2) ‘Leidingen die deel uitmaken van een inrichting’ zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2. Onder zgn. ‘leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten’ worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen. 1.

Beoordeling De beoogde functiewijziging vindt plaats binnen bestaande bebouwing. Ten oosten van het plangebied is een watertransportleiding aanwezig met beschermingszone die wordt beschermd op basis van het vigerende bestemmingsplan. Het uitvoeren van grondwerkzaamheden ter hoogte van de leiding of de beschermingszone zijn vergunningplichtig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

5.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

51

plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt.

Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling In onderhavige situatie is geen sprake van het toevoegen van woningen. Er is geen sprake van een activiteit die voorkomt op de C-lijst of de D-lijst. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling. Met de beoogde ontwikkeling wordt een bedrijfsfunctie juridisch-planologisch opgeheven en gewijzigd in een woonfunctie. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling vindt geen uitbreiding van bebouwing plaats. De bestaande woning bevindt zich op een ruim perceel sluit in bouwstijl, bouwhoogte en situering aan op de bestaande stedenbouwkundige structuur van het bestaande bebouwingslint. De beoogde woonfunctie is milieukundig inpasbaar ter plaatse.

Als gevolg van de ontwikkeling vindt geen toename plaats van de milieubelasting. Met de ontwikkeling worden geen omliggende functies belemmerd. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.

52

Gemeente Gilze-Rijen

Conclusie Ten aanzien van de beoogde functiewissel van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming is geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure. Binnen onderliggende bestemmingsplantoelichting en aanvullende milieuonderzoeken zijn alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten getoetst. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

53

54

Gemeente Gilze-Rijen

6

JURIDISCHE PLANOPZET

6.1

Inleiding Doel van dit bestemmingsplan is het opstellen van een juridisch- planologische regeling ten behoeve van het oprichten van de beoogde functiewijzing naar een woonfunctie aan de Raakeindse Kerkweg. Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald.

6.2

Planopzet Sinds 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden. Hiermee dienen bestemmingsplannen in digitale vorm (RO-standaarden) te worden vastgesteld. Een bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De planregels sluiten aan op het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Noord’ en op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

6.3 6.3.1

Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 ‘Begrippen’ In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

55

Artikel 2 ‘Wijze van meten’ In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 6.3.2

Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ De opzet voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • nadere eisen; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; • wijzigingsbevoegdheid. In de planregels zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Wonen Aan de planlocatie wordt een reguliere woonbestemming toegekend. Binnen de woonbestemming wordt een bouwvlak toegekend. De in dit bestemmingsplan opgenomen bouw- en gebruiksregels sluiten aan bij de regels voor ‘Wonen’ uit het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Bouwvlak Ter hoogte van de beoogde woning wordt een nieuw bouwvlak toegekend. Binnen een bouwvlak mag één woning worden opgericht. Bouwaanduidingen Uitsluitend binnen de aanduiding [vab] is uitsluitend bestaande bebouwing behorende bij een voormalige agrarische bedrijfswoning toegestaan. Maatvoeringen De maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt 270m2. Dubbelbestemming Ter bescherming van de watertransportleiding langs de Raakeindse Kerkweg is een dubbelbestemming ‘Leiding-Water’ opgenomen.

Gebiedsaanduidingen Ter hoogte van het plangebied gelden op basis van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied de volgende gebiedsaanduidingen: ‘milieuzone-geluidsgevoelige functie2’, ‘ihcs-1’, ‘overig- agrarisch verbredingsgebied’, ‘vrijwaringszone-ils-5’.

56

Gemeente Gilze-Rijen

6.3.3

Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Anti-dubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een regeling opgenomen ten aanzien van het realiseren van ondergrondse bouwwerken. Tevens is een regeling opgenomen voor van het bestemmingsplan overschrijden van bouwgrenzen. Algemene gebruiksregels Het verbod om gronden en opstallen te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan is opgenomen in artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo. In deze bepaling is dan ook enkel aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig met dit bestemmingsplan moet worden aangemerkt.

6.3.4

Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: bestemmingsplan ‘Raakeindse Kerkweg 91”.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

Regels van het

57

58

Gemeente Gilze-Rijen

7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

7.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien een project voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.

7.2

Kostenverhaal Conform artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is wat mogelijk wordt gemaakt met dit ruimtelijke plan aan te merken als een bouwplan. Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden op een andere manier verzekerd is. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is, staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): • de bouw van een of meer woningen; • de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; • de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen; • de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt; • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Het onderhavige bouwplan voorziet in een functiewijziging naar een woonbestemming, zodat het plan in principe exploitatieplanplichtig is. Het kostenverhaal wordt in het kader van het onderhavige plan echter anderszins verzekerd.

Voor de ontwikkeling worden door de gemeente legés geheven. Hiermee wordt voorzien in de door de gemeente te maken kosten. De gemeente Gilze-Rijen zal met de initiatiefnemer een overeenkomst sluiten over de vergoeding van eventuele planschadeclaims.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

59

60

Gemeente Gilze-Rijen

8

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

8.1

Vooroverleg en omgevingsdialoog Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgmeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het plan is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie en het waterschap. Beide hebben per brief gereageerd en hebben geen opmerkingen op het wijzigingsplan. De reacties zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Omgevingsdialoog Als gevolg van geldende maatregelen omtrent het Coronavirus heeft de omgevingsdialoog uitsluitend schriftelijk plaatsgevonden. Aan direct omwonenden is door de initiatiefnemers een informatiedocument verstuurd. De bewoners zijn geïnformeerd over de beoogde (eind)situatie, de beoogde aanleg van landschappelijke elementen, de te volgen procedure en de invloed die omwonenden hebben op een bestemmingsplanprocedure. Middels de schriftelijke informatie is aan omwonenden gevraagd om binnen 2 weken na het versturen van de brief te reageren indien gewenst. Ontvangen reacties zijn samengevat in een verslag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10677100/1