CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadscommissie Ruimte 2 november 2021, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan Raakeindse Kerkweg 9117.688 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Compositie 5 stedenbouw bv Boschstraat 35 4811 GB Breda telefoon

076 – 5225262

email

info@c5s.nl

internet

www.c5s.nl

kvk Breda

20083802

Gemeente Gilze-Rijen Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91” te Molenschot

Projectnummer Datum:

200695 16 juli 2021

Gemeente Gilze-Rijen Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91” te Molenschot

Projectverantwoordelijke:

Dhr. ing. M.J. Volbeda

Collegiale toets:

Dhr. mr. M.J.A.B. Elsman

INHOUD

1 1.1 1.2 1.3 1.4

INLEIDING Aanleiding en doel Ligging plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 3 4 10

2 2.1 2.2 2.3

GEBIEDSANALYSE Inleiding Ruimtelijke structuur Functionele structuur

11 11 11 11

3 3.1 3.2 3.3 3.4

RUIMTELIJK BELEIDSKADER Inleiding Nationaal beleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

13 13 13 17 20

4 4.1 4.2 4.3

DOELSTELLING VAN HET PLAN Doelstelling Beoogde ontwikkeling Verkeer en parkeren

25 25 25 27

5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13 5.14 5.15

MILIEU EN LANDSCHAP Inleiding Bodem Waterhuishouding Archeologie Cultuurhistorie Natuurgebieden Flora en fauna Bedrijven en milieuzonering Geurhinder en veehouderijen Gezondheid Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Kabels en leidingen Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

29 29 29 30 34 35 38 39 40 43 45 45 47 48 51 51

6 6.1 6.2 6.3

JURIDISCHE PLANOPZET Inleiding Planopzet Artikelsgewijze toelichting

55 55 55 55

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

1

7 7.1 7.2

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Inleiding Kostenverhaal

59 59 59

8 8.1 8.2

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Vooroverleg en omgevingsdialoog Zienswijzen

61 61 61

Bijlagen Bijlage 1 - Verkennend bodemonderzoek; Bijlage 2 - Voortoets stikstof Bijlage 3 - Flora- en faunaonderzoek; Bijlage 4 - Geuronderzoek; Bijlage 5 - Gezondheidsonderzoek; Bijlage 6 - Notitie Ontwikkeling Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot. Bijlage 7 - Wateradvies waterschap Brabantse Delta Bijlage 8 - Vooroverlegreactie provincie Noord-Brabant

Uitsnede topografische kaart omgeving Molenschot. Het plangebied is globaal aangeduid met een gele ster. Bron: topotijdreis.nl, 2021.

2

Gemeente Gilze-Rijen

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Gilze-Rijen, aan de Raakeindse Kerkweg 91 in het buurtschap Molenschot. Binnen het plangebied resteert de bebouwing en voorzieningen ten behoeve van een voormalige hoefsmid. Het plangebied bevindt zich binnen een omgeving met hoofdzakelijk woningen. Het hervestigen van een andere hoefsmid is onwaarschijnlijk. De initiatiefnemer beoogd om de voormalige bedrijfswoning en een schuur te gebruiken voor reguliere woondoeleinden. overtollige voorzieningen zullen in samenhang met de functiewijziging worden gesaneerd. Met de beoogde functiewissel naar een woonbestemming sluit de beoogde situatie beter aan op de karakteristiek van de omgeving. Het vigerende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Gilze-Rijen, zoals vastgesteld d.d. 1 juli 2013. Op basis van dit bestemmingsplan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als “Bedrijf” met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf- hoefsmid’. Het realiseren van een woonfunctie met bijgebouw van 270 m2 is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling ter plaatse te kunnen realiseren is het noodzakelijk dat van het vigerende bestemmingsplan wordt afgeweken. Voor de gewenste herziening is medewerking van de Gemeente Gilze-Rijen noodzakelijk.

Op 12 mei 2020 heeft het college per brief met kenmerk 20uit03149 besloten om in principe medewerking te verlenen aan de beoogde ontwikkeling. Op basis van het onderhavige bestemmingsplan wordt het nieuwe gebruik mogelijk gemaakt.

1.2

Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Gilze-Rijen, ten zuiden van het buurtschap Molenschot. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Gilze en Rijen, sectie P, perceelnummers 559, 897 en 1009 (deels). Het plangebied is circa 4.400 m² groot.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

3

Satellietfoto omgeving Raakeindse Kerkweg 91 te Molenschot. Met de rode contour is het plangebied aangeduid. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2021

1.3

Vigerend bestemmingsplan Toetsingskader Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ dat op 1 juli 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld. Aan de gronden van het plangebied zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen toegekend: • Bestemming ‘Bedrijf’ met een bouwvlak van circa 3585 m2; • Bestemming ‘Agrarisch’; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van Bedrijf- hoefsmid’; • Maatvoering ‘maximum bebouwd oppervlak: 320 m2’; • Dubbelbestemming ‘Leiding-Water’ (deels); • Gebiedsaanduidingen ten aanzien van de militaire vliegbasis: ‘milieuzonegeluidsgevoelige functie-2’ (luchtvaartlawaai KE-lijn >35-45), ‘IHCS-1’ (obstakelvrije zone), ‘vrijwaringszone-ils-5’ (radionavigatiesysteem); • Gebiedsaanduidingen ‘overig-agrarisch verbredingsgebied’. Beoordeling De huidige bestemming ‘Bedrijf’ staat enkel bedrijfsmatig gebruik toe in de vorm van een hoefsmid. In de huidige planologische regeling zijn, naast de bedrijfswoning met bijbehorende aan- en uitbouwen, overige bedrijfsgebouwen mogelijk tot een oppervlak van 320 m2. De bestemming ‘Agrarisch’ is gelegen ter plaatse waar nu de paardenbak aanwezig is. De gronden zijn ter plaatse primair bestemd voor de uitoefening van grondgebonden veehouderij, paardenfokkerij en akker- en vollegrondstuinbouw. Het bebouwen van de gronden is niet toegestaan anders dan het bouwen van erfafscheidingen.

4

Gemeente Gilze-Rijen

Binnen de gebiedsaanduiding ‘milieuzone-geluidsgevoelige functie-2’ ten behoeve van luchtvaartlawaai is het toevoegen van woningen niet toegestaan. Op basis van onderhavige ontwikkeling wordt een bestaande bedrijfswoning na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, gebruikt als burgerwoning. Het aantal woningen blijft gelijk. Binnen de aanduiding ‘IHCS-1’ is het oprichten van bouwwerken met een bouwhoogte boven de 56 meter boven NAP niet toegestaan. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats binnen bestaande bebouwing. Ter plaatse zijn geen bouwwerken boven de 56 meter aanwezig of toegestaan. Ter hoogte van de aanduiding ‘vrijwaringszone-ils-5’ zijn ten behoeve van het verstoringsgebied rondom de start- en landingsbaan geen bouwwerken toegestaan die hoger zijn dan de lineaire interpolatie van de hoogtemaat 32,6 en 42,6 m boven NAP. Binnen het plangebied zijn geen dergelijk bouwwerken aanwezig of toegestaan. De gronden binnen de gebiedsaanduiding ’Overig- Agrarisch verbredingsgebied’ zijn gelegen tussen de bebouwde kom en het open buitengebied. Voor deze gebieden is op basis van artikel 42.13.3 van het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen op basis waarvan een functiewijziging van een voormalig (agrarisch) bedrijf naar wonen in principe mogelijk is. De beoogde ontwikkeling is mogelijk door middel van een partiële herziening van het geldende bestemmingsplan.

Het college heeft in haar principebesluit aangegeven dat ze, gezien het huidige karakter van de locatie, de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 42.13.3 zo veel mogelijk wil aanhouden.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

5

Uitsnede vigerend bestemmingsplan “Buitengebied”. Het plangebied is aangeduid met een rode contour. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2021.

Beoordeling wijzigingsbevoegdheid artikel 42.13.3 lid e In het vigerende bestemmingsplan is onder artikel 42.13.3 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om binnen voormalige bedrijfspercelen de voormalige bedrijfswoning te wijzigen naar een burgerwoning met bijgebouw (100 m2). Na toepassing van de sloop-bonus-regeling uit artikel 42.13.3 sub 7 kan een bijgebouw, na de beoogde sloop van overtollige bouwwerken, worden vergoot tot maximaal 200 m2. Ter plaatse is sprake van een bedrijfsperceel, geen agrarisch perceel. Aangezien de aard en het karakter van het gevestigde bedrijf overeenkomen met een agrarisch verwant bedrijf, heeft de gemeente in haar principebesluit aangegeven dat ze in de uitwerking van het plan zo veel mogelijk aan wil sluiten bij de wijzigingsbevoegdheid. De toetsing aan de wijzigingsbevoegdheid vindt navolgend plaats. e. Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ter plaatse van de gronden 'overig agrarisch verbredingsgebied' zodanig wijzigen dat – indien sprake is van een algehele beëindiging van een ter plaatse gevestigd bedrijf - één van de in tabel 9 genoemde vervolgfuncties toegestaan is, met inachtneming van het volgende: 1.

stapeling/cumulatie van vervolgfuncties is niet mogelijk; In de beoogde situatie is uitsluitend sprake van een woonfunctie met een kleinschalig aan-huis-gebonden-beroep in de vorm van een 2 hondenuitlaatservice met een ruimtebeslag van minder dan 60 m . De benodigde voorzieningen voor het opvangen van maximaal 2 honden tijdens kantooruren zijn inpasbaar in een woonfunctie (zie tevens bijlage 6).

6

Gemeente Gilze-Rijen

2. ingeval van planwijziging ten behoeve van de functies waarvoor een beperkt oppervlak van de bestaande bedrijfsgebouwen mag worden gebruikt, dient sloop van de overtollige bebouwing plaats te vinden, waarbij minimaal de helft van de bestaande bebouwing moet worden gesaneerd. Voor zover de bestaande bebouwing meer bedraagt dan de maximale oppervlakten in tabel 9, dient ook deze bebouwing gesaneerd te worden; Ten gevolge van de functiewijziging wordt 639 m2 (>60%) aan overtollige bebouwing en voorzieningen verwijderd (zie tevens bijlage 6). Aan deze voorwaarde wordt voldaan, met uitzondering van het maximale oppervlak aan bijgebouwen. Deze bedraagt 270 m2. Het behoud van 70 m2 aan extra oppervlakte bijgebouw, past binnen de regionale werkafspraken voor de kwaliteitsverbetering van het landschap op basis van de voorwaarden voor een ontwikkeling met een beperkte landschappelijke invloed (categorie 2) en past binnen de landschappelijke karakteristiek ter plaatse. Zie tevens paragraaf 3.4. 3. het bepaalde onder 2 is niet van toepassing indien het cultuurhistorische waardevolle bebouwing betreft; De bestaande bebouwing heeft geen bijzondere cultuurhistorische waarde. 4. er mogen na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid geen nieuwe gebouwen worden gebouwd en bestaande gebouwen mogen niet worden uitgebreid; Er is uitsluitend sprake van een functiewissel binnen bestaande bebouwing.

5. het bouwvlak wordt verkleind waarmee het huidige erf wordt vastgelegd; In de uitgangssituatie is een bouwvlak van circa 3.585 m2 aanwezig. In de nieuwe situatie ontstaat een woonbestemming met bouwvlak van 1.404 m2. 6. In afwijking van het bovenstaande geldt dat nieuwe gebouwen mogen worden gebouwd indien en voor zover sloop van alle bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden; hierbij geldt dat maximaal 20% van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd tot een maximum van 400 m² met dien verstande dat bij de vervolgfunctie Wonen maximaal 25% van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd met een maximum van 200 m²; Op basis van het te saneren areaal aan bebouwing van 639 m2, zou maximaal 159,75 m2 aan bebouwing opgericht mogen worden tot een maximum van 200 m2. In de beoogde situatie blijft 270 m2 aan bijgebouwen aanwezig. De maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen wordt hiermee overschreden. De grotere oppervlakte is doelmatig. Ook met behoud van de grotere oppervlakte wordt een substantiële verbetering van de ruimtelijke kwaliteit gerealiseerd (zie tevens bijlage 6). 7. In afwijking van het bovenstaande geldt dat bij een bestemmingswijziging naar Wonen: a. de bebouwde oppervlakte van de voormalige boerderij (bedrijfswoning inclusief inpandige stal/deel) niet mag worden vergroot; Er is geen sprake van een vergroting van de bestaande bedrijfswoning. b.

de agrarische verschijningsvorm van de voormalige boerderij niet mag worden aangetast;

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

7

c. d.

e.

f.

g. h.

De bestaande woonboerderij heeft een agrarische verschijningsvorm en behoudt deze in de nieuwe situatie. de bestaande situering niet mag worden gewijzigd; De bestaande situering blijft ongewijzigd. de wijziging niet mag leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving; Ten aanzien van omliggende agrarische bedrijven heeft aanvullend milieuonderzoek plaatsgevonden. De resultaten zijn opgenomen in paragraaf 5.9. Uit de onderzoeksresultaten volgt dat de nieuwe woonfunctie inpasbaar is in de omgeving. Omliggende bedrijven worden niet gehinderd door de nieuwe ontwikkeling. de bebouwde oppervlakte van de vrijstaande bebouwing mag niet meer bedragen dan 100 m² per woning; indien sprake is van amovering van voormalige bedrijfsgebouwen kan een bebouwde oppervlakte aan vrijstaande gebouwen worden toegestaan van 100 m² vermeerderd met 20% van de bebouwde oppervlakte van de geamoveerde gebouwen tot een totaal maximum bebouwde oppervlakte van 200 m²; Zie onder punt 6. indien de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft op een voormalig agrarisch bedrijf, waar gedurende 2 aaneengesloten seizoenen kleinschalig kamperen als nevenactiviteit werd uitgeoefend, mag het kleinschalig kamperen worden voortgezet; Niet van toepassing.

het aantal woningen mag niet worden vermeerderd; Het aantal woningen blijft gelijk. in afwijking van het bepaalde onder g, is splitsing toegestaan met dien verstande dat: - woningsplitsing uitsluitend is toegestaan bij voormalige langgevelboerderijen met een inhoud van minimaal 800 m³ (inclusief inpandige stal/deel); - de voormalige boerderij mag worden gesplitst in maximaal 2 woningen; - de beide woningen dienen na splitsing een inhoud te hebben van minimaal 400 m³; - per woning mag een vrijstaand bijgebouw van maximaal 100 m² worden opgericht; de voormalige bedrijfsgebouwen dienen, voor zover de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen wordt overschreden, te worden geamoveerd; - de splitsing mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven voortvloeiende uit de milieuwetgeving; Er is geen sprake van woningsplitsing.

8. de opslag van goederen anders dan in gebouwen is niet toegestaan met uitzondering van de vervolgfuncties agrarisch handels- en exportbedrijf, agrarisch loon-/hulptechnisch bedrijf en hoveniersbedrijf, waarbij maximaal 100 m² aan buitenopslag mag plaatsvinden; Bovenstaande situatie is niet van toepassing.

8

Gemeente Gilze-Rijen

9. na de bestemmingswijziging dient de specifieke bouwaanduiding 'vab' te worden opgenomen dat aangeeft dat het een vrijkomende agrarische bebouwing betreft en dat het oppervlak aan bedrijfsgebouwen niet mag worden vergroot; Het onderhavig initiatief betreft geen voormalig agrarisch bedrijf. 10. vervolgfuncties dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; Een kleinschalige hondenuitlaatservice (<60m2) met een inpandige ruimte voor verblijf van maximaal 2 honden tijdens kantooruren is inpasbaar in een woonfunctie. 11. er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande agrarische bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden); Zie onder 7d. 12. bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; Er is sprake van een netto afname aan bebouwd oppervlak, de inrichting van een voormalig bedrijfsperceel als woonperceel en de aanleg van streekeigen landschapselementen. Met de beoogde functiewissel naar een woonfunctie verdwijnen voor de lange termijn de milieubelastende activiteiten die samenhangen met een bedrijfslocatie. Met de beoogde ontwikkeling verbetert de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. 13.

er dient zorg te worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak; In samenhang met de functiewissel wordt een areaal van 3.117 m2 landschappelijk ingepast. Dit betreft de gronden behorende tot het bouwvlak van de voormalige bedrijfsbestemming en een deel van het achterliggende agrarische perceel. Het landschappelijk inrichtingsplan voldoet aan het beleidskader ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’. Er is sprake van een categorie 2 ontwikkeling. Zie tevens bijlage 6 en paragraaf 3.4. 14. er mag geen sprake zijn van een onevenredige vergroting van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking. Met de beoogde functiewissel van een bedrijfsmatige functie naar een woonfunctie, vindt een afname plaats van de verkeersintensiteit.

Conclusie Het wijzigen van een bedrijfsmatige functie in agrarisch verbredingsgebied naar een woonfunctie is in principe passend binnen de beleidsdoelstellingen. De voorgenomen functiewissel is passend binnen de beleidskaders zoals vastgelegd in de wijzigingsbevoegdheid van het vigerende bestemmingsplan. Aan één voorwaarde kan niet worden voldaan. De initiatiefnemer beoogt ter plaatse een bijgebouw van 270 m2 te behouden. In de beoogde situatie wordt de maximale oppervlakte aan bijgebouwen overschreden met 70 m2. De grotere oppervlakte van het bijgebouw is noodzakelijk

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

9

vanwege de beoogde gebruiksfunctie en de bouwkundige constructie van het bestaande gebouw. De beoogde situatie is landschappelijk inpasbaar, zie tevens paragraaf 3.4. Om ter plaatse in de beoogde functiewijziging naar wonen te kunnen voorzien, waarbij tevens een bijgebouw van 270 m2 is toegestaan, is een herziening noodzakelijk van het vigerende bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een passende planologische regeling voor de beoogde ontwikkeling. Voor de bouw- en gebruiksregels is aangesloten bij de regels binnen de bestemming ‘Wonen’ in het vigerende bestemmingsplan.

1.4

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plangebied gegeven. In hoofdstuk 3 wordt het van toepassing zijnde beleidskader beschreven. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 komt de uitvoerbaarheid van het besluit aan bod in het licht van diverse milieuhygiënische aspecten. In hoofdstuk 6 en 7 respectievelijk wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid behandeld. Hoofdstuk 8 geeft tenslotte de conclusie over de planologische aanvaardbaarheid van de ontwikkeling.

10

Gemeente Gilze-Rijen

2

GEBIEDSANALYSE

2.1

Inleiding In dit hoofdstuk zijn de ruimtelijke structuur en de functionele structuur van het plangebied uiteengezet.

2.2

Ruimtelijke structuur Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Gilze-Rijen, ten zuiden van de kern Molenschot. Het plangebied ligt in een besloten en groene lintstructuur. Aangrenzende percelen hebben een woonfunctie. Direct ten zuiden van het plangebied, bevindt zich een bungalowpark. Ten noorden van het plangebied, aan de Schoolstraat, bevindt zich een melkveehouderij waar ook vleeskalveren worden gehouden. Het omliggende buitengebied heeft een open structuur met verspreid liggende bebouwing. In het omliggende buitengebied bevinden zich individuele vrijstaande woningen op ruime percelen, hoofdzakelijk bestaande uit voormalige agrarische bedrijfswoningen. De woningen in de omgeving hebben een traditionele en landelijke karakteristiek. De woningen zijn overwegend voorzien van een kap. Binnen het plangebied is in de huidige situatie bebouwing aanwezig in de vorm van bedrijfsbebouwing en voorzieningen behorende bij de voormalige hoefsmid. De bestaande bebouwing bestaat uit een bedrijfswoning met aanbouw, een tweetal schuren (270 m2 en 260m2), een longeerbak (225 m2), paardrijbak en stapmolen (154 m2). Het karakter van de planlocatie is vergelijkbaar met een agrarisch verwant bedrijf.

2.3

Functionele structuur Het plangebied is in de huidige situatie bedrijfsmatig ingericht. De omgeving kan gekenmerkt worden als een functioneel gemengd gebied gezien de combinatie van wonen, recreatie en agrarische bedrijvigheid. Door de ligging nabij de bebouwde kom van Molenschot, heeft de agrarische functie in de omgeving van het plangebied in de loop der jaren plaatsgemaakt voor een woonfunctie. Het plangebied bevindt zich op circa 1,7 km ten zuidwesten van de militaire vliegbasis Gilze-Rijen. Als gevolg van de activiteiten van de vliegbasis gelden in de directe omgeving beperkingen ten aanzien van het oprichten van gevoelige functies en hoge bouwwerken als gevolg van vliegbewegingen met bijbehorende navigatie en de opslag van munitie.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

11

12

Gemeente Gilze-Rijen

3

RUIMTELIJK BELEIDSKADER

3.1

Inleiding Binnen het volgende hoofdstuk zijn de voor dit bestemmingsplan relevante structuurvisies en verordeningen per overheidslaag weergegeven en wordt getoetst of de beoogde ontwikkeling passend is binnen het beleid.

3.2

Nationaal beleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI), 2020 Toetsingskader Op 11 september is de Nationale Omgevingsvisie vast gesteld. De Nationale Omgevingsvisie vervangt integraal de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Tegelijkertijd met het vervallen van de SVIR vervalt ook het Nationaal Milieubeleidsplan. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen in de komende jaren. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking.

Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Beoordeling De NOVI dient op regionaal niveau uitgewerkt te worden zodat een gebiedsgerichte aanpak en maatwerk mogelijk is. Deze uitwerking heeft nog niet plaatsgevonden en is bovendien op een schaalniveau die het onderhavig plangebied overstijgt.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

13

Conclusie Het planvoornemen past binnen het Rijksbeleid.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft gesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Deze bevoegdheden zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kader stellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening.

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Beoordeling Het plangebied is gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en het Rarro een ruimtereservering geldt ten aanzien van de militaire vliegbasis Gilze-Rijen. Ter hoogte van het plangebied is een geluidszone en een obstakelbeheergebied van toepassing. Ten aanzien van de activiteiten op de militaire vliegbasis gelden voor de omliggende gebieden bouw- en gebruiksbeperkingen ten aanzien van het oprichten van woningen en de toegestane bouwhoogte. Deze beperkingen zijn vertaald in de algemene aanduidingsregels van het vigerende bestemmingsplan. Met onderhavige ontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object toegevoegd. Tevens vindt geen uitbreiding plaats van bebouwing.

14

Gemeente Gilze-Rijen

Uitsnede Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (geconsolideerde versie 1 december 2020). Het plangebied is aangeduid met een rode aanwijzer. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2021.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen het beleidskader zoals vastgesteld in het Barro en Rarro. De juridische doorwerking van de beleidskaders vindt plaats in het geldende bestemmingsplan.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2012 Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden. Sinds de inwerkingtreding

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

15

van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a.

Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Als er enkel sprake is van een planologische functiewijziging binnen bestaande bebouwing dan is er in beginsel geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie onder meer uitspraak ABRvS 20 april 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1075. Het onderhavige planvoornemen betreft de functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Er wordt geen woning toegevoegd aan de woningvoorraad. Het netto bebouwd areaal neemt in de nieuwe situatie af.

Conclusie Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprak van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Er behoeft dan ook niet te worden getoetst aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’.

16

Gemeente Gilze-Rijen

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant, 2018 Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen.

De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Beoordeling Het onderhavige plan betreft het hergebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning. De planlocatie bevindt zich direct ten zuiden van de bebouwde kom van Molenschot. In de directe omgeving bevinden zich overwegend woonpercelen. Ten aanzien van de veehouderij aan de noordzijde van het plangebied heeft aanvullend milieuonderzoek plaatsgevonden (zie tevens hoofdstuk 5). In de nieuwe situatie is sprake van een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Het netto areaal bebouwd oppervlak neemt in de nieuwe situatie af. Met de beoogde functiewijziging neemt ook de met de bedrijfsactiviteiten samenhangende milieubelasting af. Het woonperceel wordt landschappelijk ingepast op basis van het landschappelijk inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 2 behorende bij de regels. Conclusie Het voorliggende initiatief is passend binnen het ruimtelijke beleid van de Provincie Noord-Brabant.

3.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het voorliggende initiatief is passend binnen het ruimtelijke beleid van de Provincie Noord-Brabant. In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma's en waarden en worden beschermd via de

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

17

omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov N-B) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Beleidskader De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie ook een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. De planlocatie is volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerde versie d.d. 8 december 2020) gelegen in het ‘Gemengd landelijk gebied’’. Alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te voldoen aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals vastgelegd in paragraaf 3.1.2 van de Interim omgevingsverordening.

Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerde versie d.d. 8 dec 2020). Het plangebied is aangeduid met een rode aanwijzer. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, 2021.

Toetsingskader Artikel 3.68 en 3.69 Wonen in landelijk gebied Binnen de structuur van het gemengd landelijk gebied zijn volgens artikel 3.68 van de verordening in principe alleen bestaande burgerwoningen toegestaan. In afwijking van bovenstaande is het op basis van artikel 3.69 lid c toegestaan om een voormalige

18

Gemeente Gilze-Rijen

bedrijfswoning te hergebruiken als burgerwoning mits er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt sub 1) en overtollige bebouwing wordt gesloopt (lid 2). Paragraaf 3.2.1 Evenwichtige toedeling van functies Alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te voldoen aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals vastgelegd in paragraaf 3.1.2 van de Interim omgevingsverordening. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen volgens artikel 3.5 lid 1 van de Interim omgevingsverordening invulling te geven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Er dient onder meer uitgegaan te worden van zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.5 lid 2). Dit aspect wordt in artikel 3.6 lid 1 gedefinieerd als: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c.

gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Volgens artikel 3.9 lid 1 dient een bestemmingsplan welke een ruimtelijke ontwikkeling in landelijk gebied mogelijk maakt, tevens te voorzien in een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Op basis van lid 2 dient de uitvoering en instandhouding van de maatregelen te worden geborgd. In lid 3 staat opgenomen op welke wijze in de noodzakelijke landschappelijke kwaliteitsverbetering kan worden voorzien. Beoordeling Op basis van de Interim Omgevingsverordening kan een bestemmingsplan het hergebruik van een voormalige bedrijfswoning onder voorwaarden mogelijk maken. Er is met de functiewijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning geen sprake van een (aanzet tot) een stedelijke ontwikkeling. De beoogde functiewijziging vindt plaats binnen het bestaand ruimtebeslag. Het netto areaal bebouwd oppervlak neemt in de beoogde situatie af doordat overtollige bebouwing wordt gesloopt. In de nieuwe situatie is de bebouwing geconcentreerd binnen een bouwvlak. Een woonfunctie is gezien de ligging nabij de bebouwde kom en de omliggende woonfuncties in principe inpasbaar in de omgeving.

Ten aanzien van de veehouderij aan de noordzijde van het plangebied aan de Schoolstraat is aanvullend milieuonderzoek uitgevoerd (zie tevens hoofdstuk 5). Met de functiewijziging naar wonen is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening. Ten behoeve van de

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

19

ontwikkeling is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld en opgenomen in het bestemmingsplan. Aanleg, uitvoering en instandhouding zijn geborgd in de planregels door middel van een voorwaardelijke verplichting. Zie tevens paragraaf 3.4.2 waar de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant worden benoemd en het voornemen getoetst wordt aan dit beleidskader. Conclusie Het onderhavige initiatief is passend binnen de regels voor wonen binnen het landelijk gebied zoals geformuleerd in artikel 3.68 en 3.69 van de Interim Omgevingsverordening. Er is uitvoering gegevens aan een investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap door het opstellen van een landschappelijk inrichtingsplan (zie tevens bijlage 2 behorende bij de regels). De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is sprake van een duurzame ontwikkeling en er wordt voldaan aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Gilze en Rijen 2025 Toetsingskader De structuurvisie van Gilze-Rijen bestaat uit een drietal documenten. Tezamen verwoorden ze de ruimtelijke ambities van de gemeente tot 2025. In de toekomstvisie 2025 ‘Wij zijn Gilze en Rijen’ (maart 2012) zijn de lange termijn ontwikkelingen en doelstellingen geformuleerd. De visie geldt als een richtinggevend document voor het beleid en handelen van de gemeente op hoofdlijnen. De bestuurlijke ambities binnen de gemeente bestaan uit de volgende pijlers: - Dorpen in het groen tussen twee steden; De gemeente kenmerkt zichzelf als een aantrekkelijke groene woongemeente. De lokale werkgelegenheid wordt als kans gezien om nieuwe inwoners aan te trekken. Met het bouwen voor deze regionale arbeidsmarkt kan ook op de lange termijn voldoende draagkracht behouden blijven voor de bestaande voorzieningen in de kern. Inbreiding gaat voor uitbreiding. De nadruk in het woningbouwbeleid ligt op investeringen in de kwaliteit van de woningvoorraad (levensloopbestendig en duurzaam bouwen) en het vergroten van de diversiteit van het aanbod. Het behoud van een goede bereikbaarheid over weg en spoor, het waarborgen van een goede verkeersveiligheid en het beperken van overlast door vliegverkeer zijn belangrijke randvoorwaarden voor het behoud van een aantrekkelijke woonomgeving.

- Wonen en leven met oog voor elkaar; Als gevolg van maatschappelijke trends als vergrijzing en individualisering staan maatschappelijke voorzieningen onder druk. Het behoud en bereikbaar houden van maatschappelijke, sociale en culturele voorzieningen en het behoud van de kwaliteit van de openbare ruimte blijven basistaken van de gemeente. - Ruimte voor bedrijvigheid; Binnen de gemeente is veel werkgelegenheid verbonden aan (inter-)nationale en regionale economische ontwikkelingen binnen hoofdzakelijk de logistieke en

20

Gemeente Gilze-Rijen

-

-

industriële (luchtvaart) sectoren. De meer lokaal en regionaal georiënteerde werkgelegenheid is gericht op de recreatieve en wellness sectoren. Centraal in het ruimtelijke beleid staat de inzet van de gemeente op versterking en revitalisering van bestaande bedrijventerreinen en het tegengaan van leegstand. Hergebruik van voormalige bedrijfsruimte in het buitengebied door in de omgeving inpasbare functies maakt hier onderdeel van uit. Een mooi en duurzaam buitengebied; Binnen de gemeente is relatief veel groen aanwezig in de vorm van bosgebieden. Het vergroten van de belevingswaarde van het landschap en het versterken van de landschappelijke waarde van het buitengebied staan centraal in het beleid van de gemeente. De landschappelijke inpassing van bouwwerken heeft een hoge prioriteit. Verbindend bestuur dicht bij de inwoners. Samenwerking met omringende gemeenten is noodzakelijk om in te kunnen spelen op de regionale ontwikkelingen. Als gevolg van de samenhang tussen verschillende maatschappelijke ontwikkelingen, dient ook de samenhang in beleid, plannen en uitvoering te worden vergroot. Het betrekken van inwoners voor een effectief en gedragen beleid is noodzakelijk. De gemeente treedt bij ruimtelijke ontwikkelingen in toenemende mate op als regisseur in de samenwerking tussen organisaties.

In het ambitiedocument ‘Ambitie Gilze en Rijen- Nieuwe kansen!’ (juni 2015) zijn de hoofdlijnen verder uitgewerkt. Deze vier denkrichtingen zijn nader uitgewerkt in verschillende visiekaarten voor de vier dorpen. Kenmerkend voor Molenschot is het omliggende open landschap met uitgestrekte kavels en lange vergezichten. De gemeente heeft de ambitie om de woningvoorraad ter plaatse uit te breiden om invulling te kunnen geven aan de lokale woningbehoefte van met name jongeren. Nieuwe ontwikkelingen dienen zich te voegen binnen het landelijke open karakter in contrast met het besloten karakter van de kern. De gemeente is terughoudend in het toestaan van nieuwe bebouwing langs de linten buiten de kern. Voor het stedelijk gebied is de structuurvisie ‘Stedelijk Gebied Gilze en Rijen’ (vastgesteld december 2015). De huidige kern Molenschot heeft nog veel van de historische structuren behouden. De kern is geleidelijk aan opgebouwd vanuit een centraal gelegen driehoekig centrum. Onder invloed van ruilverkaveling, schaalvergroting en planmatige dorpsuitbreidingen vanaf de jaren ’70 is de landschappelijke structuur meer rationeel van opzet geworden. De historische driehoek en de belangrijkste uitvalswegen met lintbebouwing zijn in de huidige situatie structuurbepalend.

Het versterken van de hoofdstructuur van linten en radialen is één van de vier doelstellingen ter verbetering van de kwaliteit van de woonomgeving. Karakteristiek aan de structuur van de linten is de relatief fijne korrel en wisselende rooilijnen. De aanwezige woningen zijn op het lint georiënteerd. De bedrijfsmatige functies in de linten zorgen voor een verminderde uitstraling. Het invullen of hergebruiken van deze locaties zorgt voor een versterking van de kwaliteit van de woonomgeving.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

21

Beoordeling Het hergebruiken van een vrijstaande voormalige bedrijfswoning als burgerwoning in samenhang met het saneren van overtollige bedrijfsbebouwing en voorzieningen past binnen de ruimtelijke doelstellingen voor het buitengebied. De beoogde ontwikkeling sluit aan op de bestuurlijke ambities uit de structuurvisie wat betreft: versterken van de leefomgeving van dorpen in het groen, het hergebruik van voormalige bedrijfslocaties in het buitengebied en versterken van een mooi en duurzaam buitengebied. De bestaande woning heeft een agrarische uitstraling. De bouwstijl, bouwvorm en schaal past binnen de bestaande kleinschalige structuur van het lint. In de nieuwe situatie wordt de woning het formele hoofdgebouw. De woning is georiënteerd op het lint wat betreft de landelijke bouwstijl en situering direct aan de weg. Eén van de bestaande schuren blijft behouden als bijgebouw. Deze schuur is opgemetseld en middels een tussenbouw verboden aan het hoofdgebouw. Er is binnen het perceel ook in de nieuwe situatie sprake van een hiërarchie aan bebouwing. De planlocatie wordt in samenhang met de ontwikkeling landschappelijk ingepast. Het planperceel wordt ingericht als groen en landelijk erf. In de nieuwe situatie wordt de beslotenheid van het lint in contrast met het open buitengebied verder versterkt door de aanplant van bomen en een haag.

Met de beoogde ontwikkeling is sprake van een kleinschalig initiatief. Het beoogde hergebruik van een voormalige bedrijfslocatie draagt bij aan behoud en versterking van de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied en aan het versterken van de kwaliteit van de woonomgeving.

Visiekaart Molenschot. De planlocatie is rood omcirkeld Bron: Structuurvisie Stedelijk gebied Gilze en Rijen, 2015.

22

Gemeente Gilze-Rijen

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling past binnen het beleid zoals verwoord in de gemeentelijke structuurvisie. 3.4.2 Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant Toetsingskader Bij de vaststelling van een bestemmingsplan waarmee buiten het bestaand stedelijk gebied een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dienen gemeenten op basis van de Interim Omgevingsverordening invulling te geven aan een kwaliteitsverbetering van het landschap. In een bestemmingsplan dient een verantwoording opgenomen te zijn op welke wijze de kwaliteitsverbeterende maatregelen financieel, juridisch en feitelijk zijn verzekerd. De samenwerkende gemeenten uit de regio Hart van Brabant hebben op 26 november 2015 werkafspraken opgesteld over de invulling van de rood-met-groen koppeling. Door middel van de werkafspraken wordt het begrip ‘ruimtelijke ontwikkeling’ genuanceerd op basis van onder meer de omvang, aard en ruimtebeslag van de activiteit. Het beleidskader maakt onderscheid tussen een drietal categorieën aan ontwikkelingen. - Categorie 1 betreft de ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed waarvoor geen (extra) kwaliteitsverbetering wordt geëist. - Categorie 2 betreft de ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, danwel ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden.

Deze ontwikkelingen dienen te voorzien in een zorgvuldige landschappelijk inpassing. - Categorie 3 betreffen alle overige ontwikkelingen die niet tot categorie 1 of 2 behoren. Voor deze ontwikkelingen zijn extra kwaliteitsverbeterende maatregelen noodzakelijk die worden berekend op basis van de bestemmingswinst. Beoordeling In de uitgangssituatie is het perceel bestemd en ingericht als bedrijfslocatie. Met de beoogde functiewijziging neemt het bouwvlak ten behoeve van de nieuwe functie af met ca 61% van 3.585 m2 naar 1.404 m2. Een oppervlak van 639 m2 aan overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesaneerd en in de nieuwe situatie resteert 270 m2 aan voormalige bedrijfsbebouwing. De beoogde ontwikkeling is hiermee aan te merken als: ‘Wijziging bestemming Agrarisch-Agrarisch Bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarischtechnisch hulpbedrijf) of Bedrijf in bestemming Wonen of andere bestemming, zoals Horeca, Maatschappelijk of Recreatie, mits het bestemmingsvlak met tenminste 60 % wordt verkleind, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500 m² voormalige agrarische bedrijfsbebouwing resteert’ Volgens de regionale werkafspraken vallen dergelijke ontwikkelingen onder categorie 2. Dit betreffen ontwikkelingen met een beperkte landschappelijke invloed. Voor deze situaties is een goede landschappelijk inpassing van bebouwing noodzakelijk.

De landschapselementen dienen binnen of direct aangrenzend aan het bouwvlak te worden gerealiseerd.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

23

In de nieuwe situatie wordt het erf vormgegeven als een boerenerf. Aangrenzend aan het bouwvlak worden een hoogstam fruitboomgaard en een bosje aangeplant. Het perceel wordt aan de zijde van de doorgaande weg omlijnd met een beukenhaag. In de nieuwe situatie wordt aangesloten op de bestaande groene lintstructuur van de Raakseindse Kerkweg. Met de aanplant van streekeigen beplanting wordt het contrast tussen open buitengebied en besloten groene linten versterkt. De landschappelijke inpassingsmaatregelen zijn weergegeven in paragraaf 4.2 en bijlage 2 behorende bij de regels. De aanleg en instandhouding van de landschapselementen zijn geborgd via de planregels. Conclusie De functiewijziging van een voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning met behoud van een bijgebouw is een ontwikkeling met een beperkte landschappelijke invloed. Het gebruik van de locatie als woonlocatie betekent een extensivering van gebruik ten opzichte van de uitgangssituatie. Onderhavige ontwikkeling voldoet aan de regionale werkafspraken voor kwaliteitsverbetering van het landschap.

24

Gemeente Gilze-Rijen

4

DOELSTELLING VAN HET PLAN

4.1

Doelstelling Voor de gronden binnen het plangebied vigeert thans het bestemmingsplan "Buitengebied " van de gemeente Gilze-Rijen, zoals vastgesteld d.d. 7 januari 2013. In dit bestemmingsplan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van Bedrijf- hoefsmid’. De beoogde functiewissel is niet mogelijk op basis van de geldende wijzigingsbevoegdheid in artikel 42.13.3 aangezien in de nieuwe situatie wordt afgeweken van de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient derhalve een nieuw planologisch- juridisch kader gecreëerd te worden. De onderhavige bestemmingsplantoelichting voorziet in de ruimtelijke motivatie voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2

Beoogde ontwikkeling In de beoogde situatie is ter plaatse en burgerwoning aanwezig met een bijgebouw van 270 m2 in een groene omgeving. De functiewijziging vindt plaats binnen bestaande bebouwing. Ter hoogte van de bebouwing wordt een woonbestemming toegekend met een bouwvlak. In samenhang met de functiewijziging vindt tevens sloop plaats van overtollige bebouwing en voorzieningen.

Inrichtingstekening beoogde situatie. Bron: Compositie 5 Stedenbouw bv, 2021

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

25

De bestaande bedrijfswoning is opgericht omstreeks 1920 en is relatief klein voor hedendaagse woonbehoeften. Het te behouden bijgebouw is opgetrokken uit baksteen en is middels een aanbouw verbonden met de woning. De woning is georiënteerd op de Raakeindse Kerkweg. Het bijgebouw heeft een lagere bouwhoogte dan de woning en bevindt zich aan de achterzijde van de woning. In de nieuwe situatie is door situering binnen het perceel, uitstraling en maatvoering een duidelijke hiërarchie aanwezig tussen woning en bijgebouw. Doordat de schuur is opgemetseld, is het verkleinen van de schuur tot een oppervlakte van 200 m2 financieel onhaalbaar. Hiermee zou immers ook de bestaande kapconstructie moeten worden herbouwd. In de nieuwe situatie zal het bijgebouw doelmatig worden ingezet ten dienste van de woonfunctie. Binnen het bijgebouw worden bezitting van de initiatiefnemer passend binnen een woonfunctie gestald waaronder: huisraad, vervoersmiddelen, de boot en werktuigen ten behoeve van het onderhouden van het perceel. Tevens vinden kleinschalige bij een woonfunctie passende activiteiten.

Karakteristiek woonperceel. Bron: Funda, 2021.

Het landschappelijk inrichtingsplan voorziet in de aanleg van streekeigen landschapselementen. De beoogde woonfunctie en het groen ingepaste perceel passen binnen het karakter van het bebouwingslint. De beoogde inrichting sluit in stedenbouwkundig opzicht aan op het contrast tussen het open agrarische buitengebied en de besloten groen omrande linten van de kern Molenschot. De aanleg en duurzame instandhouding van de landschapselementen wordt geborgd door middel van de toekenning van een groenbestemming met bijbehorend juridischplanologisch kader.

26

Gemeente Gilze-Rijen

4.3

Verkeer en parkeren Verkeer De locatie wordt ontsloten via de Lijndonk en de Raakeindse Kerkweg. De Lijndonk en de Raakeindse Kerkweg zijn een lokale ontsluitingswegen. De Raakseindse Kerkweg leidt via de Schoolstraat naar de bebouwde kom van Molenschot. De omliggende wegen hebben een snelheidsregime van 60 km/uur. De weg is dubbelbaans zonder centrale wegmarkering en kent aan beide zijden een gemarkeerd fietspad. Gelet op de aard van de aanliggende wegen en gezien de afname aan voertuigbewegingen per etmaal die de beoogde functiewijziging van bedrijfsmatige functie naar wonen teweegbrengt, kan worden gesteld dat de beoogde situatie verkeerskundig inpasbaar is. Parkeren Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de "Reparatiewet BZK" op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en/ of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van 'een goede ruimtelijke ordening' dient inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien. Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid. In 2017 is voor het hele grondgebied de Nota Parkeernormen vastgesteld.

In de nota zijn op basis van de parkeerkencijfers van het CROW onder meer de gemeentelijke parkeernormen opgenomen voor verschillende functies. De nota dient als toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Doelstelling van de nota is het waarborgen van een gunstig woon- en leefklimaat door het voorkomen van parkeerproblemen in de openbare ruimte als gevolg van nieuwe ontwikkelingen. Uitgangspunt van de nota is dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden conform de geldende parkeernormen. Deze normen zijn gebaseerd op onder meer de mate van verstedelijking, bereikbaarheidskenmerken van de locatie en specifieke eigenschappen van de functie. Beoordeling In onderhavig plan wordt rekening gehouden met de parkeerbehoefte zoals deze is bepaald in de Nota Parkeernormen 2017. Voor het onderhavige plangebied dient volgens de kaart met de gebiedsindeling uitgegaan te worden van de parkeernormen behorende bij het gebiedstype ‘overig gebied'. In gebieden buiten het centrum geldt voor woningen met een netto oppervlak van meer dan 90m2 een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Deze dienen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Gelet op het type woning en de grootte van het plangebied, is hiervoor ruimte.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

27

Conclusie In het plangebied is voldoende ruimte om aan de gemeentelijke parkeernormen te kunnen voldoen.

28

Gemeente Gilze-Rijen

5

MILIEU EN LANDSCHAP

5.1

Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een ruimtelijk plan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van de planologisch relevante uitvoeringsaspecten. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. Achtereenvolgens worden behandeld: • bodem; • waterhuishouding; • archeologie; • ecologie; • akoestiek; • bedrijven en milieuzonering; • geurhinder; • externe veiligheid; • verkeer en parkeren; • kabels en leidingen; • luchtkwaliteit; • milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

5.2

Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

29

2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling Ten behoeve van het bepalen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit is in augustus 2020 door Milon BV een verkennend bodemonderzoek en een asbestinventarisatie van de bodem uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit het rapport. Op basis van de reeds beschikbare gegevens is het onderzoek uitgevoerd op basis van de hypothese van een onverdachte locatie wat betreft de bodemkwaliteit en verdacht wat betreft de aanwezigheid van asbest in de bodem (diffuse bodembelasting). Bij uitvoering van het onderzoek zijn zintuigelijke waarnemingen gedaan in de vorm van bijmengingen met baksteen, glas en repac. Er zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op bodemverontreiniging. Er is tijdens de monsterneming op het noordwestelijke terrein asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Na uitvoering van de analyses zijn in de boven- en ondergrond lichte verontreinigingen geconstateerd van PAK, PCB en minerale olie. Het grondwater blijkt licht verontreinigd met barium.

Deze metaalverontreinigingen zijn mogelijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties. Uit analyse van de genomen puinmonsters is asbest aangetoond boven de detectiegrens, maar onder de norm voor nader onderzoek. Conclusie De aard en mate van de gevonden (lichte) verontreiniging van bodem en grondwater alsmede asbesthoudend materiaal geeft geen aanleiding voor nader onderzoek. Milon BV concludeert dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit in principe geschikt is voor het beoogde gebruik. Voor meer gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de rapportage in bijlage 1.

5.3

Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.

30

Gemeente Gilze-Rijen

Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PWMP) van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor o.a. het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid waterschap Brabantse Delta De projectlocatie is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De visie van waterschap Brabantse Delta is vervat in het Waterbeheerplan 2016 - 2021 en kent een geldigheid vanaf 22 december 2015. Het waterschap richt zich hierbij op een doelmatig waterbeheer als motor voor een economische en ecologisch krachtige regio. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10677100/1