tb2
Tekst van het document
ECOLOGISCHE QUICKSCAN Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling
Locatie: Chaamseweg 4 Gilze Rapportnummer: 2021-BE-0938 In opdracht van: Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2021-BE-0938 Opdrachtgever Van Dun Advies BV Contactpersoon Mevrouw M. Raymakers Locatie Chaamseweg 4 Gilze Auteur Jennifer Bockting Collegiale controle Frenk van de Wal Opleverdatum 20 augustus 2021 Uitvoerder
De Lange Kant 27 5061 PX Oisterwijk 06-24218274 www.brabanteco.nl
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.
Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.
1
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
Inhoudsopgave SAMENVATTING ............................................................................................................... 3 1.
INLEIDING EN ONDERZOEK ........................................................................................ 4 1.1 Aanleiding......................................................................................................................... 4 1.2 Doelstelling ...................................................................................................................... 4 1.3 Centrale vraagstelling ...................................................................................................... 4 1.4 Criteria.............................................................................................................................. 4
2.
BELEIDSKADER .......................................................................................................... 5 2.1 Gebiedsbescherming ........................................................................................................ 5 2.2 Soortenbescherming ........................................................................................................ 5 2.3 Bescherming van houtopstanden .................................................................................... 7 2.4 Zorgplicht ......................................................................................................................... 8
3.
PLANGEBIEDSBESCHRIJVING ..................................................................................... 9 3.1 Huidige situatie ................................................................................................................ 9 3.2 Voorgenomen ontwikkeling ........................................................................................... 10
4.
PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN ....................................................................... 11 4.1 Bureauonderzoek ........................................................................................................... 11 4.2 Veldonderzoek................................................................................................................ 12 4.3 Impressie plangebied ..................................................................................................... 14
5.
BESCHERMDE NATUURWAARDEN ........................................................................... 18 5.1 Gebiedsbescherming ...................................................................................................... 18 5.2 Soortenbescherming ...................................................................................................... 19
6.
RESULTATEN EN ADVIES .......................................................................................... 26 6.1 Voorkomende soorten .................................................................................................... 26 6.2 Resultaten ...................................................................................................................... 26 6.3 Advies en aanbevelingen ................................................................................................ 26
7.
BRONNEN ............................................................................................................... 27
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
2
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
SAMENVATTING
Initiatiefnemers hebben het plan om een logeerhuis en bed & breakfast te gaan exploiteren aan de Chaamseweg 4 te Gilze. Om dit te realiseren zullen er enkele gebouwen worden gesloopt en enkele worden verbouwd. De bestemming wil men wijzigen van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. Bij deze werkzaamheden is initiatiefnemer gebonden aan de Wet natuurbescherming. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten kan worden is aan Brabant Eco de opdracht gegeven om een ecologische quickscan uit te voeren op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Dit voorliggend rapport geeft een beschrijving van het plangebied en het uitgevoerde onderzoek. Daarnaast geeft dit rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Het voorkomen van marterachtigen in het plangebied kan, wat betreft de hooimijt, niet met zekerheid worden uitgesloten, waardoor de effecten met voorgenomen werkzaamheden mogelijk van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van genoemde soortgroep en hun functioneel leefgebied. Derhalve vindt mogelijk overtreding plaats van art.
3.10 lid 1a en 1b van de Wet natuurbescherming. Daarom wordt aanbevolen om een nader onderzoek naar marterachtigen te laten verrichten. Wanneer dit onderzoek heeft plaatsgevonden, bestaat grote mate van juridische zekerheid dat voldaan is aan de wettelijke en maatschappelijke verantwoorde inspanning om na te gaan of soorten en functies van gebieden in het geding zijn. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuurinclusief bouwen wordt aanbevolen. Jennifer Bockting en Frenk van de Wal Brabant Eco Augustus 2021
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
3
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
1. INLEIDING EN ONDERZOEK
1.1 Aanleiding Volgens opdrachtgever Van Dun Advies BV hebben initiatiefnemers de opstallen en grond gekocht behorende bij Chaamseweg 4 te Gilze. Initiatiefnemers gaan niet verder met de agrarische bedrijfsvoering, maar willen er graag een logeerhuis en bed & breakfast exploiteren. Om dit te realiseren zullen er enkele gebouwen worden gesloopt en enkele zullen worden verbouwd. Bij deze werkzaamheden is opdrachtgever gebonden aan de Wet natuurbescherming. In opdracht heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
1.2 Doelstelling Het doel van dit verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Er wordt een eerste inzicht verkregen in de mogelijke effecten op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen of uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren. Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan de natuurwetgeving. Dit rapport geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek.
1.3 Centrale vraagstelling Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de natuurwetgeving en dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden voordat met de uitvoering gestart kan worden?
1.4 Criteria Op dit natuuronderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl). o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
4
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
2. BELEIDSKADER
De Wet natuurbescherming is de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden en soorten regelt. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. Het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning is de gemeente. De bevoegdheden om te toetsen aan de Wet natuurbescherming is bij de provincie gelegd. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan.
2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-Vogelrichtlijn en de EU-Habitatrichtlijn. In Natura 2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In het opgestelde beheerplan wordt beschreven hoe de instandhoudingsdoelstellingen bereikt dienen te worden. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000 gebieden.
2.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het bestaat uit gebieden die samen een netwerk vormen door Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In de EHS geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van de ingreep moeten bovendien worden gecompenseerd. Naast ongeveer 20 Nationale parken, meren, rivieren en de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee vallen alle Natura 2000 gebieden onder het NNN. De landbouwgebieden worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer.
2.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de in Nederland voorkomende wilde planten- en diersoorten via een zogenaamde zorgplicht. Voor deze beschermde soorten is het uitgangspunt dat activiteiten moeten worden voorkomen die deze beschermde soorten aantasten. Wanneer dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alleen toegestaan met een ontheffing van de provincie.
2.2.1 Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan:
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
5
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
o o
o
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Bij het besluit of een afwijking van het verbod kan worden toegestaan, wordt evenwel niet naar de gevolgen van deze afwijking voor het individuele plant of dier gekeken, maar naar de gevolgen voor de instandhouding van de betrokken soort. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn.
2.2.2 EU-Vogelrichtlijn Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijke, in Europa in het wild levende, vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen, dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om voor deze vogels een 'voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen'. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. De EU-Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. De Wet natuurbescherming bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels. Deze verboden gelden in heel Nederland. De wet verbiedt: o Het opzettelijk doden of vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1); o Het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2); o Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels (artikel 3.1 lid 3); o Het opzettelijk storen van vogels (artikel 3.1 lid 4); o Het bezit, het vervoer en de handel in vogels, dood of levend, dan wel delen of producten daarvan (artikel 3.2).
Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming van toepassing.
2.2.3 EU-Habitatrichtlijn Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitat en wilde dier- en plantensoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing. De EUHabitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden.
2.2.4 Overig beschermde soorten Dit zijn soorten genoemd in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Het betreft een limitatieve lijst (zie bijlage 3).
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
6
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die niet in de bijlagen van de Wet natuurbescherming worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wet natuurbescherming) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Tabel: Beschermingsregime van de Wet natuurbescherming
2.3 Bescherming van houtopstanden De belangrijkste elementen m.b.t. de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herplantplicht en het kapverbod. De provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Als het gaat om beplantingen van bomen groter dan 10 are of als het een rijbeplanting betreft die uit meer dan 20 bomen bestaat, dan valt bos, mits het buiten de bebouwde kom ligt, onder de Wet natuurbescherming. De gemeente kan voor de Wet natuurbescherming een andere ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ vaststellen dan de bebouwde kom volgens de Wegenverkeerswet.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
7
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
2.4 Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor het in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
8
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
3. PLANGEBIEDSBESCHRIJVING
3.1 Huidige situatie De planlocatie, Chaamseweg 4, bevindt zich ten zuidwesten van de kern van Gilze in de gemeente Gilze en Rijen. Gilze en Rijen is een gemeente in de provincie Noord-Brabant en heeft een totale oppervlakte van ruim 65,69 km2. De gemeente telt 26.544 inwoners (1 januari 2021) en bestaat uit de plaatsen Rijen, Gilze, Molenschot en Hulten. Gilze ligt ten noordoosten van Chaam, ten zuidoosten van Breda en ten westen van Tilburg. Het plangebied maakt deel uit van het buitengebied van Gilze. De directe omgeving bestaat voornamelijk uit agrarische bedrijven, landbouwgronden en enkele burgerwoningen. Een stukje ten noorden van het plangebied ligt de A58, die vanuit Breda naar Tilburg loopt. De Chaamseweg is de verbindingsweg tussen Gilze en Chaam. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in onderstaande afbeelding.
Satellietfoto omgeving plangebied, planlocatie is rood omcirkeld. Bron: Google Maps
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
9
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze Het plangebied betreft het gedeelte ten noordwesten van het perceel, waar de bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning zijn gelegen. Tegen de bedrijfswoning bevindt zich een schuur van circa 143 m2. Verder staan op het erf een garage van circa 170 m2 en een bergruimte, welke voorheen een kippenschuur was, van circa 85 m2. Tussen de bergruimte en de woning bevindt zich een greenhouse van circa 11 m2 en achter op het terrein staat een hooimijt van circa 52 m2. Op onderstaande afbeelding wordt het plangebied globaal aangegeven.
Globaal omlijnde planlocatie in blauw. Bron: Google Maps
3.2 Voorgenomen ontwikkeling Initiatiefnemers wensen de locatie te herbestemmen van de bestemming ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. Ze zijn voornemens de bergruimte te verbouwen tot een logeerhuis en de bestaande garage te verbouwen tot een bed & breakfast. Hierbij wordt circa 70 m2 gereserveerd voor privéopslag. Initiatiefnemers zijn bereid om de greenhouse, schuur en hooimijt te slopen om aan kwaliteitsverbetering te doen. In samenwerking met Brabants Landschap zal het plangebied landschappelijk worden ingepast.
Beoogde situatie Chaamseweg 4 Van Dun Advies BV
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
10
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
4. PRAKTIJK ECOLOGISCHE QUICKSCAN
Een ecologische quickscan is de eerste stap van ecologisch onderzoek dat uitgevoerd wordt in het kader van een ruimtelijke ingreep. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming. In het kader van deze wet is het noodzakelijk te weten welke flora- en faunasoorten potentieel voorkomen in het plangebied. Naast het effect op beschermde soorten kan het nodig zijn om onderzoek te verrichten naar eventuele negatieve effecten van de ingreep op de kwaliteit van beschermde gebieden in de omgeving. Bij een ecologische quickscan worden de ecologische waarden van een omgeving in kaart gebracht middels een bureaustudie en veldonderzoek. De ingreep wordt goed en duidelijk omschreven. Er worden eventueel mitigerende en compenserende maatregelen aanbevolen waarmee de overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen wordt. De ecologische quickscan, ook wel quickscan flora en fauna genoemd, geeft de mogelijke effecten van een ruimtelijke ingreep weer op beschermde planten en dieren.
Door middel van een quickscan worden de volgende vragen beantwoord: o Welke beschermde soorten (flora en fauna) zijn in het plangebied aanwezig? o Wat zijn de effecten van de voorgenomen plannen op deze aanwezige soorten? o Wordt de Wet natuurbescherming overtreden? o Welke mogelijkheden zijn er om negatieve effecten op de beschermde soorten te minimaliseren of te voorkomen? o Is er een aanvullend onderzoek nodig naar soorten of functies? o Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen plannen een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant? De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van het plangebied en de directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
4.1 Bureauonderzoek Het bureauonderzoek heeft zich gericht op bekende ruimtelijke plannen, zowel lokaal, provinciaal, nationaal als Europees. Door middel van literatuuronderzoek is onderzocht of zich in de nabijheid van de planlocatie gebieden bevinden die beschermd zijn in het kader van de natuurwetgeving en is er een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde soorten. Hierbij is gebruik gemaakt van de database quickscanhulp.nl (bijlage 1), aangevuld met gegevens uit relevante recente verspreidingsatlassen en actuele websites, onder andere RAVON, Sovon, FLORON en Waarneming.nl. NDFF Verspreidingsatlas is een naslagwerk met afbeeldingen en informatie over duizenden soorten die in de Nederlandse natuur voorkomen. De verspreidingskaarten worden gemaakt met gevalideerde gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna. De inhoud van de atlas wordt mede verzorgd door zes verenigingen en stichtingen: de Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV), FLORON, het Landelijk Informatiecentrum Kranswieren (LIK) en stichting ANEMOON, stichting RAVON en de Zoogdiervereniging. Met quickscanhulp.nl is een actueel overzicht verkregen van waarnemingen van beschermde soorten nabij de locatie uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF).
Voor de gebiedsgerichte bescherming is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving, het betreft de Natura 2000 gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord-Brabant.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
11
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
4.1.1 Waarnemingen flora en fauna Volgens Waarneming.nl zijn er de afgelopen 10 dagen geen waarnemingen van flora en fauna soorten gedaan in het plangebied. In een straal van een kilometer van het plangebied zijn wat algemene plantensoorten waargenomen. Er zijn geen zoogdieren, amfibieën, vissen of beschermde ongewervelden ingevoerd. Wel is van de vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten de buizerd waargenomen en van de vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen de boerenzwaluw, boomkruiper en huiszwaluw. Ook is de levendbarende hagedis, een beschermde reptielensoort gezien. In een straal van 5 kilometer zijn nog heel wat andere plantensoorten waargenomen, maar hier vallen ook geen beschermde soorten onder. Van de vogels met jaarrond beschermde nesten zijn nog de boomvalk, gierzwaluw, havik, huismus, roek, slechtvalk, steenuil en wespendief waargenomen en van de vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen de blauwe reiger, boomklever, ekster, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, koolmees, oeverzwaluw, pimpelmees, spreeuw, torenvalk, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht. Van de zoogdieren zijn de Europese mol, ree, West-Europese egel en wezel gezien en van de amfibieën een groene kikker (onbekend).
Hiervan is alleen de wezel beschermd in Noord-Brabant. Er zijn geen beschermde ongewervelden en vissen waargenomen.
Recente waarnemingen in en rond het plangebied aangegeven met gekleurde bolletjes. Bron: Waarneming.nl op 08-08-2021
4.2 Veldonderzoek Op maandag 9 augustus in de middag hebben medewerkster ecologie Jennifer Bockting en ecoloog Frenk van de Wal, in het kader van het natuurwaardenonderzoek, het veldonderzoek uitgevoerd voor het plangebied en de directe omgeving. De weersomstandigheden waren bewolkt, met een zuidwestenwind met windkracht 4 en droog. De gemiddelde temperatuur lag rond de 18 graden Celsius. Het onderzoek vond dus onder zomerse omstandigheden plaats, waarin veel natuurwaarden actief zijn. Tijdens het veldonderzoek werd de ecologische potentie van de locatie en de directe omgeving in relatie met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten onderzocht. Op de locatie werden alle aanwezige habitats opgenomen. De aanwezige habitats tijdens het veldbezoek en de waarnemingen uit de NDFF werden vergeleken met de habitatvereisten van beschermde planten- en diersoorten. Hierdoor werd ingeschat welke soorten potentieel voorkomen. Daarbij zijn de in het plangebied aanwezige ruimtelijke structuren en biotopen geïnventariseerd. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen, vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken.
Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
12
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
De te verbouwen en te slopen bebouwing met nummers aangegeven. Globaal omlijnde planlocatie in blauw. Bron: Google Maps
De te slopen schuur (1) die zich tegen de woning bevindt heeft stenen, niet geïsoleerde muren en een dak van asbest golfplaten met daaronder dupanel isolatieplaten. Het wordt gebruikt voor opslag. We hebben hier geen dieren of sporen ervan waargenomen. De oude kippenschuur (3) ten oosten van de woning bestaat uit hout, is niet geïsoleerd, en heeft een pannendak. Deze wordt ook gebruikt voor opslag. Aan de westkant is het open en is een zithoek gecreëerd. Ernaast staat de greenhouse (2), die bestaat uit glazen platen. In deze gebouwen hebben we ook geen fauna waargenomen. Ten westen van het perceel staat een oude rundveestal met mestkelder (4), die nu dient als garage. Het dak is recent vernieuwd en bestaat uit sandwichpanelen die vrijwel naadloos aansluiten tegen de stenen, niet geïsoleerde muren. In dit gebouw zijn geen mogelijkheden voor dieren om binnen te komen. Ernaast ligt verharding in de vorm van klinkers en tegels. Wat meer ten zuiden staat een hooimijt (5), die bestaat uit vier betonnen palen met daartussen drie stenen muurtjes van circa 50 cm hoog. Eén zijde is dichtgemaakt met damwandprofielplaten en het dak bestaat uit roestige ijzeren golfplaten die worden gedragen door een houten constructie. De hooimijt is gevuld met oud stro met daaronder houten balken, waar we enkele holen en oude uitwerpselen van vermoedelijk vossen en ratten in hebben gevonden.
Op een balk tussen het dak en de damwandprofielplaten bevindt zich een oud duivennest. Ten noordwesten van het plangebied, aan de straat, staat een vijftal acacia’s en een Amerikaanse eik. Op het erf bij de parkeerplaatsen staat een tamme kastanje met ernaast een stapel hout. Achter de schuur bevindt zich een beukenhaag en achter de woning is een gecultiveerde tuin met een gazon en verschillende planten
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
13
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze aanwezig. Bij de oude kippenschuur bevinden zich twee walnotenbomen en iets verder weg staan nog enkele wilgen. In een wilgenboom bevindt zich een steenuilenkast. Ten zuidoosten van de oude kippenschuur is een fruitboomgaard aangelegd met er omheen een takkenril van wilgentakken. Ook achter de parkeerplaatsen is een takkenril aangelegd. Achter het plangebied bevindt zich een intensief bewerkt en bemest grasland dat bestaat uit Engels raaigras waar enkele boerenzwaluwen foerageren. Bij de hooimijt staan nog enkele berken en er ligt een takkenhoop waar enkele huismussen schuilgelegenheid vinden. Ook ligt daar nog een stukje kruidenrijk grasland met planten zoals duizendblad, teunisbloem, bijvoet, hazenpootje, klein streepzaad, boerenwormkruid, smalle weegbree en sint-janskruid.
4.3 Impressie plangebied
Woonhuis
Schuur aan woonhuis
Binnenkant schuur
Greenhouse, oude kippenschuur en walnotenboom
Oude kippenschuur
Afdak oude kippenschuur
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
14
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
Garage met stapel hout en tamme kastanje
Binnenkant garage
Mestkelder
Sandwichpanelen dak garage
Kopgevel garage
Hooimijt
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
15
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
Oud duivennest in de hooimijt
Dak hooimijt
Holen in het stro
Uitwerpselen in het stro
Hooimijt met berken en takkenhoop
Kruidenrijk grasland en Engels raaigras
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
16
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
Fruitbomengaard met takkenril
Beukenhaag en verharding
Acacia’s aan de straat
Plangebied vanaf de weg gezien
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
17
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
5. BESCHERMDE NATUURWAARDEN
5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 6 kilometer afstand van gronden die tot het noordwestelijk gelegen Natura 2000 gebied ‘Ulvenhoutse Bos’ behoren en op ruim 8 kilometer afstand van het zuidoostelijk gelegen ‘Regte Heide & Riels Laag’. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000 gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. Natura 2000 gebieden zijn in geel aangegeven.
Minimaal 6 kilometer tussen het plangebied en gronden behorend tot Natura 2000
Natura 2000 gebieden. De afstand tussen het plangebied en Natura 2000 is met een pijl aangegeven. Bron: Atlas Leefomgeving
Doordat het plangebied buiten Natura 2000 gebied ligt kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gezien de aard en omvang van het voornemen, de locatie, de effectafstand tot Natura 2000 gebieden en het effectbereik, zijn externe effecten op voorhand uit te sluiten.
5.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Op circa 120 meter ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich gebied dat tot het Natuurnetwerk Nederland behoort. Deze natuur behoort tot de categorie ‘Droog bos met productie’ (N16.03). Iets verder weg zijn onder andere nog ‘Kruiden- en faunarijk grasland’ (N12.02), ‘Vochtig bos met productie’ (N16.04) en ‘Poel en kleine historische wateren’ (L01.01) te vinden. Op circa 600 meter ten noordoosten van het plangebied bevindt zich ook nog ‘Droog bos met productie’.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
18
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met een rode cirkel aangegeven. De NNNgebieden in de kleuren bruin, groen, roze en blauw.
Minimaal 120 meter afstand tussen het plangebied en gronden behorend tot Natuurnetwerk Nederland
Natuurnetwerk Nederland gebieden. De afstand tussen het plangebied en NNN is met een pijl aangegeven. Bron: Kaartbank Brabant
In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten. Het plangebied ligt niet in, of direct aangrenzend aan het NNN-gebied. De significante aanpassing van en negatieve effecten door externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN zijn, gezien de omvang, de aard, het effectbereik en de locatie van het voornemen, op voorhand uit te sluiten.
5.1.3 Conclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Het is niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebied. Een toets met compensatieplicht is daarmee niet aan de orde.
5.2 Soortenbescherming Het volledig overzicht van de output van beschermde soorten van tabel 2 en 3 en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten is door middel van quickscanhulp.nl opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 is een opsomming van beschermde soorten onder paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming. Bijlage 3 geeft een opsomming van de beschermde soorten onder paragraaf 3.3. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten. Per soortgroep wordt in onderstaande beschreven welke soorten er zijn waargenomen tijdens het veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, welke soorten worden verwacht in het plangebied, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
19
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
5.2.1 Flora Volgens gegevens uit de NDFF (Project: Chaamseweg, Referentie: BE-0938, d.d. 3 augustus 2021) komen binnen een straal van 5 kilometer geen beschermde plantensoorten voor. Tijdens ons veldbezoek hebben we ook geen beschermde plantensoorten waargenomen. We hebben alleen algemene soorten waargenomen zoals duizendblad, teunisbloem, bijvoet, hazenpootje, klein streepzaad, boerenwormkruid, smalle weegbree en sint-janskruid. Het voorkomen van deze soorten wil zeggen dat de bodem niet geschikt is voor zeldzame, beschermde plantensoorten. Conclusie Vanwege het ontbreken van geschikte habitats is het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied uit te sluiten. Er worden geen houtopstanden gekapt in het plangebied. Een nadere toetsing voor houtopstanden is daarom niet nodig.
5.2.2 Zoogdieren Volgens de NDFF zijn er 20 zoogdiersoorten aangetroffen in een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Hiertoe behoren 10 soorten vleermuizen, 4 soorten marters en 6 overige soorten. Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of ontheffingsverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist Vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens de NDFF zijn waargenomen binnen een straal van 5 kilometer zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort vleermuis Baardvleermuis Brandts vleermuis Bosvleermuis Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Watervleermuis
Afstand plangebied 1 – 5 km 1 – 5 km 1 – 5 km 1 – 5 km 1 – 5 km 1 – 5 km 1 – 5 km 1 – 5 km 1 – 5 km 1 – 5 km
Verblijfplaatsen in Bomen en bebouwing Vooral bebouwing Bomen en bebouwing Bomen en bebouwing Vooral bebouwing Bomen en bebouwing Vooral bebouwing Vooral bomen Bomen en bebouwing Bomen
Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. In het plangebied zijn geen bomen met holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. De te verbouwen of te slopen gebouwen in het plangebied beschikken niet over een geschikte spouwmuur waar vleermuizen een verblijfplaats in zouden kunnen hebben. Ook zijn er geen andere potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen, zoals een holle ruimte achter een vensterluik, dakpan, windveer of boeiboord, in het plangebied waargenomen. Uitwerpselen, dode dieren of prooiresten die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bewonende vleermuizen ontbreken. Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. In het plangebied zelf zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Het is niet uitgesloten dat de bomenrij aan de Chaamseweg fungeert als vaste vliegroute voor vleermuizen. Foeragerende vleermuizen in (de omgeving van) het projectgebied zouden voor kunnen komen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
20
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. Bij onderzoek naar marters wordt daarom vooral gekeken naar sporen van de aanwezigheid van marters. De aanwezigheid van de marterachtigen verraadt zich vaak door uitwerpselen, prooiresten en stank. De marterachtigen die volgens de NDFF aanwezig kunnen zijn binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort marter Boommarter Bunzing Steenmarter Wezel
Afstand plangebied 0 – 1 km 1 – 5 km 1 – 5 km 1 – 5 km
Bescherming Beschermd Beschermd Beschermd Beschermd
Boommarter De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Als behendige klimmer en springer kan hij zijn leefgebied vanaf de grond tot in de boomtoppen benutten. De boommarter is meer een verkenner in zijn territorium dan een jager en scharrelt zijn voedsel bij elkaar door te eten wat hem ‘voor-de-voet’ komt. Zijn eten bestaat uit insecten (waaronder hommel- en wespenbroed), vogels en eieren, kleine zoogdieren en aas. In de nazomer en herfst eet de boommarter veel bessen en vruchten. Bunzing Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang. Steenmarter De steenmarter dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen.
De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een ‘cultuurvolger’). Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt. De steenmarter eet zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Hij heeft een veelzijdig menu. Het leefgebied van de steenmarter is relatief groot en de soort kan per nacht 10 tot 15 kilometer afleggen. Wezel De wezel zoekt graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. Tijdens het veldbezoek hebben we in het stro in de hooimijt holen waargenomen waarin marters een verblijfplaats zouden kunnen hebben.
Ook zijn er in het plangebied verschillende hagen, takkenrillen, een takkenhoop, een stapel hout en enkele buizen aanwezig die marters zouden kunnen gebruiken om zich te verplaatsen of om te schuilen. Er is in de omgeving geen water aanwezig, dus de kans dat er een bunzing of hermelijn zit is vrij klein. Deze soorten zijn voor een groot deel afhankelijk van water. Vlakbij bevindt zich wel een bos, waardoor er mogelijk wel boommarters zouden kunnen voorkomen. Ook de wezel en de steenmarter, die bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap leven zouden in het plangebied kunnen voorkomen.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
21
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze Overige beschermde soorten De overige beschermde soorten omvatten vooral knaagdieren en algemeen voorkomende soorten. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen in de provincie NoordBrabant tot de vrijgestelde soorten. Voor de vrijgestelde soorten betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige beschermde zoogdiersoorten te vinden die volgens de NDFF zijn waargenomen binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Soort overig Eekhoorn Egel Haas Konijn Ondergrondse woelmuis Rosse woelmuis
Afstand plangebied 0 – 1 km 0 – 1 km 0 – 1 km 0 – 1 km 1 – 5 km 1 – 5 km
Bescherming Beschermd Vrijgesteld Vrijgesteld Vrijgesteld Vrijgesteld Vrijgesteld
In het plangebied zijn bomen aanwezig waarin een eekhoorn zijn nest zou kunnen maken. Maar omdat er met de ontwikkelingen geen bomen worden gekapt zijn er geen overtredingen te verwachten. Ook is het aannemelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort in de planlocatie kan worden aangetroffen, zoals een egel of een konijn. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie NoordBrabant tot de vrijgestelde soorten. Conclusie Het is niet uit te sluiten dat er geen marterachtigen in het plangebied kunnen voorkomen. Wij raden daarom aan om een onderzoek naar marters uit te laten voeren. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Er is dus geen ontheffing nodig voor deze soortgroep. De werkzaamheden hebben ook geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen. Het plangebied zou onderdeel kunnen zijn van de essentiële leefomgeving van eekhoorns. Omdat er bij de ontwikkelingen geen bomen worden gekapt is er voor deze soort ook geen ontheffing nodig. Ook is het mogelijk dat er een enkel individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is dan altijd van kracht.
5.2.3 Vogels In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn, waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. De Wet natuurbescherming hanteert geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in vijf categorieën. De eerste vier categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden en welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen. De vogelsoorten die volgens de NDFF zijn waargenomen in een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel met daar achter de beschermingscategorie en de habitat
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
22
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze Soort vogel Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Afstand plangebied 0 – 1 km 0 – 1 km 0 – 1 km 0 – 1 km 0 – 1 km 0 – 1 km 1 – 5 km 1 – 5 km 0 – 1 km 0 – 1 km 0 – 1 km 0 – 1 km 1 – 5 km 0 – 1 km 1 – 5 km
Beschermingscategorie* en habitat 4, boombewonend 4, boombewonend 2, gebouwbewonend 3, boom- en gebouwbewonend 4, boombewonend 2, gebouwbewonend 3, gebouwbewonend 3, boom- en gebouwbewonend 4, boombewonend 2, boombewonend 3, gebouwbewonend 4, boombewonend 1, gebouwbewonend 4, boombewonend 4, boombewonend
* Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Tijdens het veldbezoek hebben we geen gierzwaluwen waargenomen. De te verbouwen en te slopen gebouwen bieden geen nestgelegenheid en bevinden zich in het buitengebied, waar nauwelijks gierzwaluwen voorkomen. Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. De gebouwen zijn, op de hooimijt na, niet toegankelijk voor uilen. In de hooimijt hebben we geen krijtstrepen gevonden die kunnen duiden op de recente aanwezigheid van uilen. Huismus De nesten van huismussen zijn jaarrond beschermd. De Wet natuurbescherming verbiedt om huismussen opzettelijk te verwonden, te doden, of hun nesten te beschadigen of weg te nemen. Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen.
Tijdens het veldbezoek hebben we enkele huismussen waargenomen in de takkenhoop. Deze zullen waarschijnlijk hun nest in het woonhuis of bij de buren hebben. In de te verbouwen en te slopen gebouwen zijn geen nesten van huismussen gevonden. Ooievaar, roek en grote gele kwikstaart Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Een ooievaar paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt. Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, bomenrijen en heggen. De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Roeken hebben een voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar. In het voorjaar en 's zomers is de grote gele kwikstaart te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lagergelegen water en aan de kust. Tijdens het veldbezoek
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
23
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze hebben we geen nesten van deze soorten waargenomen in het plangebied. Voor deze soorten is er ook geen geschikte biotoop aanwezig. Het voorkomen van deze drie soorten kan uitgesloten worden. Roofvogels De habitat van roofvogels bestaat, afhankelijk van de soort, uit een bos of een grote (half)open vlakte waar de vogels kunnen jagen. Daarnaast hebben ze in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. Er zijn geen nesten van roofvogelsoorten aangetroffen in de bomen in en om het plangebied. Wel zou een roofvogel een boom in het plangebied kunnen gebruiken om vanuit daar te jagen. De slechtvalk broedt bij voorkeur in hoge gebouwen (>4 verdiepingen). Er is voor de slechtvalk dus geen geschikte habitat aanwezig. Categorie 5 Categorie 5-soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplaats zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid. Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk). Ook van deze soorten hebben we geen nesten gevonden in het plangebied.
Overige Vogelrichtlijnsoorten In het plangebied zijn mogelijkheden voor nestgelegenheid voor overige Vogelrichtlijnsoorten waarvan de nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd zijn. In de hooimijt hebben we een oud duivennest gevonden en er is in het plangebied veel geschikt opgaand groen aanwezig waarin algemene Vogelrichtlijnsoorten broedgelegenheid vinden. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen directe invloed op de bomen en heggen, waardoor er voldoende schuil- en foerageermogelijkheden aanwezig zullen blijven voor vogels. Conclusie De te verbouwen en te slopen gebouwen in het plangebied zijn niet geschikt als nestlocatie voor vogelsoorten. De tuin biedt veel schuil- en foerageermogelijkheden voor kleine vogelsoorten, zoals de huismus. Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten in bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. De aanwezigheid van algemene broedende vogelsoorten als vink en merel is echter bijna nooit uit te sluiten omdat deze soorten in struiken en onder kleine afdakjes als een uitstekende dakrand kunnen broeden. Een negatief effect op deze soorten is echter betrekkelijk eenvoudig te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken.
5.2.4 Amfibieën, vissen, reptielen, vlinders, libellen en andere ongewervelden Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid van amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het om waterstructuren van maximaal 1,5 meter diep. Reptielen zijn vaak verscholen in dichte begroeiing en onder de grond. De soorten die volgens de NDFF zijn waargenomen in een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort amfibie, vis, reptiel Alpenwatersalamander Bastaardkikker Boomkikker Hazelworm Kamsalamander Levendbarende hagedis Poelkikker Vinpootsalamander
Afstand plangebied 1 – 5 km 0 – 1 km 1 – 5 km 1 – 5 km 1 – 5 km 0 – 1 km 1 – 5 km 0 – 1 km
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
Soortgroep en bescherming Amfibieën, beschermd Amfibieën, vrijgesteld Amfibieën, beschermd Reptielen, beschermd Amfibieën, beschermd Reptielen, beschermd Amfibieën, beschermd Amfibieën, beschermd
24
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze De aanwezigheid van beschermde reptiel- en vissoorten is uit te sluiten. Voor deze soorten is geen geschikt habitat aanwezig. Ook zijn er in en om het plangebied geen wateren aanwezig waarin amfibieën zich zouden kunnen voortplanten. Het zou wel mogelijk kunnen zijn dat er in het plangebied enkele algemene amfibiesoorten, zoals bruine kikker en gewone pad in landfase voorkomen. Voor deze algemene soorten is geen ontheffing nodig. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. Vlinders en libellen Volgens de NDFF zijn er verschillende waarnemingen van beschermde vlinder- en libellensoorten binnen een straal van 5 kilometer rond het plangebied. Deze soorten staan in de onderstaande tabel. Soort vlinder, libel Beekrombout Bosbeekjuffer Gevlekte witsnuitlibel
Afstand plangebied 0 – 1 km 1 – 5 km 0 – 1 km
Grote vos
1 – 5 km
Grote weerschijnvlinder
1 – 5 km
Teunisbloempijlstaart
1 – 5 km
Habitat Rivieren, kanalen en grotere beken Bosbeken Laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen Vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen Oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen Open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen
In het plangebied ontbreken specifieke biotopen en waardplanten voor bovenstaande beschermde libellen en dagvlinders. We hebben deze dan ook niet waargenomen tijdens ons veldbezoek. In het plangebied staan wel enkele teunisbloemen, waardplanten voor de teunisbloempijlstaart, maar op deze planten hebben we geen rupsen van deze beschermde nachtvlinder waargenomen. Er zouden wel wat algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten kunnen voorkomen. Overige soorten In een straal van 5 kilometer rond het plangebied zijn volgens de NDFF geen andere beschermde ongewervelden meer waargenomen. Overige beschermde soorten ongewervelden zijn afhankelijk van bijzondere habitattypen als oude (eiken)bossen met boomholtes en rottend hout, of onvervuilde, voedselarme wateren met specifieke vegetaties. Deze biotopen zijn niet aanwezig in het plangebied en de directe omgeving. Conclusie In het plangebied is geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Op de teunisbloemen zijn ook geen rupsen van de teunisbloempijlstaart te vinden. Het voorkomen van beschermde vlinders en libellen kan uitgesloten worden. Ook voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat.
Het plangebied biedt uitsluitend leefgebied voor algemene vlinder- en (zwervende) libellensoorten en overige algemene soorten ongewervelden. Door het ontbreken aan oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van beschermde vissoorten uit te sluiten. Ook voor beschermde reptielen en amfibieën is er geen geschikt leefgebied aanwezig. De ingreep leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soortgroepen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
25
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze
6. RESULTATEN EN ADVIES Zoals beschreven betreft de onderhavige ecologische quickscan een momentopname van de actuele situatie.
6.1 Voorkomende soorten Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde plantensoorten in het plangebied voorkomen. Wel zouden er beschermde marterachtigen, niet jaarrond beschermde vogelsoorten en vrijgestelde diersoorten voor kunnen komen.
6.2 Resultaten De onderzoeksresultaten geven aan dat de planlocatie Chaamseweg 4 enkele biodiversiteit bevat en vooral bestaat uit algemene plantensoorten. Er zijn redelijk wat schuil- en nestgelegenheden voor diersoorten, waardoor er ook marters in het plangebied zouden kunnen voorkomen.
6.3 Advies en aanbevelingen Nader onderzoek Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora worden uitgesloten. De aanwezigheid van beschermde marterachtigen kan niet worden uitgesloten en daarom bevelen wij aan om voor deze soortgroep een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Methoden Om te onderzoeken of de hooimijt als verblijfplaats wordt gebruikt door boom- of steenmarters zullen er verschillende cameravallen in de hooimijt worden opgesteld. Voor het onderzoek naar kleine marterachtigen, voornamelijk de wezel, kunnen verschillende methoden worden gebruikt. Zie onderstaande tabel.
Geschiktheid van inventarisatiemethoden voor de verschillende soorten kleine marterachtigen. Bron: Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming, provincie Noord-Brabant 2017
Wanneer onderzoek wordt verricht in de periode waarop de dieren het meest actief zijn, te weten van maart tot en met augustus, worden de onderzoeksmaterialen minimaal 6 weken in het gebied geplaatst. Buiten de actieve periode, met minder trefkans, wordt deze tijd verdubbeld naar minimaal 12 weken. Gedurende die periode worden de onderzoeksmaterialen enkele keren gecontroleerd en na deze periode volgt er een eindrapport met de resultaten.
Brabant Eco; ecologische dienstverlening
26
Ecologische quickscan Chaamseweg 4 Gilze Wet natuurbescherming o De ingreep zou kunnen leiden tot verlies van leefgebied van beschermde marterachtigen. De ingreep kan invloed hebben op de gunstige staat van instandhouding. Een nader marteronderzoek is daarom noodzakelijk. o In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland gebieden voor. Er zijn geen effecten op deze gebieden te verwachten. Een nadere toetsing is dus niet aan de orde. o Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. In het kader van de Vogelrichtlijn wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het om de periode 15 maart tot 15 juli. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord.