Rapport Proof Adviseurs - opleggen geheimhouding
Tekst van het document
De geheimhouding moet door iedereen die tijdens de behandeling aanwezig was en iedereen die van het behandelde of de stukken kennis draagt in acht worden genomen totdat het gemeenschappelijk orgaan haar opheft (art. 23 lid 5 jo. lid 1 Wgr). Oftewel: a. tijdens een besloten vergadering van het gemeenschappelijk orgaan kan door het gemeenschappelijk orgaan geheimhouding worden opgelegd op het behandelde tijdens deze besloten vergadering; b. het gemeenschappelijk orgaan kan geheimhouding opleggen omtrent alle stukken die aan hem worden overgelegd; c. geheimhouding die door het gemeenschappelijk orgaan op grond van artikel 23 lid 5 jo. lid 1 Wgr is opgelegd, kan alleen door het gemeenschappelijk orgaan worden opgeheven. Zoals gezegd geldt bovenstaande alleen voor een gemeenschappelijk orgaan ingesteld bij een raadsregeling of een gemengde regeling waaraan raden deelnemen. Bij collegeregelingen, burgemeestersregeling en gemengde regelingen zonder raden geldt geen verplichte openbaarheid voor vergaderingen van het gemeenschappelijk orgaan. Deze organen hoeven dus niet in het openbaar te vergaderen, al zou dat in de gemeenschappelijke regeling natuurlijk wel geregeld kunnen worden. Er is echter géén wettelijke geheimhoudingsregeling voor dergelijke gemeenschappelijke organen.
proofadviseurs.nl
Pagina 26 van 29
3.9.3. Bedrijfsvoeringsorganisatie Een bedrijfsvoeringsorganisatie wordt altijd bij een collegeregeling ingesteld (art. 8 lid 3 Wgr). Net als bij een gemeenschappelijk orgaan dat niet (mede) is ingesteld door raden geldt hier dat niet is voorgeschreven dat het bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie in openbaarheid vergadert. Natuurlijk kan dit wel in de gemeenschappelijke regeling geregeld worden. Er is echter géén wettelijke geheimhoudingsregeling voor dergelijke gemeenschappelijke organen. De bepalingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen over geheimhouding moeten worden gezien als een uitputtende regeling inzake openbaarmaking en geheimhouding. Deze hebben daarom als een bijzondere regeling voorrang boven de Wet openbaarheid van bestuur.22 Dit betekent dat een verzoek tot openbaarmaking op grond van de Wob wordt afgewezen als sprake is van een opgelegde geheimhouding. Voorgaande betekent ook dat voor een bedrijfsvoeringsorganisatie, zoals de ABGorganisatie, er geen wettelijke bepaling is opgenomen op grond waarvan het bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie geheimhouding kan leggen op stukken. De wet voorziet daar niet in.
3.9.4. Externe inlichtingenplichten Bij een raadsregeling23 of een gemengde regeling waaraan raden deelnemen24 wordt een lid van het algemeen bestuur aangewezen door de gemeenteraad (art. 13 lid 1 Wgr) en legt dit lid van het algemeen bestuur ook verantwoording af aan de raad die hem heeft aangewezen (art. 16 lid 1 Wgr). Hij moet de raad daartoe ook alle inlichtingen verschaffen waarom één of meer leden van zijn raad vragen (art. 16 lid 2 Wgr). Dit laatste mag in beginsel natuurlijk niet wanneer geheimhouding is opgelegd op een stuk, dan zou het betreffende lid immers zijn geheimhoudingsplicht schenden. In artikel 16 lid 5 Wgr is daarom geregeld dat het lid slechts informatie verstrekt indien krachtens artikel 25 Gemeentewet geheimhouding is opgelegd. De raad mag in dat geval echter de geheimhouding pas opheffen wanneer het algemeen bestuur daartoe besloten heeft (art. 16 lid 5 Wgr). Het eindoordeel ligt hier dus niet bij de gemeenteraad, maar bij het algemeen bestuur van het gemeenschappelijk openbaar lichaam. Hetzelfde geldt bij leden van het gemeenschappelijk orgaan bij een raadsregeling of gemengde regeling waaraan raden deelnemen. Bij een collegeregeling25 worden de leden van het algemeen bestuur aangewezen door en uit de colleges (art. 13 lid 6 Wgr). Dat geldt ook voor de collegevertegenwoordigers binnen een gemengde regeling tussen colleges en burgemeesters (art.
13 lid 10 Wgr). Het lid van het algemeen bestuur vertegenwoordigd hierbij dus het college dat hem heeft aangewezen en moet daaraan verantwoording afleggen (art. 18 jo. art. 16 lid 1 Wgr). Hij moet het college daartoe ook alle inlichtingen verschaffen waarom één of meer leden van zijn college vragen (art. 18 jo. art. 16 lid 2 Wgr). Dit laatste mag in beginsel natuurlijk niet wanneer geheimhouding is opgelegd op een stuk, dan zou het betreffende lid immers zijn geheimhoudingsplicht schenden. In artikel 16 lid 5 Wgr (dat op grond van artikel 18 Wgr van overeenkomstige toepassing is) is daarom geregeld dat het lid slechts informatie verstrekt
22 Rechtbank Overijssel 24 december 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:6878. 23 Dit is een gemeenschappelijke regeling die uitsluitend getroffen is door gemeenteraden (of evt. provinciale
staten resp. het algemeen bestuur van een waterschap) (vgl. art. 1 Wgr). 24 Gemeenteraden, colleges van burgemeester en wethouders en burgemeesters kunnen ieder voor zover zij voor de gemeente bevoegd zijn een gemeenschappelijke regeling treffen. Zij kunnen dat afzonderlijk of tezamen (art. 1 lid 1 Wgr). Gemengde regelingen zijn daarmee ook mogelijk. 25 Een gemeenschappelijke regeling getroffen tussen uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders (en evt. gedeputeerde staten of het dagelijks bestuur van een waterschap). proofadviseurs.nl
Pagina 27 van 29
indien krachtens artikel 25 Gemeentewet geheimhouding is opgelegd.26 Het college mag in dat geval echter de geheimhouding pas opheffen wanneer het algemeen bestuur daartoe besloten heeft (art. 18 jo. art. 16 lid 5 Wgr). Het eindoordeel ligt hier dus niet bij het college, maar bij het algemeen bestuur van het gemeenschappelijk openbaar lichaam. Een lid van het algemeen bestuur bij een collegeregeling is echter ook verantwoording en inlichtingen schuldig aan zijn gemeenteraad (art. 19 lid 1 jo. art. 16 lid 1 en 2 Wgr). Ook in dat geval geldt artikel 16 lid 5 Wgr (art. 19 lid 1 Wgr). Dat geldt ook bij gemengde regelingen tussen colleges en burgemeesters (art. 19 lid 3 Wgr). Ook bij gemeenschappelijke organen ingesteld bij een collegeregeling geldt artikel 16 lid 5 Wgr (art. 18 resp. art. 19 lid 1 Wgr), al lijkt dit een dode letter nu nooit op grond van artikel 23 Wgr geheimhouding kan worden opgelegd. Datzelfde speelt ook bij een bedrijfsvoeringsorganisatie. Bij een burgemeestersregeling27 geldt tot slot hetzelfde regime als bij een raadsregeling (art. 19 lid 2 Wgr). Ook bij gemeenschappelijke organen ingesteld bij een burgemeestersregeling geldt artikel 16 lid 5 Wgr (art. 18 resp. art. 19 lid 1 Wgr), al lijkt dit een dode letter nu nooit op grond van artikel 23 Wgr geheimhouding kan worden opgelegd.
3.10. De belangen uit de Wob die ten grondslag aan geheimhouding kunnen worden gelegd In alle gevallen waarin geheimhouding kan worden opgelegd, moet sprake zijn van een grond als genoemd in artikel 10 Wob. Van belang is wel hier op te merken dat de gronden van artikel 10 Wob er dus alleen toe kunnen leiden dat stukken onder de geheimhouding vallen, artikel 10 Wob kan geen reden zijn om stukken niet aan de raad te verzenden wanneer het college of de burgemeester dat via hun inlichtingenplichten (zie art. 169 en art. 180 Gemeentewet) wel moeten. Als sprake is van een van de volgende gronden, dan moet geheimhouding worden opgelegd: a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden; c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijk personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 87 van de Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.28
Daarnaast kan het openbaar maken van informatie achterwege blijven als het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van: a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. inspectie, controle en toezicht door een bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie;
26 Hier is een wetstechnische fout in de Wgr geslopen, want de verwijzing naar artikel 25 Gemeentewet zou
eigenlijk naar artikel 55 Gemeentewet moeten zijn. 27 Een gemeenschappelijke regeling getroffen tussen uitsluitend burgemeesters (en evt. een commissaris van de Koning of voorzitter van een waterschap). 28 Artikel 10 lid 1 Wob. proofadviseurs.nl
Pagina 28 van 29
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van de bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. 29
Nadrukkelijk wordt aangegeven dat het hier relatieve gronden betreft waarbij een belangenafweging moet worden gemaakt. Dat betekent dat bij een beroep op één van deze gronden uit artikel 10 Wob moet worden gemotiveerd waarom dit belang aanwezig is en waarom de aanwezigheid van dit belang geheimhouding rechtvaardigt.30 In het geval sprake is van milieu-informatie dan zijn bepaalde relatieve gronden van artikel 10 lid 2 Wob niet van toepassing.31 Deze worden hier verder niet nader toegelicht omdat in deze rapportage en dit onderzoek verder niets speelt omtrent milieuzaken.
29 Artikel 10 lid 2 Wob. 30 Zie ABRvS 26 februari 2014. ECLI:NL:RVS2014:610. 31 Artikel 10 lid 3, 4, 5, 6, 7 en 8 Wob.
proofadviseurs.nl
Pagina 29 van 29