CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Militaire Wijk ontwerp toelichting

Gemeenteraad 18 juli 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Ingekomen stukken - intern22.862 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

Naast een toets van het bestemmingsplan dat de sloop- en nieuwbouw mogelijk maakt is voor de gehele militaire wijk een archeologische afweginig gemaakt. De bodemingrepen in de rest van de wijk zijn ook getoetst aan het gemeentelijk beleidskader. Verkoop woningbezit Een deel van de bestaande woningen van Leystromen worden verkocht. Hiervoor worden geen bodemingrepen uitgevoerd. Renovatie bestaande woningen Bij de renovatie werkzaamheden worden gevelopeningen vervangen en worden daken geisoleerd. Ook bij de renovatie zullen er geen bodemingrepen plaatsvinden die effect kunnen hebben op archeologische verwachtingen. Herinrichting openbaar gebied De gemeente Gilze-Rijen heeft met woonstichting Leystromen afspraken gemaakt over de herinrichting en verbetering van het openbaar gebied. Deze werkzaamheden worden door de gemeente uitgevoerd en zijn vastgelegd in een overeenkomst. Aan de hand van het stedenbouwkundig ontwerp volgt dat het openbaar gebied rondom de renovatie van woningen niet wijzigt. Het stratenpatroon en de groene ruimte zal in stand blijven maar worden verbeterd. Ingrepen in de bodem voor o.a. de fundering van wegen en kabels- en leidingen worden uitgevoerd.

Figuur 4.2: uitsnede gemeentelijke beleidskaart archeologie met in rood kader de projectgrens van de wijkvernieuwing van Leystromen (bron: gemeente Gilze en Rijen) blad 31 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

Naast de lage archeologische verwachting (geel) heeft een deel van het projectgebied geen archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar het bodemprofiel als gevolg van archeologisch onderzoek, aangetoonde ontgrondingen, recente bebouwing en funderingen zodanig verstoord is, dat eventuele archeologische resten als verloren beschouwd mogen worden, of in ieder geval zodanig zijn aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Op deze terreinen rusten geen beperkingen ten aanzien van archeologie.

4.1.3

Conclusie Omdat de nieuwbouw plaatsvindt in een gebied met een totale oppervlakte van circa 15.000 vierkante meter wordt ruimschoots aan de maximale oppervlakte van 25.000 vierkante meter voldaan en is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Daarnaast vindt de positionering van de nieuwbouw deels plaats op gronden die nu al bestaan uit bestaande bebouwing waarbij de grond al geroerd is. De gehele (her)ontwikkeling van de militaire wijk heeft een oppervlakte van ca. 5,4 hectare (54.000 m2 ) en overstijgt de vrijstellingsgrens met ca. 3 hectare. De werkzaamheden en impact van de renovantie en verkoop van de bestaande woningen en inrichting van het openbaar gebied leiden niet tot grootschalige bodemingrepen. Met de beschikbare informatie is het niet zinvol om een onderzoekstraject voor de herontwikkeling van de militaire wijk op te starten. Wel wordt de archeologische verwachtingswaarde voor de toekomst geborgd door de dubbelbestemming op te nemen in het voorliggende bestemmingsplan (artikel 6) zodat bij toekomstige ontwikkelingen kan worden getoetst aan de vereiste minimale diepte en oppervlakte voor archeologische onderzoek aan de hand van de dubbelbestemming.

4.2

Bodem

4.2.1

Wettelijk kader Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone gronden te worden gerealiseerd.

4.2.2

Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een historisch onderzoek opgesteld (zie Bijlage 5). Het doel van het historisch onderzoek is het verzamelen en inventariseren van de historische informatie en informatie over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem die over de onderzoekslocatie en de directe omgeving bekend is. Aan de hand van de resultaten van het historisch onderzoek wordt bepaald of en zo ja waar binnen de onderzoekslocatie potentiële bodembedreigende activiteiten plaats vinden c.q. hebben plaats gevonden en waar rekening gehouden moet worden met de mogelijke aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Aan de hand van de resultaten wordt tevens een hypothese opgesteld met betrekking tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek.

blad 32 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

4.2.3

Conclusie De verzamelde informatie geeft geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van (voormalige) bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie. Ook wordt niet verwacht dat de activiteiten op de omliggende percelen de bodemkwaliteit op het onderzoeksterrein negatief hebben beïnvloed. Dit mogelijk met uitzondering van de aanwezigheid van asbest in de bodem. Verder wordt geconcludeerd dat het historisch onderzoek voldoende informatie heeft opgeleverd om een correcte onderzoeksopzet voor de uitvoering van een verkennend bodemonderzoek te kunnen opstellen. Aangezien bij de locaties waar de woningen worden gerenoveerd of de woningen worden verkocht er geen grondverzet gaat plaats vinden, wordt voor deze locaties in het kader van een bestemmingsplanwijziging geen bodemonderzoek noodzakelijk geacht en kan het bodemonderzoek beperkt blijven tot het terreindeel waarvan het openbaar gebied wordt herontwikkelt en van de percelen waar sloop en nieuwbouw van de woningen gaat plaatsvinden. Het betreft het met de blauwe contourlijn aangegeven gebied op de bijgevoegde tekening. Op basis van het vooronderzoek is voor de onderzoekslocatie de strategie voor een onverdachte niet-lijnvormige (ONV-NL) aangehouden. Op basis van het vooronderzoek zijn de in onderstaande tabel opgenomen deellocaties te onderscheiden.

Asbest Op basis van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie als asbestverdacht wordt aangemerkt, omdat er aanwijzingen zijn voor mogelijk bodembelastende activiteiten, waarbij asbest op of in de bodem terecht gekomen kan zijn. Hierbij is vooral de bouwperiode (na WO II) van de te slopen huizen leidend.

blad 33 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

4.3

Cultuurhistorie

4.3.1

Wettelijk kader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

4.3.2

Toetsing In het kader van de ontwikkeling is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Onderstaand worden de bevindingen uit de cultuurhistorische waardenkaart beschreven. Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant kan geconcludeerd worden dat het plangebied niet in een cultuurhistorisch waardevol gebied ligt. Zie ook de

blad 34 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

onderstaande figuur 4.3 voor een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart. Ten noorden van het plangebied, rondom het stationsgebied zijn diverse waardevolle objecten aanwezig. Het voorliggende bestemmingsplan heeft geen effecten op dit gebied. Met de beoogde ontwikkeling worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.

Figuur 4.3: uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (bron: provincie Noord-Brabant)

4.3.3

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

blad 35 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/ jaar PR-contour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N), de fN-curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1 % letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald), ofwel door de afstand waarop nog 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Verantwoordingsplicht In het Bevi, het Bevt en het Bevb is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen.

Deze verantwoordingsplicht houdt in dat wijzigingen met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én veelal ook verantwoord moeten worden door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. In het Bevi, het Bevt en het Bevb zijn bepalingen opgenomen waaraan deze verantwoording dient te voldoen.

4.4.2

Toetsing Voor de beoogde herontwikkeling van Rijen-Zuid is aangesloten bij de herontwikkeling van de stationsomgeving Rijen en de daarvoor verrichte onderzoeken naar het aspect externe veiligheid. In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende risicobronnen: De spoorlijn Breda - Tilburg; Hogedruk aardgastransportleiding; Vliegbasis Gilze-Rijen; Rijksweg A58. Spoorlijn Breda - Tilburg De spoorlijn Breda - Tilburg ligt ten noorden van het plangebied. Over deze spoorlijn vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats (route 12). Het invloedsgebied van deze spoorlijn bedraagt >4.000 meter (stofcategorie D4). Plaatsgebonden risico Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen over Basisnetroutes is vastgelegd in de Regeling basisnet. Hierin staat in bijlage II vermeld dat er voor de spoorlijn Breda Tilburg ter hoogte van het plangebied een maximale PR 10-6 contour van 8 meter geldt. Binnen deze contour (gemeten vanuit het midden van het spoor) is geen bebouwing aanwezig en wordt met het bestemmingsplan geen bebouwing mogelijk gemaakt. Er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico. Plasbrandaandachtsgebied De spoorlijn Breda - Tilburg heeft een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter (figuur 3.1). Voor nieuwbouw binnen dit PAG gelden daarmee aanvullende bouwvoorschriften

blad 36 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

vanuit het Bouwbesluit ten aanzien van brandwerendheid ter bescherming van de aanwezigen (artikel 2.4 t/m 2.9 Regeling Bouwbesluit 2012). Groepsrisico Aan de hand van de uitgangspunten en de bevolkingsinventarisatie is het groepsrisico voor de spoorlijn Breda - Tilburg berekend voor de huidige en toekomstige situatie. RBM II geeft als een berekeningsresultaat van het groepsrisico de normwaarde weer. In RBM II wordt de normwaarde gedefinieerd als de maximale waarde van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde. De maximale waarde wordt berekend op basis van het punt in de groepsrisicocurve welke het dichtst bij de oriëntatiewaarde ligt in het geval dat deze onder de oriëntatiewaarde ligt. Wanneer er wel een groepsrisicocurve boven de oriëntatiewaarde ligt is dit het punt dat het verst over de oriëntatiewaarde ligt. Een normwaarde groter dan 0,01 betekent een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.

Figuur 4.4: Groepsrisico van de spoorlijn Breda - Tilburg (Antea Group, 26-10-2020, externe veiligheid stationsomgeving Rijen) Uit figuur 4.4 en onderstaande tabel blijkt dat het groepsrisico van de spoorlijn zich onder de oriëntatiewaarde bevindt. De hoogte van het groepsrisico neemt in de toekomstige situatie met minder dan tien procent toe ten opzichte van de huidige situatie. Tabel: Groepsrisico van de spoorlijn Breda - Tilburg (Antea Group, 26-10-2020, externe veiligheid stationsomgeving Rijen)

Een zogenaamde beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 van het Bevt verplicht in het kader van de ruimtelijke procedure (beschouwen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid). Hogedruk aardgastransportleiding Langs de noordzijde van de spoorlijn Breda-Tilburg bevindt zich een hogedruk aardgastransportleiding van Gasunie met kenmerk Z-528-01. Het invloedsgebied van deze leiding raakt het plangebied van dit bestemmingsplan niet. Binnen het invloedsgebied van de transportleiding worden geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Een nadere beschouwing van deze blad 37 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

risicobron is daarmee niet nodig. Vliegbasis Gilze-Rijen De vliegbasis Gilze-Rijen bevindt zich circa 1.400 meter ten zuiden van het plangebied. Voor deze vliegbasis wordt door Defensie een nieuw luchthavenbesluit opgesteld. In het kader van de MER luchthaven Gilze-Rijen is een onderzoek externe veiligheid opgesteld (NLR-CR-2016-613, november 2017). Uit voornoemd onderzoek blijkt dat de PR 10-6-contour van de vliegbasis niet tot het plangebied reikt. Voor de vliegbasis geldt geen groepsrisicobeleid, nadere beschouwing van het groepsrisico in relatie tot onderhavige ruimtelijke procedure is derhalve niet nodig. Vliegbasis Gilze-Rijen is daarmee geen relevante risicobron in relatie tot het plangebied. Rijksweg A58 De Rijksweg A58 bevindt zich circa 3.200 meter ten zuiden van het plangebied. Over deze weg vindt, conform de Regeling basisnet, transport van gevaarlijke stoffen plaats (wegvak B5). Het invloedsgebied van de weg bedraagt meer dan 4.000 meter (stofcategorie GT4). Plaatsgebonden risico De maximale PR 10-6-contour van de weg bedraagt conform de Regeling basisnet 21 meter. Deze contour reikt niet tot het plangebied, er wordt daarmee voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico.

Groepsrisico Hoewel het plangebied binnen het invloedsgebied van de A58 ligt, is het berekenen van het groepsrisico conform het Bevt niet nodig (het plangebied bevindt zich op meer dan 200 meter afstand van de weg). Verantwoording van het groepsrisico is conform het Bevt wel verplicht vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de weg. Hierbij geldt een zogenaamde beperkte verantwoording van het groepsrisico (beschouwen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid). Omgevingswet Conform het Besluit kwaliteit leefomgeving zal voor deze weg een brand- en explosieaandachtsgebied gaan gelden. De grootte van deze gebieden bedraagt 30 meter en 200 meter, respectievelijk voor het brand- en explosieaandachtsgebied. De aandachtsgebieden van deze weg reiken niet tot het plangebied.

4.4.3

Conclusie In het plangebied en de directe omgeving is geen 10-6 -plaatsgebonden risicocontour aanwezig. Aan de normen van het plaatsgebonden risico wordt voldaan. Gelet op het ontbreken van inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied is er ook geen verplichting om het groepsrisico nader te beschouwen en/of de verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Op basis van bovenstaande toets wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.4.3.1

Beperkte verantwoording groepsrisico Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Gerichte risicocommunicatie met aanwezigen (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe

blad 38 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke wijze hieraan invulling kan worden gegeven. Bij de uitwerking van de woningbouw in Rijen-Zuid zijn er voldoende mogelijkheden om externe vluchtwegen in risicoluwe richtingen (primair het zuiden) te realiseren. Op de website van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant staan onder ‘Wat te doen bij gevaarlijke stoffen?’ algemene instructies over wat te doen bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het is mogelijk om deze instructies te verwerken in een calamiteitenplan en/of actief te verstrekken aan huidige en toekomstige gebruikers van het gebied en hierover (bijvoorbeeld met de Veiligheidsregio) een bijeenkomst te organiseren. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een plasbrand Bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen moeten aanwezige personen zich in veiligheid brengen op een afstand van ten minste 30-50 meter (en bij voorkeur op een grotere afstand), buiten het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen. Personen binnen dit gebied kunnen ernstige (dodelijke) brandverwondingen oplopen.

Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een BLEVE In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen (die zich onbeschermd buiten bevinden) in de directe omgeving slachtoffer worden. Buiten de 150 meter is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Bij een warme BLEVE is er in principe tijd om te vluchten tot buiten het invloedsgebied van het spoor en daar te schuilen (er is eerst brand en daarna volgt pas een explosie). Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. In geval van een calamiteit met toxische stoffen op het spoor of op de weg is het van belang dat de bebouwing bescherming biedt.

Van belang daarbij is dat - in dat geval - de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn. Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving). Verminderd zelfredzame groepen Binnen het plangebied worden geen specifieke functies mogelijk gemaakt die de aanwezigheid van groepen verminderd zelfredzame personen faciliteren. De nieuwbouw in Rijen-Zuid heeft de functie wonen. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario’s vragen allen een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het blad 39 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

plangebied (opstelplaatsen). Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt door de gemeente Gilze en Rijen in het kader van de ruimtelijke procedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Plasbrandscenario Bij een ongeval met brandbare vloeistoffen, waarbij een plasbrand kan ontstaan, kan de brandweer snel ter plaatse zijn. Een plasbrand is dan goed te bestrijden. Door het tijdig arriveren van de brandweer wordt voorkomen dat het vuur zich snel kan uitbreiden en kan overslaan op gebouwen. BLEVE-scenario Het ontstaan van een koude BLEVE is niet te bestrijden, omdat de tank meteen explodeert. De branden die door de explosie ontstaan kunnen wel bestreden worden. De brandweer is in principe toegerust om de gevolgen van een warme BLEVE te bestrijden (en een explosie te voorkomen). Toxisch scenario Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water.

4.5

Geluid

4.5.1

Wettelijk kader Toetsingskader wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder is bepaald dat elke weg een zone heeft, waarbinnen onderzoek plaats moet vinden naar de geluidbelasting aan de gevels van nieuw te bouwen woningen en gebouwen ten behoeve van andere geluidgevoelige functies. Een uitzondering geldt voor: wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. Indien binnen een geluidzone nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder wordt voldaan. Het openbaar gebied in Rijen-Zuid is ingericht als 30 km/uur zone. De Julianastraat die grenst aan het plangebied van de nieuwbouw heeft een snelheidsregime van 50 km/uur en is een gezoneerde weg in het kader van de Wet geluidhinder. Voor nieuwe, nog niet geprojecteerde woningen bedraagt de voorkeursgrenswaarde vanwege binnenstedelijk wegverkeerslawaai 48 dB en de maximaal te verlenen ontheffingswaarde 63 dB. Toetsingskader spoorweglawaai Conform het Besluit geluidhinder wordt de zonebreedte langs een spoorweg bepaald door de waarden van de geluidproductieplafonds ter plaatse van referentiepunten aan weerszijden van het spoor.

De voorkeursgrenswaarde vanwege spoorweglawaai bedraagt 55 dB en de maximaal te verlenen ontheffingswaarde 68 dB. Toetsingskader lokaal geluidbeleid Door de gemeente Gilze-Rijen wordt het geluidbeleid “Ontheffingenbeleid Wet geluidhinder” d.d. 10 februari 1998, opgesteld door provincie Noord-Brabant, gehanteerd. Dit beleid bevat aanvullende eisen aan het vaststellen van hogere waarden.

blad 40 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

Aanvraag hogere waarde Bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, maar niet van de maximale ontheffingswaarde, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders (B en W). Het vaststellen van een hogere waarde door B en W is mogelijk indien maatregelen om de geluidbelasting te reduceren aan bron (verkeer) of tussen bron en ontvanger (gebouw), zoals schermen, verkeer reducerende maatregelen, niet doelmatig zijn of bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard ondervinden. Indien ook de maximaal te verlenen ontheffingswaarde wordt overschreden is in principe geen geluidgevoelige functie mogelijk tenzij deze wordt voorzien van maatregelen (dove gevels). Cumulatie geluidbronnen Indien de voorkeursgrenswaarde voor een bepaalde geluidbron overschreden wordt, en er sprake is van meerdere geluidbronnen, dan dient tevens onderzoek gedaan te worden naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen. Er dient te worden aangegeven op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij het bepalen van de te treffen maatregelen (art. 110a en 110f van de Wgh). De gecumuleerde geluidbelasting dient tevens geclassificeerd te worden. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting.

Een wettelijke toets aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde.

4.5.2

Toetsing Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is in het kader van de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 6). Hieronder wordt allereerst de ligging van het plangebied ten opzichte van geluidbronnen beschreven, waarna vervolgens wordt ingegaan op de resultaten. Wegverkeerslawaai Er is sprake van de nieuwe ontwikkeling van woningen in stedelijk gebied, welke zijn gelegen binnen de invloedsfeer van de Julianastraat/Stationsstraat, Frederikplein, Karel Doormanstraat, Saksen Weimarstraat, Generaal van Geenstraat en Spoorlaan Zuid. Voor de Julianastraat geldt dan de maximum snelheid 50 km/uur is in de huidige situatie en dat voor deze weg een geluidzone van toepassing is. Tabel: Grenswaarden plansituatie na aftrek ex artikel 110g Wgh

Voor deze wegen Frederikplein, Karel Doormanstraat, Saksen Weimarstraat, Generaal van Geenstraat en Spoorlaan Zuid geldt een maximum snelheid van 30 km/uur. In de zin van de Wet geluidhinder zijn dergelijke wegen niet-zoneplichtig. Uit jurisprudentie blijkt echter dat, bij een ruimtelijke procedure (in het kader van de goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wet ruimtelijke ordening) de mogelijke geluidinvloed van 30 km/uur wegen wel meegewogen dient te worden. Om de geluideffecten te kunnen duiden is aansluiting gezocht bij de kaders die uit de Wet geluidhinder volgen (voorkeursgrenswaarde, maximale grenswaarde). Voor 30 km/uur wegen is in lijn met de Wet geluidhinder ook een aftrek van 5 dB toegepast. Railverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de zone van het spoortraject Breda - Tilburg (Lden,gpp = 71,2 dB op referentiepunt 33001, d.d. 7 april 2021). De zone van de spoorweg bedraagt ter hoogte van het plangebied derhalve 900 meter ingevolge artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder. blad 41 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

Voor railverkeerslawaai bedraagt de voorkeursgrenswaarde 55 dB. De maximaal toegestane geluidbelasting bedraagt 68 dB. Lokaal geluidbeleid Wat betreft de subcriteria van het 'Ontheffingenbeleid Wet geluidhinder' van de gemeente Gilze en Rijen (d.d. 10 februari 1998), wordt voldaan aan de eis: “vervanging bestaande bebouwing”. Wat betreft railverkeerslawaai is het plangebied dichtbij het station gelegen. Het plangebied komt dus in aanmerking voor het vaststellen van hogere waarden. Afzonderlijk beleid Separaat aan voorliggend bestemmingsplan vindt op termijn besluitvorming plaats in het kader van het MJPG (Meerjarenprogramma Geluidsanering Spoor), voor onder andere het gedeelte van het spoortracé dat ten noorden van het bestemmingsplangebied gelegen is. Dit heeft te maken met de aanwezigheid van veel woningen in Rijen met een bouwjaar van vóór de inwerkingtreding van de Wet geluidhinder. In het kader van het MJPG worden maatregelen onderzocht om woningen te beschermingen tegen te hoge geluidsbelastingen, in verband met de wettelijke verplichting van geluidsanering bij bestaande woningen. Maatregelen zijn bijvoorbeeld raildempers, het plaatsen van geluidschermen langs het spoor of het isoleren van woningen. De uitvoering van de maatregelen zullen worden vastgelegd in het kader van besluitvorming van het MJPG.

Aangezien de toekomstige maatregelen nog niet formeel zijn vastgelegd, is in het geluidsonderzoek geen rekening gehouden met de eventuele reductie.

4.5.3

Conclusie Julianastraat De geluidbelasting ten gevolge van de Julianastraat/Stationsstraat op het plan bedraagt ten hoogste 48 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. Dit is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Echter valt de oranje contour (> 48 dB) over een deel van het plangebied.

Figuur 4.5: Overzicht resultaten Julianastraat/Stationsstraat deelgebied II incl. aftrek (7,50m contour) Het bouwvlak in de verbeelding van het bestemmingsplan is zodanig vastgelegd dat de hoofdgebouwen niet binnen de oranje contour uit figuur 4.5 kunnen worden opgericht. Daardoor wordt voor de nieuwbouw voldaan aan de Wet geluidhinder. In de regels en verbeelding van het bestemmingsplan is opgenomen dat er geen geluidgevoelige functies in dit gebied kunnen worden gerealiseerd.

blad 42 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

Overige (30 km/uur) wegen Uit het onderzoek volgt dat de maximale geluidbelasting vanwege de 30 km/uur wegen hoogstens 49 dB Lden bedraagt en is daarmee lager dan de maximaal toelaatbare hogere waarde van 63 dB ingevolge de Wet geluidhinder. Voor 30 km/uur wegen geldt geen formeel toetsingskader ingevolge de Wet geluidhinder. Vaststelling van hogere waarden is derhalve niet aan de orde. Railverkeer De geluidbelasting vanwege het nabijgelegen spoor bedraagt hoogstens 60 dB Lden. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Naar verwachting is de geluidbelasting voor alle nieuwe woningen hoger dan 55 dB. Gezien de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, is onderzocht of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn. Uit een overweging van mogelijke maatregelen volgt dat er geen doelmatige maatregelen mogelijk zijn om het geluid vanwege het spoor te beperken. Gezien de berekende geluidniveaus en beschouwde maatregelen zoals in het onderzoeksrapport (zie Bijlage 6) is beschreven, is de verwachting dat voor deelgebieden I en II een hogere waarde van ten hoogste 59 dB dient te worden vastgesteld voor het geluid vanwege het spoortraject Breda – Tilburg, voor deelgebieden III, IV een hogere waarde van ten hoogste 57 dB, voor deelgebied V een hogere waarde van ten hoogste 58 dB en voor deelgebied VI een hogere waarde van ten hoogste 60 dB.

Figuur 4.6: overzicht rekenresultaten per gebouw (zie Bijlage 6) Advies Uit het onderzoek volgt dat geluidbelasting vanwege het nabijgelegen spoor hoogstens 60 dB Lden bedraagt. De geluidwering van de gevel dient zodanig te zijn dat het resulterende geluidniveau in de woning niet meer bedraagt dan 33 dB. Er dient te worden beoordeeld of met de beoogde (bouw)materialen kan worden voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Dit kan worden bepaald a.d.h.v. een onderzoek naar de geluidwering van de gevel. Geadviseerd wordt bij nadere invulling van het plan (fase omgevingsvergunning-bouw) akoestisch onderzoek uit te voeren waaruit blijkt dat met inzet van geluidisolerende maatregelen aan de woningen kan worden voldaan aan de binnenwaarden van ten hoogste 33 dB Lden.

4.6

Geurhinder en gezondheid

4.6.1

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden onderzocht of een bestemmingsplan niet zodanige risico's voor de volksgezondheid meebrengt dat het woonen leefklimaat niet onaanvaardbaar verslechtert. Hierbij is het effect dat nabijgelegen veehouderijen op de volksgezondheid kunnen hebben een mee te wegen belang.

blad 43 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

4.6.2

Toetsing In de omgeving van Rijen zijn verschillende geitenhouderijen gelegen. Deze veehouderijen liggen echter op een grotere afstand dan 2 km van het plangebied waardoor op basis van de bestaande toetsingskaders op het gebied van geurhinder geen problemen te verwachten zijn. In het kader van een woningbouwontwikkeling in de omgeving van Rijen is in het kader van de volksgezondheid gekeken naar de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid. Dit is opgenomen in Bijlage 4. Onderstaand zijn de bevindingen uit het onderzoek omschreven. Uit het onderzoek blijkt dat er geen causaal verband aangetoond kan worden tussen een verhoogd gezondheidsrisico en wonen in de omgeving van een veehouderij. Er zijn geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten op basis waarvan zou moeten worden aangenomen dat de geldende toetsingskaders niet toereikend zijn om onaanvaardbare volksgezondheidsrisico's te voorkomen. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar is.

4.6.3

Conclusie Het aspect geurhinder en gezondheid vormt geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1

Wettelijk kader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van NIBM, zijn vastgelegd in de AMvB-NIBM.

In de AMvB-NIBM is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM1 0) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Binnen het voorgenomen plan wordt de sloop en nieuwbouw van woningen mogelijk gemaakt. De sloop van 47 woningen en de bouw van 56 nieuwe woningen (16 appartementen, 6 boven-/benedenwoningen en 34 grondgebonden woningen) levert per saldo een toevoeging van 9 woningen op. Op basis van de CROW-rekentool voor verkeersgeneratie mag worden uitgegaan van een ritproductie van 8 ritten per woning (gemiddelde weekdag). Dit betekent een extra ritproductie vanwege het bouwplan van ongeveer 72 ritten per etmaal.

blad 44 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

4.7.2

Toetsing Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het toenmalige Ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Het grote voordeel van deze NIBM rekentool is dat slechts een beperkt aantal invoergegevens nodig is. Alleen het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer worden ingevoerd. Voor de overige invoergegevens is in de tool uitgegaan van worst-case. Met beperkte invoergegevens kan dus worden vastgesteld of een plan NIBM is. De onderzoekslasten voor een gemeente kunnen daardoor bij kleinere plannen zeer beperkt blijven. Het doel van deze tool is: Eenvoudig en snel bepalen of een plan in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht; Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten; Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de grens voor niet in betekenende mate. De NIBM-tool 2021 is een excel-applicatie op basis van Rekenmethode 1 (Rbl 2007) en hoeft niet geïnstalleerd te worden.

Voor de NIBM-tool is een handleiding beschikbaar waarin het toepassingsbereik en de uitgangspunten zijn toegelicht.

Figuur 4.7: Rekenresultaten NIBM-tool (bron.infomil.nl) In de NIBM-tool is alleen gerekend met een planrealisatie in 2022. Dit jaartal is worst-case gehanteerd omdat door maatregelen en ontwikkelingen de achtergrondconcentraties/ uitstoot in de loop der jaren enkel af zal nemen. Heersende achtergrondwaarden luchtkwaliteit Om een beeld te geven van de (autonome) concentraties luchtverontreinigende stoffen in de toekomstige situatie is gebruik gemaakt van gegevens uit de NSL Monitoringstool (ronde 2020). De NSL Monitoringstool is het instrument waarmee de overheden de monitoring uitvoeren van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hieruit is af te leiden hoe hoog de concentraties NO2 , PM1 0 en PM2.5 ter hoogte van het plangebied voor 2020 en 2030. Stof Stikstofdioxide (NO2 )

blad 45 van 69

2020

2030

Grenswaarde

16,3

11,7

40

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

Fijn stof (PM1 0)

18,2

15,5

31,2*

Fijn stof (PM2,5)

11,3

8,8

25

* bij een jaargemiddelde concentratie PM1 0 van meer dan 31,2 µg/m3 is sprake van meer dan 35 overschrijdingen van de grenswaarde voor de 24-uursgemiddelde concentratie PM1 0. Uit de tabel blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 , PM1 0 en PM2.5(ruim) onder de grenswaarden liggen.

4.7.3

Conclusie Uit de berekeningen met de NIBM-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM1 0) niet overschrijdt. Het project kan op basis hiervan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan achterwege blijven. Het plan voldoet hiermee aan de gestelde eisen in de Wet milieubeheer.

4.8

Milieuhinder Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Hiervoor biedt de uitgave “Bedrijven en milieuzonering” een handreiking voor een verantwoorde inpassing van milieubelastende activiteiten, zoals bedrijven, in de fysieke omgeving of van gevoelige functies, zoals woningen, nabij bedrijven. Voor een breed scala van milieubelastende activiteiten gelden voor de vier ruimtelijke relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en gevaar) richtafstanden. Deze zijn in een richtafstandenlijst opgenomen. De doelen van milieuzonering zijn: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Onderzoek Het gehele plangebied wordt ontwikkeld tot woongebied. Voor het voorliggende plan geldt daarom dat rekening moet worden gehouden met bestaande bedrijven en inrichtingen in de omgeving van het plangebied. Kantoor Leystromen Aan de Julianastraat bevind zich het gebouw van Leystromen met bijbehorende kantoren en bedrijfspanden. De afstand van dit perceel tot de nieuwbouw is minimaal ca. 80 meter.

In het vigerende bestemmingsplan Woongebied Rijen bedraagt de richtafstand voor kantoren 10 meter (categorie 1) en voor werkplaatsen 30 meter (categorie 2) van de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering' tot een rustige woonwijk. Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van het bedrijfsperceel. Nutsvoorziening Aan de Julianastraat 95A is een nutsvoorziening aanwezig die grenst aan het plangebied. Nutsvoorzieningen zijn in algemene zin toegestaan binnen de diverse bestemmingen. Voor de grotere gebouwen is specifiek een bestemming opgenomen. De minimale afstand tussen dit nutsgebouw en de nieuwe woningen wordt ten opzichte van de bestaande situatie vergroot nu de rijwoningen worden vervangen door twee-aaneen gebouwde woningen. Julianastraat Aan de overzijde van de Julianastraat op ruime afstand van het plangebied liggen diverse voorzieningen en functies. Onder meer horeca, detailhandel en een adviesbureau. Deze functies hebben een richtafstand die het plangebied niet raakt. Het plangebied ligt niet

blad 46 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

binnen de invloedssfeer van deze voorzieningen. Overige bedrijven In de directe omgeving van het plangebied zijn geen andere bedrijven die een hinderfactor hebben op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie De realisatie van de nieuwbouw heeft geen impact op de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Ter plaatse van de geprojecteerde woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.9

Natuur

4.9.1

Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’, in Noord-Brabant Natuurnetwerk Brabant genoemd (hierna NNB). De bescherming van het NNB verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen).

4.9.2

Toetsing Door Antea Group is een natuurtoets uitgevoerd (mei 2020) en opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting. Het onderzoek is opgedeeld in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Conclusie Beschermde gebieden In het plangebied is geen Natura 2000-gebied, NNB-gebied of Groenblauwe mantel aanwezig. Van directe aantasting van beschermde gebieden is dan ook geen sprake. Van indirecte aantasting van NNB-gebied grenzend aan het plangebied is ook geen sprake. De renovatie en sloop van de woningen brengt geen extra, wezenlijke verstoring met zich mee ten opzichte van het dagelijkse gebruik. Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB als gevolg van het plan kunnen worden uitgesloten. Indirecte aantasting voor omringend Natura 2000-gebied is niet op voorhand uitgesloten als gevolg van een verhoogde stikstofemissie veroorzaakt door het planvoornemen. Dit effect dient te worden getoetst middels een stikstofberekening (AERIUS). Indien negatieve effecten aan de orde zijn, dienen noodzakelijke vervolgstappen te worden genomen. Tabel: overzicht conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming

Conclusie Beschermde soorten Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: Algemene broedvogels (zeer waarschijnlijk nestplaatsen); Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten – huismus (mogelijk verblijfplaatsen); blad 47 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

Vleermuizen – mogelijk verblijfplaatsen gebouw- en boombewonende soorten en mogelijk (essentiële) vliegroutes en foerageergebied; (land)Zoogdieren (steenmarter) – mogelijk verblijfplaatsen. In onderstaande tabel is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende plan. Aangegeven is of er sprake is van een overtreding van de Wet Natuurbescherming en onder welke voorwaarden het plan uitvoerbaar is. Tabel: overzicht conclusies en vervolgstappen soortenbescherming

Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. In het tekstkader in bijlage 1 van de natuurtoets (zie Bijlage 1) staat het wetsartikel uitgeschreven. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Bomen/ houtopstanden In de natuurtoets (Bijlage 1) wordt niet ingegaan op de bescherming van houtopstanden. De enkele bomen in het plangebied vallen namelijk niet onder de bescherming van houtopstanden in het kader van de Wnb. Een toetsing is daarom niet aan de orde. De toets aan de hand van de plaatselijke verordening of een omgevingsvergunning voor het kappen blad 48 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

is nodig en wordt besproken met de gemeente Gilze en Rijen. Het stedenbouwkundig plan en de uitvoering van de werkzaamheden wordt afgestemd op het aanwezige groen waarbij behoud het uitgangspunt is. Hiervoor wordt de vitaliteit van de bestaande bomen in beeld gebracht.

4.9.3

Vervolgonderzoek Voor het plangebied van het bestemmingsplan is nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en jaarrond beschermde nesten inclusief de huismus. Dit onderzoek is eind 2020 gestart en is na de zomer van 2021 afgerond (zie Bijlage 9). Het onderzoek heeft als doel om de herontwikkeling, te beginnen met de sloopwerkzaamheden, te onderzoeken en advies te geven over eventuele maatregelen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Vleermuizen In het plangebied zijn de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis waargenomen. Drie verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis zijn aangetroffen in de gebouwen in het plangebied. Deze gebouwen zijn van belang als zomerverblijfplaatsen voor gewone dwerg vleermuizen en aantasting van de aanwezige verblijfplaatsen is in overtreding met de Wet natuurbescherming (Artikel 3.5, Wnb). Een activiteitenplan dient te worden opgesteld en een Wnb ontheffing aangevraagd bij het bevoegd gezag de Provincie Noord-Brabant. Dit neemt 20 weken in beslag, plus 6 weken ter inzage legging. Daarnaast zijn mitigerende en compenserende maatregelen nodig door het plaatsen van (tijdelijke) vleermuiskasten in de directe omgeving van het plangebied en permanente voorzieningen in de nieuwbouw.

Gierzwaluw In het plangebied zijn twee verblijfplaatsen van de gierzwaluw aangetroffen. Bij het verwijderen van deze verblijfplaatsen is sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming (Artikel 3.5, Wnb). Een activiteitenplan dient te worden opgesteld en een Wnb ontheffing aangevraagd bij het bevoegd gezag de Provincie Noord-Brabant. Dit neemt 20 weken in beslag, plus 6 weken ter inzage legging. Daarnaast zijn mitigerende en compenserende maatregelen nodig door het plaatsen van gierzwaluwkasten in de directe omgeving van het plangebied en permanente voorzieningen in de nieuwbouw. Huismus In het plangebied zijn geen huismussen aangetroffen (Arcadis, 2018). Aangezien deze gegevens niet meer actueel zijn, wordt in 2022 een nader onderzoek gestart naar de huismus in het plangebied. Om geen tijdverlies op te lopen, wordt geadviseerd om alvast mitigerende maatregelen te nemen en huismuskasten op te hangen. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek in 2022 is mogelijk een Wnb ontheffing noodzakelijk. Vervolgstappen De conclusies uit het vervolgonderzoek worden vertaald in een ecologisch plan van aanpak voor de renovatie en sloopwerkzaamheden in de militaire wijk. Door middel van het Soorten Management Plan (hierna SMP) en de generieke ontheffing van Woonstichting Leystromen kunnen de werkzaamheden in de militaire wijk voor de renovatie werkzaamheden uitgevoerd worden.

Voor de sloopwerkzaamheden is een aparte ontheffing noodzakelijk. Hiervoor is een ecologisch werkprotocol opgesteld en een plan van aanpak maatregelen Wet natuurbescherming. In het SMP is een beschermingsplan opgenomen samen met het plan van aanpak maatregelen Wet natuurbescherming voor de nieuwbouw zijn alle maatregelen voor de herotwikkeling van de wijk bekend. De maatregelen in het gebied worden voor zowel de

blad 49 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

renovatie als de sloop/nieuwbouw gelijktijdig uitgevoerd en hiervoor is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

4.10

NGE

4.10.1

Toetsingskader Voor de gemeente Gilze en Rijen is in 2019 een beleidsnota en beleidskaart opgesteld voor de omgang met Niet Gesprongen Explosieven (NGE). Voor gemeente Gilze en Rijen is voor het opsporen van NGE een reactief beleid het uitgangspunt. Dit houdt in dat NGE worden opgespoord en geruimd indien dit voor een ontwikkelingsproject noodzakelijk is. Het beleid is opgenomen in het Paraplubestemmingsplan NGE Gilze en Rijen. In dit plan zijn de NGE Risicogebieden op basis van het verwachte type NGE en de naoorlogse grondroering ingedeeld in veiligheidszones. Het plangebied valt binnen de veiligheidszones munitie 7. Voor de veiligheidszone munitie 7 geldt onder andere dat voor werkzaamheden in de laag tussen 0 en 4,5 m-mv een omgevingsvergunning nodig is, hiervoor is aanvullend NGE-onderzoek noodzakelijk.

4.10.2

Toetsing De ondergrens van NGE in het gehele plangebied is 4,5 m-mv (t.o.v. maaiveld ten tijde van WOII). De bovengrens van de verdachte laag is afhankelijk van naoorlogse werkzaamheden in of op de grond. Voor de werkzaamheden in het plangebied is een maatwerkadvies opgesteld door REASeuro (zie Bijlage 8). Uit het historisch vooronderzoek naar NGE blijkt dat voor het totale werkgebied meerdere NGE-Risicogebieden aanwezig zijn. Deze gebieden zijn afgebakend op afwerpmunitie en geschutmunitie. De NGE-Risicogebieden zijn afgebakend naar aanleiding van diverse oorlogshandelingen binnen de gemeente, voornamelijk als gevolg van de aanwezigheid van het vliegveld Gilze en Rijen. Deze is jarenlang in gebruik geweest door de Duitse bezetter en als gevolg hiervan het vliegveld in Nederland dat het meest gebombardeerd is geweest. Tijdens de bezetting droeg het vliegveld de naam ‘Fliegerhorst Gilze en Rijen’ en was deze groter dan in de huidige situatie. Het werkgebied ligt direct tegen de toenmalige begrenzing van het vliegveld aan. In Figuur 4.8 zijn de NGE-Risicogebieden ter plaatse van het werkgebied samengevat weergegeven.

blad 50 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

Figuur 4.8: NGE-Risicogebied ter plaatse van het werkgebied Op basis van de luchtfoto’s is vastgesteld dat het werkgebied naoorlogs ingrijpend is gewijzigd van een landelijk gebied tijdens de oorlog tot het huidige stedelijke gebied van Rijen. Het werkgebied wordt hierbij gekenmerkt door de aanwezigheid van diverse woningen, wegen, parkeerplaatsen en groenstructuren. Tot de funderingsdiepte van gebouwen en de cunetdiepte van verhardingen is de grond naoorlogs geroerd en worden geen NGE meer verwacht.

4.10.3

Conclusie Op basis van de geconstateerde naoorlogse grondroeringen kan in een deel van het werkgebied tot bepaalde dieptes gewerkt worden zonder aanvullende maatregelen omtrent NGE. Het aantreffen van NGE is echter niet geheel uitgesloten. Gedurende de werkzaamheden dient derhalve het protocol ‘spontaan aantreffen van NGE’ in acht genomen te worden, zie hiervoor Bijlage 2 van het onderzoek dat als Bijlage 8 is toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Op de plaatsen en dieptes waar buiten deze vastgestelde naoorlogse grondroeringen gewerkt wordt, blijft een verhoogd risico bestaan op het aantreffen en tot uitwerking komen van NGE. De NGE-verdachte bodemlaag wordt verticaal begrensd door de boven- en ondergrens (zie onderstaande tabel).

Advies In algemene zin wordt als eerste stap geadviseerd om op basis van de definitieve constructietekeningen van alle nieuwbouwwoningen te beoordelen in hoeverre de bovengrens van de verschillende NGE-verdachte bodemlagen wordt doorsneden. Indien blijkt dat er sprake is van een geringe doorsnijding van de NGE-verdachte bodemlaag wordt geadviseerd een kostentechnische overweging te maken tussen daar waar mogelijk blad 51 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

het aanpassen van de funderingsconstructie zodat deze binnen de geroerde laag komt te liggen, ten opzichte van het uitvoeren van een NGE bodemonderzoek. In dit geval is het wel van belang dit onderbouwd met de gemeente Gilze en Rijen af te stemmen, aangezien het werkgebied verdacht is op afwerpmunitie en er sprake is van een dermate groot risico op een gevaarlijke situatie dat beleidsmatig altijd wordt uitgegaan van NGE-bodemonderzoek. In het geval er sprake is van een grotere doorsnijding van de NGE-verdachte bodemlaag wordt NGE-bodemonderzoek geadviseerd. Gezien de aard van de locatie, beoogde werkzaamheden en verwachte NGE wordt hierbij de volgende aanpak voorgesteld: Uitvoeren alle sloopwerkzaamheden bestaande woningen Ontgraven van de geroerde bodemlaag tot de bovengrens van de NGE-verdachte bodemlaag ter plaatse van elke nieuwbouwwoning Uitvoeren NGE bodemonderzoek met behulp van passieve non-realtime oppervlaktedetectie vanaf bovengrens NGE-verdachte bodemlaag tot 30 cm dieper (veiligheidsmarge) dan de onderkant funderingsconstructie van de nieuwbouwwoningen (zie onderstaande tabel voor nadere specificatie van het zoekdoel)

blad 52 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

4.11

Stikstofdepositie

4.11.1

Wettelijk kader Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb), die op 1 januari 2017 in werking is getreden en voor wat betreft het aspect Natura 2000 de Natuurbeschermingswet 1998 vervangt. Sinds 1 januari 2020 is de Spoedwet Aanpak Stikstof in werking getreden. Daar wordt verderop in deze paragraaf afzonderlijk aandacht aan besteed. Sinds 1 januari 2017 vormt de Wet natuurbescherming het wettelijk kader voor bescherming van Natura 2000-gebieden. Hierin is onder meer beschreven dat projecten die significante gevolgen kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen,

blad 53 van 69

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan Militaire Wijk Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 460276

gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (conform artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Wet natuurbescherming). Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming biedt de juridische basis voor de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en stelt de kaders voor de beoordeling van activiteiten die (mogelijk) negatieve effecten hebben op de in voornoemde gebieden geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen. Op 1 juli 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) met bijbehorende wetgeving vastgesteld en in werking getreden. Hierdoor werd de vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het aspect stikstof vereenvoudigd. In het PAS werkten overheden en maatschappelijke partners samen om de stikstofuitstoot te verminderen en daarmee ook economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Door middel van brongerichte maatregelen werd een (extra) daling van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden beoogd. Een deel van de daling van de stikstofdepositie kwam beschikbaar als depositieruimte voor economische ontwikkelingen. Het overige deel kwam ten goede aan de natuur waardoor gewaarborgd werd dat de Natura 2000-doelen worden gehaald.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het Europees Hof van Justitie om advies gevraagd inzake een aantal pilotzaken om de juridische houdbaarheid van het PAS te toetsen. Op 7 november 2018 heeft het Europees Hof van Justitie uitspraak gedaan. Hieruit blijkt dat het Hof het toestaan van activiteiten op basis van een programmatische aanpak zoals het PAS niet principieel in strijd acht met de Habitatrichtlijn. De wetenschappelijke onderbouwing die ten grondslag ligt aan het programma en de maatregelen waarop deze onderbouwing is gebaseerd, moeten wel voldoende zekerheid bieden dat de natuurwaarden van de Natura 2000-gebieden geen schade ondervinden van deze activiteiten (die een toename van stikstofdepositie binnen een hiervoor gevoelig Natura 2000- gebied veroorzaken). Naar aanleiding van deze uitspraak van het Hof besloot de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 dat het PAS niet mag worden gebruikt als basis voor vergunningverlening. De Afdeling stelt dat de huidige motivering niet de wetenschappelijke zekerheid biedt dat er geen schadelijke gevolgen zijn voor de natuur. Toestemming voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor Natura 2000-gebieden - vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden - mag daarom vooraf niet meer worden gegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11617328/1