Handreiking zonne-energie gemeente Gilze en Rijen
Tekst van het document
< Kaart sfeer + uitsluitingen
57
Kaart koppelkansen >
Sfeer & koppelkansen > Dorpsranden: Rijen Gilze Molenschot Hulten
(Snel)wegen en spoorlijnen: Spoorlijn Gilze en Rijen Snelweg A58 Provinciale wegen Bedrijventerreinen
58
< Sfeer & uitsluitingen & koppelkansen Hier zijn drie kaarten gecombineerd, namelijk de uitsluitingen (grijs), de koppelkansen (kleuren) en de deelgebieden (achtergrond).
Vliegveld Gilze-Rijen RWZI Rijen Golfbanen Boomkwekerijen VAB’s Zandwinplassen Oude vuilstorten MOB-complexen Vakantieparken
< Kaart sfeer + uitsluitingen + koppelkansen
Kaart sfeer + koppelkansen >
59
9 Toetsingscriteria 9.1 Harde eisen: Onze plannen scoren een 10 Om plannen af te wegen hebben we toetsingscriteria geformuleerd. Die leest u in paragraaf 9.2 en 9.3 We hebben een puntensysteem waarmee we initiatieven kunnen afwegen. Plannen moeten minstens een 10 scoren. Daarvoor bouwen we een basis in die tot een score van 6 punten leidt waaraan plannen moeten voldoen. Om tot een score van 10 punten te komen zijn er keuzes te maken. Deze keuzes zijn aan de initiatiefnemer en worden bijvoorbeeld bepaald door het specifieke gebied maar ook door de dialoog of participatie
60
We beschrijven nu achtereenvolgens: 9.2 hoe de basis van 6 punten kan worden gehaald en wat daarbij de algemene regels zijn vanuit landschappelijke inpassing 9.3 hoe de benodigde 4 extra punten via opties kunnen worden gescoord.
Foto: Grote Leij met Hulten op de achtergrond
61
9.2 Harde eisen: regels voor de landschappelijke inpassing en inrichting te behalen score 6 punten Ieder initiatief zal moeten voldoen aan de regels voor landschappelijke inpassing en inrichting. Door daaraan te voldoen scoort het project 6 punten. De overige benodigde 4 punten kunnen behaald worden via opties. Zonnevelden zijn van invloed op de omgeving en daarmee op de beleving en sfeer hiervan. Daarom is een van de ruimtelijke voorwaarden dat een zonnepark landschappelijk moet worden ingepast. Eerder hebben we aangegeven dat er drie strategieën zijn: inpassing, ontwikkeling of transformatie. Voor Gilze en Rijen zal – omdat we vooral voor kleine parken kiezen – meestal sprake zijn van inpassing en ontwikkeling. 62
Wat dit precies is, zal per project of locatie anders zijn afhankelijk van de specifieke situatie en het betreffende landschap. We vragen een initiatiefnemer
Foto: weiland met koeien met de A58 op de achtergrond
Op basis van deze aspecten zijn algemene inpassingregels en gebied specifieke inpassingsregels opgesteld. Voor alle zonneparken gelden de volgende landschappelijke inpassingsregels: met een goed onderbouwd en verbeeld plan te komen waarbij deze aangeeft waarom en hoe het specifieke plan op deze plek past bij het betreffende landschap. Het gemeentelijk Landschapsbeleidsplan geeft hierbij aanknopingspunten voor wat voor soort landschap er gewenst is, bijvoorbeeld kleinere ‘kamers’ of juist vergezichten. Op basis van het landschapsbeleidsplan en op basis van de “Handreiking voor duurzame opwek in zonnevelden in buitengebied” uit het concept-bod REKS, zijn voor de landschappen in Gilze en Rijen de inpassingsregels uitgewerkt. Daarbij is gekeken naar: • Ruimtelijke beleving, • Schaal van het zonneveld past bij de schaal van de locatie, • Draagkracht van het landschap, • Landschap specifieke inrichting per landschapseenheid, • Tijdelijk versus permanent.
1 | De initiatiefnemer voor een zonneveld maakt een plan voor de inrichting in overleg met de gemeente en de “buurt”. Er moet dus sprake zijn van een omgevingsdialoog. De buurt definiëren we door een cirkel van 500 m. rondom het project te nemen.
2 | De zonnepanelen zijn tijdelijk (max. 25 jaar) maar de landschappelijke inpassing is permanent. De inpassing is daarmee bepalend voor het landschap van morgen.
3 | De inpassing sluit altijd aan bij de kenmerken van het landschapstype maar vooral de lokale specifieke kwaliteiten. 4 | De netto - bruto verhouding van het zonneveld is altijd minimaal 25% onbedekt. (bij een Z opstelling is ca 50% bij O-W opstelling ca 25%). We hebben voorkeur voor een ruimere opstelling, veel onbedekte ruimte om toetreding van licht en water te bereiken en daarmee de kwaliteit van bodemleven en daarmee de waarden voor andere dieren in stand te houden of te ontwikkelen.
5 | Naast de minimale 25% onbedekte grond van het zonneveld is er ruimte nodig voor inpassing. De verhouding tussen het zonneveld en de inpassing hangt mede af van de maat van het veld. Immers een kleiner veld heeft verhoudingsgewijs veel rand en vraagt dus meer ruimte voor inpassing. We gaan ervanuit dat een planlocatie voor 75% uit zonneveld bestaat (die met een bepaald % bedekt is) en minimaal 25% landschappelijke inpassing.
63
6 | De initiatiefnemer van het zonnepark moet aannemelijk maken dat met de netto- bruto verhouding te verwachten is dat het bodemleven minstens in stand wordt gehouden. Die ruimte is overigens ook nodig voor de bereikbaarheid van de panelen. Deze ruimte is per definitie onverhard en zoveel mogelijk ‘biodivers’ ingericht, met beplantingstypen passend bij het landschap. Dit aspect is niet gevangen in een harde norm maar in een principe waarnaar gestreefd wordt omdat de kennis over bodemleven bij zonnevelden in ontwikkeling is. Door te kijken naar het principe niveau houden we de afweging open en kunnen we inspelen op nieuwe inzichten.
64
7 | De randen van zonnevelden hoeven niet overal even breed of dicht te zijn. Hoe kleiner het totale zonneveld, hoe groter het percentage dat ingevuld wordt voor landschappelijke meerwaarde. De randen hoeven niet aan alle zijden even dik te zijn maar de specifieke landschapstypen hebben minimale maten: Oude ontginningen • tot maximaal 5 hectare panelen: 25% landschappelijk inpassing • 2-4 ha panelen: 30% landschappelijke inpassing • 1-2 ha panelen: 35% landschappelijke inpassing Jonge ontginningen tot maximaal 20 hectare • >5 ha panelen: 25% landschappelijke inpassing
8 | De hoogte van panelen is principe max. 1,5m hoog. De hoogte hangt ook samen met het dubbelgebruik en de inpassing daarvan. Denk aan zonnepanelen voor gewasbescherming of in combinatie met beweiding.
9 | Historisch kavelpatronen en landschapsrichtingen zijn uitgangspunt: volg de bestaande richting van het landschap en sluit qua oppervlakte aan op de maat en schaal (grootschaliger-kleinschaliger) en de richting (stroken of blokken) en of regelmaat (regelmatig of onregelmatig). Respecteer daarbij lange zichtlijnen en doorzichten. 10 | Inrichting van ondersteunende voorzieningen als hekken, gebouwtjes, trafo’s etc. • Aard hekwerk en poorten PM • Aard trafo PM • Er wordt alleen open verharding toegepast. • Bijenkasten voor honingbijen zijn ongewenst omdat ze concurreren met wilde bijen. Een bijenhotel voor wilden bijen kan wel worden geplaatst • Een hekwerk kan toegankelijk gemaakt worden voor klein wild. Dat kan door een kleine ruimte onderaan de hekwerken. • Bij een EVZ moet een hekwerk toegankelijk gemaakt worden voor klein wild. Dat kan door een kleine ruimte onderaan de hekwerken • Breng op verschillende plekken gaten aan de in de hekwerken voor kleine zoogdieren, reptielen en amfibieën.
11 | Vanwege het karakter van het landschap willen we dat er bepaalde afstanden worden geborgd tussen zonnevelden. Als maat houden we aan dat de afstand tussen de projecten gelijk is aan de som van de langste zijde van de beide velden (afstand = lengte + lengte).
12 | Zonnevelden liggen niet binnen 50 meter van een woonbestemming. De landschappelijke inpassing mag wel dichterbij liggen. De afstand mag korten zijn als het de woning van de initiatiefnemer betreft (bijvoorbeeld grenzend aan of onderdeel van agrarisch bedrijf).
Door dit vaste bedrag vast te pinnen aan de locatie kan het gesprek over de inrichting geheel over de inhoud gaan. Als je dit niet zou doen dan wordt dat gesprek een onderhandeling over de inrichtingskosten. Alle regels over de kosten van de inrichting hebben ook tot doel om duidelijkheid voor de initiatiefnemer te scheppen. 14 | De maat van de inpassing rondom een project is afwisselend afhankelijk van het aanwezige en gewenste landschapsbeeld. Een minimale randinpassing is een vrijgroeiende landschappelijke haag met een breedte van 1,5 m. bestaande uit inheemse soorten. De overige inpassing wordt in dialoog - gebiedsspecifiek – ingezet. Met overige inpassingsruimte worden doelen als bewegen, verblijf, natuur en natuurinclusieve landbouw uitgewerkt. 15 | Met de realisatie van het zonneveld willen we bijdragen aan de toegankelijkheid van het landschap. De initiatiefnemer wordt uitgedaagd een openbare rand te maken die aansluit op bestaande structuren of waarmee een nieuwe structuur gemaakt kan worden. Bestaande paden moeten gehandhaafd blijven.
13 | De landschappelijke inpassing wordt in beginsel aangelegd via een aanbesteding. Van de oppervlakte voor de landschappelijk inpassing (ofwel minstens 25% van het project) wordt € 5,- per m2 afgedragen dat ingezet wordt voor de inrichting van dat zonneveld. Het budget voor de inrichting wordt beschikbaar gesteld door de initiatiefnemer. Als het inrichtingsplan duurder is dan wordt dat door derden betaald. Als het inrichtingsplan goedkoper is dan blijft het resterende bedrag in het landschapsfond en komt het beschikbaar voor algemene inrichtingsdoelen. Dit bedrag wordt gelabeld en kan vanuit het fonds alleen aan het projectgebied worden besteed.
65
16 | De bodem van een zonneveld wordt vaak ingezaaid met een bij dat landschap passend mengsel en er wordt een op natuurgericht beheer voorstel gemaakt. De initiatiefnemer beheert het veld volgens de in een beheerplan afgesproken doelen. 17 | De waterbergende functie van het terrein moet minstens gewaarborgd blijven t.o.v. de huidige situatie. Uitvoeringssuggesties voor de inrichting zijn: • Denk aan spleten tussen de panelen voor gelijkmatige verdeling van water en licht toetreding. • Er zijn al lichtdoorlatende panelen, onderzoek het effect daarvan.
66
18 | Sociale meerwaarde en lokaal eigenaarschap De lokale samenleving kan participeren en mee-investeren in het initiatief. • 50% markt - 50% burgers in de 1e schil (de “nabije” omgeving van het zonneveld) • 50% markt – 50% burgers in de 2e schil (de postcoderoos)
9.3 Optionele regels voor inpassing en realisatie (harde eis = 4 punten) De initiatiefnemer dient nu nog 4 punten te scoren. Daarvoor zijn er een 5-tal waarden benoemd waarop gescoord kan worden. Binnen iedere waarden liggen enkele keuzes. Via deze score op extra waarde kan de initiatiefnemer op zoek gaan naar een optimum voor zijn project. Voorbeeld 1 Een initiatief dat gerealiseerd wordt binnen een trede 2 gebied scoort 2 punten. Indien het dat project bovendien met 50% lokale deelname vanuit de directe omgeving wordt gerealiseerd scoort het nog eens 2 punten. Voorbeeld 2 Een initiatief dat zeer ruim opgezet wordt, met een onbedekte graad van 40% scoort 2 punten. Indien het dat project bovendien gerealiseerd wordt op een locatie van een VAB scoort het nog eens 2 punten. I | Zuinig ruimtegebruik: de zonneladder Voor zonnevelden worden alleen projecten gewaardeerd die vallen binnen trede 2. Dit zijn de gebieden die verhoudingsgewijs hoog dynamisch zijn nabij de stedelijke invloedsfeer. Als we deze gebieden benutten, gaan we zuiniger om met de grond. Projecten op agrarische gronden leveren nooit extra punten op omdat de grond gewaardeerd wordt voor landbouwkundig gebruik. • Trede Ja, mits = 2 punten • Trede Nee, tenzij = 0 punten
De waarden en score werken als een soort mengpaneel. Zo wordt inzichtelijk welke keuzes gemaakt kunnen worden om tot de juiste waarde te komen.
II | Meer dan 25% onbedekte grond binnen het zonneveld Naarmate een project meer onbedekte grond heeft zijn er meer kansen voor de ontwikkeling van biodi-
versiteit en dubbelgebruik. • Meer dan 50% = 3 punten • 35%-50% = 2 punten • 25%-35% = 1 punt III | Investeringen biodiversiteit De landschappelijke investering van een zonneveld blijft in beginsel over na het opruimen van de zonnevelden. Zo wordt dus nu vormgegeven aan het toekomstige landschap. Dat is een basisregel. Extra punten zijn te verdienen door de landschappelijke investering steviger te borgen en/of groter te maken. Hoe behoud je de landschappelijke investering nadat het veld weg is? • De landschappelijk investering vastleggen als natuur = 1 punt • De landschappelijk investering en het zonneveld vastleggen als groen = 2 punten • De landschappelijk investering en het zonneveld vastleggen als natuur = 4 punten IV | Dubbelgebruik Het meervoudig gebruiken van zonnevelden is waardevol. Zo gaan we zorgvuldig en meervoudig om met de ruimte onder en tussen de panelen? Hoe meer dubbelgebruik hoe waardevoller de ontwikkeling van een zonneveld. Iedere vorm van dubbelgebruik scoort gelijkwaardig: • Dubbel met verbetering van de Waterberging = 1 punt • Dubbel met verbetering van de Biodiversiteit = 1 punt • Dubbel met behoud van de Landbouw = 1 punt • Dubbelgebruik door nieuwe recreatie/educatie = 1 punt
V | Bijdrage aan andere opgaven in de fysieke omgeving Door de realisatie van een zonneveld kan ontsierende bebouwing en verharding gesaneerd worden. Daarmee vergroten we op termijn de kwaliteit van het landschap. • Het slopen van ontsierende bebouwing denk aan van VAB’s en het terugdringen van aanwezige verharding = 2 punten
9.4 Procesregels Na vaststelling van de Handreiking zonne-energie kunnen initiatieven plannen aandragen bij de gemeente. Dit doen zij volgens de volgende procesregels: • De initiatiefnemer dient een principeverzoek in bij de gemeente. In het principeverzoek zet de initiatiefnemer het voorgenomen in grote lijnen uiteen. Daarbij gaat de initiatiefnemer in op de harde eisen en optionele regels uit de voorgaande paragrafen. In het principeverzoek zet de initiatiefnemer daarbij bijvoorbeeld uiteen hoe de initiatiefnemer de omgevingsdialoog vorm gaat geven (op basis van de beleidsnota omgevingsdialogen). • Het principeverzoek wordt inhoudelijk integraal bekeken door de gemeente. Uiteindelijk neemt het college van Burgemeester & Wethouders een besluit op het principeverzoek. • Bij een positief besluit op het principeverzoek kan de initiatiefnemer verder gaan met het uitwerken van het plan. Dit gebeurt op basis van provinciale regelgeving door middel van een projectafwijkingsbesluit (omgevingsvergunning buitenplanse afwijking). In de uitwerking van het plan neemt de initiatiefnemer o.a. op hoe gegarandeerd wordt hoe het zonneveld na 25 jaar kan worden
67
opgeruimd of omgevormd naar de beoogde herbestemming. • Het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking gebeurt nadat de omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden. Na de omgevingsdialoog start de formele procedure die bij een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking hoort. Het college is bevoegd gezag en legt een ontwerp-omgevingsvergunning zes weken ter visie. Naar verwachting treedt in juli 2022 de Omgevingswet in werking. Deze procesregels zijn onderhevig aan deze aankomende stelselwijziging. Initiatiefnemers kunnen bij de gemeente navraag doen over de op dat moment geldende procesregels.
9.5 Hardheidsclausule 68
UItzonderingen kunnen gemaakt worden als er een breedgedragen opvatting is dat een initiatief voor zonne-energie belangrijk is voor de gemeente. Het college kan dan het betreffende initiatief in behandeling nemen en beargumenteerd voorleggen aan de commissie Ruimte en de gemeenteraad.
69
LOS stadomland B.V.
Nieuwe Linie 1-3, 5264 PJ Vught Telefoon: 073 - 7113770 info@losstadomland.nl www.losstadomland.nl
Handreiking zonne-energie | Gilze en Rijen