CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4. Bijlagen bij regels Aardstraat 2 en 2a

Gemeenteraad 6 juli 2023, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen BP Aardstraat 2 -2a9.173 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Lijst van afkortingen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' < > = cat. e.d. kl. n.e.g.

niet van toepassing of niet relevant kleiner dan groter gelijk aan categorie en dergelijke klasse niet elders genoemd

o.c. p.c. p.o. b.o. v.c. u d w j

opslagcapaciteit productiecapaciteit productieoppervlak bedrijfsoppervlak verwerkingscapaciteit uur dag week jaar

CATEGORIE

OMSCHRIJVING nummer

SBI-CODE

01

-

LANDBOUW EN DIENSTVERLENING TEN BEHOEVE VAN DE LANDBOUW

014

0

Dienstverlening ten behoeve van de landbouw:

014

1

- algemeen (onder andere loonbedrijven), b.o > 500 m²

B2

014

2

- algemeen (onder andere loonbedrijven), b.o ” 500 m²

B1

014

3

- plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven, b.o. > 500 m²

B2

014

4

- plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven, b.o. ” 500 m²

B1

15

-

VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN

151

0

Slachterijen en overige vleesverwerking:

151

4

- vleeswaren- en vleesconservenfabrieken, p.o. < 200 m²

B2

1552

1

Consumptie-ijsfabrieken, p.o. < 200 m²

B1

1581

0

Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen, v.c. < 2.500 kg meel/week

B1

1584

0

Verwerking cacaobonen en vervaardiging chocolade- en suikerwerk:

1584

1

- cacao- en chocoladefabrieken, vervaardigen van chocoladewerken met p.o. < 200 m²

B1

1584

5

- suikerwerkfabrieken zonder suiker branden, p.o. < 200 m²

B1

1593 1595

t/m Vervaardiging van wijn, cider en dergelijke

17

-

B1

VERVAARDIGING VAN TEXTIEL

174, 175

Vervaardiging van textielwaren

B2

176, 177

Vervaardiging van gebreide en gehaakte stoffen en artikelen

B2

18

-

181

20 203, 205

VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT Vervaardiging kleding van leer

-

HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK EN DERGELIJKE

1

Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout, p.o. < 200 m²

204,

205 22

Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken -

2222.6

B2

B2 B1

UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUCTIE VAN OPGENOMEN MEDIA Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen

B1

2223

A

Grafische afwerking

A

2223

B

Binderijen

B1

2224

Grafische reproductie en zetten

B1

2225

Overige grafische activiteiten

B1

223

Reproductiebedrijven opgenomen media

A

24

-

VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUCTEN

2442

0

Farmaceutische productenfabrieken:

2442

2

- verbandmiddelenfabrieken

26

-

VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUCTEN

B1

2612

Glas-in-lood-zetterij

B1

2615

Glasbewerkingsbedrijven

B2

262, 263

0

Aardewerkfabrieken:

262, 263

1

- vermogen elektrische ovens totaal < 40 kW

267

0

Natuursteenbewerkingsbedrijven:

267

2

- indien p.o. < 2.000 m²

B1 B2

CATEGORIE

OMSCHRIJVING nummer

SBI-CODE

2681

Slijp- en polijstmiddelen fabrieken

B2

-

VERVAARDIGING VAN PRODUCTEN VAN METAAL (EXCLUSIEF MACHINES/ TRANSPORTMIDDELEN)

281

1a

- gesloten gebouw, p.o. < 200 m²

B2

284

B1

Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen en dergelijke, p.o. < 200 m²

B2

2852

2

Overige metaalbewerkende industrie, inpandig, p.o. < 200 m²

B2

287

B

Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.; inpandig, p.o. < 200 m²

B2

30

-

VERVAARDIGING VAN KANTOORMACHINES EN COMPUTERS

30

A

Kantoormachines- en computerfabrieken

28

33

-

VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN

33

A

Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten en dergelijke

B1

B

36

-

VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G.

361

2

Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m²

A

Fabricage van munten, sieraden en dergelijke

B1

363

Muziekinstrumentenfabrieken

B1

3661.1

Sociale werkvoorziening

B1

362

40

-

40

C0

PRODUCTIE EN DISTRIBUTIE VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen:

40

C1

- < 10 MVA

40

D0 Gasdistributiebedrijven:

40

D3 - gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinstallaties categorie A

A

40

D4 - gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), categorie B en C

B1

40

E0

Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt:

40

E2

- blokverwarming

41

-

WINNING EN DISTRIBUTIE VAN WATER

41

B0

Waterdistributiebedrijven met pompvermogen:

41

B1

- < 1 MW

B1

B1

B1

45

-

BOUWNIJVERHEID

45

3

Aannemersbedrijf of bouwbedrijf met werkplaats, b.o. < 1.000 m²

B1

Bouwinstallatie algemeen (exclusief spuiterij)

B1

2

Elektrotechnische installatie

B1

-

HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS

453 453 50 501, 504

502,

5020.4

Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven (exclusief plaatwerkerij of spuiterij) Autobeklederijen

A

5020.5

Autowasserijen

B1

503, 504

Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires

B1

51

B

B1

-

GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING

5134

Groothandel in dranken

C

5135

Groothandel in tabaksproducten

C

5136

Groothandel in suiker, chocolade en suikerwerk

C

5137

Groothandel in koffie, thee, cacao en specerijen

C

CATEGORIE

OMSCHRIJVING nummer

SBI-CODE

514

Groothandel in overige consumentenartikelen

5148.7

0

Groothandel in vuurwerk en munitie:

5148.7

1

- consumentenvuurwerk, verpakt, opslag < 10 ton

5153

0

Groothandel in hout en bouwmaterialen:

C B1

5153

1

- algemeen

C

5153

2

- indien b.o. < 2.000 m²

B1

5153.4

4

Zand en grind:

5153.4

6

- indien b.o. < 200 m²

5154

0

Groothandel in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur:

B1

5154

1

- algemeen

C

5154

2

- indien b.o. < 2.000 m²

B1

5156

Groothandel in overige intermediaire goederen

C

5162

2

Groothandel in machines en apparaten, opp >= b.o. 2.000 m², exclusief machines voor de bouwnijverheid

C

5162

Groothandel in machines en apparaten, opp < 2000 m², exclusief machines voor de bouwnijverheid

B1

517

Overige groothandel (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden en dergelijke)

C

52

-

527 60

-

6022 6024

REPARATIE TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN Reparatie ten behoeve van particulieren (exclusief auto's en motorfietsen) VERVOER OVER LAND Taxibedrijven

0

603

C

Pomp- en compressorstations van pijpleidingen

B1

-

DIENSTVERLENING TEN BEHOEVE VAN HET VERVOER

6321

3

Caravanstalling

64

-

POST EN TELECOMMUNICATIE

71

Post- en koeriersdiensten -

B1

Goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks), b.o. < 1.000 m²

63

641

A

B1

C

VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN

711

Personenautoverhuurbedrijven

B2

712

Verhuurbedrijven voor transportmiddelen (exclusief personenauto's)

C

713

Verhuurbedrijven voor machines en werktuigen

C

72

-

72

A

Computerservice- en informatietechnologiebureaus en dergelijke

A

72

B

Switchhouses

B1

73

-

SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK

732 74

COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE

Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek -

A

OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING

7481.3

Foto- en filmontwikkelcentrales

C

7484.4

Veilingen voor huisraad, kunst en dergelijke

A

90 9001

MILIEUDIENSTVERLENING B

Rioolgemalen

B1

CATEGORIE

OMSCHRIJVING nummer

SBI-CODE

93

-

OVERIGE DIENSTVERLENING

9301.3

A

Wasverzendinrichtingen

SBI 93/SvB f okt. 2007

B1

Beoordelingstabel duurzame locaties

Leefgebied kwetsbare soorten: subcategorie weidevogels

Leefgebied Struweelvogels

GHS- Land-bouw

Streekplan-subzone

De handhaving van een besloten of halfopen landschapsstructuur met een kleinschalige percelering, houtwallen, ruige perceelsranden en slootkanten, overhoekjes, solitaire bomen, dijken en onverharde wegen en paden dient gewaarborgd te zijn (Streekplan)

De handhaving van rust, openheid, hoge waterpeilen en stabiliteit in de inrichting en het beheer van het gebied dienen gewaarborgd te zijn (Streekplan).

Randvoorwaarde

De aanleg en het beheer van groenstructuren wordt gestimuleerd (via de stimuleringsregeling SNBL en eventuele aanvullende regelingen). Uitgangspunt bij de versterking van groenstructuren is dat nieuw groen, vrij groen is (er komen dus geen verdere beleidsbeperkingen uit voort).

Duurzame locaties zijn mogelijk, mits op een goede manier rekening wordt gehouden met de genoemde randvoorwaarden. Indien dit het geval is, is de invloed van uitbreiding van bestaande intensieve veehouderijbedrijven op struweelvogels beperkt. Daarom worden de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande intensieve veehouderijbedrijven zoveel mogelijk gerespecteerd. Bij uitbreiding en omschakeling dient nadrukkelijk aandacht te zijn voor behoud van de genoemde randvoorwaarden en de hier volgende uitwerking: • Het totaal aan groenstructuren en waardevolle landschapselementen binnen het desbetreffende leefgebied dient gelijk te blijven. Bij aantasting van bestaande groenstructuren of andere waardevolle elementen dient deze aantasting gecompenseerd te worden. Bij compensatie dient het om behoud en versterking van de aanwezige groenstructuren en andere waardevolle elementen te gaan. • Bij uitbreiding dient een ruime verplichte, functioneel groene inpassing van het bouwblok plaats te vinden.

Duurzame locaties zijn mogelijk, mits op een goede manier rekening wordt gehouden met de genoemde randvoorwaarden. Indien dit het geval is, is de invloed van uitbreiding van bestaande intensieve veehouderijbedrijven op weidevogels beperkt. Daarom worden de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande intensieve veehouderijbedrijven zoveel mogelijk gerespecteerd. Bij uitbreiding en omschakeling dient nadrukkelijk aandacht te zijn voor behoud van de genoemde randvoorwaarden en de hier volgende uitwerking: • De ligging van het bouwblok. De effecten van uitbreiding of omschakeling zijn bij ligging midden in het leefgebied weidevogels veelal groter dan bij de ligging aan de rand van het leefgebied. • De richting van uitbreiding. Uitbreiding dient zo veel mogelijk niet plaats te vinden in de richting van de kern van het leefgebied weidevogels.

Uitwerking

Randvoorwaarden vanuit de streekplanzonering (GHS en AHS)

GHS-Land-bouw

6.1

In de onderstaande tabel staan alle randvoorwaarden waarmee bij de beoordeling van duurzame locaties minimaal rekening dient te worden gehouden.

6

Reconstructieplan/Milieueffectrapport | De Baronie Deel B | Bijlage 5 Vestigingsbeleid integrale zonering

281

AHS-Landschap

282

De handhaving van bestaansvoorwaarden van de das dient gewaarborgd te zijn. Dit betekent dat burchten met rust worden gelaten, de dassen kunnen fourageren en er voldoende landschappelijke structuren als houtwallen, begroeide slootkanten, vochtige graslanden en dergelijke aanwezig zijn (Streekplan).

De geschiktheid voor mogelijke natuurontwikkeling (kwel-natuur) in de verre toekomst moet behouden blijven (Streekplan)

Ontwikkeling van natuur en landschap in de RNLE als geheel dient te worden ondersteund (Streekplan)

Waterpotentie-gebied

RNLE-landschapsdeel

Randvoorwaarde

Leefgebied Dassen

Streekplan-subzone

De aanleg en het beheer van groenstructuren wordt gestimuleerd (via de stimuleringsregeling SNBL en eventuele aanvullende regelingen). Uitgangspunt bij de versterking van groenstructuren is dat nieuw groen, vrij groen is (er komen dus geen verdere beleidsbeperkingen uit voort).

Duurzame locaties zijn mogelijk, mits op een goede manier rekening wordt gehouden met de genoemde randvoorwaarde. De ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven worden zoveel mogelijk gerespecteerd. Bij uitbreiding en omschakeling dient nadrukkelijk aandacht te zijn voor behoud van de genoemde randvoorwaarde en de hier volgende uitwerking: • Het totaal aan groenstructuren en waardevolle lansschapselementen binnen de desbetreffende RNLE dient gelijk te blijven. Bij aantasting van bestaande groenstructuren en waardevolle landschapselementen dient deze aantasting gecompenseerd te worden. Bij compensatie dient het om behoud en versterking van de aanwezige groenstructuren en waardevolle landschapselementen te gaan. • Bij uitbreiding dient een ruime verplichte functioneel groene inpassing van het bouwblok plaats te vinden.

Duurzame locaties zijn mogelijk, mits op een goede manier rekening wordt gehouden met de kwelpotentie. In de praktijk zal de invloed van de uitbreiding van intensieve veehouderijbedrijven op de kwelpotentie gering zijn. Indien sprake is van een structurele ingreep in de waterhuishouding, welke tot gevolg heeft dat de kwelpotentie onomkeerbaar verminderd, is een duurzame locatie niet toegestaan.

De aanleg en het beheer van groenstructuren wordt gestimuleerd (via de stimuleringsregeling SNBL en eventuele aanvullende regelingen). Uitgangspunt bij de versterking van groenstructuren is dat nieuw groen, vrij groen is (er komen dus geen verdere beleidsbeperkingen uit voort).

Duurzame locaties zijn mogelijk, mits op een goede manier rekening wordt gehouden met de genoemde randvoorwaarden. Indien dit het geval is, is de invloed van uitbreiding van bestaande intensieve veehouderijbedrijven op dassen beperkt. Daarom worden de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande intensieve veehouderijbedrijven zoveel mogelijk gerespecteerd. Bij uitbreiding en omschakeling dient nadrukkelijk aandacht te zijn voor behoud van de genoemde randvoorwaarden en de hier volgende uitwerking: • De locatie mag geen burcht en geen specifieke fourageergebieden (bijvoorbeeld een boomgaard of een vochtig grasland) nadelig beïnvloeden. • Het totaal aan groenstructuren en waardevolle landschapselementen binnen het desbetreffende leefgebied dient gelijk te blijven, Bij aantasting van bestaande groenstructuren en landschapselementen dient deze aantasting gecompenseerd te worden. Bij compensatie dient het om behoud en versterking van de aanwezige groen- en landschapsstructuren te gaan. • Bij uitbreiding dient een ruime, verplichte, functionele groene inpassing van het bouwblok plaats te vinden.

Uitwerking

Reconstructieplan/Milieueffectrapport | De Baronie Deel B | Bijlage 5 Vestigingsbeleid integrale zonering

AHS-Land-bouw

Ontwikkeling intensieve Duurzame locaties zijn mogelijk, mits de uitbreiding van of omschakeling naar intensieve veehouderij de huidige en toekomveehouderij dient ontwikstige ontwikkelingsmogelijkheden van de glasboomteelt niet belemmert. Dat betekent dat rekening dient te worden gehouden keling van dit gebied voor met de hier liggende glasboomteeltbedrijven en hun ontwikkelingsmogelijkheden. de glasboomteelt niet te frustreren

Geen specifieke randvoorwaarden voor duurzame locaties

Glasboomteelt-gebied

AHS-overig

Duurzame locaties zijn mogelijk, mits de uitbreiding van of omschakeling naar intensieve veehouderij de huidige en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de in het gebied aanwezige glastuinbouw niet belemmert. Dat betekent dat rekening dient te worden gehouden met de hier liggende glastuinbouwbedrijven en hun ontwikkelingsmogelijkheden.

Ontwikkeling intensieve veehouderij dient ontwikkeling van deze gebieden voor de glastuinbouw niet te frustreren

Mogelijk doorgroeigebied glastuinbouw

Duurzame locaties zijn mogelijk, mits de uitbreiding van of omschakeling naar intensieve veehouderij de huidige en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de glastuinbouw niet belemmert. Dat betekent dat niet alleen rekening dient te worden gehouden met bestaande glastuinbouwbedrijven en hun uitbreidingsmogelijkheden, maar ook met toekomstige nieuwvestigingen. Pas als voldoende duidelijk de benodigde ruimte en locaties voor de glastuinbouw binnen het vestigingsgebied in beeld zijn, kan worden bezien in hoeverre en waar er nog mogelijkheden voor duurzame locaties zijn.

Ontwikkeling intensieve veehouderij dient ontwikkeling van deze gebieden voor de glastuinbouw niet te frustreren (Streekplan)

Vestigingsgebied glastuinbouw

Uitwerking

Geen specifieke randvoorwaarden voor duurzame locaties

Randvoorwaarde

Zoekgebied veeverdichtings-gebieden

Streekplan-subzone

Reconstructieplan/Milieueffectrapport | De Baronie Deel B | Bijlage 5 Vestigingsbeleid integrale zonering

283

284

Overige randvoorwaarden

Het streekplan definieert een kernrandzone als volgt: Een gedeelte van het buitengebied dat grenst aan de bebouwde kom, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar. In de praktijk wordt in de provinciale plantoetsing vooralsnog een zone van 250 meter rondom de kern als kernrandzone beschouwd. Afgesproken is dat in de reconstructie- en gebiedsplannen uiteindelijk wordt aangegeven waar rond de bebouwde kommen vanuit stankoogpunt extensiveringsgebieden zijn gelegen, alwaar geen duurzame locaties mogelijk zijn.

Duurzame locaties zijn mogelijk, mits er voldoende afstand tot stankgevoelige objecten wordt aangehouden. De vigerende wet- en regelgeving ten aanzien van stank is hierbij het kader voor de minimaal noodzakelijke afstanden. Momenteel is de regelgeving op basis van de brochure "Veehouderij en Hinderwet 1985" en de Richtlijn "Veehouderij en stankhinder 1996" met inbegrip van de daarover gevormde jurisprudentie bepalend. Zodra voor de gebieden die vallen onder het regime van de Reconstructiewet het Reconstructieplan is vastgesteld, zal voor de daarin aangewezen verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden de "Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden" van kracht worden. Verschil met de huidige regelgeving is, dat cumulatie (totale effect van meerdere bedrijven op het stankgevoelige object) van geurhinder niet wordt meegenomen in de vergunningverlening voor die bedrijven die zijn gelegen in landbouwontwikkelings- of verwevingsgebied. De wet- en regelgeving geeft aan welk aantal dieren maximaal gehouden mag worden afhankelijk van de afstand tot verschillende categorieën stankgevoelige objecten.

Zonder rekening te houden met cumulatie moet op basis van de wet- en regelgeving (zowel huidig als toekomstig) worden gedacht aan de volgende te hanteren afstanden tot de verschillende categorieën (indeling in categorieën conform de nieuwe stankwetgeving): • Afstand tot cat. 1 > 400 respectievelijk 600 meter • Afstand tot cat. 2 > 300 respectievelijk 450 meter • Afstand tot cat. 3 > 200 respectievelijk 300 meter • Afstand tot cat. 4 > 150 respectievelijk 200 meter • Afstand tot cat. 5 > 50 meter Bovengenoemde afstanden zijn indicaties (afgerond op 50 meter) op basis van een bedrijf van 2500 respectievelijk 5000 mestvarken-eenheden (mve). e te hanteren afstand is afhankelijk van de omvang van het bedrijf en het type stalsysteem. De afstanden zijn dan ook puur indicatief. De voor verzuring gevoelige gebieden worden bepaald door de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Hierbinnen maken GS onderscheid in kwetsbare (B-) en zeer kwetsbare (A-)gebieden. Zeer kwetsbare gebieden zijn de voor verzuring gevoelige bos- en natuurgebieden, waarvoor GS een natuurdoeltype hebben vastgesteld met een kritische depositiewaarde kleiner dan 1400 mol stikstof per hectare per jaar. In een zone van 250 meter, nader aan te wijzen als extensiveringsgebied, rondom deze zeer kwetsbare gebieden zijn duurzame locaties niet mogelijk.

In kernrandzones zijn duurzame locaties niet mogelijk (streekplan)

De ontwikkeling moet passen binnen de wet- en regelgeving voor stank (stankwet en -regelgeving)

Stankgevoelige objecten

Uitwerking

Randvoorwaarde

Thema

Naast de specifieke randvoorwaarden per subzone uit het streekplan kunnen er randvoorwaarden van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard aanwezig zijn. Hieronder staan de thema’s genoemd waarmee en op welke wijze rekening dient te worden gehouden bij de beoordeling of een locatie al dan niet duurzaam is.

6.2

Reconstructieplan/Milieueffectrapport | De Baronie Deel B | Bijlage 5 Vestigingsbeleid integrale zonering

Natuurbeschermingswet- en Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden Er dient te worden getoetst of door omschakeling of uitbreiding van een intensieve veehouderij geen significante gevolgen optreden voor de te beschermen Natuurbeschermingswet- en Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden. Depositie van ammoniak op Natuurbeschermingswetgebieden en Habitatrichtlijngebieden is hierbij het belangrijkste item. Dat betekent dat een aanvullende toetsing, naast de toetsing in het kader van de Wav, noodzakelijk kan zijn. Indien omschakeling of uitbreiding significante gevolgen voor het gebied heeft, en deze gevolgen niet middels passende maatregelen zijn weg te nemen, moet de milieuvergunning worden geweigerd en zijn duurzame locaties dus niet mogelijk. Indien het bedrijf MER-plichtig is, dient in het MER een eventuele toets ten aanzien van de Natuurbeschermingswet- en Habitatrichtlijn te worden opgenomen. Voor Natuurbeschermingswetgebieden zal het ministerie van LNV in gevallen waar dat speelt een Natuurbeschermingswetvergunning moeten afgeven. De provincie brengt hierover advies uit. Voor de beoordeling of sprake is van schadelijke handelingen (in de zin van de Natuurbeschermingswet) wordt door de provincie momenteel gebruikt gemaakt van de systematiek uit de inmiddels vervallen Uitvoeringsregeling Ammoniak en Veehouderij.

De ontwikkeling moet passen binnen de wet- en regelgeving voor ammoniak (Wet ammoniak en veehouderij, MER, IPPC, Natuur-beschermingswetgebieden, Habitatrichtlijngebieden, Vogelrichtlijngebieden)

MER / IPPC Bij grote uitbreidingen of oprichtingen (in geval van omschakeling) dient rekening te worden gehouden met een omgevingstoets vanuit de MER of IPPC. Gemeenten moeten zeker stellen dat de vergunningaanvraag aan de IPPC- en MER-richtlijn voldoet. Als uit de omgevingstoets blijkt dat omschakeling of uitbreiding tot ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu leidt en deze gevolgen niet middels passende maatregelen zijn weg te nemen, moet de milieuvergunning worden geweigerd en zijn duurzame locaties dus niet mogelijk. Deze omgevingstoets heeft onder meer betrekking op de aspecten verzuring (ammoniak) en stankhinder. In bijlage1 is aangegeven vanaf welke omvang van bedrijven een dergelijke omgevingstoets vanuit de MER of IPPC van toepassing is.

In bijzondere gevallen kan een aanvullende toetsing ook noodzakelijk zijn voor Vogelrichtlijngebieden. Over het algemeen leidt depositie van ammoniak in deze gebieden niet tot significante gevolgen voor het gebied en de daarin aanwezige vogelsoorten. Er dient evenwel in concrete gevallen wel te worden beoordeeld of mogelijke andere gevolgen kunnen optreden. In de nieuwe Natuurbeschermingswet, welke mogelijk in 2003 door de Tweede Kamer zal worden behandeld, zal door het Rijk worden aangegeven op welke wijze deze beoordeling (procedureel) zal moeten plaatsvinden.

Voor Habitatrichtlijngebieden gaat het om een rechtstreekse toepassing van deze richtlijn. Dat betekent dat het bevoegd gezag (de gemeente) in het kader van de milieuvergunning een passende beoordeling zal moeten maken, Daarbij dient rekening te worden gehouden met de cumulatieve gevolgen van het voorgenomen initiatief. De EU heeft in een handleiding uiteen gezet wat wordt verstaan onder een passende beoordeling en significante gevolgen. Deze handleiding heeft echter geen juridische status.

Wet Ammoniak en Veehouderij (Wav) Binnen 250 meter van de kwetsbare bos- en natuurgebieden hebben intensieve veehouderijbedrijven ontwikkelingsmogelijkheden binnen hun bedrijfsemissieplafond, welke voortkomt uit de Wav. Inmiddels is door het kabinet (Balkenende II) een wijziging van de Wav aangekondigd en zal het Rijk een voorstel doen voor de invulling van de vereisten die voortvloeien uit de Vogel-, Habitat- en IPPC-richtlijn. Na vaststelling van een nieuwe Wav en de duidelijkheid over de Europese richtlijnen zullen de reconstructie- en gebiedsplannen aangepast worden aan deze nieuwe wet en zal ook de beoordeling van duurzame locaties voor de intensieve veehouderij vanuit het beoordelingsaspect "verzuring" nog kunnen veranderen.

In een zone van 250 meter rondom de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden zijn duurzame locaties niet mogelijk. (Streekplan).

voor verzuring gevoelige gebieden (ammoniak)

Uitwerking

Randvoorwaarde

Thema

Reconstructieplan/Milieueffectrapport | De Baronie Deel B | Bijlage 5 Vestigingsbeleid integrale zonering

285

Randvoorwaarde

De breedte en inrichting van de ecologische vebindingszone dient gehandhaafd te worden.

In de historisch landschappelijke vlakken met hoge en zeer hoge waarden, zoals weergegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart zijn alleen ruimtelijke ingrepen toelaatbaar die gericht zijn op de voortzetting of het herstel van de historische functie en die leiden tot behoud of versterking van de cultuurhistorische (landschaps)waarden (Streekplan).

Instandhouding van openheid in de zee- en rivierkleigebieden (Streekplan).

In gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, zoals deze is weergegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) dienen door middel van vooronderzoek de archeologische waarden in beeld te worden gebracht (streekplan)

Aardkundig waardevolle gebieden zoals beekdalen, kreekgebieden, stuifzand- en landduinen dienen behouden te blijven (Streekplan, Aardkundige Waardenkaart Noord-Brabant; zie ook het thema "ruimte voor beek-en kreekherstel" in het Integraal Hydrologisch Streefbeeld)

Thema

Ecologische verbindings-zone’s

286

Cultuur-historisch waardevolle gebieden

Openheid

Archeologische waarden

Aardkundig waardevolle gebieden

Onder een hoogwaardige inpassing verstaan we een inpassing waarbij geen schade wordt veroorzaakt aan de fysieke en visuele aspecten van deze gebieden en hun samenhang met het omliggende landschap, maar deze juist worden geaccentueerd. Ook in de gebieden aangrenzend aan de aardkundig waardevolle gebieden dient rekening te worden gehouden met de effecten van duurzame locaties op de zichtbaarheid van en de landschappelijke samenhang met de aanwezige aardkundige waarden.

In aardkundig waardevolle gebieden gelegen in de AHS-landbouw zijn duurzame locaties mogelijk, mits wordt gezorgd voor een goede hoogwaardige inpassing en de zichtbaarheid van het aanwezige reliëf niet vermindert. Dit is met name het geval in het grote en gevarieerde gebied van de Maasterrassen in Noordoost-Brabant.

In aardkundig waardevolle gebieden gelegen in de GHS of in de AHS-landschap zijn duurzame locaties in principe niet mogelijk, tenzij wordt aangetoond dat dit geen fysieke aantasting (van reliëf en bodemopbouw) en visuele aantasting (zichtbaarheid en herkenbaarheid van deze gebieden in het landschap) met zich meebrengt, alsmede geen verstoring van landschappelijke samenhangen (bijv. overgangen van hoog naar laag of overgangen tussen en binnen landschapstypen) veroorzaakt. Hierbij zal altijd een goede hoogwaardige inpassing vereist zijn.

Duurzame locaties zijn mogelijk, mits door middel van archeologisch vooronderzoek in beeld wordt gebracht of daadwerkelijk archeologische waarden aanwezig en er voldoende garanties zijn dat eventuele archeologische waarden ter plekke behouden zullen blijven (behoud in situ). Dit betekent dat uitbreiding van bestaande vestigingen alleen kan geschieden wanneer rekening wordt gehouden met de archeologische waarden. Bij uitbreiding van het bouwblok geldt voor archeologische waarden dat deze geconsolideerd dienen te worden. Het archeologisch waardevol terrein wordt ingericht, ingepast of ingesloten als groenstructuur binnen het plangebied of archeologie-vriendelijk overbouwd.

Duurzame locaties zijn mogelijk, mits rekening wordt gehouden met de volgende randvoorwaarden: • uitbreiding van het bouwblok leidt niet tot verstoring van belangrijke zichtrelaties; • de openheid op provinciale schaal blijft herkenbaar; • er wordt zo veel mogelijk aangesloten bij bestaande bebouwing(sconcentraties).

Duurzame locaties zijn in principe niet mogelijk, tenzij wordt aangetoond dat uitbreidingen van bestaande bedrijven de cultuurhistorische waarden (hieronder worden ook historische groenstructuren en de historische bouwkunst verstaan) niet aantasten. Een beeldkwaliteitsplan moet in deze situaties duidelijk maken hoe de cultuurhistorische waarden worden behouden en waar mogelijk versterkt. De mogelijkheid om aan de genoemde randvoorwaarde te voldoen verschilt per type gebied. Zo zal bijvoorbeeld in jonge heide-ontginningen eerder aan deze randvoorwaarde kunnen worden voldaan dan in bijvoorbeeld oude cultuurlandschappen.

Duurzame locaties zijn mogelijk, mits de uitbreiding van het bouwblok de breedte en inrichting van een bestaande of toekomstig te realiseren ecologische verbindingszone niet aantast; het functioneren van de ecologische verbinding dient voorop te staan. De uitbreiding van het bouwblok dient in principe gepaard te gaan met de inrichting van een aangrenzende ecologische verbindingszone.

Uitwerking

Reconstructieplan/Milieueffectrapport | De Baronie Deel B | Bijlage 5 Vestigingsbeleid integrale zonering

Geschiktheid van zoekgebied voor regionale waterberging dient niet verloren te gaan (Streekplan, Integraal Hydrologisch streefbeeld)

Geschiktheid van zoekgebied voor rivierverruiming dient niet verloren te gaan (Streekplan, Integraal Hydrologisch Streefbeeld)

Potentieel natte gebieden zijn van nature niet of minder geschikt voor bebouwing (Streekplan)

Varkensvrije zones dienen varkensvrij te wor- Duurzame locaties voor de varkenshouderij zijn niet mogelijk. Duurzame locaties voor intensieve veehouderijtakken, anders dan varkens, zijn den gemaakt (Reconstructiewet) wel mogelijk.

Er dient rekening te worden gehouden met andere (agrarische) functies

Regionale waterberging

Ruimte voor de rivier

Potentieel natte gebieden

Varkensvrije zones

Beperken van directe hinder

Vanuit de praktijk zijn gevallen bekend waarbij sprake is van directe hinder vanuit intensieve veehouderijbedrijven op andere (agrarische) functies. Te denken valt hierbij aan stofhinder vanuit met name pluimveebedrijven voor de glastuinbouw (tuinbouwglas vervuilt extra) of directe ammoniakschade op boomkwekerijen. Het is wenselijk om bij de beoordeling van duurzame locaties met dit hinderaspect rekening te houden en te bezien of in dergelijke gevallen passende maatregelen kunnen worden genomen.

Duurzame locaties zijn in principe mogelijk. Alleen ten aanzien van nieuwe grootschalige kapitaalintensieve functies gelden restricties. Binnen het Integraal Hydrologisch Streefbeeld (IHS) geldt dit regime met name voor de legenda-eenheden "landbouwgebied beperkt door op de EHS afgestemde waterhuishouding", "extra maatregelen nodig voor het herstellen van de gewenste kwel", "aanpassen waterhuishouding hydrologische isolatie" en "herstel brongebied", binnen welke gebieden maatregelen gericht op het behoud en de versterking van de hydrologische "bufferwerking", zoals het dichten en verondiepen van waterlopen, waterconservering en het verhogen van het (grond)waterpeil, gewenst zijn. Bij de inrichting van een duurzame locatie dient rekening te worden gehouden met deze specifieke waterdoelen en daarvoor benodigde maatregelen.

Duurzame locaties zijn in principe mogelijk, De zoekgebieden rivierverruiming houden geen beperking in voor de in het buitengebied aanwezige bebouwing. Bestaande rechten worden gerespecteerd. Aan uitbreiding van bestaande intensieve veehouderijen zal over het algemeen medewerking kunnen worden verleend. Omschakeling naar een intensieve veehouderij is niet wenselijk vanuit de gedachte om in deze zoekgebieden (grootschalige) kapitaalintensieve ontwikkelingen tegen te gaan; nieuwe intensieve veehouderijen zijn dan ook in beginsel niet toegestaan. De overstromingsfrequentie van de uiteindelijk aan te wijzen gebieden is naar verwachting relatief gering, maar de impact hiervan kan behoorlijk groot zijn. Bij definitieve aanwijzing/begrenzing van deze gebieden zal hierover meer duidelijkheid bestaan. Dan zullen ook ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden nader worden vastgelegd. Wanneer een gebied feitelijk geschikt gemaakt wordt voor inzet ten behoeve van rivierverruiming zullen passende maatregelen voor de hierbinnen gelegen bedrijven genomen moeten worden.

Duurzame locaties zijn mogelijk , mits de capaciteit van waterberging of -afvoer of een efficiënte en duurzame inrichting van een waterbergingsgebied hierdoor niet of nauwelijks wordt beperkt De zoekgebieden regionale waterberging houden geen beperking in voor de in het buitengebied gebruikelijke bebouwing. De definitieve aanwijzing van de regionale waterbergingsgebieden vindt plaats in één of meer uitwerkingsplannen "regionale waterberging". De aangewezen waterbergingsgebieden worden voorzien van een op de waterberging afgestemd planologisch regime. Totdat deze uitwerkingsplannen zijn vastgesteld zijn duurzame locaties mogelijk, mits de capaciteit van waterberging of –afvoer of een efficiënte en duurzame inrichting van een waterbergingsgebied hierdoor niet of nauwelijks wordt beperkt.

Duurzame locaties zijn mogelijk in de 25-jaars(beschermings)zone van kwetsbare en in het gebied tussen de 25- en 100-jaars-zonegrens van de zeer kwetsbare grondwaterwinningen, mits bij de uitbreiding van agrarische bedrijfsgebouwen en voorzieningen er aanvullende beschermende maatregelen (conform de provinciale milieuverordening) worden getroffen om te voorkomen dat de risico’s voor de kwaliteit van het grondwater toenemen. Een en ander moet blijken uit een watertoets, waarbij het waterwinbedrijf wordt betrokken. Duurzame locaties zijn alleen mogelijk in de 25-jaarszone rond zeer kwetsbare grondwaterwinningen voor zover er geen sprake is van "oprichten" van vormen van intensieve veehouderij als omschreven in de PMV. Omschakeling van bijvoorbeeld een akkerbouwbedrijf naar een intensieve veehouderij wordt als oprichten in de zin van de PMV beschouwd! Het verdient verder aanbeveling om naast de grondwaterwinningen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, zoals in het streekplan aangegeven, ook aan industriële winningen aandacht te besteden.

De risico’s voor de kwaliteit van het grondwater mogen niet toenemen (Streekplan, Provinciale Milieu-Verordening)

Grondwaterbeschermingsgebieden

Uitwerking

Randvoorwaarde

Thema

Reconstructieplan/Milieueffectrapport | De Baronie Deel B | Bijlage 5 Vestigingsbeleid integrale zonering

287

288

Bij de beoordeling van duurzame locaties dient rekening te worden gehouden met de toekomstige geplande en vastgestelde ontwikkeling van andere functies. Denk hierbij aan andere vormen van (intensieve) landbouw, recreatie, stadsuitbreiding en infrastructuur. Ontwikkeling van dergelijke functies kan betekenen dat geen sprake meer kan zijn van een duurzame locatie.

(Toekomstige) ruim- Rekening houden met de telijke ontwikkelin- ontwikkeling van andere gen functies.

Uitwerking

Binnen de reconstructie vindt op gebiedsniveau een integrale afweging plaats tussen de diverse belangen in het buitengebied. Er dient dan ook altijd te worden getoetst of de locatie past binnen de (komende) reconstructiezonering; uitgangspunt is dat duurzame locaties gelegen zijn binnen de zones "verwevingsgebied" en "landbouwontwikkelingsgebied" (zie verder par. 4.3. van deze handleiding). Bij eventuele strijdigheden tussen de reconstructiezonering en het Streekplan prevaleert het uiteindelijk vastgestelde Reconstructieplan. Tot die tijd is het Streekplan leidend; eventuele afwijkingen van het streekplanbeleid vereisen dan ook een streekplanafwijkingsprocedure.

Randvoorwaarde

Reconstructie-zone- Duurzame locatie moet ring| passen binnen doelstellingen reconstructiezonering

Thema

Naast de hierboven genoemde thema’s dient tevens te worden bezien hoe het voorgenomen initiatief past binnen de (komende) reconstructiezonering en andere (toekomstige) ruimtelijke ontwikkelingen.

Reconstructieplan/Milieueffectrapport | De Baronie Deel B | Bijlage 5 Vestigingsbeleid integrale zonering

1 JULI 2022

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

AARDSTRAAT 2/2A MOLENSCHOT

2

Van Dooren Landschap Derpt 15 4576 VW Vorstenbosch M: Info@VanDoorenLandschap.nl

Reland Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen T: 085-0431949 M: info@Reland.nl www.Reland.nl

Auteur/Adviseur

Aardstraat 2/2A Molenschot

Projectlocatie:

Enkelzijdig liggend A4

Formaat:

Inrichtingsvoorstel

Status:

Datum: 1 juli 2022

Huidige situatie Uitgangspunten

Aanleiding Locatie

Bijlage II

Bijlage I

3.1 3.2 3.3

Kwaliteitsberekening landschap Forfaitere bedragen

Inrichtingsvoorstel

Inrichtingsvoorstel Beplantingsplan Kwaliteitsverbetering

3 Ontwerpplan

2.1 2.2

2 Situatie

1.1 1.2

1 Inleiding

Titel document:

Aardstraat 2/2A Molenschot

INHOUDSOPGAVE

COLOFON

6 6 7 9

4 4 5

3 3 3

3

Aanleiding

Op 21 juli 2020 heeft het college van B&W van de gemeente Gilze en Rijen besloten om een positieve grondhouding in te nemen om ter plaatse van de Aardstraat 2 en 2a te Molenschot een agrarisch-technisch hulpbedrijf te vestigen mits er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Om de wensen te kunnen realiseren dient een separate bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Middels deze procedure zal een nieuw bestemmingsplan opgesteld worden voor de locatie. Een onderdeel van deze procedure is een landschappelijke inpassing met berekening kwaliteitsverbetering landschap. In dit document wordt het plan gemotiveerd en onderbouwd.

De bedrijfswoning en een deel van de bedrijfsgebouwen blijven behouden en daarnaast wordt een gedeelte van een varkensstal afgebroken en herbouwd op twee locaties binnen het perceel, welke in gebruik wordt genomen ten behoeve van het agrarisch-technisch hulpbedrijf en als bijgebouw. Deze bebouwing heeft een oppervlakte van 1.567 m². Het tuinhuis (72 m²), de schuur achter de woning (63 m²), de opslagloods achter de zeugenstal (90 m²) en de opslagloods ten zuidwesten (24 m²) met een totale oppervlakte van 249 m² zal worden gesaneerd.

De initiatiefnemer is woonachtig en bedrijfsvoerende aan de Aardstraat 2 en 2a te Molenschot. Initiatiefnemer exploiteert ter plaatse sinds vele jaren een varkenshouderij. Op 14 juli 2020 is er een principeverzoek aan het college van B&W voorgelegd waarin de beoogde ontwikkeling is toegelicht. De initiatiefnemer wenst graag de varkensstallen met een totale oppervlakte van 4.104 m² te saneren in het kader van de Srv-regeling, het perceel te herontwikkelen en in gebruik te nemen als zelfstandig loon-, mechanisatie- en constructiebedrijf (agrarisch-technisch hulpbedrijf ).

1.1

1 Inleiding Locatie

Beeld 1. bossingel ten zuiden van de woning (bron: Google.com)

Het plangebied zoals weergegeven in figuur 1 op de volgende pagina, omvat de percelen aan de Aardstraat 2 en 2a te Molenschot, gemeente Gilze en Rijen. De percelen staan kadastraal bekend als gemeente Gilze en Rijen, sectie P, perceelnummers 373, 545, 546, 1124 ,1132 en 1133. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Gilze en Rijen.

1.2

Beeld 2. woning met voortuin (bron: Google.com)

Aanduiding plangebied in paars in zijn omgeving (bron Topotijdreis.nl)

4

Huidige situatie

Het plangebied ligt open in het landschap. Het huidige erf is groen en verzorgd. De beplanting grote beplantingsstructuren bestaan uit een inheemse bossingel in de voortuin, een tuin met diverse beplantingen, hagen aan de straatzijde (deels Portugees laurier en klimop in laag hekwerk) en een landschapsboom in de voortuin.

De directe omgeving kenmerkt zich door rationele grootschalige verkaveling met open karakter en groenstructuren van hagen en houtsingels. Vanaf de weg ervaart men het omringende landschap wat voornamelijk in gebruik is als akkerbouw. De verspreidstaande erven zijn deels beplant met kleinschalige landschapselementen.

Het plangebied ligt aan de Aardstraat 2 te Molenschot, ten westen van de kern Molenschot, gemeente Gilze en Rijen. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van gemengde functies, zoals bedrijven en enkele verspreid liggende woningen in het buitengebied.

2.1

2 Situatie

A

2

2A

5.

1.

2.

3.

Kapelstraat

Plangebied in paars op luchtfoto uit 2019 met kadastrale ondergrond. Aanduiding foto’s met nummers, zie overige pagina’s rapportage (bron PDOK)

4.

at tra ard s

5

Uitgangspunten

De overige gronden die niet gebruikt worden voor de bedrijfsvoering, worden ingezet als agrarische cultuurgrond.

Voor de nieuwe beplanting heeft men voorkeur voor groenblijvende elementen.

Initiatiefnemers willen zoveel mogelijk groen van de bestaande situatie behouden. Dit geldt met name voor de bossingel ten zuiden van de woning, de voortuin met landschapsboom (rode beuk) en de klimophaag in de afrastering ten noorden van het perceel.

Voor de her te bouwen loods ligt voldoende verharding om te keren met vrachtwagen en te manoeuvreren met grote landbouwmachines. Voorstel is een verhardingsbreedte van minimaal 30m.

De inritten tussen de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen blijven behouden. Nabij de woningen is voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. De inritten zijn zowel voor privé als zakelijk gebruik. De derde inrit ten noorden van het kavel (achteruitgang) blijft gehandhaafd voor groot verkeer.

De overtollige bebouwing en verharding zal worden gesaneerd en afgevoerd. De bestaande bedrijfswoning en een klein deel bedrijfsgebouw blijven. Achter het bedrijfsgebouw wordt een grote loods gebouwd voor een zelfstandig loon-, mechanisatie- en constructiebedrijf (agrarisch-technisch hulpbedrijf ). Achter de bedrijfswoning wordt een nieuw bijgebouw bebouwd voor privégebruik en opslag.

2.2

Beeld 5. bomenrij (eigen grond) met afrastering en klimop (bron: Google.com)

Beeld 3. Inrit en parkeren bij bedrijfsgebouw (bron: Google.com)

Beeld 4. Inrit ten noorden van het kavel (bron: Google.com)

6

Inrichtingsvoorstel

Ten zuiden van het plangebied ligt een greppel. Deze vormt geen onderdeel van lokale watersysteem en dient voor infiltratie van het regenwater.

Ten zuiden van de woning staat in de tuin een bossingel met grote bomen. Deze blijft behouden. Achter de achtertuin en bossingel komt een nieuwe hoogstamfruitboomgaard. Een groene afscherming van het bedrijfsterrein vanaf de Aardstraat.

Rondom de verharding en de gebouwen liggen groene ruimtes. De noordelijke groene ruimte wordt begeleid door een bestaande rij eikenbomen. Deze eiken staan op grond van de initiatiefnemer, maar geven een mooie geleiding van de weg en afscherming van de loods.

Het terrein wordt afgeschermd met een laag hekwerk van 1,2m. Het terrein wordt omheind door een laag hekwerk (1,2m) hoog. Dit hekwerk wordt begroeid met klimop voor een groene uitstraling. Daarnaast sluit dit aan op het bestaande groene hekwerk ten noorden van de nieuw te bouwen loods.

Aan de achterzijde ligt de derde uitgang. Deze is alleen nodig voor het grote zakelijke verkeer. Op het verhard terrein liggen 4 opslagvakken voor groenafval, ophoogzand, grond en dergelijk.

De nieuwe bedrijfsopzet is ingericht op goede ontsluiting en manoeuvreerruimte ten zuiden van de her te bouwen loods. Via de bestaande inritten is het verharde deel te bereiken voor vracht- en landbouwverkeer. De groeninrichting (tuin) aan de straatzijde blijft gehandhaafd, inclusief de solitaire landschapsboom (rode beuk).

3.1

3 Ontwerpplan

Landschappelijke inpassing (zie bijlage voor maatvaste ondergrond)

7

Beplantingsplan

•

•

Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan haag wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juni en 15 maart.

Beheer • De haag 1x per jaar scheren tot een maximale hoogte van 1,2m en breedte 0,4m. • Maaisel afvoeren.

Aanplant • Groen of antraciet hekwerk van 1,2m hoog begroeien met klimop (Hedera helix). 4 stuks per meter.

Haag laag 156m- 624st

Ten aanzien van de beplanting voor de landschappelijke inpassing worden de volgende soorten gebruikt:

3.2

Referentiebeeld boomgaard

Referentiebeeld Tamme kastanje

Referentiebeeld klimop

8

Beheer • Indien het appel, pruim of peer betreft wordt de boom tenminste éénmaal per 2 jaar gesnoeid. Andere soorten enkel vormsnoei indien nodig; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van de bomen of versnipperd hout verwerkt worden in de boomgaard; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden; • De hoogstamfruitboom mag niet beschadigd worden door vee. Bomen zijn voorzien van een boomkorf; • Bemesten en bekalken van de boomgaard is toegestaan. Bij bemesten van de boomgaard worden de fruitbomen en wortels niet beschadigd.

Aanplant Boom planten in ruim plantvak en boompaal plaatsen aan de meestvoorkomende windzijde (= zuidwesten). • Tamme kastanje (Castanea sativa) 16-18, 1st

Aanplant boomgaard Hoogstam planten in ruim plantvak en boompaal plaatsen aan de meestvoorkomende windzijde (= zuidwesten). Onderstaand assortiment gemengd toepassen. Alternatieven zijn mogelijk, indien streekeigen. Achter de naam staat de grootte van de aanplant en het aantal: • Pyrus communis ‘Conference’ of soortgelijk (Handpeer) 12-14, 2st • Malus domestica ‘Brabant Bellefleur’of soortgelijk (Handappel) 12-14, 2st • Malus domestica ‘Zoete Kroon’ of soortgelijk (Handappel) 12-14, 1st • Prunus avium ‘Gelderse Meikers’ of soortgelijk (kers) 12-14, 2 stuks • Prunus avium ‘Mierlose Zwarte’ of soortgelijk (kers) 12-14, 2 stuks Beheer • De boom wordt periodiek gesnoeid. Jonge bomen gemiddeld eenmaal per 5 jaar en oudere bomen gemiddeld eenmaal per 10 jaar. Bij oudere bomen kan het snoeien zich beperken tot het verwijderen van dood hout; • Na het snoeien beslaat de blijvende kroon altijd minimaal tweederde deel van de totale lengte van de boom; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van het element; • De boom mag niet beschadigd worden door vee. Jonge boom in een weiland is voorzien van een boomkorf of zijn uitgerasterd; • Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart.

Landschapsboom 1 st

Fruitbomen: 5 stuks

9

Kwaliteitsverbetering

In deze notitie worden drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden: • Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkeling waarvoor geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist); • Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist); • Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist).

De vormen van de kwaliteitsverbetering dienen dan ook te worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Gilze en Rijen is het afsprakenkader van de regio Hart van Brabant van toepassing. Op 26 november 2015 is de notitie ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’ vastgesteld.

Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied dient gepaard te gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast dient te worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering ook financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering zoals hierboven beschreven kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, wegnemen van verharding of het slopen van bebouwing.

3.3

Uit de berekening blijkt dat er een waardevermindering van de ruimtelijke ontwikkeling optreed. Hierdoor is een tegenprestatie vanuit de regeling niet noodzakelijk. De voorgesteld landschappelijke inpassing voldoet daarmee ruimschoots de kwaliteitswaarde. Voor uitwerking van de berekening wordt een nadere verwezen naar bijlage II.

Het initiatief betreft het wijzigen van de agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming. Het bestaande bestemmingsvlak heeft een omvang van 17.090 m². De beoogde bedrijfsbestemming krijgt een omvang van 6.779 m². Het initiatief valt in categorie 3.

10

Inrichtingsvoorstel

Bijlage I

11

Kwaliteitsberekening landschap

Bijlage II

Kwaliteitsverbetering Aardstraat 2/2A Molenschot, gemeente Gilze-Rijen

6-7-2022

Waardering Notitie ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015' van 26 november 2015 vormt de handreiking voor het de kwaliteitsberekening. De wijziging betreft een Categorie 3 ontwikkeling. De eenheidsprijzen landschap zijn gebaseerd op de subsidie stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant. (STILA 19-04-2022)

omschrijving

eenheid

Bijdrage

totaalwaarde

Waardering Huidige situatie Agrarisch bouwvlak Bedrijfswoning incl. bijgebouw

16.892 m² 198 m²

TOTAAL

17.090 m²

€ €

25,00 80,00

€

422.300,00

€

15.840,00

€

438.140,00

Nieuwe situatie Agrarisch technisch hulpbedrijf bebouwd

1.441 m²

€

90,00

€

129.690,00

Agrarisch technisch hulpbedrijf onbebouwd

€ € €

45,00 80,00 5,50

€

219.825,00

€

36.240,00

Agrarische cultuurgrond

4.885 m² 453 m² 7.927 m²

€

43.598,50

Groen - Landschappelijke inpassing

2.384 m²

€

1,00

€

2.384,00

TOTAAL

17.090 m²

€

431.737,50

€

6.402,50-

Bedrijfswoning incl. bijgebouw

Verschil Huidig - Nieuw

Kosten tegenprestatie De eenheidsprijzen landschap zijn gebaseerd op de subsidie stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant. (STILA 20-04-2022)

omschrijving

eenheid

Bijdrage/

frequentie in

eenheidsprijs

beheertermijn

totaal

Aanplant groenvoorzieningen Aanbrengen landschapsbomen

1 st

€

83,29

€

83,29

624 st

€

2,15

€

1.341,60

624 st

€

2,51

€

1.566,24

1 st

€

2,50

10 €

25,00

156,0 m

€

0,96

10 €

1.497,60

€

4.513,73

Bomenrij naast inritten en in het veld inclusief grondwerk, grondverbetering en verankering Aanbrengen lage haag aanplant van het bosplantsoen inclusief grondwerk en grondverbetering Aanbrengen hagen aanplant van het haagplantsoen inclusief grondwerk en grondverbetering Instandhouding groenvoorzieningen Snoeien van bomen Scheren van Knip- en scheerheg Totaal tegenprestatie excl. BTW

1 JULI 2022

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

AARDSTRAAT 2/2A MOLENSCHOT

2

Van Dooren Landschap Derpt 15 4576 VW Vorstenbosch M: Info@VanDoorenLandschap.nl

Reland Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen T: 085-0431949 M: info@Reland.nl www.Reland.nl

Auteur/Adviseur

Aardstraat 2/2A Molenschot

Projectlocatie:

Enkelzijdig liggend A4

Formaat:

Inrichtingsvoorstel

Status:

Datum: 1 juli 2022

Huidige situatie Uitgangspunten

Aanleiding Locatie

Bijlage II

Bijlage I

3.1 3.2 3.3

Kwaliteitsberekening landschap Forfaitere bedragen

Inrichtingsvoorstel

Inrichtingsvoorstel Beplantingsplan Kwaliteitsverbetering

3 Ontwerpplan

2.1 2.2

2 Situatie

1.1 1.2

1 Inleiding

Titel document:

Aardstraat 2/2A Molenschot

INHOUDSOPGAVE

COLOFON

6 6 7 9

4 4 5

3 3 3

3

Aanleiding

Op 21 juli 2020 heeft het college van B&W van de gemeente Gilze en Rijen besloten om een positieve grondhouding in te nemen om ter plaatse van de Aardstraat 2 en 2a te Molenschot een agrarisch-technisch hulpbedrijf te vestigen mits er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Om de wensen te kunnen realiseren dient een separate bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Middels deze procedure zal een nieuw bestemmingsplan opgesteld worden voor de locatie. Een onderdeel van deze procedure is een landschappelijke inpassing met berekening kwaliteitsverbetering landschap. In dit document wordt het plan gemotiveerd en onderbouwd.

De bedrijfswoning en een deel van de bedrijfsgebouwen blijven behouden en daarnaast wordt een gedeelte van een varkensstal afgebroken en herbouwd op twee locaties binnen het perceel, welke in gebruik wordt genomen ten behoeve van het agrarisch-technisch hulpbedrijf en als bijgebouw. Deze bebouwing heeft een oppervlakte van 1.567 m². Het tuinhuis (72 m²), de schuur achter de woning (63 m²), de opslagloods achter de zeugenstal (90 m²) en de opslagloods ten zuidwesten (24 m²) met een totale oppervlakte van 249 m² zal worden gesaneerd.

De initiatiefnemer is woonachtig en bedrijfsvoerende aan de Aardstraat 2 en 2a te Molenschot. Initiatiefnemer exploiteert ter plaatse sinds vele jaren een varkenshouderij. Op 14 juli 2020 is er een principeverzoek aan het college van B&W voorgelegd waarin de beoogde ontwikkeling is toegelicht. De initiatiefnemer wenst graag de varkensstallen met een totale oppervlakte van 4.104 m² te saneren in het kader van de Srv-regeling, het perceel te herontwikkelen en in gebruik te nemen als zelfstandig loon-, mechanisatie- en constructiebedrijf (agrarisch-technisch hulpbedrijf ).

1.1

1 Inleiding Locatie

Beeld 1. bossingel ten zuiden van de woning (bron: Google.com)

Het plangebied zoals weergegeven in figuur 1 op de volgende pagina, omvat de percelen aan de Aardstraat 2 en 2a te Molenschot, gemeente Gilze en Rijen. De percelen staan kadastraal bekend als gemeente Gilze en Rijen, sectie P, perceelnummers 373, 545, 546, 1124 ,1132 en 1133. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Gilze en Rijen.

1.2

Beeld 2. woning met voortuin (bron: Google.com)

Aanduiding plangebied in paars in zijn omgeving (bron Topotijdreis.nl)

4

Huidige situatie

Het plangebied ligt open in het landschap. Het huidige erf is groen en verzorgd. De beplanting grote beplantingsstructuren bestaan uit een inheemse bossingel in de voortuin, een tuin met diverse beplantingen, hagen aan de straatzijde (deels Portugees laurier en klimop in laag hekwerk) en een landschapsboom in de voortuin.

De directe omgeving kenmerkt zich door rationele grootschalige verkaveling met open karakter en groenstructuren van hagen en houtsingels. Vanaf de weg ervaart men het omringende landschap wat voornamelijk in gebruik is als akkerbouw. De verspreidstaande erven zijn deels beplant met kleinschalige landschapselementen.

Het plangebied ligt aan de Aardstraat 2 te Molenschot, ten westen van de kern Molenschot, gemeente Gilze en Rijen. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van gemengde functies, zoals bedrijven en enkele verspreid liggende woningen in het buitengebied.

2.1

2 Situatie

A

2

2A

5.

1.

2.

3.

Kapelstraat

Plangebied in paars op luchtfoto uit 2019 met kadastrale ondergrond. Aanduiding foto’s met nummers, zie overige pagina’s rapportage (bron PDOK)

4.

at tra ard s

5

Uitgangspunten

De overige gronden die niet gebruikt worden voor de bedrijfsvoering, worden ingezet als agrarische cultuurgrond.

Voor de nieuwe beplanting heeft men voorkeur voor groenblijvende elementen.

Initiatiefnemers willen zoveel mogelijk groen van de bestaande situatie behouden. Dit geldt met name voor de bossingel ten zuiden van de woning, de voortuin met landschapsboom (rode beuk) en de klimophaag in de afrastering ten noorden van het perceel.

Voor de her te bouwen loods ligt voldoende verharding om te keren met vrachtwagen en te manoeuvreren met grote landbouwmachines. Voorstel is een verhardingsbreedte van minimaal 30m.

De inritten tussen de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen blijven behouden. Nabij de woningen is voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. De inritten zijn zowel voor privé als zakelijk gebruik. De derde inrit ten noorden van het kavel (achteruitgang) blijft gehandhaafd voor groot verkeer.

De overtollige bebouwing en verharding zal worden gesaneerd en afgevoerd. De bestaande bedrijfswoning en een klein deel bedrijfsgebouw blijven. Achter het bedrijfsgebouw wordt een grote loods gebouwd voor een zelfstandig loon-, mechanisatie- en constructiebedrijf (agrarisch-technisch hulpbedrijf ). Achter de bedrijfswoning wordt een nieuw bijgebouw bebouwd voor privégebruik en opslag.

2.2

Beeld 5. bomenrij (eigen grond) met afrastering en klimop (bron: Google.com)

Beeld 3. Inrit en parkeren bij bedrijfsgebouw (bron: Google.com)

Beeld 4. Inrit ten noorden van het kavel (bron: Google.com)

6

Inrichtingsvoorstel

Ten zuiden van het plangebied ligt een greppel. Deze vormt geen onderdeel van lokale watersysteem en dient voor infiltratie van het regenwater.

Ten zuiden van de woning staat in de tuin een bossingel met grote bomen. Deze blijft behouden. Achter de achtertuin en bossingel komt een nieuwe hoogstamfruitboomgaard. Een groene afscherming van het bedrijfsterrein vanaf de Aardstraat.

Rondom de verharding en de gebouwen liggen groene ruimtes. De noordelijke groene ruimte wordt begeleid door een bestaande rij eikenbomen. Deze eiken staan op grond van de initiatiefnemer, maar geven een mooie geleiding van de weg en afscherming van de loods.

Het terrein wordt afgeschermd met een laag hekwerk van 1,2m. Het terrein wordt omheind door een laag hekwerk (1,2m) hoog. Dit hekwerk wordt begroeid met klimop voor een groene uitstraling. Daarnaast sluit dit aan op het bestaande groene hekwerk ten noorden van de nieuw te bouwen loods.

Aan de achterzijde ligt de derde uitgang. Deze is alleen nodig voor het grote zakelijke verkeer. Op het verhard terrein liggen 4 opslagvakken voor groenafval, ophoogzand, grond en dergelijk.

De nieuwe bedrijfsopzet is ingericht op goede ontsluiting en manoeuvreerruimte ten zuiden van de her te bouwen loods. Via de bestaande inritten is het verharde deel te bereiken voor vracht- en landbouwverkeer. De groeninrichting (tuin) aan de straatzijde blijft gehandhaafd, inclusief de solitaire landschapsboom (rode beuk).

3.1

3 Ontwerpplan

Landschappelijke inpassing (zie bijlage voor maatvaste ondergrond)

7

Beplantingsplan

•

•

Het element mag niet betreden en/of beschadigd worden door vee. Indien het element is uitgerasterd moet het raster op een zodanige afstand staan dat vraat aan haag wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juni en 15 maart.

Beheer • De haag 1x per jaar scheren tot een maximale hoogte van 1,2m en breedte 0,4m. • Maaisel afvoeren.

Aanplant • Groen of antraciet hekwerk van 1,2m hoog begroeien met klimop (Hedera helix). 4 stuks per meter.

Haag laag 156m- 624st

Ten aanzien van de beplanting voor de landschappelijke inpassing worden de volgende soorten gebruikt:

3.2

Referentiebeeld boomgaard

Referentiebeeld Tamme kastanje

Referentiebeeld klimop

8

Beheer • Indien het appel, pruim of peer betreft wordt de boom tenminste éénmaal per 2 jaar gesnoeid. Andere soorten enkel vormsnoei indien nodig; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van de bomen of versnipperd hout verwerkt worden in de boomgaard; • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden; • De hoogstamfruitboom mag niet beschadigd worden door vee. Bomen zijn voorzien van een boomkorf; • Bemesten en bekalken van de boomgaard is toegestaan. Bij bemesten van de boomgaard worden de fruitbomen en wortels niet beschadigd.

Aanplant Boom planten in ruim plantvak en boompaal plaatsen aan de meestvoorkomende windzijde (= zuidwesten). • Tamme kastanje (Castanea sativa) 16-18, 1st

Aanplant boomgaard Hoogstam planten in ruim plantvak en boompaal plaatsen aan de meestvoorkomende windzijde (= zuidwesten). Onderstaand assortiment gemengd toepassen. Alternatieven zijn mogelijk, indien streekeigen. Achter de naam staat de grootte van de aanplant en het aantal: • Pyrus communis ‘Conference’ of soortgelijk (Handpeer) 12-14, 2st • Malus domestica ‘Brabant Bellefleur’of soortgelijk (Handappel) 12-14, 2st • Malus domestica ‘Zoete Kroon’ of soortgelijk (Handappel) 12-14, 1st • Prunus avium ‘Gelderse Meikers’ of soortgelijk (kers) 12-14, 2 stuks • Prunus avium ‘Mierlose Zwarte’ of soortgelijk (kers) 12-14, 2 stuks Beheer • De boom wordt periodiek gesnoeid. Jonge bomen gemiddeld eenmaal per 5 jaar en oudere bomen gemiddeld eenmaal per 10 jaar. Bij oudere bomen kan het snoeien zich beperken tot het verwijderen van dood hout; • Na het snoeien beslaat de blijvende kroon altijd minimaal tweederde deel van de totale lengte van de boom; • Er mag geen snoeihout verbrand worden in de directe omgeving van het element; • De boom mag niet beschadigd worden door vee. Jonge boom in een weiland is voorzien van een boomkorf of zijn uitgerasterd; • Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart.

Landschapsboom 1 st

Fruitbomen: 5 stuks

9

Kwaliteitsverbetering

In deze notitie worden drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden: • Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkeling waarvoor geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist); • Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist); • Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist).

De vormen van de kwaliteitsverbetering dienen dan ook te worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Gilze en Rijen is het afsprakenkader van de regio Hart van Brabant van toepassing. Op 26 november 2015 is de notitie ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’ vastgesteld.

Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied dient gepaard te gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast dient te worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering ook financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering zoals hierboven beschreven kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, wegnemen van verharding of het slopen van bebouwing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12834253/1