Bijlage 2 stationsomgeving Rijen toelichting
Tekst van het document
Vanuit waterveiligheid bezien is geen sprake van belemmeringen. Waterbezwaar ten gevolge van de Gilze-Rijenbreuk De nieuwe onderdoorgang komt ter hoogte van de Gilze-Rijenbreuk te liggen. De Gilze-Rijenbreuk is, vanaf 500 miljoen tot 1 miljoen jaar geleden, onstaan door het verschuiven van de continenten Amerika en Afrika ten opzichte van het continent Europa. Door botsingen is een stuk aarde (de Centrale Slenk/Roerdalslenk) naar beneden gedrukt. In Figuur 4.3 is dit schematisch weergegeven. Rijen ligt bij het linker breukvlak, de Gilze-Rijen breuk. Het oostelijke breukvlak, de Peelrandbreuk, ligt bij Uden, zo'n 50 km verder naar het oosten.
Figuur 4.3: Schematische weergave breuken Welke gevolgen het realiseren van de onderdoorgang op de breuklijn heeft is door Antea Group beschreven in de memo 'Toelichting Gilze-Rijenbreuk' d.d. 29 juni 2021. Deze memo is als Bijlage 14 opgenomen bij de toelichting. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen en conclusies uit de memo. De onderdoorgang komt ter hoogte van de breuk te liggen. Dit houdt in dat aan de éne kant van de onderdoorgang de bodemopbouw anders is dan aan de andere, met ondiepere lagen blad 50 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
klei en fijn zand. Ook de grondwaterstanden zijn aan de éne kant anders dan aan de andere kant. Uit de grondwaterstanden blijkt dat de breuk een zone is met een weerstand tegen grondwaterstroming. Aan de westkant liggen de grondwaterstanden ongeveer 2,3 m hoger dan aan de oostkant. Als de breuk doorgraven wordt, wordt deze weerstand weggenomen en komen de grondwaterstanden aan de westkant lager te liggen dan in de huidige situatie en aan de oostkant komen ze hoger te liggen. Dit zou tot bodemzetting of wateroverlast bij bebouwing en het spoor kunnen leiden en is dus ongewenst. Om dit te voorkomen, wordt voorafgaand aan de uitvoering de precieze ligging van de Gilze-Rijenbreuk in kaart gebracht. Voor de aanleg van de onderdoorgang worden damwanden en een betonnen bodem gebruikt, zodat er geen grondwateronttrekking (bemaling) nodig is om de onderdoorgang aan te leggen. Deze damwand en betonconstructie worden zo ver verlengd, dat de breuk weer helemaal gesloten is. De damwand geeft wat meer weerstand dan de breuk zelf. Omdat de constructie maar over een beperkte afstand aanwezig is, stroomt het grondwater daar wel omheen. Met deze aanpak worden gevolgen voor de omgeving voorkomen. Uit onderzoek is gebleken dat de ligging van de nieuwe onderdoorgang op de Gilze-Rijenbreuk geen risico's voor de onderdoorgang tot gevolg heeft.
Door enkele eenvoudige maatregelen te treffen, wordt voorkomen dat de waterkerende werking van de breuk wordt weggenomen. Veranderingen van de grondwaterstanden in de omgeving worden hiermee voorkomen. Daarmee wordt ook voorkomen dat er bodemzetting en schade aan bebouwing of wateroverlast ontstaat. Er zijn dus geen gevolgen voor de omgeving. Conclusie Het aspect water levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, indien de hierboven beschreven maatregelen worden uitgevoerd. Voor de aanleg van de tunnelbak wordt geadviseerd om een bemalingsadvies op te stellen.
4.7
Ecologie Toetsingskader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Brabant beoordeeld te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is door idverde Advies, een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De resultaten van de quickscan zijn opgenomen in de rapportage 'Quickscan Wet natuurbescherming Stationsplein en omgeving, Rijen' d.d. 7 juni 2021. De rapportage is opgenomen als Bijlage 8 bij de toelichting. Onderstaand zijn de bevindingen uit dit onderzoek omschreven.
Beschermde soorten De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven voor vleermuizen, jaarrond beschermde nesten (gierzwaluw en huismus) en foerageergebied (huismus) een onvolledig
blad 51 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
beeld van het (mogelijk) voorkomen van deze soorten weer. Aanvullend onderzoek naar de functionaliteit van het plangebied voor deze soorten is noodzakelijk om het effect van de voorgenomen werkzaamheden op deze soorten in beeld te brengen. De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven voor de andere soortgroepen een voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van deze soorten weer. Voor broedvogels, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en amfibieën kan niet zondermeer worden uitgesloten dat negatieve effecten optreden en moeten aanvullende maatregelen worden genomen. De maatregelen zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4.4: Overzicht van de te nemen mitigerende maatregelen voor broedvogels, vleermuizen en grondgebonden zoogdiersoorten.
blad 52 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
Benodigd vervolgonderzoek Aan de hand van de resultaten uit de quickscan is door idverde Advies een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar beschermde soorten. De resultaten van dit aanvullend onderzoek zijn beschreven in de rapportage 'Onderzoek huismus, gierzwaluw en vleermuizen Stationsplein, Rijen' d.d. 5 juli 2021. Dit aanvullend onderzoek is opgenomen als Bijlage 15 bij de toelichting. Huismus Met de sloop van het woningen en loodsen binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van de huismus verloren. Daarentegen gaat wel essentieel leefgebied als schuil- en foerageergebied van de huismus verloren. Het gaat hierbij om de tuinen van Julianastraat 117-113 en Stationsstraat 3-9. Om te voorkomen dat er geen verbodsbepalingen worden overtreden, dient er voldoende zorgvuldig gehandeld en gemitigeerd te worden. Om dit volgens regels te doen dient het kennisdocument van de huismus gevolgd te worden (Bij12, 2017). Voor dit project betekent dat: werken buiten de kwetsbare periode waarin de verblijfplaats wordt benut: 1. Het plangebied wordt gebruikt als foerageer- en schuilgebied door de huismus tijdens de broed- en winterperiode. Deze periode loopt begin december tot en met eind augustus.
Met de fasering van de werkzaamheden die foerageer- en schuilgelegenheden beïnvloeden, dient rekening gehouden te worden; door de nieuwe inrichting gaan groenstructuren die door de huismus gebruikt worden als slaap- en schuillocatie. Onderstaande maatregelen zijn gericht op het in samenhang in stand houden van voldoende elementen ten behoeve van deze functionaliteit: 1. aanplant van inheemse doornige struiken, groenblijvende heesters en/of klimplanten van minimaal 3 meter hoog binnen 5 à 10 meter (bij voorkeur binnen 2,5 meter) van plekken waar gefoerageerd en/of gebroed wordt; 2. kant-en-klare hagen of gevelgroen aan te brengen als tijdelijke voorzieningen noodzakelijk zijn; blad 53 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
behoud of ontwikkeling van voldoende plekken waar gefoerageerd kan worden, door bijvoorbeeld: 1. In stand houden of ontwikkelen van overhoekjes of stroken ruigte met onkruiden als bron voor zaden en kleine zachte insecten. Straatgras, herderstasje en weegbree zijn favoriete onkruiden; 2. extensiever beheer van gazons door het terugbrengen van de maaifrequentie naar 1 maal per jaar. Het maaien vindt niet in het najaar plaats; voor het vernietigen van essentieel leefgebied van de huismus is het aanvragen van ontheffing noodzakelijk; de uitvoering van de maatregelen moeten vastgelegd worden, dit kan het best gedaan worden door een ecologisch werkprotocol op te stellen; de effectiviteit van de getroffen maatregelen worden gemonitord door een ecoloog. Gierzwaluw In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van de gierzwaluw vastgesteld. Vervolgstappen zijn niet aan de orde. Vleermuizen Uit het nader onderzoek blijkt dat met de sloop van de woningen en loodsen aan de Julianastraat 97-101, 107A en 111 meerdere verblijfsplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Het gaat daarbij om één kraamverblijfsplaats in de schoorsteen van Julianastraat 111 (gewone dwergvleermuis), één zomerverblijfsplaats in de loods aan de Julianastraat 107A (gewone dwergvleermuis) en één paarverblijfsplaats bij de woningen van Julianastraat 97 – 101 (gewone dwergvleermuis).
Om te voorkomen dat er geen verbodsbepalingen worden overtreden, dient er voldoende zorgvuldig gehandeld en gemitigeerd te worden. Om dit volgens regels te doen, dien het kennisdocument van de gewone dwergvleermuis gevolgd te worden (Bij12, 2017). Voor dit project betekent dat: werken buiten de kwetsbare periode waarin de verblijfsplaats wordt benut: 1. het plangebied wordt gebruikt als verblijfplaats tijdens de kraamtijd, de kraamtijd loopt van 15 mei tot en met 15 juni. Binnen deze periode en doorlopend tot en met 15 juli mogen de huidige verblijfplaatsen niet worden aangetast of verstoord; 2. het plangebied wordt gebruikt als verblijf tijdens de paartijd, de paartijd loopt van 15 juli tot en met 31 oktober. Binnen deze periode mogen de huidige verblijfplaatsen niet worden aangetast of verstoord; in het gebied is één kraamverblijfsplaats aanwezig, om deze te slopen dient er een veelvoud aan vervangende kraamverblijfsplaatsen te worden aangeboden: 1. in de regel wordt voor iedere verblijfplaats die verloren gaat vervangen door vier nieuwe verblijfplaatsen. Dit betekent dat er voor dit project 2 nieuwe kraamverblijfplaatsen aangeboden dienen te worden; 2. wij adviseren u om de VK SK 01 Vleermuizenkast aan te schaffen via vivara.nl (of een soortgelijke kast).
Deze kasten dienen opgehangen in afstemming met een deskundig ecoloog, om de kans van slagen zo groot mogelijk te maken, en te voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden aan de locatie; in het gebied zijn één zomerverblijfplaats en één paarverblijfplaats aanwezig, om deze te slopen dient er een veelvoud aan vervangende zomer- en paarverblijfplaatsen te worden aangeboden: 1. in de regel wordt voor iedere verblijfplaats die verloren gaat vervangen door vier nieuwe verblijfplaatsen. Dit betekent dat er voor dit project 8 nieuwe zomer- en paarverblijfplaatsen aangeboden dienen te worden; 2. wij adviseren u om de VK WS 02 Vleermuizenkast aan te schaffen via vivara.nl (of een soortgelijke kast). Deze kasten dienen opgehangen in afstemming met een deskundig ecoloog, om de kans van slagen zo groot mogelijk te maken, en te voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden aan de locatie; voor het vernietigen van de verblijfplaatsen is het aanvragen van ontheffing noodzakelijk; blad 54 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
de uitvoering van de maatregelen moeten vastgelegd worden, dit kan het best gedaan worden door een ecologisch werkprotocol op te stellen; de effectiviteit van de getroffen maatregelen worden gemonitord door een ecoloog. Doordat de voorgenomen ontwikkeling pas vanaf 2024 plaats gaat vinden en de huidige ecologische onderzoeken 3 jaar rechtsgeldig zijn, heeft dit gevolgen voor het gehele proces ten aanzien van de ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming. Om het proces te bevorderen en te zorgen dat dit niet tot vertragingen in het proces van de ontheffingsaanvraag en uitvoeringsperiode van de voorgenomen ontwikkelingen te laten leiden, wordt het volgende geadviseerd: 1.
tijdelijke mitigatie van de verblijfplaatsen wordt in 2021-2022 uitgevoerd. Voorafgaand wordt in samenspraak met de ABG gemeente en de ecoloog van idverde advies geschikte locaties aangewezen. Door de tijdelijke mitigatie in 2021-2022 al te laten plaatsen vinden (vind vaak pas plaats na het verkrijgen van de ontheffing), wordt een winst gepakt van minimaal 6 maanden (gewenningsperiode). Wel dient in 2022-2023 de ontheffingsaanvraag opgesteld en ingediend te worden; 2. doordat in 2020 de ecologische onderzoeken zijn uitgevoerd, betekent dat deze na 2023 niet meer rechtsgeldig zijn. In 2022 worden de aanvullende ecologische onderzoeken (gierzwaluw, huismus en vleermuizen) geactualiseerd. Het geheel aan gegevens zal dan in hetzelfde jaar of het jaar erop worden meegenomen in de ontheffingsaanvraag. De verwachting is dat de benodigde ontheffingen kunnen worden verleend. Aan de hand van de hierboven genoemde punten vindt risicomanagement plaats en komt de procedure voor het bestemmingsplan en de daadwerkelijke uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling niet in het geding. Actualisatie vervolgonderzoek Zoals hierboven is geadviseerd is, vanwege de beperkte rechtsgeldigheid van de ecologische onderzoeken, het aanvullende ecologisch onderzoek naar de gierzwaluw, huismus en vleermuizen geactualiseerd.
De resultaten van dit geactualiseerde aanvullend onderzoek zijn beschreven in de rapportage 'Aanvullend onderzoek Stationsplein, Rijen' d.d. 18 augustus 2023. De rapportage is opgenomen als Bijlage 19 bij de toelichting. Vleermuizen <PM. De conclusies ten behoeve van de onderzoeken naar vleermuizen volgen nadat de onderzoeken in de paarperiode zijn afgerond en worden verwerkt in de rapportage en de toelichting van het bestemmingsplan> Huismussen Met het verdwijnen van de tuinen aan de Julianastraat 113-115 en groenstructuren aan het Koolaspad gaat essentieel leefgebied van de huismus verloren. Het verwijderen van deze groenstructuren leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Er dient een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Gierzwaluwen Gedurende de aanvullende onderzoeken is de gierzwaluw (vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) niet waargenomen bij de woningen en is er geen verdere indicatie dat het plangebied onderdeel vormt van het leefgebied van deze soort. Hierdoor is met zekerheid uit te sluiten dat het plangebied fungeert als leefgebied en vaste voortplantingsen rustplaatsen voor de gierzwaluw. Voor de gierzwaluw zijn daarom geen vervolgstappen nodig in het kader van de Wet natuurbescherming.
Beschermde gebieden In het kader van de ontwikkeling van Spoorzone Rijen is, door Antea Group, een onderzoek naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden uitgevoerd. De berekeningen zijn blad 55 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
uitgevoerd met het rekenprogramma AERIUS Calculator, versie 2022. De resultaten van het onderzoek zijn verwerkt in de memo 'Stikstofdepositieonderzoek stationsomgeving Gilze en Rijen' d.d. 1 augustus 2023. De memo is opgenomen als Bijlage 18 bij de toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. In het stikstofdepositie onderzoek zijn uitsluitend berekeningen uitgevoerd voor de volgende maatgevende jaren: 2024: Referentiesituatie (uitsluitend van gesloopte woningen) ten opzichte van de realisatie van de onderdoorgang; 2026: Referentiesituatie ten opzichte van de gebruiksfase van de onderdoorgang en de realisatiefase van de woningbouwlocaties; 2027: Referentiesituatie ten opzichte van de gebruiksfase onderdoorgang en de gebruiksfase van de nieuwe woningen. Uit de rekenresultaten volgt dat de voorgenomen ontwikkeling in geen enkel jaar leidt tot een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van bovenstaande rekenresultaten kunnen significant negatieve effecten ten aanzien van stikstof op Natura 2000- gebieden kunnen dan ook worden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat nadere besluitvorming niet in de weg. Andere negatieve effecten op instandhoudingsdoelen zijn op voorhand uit te sluiten waardoor geen volledige Voortoets hoeft te worden uitgevoerd.
Conclusie Met inachtneming van bovengenoemde regels voor de vleermuis en de huismus en het aanvragen van een ontheffing voor beide soorten, vormt het aspect soortenbescherming van ecologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.8
Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt de Bro (artikel 3.1.6, lid 2). Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Toetsing In het kader van de ontwikkeling is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Ter plaatse van het plangebied zijn twee monumentale panden aanwezig. Het betreft de Julianastraat 118 en de Stationsstraat 8. Tevens is het gebouw op het perceel Stationsplein 6 aangewezen als een Rijksmonument. Dit gebouw ligt echter buiten het plangebied. De twee Rijksmonumenten binnen het plangebied zijn aangeduid met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument'.
Omdat er bij het gebouw aan de Julianastraat 118 ontwikkelingen worden voorzien is voor dit gebouw een cultuurhistorische verkenning en plantoets uitgevoerd. Dit onderzoek is te vinden in Bijlage 9. Onderstaand worden de bevindingen uit de cultuurhistorische waardenkaart en het onderzoek aan de Julianastraat 118 beschreven.
blad 56 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant kan geconcludeerd worden dat het plangebied in een cultuurhistorisch waardevol gebied ligt. Zie ook de onderstaande afbeelding 4.4 voor een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart. Rondom het stationsgebied zijn diverse waardevolle objecten aanwezig. Deze objecten bestaan uit woonhuizen, bedrijfswoningen, winkels en voormalige fabriekswoningen. Tevens zijn in en rondom het plangebied rijksmonumenten aanwezig. Met de beoogde ontwikkeling worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.
Figuur 4.4: Cultuurhistorische Waardenkaart Noord Brabant. Het plangebied is omkaderd met een zwarte stippellijn. Ter plaatse van het rijksmonument aan de Julianastraat 118 wordt de buitenruimte van het pand benut t.b.v. de ontwikkeling. Aan de oostflank van de onderdoorgang wordt de stationsomgeving vergroot naar de zuidzijde van het spoor. Daar is o.a. een fietsenstalling voorzien ter plaatse van de achterbouw van het rijksmonument Julianastraat 118. In het kader hiervan is een cultuurhistorische verkenning en plantoets uitgevoerd, die is opgenomen in Bijlage 9. Uit de het onderzoek volgt dat - vanuit een erfgoedperspectief - het bedrijfsgedeelte uit 1998-1999 in fysiek opzicht een indifferente waarde heeft voor het rijksmonument. Daar liggen volop mogelijkheden voor ingrepen en wijzigingen. De transformatie van het aan de achterzijde gelegen bedrijfsgedeelte tot fietsenstalling is dan ook goed voorstelbaar. Ter overweging wordt meegegeven om niet het huidige bedrijfsgedeelte maar de lage en open houten berging van het gesloopte bedrijfsgedeelte als inspiratie te nemen voor de fietsenstalling (zie figuur 4.5 hieronder). De kaders hiervoor zijn ook als zodanig verwerkt in de planregels van dit bestemmingsplan.
blad 57 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
Figuur 4.5: de berging rond de jaren 30-40. De transformatie en eventuele herbestemming van het woongedeelte zou bovendien aangegrepen moeten worden om in ieder geval de monumentale uitstraling van de gevels te versterken en verbinden met het verhaal van de plek. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.9
Archeologie Toetsingskader Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Derhalve heeft de raad van de gemeente Gilze en Rijen
blad 58 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
op 26 april 2011 het 'Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gilze en Rijen' vastgesteld. Toetsing In het hierboven genoemde 'Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gilze en Rijen' onderscheidt de gemeente een 7-tal verwachtingen, variërend van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen zijn voor archeologisch onderzoek. In Figuur 4.6 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart te zien, waarop de projectlocatie is weergegeven. Voor de projectlocatie geldt dat er sprake is van ligging in drie verschillende categorieën van archeologische verwachtingswaarde, waarbij een deelgebied tevens de aanduiding mogelijk verstoorde grond heeft. Van de circa 173.000 m2 ligt circa 50.000 m2 in categorie 6 (Gebied met een lage archeologische verwachting) en circa 26.000 m2 in categorie 5 (Gebied met een middelhoge archeologische verwachting).
Figuur 4.6: uitsnede archeologische beleidskaart, gemeente Gilze en Rijen De exacte diepte en oppervlakten van de grondroerende werkzaamheden zijn op dit moment nog niet bekend. Hierdoor is het nu nog niet te bepalen welke impact dit heeft voor eventuele aanwezige archeologische waarden. In dit stadium is het daarom onnodig om het hele terrein archeologisch te onderzoeken. Bij de aanvraag omgevingsvergunning is meer bekend over de diepte en oppervlakten van de grondroerende werkzaamheden. Dat is het moment om te beoordelen of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning zal blijken of archeologisch onderzoek nodig is, en zo ja, wat daarvan de bevindingen zijn en hoe met blad 59 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
eventuele archeologische waarden om kan worden gegaan. Indien nodig zullen maatregelen worden getroffen.
4.10
Bodem Toetsingskader Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een (functiegerichte) sanering. Toetsing Historisch bodemonderzoek In het kader van dit bestemmingsplan is in april 2020 een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, zie ook Bijlage 10. Onderstaand worden de bevindingen uit het historisch bodemonderzoek beschreven. Het onderzoek is uitgevoerd nabij de huidige spooromgeving met direct aanliggende straten en enkele aanliggende woon- en werkgebieden.
Bodem Ter plaatse van en in de directe omgeving van het ontwikkelgebied zijn in het verleden een groot aantal onderzoeken, saneringen en monitoringen uitgevoerd dan wel diverse voormalige (verdachte) activiteiten geregistreerd. Uit deze gegevens blijkt dat in de grond over het algemeen licht verhoogde gehalten worden aangetoond. Het overgrote deel van de in het verleden aangetroffen sterke verontreinigingen zijn gesaneerd. Lokaal komen enkele matig tot sterk verhoogde gehalten met zware metalen of PAK voor in de bodem. Grondwater Het grondwater is doorgaans sterk verontreinigd met nikkel en zink. Dit wordt toegeschreven aan de verhoogde achtergrondwaarden met zware metalen welke vaak worden gemeten in de regio. Ter plaatse van de Stationsstraat bevindt zich een VOCL vlek in het diepe grondwater en is een rest verontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten in de grond en grondwater aanwezig. Nabij de Nijverheidsweg bevindt zich een sterke VOCL en zink verontreiniging in het grondwater. Ter plaatse van de Stationsstraat Noord 92 bevindt zich een kleinschalige VOCL restverontreiniging in het grondwater. Nader onderzoek Op basis van het historisch onderzoek zijn voor diverse locaties met (voormalige) verdachte activiteiten onvoldoende gegevens beschikbaar om een uitspraak te doen over de bodemkwaliteit.
Daarnaast is actualisatie naar de aanwezigheid en inkadering van enkele bekende (sterke) verontreinigingen benodigd. Deze locaties zijn weergegeven op pagina 13 van Bijlage 10. Gezien het aantal verschillende grondeigenaren en complexiteit van de locatie (o.a. spoor waar ontheffing voor nodig is) dient een nader bodemonderzoek pas te worden uitgevoerd, nadat het ontwerp van de ontwikkeling nader is uitgewerkt. Zo kunnen de boringen en analyses gericht worden afgestemd op de daadwerkelijke ingrepen in en op de bodem (zowel in horizontaal als verticaal vlak). Hiermee worden de stakeholders in het stadium van het bestemmingsplan niet onnodig belast met onderzoek.
blad 60 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
Asbest Uit de verzamelde informatie zijn geen gegevens naar voren gekomen die erop wijzen dat de locatie als asbestverdacht dient te worden beschouwd. Geadviseerd wordt om tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden van een (gebiedsdekkend) bodemonderzoek alert te zijn op de aanwezigheid van bodemvreemde bijmengingen (ongedefinieerd puin) in een mate waarvan deze als asbestverdacht dienen te worden beschouwd (>1%). Bij het aantreffen van de dergelijke bijmengingen dient een asbestonderzoek volgens NEN 5707 te worden uitgevoerd. Conclusie Met inachtneming van de bevindingen uit het historisch bodemonderzoek vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De locaties waarvoor op grond van het historisch onderzoek nadere gegevens nodig zijn, zijn op een kleine uitzondering na grotendeels gelegen buiten het bestemmingsplangebied. Gelet op het huidige en toekomstige gebruik van de gronden is nader onderzoek niet nodig voor de vraag of het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Actualiserend onderzoek zal plaatsvinden in de uitvoeringsfase, op welk moment ook de nadere begrenzing/inkadering van eventuele verontreiniging kan worden bepaald. Met een eventuele saneringsopgave is rekening gehouden in de exploitatie.
4.11
Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. 1. 2.
Hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; 3. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; 4. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; 5. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Toetsing Binnen het plangebied ligt langs de noordzijde van het spoor (Venneweg) een planologisch relevante gas-leiding. Deze leiding is in het vigerende bestemmingsplan geborgd in de dubbelbestemming 'Leiding - Gas', waarbinnen het niet is toegestaan bebouwing te realiseren. Hiervan kan ontheffing worden verleend, mits de leidingbeheerder is gehoord. Daarnaast is, ter bescherming van de leiding, een aanlegvergunningenstelsel opgenomen. De gemeente is met de leidingbeheerder op dit punt in gesprek. De bestaande dubbelbestemming is in de planregels behouden. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt op dit moment geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.12
Niet Gesprongen Explosieven Toetsingskader Gemeente Gilze en Rijen is tijdens de tweede wereldoorlog gebombardeerd. Vooral spoorzones waren vaak doelwit van bombardementen. In het kader van de beoogde
blad 61 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
ontwikkeling is een onderzoek uitgevoerd naar niet gesprongen explosieven. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in het rapport 'Maatwerkadvies Niet Gesprongen Explosieven' d.d. 29 juni 2021. Dit rapport is opgenomen als Bijlage 11 bij de toelichting. Onderstaand zijn de bevindingen uit het onderzoek beschreven. Toetsing Over het algemeen geldt voor het gehele werkgebied dat de eerst 0,5 m-mv eerder is geroerd door verschillende naoorlogse werkzaamheden. Waar het wegcunet en/of leidingen dieper zijn gelegd dan 0,5 m-mv is de grond tot onderzijde van werkzaamheden NGE-onverdacht of minder verdacht. Voor het terrein waar de spoorlijnen liggen of hebben gelegen, is de ondergrond NGE-onverdacht tot 1,5 m-mv. De ondergrens van de NGE-verdachte laag is in het gehele werkgebied 3 m-mv. Waar binnen de NGE-verdachte laag wordt gegraven of trillingen (met versnellingen vanaf 1 m/s 2 ) binnen de NGE-verdachte laag effect hebben, wordt geadviseerd om NGE-onderzoek uit te voeren. Nadere adviezen en instructies voor nog uit te voeren NGE-onderzoek op de locatie in de uitvoeringsfase worden beschreven in het onderzoek van REASeuro (pp. 26 – 28).
Specifiek wordt hierbij ingegaan op bijvoorbeeld adviezen en instructies gedurende de sloopwerkzaamheden, werkzaamheden waarbij trillingen worden veroorzaakt, (graaf)werkzaamheden onder en nabij de huidige spoorwegovergang, en de omgeving rondom de spoorlijn, verwijderen of plaatsen van straatmeubilar en openbaar groen, het verplaatsen of leggen van kabels en leidingen en indirecte werkzaamheden van het project.
Figuur 4.7: Risicozones trillingen rondom werkzaamheden Conclusie Met inachtneming van de resultaten uit het onderzoek (instructies/maatregelen voor werkwijzen en/of nader NGE onderzoek in de uitvoeringsfase) vormt het aspect niet gesprongen explosieven geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Uit de bouwprocesbepaling in het Arbobesluit volgt dat de opdrachtgever van het werk verantwoordelijk is voor vervolgonderzoek.
blad 62 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
4.13
Vliegbasis Gilze-Rijen Toetsingskader In 1996 is het Besluit Geluidsbelasting Grote Luchtvaart (BGGL) in werking getreden. In het BGGL staan de regels voor onder andere militaire luchtvaart terreinen zoals vliegveld Gilze-Rijen. Dit gaat bijvoorbeeld over de maximale toegelaten geluidsbelasting voor gevoelige functies. Gevoelige objecten kunnen niet worden ontwikkeld als deze binnen een contour liggen waarbij geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De contouren zijn vastgelegd in de Luchtvaartwet. Tevens is, voor de ligging op korte afstand van de vliegbasis Gilze-Rijen, de gebiedsaanduiding 'ihcs-1' van toepassing op het plangebied. Hierdoor gelden er hoogtebeperkingen voor gebouwen. Hierna wordt ingegaan op de beperkingen van de bouwhoogte op het plangebied. Toetsing Bij het opstellen van het BGGL is uitgegaan van berekeningen die een Ke-contour (Ke = Kosteneenheid) rondom het vliegveld legt. Elke contour heeft een bepaalde hoeveelheid overlast (percentage gehinderden) wat resulteert in specifieke regels per contour. Voor de vliegbasis Gilze-Rijen is zowel een Ke-geluidcontour als een db(A)-geluidzone (deze is voor het grondgebonden geluid van de inrichting zelf) opgenomen.
Voor gebieden binnen de 35 Ke-contour geldt dat woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en woonwagenstandplaatsen die op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone daarbinnen nog niet aanwezig zijn en waarvoor geen bouwvergunning is verleend niet zijn toegestaan (artikel 4 BGGL). Het plangebied ligt zowel buiten de db(A)-geluidzone als de 35 Ke-contour van vliegbasis Gilize-Rijen. Hierdoor wordt ter plaatse van alle woningen voldaan aan de gestelde richtwaarden en vormt de vliegbasis geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De regels die verbonden zijn aan de gebiedsaanduiding 'ihcs-1' worden in dit bestemmingsplan overgenomen. De gebiedsaanduiding 'ihcs-1' legt een hoogte beperking op van 56 m boven NAP. Met de beoogde ontwikkeling worden geen gebouwen gerealiseerd die hoger zijn dan 56 m boven NAP. Conclusie De Vliegbasis Gilze-Rijen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.14
Trillingen Toetsingskader Voor trillingen in de omgeving van spoorlijnen vanwege treinpassages is er geen specifieke wetgeving. Door de Stichting Bouwresearch (SBR) zijn in 1993 richtlijnen uitgegeven voor trillingen in bouwwerken. Dit zijn de zogenoemde SBR-richtlijnen. Ze zijn herzien in 2002. De richtlijnen zijn onderverdeeld in drie onderwerpen: het voorkomen van bouwkundige schade (SBR Trillingsrichtlijn A: schade aan bouwwerken, 2017); het voorkomen van hinder (SBR Trillingsrichtlijn B: hinder voor personen in gebouwen, 2002); het voorkomen van verstoring van apparatuur (SBR Trillingsrichtlijn C: verstoring van apparatuur, 2002). De richtlijnen zijn herzien in 2002 en richtlijn A daarna nog in 2017.
blad 63 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
Specifiek voor het aspect hinder vanwege spoorverkeertrillingen bestaat sinds 2013 de Beleidsregel trillinghinder spoor (Bts). Deze is ontstaan vanuit de praktijk voor de toepassing van de Tracéwet op spoorse projecten en is vastgesteld door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Deze beleidsregel is in 2014 aangepast en dient ter aanvulling en verduidelijking van de SBR richtlijn B. De Bts gaat verder dan de SBR richtlijn B in die zin dat de Bts invult hoe met de beoordeling van een situatie moet worden omgegaan, c.q. hoe deze moet worden opgevolgd. De SBR richtlijn is puur een 'meet- en beoordelingsrichtlijn'. Deze beschrijft hoe trillingsmetingen moeten worden uitgevoerd en uitgewerkt tot twee beoordelingsmaten en hoe deze – afhankelijk van de omstandigheden – moeten worden beoordeeld. De Bts werkt de beoordeling van een gewijzigde situatie verder uit en werkt uit hoe het vervolg (na de beoordeling) moet zijn. Dit heeft tot gevolg dat in de praktijk toepassing van de Bts vaker leidt tot daadwerkelijke uitvoering van maatregelen. Voor zowel de SBR-richtlijn als de Bts geldt dat deze geen kracht van wet hebben. Uit jurisprudentie volgt dat de bestuursrechter beide richtlijnen accepteert als onderliggend kader bij de beoordeling van trillinghinder in ruimtelijke procedures in het kader van 'een goede ruimtelijke ordening'.
Omdat de Bts in de praktijk vaker leidt tot daadwerkelijke uitvoering van maatregelen en dit bijdraagt aan een goed woon- en leefklimaat is de Bts als toetsingskader gehanteerd voor het aspect hinder. Voor het aspect schade wordt de SBR-A gehanteerd. Toetsing start onderzoek Voor de beoogde ontwikkeling is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een eerste “start” onderzoek gedaan naar de gevolgen van de trillingen op gebouwen in de omgeving (zie Bijlage 16), in de situatie dat de huidige spoorovergang wordt vervangen door een onderdoorgang. In dit onderzoek is gerekend met het uniforme rekenmodel Ours (Ontwikkeling uniform rekenmodel spoortrillingen). Deze uitgevoerde berekeningen zijn gekalibreerd met de reeds beschikbare meetdata in de bestaande situatie. In Rijen zijn meerdere trillingsmetingen uitgevoerd langs het spoor, onder andere door Movares en de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. De berekeningen zijn specifiek uitgevoerd voor de exploitatiefase. Bouwfase Voor het aspect trillingen in de bouwfase is de efficiëntste aanpak om met behulp van continue monitoring tijdens de bouwfase te bewaken dat er geen onverantwoorde trillingen optreden. Dit wordt dan ook opgenomen als voorwaarde in de bouwvergunning. Exploitatiefase: Het uitgevoerde startonderzoek 'Spoortrillingen Spoorzone Rijen' d.d.
9 november 2020 (kenmerk: LA.2005070.R01) is te vinden in Bijlage 16. Het doel van dit onderzoek is: vaststellen wat de te verwachten verandering in trillingsniveau is in bestaande woningen in de omgeving vanwege wijzigingen aan het spoor ten gevolge van de spooronderdoorgang; formuleren van uitgangspunten voor ontwikkelaars van nieuwbouw van woningen in de omgeving van de spooronderdoorgang wat betreft het aspect spoortrillingen. De mogelijke effecten van trillingen in de exploitatiefase kunnen in drie onderwerpen verdeeld worden: schade aan gebouwen; hinder van trillingen door personen in gebouwen; verstoring van trillingsgevoelige apparatuur. Omdat er geen trillingsgevoelige apparatuur (ziekenhuis, laboratoria, drukkerijen of musea) in (de omgeving van) het plangebied aanwezig is, vormt dit aspect geen onderdeel van het blad 64 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
onderzoek. Hieronder zijn de bevindingen uit het startonderzoek omschreven. Nieuwbouw van woningen In dit bestemmingsplan is vastgelegd dat de nieuwbouwlocatie getypeerd wordt als een trillingsbelaste locatie. In tabel 4.5 zijn de prognoses aangereikt die op de toekomstige bebouwing te verwachten is. Vanwege de rol die de constructie van het gebouw heeft in de sterkte van de trillingen zijn de ontwikkelaars daarmee niet ontslagen van de taak zelf een prognose op te stellen met de juiste gegevens over het gebouw. Tabel 4.5: prognoses niveaus in de toekomstige situatie op maaiveld en op de fundering van een standaard betonnen eengezinswoning. Vrms.maaiveld
Vmax.fundering
Blok 1
0.50 ± 0.50
0.45 ± 0.55
@8Hz
Blok 2
0.15 ± 0.10
0.18 ± 0.10
@8Hz
Blok 3
0.15 ± 0.15
0.18 ± 0.10
@8Hz
Geadviseerd wordt voor de toekomstige nieuwbouw in de omgeving de SBR trillingsrichtlijn B als richtlijn te gebruiken. Voor toekomstige bebouwing is daarom in de planregels opgenomen dat het noodzakelijk is in de bouwvergunning aan te tonen wat de te verwachten waarde is voor Vmax en welke maatregelen er getroffen worden om de streefwaarde (SBR-B) te behalen. Bestaande bouw Zoals in het toetsingskader reeds benoemd is worden de trillingen in de bestaande bebouwing getoetst aan de Bts voor wat betreft het aspect hinder. Voor wat betreft het aspect schade wordt aan de SBR getoetst. Volgens de Bts dienen maatregelen te worden overwogen indien één of meerdere van het volgende geldt: - Vmax,straks > 0,2 en toename Vmax > 30% - Vper,straks > 0,1 en toename Vper > 0% Doel van de maatregelen is: - Vmax <= 0,4 en toename Vmax < 30% - Toename Vper <= 0% Het overwegen van maatregelen betekent dat maatregelen worden ontworpen en afgewogen en dat vervolgens een doelmatigheidsafweging plaatsvindt om te bepalen of een maatregel daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Hoe de doelmatigheidsafweging dient plaats te vinden is niet in detail voorgeschreven in de Bts. Geadviseerd wordt een eigen doelmatigheidscriterium op te stellen als onderdeel van de planvorming. Resultaten start onderzoek aspect schade Voor het aspect schade is alleen de berekening voor de toekomstige situatie relevant.
De huidige situatie speelt daarin geen rol. Voor het aspect schade hanteert de gemeente het toetsingskader SBR-A. Slechts op 1 adres wordt volgens de berekening de grenswaarde voor schade, SBR trillingsrichtlijn A, overschreden. Dat betekent dat de kans op schade vanwege toekomstig treinverkeer voor dit adres niet verwaarloosbaar klein is. Dat adres is Julianastraat 118. Het is daarom van blad 65 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
belang dit pand te monitoren voor wat betreft trillingsniveau en schade-ontwikkeling. De kans is nog steeds veel groter dat treinverkeer niet tot schade zal leiden en een actieve bewaking van het pand gedurende een aantal jaren kan daarover meer uitsluitsel geven. Er is ook een aanmerkelijke kans dat de trillingsniveaus lager zijn dan de prognose en voldoen aan de grenswaarden van de SBR A. Indien schade optreedt terwijl de trillingsniveaus boven de grenswaarden van de richtlijn liggen wordt van de veroorzaker worden verwacht dat deze de schade herstelt. Voor nieuwbouw is in de planregels geborgd dat rekening wordt gehouden met de verwachte waarden voor trillingshinder en dat moet worden aangetoond wat is gedaan om de streefwaarde te behalen. Daarbij wordt geadviseerd om voor de toekomstige nieuwbouw in de omgeving de SBR trillingsrichtlijn B als richtlijn te gebruiken. Resultaten start onderzoek aspect hinder In de meeste woningen in de omgeving neemt het trillingsniveau naar verwachting af, zelfs bij de gehanteerde worst-case benadering. Op een beperkt aantal adressen is er mogelijk sprake van een verwachte toename. De toename is nog niet zeker. Dit heeft te maken met de gehanteerde worst-case benadering en de onzekerheidsmarges die inherent zijn aan een Ours-berekening.
Het is daarom noodzakelijk om vervolgstappen te zetten in de vorm van nader onderzoek met betrekking tot de locaties waar in het ergste geval mogelijk sprake is van een toename. Indien uit dit onderzoek blijkt dat er sprake is van te grote toenames (voor de Vmax meer dan 30% en/of die van Vper meer dan 0%) dan dienen, volgens de Bts, maatregelen te worden ontworpen. Daarbij moet in eerste instantie worden gedacht aan een aanpassing van de constructie van de onderdoorgang, gezien de rol van de onderdoorgang in de toename van de trillingen op deze adressen. Van belang is om te benadrukken dat het effect van de onderdoorgang op grond van een Ours-berekening (dus 'worst case') is ingeschat en gemodelleerd en daardoor een belangrijke bron van de geconstateerde onzekerheidsmarges over de toename. Dit is een gebruikelijke werkwijze bij het aspect trillingen, en kan gezien worden als een startonderzoek. In gevallen waar de Ours-berekening laat zien dat er geen of een beperkte toename te verwachten is, dan volgt hieruit dat vanwege de worst case benadering de conclusie gerechtvaardigd is dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Uit de Ours-berekening volgt voor dit plan dat nader onderzoek wél noodzakelijk is. Dit wordt dan ook uitgevoerd.
Aangezien voor het ontwerpen van eventuele trillingsmaatregelen aan de onderdoorgangsconstructie sowieso een meer gedetailleerd model nodig is, wordt een dergelijk model opgesteld, om daarmee eerst de prognose van het huidige ontwerp te verfijnen en de onzekerheidsmarges vanwege de worst case benadering over de toenames te verkleinen. Indien dan blijkt dat er sprake is van grote toenames (voor de Vmax meer dan 30% en/of die van Vper meer dan 0%), dienen maatregelen te worden overwogen. Nader onderzoek aspect hinder Voor het aspect trillingshinder bij bestaande bebouwing hanteert de gemeente het toetsingskader van de Bts voor het aspect hinder, dat een aanvullende en verduidelijkende werking betreft op de SBR B. Naar aanleiding van de resultaten vanuit het startonderzoek, is door Level acoustics & vibration er gewerkt aan een gedetailleerder model waarmee de onzekerheidsmarges vanwege de worst case benadering verder kunnen worden verkleind en – indien daaruit blijkt dat maatregelen nodig zijn – maatregelen kunnen worden ontworpen, waarvan de toepassing door de gemeente op basis van een doelmatigheidsafweging wordt beoordeeld. Deze nadere toetsing is verwerkt in het rapport 'Detailberekening Spoorzone Rijen' (kenmerk: LA.200507.R02) d.d. 2 september 2021. Dit rapport is als Bijlage 17 bij de toelichting bijgevoegd.
Hieronder wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen van het rapport: blad 66 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
de spooronderdoorgang is geen geleider van trillingen; de spooronderdoorgang reflecteert bodemtrillingen in de 8 Hz octaafband en hoger; op alle adressen neemt het tijdgemiddelde trillingsniveau Vper af; op twee adressen, namelijk Stationsstraat 3 en 3a, is er sprake van een verwachte toename van het trillingsniveau Vmax. De toename is ruim onder de 30%. Op alle andere adressen neemt het trillingsniveau af; op alle adressen wordt naar verwachting voldaan aan het toetsingskader Bts (Beleidsregel Trillinghinder Spoor). Conclusie Het aspect trillingen vormt geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.15
Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype 'rustige woonwijk' of 'rustig buitengebied', waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied', dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. Een 'gemengd gebied' is een gebied met matige tot sterke functiemenging.
In de onderstaande tabel worden de richtafstanden van de milieucategorieën ten opzichte van omgevingstype weergegeven. Tabel 4.6: Bedrijven en milieuzonering richtafstanden
Toetsing Gezien de context waarin het plangebied ligt, met een stationsomgeving, afwisselend bedrijfsbestemmingen en woningen is er sprake van een gemengd gebied. De huidige functies / bestemmingen blijven grotendeels hetzelfde als het vigerende bestemmingsplan. De planologische situatie verandert hierdoor nauwelijks. De bestemmingen die als gevolg van de beoogde ontwikkeling wel wijzigen hebben geen negatief effect op het woon- en blad 67 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
leefklimaat van de omgeving. Het plangebied grenst in het zuidoosten aan het bedrijventerrein De Haansberg. Op het bedrijventerrein zijn bedrijven toegestaan met een maximum milieucategorie van 4.2. Op het bedrijventerrein is echter gebruik gemaakt van een zonering waardoor aan de randen van het bedrijventerrein alleen bedrijven zijn toegestaan in een categorie 2 en 3.1. Het deel van het plangebied dat direct grenst aan het bedrijventerrein is bestemd voor railverkeer en maakt geen gevoelige functies mogelijk. Met de beoogde ontwikkeling worden meer gevoelige bestemmingen (woningen) mogelijk gemaakt ten opzichte van de huidige situatie. Echter komen rondom het bedrijventerrein De Haansberg reeds gevoelige bestemmingen (woningen) voor en zijn deze woningen gelegen op een afstand van meer dan 100 meter van het bedrijventerrein. De bedrijven op het bedrijventerrein dienen al rekening te houden met de gevoelige bestemmingen uit de directe omgeving. Het plan verandert deze situatie / huidige beperkingen voor de bedrijven niet. Aan de Spoorlaan Zuid 15 is op basis van het huidige bestemmingsplan een bedrijfsbestemming gevestigd. Op basis van het bestemmingsplan is hier maximaal de vestiging van een bedrijf uit categorie 1 of 2 toegestaan.
De beoogde woningbouwontwikkeling wordt hierdoor niet belemmerd, omdat de richtafstand van 10 meter gerespecteerd blijft en de dichtstbijzijnde woning blijft staan ten opzichte van de huidige situatie. In de hoek tussen de Julianastraat en de Parallelweg zal nabij het Rijksmonument een fietsenstalling worden gerealiseerd. Deze komt in de plaats van de huidige bedrijfsbestemming op deze locatie waar in het vigerend bestemmingsplan 'Woongebied Rijen' bedrijvigheid tot categorie 2 is toegestaan. Met onderhavig bestemmingsplan maakt de bedrijfsbestemming plaats voor de fietsenstalling. Deze fietsenstalling heeft een capaciteit van 260 fietsen en zal met name in de dagperiode in de ochtend en avondspits worden gebruikt. In de directe nabijheid is een geluidsgevoelige bestemming aanwezig (een woning). De fietsenstalling op zich is geen bron voor geluid. Wel zijn de gebruikers van de fietsenstalling (stemgeluid) en de te stallen scooters/brommers bronnen die geluid kunnen veroorzaken. In de VNG brochure is geen fietsenstalling opgenomen. Er wordt zekerheidshalve uitgegaan van een parkeerterrein als worst-case scenario voor de fietsenstalling. Een parkeerterrein heeft logischerwijs meer effect op de omgeving dan een fietsenstalling door onder andere het manouvreren van auto's en het dichtslaan van autoportieren.
Voor een parkeerterrein geldt, op basis van gebiedstype gemengd gebied, op grond van de VNG-publicatie een richtafstand tot geluidsgevoelige bestemmingen van 10 meter. De fietsenstalling is binnen voorliggend bestemmingsplan als aanduiding opgenomen en ligt op circa 7 meter tot de meest dichtbij gelegen woning. De piekgeluiden vanwege de fietsenstalling worden veroorzaakt door stemgeluid, het stallen van brommers en scooters en het gerammel van de ketting (fietssloten) tegen het fietsframe en de fietsrekken. Deze piekgeluidniveaus ten gevolge van de fietsenstalling zijn niet hoger dan piekgeluiden van manouvrerende auto's en het dichtslaan van autoportieren. Gezien de richtafstand voor een parkeerterrein van 10 meter kan gesteld worden dat voor een fietsenstalling, met een capaciteit van circa 260 fietsen, een kleinere richtafstand aangehouden kan worden. Bij het ontwerp van de fietsenstalling wordt er rekening mee gehouden om eventueel geluid afkomstig van de fietsenstalling zo veel mogelijk te beperken.
Dit wordt gedaan door: de in-/uitgang voor fietsen/brommers/scooters te realiseren aan de zuid- en noordzijde, deze zijdes zijn van de woning afgewend; de naar de woningen gerichte oostzijde van de fietsenstalling dicht uit te voeren; de fietsenstalling te voorzien van een dak; de in-/uitgang voor voetgangers zo dicht mogelijk bij het station, in de van de woning afgerichte noordzijde van de fietsenstalling, te realiseren; blad 68 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
de strook voor het stallen van tweewielers met afwijkende maten zodanig te situeren dat eventuele geluidsoverlast voor de woning zo veel mogelijk wordt beperkt. De maatgevende activiteit voor de fietsenstalling bestaat uit parkeren van brommers en scooters in combinatie met fietskettingen en stemgeluid. Gezien bovenstaande ontwerpuitgangspunten wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter en is geluidsoverlast van de te realiseren fietsenstalling niet te verwachten. Ter plaatse van de huidige woning aan de Julianastraat 118 is in de beoogde situatie de mogelijkheid van een snackbar/ijssalon voorzien. Hiervoor geldt op basis van de VNG-brochure voor 'restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.' een richtafstand van 10 meter tot een rustige woonwijk. Aangezien bij voorliggende ontwikkeling sprake is van gemengd gebied (zie hierboven), kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Zodoende is geen sprake meer van een richtafstand. Binnen het stationsgebouw en het Rijksmonument aan de Julianastraat 118 wordt zaalverhuur, een atelier en detailhandel en horeca tot en met categorie 1 ten dienste van de bestemming mogelijk gemaakt (zie artikel 8 van de regels). In artikel 1.71 (begrippen) wordt voor zaalverhuur aangegeven dat dit kleinschalig zaalverhuur ten behoeve van vergaderfaciliteiten betreft.
Onder een atelier wordt verstaan (artikel 1.11, begrippen): werkplaats voor kunstschilders of andere kunstenaars, waarbij het werkproces grotendeels wordt uitgevoerd met de hand of althans niet in hoofdzaak gemechaniseerd, geautomatiseerd of met behulp van werktuigen, die door energiebronnen buiten de menselijke arbeidskracht worden aangedreven. Voor zover van laatstbedoelde werktuigen gebruik wordt gemaakt, zijn deze als ondergeschikt te beschouwen aan de menselijke handvaardigheid. Binnen horeca gaat het volgens de begrippen (artikel 1.41) van voorliggend bestemmingsplan om 'een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide snacks, ijs en kleine maaltijden zowel ter plaatse als elders, met daaraan ondergeschikt het verstrekken van dranken, zoals een snackbar, cafetaria, lunchroom en ijssalon'. Wanneer de activiteiten zaalverhuur en atelier vergeleken worden met detailhandel en horeca tot en met categorie 1, kan gesteld worden dat laatstgenoemde (detailhandel en horeca tot en met categorie 1) de meest milieubelastende activiteiten zijn. Binnen de VNG brochure geldt voor 'Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.' en ook voor 'Detailhandel voor zover niet elders genoemd' een richtafstand van 10 meter tot een rustige woonwijk.
Aangezien hier sprake is van gemengd gebied (zie hierboven), kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Zodoende is geen sprake meer van een richtafstand. In de bestaande situatie zijn er in de omgeving van het plangebied nog een aantal bedrijven aanwezig. Onderstaand wordt een overzicht gegeven van de toegestane bedrijfsactiviteiten en de ruimtelijke inpassing van het voornemen: in de Julianastraat, nabij de beoogde fietsenstalling, zit Café 'T Rijens Vat. In de VNG brochure geldt voor 'Cafés en bars' een richtafstand van 10 meter tot een rustige woonwijk. Aangezien hier sprake is van een gemengd gebied (zie hierboven), kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Zodoende is geen sprake van een richtafstand; aan de Stationsstraat 1 is nog een horecazaak aanwezig. Het betreft de Heeren van Rijen. Hier is horeca in maximaal categorie 3 toegestaan. Dit houdt in dat een restaurant de maximale invulling betreft. Een restaurant kan worden ingedeeld in milieucategorie 1 en kent een richtafstand van 0 meter tot een gemengd gebied; in het gebouw aan de Stationsstraat 2 is de bestemming 'Gemengd' opgenomen en is een kapper gevestigd.
Een kapper en maatschappelijke dienstverlening (en andere functies die binnen de bestemming 'Gemengd' mogelijk worden gemaakt) kunnen worden ingedeeld in milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter tot een gemengd gebied; blad 69 van 84
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838
naast en achter het perceel Stationsstraat 3 is een bedrijfsbestemming opgenomen. Het bestemmingsplan laat hier bedrijfsactiviteiten tot maximaal milieucategorie 2 toe en kent een richtafstand van 10 meter tot een gemengd gebied. De afstand tot de locatie waar woningbouw is beoogd bedraagt minimaal 40 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand; op het perceel Spoorlaan Noord 17 is een garagebedrijf gevestigd (Geerts). Handel in vrachtauto's (incl. import en reparatie) kan als milieucategorie 3.2 worden ingedeeld. Voor deze categorie geldt een richtafstand van 50 meter tot een gemengd gebied. De afstand tot de nieuwbouwwoningen bedraagt minimaal 100 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering worden geen belemmeringen verwacht voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.16
Gezondheid Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden onderzocht of een bestemmingsplan niet zodanige risico's voor de volksgezondheid meebrengt dat het woonen leefklimaat niet onaanvaardbaar verslechtert. Hierbij is het effect dat nabijgelegen veehouderijen op de volksgezondheid kunnen hebben een mee te wegen belang. Toetsing In het kader van een woningbouwontwikkeling in de omgeving van Rijen is in het kader van de volksgezondheid gekeken naar de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid. Dit is opgenomen in Bijlage 12. Onderstaand zijn de bevindingen uit het onderzoek omschreven. Uit het onderzoek blijkt dat er geen causaal verband aangetoond kan worden tussen een verhoogd gezondheidsrisico en wonen in de omgeving van een veehouderij. Er zijn geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten op basis waarvan zou moeten worden aangenomen dat de geldende toetsingskaders niet toereikend zijn om onaanvaardbare volksgezondheidsrisico's te voorkomen. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar is. Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.