CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2- Schoolstraat 49-51 Toelichting

Gemeenteraad 19 februari 2024, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Intern23.365 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;

In de regels bij dit bestemmingsplan worden specifieke gebruiksregels opgenomen.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

24 van 61

c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;

Stalling van machines en werktuigen vindt plaats binnen de gebouwen. Ter plaatse van de te verwijderen sleufsilo’s en kuilplaten zal een gedeelte van het terrein, maximaal 800 m2, in gebruik worden genomen als depot/buitenopslag voor het hoveniersbedrijf. Hierbij gaat het voornamelijk om kleine gebruikshoeveelheden teeltaarde, zand, grind, groen(afval), etc. Opslag en gebruik van dergelijk materiaal is onlosmakelijk verbonden met de exploitatie van een hoveniersbedrijf van dergelijke omvang. Door het depot/buitenopslag achter de bedrijfsgebouwen te situeren, is er weinig tot geen impact op de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijk gezien vindt er derhalve geen verslechtering plaats aangezien. In de regels van het bestemmingsplan wordt geborgd dat maximaal 800 m2 aan buitenopslag is toegestaan.

d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

In de regels van het bestemmingsplan wordt niet voorzien in uitbreidingsmogelijkheden voor het hoveniersbedrijf waardoor het bedrijf bij uitbreiding genoodzaakt is om elders op een passende locatie te vestigen

Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; De bedrijvigheid is kleinschalig en niet passend op een bedrijventerrein.

b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; Er is geen detailhandelsvoorziening.

c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Er is geen voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg. Gezien het bovenstaande is de beoogde planontwikkeling in overeenstemming met artikel 3.73 van de Iov. Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een bestemmingplan en wordt een zorgvuldige veehouderij verzekerd door opname van voorwaarden in de regels bij dit bestemmingsplan. 3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie, woonvisie, welstandsnota en het bestemmingsplan.

3.3.1. Structuurvisie

De ruimtelijke ambities van de gemeente Gilze en Rijen zijn uitgewerkt in een trilogie, het betreft de Toekomstvisie 2025 ‘Wij zijn Gilze en Rijen’, het ambitiedocument ‘Ambitie Gilze en Rijen – nieuwe kansen!’ en de structuurvisie ‘Stedelijk Gebied Gilze en Rijen’. De basis voor de structuurvisie wordt gevormd in de voorgaande toekomstvisie en het ambitiedocument. De structuurvisie concretiseert de ruimtelijke ambities en is daarmee het uitvoeringsdocument die als onderlegger dient bij toekomstige projecten en bestemmingsplannen.

3.3.1.1.

Toekomstvisie Gilze en Rijen 2025

De toekomstvisie ‘Samen werken aan ontwikkeling: Wij zijn Gilze en Rijen!’ geeft een beeld van de gewenste ontwikkeling van de gemeente tussen nu en 2025. Door de gemeente zijn de volgende ambities opgesteld; - Versterken van onze positie als woongemeente in het groen tussen twee steden;

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

25 van 61

-

Benutten van onze strategische ligging aan belangrijke vervoersassen in Midden-Brabant en versterken van de positie als werkgelegenheidsgemeente met economisch duurzame en beeldbepalende bedrijven; Versterken van de vitaliteit van de kernen met goede voorzieningen op het vlak van sport en cultuur die optimaal worden gebruikt; Versterken van de economische draagkracht van het buitengebied en van de belevingswaarde van dat buitengebied.

Het plan draagt bij om de ambities die de gemeente Gilze en Rijen heeft opgesteld te behalen. Enerzijds zal een nieuwe woonlocatie worden opgericht waarbij het plan bijdraagt aan het versterken van de positie als woongemeenten in het groen. Met name in de kernen Hulten en Molenschot wil men nieuwe woningen realiseren. Uit de visie blijkt dat woningbouwontwikkeling binnen de kernen nodig is om de vitaliteit van de gemeenschappen te kunnen waarborgen. Anderzijds draagt het initiatief bij aan het versterken van de economische draagkracht in het buitengebied en het versterken van de positie als werkgelegenheidsgemeente door het oprichten van een bedrijvenbestemming. Door de wijziging van een agrarische bestemming naar een bedrijvenbestemming wordt voorkomen dat een jong en ambitieus bedrijf zich elders in de regio gaat vestigen. Er zal sprake zijn van een onderneming met voldoende toekomstperspectief voor/in Molenschot.

3.3.1.2.

Structuurvisie ‘Stedelijk gebied Gilze en Rijen’

Volgens de visiekaart is het plangebied gelegen in het lint aan de Schoolstraat, in de overgangszone van het stedelijk gebied naar het buitengebied, zie afbeelding 11. In het lint komen diverse woonbestemmingen en (agrarische) bedrijven naast elkaar voor. De gemeente Gilze en Rijen zet voor Molenschot in op concentrische groei. Hiermee bewaakt de gemeente de ligging van Molenschot middenin het buitengebied. Voorkomen moet worden dat Molenschot, door verdichting van de lintbebouwing, vastgroeit aan recreatie- en campinggebieden rondom het dorp. Daarom wordt er een duidelijke grens getrokken tussen het dorp en het buitengebied, zodat het contrast behouden blijft. De gemeente is terughoudend in het toestaan van nieuwe bebouwing in de linten die buiten het dorp liggen. Dit om het landschappelijk karakter van deze linten te behouden. Echter is het voornemen van de gemeente wel om met een geleidelijke groei jaarlijks enkele woningen toe te voegen binnen Molenschot. Dit om in de lokale woningvraag te kunnen blijven voorzien. Ter plaatse van de Schoolstraat, daar waar het plangebied aan is gelegen, wordt de relatie met het buitengebied versterkt. Dit door grootschalige bedrijvigheid landschappelijk beter in te passen en de schaarse doorzichten te behouden. Daarnaast zet de gemeente er op in om grootschalige bedrijvigheid om te vormen naar kleinschalige woon-werk kavels.

Het initiatief voorziet in de herontwikkeling van een rundveehouderij naar een hoveniersbedrijf en het realiseren van een burgerwoning door splitsing van een bestaande woonbestemming. dit speelt in op de lokale woningvraag en het geleidelijk toevoegen van woningen in Molenschot. Door de ontwikkeling wordt tevens een (grootschalig) agrarisch bedrijf opgeheven en een hoveniersbedrijf, welke valt in een lagere milieucategorie, opgericht. Deze ontwikkeling past binnen de visie van de gemeente om grootschalige bedrijvigheid om te vormen naar kleinschalige woon-werk kavels. Er wordt namelijk een kleinere bedrijvigheid gerealiseerd én een woonkavel. Het plan zal tevens worden voorzien van een goede landschappelijke inpassing waarbij de zichtlijn naar het achtererf gebied behouden zal blijven. Het initiatief sluit derhalve aan bij de uitgangspunten van de Structuurvisie Stedelijk Gebied Gilze en Rijen.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

26 van 61

Afbeelding 13: Uitsnede Structuurvisiekaart, plangebied met rood omcirkeld

3.3.2. Wonen in Gilze en Rijen, doorstromen, duurzaam en divers

De woonvisie ‘Wonen in Gilze en Rijen, doorstromen, duurzaam en divers’ (december 2019) draagt bij aan de ambitie van Gilze en Rijen als een aantrekkelijke, duurzame en gezonde gemeente om in te wonen, te werken en te recreëren. De gemeente zet in op de vitaliteit en leefbaarheid in de kernen, het betaalbaar houden van wonen voor iedereen, het aanpakken van de stevige verduurzamingsopgave en uitvoering geven aan de nieuwe samenwerking binnen wonen, zorg en welzijn. De woonvisie geeft vorm en inhoud aan de ambitie op het gebied van wonen. De woonvisie richt zich op vier pijlers: - Vitale en leefbare kernen; we streven naar het behoud van het dorpse en ruimtelijk karakter, versterken de diversiteit zowel qua woningvoorraad als bevolkingssamenstelling en focussen ons op de bestaande voorraad. - Betaalbaar wonen; we staan voor voldoende betaalbare woningen. We zetten nieuwbouw in als motor voor doorstroming en hebben aandacht voor de huisvesting van bijzondere doelgroepen. - Een duurzame woningvoorraad; sociaal én particulier. Daarbij gaan we voor circulair, klimaat adaptief en een schoon wonen leefklimaat. Hierbij speelt de energie-transitie een belangrijke rol. - Comfortabel wonen met zorg en welzijn; we faciliteren het langer zelfstandig wonen thuis in de wijk en waar nodig in geclusterde vorm.

Geconstateerd is dat er de afgelopen jaren minder is gebouwd dan was berekend in de prognose. Om aan de vraag vanuit de markt te kunnen voldoen, dient de woningproductie vergoot en versneld te worden. De komende jaren wil de gemeente een inhaalslag maken op nieuwbouw. Hiermee wordt voorzien in de (uitgestelde) woningbehoefte en kunnen in de aankomende jaren meer nieuwbouwwoningen worden gerealiseerd, dan in eerste instantie in de provinciale prognose is opgenomen. De komende jaren is men voornemens om een inhaalslag te maken waarbij circa 125 tot 150 woningen per jaar worden gerealiseerd. Onderhavig plan draagt bij aan deze ambitie door toevoeging van één burgerwoning binnen stedelijk gebied.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

27 van 61

3.3.3. Welstandsnota Gilze-Rijen

Het welstandsbeleid van de gemeente Gilze en Rijen is op 20 december 2010 vastgesteld. Het welstandtoezichtbeleid is verbeeld op een ambitiekaart waarop het grondgebied is aangeduid met groene, gele en rode gebieden. Voor de groene gebieden geldt geen voorafgaand toezicht, alleen nog eventueel een ‘vangnetregeling’ achteraf voor bijzondere gevallen. Voor de gele gebieden geldt een beperkt aantal algemene voorschriften en wordt het welstandsadvies gevraagd aan een stadsbouwmeester. Voor de rode gebieden geldt de Welstandsnota Gilze en Rijen en wordt het welstandsadvies gevraagd aan de commissie van Welstand en Monumenten.

Afbeelding 14: Uitsnede welstandsnotakaart, plangebied met zwart omcirkeld

De planlocatie is gelegen in een rood gebied. Dit betekent dat de Welstandscommissie de bouwplannen op basis van de welstandsnota beoordeeld. Het plangebied valt binnen de gebiedscategorie ‘Dorpscentrum Molenschot’. De stedenbouwkundige structuur in het gebied wordt gekenmerkt door gebogen straten waaraan vrijstaande bebouwing zijn gesitueerd op ruime kavels en met kleine verspringingen in de rooilijn. Het straatbeeld is zeer divers en loopt uiteen van kleinschalige woonhuizen tot historische boerderijen. Bebouwing bestaat veelal uit aardkleurig metselwerk en dakbedekking met donkere (gesmoorde) dakpannen of riet. Na vaststelling van het bestemmingsplan zal een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden ingediend, wanneer dit het geval is wordt het initiatief getoetst aan de welstandsnota.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

28 van 61

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. ▪ Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.

Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat er geen negatieve effecten zijn op Natura 2000-gebieden waardoor hiervoor geen MER noodzakelijk is. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Voor de bestemmingswijziging van ‘Agrarisch’ naar ‘Bedrijf’ t.b.v. een hoveniersbedrijf, geldt dat er geen grenswaarden zijn opgenomen in het besluit. De bouw van een woning valt onder categorie D.11.2 van de bijlage bij het besluit MER. Omdat de bouw van één burgerwoning niet wordt gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., is het opstellen van een m.e.r. aanmeldnotitie niet noodzakelijk. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding.

In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

29 van 61

4.2.1.1.

Beleid provincie

Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050.

In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.

4.2.1.2.

Beleid waterschap

Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. De doelstelling van het waterprogramma luidt als volgt; Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen. De ambitie van het waterschap is samen met de omgeving te werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Het realiseren van deze ambitie wordt bereikt aan de had van zes beleidskeuzes; 1. Water als drager voor een vitale regio 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem 3. We werken samen 4. We werken duurzaam 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie.

Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

30 van 61

hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het realiseren van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Brabantse Delta schrijft per 1 april 2021 voor dat voor een toename van minder dan 500 m2 verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn.

4.2.1.3.

Gemeentelijk beleid

De inzameling en het transport van afvalwater is een wettelijk vastgelegde gemeentelijke taak. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2021-2025 is weergegeven hoe de gemeente Gilze en Rijen haar rioleringstaak de komende planperiode vorm wil geven. Negatieve effecten op grond- en oppervlaktewater dienen te worden voorkomen. Een van de uitgangspunten is dat alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten in principe waterneutraal dienen te zijn. De uitbreiding van het verhard oppervlakte mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Hiertoe dient een compensatie voor het plangebied te worden gerealiseerd, welke bij verschillende omstandigheden moet worden getoetst. Voor compenserende maatregelen ten aanzien van afvoer naar het oppervlaktewater, wordt de afstroming vergeleken met de landbouwkundige afvoer. Het verschil tussen de afstroming en de landbouwkundige afvoer wordt gecompenseerd in een voorziening met voldoende retentie. De voorkeur voor hemelwater gaat uit naar, indien mogelijk, bergen en/of infiltreren om verdroging te voorkomen.

Binnen de gemeente zijn de volgende maatregelen opgenomen met als doel het inzamelen van hemelwater, verwerken van hemelwater en het voorkomen belemmering bestemming door grondwater; ▪ Systeemkeuze in de watertoets: alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden in principe waterneutraal uitgevoerd. In eerste instantie wordt geprobeerd te voorkomen dat er negatieve effecten op grond- en oppervlaktewater zijn; ▪ Bij herbebouwing zonder toename van het verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 7 mm. ▪ Bij nieuwbouw of toenemend verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 60 mm. ▪ Ter bescherming van bodem en grondwater dient infiltratie van water vanaf wegen een zuiverende stap te ondergaan (bv. zandfilter of lavakoffer). Bij lozing op oppervlaktewater gelden de lozingseisen van Waterschap Brabantse Delta; ▪ Controle gescheiden aanlevering van hemel- en afvalwater en het vloerpeil bij het verlenen van bouwvergunningen.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande situatie is te zien dat achter de Schoolstraat 51 een B-watergang is gelegen, welke aansluit op een A-watergang.

Afbeelding 15: Uitsnede oppervlakte wateren

Te zien is in afbeelding 19 dat, volgens de legger, door het plangebied en het bouwvlak van Schoolstraat 51 een B-watergang zou moeten lopen. In de naast gelegen luchtfoto is te zien dat deze is gedempt.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

31 van 61

Deze demping heeft in het verleden al plaatsgevonden. In afbeelding 20 is te zien dat deze al in 2007 (laatst beschikbare luchtfoto) al was gedempt. Hier zijn erfverhardingen en sleufsilo’s op aangebracht.

Afbeelding 16: Luchtfoto 2007 (Bron: www.topotijdreis.nl)

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt, ter plaatse van de Schoolstraat 51, het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. Voor de Schoolstraat 49 geldt dat dit perceel planologisch gezien bestemd is als wonen, maar in gebruik is als cultuurgrond/agrarische grond. Op dit perceel zijn geen gebouwen en/of verhardingen aanwezig waardoor er geen afvalwater ontstaat en het hemelwater direct kan infiltreren in de bodem.

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van de omliggende behouden blijvende watergangen in acht worden genomen. Binnen 5 meter van de watergang ten oosten van de Schoolstraat 51 worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt. De watergang die binnen het bouwvlak zou moeten liggen, is reeds gedempt en zal ook gedempt blijven. De watergang die ten oosten van het plangebied ligt, direct aansluitend aan het bouwvlak, zal ook worden gedempt, zie afbeelding 18. Voor het dempen van deze sloot is initiatiefnemer reeds in het bezit van een vergunning. Ter compensatie zal een retentievoorziening ten zuiden van het plangebied worden aangelegd waarin het niet-verontreinigd hemelwater op een natuurlijke manier kan worden opgevangen en kan infiltreren.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

32 van 61

Afbeelding 17: De te dempen watergangen, weergegeven met zwart vierkant

De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. Overtollige agrarische bedrijfsbebouwing en erfverhardingen zullen verdwijnen. Hiervoor in de plaats zullen nieuwe bedrijfsgebouwen worden gebouwd t.b.v. het hoveniersbedrijf. In de beoogde situatie zullen er dus twee nieuwe moderne loodsen met ieder een oppervlakte van 600 m2 aanwezig zijn, de bestaande en verbouwde loods met een oppervlakte van 336 m2 en een overkapping van 160 m2. Dit komt er dus op neer dat in de beoogde situatie 1.696 m2 aan bedrijfsbebouwing t.b.v. het hoveniersbedrijf aanwezig zal zijn. Ten opzichte van de bestaande situatie is er dus sprake van een afname aan bedrijfsbebouwing van 325 m2. Dit brengt een afname in puntlozing met zich mee. Neerslag kan op deze gronden dus direct infiltreren in de bodem. Echter conform het gemeentelijke beleid dient voor vervangend oppervlakte tevens een waterberging van 7 mm te worden gerealiseerd. In de beoogde situatie komt dit neer op 1.200 m2 aan vervangende nieuwbouw en derhalve een waterberging van 8,4 m3 (1.200 m2 * 7 mm). Achter de beoogde nieuwe loodsen van ieder 600 m2 wordt een retentiesloot worden gerealiseerd waarin het niet-verontreinigd hemelwater op een natuurlijke manier kan worden opgevangen en kan infilteren. De retentiesloot beschikt over ruim voldoende capaciteit voor de benodigde wateropvang.

Daarnaast zal op het perceel tussen Schoolstraat 47 en Schoolstraat 51 een burgerwoning worden gerealiseerd. Op dit perceel vindt een toename in verharding plaats. Deze toename zal nooit meer bedragen dan 500 m2. Conform het gemeentelijke beleid dient er derhalve een wateropvang te worden gerealiseerd voor de toename in dakoppervlakte. De exacte toename van dakoppervlakte dient nog nader te worden bepaald aangezien nog niet bekend is wat voor een woning er zal worden gerealiseerd. echter kan er vanuit worden gegaan dat de oppervlakte van de woning circa 200 m2 zal bedragen. Derhalve dient er een retentievoorziening van circa 12 m 3 te worden gerealiseerd (200 m2 * 60 mm). Binnen het plangebied is er voldoende ruimte om een retentievoorziening te realiseren van 12 m 3. De retentievoorzieningen zullen worden gerealiseerd rekening houdend met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De gemiddelde hoogste grondwaterstand binnen het plangebied is in onderstaande afbeelding in beeld gebracht. De gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt tussen de 20 en 80 cm.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

33 van 61

Afbeelding 18: Uitsnede Kaartbank, GHG kaart

In de regels van onderhavig bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie en instandhouding van de waterbergingsvoorzieningen. Op deze manier is er geborgd dat er ten alle tijden wordt voldaan aan het gemeentelijke beleid gekeken naar de waterberging. Voor beide locaties geldt dat afvalwater van huishoudelijke aard wordt geloosd op het gemeentelijk riool waarop beide locaties op worden aangesloten. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

34 van 61

beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding 22. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Afbeelding 19: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Ulvenhoutse Bos, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

35 van 61

vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Ulvenhoutse Bos, dat op een afstand van circa 4,5 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt voor de realisatie- en gebruiksfase van het initiatief. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in bijlage 2. In bijlage 3 en bijlage 4 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Ulvenhoutse bos leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren,

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

36 van 61

amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Schoolstraat 49-51, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen bebouwing en nieuw te realiseren bebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden.

Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Echter, de aanwezigheid van beschermde soorten kan niet geheel worden uitgesloten. Om deze reden is een quickscan flora-fauna uitgevoerd om te onderzoeken of zich in de aanwezige te slopen gebouwen beschermde soorten voorkomen. Tijdens de quickscan is onderzoek gedaan naar aanwijzingen die kunnen duiden op de aanwezigheid van beschermde flora, zoogdieren, vogels, amfibieën, vissen, reptielen, vlinders en libellen. Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Wel geldt dat gedurende de sloopwerkzaamheden rekening gehouden moet worden met het broedseizoen van de vogels. Daarom wordt geadviseerd sloopwerkzaamheden uit te voeren buiten de periode maart en augustus. De zorgplicht is en blijft altijd van kracht. De quickscan is als bijlage 5 opgenomen bij deze toelichting.

De ecologische quickscan is uitgevoerd in het kader van dit bestemmingsplan. Een quickscan is doorgaans 3 jaar geldig. Sinds het uitvoeren van de quickscan is de situatie binnen het plangebied onveranderd. Zo ook de status van het voorkomen van beschermde flora en fauna. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen vergunning noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde planopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.4.1. Cultuurhistorie

Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

37 van 61

Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd.

Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2023 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 23. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

38 van 61

Afbeelding 20: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov

Als aanvulling op de interim omgevingsverordening ‘Stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ wenst de gemeente dat, zolang er geen gemeentelijk beleid is, tevens wordt getoetst aan de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Bestemmingsplannen dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen te worden getoetst aan de CHW-kaart. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. In afbeelding 24 is een uitsnede van de CHW-kaart weergegeven.

Afbeelding 21: Uitsnede CHW-kaart, locatie weergegeven met rode cirkel

Uit een beoordeling van de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat het plangebied is gelegen binnen een regio met een provinciaal cultuurhistorisch belang. Het betreft de regio 'Baronie'. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. De Aa of Weerijs en de Mark bevinden zich in het westelijk deel. In het oostelijke gedeelte ligt de breuklijn die de westgrens vormt van de Roerdal Slenk. In het zuiden stromen 't Merkske, de Chaamse beken en de Strijbeekse beek. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Het cultuurhistorische belang is aanwezig in het feit dat het gebied wordt gekenmerkt door een oud, plaatselijk goed bewaard gebleven cultuurlandschap met tal van oudere en jongere

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

39 van 61

landgoederen. De ontwikkelingsstrategie ziet toe op behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren en het verder ontwikkelen, beschermen en toeristischrecreatief ontsluiten van het gebied. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard. Het initiatief betreft geen ontwikkeling waarin de cultuurhistorische waarden van het gebied kunnen worden versterkt, dan wel zorgt voor een aantasting van de cultuurhistorische waarden zoals aanwezig binnen de regio 'Baronie'. Het planvoornemen tast deze waarden dan ook niet aan.

4.4.2. Aardkundig waardevolle gebieden

Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Verordening ruimte is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. De Provincie heeft de ‘Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ ontwikkeld. De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben. Uit afbeelding 25 blijkt dat de locatie niet gelegen is in een aardkundig waardevol gebied. Derhalve is verdere toetsing niet noodzakelijk.

Afbeelding 22: Uitsnede kaart ‘Aardkundig waardevolle gebieden’, locatie aangeduid met zwarte cirkel

4.4.3. Archeologie

Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.

Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

40 van 61

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. De gemeente Gilze en Rijen heeft daarom op 26 april 2011 het ‘Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gilze en Rijen’ vastgesteld. In het beleidsplan onderscheidt de gemeente Gilze en Rijen een 7-tal verwachtingen. Deze variëren van een zeer hoge verwachting tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen zijn voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek. In afbeelding 26 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart te zien. Uit de afbeelding blijkt dat voor het plangebied twee verschillende archeologische verwachtingswaarden zijn opgenomen. Gedeeltelijk is de locatie gelegen in een gebied zonder archeologische verwachting en gedeeltelijk in een gebied waar een middelhoge archeologische verwachting voor geldt.

Afbeelding 23: Uitsnede gemeentelijk archeologische beleidskaart

Voor ontwikkelingen binnen dit gebied die groter zijn dan 2.500 m2 en dieper gaan dan 0,4 meter onder het maaiveld, geldt een verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek. Aangezien de beoogde ontwikkeling de aangegeven grenzen overschrijdt, geldt dat er een archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Op beide percelen heeft een archeologisch onderzoek plaatsgevonden (zie bijlage 10) om de archeologische waarde ter plaatse te beoordelen. Uit onderzoek is gebleken dat slechts een deel van het plangebied dusdanig is verstoord dat er geen archeologische resten meer worden verwacht. Dit verstoorde deel is weergegeven in bijlage 12 van het archeologisch onderzoek. Doordat dit gedeelte dusdanig is verstoord, zal op dit gedeelte geen dubbelbestemming ‘Archeologie’ worden opgenomen. Voor het overige geldt dat er aanvullend onderzoek wordt geadviseerd. Echter zijn op dit moment geen gegevens bekend over de precieze dieptes van de graafwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw. Hierdoor kan nog niet exact worden bepaald waar wel of geen vervolgonderzoek noodzakelijk is. Geadviseerd wordt om de archeologische onderzoeksgrens over te nemen in het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan zal daarom een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen dat verplicht om vervolgonderzoek aan te leveren ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen.

Het archeologische onderzoek is uitgevoerd in het kader van dit bestemmingsplan. Sinds het uitvoeren van het archeologische onderzoek is de situatie binnen het plangebied niet veranderd; er hebben geen bodemingrepen plaatsgevonden. Derhalve zijn de archeologische verwachtingswaarden niet veranderd.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

41 van 61

4.5. Landschappelijke inpassing De landschappelijke inpassing van het initiatief aan de Schoolstraat is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het ter plaatse aanwezige landschap en op de structuurvisie van de gemeente Gilze en Rijen. Ter plaatse is een oude zandontginningslandschap aanwezig. Landschappelijke kenmerken van dit landschap zijn het relatief open en rationeel verkavelde landschap met grote percelen en linten met laan- en sierbeplanting. Erfbeplanting is rond het erf, ‘cultuurlijk’ aan de voorzijde en meer landschappelijk naar achter toe. In de oude besloten zandontginningen is met de kleinschaligheid bepalend voor de kwaliteit en belevingswaarde. Op de betreffende percelen zijn weinig landschapselementen te vinden, enkel bij Schoolstraat 51 zijn enkele beukenhagen gelegen. De perceelsgrenzen van het beoogde hoveniersbedrijf worden voorzien van nieuwe en bestaande knipen scheerhagen en houtsingels. Hierbij zal een ruimte open gelaten worden om een zichtlijn naar het achterliggende landschap te creëren vanaf de Schoolstraat. Ook bij de woning worden enkele struweelvormers aangeplant. Om te waarborgen dat bij regenbuien met een hoge piekbelasting geen waterschade ontstaat, zal ten zuiden van het plangebied een retentiesloot worden aangelegd. De erfgrens van de Schoolstraat 49 zal ook worden voorzien van een knip- en scheerheg.

Deze nieuwe groenstructuren in het landschap versterken het eigen karakter van het gebied en verkleinen de ruimtelijke schaal. De aan te planten groenstructuren versterken deze karakters. Door deze landschapsversterkende maatregelen wordt de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen verzacht en geheel of gedeeltelijk aan het zicht onttrokken en sluit het aan op de landschappelijke kenmerken van de omgeving en sluit het aan op de Structuurvisie Buitengebied. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage 1 opgenomen bij deze toelichting. 4.6. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich meebrengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering.

Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Voor de Schoolstraat 49 geldt dat ter plaatse reeds een woonbestemming met bouwvlak aanwezig is. Op deze gronden hebben geen bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden die hebben kunnen leiden tot verontreiniging van de bodem en/of grondwater. Een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Voor het hoveniersbedrijf geldt dat er geen nieuw gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De bestaande bedrijfswoning mag al als zodanig worden gebruikt, maar zal enkele meters naar achteren worden geplaatst, daar waar de voormalige rundveestal gesitueerd was. Om deze reden is door Lankelma Geotechniek Zuid B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hiermee is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In de grondmonsters bleek in één van de grondmonsters een verhoogde gehalten met lood aanwezig te zijn. Ter hoogte van de bovengrondse tank is in één van de twee monsters een licht verhoogde gehalte met minerale olie aangetroffen. Op basis hiervan kan de bodemkwaliteit als aanvaardbaar worden geacht. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte met xylenen, barium en nikkel aangetroffen.

In één van de peilbuizen is een verhoogde concentratie van barium aangetroffen welke de interventiewaarde overschrijd.

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

42 van 61

Strikt formeel is de bodem niet geheel vrij van bodemverontreiniging en zou nader onderzoek noodzakelijk zijn naar de verhoogde concentratie barium in het grondwater. In het onderzoeksrapport wordt echter geconcludeerd dat dit niet zinvol wordt geacht omdat; ▪ In de vaste bodem geen verhoging van de onderzochte stoffen zijn aangetoond. Er is dus geen sprake van een bron op locatie die in verband kan worden gebracht met de aangetoonde verhoging; ▪ De filter van de peilbuis is direct geplaatst onder de bodemlaag, daar waar van nature metalen in verhoogde mate worden aangetroffen als gevolg van natuurlijke uitlogging; ▪ Er in de huidige situatie geen humane risico’s zijn; ▪ Uit eerdere uitgevoerde onderzoeken in de omgeving van het plangebied, verhoogde concentraties met barium zijn aangetroffen in het grondwater. In het algemeen kan worden gesteld dat er in de regio lokaal verhoogde gehalten voorkomen zonder dat er een mogelijke bron in de directe omgeving aanwezig is. Op basis van het bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat nader onderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet noodzakelijk is. Er is geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Het gehele onderzoek is in bijlage 6 opgenomen.

Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan. Sinds het uitvoeren van het bodemonderzoek is de situatie binnen het plangebied niet veranderd, er zijn geen bodemverontreinigende ingrepen uitgevoerd. Er kan derhalve vanuit worden gegaan worden dat de bodemgesteldheid niet is veranderd. 4.7. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Binnen een afstand van 50 meter rondom het plangebied zijn geen vollegronds- en sierteelt percelen. 4.8.

Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen:

Toelichting bestemmingsplan Schoolstraat 49-51

43 van 61

▪

▪

Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13664075/1