Bijlage 2 - Ontwerp BP Ruimte voor Ruimte Bolberg
Tekst van het document
Op het maaiveld en in het uitkomende bodemmateriaal zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de geanalyseerde mengmonsters van de fijne fractie met de hoogste verwachtingswaarde zijn geen asbestconcentraties vastgesteld. De locatie kan derhalve als onverdacht worden beschouwd op het voorkomen van asbest in de bodem. Bodem Uit de analyseresultaten blijkt dat zowel in de boven-als in de ondergrond geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten zijn. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium, nikkel, zink, xylenen en naftaleen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw). Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond of puin vrijkomt van het perceel, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van grond elders is de lokale Nota Bodembeheer, het Besluit Bodemkwaliteit, en het Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|58
Alphensebaan ong. (naast nummer 43) Door Aeres Milieu is in juli 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Alphensebaan ong. (naast nummer 43). Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in zowel de bovengrond als ondergrond geen gehalten gemeten zijn verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater is niet aangetroffen in de geplaatste peilbuis bij de grondwatermonstername en is derhalve niet onderzocht. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw). Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS van toepassing. Alphensebaan 67 Door Aeres Milieu is in juli 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Alphensebaan 67-69.
Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn behoudens een asbestverdachte dakbedekking, bovengrondse dieseltank en werkplaats geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. Asbest: In het opgegraven bodemmateriaal zijn ter plaatse van ABG06 en ABG09 sporen baksteen en puin waargenomen. In ABG12, ABG16 en ABG17 zijn sporen baksteen waargenomen. De toplaag van ABG18 (0,05 – 0,15 m-mv.) bestaat volledig uit menggranulaat. Bij het uitkomende bodemmateriaal uit de asbestinspectiegaten zijn in de grove fractie visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de geanalyseerde mengmonsters van de fijne fractie is in mengmonster ABM5 (druipzone) een licht verhoogd gehalte (17,0 mg/kg d.s.) aan asbest in de bodem aangetroffen. In de overige onderzochte monsters (ABM1,ABM3 en ABM5) zijn geen verhoogde concentraties aan asbest aangetoond. Het gehalte ligt ruimschoots onder de helft van de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. waardoor nader asbest in bodemonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Wel wordtgeadviseerd om de bron, zijnde de golfplatendakbedekking, op termijn te saneren conform de geldende regelgeving om te voorkomen dat een bodemverontreiniging ontstaat.
VBO noordelijke deellocatie: In het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met PAK. In de overige bovengrond en ondergrond zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Door het niet aantreffen van grondwater in de peilbuis is besloten om het grondwater zuidelijk van de onderzoekslocatie ter plaatse van de bovengrondse dieseltank te analyseren op het standaardpakket. Dit freatisch grondwater blijkt licht verhoogd met barium, xylenen en minerale olie. Dieseltank: Ter plaatse van de bovengrondse dieseltank zijn in de grond geen verhogingen met minerale olie aangetoond. Het grondwater ter plaatse van de tank is licht verhoogd met xylenen en minerale olie.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|59
Werkplaats: In het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen bijzonderheden waargenomen. In de bovengrond ter plaatse van de werkplaats zijn geen verhogingen aangetoond. Het grondwater ter plaatse van de werkplaats is sterk verhoogd met barium en licht verhoogd met cadmium, kobalt, nikkel, zink en xylenen. Verhoogde gehalten aan barium zijn vaak van natuurlijke oorsprong en kunnen sterk fluctueren met de tijd. Voormalig onderzocht gedeelte perceel door Econsultancy in 2017 Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek kan het restant van de onderzoekslocatie rekening houdend met een lichte verhoging met metalen in de bodem als “onverdacht” worden beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw). Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond of puin vrijkomt van het perceel, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van grond elders is de lokale Nota Bodembeheer, het Besluit Bodemkwaliteit, en het Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing.
Opgemerkt wordt dat asbestverontreinigingen vaak door menselijk handelen veroorzaakt worden en daardoor vaak heterogeen verspreid zijn in de bodem. Dit wil zeggen dat de aan‐ of afwezigheid van asbest per kubieke meter kan verschillen. Het bereiken van resultaat in dit onderzoek is derhalve niet uitsluitend afhankelijk van de inspanning en ervaring van het onderzoeksbureau, maar ook van factoren die buiten onze invloedsfeer vallen. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Alphensebaan 72-74 Door Aeres Milieu is in november 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Alphensebaan 72-74. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn in de bovengrond van boring 25 sporen slakken waargenomen. Ter plaatse van inspectiegaten 05, 06 en 07 is de locatie verhard met menggranulaat. Bij inspectiegat 09 is de locatie verhard met puin. In inspectiegat 17 is een laagje beton aangetroffen. In de ondergrond van boring 29 zijn sporen baksteen en puin waargenomen.
Asbest Ongeveer de helft van de zijden van de asbestverdachte golfplatendakbedekking zijn voorzien van een intacte gootconstructie. Op het maaiveld en in het uitkomende bodemmateriaal zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de geanalyseerde mengmonsters van de fijne fractie is in ABM2 (druipzone) een licht verhoogde asbest concentratie van 13,0 mg/k.g. d.s. aangetoond. In de overige onderzochte mengmonsters zijn geen verhogingen met asbest aangetoond. Daar de verhoging met asbest minder dan de helft van de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.) bedraagt is een nader onderzoek asbest in grond niet noodzakelijk geacht. Bodem Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met koper. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. In het freatisch grondwater zijn geen verhogingen aangetoond
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|60
De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw). Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS van toepassing. Asbestverontreinigingen komen heterogeen verspreid voor in de bodem. Dit wil zeggen dat de aan‐ of afwezigheid van asbest per kubieke meter kan verschillen. Geadviseerd wordt daarom, bijvoorbeeld bij grondwerkzaamheden, alert te blijven op de aanwezigheid van (plaatselijke) asbestverontreinigingen. Versterstraat 26 Door Aeres Milieu is in september 2022 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd aan de Versterstraat 26 in Gilze. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde materiaal is plaatselijk bijmenging met baksteen aangetroffen. Er is visueel asbestverdacht materiaal aangetroffen op het maaiveld en in de bodem. In de bodem is vrijwel geen materiaal >20 mm aangetroffen.
Van de boringen waarbij baksteen is aangetroffen als bijmenging, is een mengmonster geanalyseerd op asbest waarbij analytisch geen asbest is aangetoond. Ook bij de overige analyses op asbest (druipzones) is geen asbest aangetoond. Er is dan ook geen aanleiding voor een aanvullend asbestonderzoek. Rondom de bebouwing zijn plaatselijk licht verhoogde gehaltes aan lood of PCB aangetroffen in de bovengrond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehaltes aangetoond. Het grondwater blijkt licht verontreinigd te zijn met enkele zware metalen en xylenen. Ter plaatse van de bovengrondse dieseltank, zijn geen verhoogde gehaltes van de betreffende parameters aangetroffen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt momenteel geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit, de lokale nota bodembeheer en het Handelingskader PFAS van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|61
5.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat hierbij om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en water en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".
Het groepsrisico (GR) is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs).
Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer (Wm). Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Inventarisatie risicobronnen Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van Nederland.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|62
Uitsnede Risicokaart Nederland
Inrichtingen Binnen of direct grenzend aan de deelgebieden zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Transport over wegen In de nabije omgeving van de deelgebieden zijn geen vaarwegen aanwezig die een beperking vormen in het kader van externe veiligheid. Transport over water In de nabije omgeving van de deelgebieden zijn geen vaarwegen aanwezig die een beperking vormen in het kader van externe veiligheid. Transport over spoor In de nabije omgeving van de deelgebieden is geen spoor aanwezig die een beperking vormt in het kader van externe veiligheid. Transport per buis Op circa 1,8 kilometer afstand van de deelgebieden ligt een aardgasleiding van de Gasunie. Op grond van de circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen kunnen transportroutes op meer dan 200 meter van de deelgebieden buiten beschouwing blijven. Binnen een afstand van 200 meter van de deelgebieden vindt geen transport gevaarlijke stoffen per buis plaats. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.6
Geluid
Wet geluidhinder Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. De Wgh kent drie soorten geluidsbronnen: industrie, wegverkeer en spoorwegen. De wet bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveau als gevolg van deze bronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van deze bronnen, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|63
akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. Bij het vaststellen van geluidbelasting voor geluidsgevoelige functies zoals ‘wonen’ dient op grond van de Wgh iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf is gelegen of voor de weg een maximum snelheidsregime geldt van 30 km/ uur. Op basis van de Wro is het noodzakelijk om aan te tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er moet voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek In het kader van de realisatie van nieuwbouwwoningen op diverse locaties rondom de Bolberg in Gilze, gemeente Gilze en Rijen, is door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder. Het akoestisch onderzoek is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat de plannen zijn gelegen binnen de geluidzones van de Bolberg, Alphensebaan, Klaverstraat, Versterstraat en Alphenseweg (60 km/uur). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de Alphenseweg (30 km/uur) opgenomen in het akoestisch onderzoek. Wet geluidhinder Bolberg De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 43 dB (incl aftrek artikel 110g Wgh).
De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Alphensebaan De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 43 dB (incl. aftrek artikel 110g Wgh). De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Klaverstraat De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 39 dB (incl. aftrek artikel 110g Wgh). De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Versterstraat De voorkeursgrenswaarde wordt wel (alleen bij waarneempunt 73, de voorgevel van de te verbouwen cultuurhistorisch waardevolle schuur Versterstraat 26), maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Versterstraat is maximaal 53 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Gilze en Rijen kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde.
In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het om een transformatie gaat gelegen naast bestaande woningen. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €40.000,- (200 m * 4m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|64
voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Volgens tabel 4.1. t/m 4.6 in het akoestisch onderzoek is zichtbaar dat het gebouw beschikt over tenminste één geluidluwe gevel, de linker-, rechter- en achtergevel zijn een geluidluwe gevel. Alphenseweg (60 km/uur) De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 28 dB (incl. aftrek artikel 110g Wgh). De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Niet gezoneerde wegen Alphenseweg (30 km/uur) Er is sprake van een 30 km/uur zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 29 dB (excl. aftrek artikel 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden, is de belasting 24 dB (incl. aftrek artikel 110g Wgh), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Er wordt een hogere waarde verleend voor de voorgevel van de om te bouwen vlaamse schuur aan de Versterstraat.
5.7
Geurhinder
Dit bestemmingsplan maakt de sanering van vier intensieve varkenshouderijen rondom de Bolberg in Gilze mogelijk. Hierdoor zal de huidige geurhinder van de intensieve veehouderijen op de omgeving weg vallen. Het woon- en leefklimaat aan de zuidzijde zal hierdoor verbeteren. Wet geurhinder en veehouderij In het kader van de ruimtelijke procedure dient enerzijds nagegaan te worden of er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (milieu hygiënische toets) en anderzijds of het planvoornemen leidt tot een belemmering van vergunden rechten van bedrijven in de omgeving. Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheidt gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald.
Locatie geurgevoelig object Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom
Ten hoogste toegestane geurbelasting 3,0 OUe/ m3 14,0 OUe/ m3 2,0 OUe/ m3 8,0 OUe/ m3
Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn. Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|65
Geurverordening en beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder De gemeente Gilze en Rijen heeft op 18 juli 2022 de geurverordening en beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder vastgesteld. Met deze Geurgebiedsvisie, Verordening geurhinder en veehouderij en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen geurhinder wil de gemeente meer perspectief bieden aan gestopte en nog te stoppen boeren én voor de boeren die doorgaan. Ook is deze visie bedoeld om afwegingen te maken bij ruimtelijke initiatieven in het buitengebied en de kernrandzones. Onderzoek Het plangebied valt volgens de kaarten bij de geurverordening in deelgebied B (zone beperkingen veehouderij rondom de kernen).
Uitsnede kaart behorende bij geurverordening, plangebied binnen cirkel Voor deelgebied B bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object 5,0 odour units. De achtergrondbelasting deelgebied B mag maximaal 13,0 odour units bedragen.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|66
Onderhavig planvoornemen betreft een woningbouwontwikkeling met 17 nieuwe woningen. Dit is alleen mogelijk als ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. De aanwezigheid van veehouderijen in de directe omgeving is hierop van invloed. Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom van de gemeente Gilze en Rijen in een nietconcentratiegebied, waarvoor een vaste afstand van 50 meter geldt. Voor de inventarisatie van de veehouderijen is gebruik gemaakt van de kaart ‘veehouderijbedrijf’ van de provincie Noord-Brabant.
Uitsnede kaart Veehouderijbedrijf (de in dit bestemmingsplan te saneren veehouderijen rood omcirkeld)
De dichtstbijzijnde actieve veehouderijen zijn: Alphenseweg 31, melkveehouderij, kortste afstand 110 meter; Bolberg 12, paarden, kortste afstand 200 meter; Horst 12, melkveehouderij, kortste afstand 300 meter; Horst 28, paarden, kortste afstand 300 meter; Horst 31, melkveehouderij, kortste afstand 450 meter Horst 32, melkveehouderij, kortste afstand 400 meter; Het plangebied ligt daarmee ruimschoots buiten de richtafstanden van 50 meter ten opzichte van de omliggende veehouderijen. Daarnaast liggen er reeds meerdere bestaande woningen op veel kortere afstand van de veehouderij(en). De dichterbij gelegen woningen zijn daardoor bepalend voor de mogelijkheden van de veehouderijbedrijven. Gesteld kan worden dat het planvoornemen geen belemmering vormt voor de nabijgelegen veehouderij(en). Om te bepalen of ter plaatse van de woningbouwontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van de kaart ‘Achtergrondbelasting huidige situatie vergund’ uit de geurgebiedsvisie.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|67
Uitsnede kaart Achtergrondbelasting Geur
Op de kaart achtergrondbelasting Geur is te zien dat de verhoogde achtergrondbelasting rondom de Bolberg volledig voor rekening komt van de 4 te saneren intensieve varkenshouderijen. Doordat deze 4 varkenshouderijen met de bijbehorende geurhinder komen te vervallen, zal er sprak zijn van een gebied met een goed tot zeer goede kwaliteit leefomgeving (0-5 OUe/m3). Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat anderzijds het plan geen belemmering vormt voor nabijgelegen overige veehouderijen. Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.8
Luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit in het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. De Wet luchtkwaliteit bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 20 µg/m3
Daarnaast voorziet de Wet luchtkwaliteit in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|68
In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woning vrijgesteld van toetsing. Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2025 (gegevens 2021) ter plaatse gelegen onder de 10 μg/m3. De concentratie PM10 in 2025 (gegevens 2021) is ter plaatse onder de 18 μg/m3. De concentratie NO2 in 2025 (gegevens 2021) is ter plaatse gelegen tussen de 10 en 15 μg/m3. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Luchtkwaliteit t.b.v. aantal verkeersbewegingen Het planvoornemen betreft het herontwikkelen van vier agrarisch bedrijfspercelen naar woningen. Het planvoornemen ligt ver onder de gestelde grens van 1.500 woningen.
De ontwikkeling van de woningen draagt dan ook ‘niet in betekende mate’ bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een aanvullend onderzoek luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.9
Natuurwetgeving
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings-)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden.
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|69
In het natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes: a. Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); b. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; c. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Quickscan natuurwetgeving Door Aeres Milieu is, in het kader van de ontwikkelingen rondom de Bolberg in Gizle, een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Gezien het planvoornemen meerdere locaties omvat, zijn de locaties verdeeld in verschillende deellocaties (zie onderstaand figuur).
Onderverdeling deellocaties
Natura 2000 De plannen zullen naar onze mening waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb. Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|70
Natuurnetwerk Brabant De sloop van de huidige bebouwing, de bouw en het gebruik van nieuwe woningen en de toenemende verkeersbewegingen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciaal beleid. Beschermde planten en dieren Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vleermuizen in deelgebied 3 (Alphensebaan 72-74): aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf De te slopen gebouwen in deelgebied 3 (Alphensebaan 72-74): bevatten mogelijk vleermuisverblijven.
Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig: 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd (15 mei – 15 juli, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken); 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten verspreid over de wijk op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen.
Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangede voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017a). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 12 kasten op te hangen van types als VK WS 02, VK MP 05, VK PL 04 (te bestellen bij vivarapro.nl), Beaumaris maxi (te bestellen bij vivara.nl), VMT1, VMT1a, VMTH1 (te bestellen bij unitura.nl). Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017a), onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. Algemene vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.
Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|71
broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Huismus: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In de te slopen gebouwen in deelgebied 3 (Alphensebaan 72-74) broeden mogelijk jaarlijks huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voordat deze gebouwen worden gesloopt, dient daarom eerst het voorkomen van huismusnesten conform Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017b) te worden onderzocht. Hierbij wordt voor de huismus uitgegaan van 2 ochtendbezoeken in de periode 1 april – 15 mei. Voor elk nest dat verloren gaat, dienen er meerdere alternatieve nestlocaties voor de huismus in de nieuwe situatie te worden gerealiseerd (BIJ12, 2017b). Indien blijkt dat er huismussennesten aanwezig zijn, dient een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Spreeuw in deelgebied 2: compensatie vooraf en aangepaste werkwijze In één varkensstal in deelgebied 2 (Alphensebaan 67-69) bevindt zich een spreeuwennest.
De spreeuw is een ‘categorie 5 soort’; dat wil zeggen dat het nest niet jaarrond is beschermd, maar dat er middels een omgevingscheck dient te worden nagegaan of er in en rond het plangebied of er in en rond het plangebied voldoende alternatieven aanwezig zijn (Ministerie van Economische zaken, 2016). Door tegen de gevel van de woningen -die behouden blijven- een spreeuwenpot of spreeuwennestkast op te hangen, hoeft er voor de sloop van de voormalige varkensstal geen ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Uiteraard dient de sloop van het gebouw wel buiten het broedseizoen van de spreeuw te gebeuren en buiten de periode dat er jonge spreeuwen in het nest aanwezig zijn (buiten de periode 15 april – 15 juli). Verlies roestplaats kerkuil Er bevindt zich een kerkuilenroestplaats op de zolder van één gebouw in deelgebied 3 (Alphensebaan 72-74). Indien dit gebouw wordt gesloopt, zal een roestplaats van de kerkuil worden vernietigd. Nesten en roestplaatsen van de kerkuil zijn in Noord-Brabant jaarrond beschermd. In geval van sloop dient er daarom een ontheffing op de Wnb ten aanzien van de kerkuil te worden aangevraagd. Om die te kunnen krijgen moet middels onderzoek aannemelijk worden gemaakt dat de lokale staat van instandhouding van de kerkuil niet in het geding is.
Ook dienen er dan een of twee kerkuilennestkasten in een gebouw, in of nabij het plangebied te worden opgehangen. Deze nestkasten kunnen dienen als alternatieve roestplaats (of mogelijk zelfs als nestlocatie). Het ophangen van de nestkasten dient onder begeleiding van een deskundige te worden uitgevoerd. Volgens het Kennisdocument Kerkuil (BIJ12, 2017c) moet een vervangende verblijfplaats bij voorkeur in de directe omgeving (binnen 500 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats) worden geplaatst, bij voorkeur minimaal 3 maanden voor de start van de werkzaamheden. Een kerkuilenkast kan worden besteld bij vivara.nl of vogelhuisjes.nl. Indien het gebouw blijft behouden zal er voor de kerkuil geen ontheffing hoeven worden aangevraagd. Aanvullend onderzoek: vleermuizen, huismus, kerkuil Op basis van voornoemde quickscan naar natuurwaarden is er geadviseerd om aanvullend onderzoek uit te laten voeren naar het potentieel voorkomen van kerkuil, huismussen en vleermuizen en de functie van het plangebied voor deze soort(groep)en aan de Alphensebaan 72-74 te Gilze. Deze rapportage is een verslaglegging van het gedane onderzoek met te verwachten effecten en kan als addendum van de quickscan worden gebruikt. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.
Het doel van het aanvullend onderzoek is te onderzoeken of het plangebied deel uitmaakt van het functionele leefgebied van genoemde soorten/soortgroepen en zo ja, voor welke soorten en met welke functie. Eveneens wordt naar aanleiding van de onderzoeksresultaten een effectbeoordeling Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|72
gedaan om te toetsen of de Wet natuurbescherming wordt overtreden door de voorgenomen ruimtelijke ingreep. Uitgevoerd onderzoek van augustus 2022 tot en met juni 2023 leidt tot de conclusie dat er waarnemingen zijn gedaan van huismussen in en rondom de te behouden woning met tuin en in de naastgelegen buurbebouwing. Ook is er waarneming gedaan van twee vleermuissoorten in de directe omgeving van het plangebied, namelijk de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en de Laatvlieger (Eptesicus serotinus). De soorten zijn overvliegend waargenomen in de omgeving van het plangebied en de gewone dwergvleermuis is ook foeragerend en baltsend buiten het plangebied waargenomen. Er zijn geen in- of uitvliegende, bouncende of baltsende vleermuizen bij de te slopen bebouwing waargenomen. Er is geen waarneming gedaan van uilen. De roestplaats in gebouw 4 is gedurende het onderzoek niet in gebruik geweest door de kerkuil. Op basis van uitgevoerd veldonderzoek zullen de voorgenomen ontwikkelingen door gebrek aan verblijfslocaties en het ontbreken van een gebruiksfunctie geen invloed hebben op de aldaar voorkomende vleermuizen. Er worden geen nestlocaties van huismussen of essentieel leefgebied van deze verstoord met de voorgenomen werkzaamheden. De woning met tuin en hagen blijft immers behouden. Er zijn geen nest- of roestplaatsen van uilen aanwezig in de te slopen bebouwing.
De waargenomen roestplaats tijdens de uitgevoerde quickscan is tijdens het onderzoek niet in gebruik geweest door uilen. Er zijn daardoor geen effecten te verwachten die van negatieve invloed zijn op de duurzame staat van instandhouding van de waargenomen soorten en hun functioneel leefgebied. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van de plannen is dan ook niet nodig. Stikstofdepositie Dit bestemmingsplan betreft de sanering van vier intensieve veehouderijen, waarbij de uitstoot van ammoniak van de vier intensieve veehouderijen zal verdwijnen. De veehouderijen worden vervangen door duurzaam gebouwde, gasloze woningen. Dit heeft per saldo een positief effect op de stikstofdepositie op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Voor het planvoornemen moet bekeken worden wat de invloed is van de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. Het Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’ is het dichtstbijzijnd gelegen op circa 6,5 km. De Natura-2000 gebied ‘Ulvenhoutse Bos’ ligt op een afstand van circa 7,5 km van het plangebied. Met behulp van een stikstofdepositieonderzoek (externe bijlage, Ordito BV, 17-01-2023) met de Aerius calculator 2021 is inzichtelijk gemaakt of het planvoornemen van invloed is op de Natura 2000 gebieden.
Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn gedurende de aanleg- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.10
Water
Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|73
worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal waterprogramma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal.
Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; • Beheersbaar programma voor de waterkeringen; • Doelmatig beheer van de waterketen; • Werkzaamheden slim combineren; • Het waterschapsbestuur. Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 Op 22 december 2021 is het regionaal Water en Bodem Programma (RWP) in werking getreden. Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP) en is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP staat voor een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en vitale bodem. Het programma staat voor het herstellen van de systeemwerking. Lange tijd had het waterbeleid als doel om wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Nu wordt er ingezet op het zuinig omgaan met water en de bodem. Daarnaast moet het water en bodemsysteem toegerust zijn op natte en droge tijden.
Waterbeheerplan 2022-2027 (Waterschap Brabantse Delta) In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in deze periode uitvoert. Er staan doelstellingen en ambities in. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet. Bij het opstellen van het Waterbeheerprogramma hebben we aan organisaties en andere belanghebbenden om hun inbreng gevraagd. Maar ook met trends en maatschappelijke ontwikkelingen, zoals klimaat, de inrichting van de ruimte en economische activiteiten is rekening gehouden in het Waterbeheerprogramma. Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is bij de Algemene regelgeving van de Keur het volgende opgenomen: • Bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m2 stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijk beleid. Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|74
•
Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m 2 maar minder dan 10.000 m2 moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m2).
Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. Uitgangspunten gemeente Gilze en Rijen Volgens het Gemeentelijk Rioleringsplan, verbreed GRP Gilze en Rijen 2021-2025, moet bij nieuwbouw en herstructureringsprojecten voorkomen worden dat er negatieve effecten op de waterhuishouding optreden. Bij nieuwbouw of toenemend verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 60 mm. Watertoets Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemde besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|75
Locatie 1A: Alphensebaan 54-56 Bodem en grondwater Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op een hoogte van circa 17,7 meter +NAP. Geomorfologisch is het plangebied op een dekzandplateau gelegen waarbij een hoge zwarte enkeerdgrond te verwachten is (leemarm tot zwak lemig fijn zand).
Uitsnede kaart Grondwaterstanden bodematlas Noord Brabant
Volgens de Bodematlas van de provincie Noord-Brabant is ter plaatse van het plangebied en de omgeving grondwatertrap VII aanwezig. Dit betekent dat het grondwater gemiddeld diep in de ondergrond aanwezig is, waarbij de GHG dieper ligt dan 120 cm onder het maaiveld. Volgens de kaart GHG liggen de hoogste grondwaterstanden tussen 80 en 120 cm-mv. Tijdens het bodemonderzoek (juli 2022) zijn grondwaterstanden van 2,20 m-mv en 3,70 m-mv aangetroffen. Binnen en in de omgeving van het plangebied is geen grondwateroverlast bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. Oppervlaktewater Aan de oost- en westzijde van het plangebied zijn een B-watergangen aanwezig. Werkzaamheden en wijzigingen binnen het plangebied door het planvoornemen mogen geen negatieve impact hebben op de kwaliteit van het oppervlaktewater.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|76
Uitsnede leggerkaart Waterschap Brabantse Delta
Afval- en hemelwater De huidige bebouwing is aangesloten op het drukrioolstelsel langs de Alphensebaan. Afkoppelen hemelwater Momenteel is een groot deel van het plangebied verhard (bebouwd en bestraat). Het algemeen beleid is erop gericht om verhard oppervlak te beperken bij nieuw- en verbouwprojecten. Het plangebied ligt volgens de Bodematlas van de provincie Noord-Brabant in een infiltratiegebied. Het infiltreren van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, ter plaatse geïnfiltreerd te worden. Bestaande situatie In de bestaande situatie is een groot deel van het perceel verhard met te slopen bestrating en gebouwen. Dit betreft een te slopen oppervlakte van ca. 4.800 m2. De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere bestemming Wonen. De achterliggende schuur inclusief bestaand bijgebouw van de bedrijfswoning (totaal 356 m²) blijven behouden. Nieuwe situatie In de nieuwe situatie zijn de volgende verharde oppervlakten aanwezig. •
(semi)openbare ruimte Bruto (verharde) oppervlakten openbare ruimte
Verharding (semi)openbare ruimte
Toekomstige situatie (m²) 0
Benodigde watercompensatie (m3) (60 mm) 0
• Woonkavels Voor de verharding op de woonkavels (woning, bijbehorende bouwwerken en verhardingen) wordt uitgegaan van een gemiddeld van 350 m2 per woning.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|77
Bruto (verharde) oppervlakten woonkavels 3 nieuwe vrijstaande woningen (350 m2 per woning)
oppervlakte (m²)
Ca. 1.050
Benodigde watercompensatie (m3) (60 mm) 63
Het totale verharde oppervlak van de drie nieuwe woonkavels in de toekomstige situatie bedraagt ca. 1.050 m2. In de bestaande situatie is ca. 4.800 m2 aan te slopen verhard oppervlak aanwezig. De afname van het verhard oppervlak bedraagt ca. 3.750 m2. Conform het beleid van de gemeente en het waterschap dient er 60 mm berging per m2 verharding gerealiseerd te worden. Aangezien hier sprake is van nieuwbouw geldt de norm van 60 mm voor het nieuw te ontwikkelen deel van het plangebied, een verhard oppervlak van ca. 1.050 m2. Er dient in totaal te worden voorzien in ca. 63 m3 aan benodigde waterberging voor de gehele planontwikkeling. Om te voorzien in de benodigde waterberging worden de onderstaande maatregelen genomen. Bij de vrijstaande woningen zal watercompensatie op eigen terrein worden gemaakt. Bijvoorbeeld in de vorm van infiltratiekratten onder de oprit of een verlaging / wadi in de tuin. Per woning zal gemiddeld tussen de 21 m3 aan waterberging gerealiseerd moeten worden. Bij een diepte van de voorziening van 0,5 m is er een oppervlakte van 42 m2 per woning nodig. Hierbij kan indien nodig een noodafvoer richting het openbaar gebied worden aangebracht. De benodigde compensatie heeft als boven- en ondergrens respectievelijk de noodoverloopconstructie en de lokale grondwaterstand.
De grondwaterstand is bepaald op de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), zodat infiltratie in de bodem mogelijk is en de capaciteit niet wordt beperkt door grondwater. Bij de nadere uitwerking van de waterhuishouding in een waterhuishoudkundig plan zullen de omvang en ligging van de bergings- en infiltratievoorzieningen nader worden uitgewerkt. In de tuinen is zo min mogelijk verharding aanwezig. In dit bestemmingsplan is daarom een regeling opgenomen dat voor het verharden van de tuinen een omgevingsvergunning noodzakelijk is. De omgevingsvergunning wordt verleend indien: a. aangetoond wordt dat het waterbergend vermogen van de tuin minstens 60 millimeter per uur bedraagt; én b. de gronden binnen deze bestemming niet voor meer dan 60% worden verhard, waarbij de oppervlakte van bebouwde gronden als verharding wordt meeberekend. Watergangen Aan de oost- en westzijde van het plangebied liggen B-waterlopen. Zover bekend blijven deze watergangen behouden. Afhankelijk van eventuele werkzaamheden, bomen of wijzigingen in of nabij het oppervlaktewater dient men hiervoor een melding of vergunning aan te vragen. Om de kwaliteit van het oppervlaktewater te waarborgen is het belangrijk om te bouwen met duurzame en niet-uitlogende bouwmaterialen. Hieraan kan voldaan worden bij de nieuwbouw.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|78
Locatie 1B: Alphensebaan tegenover no. 36 Bodem en grondwater Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op een hoogte van circa 17,4 meter +NAP.
Uitsnede kaart Grondwaterstanden bodematlas Noord Brabant
Volgens de Bodematlas van de provincie Noord-Brabant is ter plaatse van de geprojecteerde woning het plangebied grondwatertrap VII aanwezig. Dit betekent dat het grondwater gemiddeld diep in de ondergrond aanwezig is, waarbij de GHG dieper ligt dan 120 cm onder het maaiveld. Volgens de kaart GHG liggen de hoogste grondwaterstanden tussen 80 en 120 cm-mv. Tijdens het bodemonderzoek (juli 2022) is geen grondwater aangetroffen. Dit betekent dat het grondwater ten tijde van het onderzoek dieper dan 5 m-mv was. Binnen en in de omgeving van het plangebied is geen grondwateroverlast bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. Oppervlaktewater Aan alle vier de zijden van het plangebied zijn B-watergangen aanwezig. Werkzaamheden en wijzigingen binnen het plangebied door het planvoornemen mogen geen negatieve impact hebben op de kwaliteit van het oppervlaktewater.
Uitsnede leggerkaart Waterschap Brabantse Delta Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|79
Afval- en hemelwater Momenteel is er geen bebouwing en rioolaansluiting aanwezig. Afkoppelen hemelwater Momenteel is het plangebied volledige onverhard. Het algemeen beleid is erop gericht om verhard oppervlak te beperken bij nieuw- en verbouwprojecten. Het plangebied ligt volgens de Bodematlas van de provincie Noord-Brabant in een infiltratiegebied. Het infiltreren van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, ter plaatse geïnfiltreerd te worden. Bestaande situatie Momenteel is het plangebied volledige onverhard. Nieuwe situatie In de nieuwe situatie zijn de volgende verharde oppervlakten aanwezig. •
(semi)openbare ruimte Bruto (verharde) oppervlakten openbare ruimte
Toekomstige situatie (m²)
Verharding (semi)openbare ruimte
0
Benodigde watercompensatie (m3) (60 mm) 0
• Woonkavels Voor de verharding op de woonkavels (woning, bijbehorende bouwwerken en verhardingen) wordt uitgegaan van een gemiddeld van 350 m2 per woning. Bruto (verharde) oppervlakten woonkavels 1 nieuwe vrijstaande woningen (350 m2 per woning)
oppervlakte (m²)
Ca. 350
Benodigde watercompensatie (m3) (60 mm) 21
Het totale verharde oppervlak van de nieuwe woonkavel in de toekomstige situatie bedraagt ca. 350 m2. Conform het beleid van de gemeente en het waterschap dient er 60 mm berging per m2 verharding gerealiseerd te worden. Aangezien hier sprake is van nieuwbouw geldt de norm van 60 mm voor het nieuw te ontwikkelen deel van het plangebied, een verhard oppervlak van ca. 350 m2. Er dient in totaal te worden voorzien in ca. 21 m3 aan benodigde waterberging voor de gehele planontwikkeling. Om te voorzien in de benodigde waterberging worden de onderstaande maatregelen genomen. Bij de vrijstaande woningen zal watercompensatie op eigen terrein worden gemaakt. Bijvoorbeeld in de vorm van infiltratiekratten onder de oprit of een verlaging / wadi in de tuin. Per woning zal gemiddeld tussen de 21 m3 aan waterberging gerealiseerd moeten worden. Bij een diepte van de voorziening van 0,5 m is er een oppervlakte van 42 m2 per woning nodig. Hierbij kan indien nodig een noodafvoer richting het openbaar gebied worden aangebracht. De benodigde compensatie heeft als boven- en ondergrens respectievelijk de noodoverloopconstructie en de lokale grondwaterstand. De grondwaterstand is bepaald op de Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Bolberg
|80
gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), zodat infiltratie in de bodem mogelijk is en de capaciteit niet wordt beperkt door grondwater. Bij de nadere uitwerking van de waterhuishouding in een waterhuishoudkundig plan zullen de omvang en ligging van de bergings- en infiltratievoorzieningen nader worden uitgewerkt. In de tuinen is zo min mogelijk verharding aanwezig. In dit bestemmingsplan is daarom een regeling opgenomen dat voor het verharden van de tuinen een omgevingsvergunning noodzakelijk is. De omgevingsvergunning wordt verleend indien: a. aangetoond wordt dat het waterbergend vermogen van de tuin minstens 60 millimeter per uur bedraagt; én b. de gronden binnen deze bestemming niet voor meer dan 60% worden verhard, waarbij de oppervlakte van bebouwde gronden als verharding wordt meeberekend. Watergangen Aan alle vier de zijden van het plangebied liggen B-waterlopen. Zover bekend blijven deze watergangen behouden. Afhankelijk van eventuele werkzaamheden, bomen of wijzigingen in of nabij het oppervlaktewater dient men hiervoor een melding of vergunning aan te vragen. Om de kwaliteit van het oppervlaktewater te waarborgen is het belangrijk om te bouwen met duurzame en niet-uitlogende bouwmaterialen. Hieraan kan voldaan worden bij de nieuwbouw.
Locatie 2: Alphensebaan 67 Bodem en grondwater Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op een hoogte van circa 17,0 meter +NAP. Geomorfologisch is het plangebied deels op een dekzandplateau en deels op een terrasafzettingswelving gelegen waarbij een hoge zwarte enkeerdgrond te verwachten is (leemarm tot zwak lemig fijn zand)..