CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1- Toelichting bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

Gemeenteraad 20 juni 2024, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen18.176 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bij sommige besluiten is niet meteen duidelijk of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. In deze grensgevallen moet eerst worden beoordeeld of sprake is van een m.e.r.plicht. Dit gebeurt door middel van een aparte procedure, de zogenoemde m.e.r.-beoordeling.

Deze m.e.r.-beoordeling is ook vereist voor activiteiten die onder de drempelwaarden van het Besluit m.e.r. liggen. In die gevallen moet het bevoegde gezag er zich van vergewissen dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Voor deze 'vergewisplicht' gelden geen vormvoorschriften en is sprake van een vormvrije m.e.r.- beoordeling. Wel moet er bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgens bijlage III van de EEG-Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG) worden getoetst aan de drie volgende hoofdcriteria: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Be­ sluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Het is voor de beoogde ontwikkeling op de locatie niet noodzakelijk een milieu effect rapportage op te stellen. Het initiatief kan immers niet worden aangemerkt als een activiteit die voorkomt in een van de categorieën uit bijlagen C en D van het Besluit m.e.r. Mocht in de toekomst de

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 27

arvalis dieraantallen worden vergroot dan zal te zijner tijd deze beoordeling opnieuw uitgevoerd moeten

worden.

Het is voor de ontwikkeling van het plangebied niet noodzakelijk om een M.E.R.. beoordeling of vormvrije M.E.R.. te doorlopen. Bijlage D van het Besluit m.e.r. bevat geen artikel omtrent

vergroting en verandering bouwblok. In het vervolg van dit hoofdstuk worden relevante milieuaspecten opeenvolgend behandelt.

4.1.2 Geluid Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet

geluidhinder kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs

(spoor)wegen en zones bij industrieterreinen die aandachtsgebieden voor mogelijke geluidhinder begrenzen.

Volgens de Wet geluidhinder gelden voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen dan

woningen en andere geluidsgevoelige objecten binnen de zone van een weg, geluidswaarden die niet overschreden mogen worden.

Er zijn maar een beperkt aantal activiteiten op het plangebied waarbij geluid geproduceerd wordt. Dit wordt inrichtingslawaai genoemd. Het aanvoeren van voer voor de aanwezige silo's geschiedt

hoofdzakelijk via vrachtwagens. Er zullen andere geluid producerende activiteiten gaan

plaatsvinden. Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige bestemming, zullen geen ruimtelijke bezwaren te verwachten zijn. Het bedrijf op het plangebied is op ruim 250 meter van nabijgelegen functies gelegen. Eventuele toename van geluid afkomstig van het plangebied zal

geen invloed hebben op functies in de omgeving. De toekomstige uitbreiding van het bedrijf met

bijbehorende activiteiten is geheel gericht op het melkveebedrijf en heeft geen andere geluidsuitstralingen dan de huidige. De 250 meter afstand is hiervoor toereikend. In paragraaf

4.1.7 'Bedrijven en milieuzonering' wordt ingegaan op de richtafstanden volgens de VNG. Er liggen meerdere functies in de omgeving. Ten Oosten is een woonhuis met bestemming

Agrarisch en ten westen een woonhuis met functieaanduiding fruitteelt. Op dezelfde afstand ten westen is een woonhuis met bestemming detailhandel. In afbeelding 4-3 is te zien dat de afstand

tot eerstvolgende geluidsgevoelige functie (woning) totaal 280 meter is. Er is geen sprake van een nieuwe geluidsgevoelige functie, een toets aan de Wgh kan achterwege blijven.

De ontwikkeling op het plangebied zorgt voor andere geluid producerende activiteiten. De afstand tot aan de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige bestemming is 250 meter. Mocht het bedrijf uitbreiden in de toekomst met de transitiestal dan is de afstand tot nabijgelegen functies dusdanig groot dat op voorhand eventuele overlast is uit te sluiten.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 28

arvalis 4.1.3

Luchtkwaliteit

Titel 2 van hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (deze titel wordt ook wel aangeduid als 'Wet luchtkwaliteit') voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt 'niet in betekende mate'

bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PMi0) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 pg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Er dient met name gekeken te worden naar de emissie van fijn stof (PM10). Op grond van de Wet luchtkwaliteit gelden grenswaarden waaraan voldaan moet worden. De grenswaarden waaraan

getoetst wordt zijn: •

Jaargemiddelde concentratie: 40 pg/m3;

•

Daggemiddelde concentratie: 50 pg/m3;

•

Aantal toegestane overschrijdingen daggemiddelde: 35 keer.

Vanuit de rijksoverheid worden er via de atlas voor de leefomgeving diverse kaarten met

informatie over de leefomgeving gepubliceerd. Uit gegevens van het Compendium voor de Leefomgeving blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van overschrijding van de grenswaarden. In de atlas is ook een kaart opgenomen over de luchtkwaliteit, specifiek de

concentratie fijnstof (pmlO). In figuur 4-1 is een uitsnede van deze kaart weergegeven, met een stip is de initiatieflocatie aangeduid. Op deze uitsnede is te zien dat de fijnstofconcentratie in het

plangebied ongeveer 18-19 pg/m3 betreft.

Legenda: Fijn stof conc. (ug pm10/m3)

< 15 15 - 17

17 - 18 18 - 19 19 - 20 20-21

21-22

22 - 23

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 29

arvalis Figuur 4-1: fijnstof op het plangebied Zoals in figuur 4-1 zichtbaar is, is er op het plangebied sprake van een fijnstof concentratie van 18 - 19 ug per kubieke meter lucht. Dit is als goed aan te merken. De concentratie blijft ruim onder

de door de wet gestelde grenswaarde.

De functiewijziging, met mogelijk enkele vervoersbewegingen meer per week, zal niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden voor PM10 uit de Wet Luchtkwaliteit.

Q Fijnstof 2021 (PM2,5) Transparantie: 20%

Legenda: Fijn stof conc. (pg PM2.5/m3) <5

ol O

----- WHO advieswaarde

5-7

7 -8 8 -9

9 -10 |10 -11 11 -15

Afbeelding 4-2: Uitsnede atlas van de leefomgeving fijnstofkaart 2021 (PM2,5)

Q Stikstofdioxide 2021 (NO2) Transparantie: 20%

Legenda: N02 conc.

(pg/m 3)

l< 8 8-10

----- WHO advieswaarde

10-12 12 -14

14-16

116-20 20 - 25

Toon volledige legerdo..

Afbeelding 4-3: Uitsnede atlas van de leefomgeving fijnstofkaart 2021 (NO2) Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2020) ligt de

concentratie PM2,5 op 8-9 pg/m3, zie afbeelding 4-2. Daarnaast ligt de concentratie NO2 ter plaatse op 12-14 pg/m3, zie afbeelding 4-3 In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde

grenswaarde voor PM10 40 pg/m3 en voor PM2,5 25 pg/m3. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 pg/m3. Volgens de GCN en GDN is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

30

arvalis

NIBM Het Besluit 'niet in betekenende mate bijdragen' staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor' 10.2.e in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke projecten of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage hebben aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toepassing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het project al 'NIBM'. Behalve de getalsmatige onderbouwing geeft de regeling NIBM aan dat een woningbouwplan met minder dan 1500 woningen per definitie niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project is 'NIMB' wanneer maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PMio) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 pg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het project is wel in betekende mate (IMB) indien de toename voor één of beide stoffen hoger is.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties. Het project is dan NIBM als ze onder de vastgestelde omvang blijft. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3% grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Dit mag ook als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt. Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. De Regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een project altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is.

Verkeer Het plan heeft gelet op de aard van de ontwikkeling mogelijk invloed op de luchtkwaliteit. In de huidige bestemming wordt het bedrijf bezocht door divers verkeer voor de aanvoer van voer, afvoer van melk en bezoek van controlerende of ondersteunende instanties. Een deel van dit verkeer vindt plaats via zwaar vrachtverkeer. Om toch te bepalen of deze ontwikkeling in betekenende mate gezien kan worden is een fictieve berekening uitgevoerd met een worst case situatie. In dit geval zou de bestemmingswijziging 20 extra voertuigbewegingen per dag betekenen van personenauto's en vrachtverkeer. Het aantal van 20 bewegingen extra is extreem veel en volledig fictief om een worst-case situatie te simuleren. Het voorbeeld is gekozen om een extreme situatie te toetsen waarmee kan worden gesteld dat het regulier verkeer in ieder geval niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In onderstaand figuur is de uitkomst van deze berekening zichtbaar.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 31

arvalis ■

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

20

Aandeel vrachtverkeer NO2 in ug/m3

10.0%

PM10 in ug/m3

0,00

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

Grens voor' Niet In Betekenende Mate" in pg/m3 Conclusie

0,03 1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 4-2: Worst-case NIBM berekening

De beoogde ontwikkeling brengt andere vervoersbewegingen met zich mee. Als deze extra voertuigbewegingen in worst-case-scenario extreem hoog zijn, zal de luchtkwaliteit niet in betekenende mate wijzigen. De luchtkwaliteit zal niet wijzigen door vormverandering van het bouwvlak om in de toekomst een transitiestal te bouwen en de voeropslag te herstructureren ten behoeve van het dierenwelzijn. Er vindt geen toename van dieraantallen plaats.

4.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten. De voorgeschreven afstanden moeten bij verlening van een (milieu)omgevingsvergunning voor de veehouderij worden toegepast. De Wgv is van toepassing op alle vergunningplichtige activiteiten. Het Activiteitenbesluit (1 januari 2013) is het toetsingskader voor niet vergunningplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige activiteiten. In dit besluit zijn de bepalingen uit de Wgv als uitgangspunt genomen, zodat voor inrichtingen die onder de werking van dit besluit vallen vrijwel dezelfde regels gelden als voor (omgevings-)vergunningplichtige bedrijven.

Geurgevoelige objecten kunnen bedrijfswoningen van omliggende functies zijn of functies die een bescherming vanuit de Wgv kennen. Voor melkveehouderijen is een richtafstand van minimaal 50 meter van kracht die aanwezig moet zijn tussen melkveehouderijen en geurgevoelige objecten. Naast de Wet geurhinder en veehouderij heeft de gemeente Gilze en Rijen een geurverordening waar aanvullende regels in worden gesteld. In onderstaand figuur is een uitsnede van een geografische kaart gegeven. De afstanden zijn gemeten aan de hand van de planologische mogelijkheden. Er is gemeten vanaf het bouwblok van onderliggend plan tot aan het bouwblok van de nabijgelegen woningen. In het midden is het plangebied aangeduid. Te zien is dat er tussen het plangebied en de meest nabijgelegen functie

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 32

arvalis

3

minimaal 274 meter aanwezig is. Andere (niet-agrarische) bedrijfswoningen liggen op grotere afstand.

Door de vergroting van het bouwvlak en toekomstige bouw van een transitiestal, zal de contour die samenhangt met de vaste aan te houden afstand wel groter worden. De afstand tussen de gevel van het dichtstbijzijnde dierenverblijf behorende tot een veehouderij en een geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom, tenminste 50 meter bedragen. Ten opzichte van het voorgaande bouwvlak (Figuur 2.3) is de vergroting minimaal. En gezien de ligging van het perceel in de landerijen en de afstand tot de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten is dit te verwaarlozen. De afstand tot aan de eerstvolgende locatie is 274 meter.

)

Zwarte Dik 284,47m Totaal 284,47

2839 Totaal: 278,52 m

1Be

Totaal 274,88

[

Figuur 4-3: afstand plangebied tot meest nabijgelegen locaties

Behalve eventuele geurhinder afkomstig van het plangebied is het ook van belang om te kijken naar het woon- en leefklimaat op het plangebied zelf. Ondanks dat er geen geurgevoelige objecten worden opgericht dient rekening te worden gehouden met het woon- en leefklimaat. Ter ondersteuning heeft de ODZOB een achtergrond concentratiekaart geur beschikbaar gesteld. In onderstaand figuur is een uitsnede van de kaart weergegeven, het plangebied is in "goed" gebied gelegen.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 33

arvalis cl

Achtergrondbelasting geur Kwaliteit leefomgeving (geurbelasting in ouE/m3)

S zeer goed 0-3

□ goed 3-7

E

5

□ □ □ □

| I Search Results

•V* k

3)x0*

• X

/ Zwarte Dijk 43, 10.2.e

1

redelijk goed 7-13 matig 13-20

tamelijk slecht 20-28

| slecht 28-35 zeer slecht 35-50

_| extreem slecht 50->

Zoomen naar

Zwart t? D

53

Figuur 4-4: uitsnede achtergrondkaart geur

Geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling (het uitbreiden van het bouwvlak voor realisatie transitiestal en voeropslag t.b.v. dierenwelzijn). De rundveehouderij heeft geen

emissie van geur, en levert dus ook geen bijdrage aan de achtergrondgeurbelasting. Tevens is het

plangebied geïsoleerd en op ruime afstand (minimaal 274 meter) van directe buren gelegen. Ook aan het gestelde in de gemeentelijke geurverordening wordt voldaan.

4.1.5

Gezondheid

De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 omschrijft dat de laatste jaren mogelijk nadelige gevolgen van de veehouderij op de volksgezondheid volop in de belangstelling staan. Met name in veedichte gebieden zoals we die in de provincie Noord-Brabant kennen, bestaat onder de

bevolking steeds meer onrust. Hierbij komen zaken naar voren als angst voor ziekten die

overdraagbaar zijn van dier op mens (zoönosen), luchtwegaandoeningen, maar ook stress in verband met verminderde leefkwaliteit door regelmatige geurhinder. De ongerustheid komt vooral

naar voren bij de ontwikkeling van grote veehouderijen in de directe omgeving van burgers. De volgende aspecten worden in een stroomschema meegenomen in de afweging of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering

vanuit de GGD wenselijk is: 1. voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand (= afstand waarbinnen naar alle

waarschijnlijkheid de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden);

2. Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; 3. de wijze waarop met geurbelasting wordt omgegaan voor een aanvaardbaar woon-/leefklimaat;

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

34

arvalis 4. bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij;

5. geitenhouderij binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige

veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden

6. de aanwezigheid van mestbe- en verwerking; 7. ongerustheid bij omwonenden.

Door middel van het doorlopen van het stappenplan in deze Handreiking veehouderij en

volksgezondheid 2.0 is duidelijk voor het bevoegd gezag of er knelpunten zijn in onderliggend plan. Het stappenplan bestaat uit 7 vragen m.b.t. de 7 bovengenoemde aspecten. Alle 7 aspecten kunnen met 'nee' beantwoord worden voor onderliggend plan waardoor Advisering door GGD niet geadviseerd wordt. In de toekomst zal, bij een bouwvergunning, dit stroomschema opnieuw getoetst worden.

Gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er hoeft geen advies opgevraagd te worden bij GGD.

4.1.6

Bodem

Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 van de Algemene wet

bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie

tot de gewenste functies. Afhankelijk van hetgeen er op die locatie gebouwd wordt, is dan nog een bodemonderzoek nodig. Dat is niet aan de orde wanneer er ruimtes worden opgericht die niet bestemd zijn voor menselijk verblijf.

Bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er worden geen ruimten ontwikkeld waar mensen zullen verblijven. De grond is agrarisch en zal agrarisch blijven. Een

verder onderzoek is niet noodzakelijk. Bij de toekomstige bouwaanvraag van de transitiestal zal

een bodemonderzoek uitgevoerd worden om aan de t.z.t. stellende wetgeving te voldoen.

4.1.7 Bedrijven en milieuzonering Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te maken wordt in de

ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient ervoor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende afstand tussen bedrijven en gevoelige objecten (zoals woningen),

geen overlast, hinder of schade ontstaat. Deze ruimtelijke zonering is gebaseerd op het in acht

nemen van voldoende fysieke afstand. Afhankelijk van bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden.

Om gemeenten te ondersteunen in het keuzeproces welke bedrijven gewenst en welke bedrijven ongewenst geacht worden heeft de vereniging Nederlandse gemeenten (VNG) een Handreiking Bedrijven en milieuzonering uitgebracht. De Handreiking, in de vorm van een gids, geeft voor verschillende bedrijfstypen richtafstanden op de onderdelen geur, stof, geluid en gevaar.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 35

arvalis In onderstaand figuur is een uitsnede van de handreiking gegeven met de relevante gegevens voor een rundveehouderij zoals deze op het plangebied is gelegen. In onderstaande tabel 4-1 zijn eveneens de afstanden weergegeven voor een tuincentrum, op circa 274 meter ten westen van het plangebied is dit tuincentrum gelegen. Het tuincentrum is de meest nabijgelegen functie. Verderop de Zwarte Dijk is een agrarische bestemming gelegen maar er is geen actieve vergunning op dit bedrijf aanwezig. Hieronder is de toetsing wel meegenomen.

CATEGORIE

35

DETAILHANDEL EN REPARATIE T.B.V. PARTICULIEREN_____________ Bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten

GROOTSTE AFSTAND

40

LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW Fokken en houden van rundvee

GEVAAR

27 47 54752

GELUID

01 0141 0142

‘0121 52 52 15246/9 -

STOF

01

AFSTANDEN IN METERS

OMSCHRIJVING

GEUR

SB 2008

nummer

SBI 19S3

100

30

30 c

o

100

3.2

O

O

30

10

30

2

100

50

100

30 R

100

3.2

- covergisting verbranding en vergassing van mest slib. GFT en reststromen

B1 voedingsindustrie

Figuur 4-5: uitsnede handreiking bedrijven en milieuzonering

Activiteit Richtafstand (grootste afstand) Toekomstige afstand Wordt aan richtafstand voldaan? Omgevingstype

Zwarte Dijk 4IA Agrarisch - Fruitteelt 100 meter 278 meter Ja Rustig buitengebied

Zwarte Dijk 62 Tuincentrum 100 meter 274 meter Ja Rustig buitengebied

Zwarte Dijk 72 Agrarisch 100 meter 284 meter

ja Rustig buitengebied

Tabel 4-1: uitsnede handreiking bedrijven en milieuzonering

Te zien is dat de grootste afstand in figuur 4-5 de richtafstand voor het aspect geur betreft die in de handreiking op 100 meter is gelegd. Er is tussen het plangebied en nabijgelegen functies ten oosten en ten westen van het plangebied, in ieder geval sprake van een afstand van 274 meter waarmee ruimschoots voldaan wordt aan de richtafstand. Het plangebied heeft het kenmerk omgevingstype: rustig buitengebied. Het nabijgelegen tuincentrum kent een minimale belasting op de omgeving en er is voldoende afstand aanwezig tussen het tuincentrum en het plangebied. Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is in de huidige situatie al sprake van een aanzienlijke afstand (ruim 274 meter) tussen het plangebied en omliggende locaties. De vergroting van het aanwezige bouwvlak heeft tevens geen invloed op de richtafstanden zoals deze gelden.

4.2

Ruimtelijke aspecten

Inleiding In ruimtelijke zin vindt er een beperkt aantal wijzigingen plaats op het bedrijf. Het formaat van het bedrijf groeit van 1,5 naar 2 hectare echter veranderen de activiteiten op het plangebied niet tot minimaal. In deze paragraaf passeren alle relevante ruimtelijke aspecten de revue en wordt kort toegelicht welke impact de beoogde ontwikkeling mogelijk heeft op deze aspecten.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

36

arvalis 4.2.1

Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving

kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's, Bevi-inrichtingen en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidsituatie mede de ruimtelijke

mogelijkheden. Binnen het aandachtsgebied externe veiligheid wordt er onderscheid gemaakt in

drie soorten risicobronnen, namelijk transportroutes (weg, water en spoor), inrichtingen met gevaarlijke stoffen en buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onderzoek gedaan worden naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de aanwezige risicobronnen voor zover de ontwikkeling gelegen is in het

invloedgebied van die bronnen.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR.10-6) is een (berekende) afstand vanaf een risicobron waarbinnen de kans voor een persoon om te overlijden door een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen per jaar is. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten

aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld grote kantoren, kinderdagverblijven e.d.

Groepsrisico

Het groepsrisico is een berekende waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om het groepsrisico te berekenen is inzicht noodzakelijk in de aanwezige populatie binnen het bestemmingsplan en de omgeving ervan.

In onderstaand figuur is een uitsnede van de openbare risicokaart weergegeven. Het plangebied is

met een blauwe cirkel aangeduid. lli I

b“

P

o

ë

B 43

*

ü 1.529.02 m

ewiath-staat4°e

üo-zwarnterDe*

N

N

ee

N N

-

■

44

N N

<3

»

8

3bss’ o

f£

4 O

.02 • -*thide

O

i

056 ■ l' -5a '/ 2

5 ? ■ ’-

1

1,5244 J I

T 1

d

c

Uug

)

.N

*

8 3

1

"*33

I

tek straal 9

m,. Oke Im - "*3.

"iertstraa 1 1 I I 1 1 1 I

1

5,

cue c2e9 A 7t d% A't 558.*£

a2 1

\ \ 1

e

a

r o

\

N

”, 6

‘I t -

5—

1

EIm

unmnznzaxamn

6

J0

9 « O o®6

Enoe

m

Figuur 4-4: uitsnede risicokaart

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

37

arvalis

In de omgeving van het plangebied is ten oosten een buisleiding aanwezig (A-531) op 1.530 meter en is ten zuiden een spoorwegverbinding gelegen op 1.143 meter. Beide bronnen van potentieel risico zijn op ruim een kilometer van het plangebied gelegen. Onderhavige locatie is derhalve niet gelegen binnen het invloedgebied van deze bronnen. Voor de buisleiding geldt namelijk een invloedgebied van 240 meter, voor de spoorweg een normaal invloedgebied van 995 meter. Dit spoorweg tussen Breda - Tilburg bevat de stof code D4 dit valt onder de typering Zeer toxische vloeistof wat een invloedgebied kan hebben van >4.000 meter. De afstand tot het plangebied is 1.143 meter, het invloedsgebied van het spoortraject Breda - Tilburg ligt over het plangebied.

Artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes omschrijft als volgt: In de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op:

a.de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en

b.voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.

Voor de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaard advies van de veiligheidsregio Midden- en West Brabant. Gezien de afstand tussen het plangebied en de transportroutes levert het plaatsgebonden risico van die route geen belemmeringen op. Het groepsrisico van deze transportroute wordt, gezien de relatief grote afstand tussen de risicobronnen en het plangebied, niet beïnvloed door het onderhavige bestemmingsplan. Doordat met onderhavig initiatief er planologisch gezien geen activiteiten mogelijk worden gemaakt waarbij de aanwezige populatie binnen het plangebied significant toeneemt, zal het groepsrisico ten aanzien van beide bronnen daarom ook ongewijzigd blijven.

Enige toename in risico voor wat betreft externe veiligheid is daarmee uit te sluiten. Mocht zich overigens een zeer groot incident voordoen dan is vluchten vanaf het plangebied, bijvoorbeeld naar het noorden via de Hannie Schaftlaan of in westelijke richting een reële en zeer bereikbare mogelij kheid. Beperkt kwetsbaar opbject In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van een beperkt kwetsbaar object. Beperkt kwetsbare objecten zijn: verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal 2 woningen per hectare. Onderliggend plan valt onder een Beperkt kwetsbaar object. Het beleid van de Veiligheidsregio ten aanzien van nieuwe bijzonder kwetsbare objecten is dat deze zoveel mogelijk geweerd dienen te worden binnen 750 metervan een niet-categoriale Bevi inrichting en nieuwe bijzonder kwetsbareobjecten binnen 200 meter van een categoriale Bevi inrichting en risicovolle infrastructuur. De gemeentelijkebeleidsvisie gaat uit van invloedsgebieden. In de meeste gevallen zullen de invloedsgebieden groter zijn dan de bovengenoemde afstanden,

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 38

arvalis waardoor de beleidsvisie doorgaans strikter zal zijn. Echter de beleidsvisie geeft ook ruimte om hiervan in voorkomende gevallen van af te wijken. In die gevallen, mits voldaan wordt aan de voorwaarden, kan worden aangesloten op de uitgangspunten voor toepassing van deze standaard verantwoording groepsrisico.

De paragraaf externe veiligheid is getoetst aan het standaardadvies welke de Omgevingsdienst Midden en West Brabant heeft uitgebracht aangaande externe veiligheid in de gemeente Gilze en Rijen. Het standaardadvies is in de bijlage opgenomen.

Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, (het uitbreiden van het bouwvlak voor realisatie transitiestal en voeropslag t.b.v. dierenwelzijn). Er bestaat een aanzienlijke afstand tussen het plangebied en potentiële risicobronnen. De ontwikkeling betekent tevens geen toename van het aantal personen dat zich potentieel op het plangebied bevindt.

4.2.2 Cultuurhistorie en archeologie Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige ofte verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige ofte verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 39

arvalis onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de

beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de

Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle

cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven, in onderstaand figuur is een uitsnede van de CHW

weergegeven. Het plangebied is in onderstaand figuur met een zwarte stip aangeduid, de Zwarte Dijk is geel gemarkeerd omdat het een redelijk hoge waarde heeft voor de historische geografie

Figuur 4-5: Archeologische verwachtingskaart (CHW Brabant)

In de regionale afspraken 'Kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant' moet de keuze en inrichting landschappelijke inpassing gebaseerd zijn op een goede landschappelijke analyse van het gebied. De inrichting is uitgediept in bijlage 2 van de landschappelijke inpassing. De historie van

het gebied wordt hieronder uitgediept.

Aardkundig waardevolle gebieden

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 40

arvalis Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen

jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare

gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie

ruimtelijke ordening. In de Verordening ruimte is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en

behoud van die gebieden geregeld.

De Provincie heeft de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant' ontwikkeld, welke is opgenomen in de verbeelding van de Verordening Ruimte en de interim omgevingsverordening. De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben. Het plangebied is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied.

De gemeente heeft op de verbeelding van het vigerend bestemmingsplan bepaalde type landschappen van waarden voorzien. Met deze waarden moet rekening worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ter plaatse van het plangebied is de waarde "landschap - 1" opgenomen, deze waarde is als "openheid" gedefinieerd. De (directe) omgeving van het plangebied is aan te duiden als open gebied, er is beperkt solitair groen aanwezig en de afstanden tussen

locaties zijn groot. Met deze waarde is rekening gehouden in de landschappelijke inpassing van de

locatie. Cultuurhistorische waardenkaart Gilze en Rijen In 2022 is de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Gilze en Rijen vastgesteld. Het

plangebied bevat geen aanduidingen op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Gilze en Rijen.

I— He

oeL

DE BESLOTE BEEMDEN

Stra^e .

TELIJK GEDEELTE

5,2)

1

>EN

DE MOER Wl

tie + ie,st8 He-

Hetweistrast? /

p 0

8 6

De Zwart?, Qjjk

~Q, ‘o. S, C*

R

PEBERKEN DE BERKEN SCHK) SCHC'O

I F DE RIJENSCHE VELDEN

/

ƒ

— 7 I K K._ —1 / / y

HET HA

E LAAGSTRAATSCHE HOE,

NE SPli Figuur 4-7 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Gilze en Rijen

Archeologie

Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (ofwel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1

september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

41

arvalis

3

Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.

Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Derhalve heeft de raad van de gemeente Gilze en Rijen op 19 december 2022 een vernieuwde archeologische beieidskaart vastgesteld. Op de beieidskaart onderscheidt de gemeente een diverse archeologische beleidscategorieën. Per categorie heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek zijn. In Afbeelding 4-6 is een uitsnede van deze archeologische beieidskaart te zien, waarop de projectlocatie is weergegeven.

)

a

•O

beleidscategorie

Beleid 2

categorie 5

bij ingrepen groter dan 1000 m en dieper dan 30 cm beneden maaiveld dient een waardestellend archeologisch rapport te worden overlegd.

categorie 6

bij ingrepen groter dan 25.000 m en dieper dan 40 cm beneden maaiveld dient een waardestellend archeologisch rapport te worden overlegd

2

Figuur 4-6: Uitsnede beieidskaart met aanduiding plangebied.

Cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is geen sprake van enige archeologische aanduiding of bestemming. De Zwarte Dijk kent een historische waarde. Bij het bouwen van de transitiestal hoeft geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden, wel is de zorgplicht bij vondsten van toepassing.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

42

arvalis

4.2.3

Mobiliteit en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang om een beoordeling op te nemen van de verkeerskundige situatie ter plaatse van plangebieden. De veranderingen van de verkeerskundige situatie dienen te worden beschouwd en eventuele risico's of grote wijzigingen dienen te worden omschreven en hun uitwerking en aanpak dienen te worden besproken.

Het plangebied is ontsloten via de Zwarte Dijk, de Zwarte Dijk vormt een weg die enkele percelen in het buitengebied ontsluit. Het is relatief verkeersluw. Ter hoogte van het plangebied geldt een maximum snelheid van 60 kilometer per uur, de Zwarte Dijk is een goed onderhouden geasfalteerde weg en is qua vormgeving geschikt om het verkeer af te wikkelen. Deze weg heeft een veilige aansluiting op de ontsluitende structuur via de Hannie Schaftlaan. De wijziging voor bouwvlakvergroting heeft geen invloed op de parkeerbehoefte van het plangebied, mogelijk uitbreiden van de ruwvoer opslag trekt geen nieuwe bezoekers naar het planbied. Met de transitiestal zal het effect op het aantal verkeersbewegingen nihil zijn. In paragraaf 4.1.3. is een worst-case scenario besproken, wat niet de verwachting is. Mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling zal mogelijk een verlaging van het aantal verkeersbewegingen betekenen. Er is geen sprake van verandering van de parkeerbehoefte op het plangebied.

4.2.4 Technische infrastructuur De locatie is reeds aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur zoals drukriolering en andere nutsvoorzieningen. Hiervoor hoeven geen structurele aanpassingen plaats te vinden.

De technische infrastructuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3

Flora en Fauna

De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Bij iedere ontwikkeling dienen de eventuele gevolgen t.a.v. de natuurbescherming inzichtelijk gemaakt te worden. Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wb) in werking getreden. De Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en Fauna wet (soortenbescherming (dieren en planten) en de Boswet zijn opgegaan in deze nieuwe wet. De strekking van de wet blijft gelijk; de beschermde gebieden en soorten mogen niet aangetast worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming.

4.3.1 Gebiedsbescherming Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Het plangebied is op nagenoeg gelijke afstand van drie Natura 2000 gebieden gelegen:

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 43

arvalis Gebied

Afstand tot plangebied

Ulvenhoutse bos

9,7 kilometer

Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen

9,5 kilometer

Regte heide & Riels laag

9,7 kilometer

Het bedrijf beschikt over een omgevingsvergunning voor de activiteit 'milieu' met een verklaring van geen bedenkingen (WGB) voor het onderdeel Wet natuurbescherming. De WGB met kenmerk

Z/011020/35896 is verleend op 28 september 2016 en is als bijlage toegevoegd aan deze

onderbouwing. In december 2016 is de bovenstaande vergunning verleend aan het bedrijf voor het houden van 300 melkkoeien en 200 stuks vrouwelijk jongvee. De vergunning is gebaseerd op een

traditioneel stalsysteem voor zowel melkvee als jongvee. De omvang van de vergunde emissie is berekend op 4.585 kg stikstof. Het onderhavige initiatief is dan ook passend binnen deze vigerende

vergunning. De dieren worden gehouden met weidegang. In totaal mag het bedrijf 300 melkkoeien en 200 jongvee houden. (Zie Wnb beschikking)

Een Brabantse Zorgvuldige Veehouderij-toets wordt gevraagd nu er uitbreiding van stallen gaat

plaatsvinden. Er vindt vormverandering van het bouwvlak plaats. De beoogde situatie ontstaat uit het vergunnen van 1 sleufsilo binnen het nieuwe bouwvlak, het verplaatsen van de sleufsilo's en de

bouw van een transitiestal. Door dit laatste ontstaat meer ruimte per dier. De dieraantallen worden niet uitgebreid. Om dit te borgen heeft de provincie haar Interim OmgevingsVerordening (IOV)

zodanig opgesteld dat voldaan moet worden aan de Brabantse Zorgvuldige Veehouderijtoets bij het aanvragen van de omgevingsvergunning Bouwen. Het zal voor dit bedrijf geen probleem zijn om de

minimale vereiste score van 7,25 te kunnen behalen. Voor de locatie is een AERIUS-verschilberekening uitgevoerd waarmee aangetoond wordt dat er geen toename in stikstofdepositie op natura2000 gebieden plaats vindt. Er wijzigt niets in het aantal te houden dieren. Dieren worden voor bepaalde tijd verplaatst naar de transitiestal om extra

aandacht aan de zorgkoeien te kunnen geven. Op basis van het worst-case scenario voor verkeer in het hoofdstuk luchtkwaliteit is een toename

in verkeersbewegingen opgenomen in de berekening. In de worst-case scenario wordt gesproken over een toename van 20 bewegingen per etmaal. In de AERIUS-berekening zijn deze verdeeld over de richtingen oost en west en is er een verdeling gemaakt in licht verkeer (60%) en zwaar verkeer (40%). En een verdeling in richting Oost-West.

Het plan leidt niet tot significante effecten op omliggende Natura 2000 gebieden. Er is sprake van een behoorlijke afstand tussen de locatie en de Natura2000-gebieden (circa 10 km per gebied), waardoor er geen sprake is van directe of indirecte effecten in de zin van verontreiniging of

verstoring. Daarbij is in de bijlage een AERIUS-berekening opgenomen waarmee aangetoond wordt dat er geen toename in depositie plaats vindt als gevolg van het initiatief.

4.3.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft

betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 44

arvalis De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. • Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. De aanwezige biotopen en huidig grondgebruik in acht nemend is het niet waarschijnlijk dat er beschermde soorten in het plangebied aanwezig zullen zijn. De gronden zijn in gebruik als agrarische grond. Binnen dergelijke gebieden is er geen nestgelegenheid binnen de gebieden anders dan in de bomen.

Mogelijk komen er in de nabijheid van de initiatieflocatie algemene soorten voor als Veldmuis, Egel en Mol. Deze soorten vallen onder de algemene vrijstellingsregeling van de Wet Natuurbescherming. Ten aanzien van vogelsoorten geldt dat indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden (april tot half juli) geen overtreding plaats zal vinden van de wetgeving ten opzichte van vogels. Het aanvragen van een ontheffing is dan niet aan de orde. Daarbij wordt opgemerkt dat de Wet Natuurbescherming geen standaardperiode voor het broedseizoen kent. Het gaat er om of er een broedgeval is. De periode april tot half juli kan wel globaal aangehouden worden voor het niet uitvoeren van werkzaamheden. Bij inachtneming van de hierboven genoemde voorwaarden kan voorkomen worden dat er overtreding van de Wet Natuurbescherming zal plaatsvinden.

Er zijn geen beschermde soorten te verwachten op het plangebied. De uitbreiding van de ruwvoer opslag brengt geen wijziging aan de bestaande bebouwing met zich mee. Een ontheffing in het kader van de flora en faunawet of een quick scan flora & fauna is daartoe niet nodig. De landschappelijke inpassing die onderdeel uitmaakt van de ontwikkeling zal een positief effect hebben aangezien dit potentieel nieuwe soorten kan huisvesten.

4.4

Water

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van het water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf.

Rijksbeleid

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 45

arvalis Het Nationaal Waterplan is in december 2009 vastgesteld. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen

opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeergebied etc. Het Rijksbeleid heeft geen

gevolgen c.q. consequenties voor onderhavig plan.

Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022 - 2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief

Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit,

landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie.

Samenwerking met water- en bodempartners

De provincie heeft de koers voor de komende jaren niet alleen bepaald. In dialoogsessies hebben vele partners en belanghebbenden actief meegedacht. Naast de Brabantse waterschappen, terreinbeherende organisaties (TBO's), de Vereniging Industriewater, drinkwaterbedrijven, de

Brabantse Milieu Federatie, Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO) en verschillende onderwijsinstellingen, waren ook een groot aantal gemeenten aangesloten. Water en bodemsysteem herstellen

Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele

generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.

Waterschap Brabantse delta

Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen.

Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het

waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio.

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een

eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met

betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten

voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 46

arvalis waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse

Delta.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie.

Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater

uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer

hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'.

Hieromtrent is bij de Algemene regels van de keur het volgende opgenomen: Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m2 stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater;

Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m2 moeten

compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater

worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m2); Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een

watervergunning nodig. In alle gevallen geldt (ook) het gemeentelijke beleid. Waterschap Brabantse Delta heeft op 19 oktober 2023 onder voorbehoud haar positieve advies

uitgebracht. Dit document is als bijlage 6 toegevoegd.

Gemeentelijk waterbeleid Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2021 - 2025 (vGRP)

Het waterbeleid van de gemeente Gilze en Rijen is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025.

In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet verder ingevuld. Het gemeentelijke

waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd. Alle nieuwe nieuwbouw- en herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater

wordt daarom, ook als er geen toename is van het verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem

geïnfiltreerd en schoon gehouden. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m2 (daken en bestrating) geldt zowel het gemeentelijk als waterschapsbeleid en wordt voor het oppervlak van het daken en

bestrating een opgave meegegeven. Bij het realiseren van nieuw verhard oppervlak is een bergingseis voor hemelwater van minimaal

60 mm (liter/m2) voor het toekomstige nieuwe verhard oppervlak vastgesteld. Bij het aanpassen van verhard oppervlak geldt een bergingseis van minimaal 7 mm (liter/m2) voor het vervangende oppervlak en minimaal 60 mm voor een eventuele toename van het oppervlak.

De gemeente rekent niet met een gevoeligheidsfactor. Verhard oppervlak wat niet aangepakt

wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. De bestaande watervoorzieningen zoals greppels en vijvers dienen gehandhaafd te blijven tenzij de bergende, afvoerende, infiltrerende en drainerende functie gecompenseerd wordt. De transitsiestal

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 47

arvalis is 1359m2 verharding. Dit betekent dat er per 24 uur 81,5 m3 hemelwater geborgen dient te

worden.

Keur 2015

De Keur is in maart 2015 vastgesteld en dient als een aanvulling op regels uit de Waterwet. De Keur stelt regels t.a.v. de inrichting, het gebruik, beheer en onderhoud en overige werkzaamheden

aan rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen. Deze regels gelden zowel voor stromen die eigendom zijn van het Waterschap, maar ook die in eigendom zijn van derden (burgers,

agrariërs etc.). De Brabantse waterschappen hebben gezamenlijk de Keur overgenomen om te zorgen voor uniformiteit in de regelgeving. De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan

wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot, of het plaatsen van een duiker of brug. Legger Vanuit de Keur wordt regelmatig verbinding gelegd met de 'legger'. Een legger is een door het

waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van:

•

Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv,

stuwen, bruggen, etc. •

Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en

om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent. •

Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van

waterstaatswerken.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 48

arvalis

I

Legenda

Waterloop Primair

■►

Primair gedeeld onderhoud

"

Secundair

P

Secundair berm

Tertiair

Waterstaatswerk water

| Primair | Primair gedeeld onderhoud | Secundair

Tertiair

I Kunstwerk Bodemvallen I Kunstwerk Bruggen I Kunstwerk Vaste Dammen

| i Kunstwerk Duikers

V

I

23

M

/

l!

Afbeelding 4-7: waterlopen rondom plangebied

Bovenstaande afbeelding geeft weer dat er alleen secundaire waterlopen in de nabijheid van het

plangebied liggen. De bouw van de transitiestal zal op duurzame wijze plaatsvinden. Er worden milieuvriendelijke

bouwmaterialen gebruikt en uitlogende bouwmaterialen geweerd. De bouwmaterialen die gebruikt gaan worden zullen bij de bouwaanvraag gespecificeerd worden. Afkoppelen afval- en hemelwater

Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van de bedrijfswoning is aangesloten op het bestaande rioleringssysteem.

Hemelwater Hemelwater zal volgens de bergingseis van gemeente Gilze en Rijen opgevangen worden. De

toename van verharding is 1.359m2. Voor de toename van verhard oppervlak is de aanleg van een retentievoorziening van 81,5 m3 noodzakelijk. Hemelwater zal naar de retentievoorziening worden afgevoerd voor infiltratie in de bodem. De aanleg en instandhouding van de retentievoorziening

wordt als voorwaardelijke verplichting opgenomen in het bestemmingsplan.

Bodemdoorlatendheid De doorlatendheid van de bodem is bepalend voor de infiltratiecapaciteit hiervan. Bij een goede

bodemdoorlatendheid kan het water sneller infiltreren in de bodem. Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk dat infiltratievoorzieningen bij een slechte bodemdoorlatendheid voldoende

opvangcapaciteit hebben. De bodem van het plangebied betreft een zandgrond met voldoende

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

49

arvalis bodemdoorlatendheid. Een nader onderzoek naar de infiltratiecapaciteit van de bodem wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

Water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De uitbreiding van de ruwvoeropslag betekent een minimale vergroting van het verhard oppervlak. De nieuwe opslag zal toekomstbestendig uitgevoerd worden, er zal rekening gehouden worden met een correcte opvang en opslag van eventuele perssappen uit de opslagen. Bij de transitiestal zal rekening gehouden worden met het opvangen van het hemelwater door middel van een retentievoorziening.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 50

arvalis

5.

Economische en Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1

Economische uitvoerbaarheid

Het plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. Met de initiatiefnemer wordt een zogenaamde planschade overeenkomst afgesloten waarin de afspraken over plankosten en planschade zijn geregeld. De exploitatiebijdragen wordt, conform de legesverordening Gilze en Rijen berekend aan de hand van een begroting. Gezien het karakter van het plan is er op voorhand geen aanleiding te veronderstellen dat er sprake is van planschade ten gevolge van het plan.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog Er heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden om omwonenden in een vroeg stadium op de hoogte te brengen van de beoogde ontwikkelingen van het plangebied. De resultaten van deze omgevingsdialoog zijn in de bijlage opgenomen. Vooroverleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Bro is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan diverse overlegpartijen en is het, conform de gemeentelijke inspraakverordening, voor inspraak vrijgegeven. De ontvangen reacties zijn samengevat en beantwoord in de Nota Inspraak en Overleg, welke als bijlage bij deze toelichting is gevoegd.

Na afronding van het vooroverleg en de inspraakprocedure is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgden uit de inspraak- en overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Deze zijn vermeld in de Nota van Inspraak en Overleg.

Er is sprake van een financieel/economisch en maatschappelijk uitvoerbaar plan.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 51

arvalis 5.3

Procedure

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf DATUM gedurende 6 weken, tot en met DATUM ter inzage gelegen met bijbehorende stukken. Van de tervisielegging is kennis gegeven in de @@@. Gedurende de termijn van de ter inzage legging heeft eenieder mondeling of schriftelijk een zienswijze kunnen indienen. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de Nota van Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen. Deze nota is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn wel/geen wijzigingen in het bestemmingsplan opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14294424/1