CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1- Toelichting bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

Gemeenteraad 20 juni 2024, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen18.176 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

arvalis

Toelichting

Zwarte dijk 43, Rijen

ft

%

bin

H

1

arvalis Colofon

Arvalis Zeeland Brabant Gelderland 10.2.e 10.2.e 10.2.e

6 mei 2024 Projectnummer 2019000993 NL.IMRO.0784.BPZwarteDijk43-ON01

Kantoor 's-Hertogenbosch 10.2.e 10.2.e

Postbus 100 5201 AC ‘S-HERTOGENBOSCH

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 2

arvalis INHOUDSOPGAVE

TOELICHTING 1.

1.1 1.2 2.

2.1 2.2

3.

Inleiding.......................................... Aanleiding........................................ Ligging en begrenzing plangebied

5 5 5

Het plan............. Huidige situatie.. Beoogde situatie

7 7 8

3.1 Rijksbeleid.............................. 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte........ 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking.....................

12 .12 .12 .12 .12

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Structuurvisie provincie Noord-Brabant............ 3.2.2 Brabantse omgevingsvisie................................... 3.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

.13 .13 .14 .15

Planologisch beleidskader

3.3

Gemeentelijk beleid De trilogie van Gilze en Rijen

3.3.1

3.3.2

Bestemmingsplan....................................................

3.3.3

Principemedewerking en gestelde voorwaarden

4.

Omgevingsaspecten

4.1 Milieu ........................... 4.1.1 M.e.r.-beoordeling................ 4.1.2 Geluid...................................... 4.1.3 Luchtkwaliteit....................... 4.1.4 Geur........................................ 4.1.5 Gezondheid........................... 4.1.6 Bodem.................................... 4.1.7 Bedrijven en milieuzonering 4.2

Ruimtelijke aspecten Externe veiligheid....................

4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4

Cultuurhistorie en archeologie Mobiliteit en parkeren............ Technische infrastructuur......

4.3

Flora en Fauna 4.3.1 Gebiedsbescherming 4.3.2 Soortenbescherming

.21 .21 .23 .24 27 .27 .27 .28 .29 .32 .34 .35 .35

.36 .37 .39 .43 .43 .43 .43 .44

4.4

Water

.45

5.1

Economische en Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid.............................................

51 .51

5.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

3

arvalis 5.2 5.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Procedure

Juridische planopzet

5.4 5.5 6.

51 52

53 .53 .53

Regels... Verbeelding

Bijlagen............................................. . 54 6.1 Bijlage 1 Omgevingsdialoog............. .55 6.2 Bijlage 2 Landschappelijke inpassing .56 .56 6.3 Bijlage 3 Beschikking Wnb............... .56 6.4 Bijlage 4 BZV.................................... .56 6.5 Bijlage 5........................................... 6.5.1 Bijlage 5a AER.IUS_projectberekening_2024041909044_berekening aanlegfase bouw56 6.5.2 Bijlage 5b AER.IUS_projectberekening_20240418163153_verschilberekening incl aanlegfase............................................................................................................................... 56 6.5.3 Bijlage 5c AER.IUS_projectberekening_20240419085242_berekening beoogd incl aanlegfase............................................................................................................................... 56 56 6.5.4 Bijlage 5d Bijlage_toelichting_aeriusberekening_19-04-2024 .............. 6.5.5 Bijlage 5e milieutekening 1 beoogde situatie_19-04-2024................... 56 6.5.6 Bijlage 5f milieutekening 2 transitiestal_beoogde situatie_19-04-2024 56 6.5.7 Bijlage 5g Brief ambtelijke aanpassing................................................... 56

6.6 6.7 6.8 6.9

Bijlage 6 Wateradvies.................................................................. Bijlage 7 Gecombineerde opgave 2023 ...................................... Bijlage 8 Nota van vooroverleg Zwarte Dijk 43 Rijen 07122023 Bijlage 9 Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bp ..

56 56 56 56

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 4

arvalis 1.

Inleiding

1.1

Aanleiding

Aan de Zwarte Dijk 43 te Rijen is de melkveehouderij van initiatiefnemer gelegen. Het bedrijf bestaat uit een bedrijfswoning, een loods, een jongveestal, melkveestal, een mestsilo en een 5-tal voersilo's. Het bedrijf is gelegen op een bouwvlak van 1,5 hectare, en kent een compacte indeling. De aanwezige voersilo's liggen deels binnen dit bouwvlak. De laatst aangelegde voersilo ligt buiten het bouwvlak. Alle voersilo's zijn in de loop ter tijd aangelegd en kennen allemaal een ander formaat. Op het bedrijf mogen in totaal 300 melkkoeien en 200 jongvee gehouden worden. (Zie Wnb beschikking)

Voor het toekomstperspectief van dit gezonde bedrijf blijft de totale capaciteit van de voersilo's achter bij de gewenste capaciteit van het bedrijf. Dit komt omdat initiatiefnemer zich gaat toeleggen op een duurzamere bedrijfsvoering waarbij minimaal 60% van het eiwit geteeld wordt op eigen land. Gevolg hiervan is dat er meer ruimte nodig is voor voer/grasopslag. De indeling van de sleufsilo's is op dit moment hiervoor niet toereikend. Een vergroting en verandering van het bouwvlak zou dit wel toereikend maken. Tevens wordt hiermee beoogd de laatst aangelegde silo binnen het bouwvlak te plaatsen en te legaliseren. Deze laatste silo is opgebouwd uit losse blokken waardoor deze afbreekbaar en verplaatsbaar is. De tweede reden voor een beoogde vergroting en verandering van het bouwvlak is dat bij wijziging van de indeling de mogelijkheid ontstaat om een transitiestal achter de huidige veestal tot bouwen. De beoogde transitiestal gaat zorgen voor meer capaciteit voor hooiopslag en een ruimere opzet voor ongeveer 40 jongvee, zorgdieren en dieren in droogstand. Hierdoor wordt perspectief geboden voor een toekomstige opvolger. Met deze 2 redenen beoogt initiatiefnemer een transitiestal te bouwen met herindeling van de voeropslag ten behoeve van het dierenwelzijn. De dieraantallen blijven gelijk.

Dit initiatief past niet binnen de vigerende bestemming van het bestemmingsplan "Buitengebied", zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 1 juli 2013. Het vigerend bestemmingsplan bevat geen afwijking- of wijzigingsbevoegdheden waar gebruik van kan worden gemaakt om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Om het initiatief te kunnen realiseren is daarom (partiële) herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

Om de plannen te toetsen is een principeverzoek opgesteld. Op 16 januari 2020 heeft de gemeente in reactie op het principeverzoek te kennen gegeven bereid te zijn onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de gewenste aanpassingen. Het verzoek, het antwoord daarop en de voorwaarden zullen in deze toelichting besproken worden en vinden tevens hun weg in de regels en verbeelding waar deze toelichting bij hoort.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen ten Oosten van de kern Rijen. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Gilze en Rijen, sectie M, nummer 161. In figuur 1-1 is de ligging van de initiatieflocatie weergegeven.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 5

arvalis

:2 n

•>

8

Figuur 1 -1:

Situering plangebied

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

6

arvalis 2.

Het plan

2.1

Huidige situatie

De melkveehouderij van initiatiefnemer biedt ruimte aan 300 melkkoeien en 200 bijbehorend jongvee. Het bedrijf maakt gebruik van weidegang. De gebouwen op de locatie van initiatiefnemer zijn van hoogwaardige kwaliteit en initiatiefnemer hecht veel waarde aan een netjes, schoon en

praktisch ingedeeld erf. De locatie voldoet aan de toekomst eisen van initiatiefnemer maar de

opslagvoorzieningen voor ruwvoer blijven achter bij het niveau van het bedrijf. De opslag van ruwvoer vindt plaats in sleufsilo’s op de noordwestelijke hoek van het bouwvlak. Er zijn een 5-tal

sleufsilo's voor de opslag van ruwvoer aanwezig, deze silo's hebben allemaal een ander formaat en bieden niet voldoende opslagruimte voor het bedrijf. Het aanwezige bouwblok biedt echter geen

mogelijkheden meer om de ruwvoeropslag uit te breiden, het bedrijf heeft een bouwblok van 1,5 hectare dat volledig bebouwd is.

x

few • ■ " 2 c . . NuAe

a

t ,

ap 1 Në8E28 YF 2yM44 P ' <

(4

7-

Figuur 2-1: vooraanzicht erf

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 7

arvalis

N

*

-64 01e

A e

2.

e"

3.

\

•

—a

s

2

4L.6 •

3039883

s AV %1 V ♦

“,5 a1

L-

2öe

Figuur 2-2: sleufsilo's inclusief nummering ddi

:::

W A

1 1ë

" w.

sPh

21

de

Sjr

Figuur 2-3: huidige bouwvlak bron: www.ruimtelijkeplannen.nl

2.2

Beoogde situatie

Initiatiefnemer beoogt om de ruwvoeropslag aan te passen en te vergroten, aan de noordwest zijde is hier in praktijk ruimte voor aanwezig. Omdat het bouwvlak van 1,5 hectare al volledig benut is

zal het bouwvlak heringedeeld worden. Er wordt gebruik gemaakt van een differentiatievlak van 0,5 hectare dat de noordwest hoek van het toekomstige bouwvlak zal gaan vormen. De huidige oppervlakte ten behoeve van de ruwvoer opslag is momenteel circa 4.000 m2 groot en het wordt

middels dit plan vergroot naar 5.000 m2 ruwvoer opslag. Het vlak zal op de verbeelding een

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

8

arvalis aanduiding krijgen om te voorkomen dat het voor andere doeleinden dan de opslag van ruwvoer kan worden benut. Na toekenning van het differentiatievlak zal initiatiefnemer de volledige ruwvoeropslag herzien. Er zal wederom gebruik gemaakt gaan worden van sleufsilo's.

De huidige wijziging brengt geen toename van stikstof uitstoot met zich mee. Op korte termijn is een uitbreiding van bedrijfsgebouwen mogelijk, de ligging van het bedrijf en de omgeving bieden hier ruimte toe. De uitbreiding in bedrijfsgebouwen, concreet een transitiestal, brengt echter geen toename in dieraantallen met zich mee. De ondernemer wil zijn dieren meer leefruimte gaan bieden, een beter dierenwelzijn. Initiatiefnemer wenst een transitiestal te realiseren voor ongeveer 40 jongvee, de dieren in droogstand, afkalfstal en zorgstal. De totale dieraantallen blijven gelijk. Deze nieuwe stal zal achter de bestaande melkveestal gebouwd worden en is ten behoeve van melkvee in transitie (afkalfkoeien, zieke koeien en enig jongvee). De uitbreidingen voor ruwvoeropslag zijn voor het bedrijf van groot belang. Het bedrijf wil zich toeleggen op een duurzamere bedrijfsvoering waarbij minimaal 60% van het eiwit geteeld wordt op eigen land. Hierdoor kan de aankoop van krachtvoer terug gebracht worden. Een onderdeel hiervan is het voeren van vers gras in het rantsoen, ook wel stalvoeren genoemd. Om te komen tot deze doelstelling is meer ruimte voor opslag van ruwvoer noodzakelijk. Tevens is een breder machinepark nodig voor de diverse landbewerkingen die horen bij het verbouwen van voldoende eiwit op eigen land.

Daarnaast is het bedrijf zich aan het oriënteren op onder andere een voerrobot. Een voerrobot kan enkel goed functioneren indien er ruimte is om een voerloods te realiseren. De voordelen van een voerrobot zijn met name terug te vinden in het feit dat men vaker kleinere hoeveelheden voert. Hierdoor blijft het ruwvoer smakelijker en beter verteerbaar voor de dieren. Door vaker vers te voeren zullen de koeien minder selecteren in het voer en blijft er minder restvoer over. De hiervoor genoemde initiatieven zullen de komende jaren ontwikkeld kunnen gaan worden binnen het nieuwe bouwvlak, zoals aangegeven in figuur 2-4.

Figuur 2-4: beoogde nieuwe bouwvlak (groen) met differentiatievlak (blauw)

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 9

arvalis 3 Op dit moment mogen er op het bedrijf 300 melkvee met 200 stuks bijbehorend jongvee gehouden worden. Deze aantallen zijn vergund in de Wnb beschikking van 28 september 2016 (Verklaring van geen bedenkingen Natuurbeschermingswet 1998). Deze aantallen komen niet overeen met de veebezetting uit de KRD. Er is sprake van een niet geregistreerde milieuvergunning. Deze aantallen kunnen op dit moment in de bestaande stallen gehuisvest worden. Echter is de ondernemer niet tevreden over de mogelijkheden die er nu zijn m.b.t. het stallen van dieren op stro, voor een kortere periode. Dit is nodig voor dieren die een bepaalde periode extra zorg nodig hebben. Daarom wil het bedrijf graag een transitie stal realiseren waar de dieren rondom de afkalfperiode, de zieke koeien en koeien die om een andere reden extra zorg nodig hebben, tijdelijk geplaatst kunnen worden. De consequentie hiervan is dat als er melkkoeien tijdelijk in de transitiestal verblijven deze aantallen ligboxen in de melkveestal leeg zullen zijn. De huidige tendens is tevens dat er meer gestuurd gaat worden op het voeren van losse bijproducten in plaats van geperst krachtvoer. Het opslaan van losse bijproducten vergt ruimte. Het opslaan van deze producten in de buitenlucht is niet wenselijk aangezien ze droog opgeslagen moeten worden.

Daarnaast is het voor erfemissies tevens niet verstandig om deze producten buiten op te slaan. De nieuw te bouwen stal zal dus enerzijds ruimte bieden aan de dieren, waardoor ze een beter leefklimaat krijgen. Het dierenwelzijn wordt vergroot, zonder dat de dieraantallen toeneemt. Anderzijds wordt er ruimte gemaakt voor het opslaan van droge bijproducten. De transitiestal wordt 22,5 meter x 60,4 meter. Totaal 1.359m2.

_24** +%,, „6+ + ++++++ + -#++ + + +++++ + +M +4-+# +*+++ + + ++ M++ + ++F # + ++ + 4++ +4 + + + + + + + + +, P,4+++*

H++ + + 4 + + ++t ++ + +++++ + + ++++ ++ + + + +-++++-+ yH, +++++ +++++ + + ++ t+e + + ++++ I+

ooc ORDI

Figuur 2-5: visualisatie van het beoogde bouwvlak

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 10

arvalis

3 Maatregelen landschappelijke inpassing ten behoeve van de beóógde ontwikkeling: 10.2.e differentiatievlak (5-000 m2) en een herziening van het totale bouwvlak van 1-5 hecatre naar 2-0 hectare als begrenzing plangebiedB- Transitiestal C- Houtsingel (gemengd sortiment) met laanbomen (8 meter breed, 1200 m2) D- Houtsingel (gemengd sortiment, 8 meter breed, 800m2) E- Bomengroep (in bloemrijk grasland, 180 m2) F- Bloemrijk grasland (250 m2) G Bestaande landschappelijke inpassing (700 m2)

D

C’ B-

D.

1

A C-

(nb- alle maatregelen sluiten waar mo^elijh aan op de bestaande groenstructuren welke zich rondom plangebied bevinden}

1 schaal 1:750

9

GV r ADVIE ADVIES

C

\ \ C

6

O 0

J Landschappelijke inpassing - maatregelen 4/6

10.2.e

22-6-202:

Bestandsnaam

Zwarte Dijk 43 Rijen

Figuur 2-6: een visualisatie/schets van de beoogde bedrijfsindeling

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

11

arvalis

3.

Planologisch beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (13 maart 2012 vastgesteld) omvat het ruimtelijke rijksbeleid tot 2040. Het uitgangspunt van de structuurvisie is voldoende ruimte te bieden voor het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Deze doelstellingen zijn vertaald in de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur (RHS). Deze RHS beslaat de gebieden in Nederland die een belangrijke functie vervullen op het gebied van economie, infrastructuur en verstedelijking, water, natuur en landschap. Ten aanzien van deze gebieden is beleid geformuleerd om de kwaliteiten ervan te behouden. Naast ruimte maken en het versimpelen en verbeteren van omgevingsrecht wordt er ook geïnvesteerd, met name in de capaciteit van de infrastructuur. Prioriteit krijgen de mainports, de Brainports en de Greenports, alsmede de achterlandverbindingen. Opgaven van nationaal belang voor de provincies Limburg en Noord-Brabant zijn onder andere: • Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost Nederland (Brainport Avenue) en Greenport Venlo door het optimaal benutten en waar nodig verbeteren van de (internationale) bereikbaarheid van deze gebieden via weg, water, spoor en lucht (o.a. verdere ontwikkeling Eindhoven Airport).

• Het borgen van de waterveiligheid en - kwaliteit en zoetwatervoorziening voor de korte termijn (zoals Maaswerken en uitvoering hoogwaterbeschermingsprogramma) en de lange termijn. Binnen het Deltaprogramma wordt deze opgave aangepakt. • Het tot stand brengen en beschermen van de natuur (Natuur Netwerk Nederland), inclusief de Natura 2000 gebieden.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt de juridische doorvertaling van het rijksbeleid en is een verdere uitwerking van de Wet ruimtelijke ordening. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Belangrijke punten hierin zijn o.a. het zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare (natuur)gebieden en bescherming van het land tegen klimaatverandering, overstroming en wateroverlast, de uitoefening van defensietaken, toekomstige uitbreidingen van de hoofdinfrastructuur. Provincies dienen deze regels door te vertalen in hun beleid en verordeningen en vervolgens dienen deze regels ook een plek te krijgen in de verschillende bestemmingsplannen, aanpassingsplannen etc. Regels t.a.v. de ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking De Ladder duurzame verstedelijking is een processchema dat alle mogelijke nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen of initiatieven voor stedelijke functies, via beleidskaders begeleidt naar een optimale locatiekeuze. De ladder duurzame verstedelijking is geïntroduceerd in de Structuurvisie

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 12

arvalis Infrastructuur en Ruimte. De motiveringseis om te voldoen aan de ladder duurzame verstedelijking is vervolgens vastgelegd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder heeft als doel te komen tot een zorgvuldig ruimtegebruik waarbij goede afwegingen worden gemaakt waar gebouwd mag worden. Het systeem van de ladder zorgt voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming waar wel en waar niet mag worden gebouwd. De ladder is een toetsingsinstrument voor ontwikkelaars en de overheid wat gevolgd moet worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. De ladder duurzame verstedelijk is erop gericht om ontwikkelingen die een ruimtelijke impact hebben zoveel mogelijk binnen het bestaand stedelijk gebied op te vangen. Hierdoor wordt verstening van het buitengebied tegengegaan. Uitgangspunt is dat steden en dorpen niet onnodig 'uitdijen' terwijl er in de kernen nog ruimte is voor ontwikkelingen. Wanneer er in de kernen ontwikkellocaties zijn moeten deze eerst opgevuld worden alvorens men uitbreidt in het buitengebied. Ook wanneer het gaat om herstructureringsprojecten moet hier voorrang aangegeven worden.

Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan nieuwe bebouwing die een stedelijk karakter heeft zoals woningbouw, realisatie winkelruimte, kantoorpanden, bedrijventerreinen of overige stedelijke functies (maatschappelijk, religie, cultuur, leisure, recreatie -> dit op basis van uitspraken van de RvS). De ladder voor duurzame verstedelijking richt zich op substantiële veranderingen en bouwplannen, die qua aard en omvang zodanig zijn, dat voor mogelijke leegstand elders gevreesd zou kunnen worden. Het doel is om overbodige bouwplannen (kantoren, woningen) te voorkomen en hergebruik te stimuleren. Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied. Met onderhavig initiatief zijn geen rijksbelangen in het geding waar de rijksoverheid specifiek beleid voor heeft opgesteld. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 Bro.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie provincie Noord-Brabant Op 19 maart 2014 trad de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking. In de structuurvisie wordt de opgave voor het landelijk gebied uitgediept. Het Brabantse landelijke gebied verandert snel. Ruimtelijk bezien is de land- en tuinbouw belangrijk als beeldbepaler en als beheerder van 60 % van het Brabantse grondgebied. De sector staat onder druk en zit in een belangrijke transitiefase. De wereldmarkt en het Europese beleid (o.a. de POP plattelandsontwikkeling 2013) bepalen dit voor een groot deel. Er zijn twee verschillende ontwikkelingsrichtingen te onderscheiden. De eerste is de ontwikkeling van een gebiedseconomie met een verdergaande menging van functies en verbreding van agrarische activiteiten met streekproducten, zorgverblijven, recreatief verblijf en landschapsbeheer. Deze ontwikkeling sluit aan op de toenemende vragen vanuit de samenleving (de stad) om het buitengebied meer te kunnen gebruiken voor andere functies. Maar ook bij de behoefte aan het behoud van voorzieningen die belangrijk zijn voor de leefbaarheid van het landelijk gebied voor haar bewoners. Het platteland vervult een belangrijke rol voor recreatie, toerisme en kleinschalige zorgeconomie. Daarnaast is de kwaliteit van het landelijk gebied steeds belangrijker voor een hoogwaardig leef- en vestigingsklimaat van Noord-Brabant.

In het landelijk Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 13

arvalis gebied verliezen grootschalige complexen als kloosters en instituten hun functie waardoor er veel gebouwen vrijkomen, met vaak een hoge (cultuurhistorische) waarde en unieke ligging. Door passende functies in deze complexen mogelijk te maken, kunnen deze behouden en ontwikkeld worden. Een tweede ontwikkelingsrichting in het landelijk gebied is een toenemende specialisatie met schaalvergroting van de landbouw. Dat doet zich in Noord-Brabant vooral voor bij glastuinbouw, veehouderij, akkerbouw, vollegrondstuinbouw en boomteelt. Voor de toekomst van deze vormen van landbouw is het van groot belang verdere verduurzaming en toegevoegde waarde-ontwikkeling van de sector door te voeren en waar mogelijk te versnellen. Hierbij wordt tevens de relatie gelegd met de hele agrofoodketen om zo de verbinding producent-consument te zekeren en de gehele keten te verduurzamen. Het wordt in toenemende mate lastiger om deze twee ontwikkelingen in het landelijk gebied met elkaar te combineren. Het leidt tot confrontaties tussen ontwikkelingen onderling en tussen de grootschaligheid en het fijnmazige en afwisselende landelijk gebied van Noord-Brabant. De toenemende specialisatie bij met name veehouderijen betekent een verschuiving van gesloten locaties naar gespecialiseerde locaties. Hierbij worden bestaande locaties opgekocht van stoppende ondernemers.

Hierdoor is er meer transport van dieren, mest en voer met potentieel grotere risico's voor de gezondheid van mens en dier, verminderd dierenwelzijn en overlast door transport.

3.2.2 Brabantse omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld. Met de omgevingsvisie formuleert de Provincie haar ambitie voor Brabant in 2050. De Provincie ziet een toekomst met een grote verwevenheid tussen stad en land en de bijkomende voor en nadelen die daaraan kleven.

Het plangebied ligt in Midden Brabant. De omgevingsvisie ziet hier de verbinding met de steden Breda, 's-Hertogenbosch, Eindhoven, Helmond en Tilburg. De omgevingsvisie omschrijft dit deel van Brabant als het economisch hart van de Provincie. De Provincie ziet een meer verbindende rol voor agrarische activiteiten in Midden Brabant en gelooft in kleinschalige, meer op de omgeving gerichte ontwikkelingen. De omgevingsvisie geeft tevens de visie van de Provincie op haar eigen rol en hoe zij de gewenste ontwikkeling naar 2050 wil stimuleren. De provincie ziet zichzelf als verbinder en aanjager waar nodig.

De ontwikkeling past binnen de Brabantse structuurvisie en omgevingsvisie. De provincie is verbinder tussen agrarische activiteiten en de omgeving. Onderliggend plan verdiept het toespitsen van de locatie op meer ruimte om eigen gewassen op te slaan. Dit is een verduurzaming voor de sector. Om deze specialisatie op eigen terrein te kunnen uitvoeren zal tevens minder transport plaatsvinden.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 14

arvalis 3.2.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Naast de Omgevingsvisie kent de Provincie Noord-Brabant de Interim omgevingsverordening

Noord-Brabant. In de omgevingsverordening staan de regels die de provincie stelt aan de

bestemmings- en omgevingsplannen van gemeenten. Met de Interim omgevingsverordening bereidt de provincie Noord-Brabant de komst van de Omgevingswet (1 januari 2024) concreet voor en hanteert zij de in de wet aangegeven schrijf- en handelingswijze. De omgevingsverordening is geschreven met oog voor de doelgroep: burgers,

gemeenten en waterschappen. Essentieel onderdeel van de verordening is de gedachte dat ontwikkelingen en plannen in gezamenlijkheid uitgevoerd worden en overleg en dialoog worden daarom toegejuicht. De

verordening biedt voor ontwikkelaars en gemeenten meer mogelijkheden tot maatwerk, vaste afstanden en grootte maten worden losgelaten en er komt meer nadrukte liggen op het passend maken van initiatieven in hun omgeving.

Voor gemeenten is hoofdstuk 3 van de verordening het belangrijkst, het hoofdstuk heeft de toepasselijke naam 'instructieregels aan gemeenten'als titel gekregen. Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling van de locatie is Artikel 3.53 'afwijkende omvang veehouderij'van belang.

De Provincie Noord-Brabant geeft veehouderijen een maximaal bouwvlak van 1,5 hectare. In enkele gevallen kan een bedrijf daar niet aan voldoen en bestaan er mogelijkheden om af te

wijken. Voor de ontwikkeling van het initiatief is lid 3 van het eerder genoemde artikel van belang.

Onderstaand is dit lid weergegeven, cursief is aangegeven hoe de ontwikkeling voldoet aan het gestelde.

Lid 3 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan bepalen dat de omvang van het

bouwperceel met ten hoogste 0,5 hectare wordt vergroot, waardoor het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt, indien:

a.

de veehouderij vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de

opslag van ruwvoer;

Het betreft een melkveehouderij, dit type bedrijf is in grote mate afhankelijk van de opslag

van ruwvoer. Ruwvoer wordt in de praktijk in sleufsilo's op het erf opgeslagen en ter plekke ingekuild om het langer houdbaar te maken. Initiatiefnemer gaat zich toeleggen op een duurzamere bedrijfsvoering waarbij 60% van het eiwit geteeld wordt op eigen tand. Gevolg hiervan is dat er meer ruimte nodig is voor voer/grasopsiag. De indeling van de sleufsilo's

is op dit moment hiervoor niet toereikend en wil de locatie van de sleufsilo 's

herstructureren. Deze 60% is een streven om het bedrijfseconomisch interessant te maken. Met de gronden in eigendom is dit haalbaar. Het alternatief is om eiwitten in sojavorm vanuit Zuid-Afrika te laten verschepen, echter wil de initiatiefnemer deze niet-

duurzame manier weren door eigen gewassen voor eiwit in te zetten. Het volume van gras is groter waardoor meer opslagcapaciteit benodigd is. b.

de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is; Zoals in figuur 2-3 is te zien is er op het bouwperceel geen ruimte meer aanwezig om

nieuwe ruwvoer opslag te realiseren. 60% van het te voeren eiwit gaat geteeld worden op eigen tand en wil initiatiefnemer op eigen perceel opslaan. De huidige sleufsilo's bieden te

weinig ruimte.

c.

het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve

van voorzieningen -geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 15

arvalis Er zal op de verbeelding een differentiatievlak opgenomen worden: 0,5 hectare van het

nieuwe bouwvlak zal de aanduiding 'specifieke vorm van Agrarisch - ruwvoer' opgelegd krijgen. Zie figuur 2-5. In de regels zal opgenomen worden dat gronden binnen deze

aanduiding enkel ingezet mogen worden ten behoeve van voorzieningen -geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer.

Behalve toetsing aan de specifieke regels in bovenstaand artikel is toetsing aan artikelen in de

interim omgevingsverordening aan de orde. In artikel 3.49 zijn de regels waar een veehouderij in landelijk gebied aan dient te voldoen weergegeven. Onderstaand is artikel 3.49 weergegeven en is

cursief aangegeven hoe het bedrijf op het plangebied voldoet aan het gestelde. Artikel 3.49 veehouderij in landelijk gebied Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding

van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, als: a.

is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;

Er vindt vormverandering van het bouwvlak plaats. Tevens zal een transitiestal voor 40

jongvee, afkalf- en zorgruimte gebouwd worden. Om dit te borgen heeft de provincie haar Interim Omgevingsverordening (IOV) zodanig opgesteld dat voldaan moet worden aan de Brabantse Zorgvuldige Veehouderijtoets bij het aanvragen van de omgevingsvergunning

Bouwen. Het is voor dit bedrijf geen probleem om de minimale vereiste score van 7,25 te kunnen behalen. Zie bijlage BZV.

b.

het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

Dit is het gevat. De uitbreiding van het bouwperceel tot 2 hectare met 0,5 hectare voor ruwvoer kent een aparte toetsing in artikel 3.53 lid 3. Toetsing aan artikel 3.53 lid 3 is opgenomen in deze onderbouwing op de vorige pagina.

c.

de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde

leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; In deze onderbouwing is in hoofdstuk 4 "omgevingsaspecten"getoetst aan de geldende

aspecten ten aanzien van een veilige en gezonde leefomgeving. Er bestaan vanwege de

grote afstand van het bedrijf tot de omgeving geen belemmeringen op de benoemde

aspecten d.

mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is; De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op mestbewerking van eigen of andermans mest.

e.

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op

geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het

buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage

aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

Ten opzichte van de huidige situatie treden er geen veranderingen op ten aanzien van het aspect geur. Voor een verdere onderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 4.1.3 van

deze onderbouwing. Voor wat geurhinder betreft bestaat er voor melkveehouderijen een vaste afstand van 50 meter. Het bedrijf is op ruim 250 meter van nabijgelegen functies gelegen en daarmee voldoet het bedrijf ruimschoots aan de gestelde vaste afstand. Indien

er in de toekomst dieren gehouden worden met een geuremissiefactor zal tijdens het

afgeven van de betreffende milieuvergunning getoetst moeten worden of aan de dan geldende eisen voldaan kan worden.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

16

arvalis f.

is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het

initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten

veroorzaakt van maximaal 31,2 pg/m3; Er treden geen wijzigingen op voor wat de achtergrondconcentratie fijnstof afkomstig van

het plangebied. Voor een verdere onderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 4.1.2 van

deze onderbouwing g-

de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat; Er is voor de beoogde ontwikkeling een landschappelijke inpassing opgesteld, het plan is in

bijlage 2 van deze onderbouwing opgenomen. Het totale bouwvlak (figuur 2-4 blauw +

groen) zal een omvang krijgen van 2,0 ha, hiervan is 0,5 ha differentiatievlak. De inpassing bevat 2.000 m2 aan houtsingeis (1200m2 + 800m2, zie bijlage 2 blz 6) en aangevuld met 8 bomen is zorg gedragen voor de vereiste omvang van de landschappelijke inpassing. De vergroting van het bouwvlak bedraagt een halve hectare. 10% van het bouwperceel bedraagt landschappelijke inpassing. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

h.

de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige

dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. Er heeft een zorgvuldige dialoog plaatsgevonden. Voor een verslag van de dialoog wordt

verwezen naar bijlage 1 van deze onderbouwing.

Lid 2. Er is sprake van een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij, zoals door gedeputeerde staten vastgesteld op grond van artikel 5.11.

De toetsing aan de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij heeft plaatsgevonden. Zie bijlage 4.

Lid 3. Een bestemmingsplan kan in afwijking van het eerste lid voorzien in mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar als:

a.

de locatie goed is ontsloten;

b.

de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt;

c.

in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt ten minste 50 %

van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water.

Dit lid is niet van toepassing. De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op mestvergisting. Behalve de artikelen met regels voor specifieke ontwikkelingen en type bedrijven binnen het grondgebied van de Provincie Noord-Brabant kent de interim omgevingsverordening basisprincipes.

De basisprincipes zoals opgenomen in de verordening geven algemene regels waar een iedere ruimtelijke ontwikkeling aan dient te voldoen. Toetsing aan de basisprincipes is in ieder plan van

belang. Onderstaand zijn de basisprincipes weergegeven zoals opgenomen in de interim

omgevingsverordening, de van toepassing zijnde artikelen zijn weergegeven en cursief is de toetsing gegeven waarom het plan en bedrijf op het plangebied voldoen aan het gestelde.

Paragraaf 3.1.2 basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a.

de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor

bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1.

nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk;

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

17

arvalis Er zal een transitiestal gebouwd worden om de dieren ruimer te kunnen huisvesten.

De dieraantaiien blijven gelijk. Een bestemmingsplan wijziging is nodig voor het

vergroten een veranderen van het bouwvlak. 2.

er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;

Niet van toepassing b.

bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); Er is geen stedelijke ontwikkeling op het plangebied.

c.

gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

De beoogde ontwikkeling is specifiek bedoelt om de indeling van bebouwing en

bouwwerken logisch en geconcentreerd te situeren binnen het bouwvlak. Lid 2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk

Gebied of een bestaand bouwperceel. De beoogde ontwikkeling valt niet onder een bestaand ruimtebeslag omdat het werkingsgebied

geen stedelijk gebied of bestaand bouwperceel is. Het werkingsgebied is gelegen in landelijk gebied. De bebouwingsregeiing uit het vigerend bestemmingsplan Buitengebied wordt

overgenomen, waarbij de maatvoering van de bebouwing wordt gebaseerd op de bestaande bebouwing in het plangebied. Hiermee wordt voldaan aan de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit

zoals beschreven in artikel 3.6 van de Interim Omgevingsverordening.

Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.

Lid 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a.

de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;

b.

de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen

waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer,

c.

de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de

functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde,

vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. In onderliggend plan wordt invulling gegeven aan deze lagenbenadering door invulling te geven

aan het in balans brengen en met elkaar in verbinding brengen van de ondergrond, netwerklaag en de bovenste laag van cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Bij de beoogde ontwikkeling, de vergroting van een bouwblok zal de toepassing van de lagenbenadering niet wijzigen.

Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

a.

de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde

ontstaat; Voor initiatiefnemer is deze beoogde verandering nodig voor duurzame bedrijfsvoering en

economische overweging. Hiervoor wordt een bepiantingpian opgesteld om tegemoet te

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

18

arvalis komen aan het groen, de vogels en insecten in de weidse omgeving van de locatie. De meerwaarde is tevens zichtbaar voor recreatieve voorbijgangers die de beplanting en vogelgeluiden zal opvallen. b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Door herinrichting van silo 's zullen de rij-afstanden van tractoren efficiënter zijn wat nog minder overlast voor omwonenden met zich mee brengt. Door de minder te rijden kilometers met de tractoren is de uitstoot van gassen minder Lid 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. De beoogde ontwikkeling geeft meerwaarde op het aspect kwaliteitsverbetering van het landschap. Tegenover de nieuwbouw van een transitiestal staat het ontwikkelen van meerwaarde. Dit gaat plaatsvinden in de vorm van aanleg van groenstroken. Er is een landschappelijke inpassing opgesteld ter onderbouwing.

Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Lid 1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g- het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4.

Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. In de beoogde ontwikkeling is gekozen voor invulling van de kwaliteitsverbetering van het landschap doormiddel van het aanleggen van een landschappelijke inpassing. In bijlage 2 van deze onderbouwing is de opgestelde inpassing weergegeven. De aanleg van deze inheemse bomen en planten is geborgd door een voorwaardelijke verplichting in de regelset. De uitbreiding past binnen de ontwikkeirichting van het gebied, zoals in het beleid van gemeente ABG omschreven document: 'Gilze en Rijen 2025' waarbij een uitbreiding/ontwikkeiing in de agrarische sector wordt ondersteunt. Deze alinea's beschrijven als volgt: 1. Bedrijvigheid in het buitengebied. Gilze en Rijen heeft een groot buitengebied met veel agrarische bedrijven, met name intensieve veeteeltbedrijven en rundveehouderijen. De agrarische bedrijvigheid blijft van primair belang in het buitengebied. De verdergaande liberalisering van de agrarische sector zai onherroepelijk leiden tot schaalvergroting en tot vermindering van het aantal bedrijven. Blijvende

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 19

arvalis ondernemers moeten hun bedrijven optimaal kunnen inrichten. Daarbij is onder meer verbreding van hun bedrijfsactiviteiten aan de orde. 2. Landbouw. Hoogwaardige landschappelijke kwaliteit van het buitengebied is gebaat bij vitale agrarische bedrijvigheid. De gemeente wil daarom de landbouwsector behouden en versterken. De gemeente steunt initiatieven van onder meer ZLTO om verbreding van .economische activiteiten te stimuleren. Van agrarische ondernemers wordt verwacht dat ook zij hun bijdrage leveren aan de kwaliteit van het landschap.

Kwaliteitsverbetering: afspraken tussen provincie en gemeente Bij onderliggend plan vereist het provinciale en gemeentelijke beleid dat met het plan bijgedragen wordt aan kwaliteitsverbetering van het landschap. In het Regionale afspraken kader Hart van Brabant uit 2015 zijn hierover in regionaal verband afspraken gemaakt met de provincie en de regio hoe hier in voorkomende gevallen mee omgegaan wordt. Dit regionale afspraken kader is gehanteerd om de kwaliteitsverbetering te bepalen en uit te werken. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen 3 categorieën: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering niet van toepassing zijn of worden geacht te zijn (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist) Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist) Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) inbreuk op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist) Onderliggend document is een Categorie 2 pian, en valt onder de eerste bullet: Voor zover de locatie gelegen is

in het agrarisch gebied, ais bedoeld in de Verordening ruimte: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha; Het bouwvlak wordt vergroot en verandert tot 1,5 ha. De sleufsilo's worden herschikt naar het differentiatievlak (0,5 ha). En 1 sleufsilo wordt gelegaliseerd door deze in het nieuwe bouwvlak te plaatsen. De IOV stelt voorwaarden voor het bouwen van een nieuwe dierenverblijf in artikel 3.50. In cursief de toetsing van dit artikel. Artikel 3.50 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf Lid 1 Een bestemmingplan van toepassing op een veehouderij in Landelijk gebied bepaalt dat: a. een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als: 1. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; De BZV in bijlage 4 toetst de maatregelen voor een zorgvuldige veehouderij. 2. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; Hoofdstuk 4 in onderliggend plan toetst de veiligheid en luchtkwaliteit in de omgeving. 3.

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 20

arvalis achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; de huidige rundveehouderij bouwt een

transitiestal met rundvee. Deze heeft geen geuremissie dus rundveehouderij draagt niet bij aan de cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) (zie bijlage BZV en A eriusberekening)

4.

een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

Bijlage 1 betreft de gehouden dialoog.

b.

binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen

worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en

scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; De jongvee en melkkoeien worden op de grond gehouden.

c.

bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan onderdeel a. Niet van toepassing.

Lid 2

Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf hetgeen gebruikt mag worden voor het houden van landbouwhuisdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1,

eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen

omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer.

De vergunningen voor het houden van landbouwhuisdieren zijn op orde en in te zien bij

initiatiefnemer. Lid 3 Er is sprake van maatregelen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij als is voldaan

aan de Nadere regels zorgvuldige veehouderij, zoals door gedeputeerde staten vastgesteld op grond van artikel 5.11. In bijlage 4 de BZV wordt ingegaan op de nadere regels zorgvuldige veehouderij.

De beoogde ontwikkeling van het plangebied past binnen de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Er is getoetst aan alle relevante artikelen. De locatie voldoet aan de gestelde

voorwaarden.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

De trilogie van Gilze en Rijen

De gemeente Gilze en Rijen heeft haar ruimtelijke ambities verwoord in een trilogie van

beleidsdocumenten. De documenten kennen ieder een ander abstractie niveau maar hebben alle drie tot doel om de ontwikkelrichting van de kernen en het buitengebied weer te geven. De trilogie bestaat uit de volgende beleidsstukken: •

Toekomstvisie 2025 'Wij zijn Gilze en Rijen'

•

Ambitiedocument 'Ambitie Gilze en Rijen - nieuwe kansen'

•

Structuurvisie Stedelijk gebied Gilze en Rijen

Toekomstvisie 2025 'Wij zijn Gilze en Rijen'

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

21

arvalis De toekomstvisie geeft het meest abstracte beeld van de ambities van de gemeente en gaat in op het totale grondgebied. De toekomstvisie is in 2012 tot stand gekomen en heeft een reikwijdte tot 2025. De gemeente schets de situatie in 2012, de trends die zij ziet binnen de gemeentelijke grenzen en de uitdagingen waar de gemeente de komende tijd voor staat. De toekomstvisie werkt vanuit feitelijke uitgangspunten en formuleert ambities die de gemeente in de periode tot 2025 tot uitvoering wil brengen. In de toekomstvisie schetst de gemeente de lijn voor het buitengebied en erkent zij dat dit hoofdzakelijk agrarische gronden betreft. Ook heeft de gemeente een behoorlijk oppervlakte groen en bosgebieden, dit heeft een invloed op de samenhang tussen de agrarische sector en andere functies. Het buitengebied van Gilze en Rijen kent relatief veel rundveehouderijen en in relatie tot andere Brabantse gemeenten relatief weinig intensieve(hokdieren) veehouderij. Ten aanzien van de ontwikkeling van de agrarische sector in Gilze en Rijen ziet de gemeente dat bedrijven de schaal zullen vergroten, de bedrijvigheid gaan verbreden of gaan stoppen. De gemeente geeft in de toekomstvisie aan dat ondernemers hun bedrijf optimaal moeten kunnen inrichten. Tot slot spreekt de gemeente de ambitie uit om de agrarische sector in Gilze en Rijen te willen behouden en versterken.

Onderliggend plan beoogd om het bouwvlak veel efficiënter in te delen waardoor in de toekomst mogelijk uitbreiding van gebouwen kan ontstaan, niet van dieraantallen. In de toekomstvisie spreekt de gemeente uit dat bedrijven zich optimaal moeten kunnen inrichten. Het plan past binnen de visie en ambitie van gemeente Gilze en Rijen, voor wat betreft de toekomstige bedrijfsvoering van het veehouderijbedrijf in agrarisch gebied. Het planvoornemen m.b.t. het aanpassen van het bouwvlak past binnen de Toekomstvisie 2025. Gemeente Gilze en Rijen heeft de veehouderijen inzichtelijk en wil meewerken om de agrarische sector te versterken en te behouden.

Ambitiedocument 'Ambitie Gilze en Rijen - nieuwe kansen' Het tweede deel van de trilogie van Gilze en Rijen is het magazine 'Ambitie Gilze en Rijen - nieuwe kansen'. Het magazine borduurt voort op de ambities die de gemeente in de toekomstvisie heeft geschetst en nodigt inwoners en ondernemers in de gemeente uit met de gemeente mee te denken over hoe die ambities tot uitvoering kunnen worden gebracht. Het document gaat uit van de vier kernen binnen de gemeente: Gilze, Rijen, Hulten en Molenschot. Het plangebied valt binnen het invloedsgebied van het dorp Rijen. Rijen is de grootste kern binnen de gemeente en kenmerkt zich als een dorp met stadse elementen, waar van beide kanten van het spectrum diverse onderdelen aanwezig zijn, het document gaat daarna in op de verschillende onderdelen van het dorp Rijen en wat de gemeente daar ambieert, deze onderdelen hebben geen betrekking of invloed op de ontwikkeling van het plangebied. Het buitengebied komt in het ambitiedocument niet nadrukkelijk aan bod en daarmee heeft het document beperkt tot geen invloed op de ontwikkeling op het plangebied.

Structuurvisie Stedelijk gebied Gilze en Rijen Van de trilogie van Gilze en Rijen gaat de structuurvisie Gilze en Rijen het meest concreet in op de wensen en doelen van de gemeente voor haar grondgebied. De structuurvisie kent de voorgaande twee documenten als basis en geeft meer concreet vorm aan de route. De structuurvisie gaat, zoals de naam al doet vermoeden, hoofdzakelijk in op de vier kernen van de gemeente Gilze en Rijen. Dit is echter geen harde grens en ook de kernrandzones worden besproken. Met de structuurvisie geeft de gemeente invulling aan haar wettelijke verplichting tot het hebben van een structuurvisie en deze is leidend voor bestemmingsplannen binnen de gemeentegrenzen. De

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 22

arvalis structuurvisie is tot stand gekomen op initiatief van de gemeente maar zoveel mogelijk met haar

inwoners, op verschillende manieren en momenten heeft de gemeente het mogelijk gemaakt om invloed uit te oefenen en opmerkingen te plaatsen bij de totstandkoming van de visie. De

structuurvisie strekt niet tot over het plangebied maar kent haar invloed tot de oostgrenzen van het dorp Rijen. De gemeente geeft over eventuele ontwikkelingen aan die kant van het dorp aan

dat ze de verbinding zoekt met het agrarisch gebied dat er direct aan grenst en dat dit een meer

open gedeelte van de gemeente is.

De beoogde ontwikkeling van het plangebied past binnen de trilogie van de gemeente Gilze en Rijen. Hoewel in twee van de drie documenten het (agrarisch) buitengebied niet of nauwelijks benoemd wordt geeft de toekomstvisie een richting. De uitbreiding van het bedrijf is nodig om de

bedrijfsvoering optimaal te houden en in te kunnen spelen op bedreigingen van buitenaf. De

gemeente erkent de ontwikkelingen in haar buitengebied en de ontwikkeling van het plangebied

past binnen deze ontwikkelingen.

3.3.2

Bestemmingsplan

De locatie is gelegen binnen het bestemmingsplan "Buitengebied", zoals vastgesteld door de

gemeenteraad op 1 juli 2013. Het plangebied is gelegen binnen de enkelbestemming 'Agrarisch' en heeft een bouwblok met een oppervlakte van 1,5 hectare, daarnaast heeft het de

dubbelbestemming 'Waarde - Landschap 1', gebiedsaanduiding 'ihcs -1' en 'overig - agrarisch balansgebied'. Middels figuur 3-1 is een uitsnede van de verbeelding weergegeven.

Enkelbestemming Agrarisch

___ Dubbelbestemming ±414 Waarde - Landschap -1

Bouwvlak

Gebiedsaanduiding

Gebiedsaanduiding 8212 overig - agrarisch balansgebiei

+ +

+

Figuur 3-1:

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Buitengebied"

Het vigerend bestemmingsplan bevat geen afwijking- of wijzigingsbevoegdheden waar gebruik van kan worden gemaakt om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Er zal daarom een partiële

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen

23

arvalis herziening van het bestemmingsplan nodig zijn. Om de plannen te toetsen is een principeverzoek opgesteld en is de gemeente gevraagd om een reactie.

De beoogde ontwikkeling is strijdig met het vigerend bestemmingsplan en het bestemmingsplan bevat geen afwijking- of wijzigingsbevoegdheid om de ontwikkeling mogelijk te maken. De gewenste ontwikkeling is via een principeverzoek met de gemeente Gilze en Rijen gedeeld en de volgende paragraaf gaat verder in op dit verzoek.

3.3.3 Principemedewerking en gestelde voorwaarden Er is een principeverzoek opgesteld en in de reactie op dit verzoek geeft de gemeente Gilze en Rijen aan in principe medewerking te willen verlenen aan het verzoek om partiële herziening van het bestemmingsplan. De gemeente heeft een aantal overwegingen genoemd om te onderbouwen waarom principemedewerking is gegeven : • De betreffende veehouderij ligt solitair in 'agrarisch balansgebied' • Het betreft de uitbreiding van een grondgebonden veehouderij en levert daarmee een versterking van de bestaande agrarische structuur een karakter van het gebied; • De gevraagde ontwikkeling is passend binnen de kaders van zowel de gemeentelijke structuurvisie als de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. De gemeente heeft de volgende voorwaarden gesteld waar de ontwikkeling aan dient te voldoen , cursief is aangegeven hoe het initiatief voldoet aan de betreffende voorwaarde:

Er wordt voldaan aan de kaders van artikel 3.53 lid 3 van de Interim omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant (hierna te noemen: lov); Zie 3.2.1. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 2. Een deugdelijke onderbouwing van de noodzaak voor vergroting van het agrarische bouwvlak naar 2 hectare ten behoeve van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Daarbij dient niet alleen de noodzaak voor uitbreiding van de ruwvoeropslag onderbouwd te worden maar eveneens de behoefte voor vergroting van het gehele bouwvlak naar maximaal 2,0 hectare. Deze onderbouwing zullen wij ter toetsing voorleggen aan een agrarische deskundige; De uitbreiding van de ruwvoer voorziening is voor het bedrijf van belang voor een goede bedrijfsvoering. Het bedrijf is in grote mate afhankelijk van ruwvoer van eigen percelen aangevuld met ruwvoer dat extern ingekocht wordt. Voor de opslag van dit ruwvoer wordt gebruik gemaakt van sleufsilo's. Oogst en aangekocht product worden in de oogstperiode en kort daarna in de sleufsilo's opgeslagen en vervolgens met plastic ingekuild. Gedurende het jaar worden de sleufsilo's aangebroken en opgebruikt om de dieren te voeden. Voldoende opslag is van groot belang om te voorkomen dat oogst niet kan worden opgesiagen. In de huidige situatie bieden de aanwezige silo's onvoldoende ruimte voor opslag.

Behalve het tekort aan capaciteit geeft de situering van de silo 's een beperking voor het gebruik ervan. Een goed ingedeeld erf is primair bedoelt om vervuiling van het erf en afspoeling van nutriënten te voorkomen. Door de tijd heeft de indeling van het erf aan de Zwarte dijk 43 een dusdanige indeling gekregen dat een goede routing en voorkoming dat nutriënten kunnen uitspoelen niet zijn te waarborgen. De beoogde ontwikkeling is nodig om terug te keren naar een goed, logisch en schoon ingedeeld erf. Daarnaast voorziet het bedrijf binnen afzienbare tijd een tekort aan

1.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 24

arvalis

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

bedrijfsruimte. Het tekort wordt met name voorzien in de stalling van voertuigen, bedrijfsmiddelen, foerage enzovoort. Het is wenselijk om nu ai in te spelen op deze toekomende ontwikkeling. Vanwege de ligging in het agrarisch balansgebied en de karakteristieke landschappelijke waarden van het gebied is er aantoonbaar sprake van overwegend weidegang van het melkvee; Het bedrijf maakt in de huidige situatie en de toekomstige situatie gebruik van overwegend weidegang. In de Wnb en vergunning milieu is weidegang vergund op deze locatie. Kunnen onderbouwen dat er sprake is van voldoende agrarische gronden welke in eigendom c.q. duurzame pacht zijn en binnen een straal van 15 km zijn gelegen (vanuit de toelichting regels art. 3.5.3. lov); Het bedrijf heeft een grondgebonden bedrijfsvoering. Voor de onderbouwing is eveneens een BZV toets uitgevoerd. Een bijlage van deze toetsing is het 'integraal mestrapport 2019'. Hieruit blijkt dat ruim 75% van de mest geplaatst kan worden binnen het eigen bedrijf. Hiermee kan gesteld worden dat er een grondgebonden bedrijfsvoering aanwezig is.

Er is sprake van een zorgvuldige veehouderij op basis van de kaders van de provincie Noord-Brabant; Om dit te borgen heeft de provincie haar Interim OmgevingsVerordening (IOV) zodanig opgesteld dat voldaan moet worden aan de Brabantse Zorgvuldige Veehouderijtoets bij het aanvragen van de omgevingsvergunning Bouwen. Het zal voor dit bedrijf geen probleem zijn om de minimale vereiste score van 7,25 te kunnen behalen. Zie bijlage BZV. Een landschappelijk inpassingsplan wat voldoet aan artikel 3.9. van de lov en het daaruit voortvloeiende regionale kwaliteitskader voor Hart van Brabant. Daarbij mag de inpassing geen inbreuk doen aan de Waarde- Landschap 1, dus behoud van de karakteristieke openheid; Er is voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het plan is als bijlage aan deze toelichting gevoegd. De landschappelijke inpassing wordt middels een voorwaardelijke verplichting in de regels en verbeelding planologisch geborgd. Het agrarische bouwvlak mag maximaal 2 hectare bedragen waarvan 0,5 ha beschikt over een separate aanduiding voor ruwvoeropslag; De ruwvoeropslag zal als dusdanig bestemd worden op de verbeelding en er wordt een aanduiding opgenomen om te voorkomen dat dit deel van het bouwvlak anders gebruikt kan worden dan bedoeld. Het voeren van een Omgevingsdialoog; Er is een omgevingsdialoog gevoerd.

De uitwerking en resultaten van deze dialoog zijn ais bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. De gevraagde uitbreiding mag niet leiden tot een toename van de stikstofuitstoot. Er is geen sprake van uitbreiding en tevens geen toename van stikstofuitstoot. De wijziging voorziet niet in uitbreiding van dieraantaiien. Er wordt volledig gehandeld binnen de vigerende vergunning in het kader van de wet Natuurbescherming. De voertuigbewegingen nemen eveneens niet toe ten opzichte van de huidige situatie. Er zal niet meer voer aangevoerd worden op de locatie, echter het ruwvoer kan op een duurzamere manier opgeslagen worden op de huidige locatie. Zie voor een verdere toelichting 2.2. beoogde situatie.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 25

arvalis De beoogde ontwikkeling voldoet aan de gestelde voorwaarden van de gemeente Gilze en Rijen.

Bestemmingsplan Zwarte Dijk 43, Rijen 26

arvalis 4.

Omgevingsaspecten

4.1

Milieu

Inleiding In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied aan diverse milieuaspecten getoetst. Concrete veranderingen die de uitbreiding van de ruwvoeropslag en het bouwvlak met zich meebrengen betreffen hoofdzakelijk de verkeersbewegingen van en naar het bedrijf.

4.1.1

M.e.r.-beoordeling

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is volgens de Wet milieubeheer verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Welke activiteiten dat betreft is aangegeven in het Besluit mer en de daarbij behorende bijlage. In de bijlage is onderscheid gemaakt tussen een: • C-lijst met m.e.r.-plichtige activiteiten en daarbij behorende drempelwaarden; • D-lijst met m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten en de daarbij behorende drempelwaarden. Het doel van de m.e.r. is het milieubelang volwaardig mee te laten wegen bij de vaststelling van deze plannen en besluiten. Een belangrijk product van de m.e.r.- procedure is het milieueffectrapport (MER.).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14294424/1