CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1- Toelichting bestemmingsplan 'Mosstraat 19 Rijen'

Gemeenteraad 13 mei 2024, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Mosstraat 19 Rijen14.270 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Pagina 24 van 40

Afbeelding 10: Uitsnede kaart Natuur Netwerk Brabant (paragraaf 3.2.3) Iov, plangebied met plusteken weergegeven

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn ‘Langstraat’, ‘Ulvenhoutse Bos’, ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ en ‘Regte Heide & Riels Laag’. De provincie NoordBrabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Langstraat, dat op een afstand van circa 9 kilometer ligt. De uitbreiding van de veehouderij in bedrijfsbebouwing (nieuwe melkcarrousel) kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van toepassing bij de ontwikkeling van veehouderijen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Pagina 25 van 40

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Het bedrijf is in het bezit van een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswetvergunning 1998 d.d. 22-9-2016, zie Bijlage 5. Deze vergunning is van rechtswege per 01-01-2017 is overgaan in een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming. Daar dit de bestaande, planologisch legale situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan betreft geldt die vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming als uitgangssituatie. Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt, is middels het rekenprogramma AERIUS een verschilberekening gemaakt tussen de uitgangssituatie en de beoogde bedrijfsopzet.

Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in Bijlage 7, blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht. De bouwfase van onderhavige ontwikkeling kan ook leiden tot stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden. Om uit te sluiten dat er stikstofdepositie plaatsvindt om omliggende Natura-2000 gebieden is een AERIUS berekening gemaakt van de bouw- en realisatiefase. Een toelichting op de invoergegevens van zowel de bouwfase als de gebruiksfase is in Bijlage 4 toegevoegd. De rekenresultaten van de bouwfase zijn toegevoegd in Bijlage 6. Uit de rekenresultaten blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Langstraat leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

Pagina 26 van 40

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Mosstraat 19 te Rijen, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren melkcarrousel, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.

Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Op 11-9-2023 is door Brabant Eco B.V. een ecologische quickscan uitgevoerd, zie Bijlage 8, waarbij is gecontroleerd of er beschermde soorten in het kader van flora en fauna aanwezig zijn. Op basis van het veldonderzoek en de analyse kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie van extra veldonderzoek uit te voeren. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen de planlocatie is hier geen sprake van.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Bodemkwaliteit Binnen de bedrijfsvoering vinden enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hebben betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht. In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling.

Pagina 27 van 40

In dit geval wordt er een nieuw gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven, namelijk de nieuwe melkcarrousel. Hierdoor is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Er is daarom door Moerdijk Bodemsanering B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. Uit dit onderzoek is gebleken dat in het grondwater sterk verhoogde concentraties aan kobalt en nikkel zijn aangetroffen. Deze kunnen gezien worden als natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde. Deze verhoogde waarden vormen geen belemmeringen voor het beoogde initiatief. Wel adviseert Moerdijk Bodemsanering B.V. om geen grondwater te onttrekken voor consumptiedoeleinden of de beregening van tuin(planten). De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor het initiatief. Een nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 9. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling. 4.5. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde ontwikkeling moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.5.1. Cultuurhistorie en aardkunde

De cultuurhistorie en aardkunde binnen het plangebied wordt beschouwd aan de hand van het wettelijk toetsingskader en het daaruit volgende provinciaal beleid. Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw project een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en verlening van een omgevingsvergunning. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een omgevingsvergunning moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het proces naar voren wordt gehaald. In de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en verlener van omgevingsvergunning zijn daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz).

De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer

Pagina 28 van 40

(Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting 1 januari 2024 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap.

De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Interim omgevingsverordening is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. Het provinciaal belang is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar belangrijkste taak heeft. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant heeft de provincie de aardkundige en cultuurhistorische waarden op een verbeelding opgenomen. Uit de kaart ‘Aardkundige en/of cultuurhistorische waarden’ behorende bij paragraaf 3.2.4 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’, zie Afbeelding 11. De locatie kent daarnaast geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij de uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan het aspect cultuurhistorie.

Pagina 29 van 40

Afbeelding 11: Kaart aardkundige en/of cultuurhistorische waarden Iov (paragraaf 3.2.4), locatie met plusteken aangeduid

De CHW bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Ook alle informatie die op de CHW 2006 te vinden was is opgenomen op de nieuwe CHW. Uit Afbeelding 12 blijkt dat het plangebied is gelegen langs een historisch geografische lijn van redelijk hoge waarden. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen de regio ‘Baronie’. De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan de historische geografische lijn. De wegenstructuur op en langs het plangebied zal niet wijzigen. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden. De jongere ontginningen hebben vaak een open karakter met een rationeel patroon van wegen, waterlopen en percelen. De openheid wordt onderbroken door erfbeplanting en wegbeplanting.

De omgeving van de locatie wordt gekenmerkt door een buurtschap en bijbehorende groenstructuren. Bij het landschappelijk inpassingsplan is aangesloten bij de inrichting van het landschap in de omgeving. Door de landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen verzacht en gedeeltelijk aan het zicht onttrokken en sluit het geheel aan bij de omgeving. De beoogde ontwikkeling sluit daarmee aan bij de ontwikkelingsstrategie van de regio De Baronie. Tevens zijn er op het perceel geen bouwwerken met cultuurhistorische waarden, dan wel monumentenstatus aanwezig volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Gilze en Rijen, zie Afbeelding 13.

Pagina 30 van 40

Afbeelding 12: Uitsnede CHW-viewer Noord-Brabant

Afbeelding 13: Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Gilze en Rijen, planlocatie rood omcirkeld

4.5.2. Archeologie

Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de

Pagina 31 van 40

Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. In het vigerende bestemmingsplan is de beoogde locatie van de melkcarrousel niet gelegen binnen een dubbelbestemming omtrent archeologie. Ook in Afbeelding 12 zijn geen mogelijk archeologische waarden opgenomen. Er worden derhalve geen mogelijke archeologische resten ter plaatse van het te bebouwen gebied verwacht.

Een nader archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Tot slot is het op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet verplicht om een toevalsvondst aan het bevoegd gezag te melden, mocht hier toch nog sprake van zijn. Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen is de planlocatie gelegen in ‘Categorie 6’, zie Afbeelding 14. Dat wil zeggen dat er onderzoekplicht geldt bij ingrepen groter dan 25.000 m2 en dieper dan 40 cm beneden maaiveld. Echter heeft de beoogde melkcarrousel een oppervlakte van 452,0 m2, doordat dit kleiner is dan 25.000 m2 is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Derhalve zal de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 6’ op de planlocatie opgenomen worden. Derhalve zal het aspect archeologie niet voor belemmering zorgen bij het beoogde initiatief.

Afbeelding 14: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Gilze en Rijen, planlocatie rood omcirkeld

Pagina 32 van 40

4.6. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals (agrarische) bedrijven. Een geitenhouderij behoort tot milieucategorie 3.1 (Fokken en houden van overige graasdieren). Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, is de richtafstand 30 meter voor het aspect geur, 10 meter voor het aspect stof en 10 meter voor het aspect geluid. Voor het aspect geur geldt specifieke wetgeving (Wet geurhinder en veehouderij of Activiteitenbesluit milieubeheer) waar in de volgende paragraaf wordt getoetst. Voor het overige wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter voor wat betreft het aspect stof en geluid.

Binnen de richtafstand van 30 meter van de melkcarrousel (en het beoogde bouwvlak) zijn geen woningen gelegen. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.7. Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. Er wordt met het initiatief geen geurgevoelig object gerealiseerd. Er wordt derhalve geen onevenredige inbreuk gemaakt op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving en het is niet noodzakelijk om het woon- en verblijfklimaat ter plaatse inzichtelijk te maken. De afstand van het emissiepunt tot woningen in de omgeving verandert niet, er is geen sprake van een wijziging van de situering van de emissiepunten. De dichtstbijzijnde woning aan de Mosstraat 34 is gelegen op circa 80 meter van het dichtstbij gelegen emissiepunt. De nieuwe melkcarrousel komt dichter bij deze woning te liggen. De melkcarrousel betreft echter geen dierenverblijf. In de melkcarrousel worden geen dieren gehuisvest. Per dag zullen de dieren maximaal 2 keer per dag voor ongeveer 2 uur gemolken worden. Zoals op Afbeelding 4 aangegeven zullen er ventilatoren tussen de dierenverblijven en de melkcarrousel worden geplaatst.

Deze ventilatoren zullen zorgen voor een onderdruk in de melkcarrousel, zodat de lucht naar de geitenstal gaat. De emissies van de geiten zullen

Pagina 33 van 40

dus enkel vanuit de emissiepunten van de dierenverblijven gaan. De situering van de emissiepunten zal derhalve niet wijzigen en niet dichterbij omliggende woningen komen te liggen. In het geurrapport van de vigerende vergunning is een kaart toegevoegd met de ligging van het bedrijf ten aanzien van gevoelige bestemmingen. Dit geurrapport is als Bijlage 10 toegevoegd. Er is geen sprake van een verandering van de geurbelasting op woningen in de omgeving. 4.8. Luchtkwaliteit In de Bijlage 11 zijn fijnstofberekeningen behorende bij de verleende vergunning toegevoegd. Er is geen sprake van een verandering van de fijnstofbelasting in de omgeving. In de beoogde situatie zal het aantal te houden dieren niet wijzigen. Ook de huisvestingssystemen zullen niet wijzigen. Er zijn gevoelige objecten in verschillende windrichtingen opgenomen in de berekeningen. Omtrent het aspect fijnstof zullen geen wijzigen in het bedrijf plaatsvinden, omdat de situering van de emissiepunten en het aantal te houden dieren niet zal wijzigen. Bovendien is er geen sprake van een nieuw dierenverblijf, doordat er enkel een nieuwe melkcarrousel gerealiseerd wordt. Ook wordt de eventuele emissie in de melkcarrousel door een ventilator afgezogen naar de bestaande stallen. Door de installatie van de ventilator komt de melkcarrousel op onderdruk te staan.

Deze onderdruk zorgt ervoor dat de deuren van de melkcarrousel open kunnen staan zonder dat er sprake is van vrijkomende emissie vanuit de carrousel. 4.9. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de inrichting vinden activiteiten plaats die een mogelijke geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. De geluidsproductie van een geitenbedrijf is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen en overige motoren binnen de inrichting. De eventuele geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering is laag en de activiteiten vinden veelal inpandig of nabij de stallen plaats. Uit paragraaf 4.6 blijkt dat de nieuwe melkcarrousel op voldoende afstand van omliggende woningen wordt gerealiseerd en dat de melkcarrousel dus geen onevenredige geluidhinder zal veroorzaken op omliggende woningen. Er kan dus worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het beoogde initiatief. 4.10. Verkeer en parkeren Het beoogde initiatief heeft geen toename van het aantal transportbewegingen en een toename in parkeerbehoefte tot gevolg.

Er zullen niet meer dieren worden gehouden. Er zal enkel een melkcarrousel gerealiseerd worden om sneller te kunnen melken. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer en voor parkeren. Derhalve wordt er voor de uitbreiding van het bedrijf aangesloten bij de ‘Nota Parkeernormen 2017’, de parkeernota, schrijft kencijfers ten aanzien van parkeren voor uiteenlopende activiteiten voor. Voor de beoogde melkcarrousel kan er aangesloten worden bij de categorie ‘Bedrijf arbeidsextensief, bezoekersextensief (loods, opslag transport bedrijf)’ deze schrijft een norm van 1,1 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Derhalve dient er voor de beoogde uitbreiding van 452 m2, (4,52 x 1,1 =) 5 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Op het erf zijn voldoende parkeerplaatsen en erfverharding aanwezig, om deze auto’s te kunnen parkeren. Echter zoals al eerder benoemd is zal de melkcarrousel er niet voor zorgen dat er meer auto’s op het terrein parkeren in de praktijk. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op het bedrijf. De beoogde situatie zal geen belemmering vorm voor het aspect parkeren.

Pagina 34 van 40

4.11. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron (Rijkswegen, spoor, waterweg en buisleiding). Het aspect externe veiligheid is niet relevant. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen. 4.12. Volksgezondheid De veehouderij is gelegen in het buitengebied van de gemeente Gilze en Rijen. In de directe omgeving zijn diverse woningen bedrijfswoningen en woningen gelegen. De afstand tot de bebouwde kom van Rijen bedraagt circa 580 meter. Er zijn derhalve veel woningen die vallen binnen de straal van 2 kilometer. Binnen een straal van 2 kilometer zijn tevens scholen en/of kinderdagverblijven gelegen. Zorgboerderijen of opvangcentrums zijn niet binnen 2 kilometer gelegen. De gezondheidseffecten op omwonenden zullen niet wijzigen ten opzichte van de beoogde situatie. Er zullen niet meer dieren worden gehouden en de emissiepunten zullen niet wijzigen.

Er zijn aanwijzingen dat omwonenden die binnen een straal van een kilometer 15 of meer veehouderijen in de buurt hebben een verminderde longfunctie hebben. Binnen een straal van 1 kilometer zijn 10 andere veehouderijen gelegen (zie Afbeelding 15; de veehouderij aan de Mosstraat 25 en Mosstraat 34 is één inrichting). De geitenhouderij is derhalve niet in een gebied gelegen waarin woningen liggen met meer dan 15 veehouderijen in een straal van 1 kilometer. Er zijn derhalve geen negatieve effecten omtrent het aspect volksgezondheid te verwachten.

Pagina 35 van 40

Afbeelding 15: Uitsnede kaartbank Brabant, veehouderijen binnen 1 km binnen cirkel weergegeven

Pagina 36 van 40

5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld.

De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: ▪ Enkelbestemming: Agrarisch; ▪ Enkelbestemming: Groen; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie – 6; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Landschap – 1; ▪ Bouwvlak; ▪ Functieaanduiding: intensieve veehouderij; ▪ Functieaanduiding: specifieke vorm van agrarisch – dierenverblijf uitgesloten; ▪ Gebiedsaanduiding: ihcs – 1; ▪ Gebiedsaanduiding: overig – agrarisch balansgebied. Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. Het bouwvlak is van vorm veranderd, zodat de melkcarrousel binnen het bouwvlak komt te liggen. Het bouwvlak is niet groter dan 1,5 hectare. 5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan.

Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de landschappelijke inpassing te realiseren. Daarnaast is een gebruiksverbod opgenomen om de melkcarrousel als dierenverblijf te gebruiken.

Pagina 37 van 40

6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Mosstraat 19 te Rijen betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden in de vorm van publicatie van het ontwerpbestemmingsplan.

6.2.1. Vooroverleg en omgevingsdialoog

In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Brabantse Delta, Brandweer Midden en West-Brabant en provincie Noord-Brabant. Naar aanleiding van dit overleg zijn de opmerkingen van de overlegpartners verwerkt in de toelichting. De nota van vooroverleg is in Bijlage 13 toegevoegd. Initiatiefnemers hebben de beoogde plannen voorgelegd aan omwonenden middels een brief/bezoek. De reacties hierop zijn toegevoegd als in Bijlage 12 bij dit bestemmingsplan. De opmerkingen uit de omgevingsdialoog hebben niet geleid tot wijziging van het bestemmingsplan. Samenvattend kan worden gesteld dat de omwonenden niet negatief tegenover de gewenste ontwikkeling staan.

6.2.2. Zienswijzen en beroep

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen ontvangen. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

Pagina 38 van 40

7. Bijlagen Bijlage 1: Tekening beoogde sitautie Bijlage 2: Situatietekening Bijlage 3: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 4: Toelichting invoergegevens AERIUS Bijlage 5: Vergunning Wet natuurbescherming inclusief plattegrondtekening Bijlage 6: AERIUS berekening bouwfase Bijlage 7: AERIUS verschilberekening gebruiksfase Bijlage 8: Ecologische quickscan Bijlage 9: Bodemonderzoek Bijlage 10: Geurrapport Bijlage 11: Rekenresultaten fijnstofberekening Bijlage 12: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 13: Nota van vooroverleg

Pagina 39 van 40

Pagina 40 van 40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14053752/1