Bijlage 1- Toelichting bestemmingsplan 'Mosstraat 19 Rijen'
Tekst van het document
Mosstraat 19 Rijen
bestemmingsplan Mosstraat 19 Rijen
Inhoudsopgave
Toelichting
2
3
bestemmingsplan "Mosstraat 19 Rijen" (vastgesteld)
bestemmingsplan Mosstraat 19 Rijen
Toelichting
bestemmingsplan "Mosstraat 19 Rijen" (vastgesteld) 3
Toelichting Bestemmingsplan
Mosstraat 19 Rijen
Colofon
Gemeente:
Gilze en Rijen
Projectlocatie:
Mosstraat 19 5121 ZJ Rijen
Datum:
26-4-2022, gewijzigd 9-6-2023, 9-8-2023, 10-10-2023, 1-12-2023, 11-12-2023
Status:
Vastgesteld
IMRO-Code:
NL.IMRO.0784.BPMosstraat19-VS01
Opgesteld door:
Van Dun Advies BV
20-3-2024
Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl Projectnummer:
01186.063 / Rda
Pagina 2 van 40
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding en doel ........................................................................................... 5
1.2.
Geldend planologisch regime ............................................................................ 5
1.3.
Procedure ....................................................................................................... 5
1.4.
Leeswijzer ....................................................................................................... 6
2. Planbeschrijving............................................................................................... 7 2.1.
Bestaande situatie............................................................................................ 7
2.2.
Beoogde situatie .............................................................................................. 7
2.3.
Verantwoording locatie melkcarrousel ............................................................... 10
3. Beleidskader................................................................................................... 12 3.1.
Provinciaal beleid ............................................................................................ 12
3.1.1. 3.1.2. 3.2.
Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 12 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 12
Gemeentelijk beleid......................................................................................... 16
3.2.1. 3.2.2.
Structuurvisie Buitengebied ....................................................................... 16 Bestemmingsplan ..................................................................................... 17
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 20 4.1.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 20
4.2.
Waterhuishouding ........................................................................................... 20
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.
Waterrelevant beleid................................................................................. 20 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 22 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 22
Natuur ........................................................................................................... 24
4.3.1. 4.3.2.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 24 Wet natuurbescherming ............................................................................ 25
4.4.
Bodemkwaliteit ............................................................................................... 27
4.5.
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 28
4.5.1. 4.5.2.
Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 28 Archeologie .............................................................................................. 31
4.6.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 33
4.7.
Geur .............................................................................................................. 33
4.8.
Luchtkwaliteit ................................................................................................. 34
4.9.
Geluid ............................................................................................................ 34
4.10.
Verkeer en parkeren .................................................................................... 34
4.11.
Externe veiligheid ........................................................................................ 35
4.12.
Volksgezondheid .......................................................................................... 35
5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 37 Pagina 3 van 40
5.1.
Juridische achtergrond .................................................................................... 37
5.2.
Toelichting verbeelding.................................................................................... 37
5.3.
Toelichting regels............................................................................................ 37
6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 38 6.1.
Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 38
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 38
6.2.1. 6.2.2.
Vooroverleg en omgevingsdialoog .............................................................. 38 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 38
7. Bijlagen .......................................................................................................... 39
Pagina 4 van 40
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Initiatiefnemer is voornemens om een melkcarrousel te realiseren aan de bestaande geitenstal aan de Mosstraat 19 te Rijen. De melkcarrousel is noodzakelijk, omdat het melken van de geiten momenteel te veel tijd in beslag neemt. Er wordt op het bedrijf 2 maal per dag 6 uur gemolken in de bestaande melkstal. Derhalve wenst de ondernemer een nieuwe melkcarrousel te realiseren voor melkgeiten met een grotere capaciteit (groter gebouw), zodat de melktijd zal halveren. Er wordt een melkstal gebouwd als zijnde een gebouw waarin een melkcarrousel wordt geplaatst. 1.2. Geldend planologisch regime Het vigerende bestemmingsplan voor de locatie betreft het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, aldus vastgesteld d.d. 1 juli 2013. Afbeelding 1 geeft de bestemmingen en aanduidingen weer die conform het vigerende bestemmingsplan van toepassing zijn op de agrarische bedrijfslocatie. Het realiseren van de melkcarrousel buiten het bouwvlak en op een afstand minder dan 10 meter van de voorgevelrooilijn is niet rechtstreeks toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan.
Afbeelding 1: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied’
1.3. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.
Pagina 5 van 40
Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd. 1.4. Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven.
Het van toepassing zijnde provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.
Pagina 6 van 40
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie Op de locatie aan de Mosstraat 19 te Rijen exploiteert initiatiefnemer een agrarisch bedrijf met melkgeiten. De vigerende vergunning betreft de oprichtingsvergunning d.d. 22 maart 2016 voor het houden van 1.665 geiten ouder dan 1 jaar, 20 bokken, 500 opfokgeiten van 61 dagen tot en met één jaar en 930 opfokgeiten en mestlammeren van 0 tot en met 60 dagen. Er zijn twee geitenstallen, twee loodsen en agrarische voorzieningen aanwezig op de bedrijfslocatie. De locatie is gelegen ten oosten van de bebouwde kom van Rijen en ten westen van de bebouwde kom van Tilburg, zie Afbeelding 2.
Rijen
Tilburg
Afbeelding 2: Omgeving Mosstraat 19 te Rijen, locatie met pijl aangeduid
2.2. Beoogde situatie Initiatiefnemer is voornemens om een melkcarrousel te realiseren aan de bestaande geitenstal, Afbeelding 3 geeft de beoogde locatie van de melkcarrousel weer. De melkcarrousel is noodzakelijk, omdat het melken van de geiten momenteel te veel tijd in beslag neemt. Er wordt op het bedrijf 2 maal per dag 6 uur gemolken in de bestaande melkstal. Derhalve wenst de ondernemer een nieuwe melkcarrousel voor melkgeiten met een grotere capaciteit (groter gebouw), zodat de melktijd zal halveren. Doordat de huidige melkruimte te klein is komt het dierenwelzijn van de geiten in gedrang, omdat het wachten om gemolken te worden dan erg lang duurt. Korte wachttijden en een soepel, snel en comfortabel melkproces dragen bij aan het dierenwelzijn van de geiten. Bovendien zorgt de te realiseren melkcarrousel voor een efficiënte bedrijfsvoering, kortere melktijden en daarmee ook betere arbeidsomstandigheden. Er wordt een melkstal gebouwd als zijnde een gebouw waarin een melkcarrousel wordt geplaatst, zie Afbeelding 4. Na het realiseren van een nieuwe melkcarrousel wordt de bestaande melkstal in gebruik genomen als wachtruimte, zie Bijlage 1. De oppervlakte van het gebouw waarin de geiten worden gemolken wordt 289 m², terwijl de bestaande melkput maar een oppervlakte van 140 m² heeft.
Een melkcarrousel is geen bedrijfsruimte waarin dieren gehouden of gehuisvest worden, de geiten worden slechts binnen dit gebouw gemolken.
Pagina 7 van 40
De bouwhoogte wordt beperkt tot de minimale benodigde hoogte om de impact op de omgeving te beperken. De nokhoogte van het gebouw waarin de melkcarrousel gerealiseerd wordt zal 8,734 meter bedragen, de goothoogtes 5 en 2,85 meter, zie bijgevoegde plattegrondtekening. Het kleurgebruik van het gebouw zal aansluiten bij de bestaande stallen. Overige wijzigingen zullen niet op het bedrijf plaatsvinden, zoals het wijzigen van het aantal te houden dieren of het wijzigen van huisvestingssystemen. Een vormverandering van het bestaande agrarische bouwvlak is noodzakelijk om de melkcarrousel binnen een bouwvlak te kunnen realiseren. Het bouwvlak is in zowel de vergunde als de beoogde situatie 1,5 hectare, zie Afbeelding 5. Deze vormverandering zorgt er daarbij ook voor dat er plaats in om twee extra sleufsilo’s te realiseren. In Bijlage 2 is de situatietekening in schaal opgenomen.
Afbeelding 3: Huidige situatie bedrijfsbebouwing, locatie melkcarrousel met pijl weergegeven
Pagina 8 van 40
N
Afbeelding 4: Beoogde melkcarrousel
Afbeelding 5: Situatietekening huidige en beoogde situatie
De beoogde ontwikkeling wordt gecombineerd met een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Onderstaande afbeelding laat de beoogde landschappelijke inpassing zien. Het landschappelijke inpassingsplan is in Bijlage 3 op schaal opgenomen.
Pagina 9 van 40
Afbeelding 6: Landschappelijk inpassingsplan
2.3. Verantwoording locatie melkcarrousel Door het realiseren van een nieuwe melkcarrousel naast de huidige melkstal i.p.v. de oude melkstal te wijzigen kan er tijdens de bouw van de nieuwe melkcarrousel in de huidige/oude melkstal gemolken blijven worden. Bovendien past de nieuwe melkcarrousel qua omvang niet in de ruimte waar de huidige melkstal zich bevindt. Door het plaatsen van de melkcarrousel kan tijdens de bouw daarvan de bedrijfsvoering ongehinderd blijven doorgaan. Dit komt het welzijn van de geiten ten goede. Bovendien geeft dit dan geen extra druk op de toch al enorme lange huidige melktijden. De nieuwe melkcarrousel kan niet aan de achterzijde of elders op het bedrijf gesitueerd worden. Wanneer de nieuwe melkcarrousel bijvoorbeeld aan de achterzijde van het bedrijf gesitueerd zou worden, moet er bovendien ook ruwvoeropslag aan de achterzijde verwijderd worden om de melkcarrousel te kunnen realiseren. Op het perceel is op een andere locatie niet voldoende ruimte om ruwvoeropslag te realiseren. De melkcarrousel wordt in de beoogde situatie aan de zuidoostelijke zijde van het bedrijf gesitueerd. Dit is aan de voorzijde van het bedrijf. Enerzijds blijft hierdoor de achterzijde van het bedrijf bestemd voor ruwvoer opslag. Ruwvoeropslag geeft altijd een wat rommelige uitstraling, waardoor dit beter past op de achterzijde van het bedrijf.
De volledige ruimte is benodigd ten behoeve van ruwvoeropslag. Anderzijds dient de melkcarrousel ook juist aan de voorzijde van het bedrijf gesitueerd te worden. Doordat de melkcarrousel aan de voorzijde van het bedrijf gesitueerd is, blijven de schone- en vuile routes in tact, welke provincie Noord-Brabant ook voorstaat blijkens het toekennen van punten wanneer er getoetst wordt aan de BZV (Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij). Immers, de ‘schone zaken’
Pagina 10 van 40
zoals de melkwagen en bezoekers van het bedrijf melden zich via de meest oostelijke ‘schone’ inrit. Dit kan in stand gehouden worden. De ‘vuile zaken’ zoals voer-, mest- en veetransport kan via de westelijke inrit het bedrijf op komen. Op deze manier blijft een zo goed mogelijke scheiding van ‘schoon’ en ‘vuil’ in tact. Om voorgaande reden dient het tanklokaal en machinekamer zoals gepland ten oosten van de nieuwe melkcarrousel ook juist op die plaats gesitueerd te worden. De machinekamer dient uiteraard pal tegen de melkcarrousel aan gesitueerd te worden. De melkcarrousel dient op zijn beurt tegen de wachtruimte (huidige melkstal wordt wachtruimte) gesitueerd te worden en wel aan de voorzijde van de stal. In verband met de dagelijkse routing van de geiten naar de wachtruimte en melkstal kan dit niet anders gesitueerd worden. De melkcarrousel bijvoorbeeld verder naar achteren plaatsen maakt dat de huidige melkstal niet meer gebruikt kan gaan worden als wachtruimte. En bovendien dienen de geiten per groep naar de wachtruimte geleid te worden, wat niet meer mogelijk is als de melkcarrousel verder naar achteren geplaats zou worden.
Het tanklokaal achter deze melkcarrousel plaatsen maakt dat er ten oosten van de melkcarrousel een weg/pad aangelegd moet worden om de melkwagen naar achteren te kunnen laten rijden, waardoor het ruimtebeslag in oostelijke richting nog groter zou zijn dan de huidig voorgestelde locatie. Tevens dient het tanklokaal zo dicht mogelijk bij de weg gesitueerd te worden. Dat is een wens/eis van de melkafnemers, welk ook weer ingegeven is vanuit hygiëne om haar vrachtwagens zo min mogelijk op ‘vuil’ erf van bedrijven te laten komen. Tegelijk moet de RMO (vrachtwagen die de melk komt ophalen) direct vanaf de weg het erf op kunnen rijden om verkeershinder te voorkomen. Door de voorgestelde situering van het tanklokaal kan deze vrachtwagen gewoon vooruit het erf op rijden, op het erf met zijn ‘kop’ richting het westen steken tussen stal en woning door, en vervolgens achteruit rijden en zich voor het tanklokaal positioneren. Daardoor wordt de verkeershinder tot een minimum beperkt. Het plaatsen van het tanklokaal voor de nieuwe melkcarrousel, wat al niet kan omdat de melkcarrousel niet verder naar achteren geplaatst kan worden, zou dit manoeuvreren op het erf niet meer mogelijk maken, waardoor de vrachtwagen achteruit het erf op moet rijden met alle mogelijke verkeershinder van dien.
Naast de noodzakelijke positionering van de vrachtwagen welke melk komt ophalen is het voor de ventilatie niet wenselijk het tanklokaal voor de melkcarrousel te plaatsen. Door de grootte van de melkcarrousel zullen daar ook relatieve veel geiten aanwezig zijn tijdens het melken. Daardoor is een grotere ventilatie noodzakelijk. Om die reden zijn grote deuren aan de voorzijde van de melkcarrousel voorzien, welke bij warm weer open gezet kunnen worden. Tevens is de melkcarrousel en ook de grote deuren voorzien van veel glas. Dit met als doel veel licht in de melkcarrousel te hebben om goed zicht op het melken te hebben, maar daarmee kunnen bovendien mensen die over de weg passeren ook de melkcarrousel goed zien, welk de verbinding van het bedrijf met de omgeving bevorderd. Conclusie Gezien de bovenstaande motivatie is het geen optie om de melkcarrousel op een andere locatie te situeren dan de gevraagde locatie. Ook het tanklokaal kan niet op een andere locatie geplaatst worden. Op deze manier blijven de schone en vuile routes op het bedrijf intact, blijft de voeropslag achter op het bedrijf gesitueerd, heeft de melkwagen voldoende ruimte om direct het erf op te rijden en geen verkeershinder te geven en bevorderd de gewenste locatie de verbinding van het bedrijf met de omgeving door het zicht vanaf de weg/voorerf de melkcarrousel in.
De nieuwe situatie zal op deze manier bovendien bijdragen aan het dierwelzijn van de geiten en vele kortere melktijden. De situering zoals gevraagd is daarmee zowel bedrijfstechnisch als ruimtelijk de meest gewenste situatie.
Pagina 11 van 40
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.1.2. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 27 november 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 5 december 2020 in werking getreden.
Pagina 12 van 40
De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Landelijk gebied’, ‘Gemengd landelijk gebied’ en ‘Stalderingsgebied’, zie Afbeelding 7.
Afbeelding 7: Uitsnede kaart werkingsgebieden Iov
Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Iov getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; ▪ meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikelen 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te
Pagina 13 van 40
worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Indien er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in hoofdstuk 3 van de Iov is toegestaan kan er worden uitgebreid in het bestaand ruimtebeslag. In onderstaande toetsing is getoetst aan de bepalingen uit hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de bepalingen, waardoor afgeweken kan worden van het bestaand ruimtebeslag voor het realiseren van een melkcarrousel. Deze voorziening is noodzakelijk voor het melken van de geiten. De beoogde ontwikkeling betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 onder i van het Bro, waardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet hoeft worden toegepast. De beoogde bebouwing wordt geconcentreerd binnen het beoogde agrarische bouwvlak. Er wordt derhalve voldaan aan de bepaling om te kunnen afwijken van het bestaand ruimtebeslag. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen.
Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat.
Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de vormverandering van het bouwvlak te combineren met een goede landschappelijke inpassing. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Gilze en Rijen is het afsprakenkader
Pagina 14 van 40
van Hart van Brabant van toepassing. Hierin is de vormverandering van een (agrarisch) bouwvlak aangemerkt als een categorie 2 ontwikkeling wat betekent dat landschappelijke inpassing noodzakelijk is. De realisatie van de melkcarrousel zal gecombineerd worden met een adequate landschappelijke inpassing. Door de landschapsversterkende maatregelen wordt de ruimtelijke vormgeving van de melkcarrousel verzacht en gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. In Bijlage 3 is het landschappelijk inpassingsplan op schaal opgenomen. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Veehouderij in Landelijk gebied (artikel 3.49) Artikel 3.49 is niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. Dit artikel is van toepassing bij een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij. Hier is in de beoogde situatie geen sprake van. Onder een uitbreiding wordt het volgende verstaan conform de begripsbepaling van de Interim omgevingsverordening: vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak. Er is geen sprake van een vergroting van het bestaande bouwperceel of het bestemmingsvlak.
Het bouwperceel/bestemmingsvlak wordt enkel van vorm veranderd. Onder een vestiging wordt het volgende verstaan: mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling, die op grond
van het geldende planologische regime niet is toegelaten, op een bestaand bouwperceel binnen het deel waar het oprichten van gebouwen is toegestaan. Er is geen sprake van vestiging, aangezien de
melkcarrousel niet op een bestaand bouwperceel wordt gerealiseerd binnen het deel waar het oprichten van gebouwen is toegestaan. Tot slot is tevens geen sprake van omschakeling. Onder omschakeling wordt het volgende verstaan conform de begripsbepaling van de Iov: geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm. Er wordt niet overgestapt van de ene naar een andere agrarische bedrijfsvorm. Uit bovenstaande blijkt dat niet getoetst hoeft te worden aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 3.49 van de Iov. Aanvullende regels nieuw dierverblijf (artikel 3.50), stalderen (artikel 3.52) en geitenmoratorium (artikel 3.47) De beoogde ontwikkeling is reeds afgestemd met de provincie. Met de provincie is afgestemd dat middels een gebruiksverbod geregeld wordt dat de melkcarrousel niet als dierenverblijf gebruikt gaat worden. In de regels is opgenomen dat de melkcarrousel niet gebruikt mag worden als dierenverblijf. Het moratorium conform artikel 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, de regels voor een zorgvuldige veehouderij conform artikel 3.50 van de Iov en stalderen conform artikel 3.52 van de Iov zijn derhalve niet van toepassing.
Op deze wijze is zowel milieukundig als planologisch geborgd dat er in de toekomst geen dieren mogen worden gehouden in de melkcarrousel, enkel na wijziging van het planologisch regime. Als het planologisch regime dan wordt gewijzigd geldt het moratorium en de eis voor stalderen.
Dierenverblijf
Stalderen is vereist bij een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren op een bouwperceel. Voor de definitie van dierenverblijf wordt aangesloten bij de landelijke definitie in het Besluit emissiearme huisvesting. Om optimale duidelijkheid te bieden is in het vierde lid opgenomen dat er alleen sprake is van een dierenverblijf als er een publiekrechtelijke toestemming is verleend voor het houden van dieren in een bepaald gebouw. Vanuit het streven naar een zo eenvoudig mogelijke en eenduidige regeling, is het niet gewenst om onderscheid te maken binnen een gebouw tussen delen waar wel en waar geen dieren worden gehouden. Daarom is in het vierde lid specifiek opgenomen dat het gaat om de oppervlakte van het gehele dierenverblijf, inclusief de inpandige voorzieningen, zoals brijkeuken, ventilatiekanaal, opslagruimte, luchtwassers en dergelijke.
Pagina 15 van 40
Art 6 tweede lid, Beh Een dierenverblijf is gedefinieerd als ruimte voor het houden van dieren. Een dierenverblijf omvat in principe het bruto gebouwoppervlakte, dus inclusief alle onderdelen die normaliter bij een stal horen, zoals gangen, melkstal, hygiënesluis, ziekenstal. Van buitenaf gezien het gehele gebouw, tenzij een deel van het gebouw fysiek gescheiden is en niet gerelateerd aan een huisvestingssysteem voor dieren, zoals een stro-opslag of werktuigenloods. Uit artikel 6 Beh blijkt dat als voorzieningen/gebouwen van buiten af gezien fysiek gescheiden zijn van de stal/ het gebouw waarin dieren (geiten) worden gehuisvest, de voorziening ‘melkstal’ niet behoeft te worden aangemerkt als een dierenverblijf. Stalderen, invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij en het tijdelijk verbod voor de geitenhouderij zijn derhalve niet van toepassing. Het begrip ‘dierenverblijf’ is in de regels van het bestemmingsplan opgenomen. Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een bestemmingplan en wordt verzekerd dat de melkcarrousel niet gebruikt gaat worden als dierenverblijf door opname van een voorwaarde in de regels bij dit bestemmingsplan. 3.2.
Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.
3.2.1. Structuurvisie Buitengebied
De structuurvisie Buitengebied van de gemeente Gilze en Rijen is opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan Buitengebied. Het plangebied valt volgens deze structuurvisie (en het vigerende bestemmingsplan) in het agrarisch balansgebied, zie Afbeelding 8. Het agrarisch balansgebied wordt gekenmerkt als een open en een grootschalig landschap met laanbeplanting. Het versterken van de economische vitaliteit in het balansgebied richt zich onder andere op het creëren van ruimtelijke mogelijkheden voor de ontwikkeling naar verbrede, duurzame en multifunctionele landbouw. De economische vitaliteit zal in elk geval mogelijk kunnen worden gemaakt door een flexibele agrarische ontwikkeling. Het realiseren van een melkcarrousel sluit aan bij het verbeteren van de economische vitaliteit, omdat de melkcarrousel noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. De beoogde ontwikkeling sluit derhalve aan bij de gemeentelijke structuurvisie.
Pagina 16 van 40
Afbeelding 8: Uitsnede zoneringskaart, plangebied omcirkeld
3.2.2. Bestemmingsplan
Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de planlocatie het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ geldend. Hier zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen, zie Afbeelding 1: ▪ Enkelbestemming: Agrarisch; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Landschap – 1; ▪ Bouwvlak; ▪ Functieaanduiding: intensieve veehouderij; ▪ Gebiedsaanduiding: ihcs – 1; ▪ Gebiedsaanduiding: overig - agrarisch balansgebied. In het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Het realiseren van de melkcarrousel buiten het bouwvlak en op een afstand minder dan 10 meter van de voorgevelrooilijn is niet rechtstreeks toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan. Op basis van artikel 3.3.1 kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan om het bouwvlak te overschrijden voor de realisatie van bouwwerken. De afstand van bedrijfsgebouwen tot aan de voorgevelrooilijn dient 10 meter te zijn, op grond van artikel 3.2 van het bestemmingsplan. Op basis van artikel 3.3.5 kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan voor wat betreft de afstand tot de voorgevelrooilijn. Aan deze bevoegdheden zijn enkele voorwaarden verbonden. In onderstaande toelichting wordt getoetst of aan de voorwaarden kan worden voldaan:
Overschrijding bouwvlak 3.3.1 Ten behoeve van overschrijding bouwvlak Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven ontheffing verlenen van de op de kaart aangegeven begrenzing van een bouwvlak en het bepaalde in lid 3.2 onder b voor een eenmalige overschrijding, aan één zijde van het bouwvlak met 25 m, met inachtneming van het volgende:
Pagina 17 van 40
a. overschrijding van het bouwvlak is alleen toelaatbaar, voor zover een doelmatige bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt; hiervan is in ieder geval sprake, indien de overschrijding van het bouwvlak vanwege de milieuwetgeving of het dierenwelzijn is vereist;
De huidige omvang van de melkstal is niet toereikend voor het efficiënt kunnen uitvoeren van de melkwerkzaamheden. De melkstal is niet voorzien op het aantal geiten dat op het bedrijf gehouden worden. Door de realisatie van de melkcarrousel is een efficiëntere en doelmatigere bedrijfsvoering mogelijk ten behoeve van het melken. De melktijd van de geiten kan door de realisatie van de melkcarrousel gehalveerd worden. Doordat de huidige melkruimte te klein is komt het dierenwelzijn van de geiten in gedrang, omdat het wachten om gemolken te worden dan erg lang duurt. Korte wachttijden en een soepel, snel en comfortabel melkproces dragen bij aan het dierenwelzijn van de geiten.
b. er dient voorzien te worden in een adequate landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak;
De realisatie van de melkcarrousel zal gecombineerd worden met een adequate landschappelijke inpassing. Door de landschapsversterkende maatregelen wordt de ruimtelijke vormgeving van de melkcarrousel verzacht en gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. In Bijlage 2 is het landschappelijk inpassingsplan op schaal opgenomen.
c. door het verlenen van de ontheffing mogen de omliggende agrarische bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
In de omgeving van de locatie aan de Mosstraat 19 te Rijen zijn verschillende (agrarische) bedrijfslocaties gelegen. Het oprichten van de melkcarrousel betreft geen gevoelig object, waardoor de melkcarrousel geen beperkingen op de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven oplevert.
Afwijken afstand tot de voorgevelrooilijn 3.3.5 Ten behoeve van afstand tot de voorgevelrooilijn Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.2 sub e ten behoeve van de afstand tot de voorgevelrooilijn mits de voorgenomen afstand stedenbouwkundig aanvaardbaar is.
De beoogde melkcarrousel zal geen onevenredige afbreuk doen aan het bebouwingsbeeld in de omgeving. In de nabije omgeving zijn vele bedrijfsgebouwen gelegen. Voor de uitvoering van de melkcarrousel zal worden aangesloten bij de bestaande stal. De voorgevel van de melkcarrousel zal in het verlengde komen te liggen van de gevel van de naastgelegen stal. Derhalve is het stedenbouwkundig gewenst dat wordt afgeweken van de minimale afstand van 10 meter tot de voorgevelrooilijn. De bouwhoogte wordt beperkt tot de minimale benodigde hoogte om de impact op de omgeving te beperken. De nokhoogte van de nieuwe melkstal zal 8,734 meter bedragen, de goothoogtes 5 en 2,85 meter, zie bijgevoegde plattegrondtekening. Het kleurgebruik van de melkstal zal aansluiten bij de bestaande stallen. Hieruit blijkt dat het realiseren van de melkcarrousel stedenbouwkundig aanvaardbaar is. In artikel 44.2 van het vigerende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen op het bouwvlak aan de Mosstraat 19 te Rijen van vorm te veranderen. Echter doordat de bestemming archeologie, conform het gemeentelijk archeologisch beleid, is opgenomen op de locatie, wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen. Voor de volledigheid wordt hieronder getoetst aan de voorwaarden uit het wijzigingsbevoegdheid gesteld in artikel 44.2:
44.2 Wijziging ten behoeve van verandering van een bouwvlak Burgemeester en wethouders kunnen de vorm van de bouwvlakken veranderen, indien de bebouwing ten behoeve van de - voor dat bouwvlak geldende - bestemming zonder deze verandering niet of niet goed zou kunnen worden gerealiseerd met inachtneming van het volgende: a. voor zover de gronden zijn aangeduid als 'Waarde archeologie' dient op grond van archeologisch onderzoek dient te blijken dat de verandering van het bouwvlak geen afbreuk doet aan de bescherming of de veiligstelling van de aanwezige archeologische waarden; Niet van toepassing. De gronden zijn niet aangeduid als ‘Waarde – Archeologie’.
Pagina 18 van 40
b. vormverandering dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering/-ontwikkeling;
Zoals al eerder benoemd is de vormverandering nodig om een melkcarrousel te kunnen realiseren. Deze melkcarrousel is noodzakelijk om een doelmatige bedrijfsvoering te kunnen exploiteren en om het dierenwelzijn te kunnen garanderen. Zie hiervoor ook paragraaf 2.3.
c. een verzoek om toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid wordt ter toetsing voorgelegd aan een agrarisch deskundige omtrent de vraag of aan het gestelde onder b wordt voldaan;
Gezien de aard en omvang van het geitenbedrijf is de melkcarrousel noodzakelijk om sneller te kunnen melken. Er wordt op het bedrijf 2 maal per dag 6 uur gemolken in de bestaande melkstal. Derhalve wenst de ondernemer een nieuwe melkcarrousel voor melkgeiten met een grotere capaciteit (groter gebouw), zodat de melktijd zal halveren. Op deze wijze blijft meer tijd over om ook overige werkzaamheden op het agrarische bedrijf te kunnen uitvoeren. De dieren dienen ook nog gevoerd te worden, de stallen dienen schoongemaakt te worden en de administratie dient ook te worden bijgehouden. Door het realiseren van de melkcarrousel zal dus een doelmatige agrarische bedrijfsvoering gevoerd kunnen worden en zal behoud van het agrarische bedrijf verzekerd zijn. Er kan dus voldaan worden aan het gestelde onder b.
d. er dient voorzien te worden in een adequate landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak waarvoor het volgende geldt: 1. de bestemming van de gronden die worden ingezet ten behoeve van de landschappelijke inpassing dienen te worden gewijzigd in de bestemming Groen zodat de groene inpassing planologisch wordt beschermd; De beoogde ontwikkeling wordt gecombineerd met een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De gronden die worden ingezet ten behoeve landschappelijke inpassing zijn gewijzigd in de bestemming ‘Groen’, zodat de groene inpassing planologisch wordt beschermd.
e. de ontwikkeling dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn. Uit de toetsing in hoofdstuk 4 van deze toelichting blijkt dat de beoogde ontwikkeling milieuhygiënisch inpasbaar is. Uit bovenstaande toetsing blijkt dat de beoogde ontwikkeling past binnen de voorwaarden die zijn gesteld in de wijzigingsbevoegdheid in artikel 44.2 van het vigerende bestemmingsplan.
Pagina 19 van 40
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. ▪ Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van vee zijn de grenswaarden opgenomen in categorie C14 en D14. In de beoogde situatie vinden geen wijzigingen van dieraantallen, huisvestingssystemen of emissiepunten plaats. Er is derhalve geen sprake van een verplichting van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.
In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1. Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Noord-Brabant
Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027
Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP is op 22
Pagina 20 van 40
december 2021 in werking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie.
Samenwerking met water- en bodempartners
De provincie heeft de koers voor de komende jaren niet alleen bepaald. In dialoogsessies hebben vele partners en belanghebbenden actief meegedacht. Naast de Brabantse waterschappen, terreinbeherende organisaties (TBO’s), de Vereniging Industriewater, drinkwaterbedrijven, de Brabantse Milieu Federatie, Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO) en verschillende onderwijsinstellingen, waren ook een groot aantal gemeenten aangesloten.
Water en bodemsysteem herstellen
Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Waterschap
Waterbeheerprogramma 2022 – 2027
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. Hieromtrent is bij de Algemene regels van de keur het volgende opgenomen: ▪ Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater; ▪ Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m²); ▪ Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. In alle gevallen geldt (ook) het gemeentelijke beleid.
Pagina 21 van 40
Gemeente
Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2021 – 2025 (vGRP)
Het waterbeleid van de gemeente Gilze en Rijen is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025. In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet verder ingevuld. Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd. Alle nieuwe nieuwbouw- en herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename is van het verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoon gehouden.
Als de toename verhard oppervlak kleiner is dan 500 m2: Bij een toename van het verhard oppervlak (daken en bestrating) van minder dan 500 m² geldt alleen het gemeentelijk beleid en wordt alleen voor het oppervlak van de bouwwerken een opgave meegegeven. Bij het realiseren van nieuwbouw is een bergingseis voor hemelwater van minimaal 60 mm (liter/m²) voor het toekomstige nieuwe bebouwd oppervlak vastgesteld. Bij het aanpassen van bebouwd oppervlak geldt een bergingseis van minimaal 7 mm (liter/m²) voor het vervangende oppervlak en minimaal 60 mm voor een eventuele toename van het bebouwd oppervlak. De gemeente rekent niet met een gevoeligheidsfactor. Oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. De bestaande watervoorzieningen zoals greppels en vijvers dienen gehandhaafd te blijven tenzij de bergende, afvoerende, infiltrerende en drainerende functie gecompenseerd wordt.
Als de toename groter is dan 500 m2:
Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² (daken en bestrating) geldt zowel het gemeentelijk als waterschapsbeleid en wordt voor het oppervlak van het daken en bestrating een opgave meegegeven. Bij het realiseren van nieuw verhard oppervlak is een bergingseis voor hemelwater van minimaal 60 mm (liter/m²) voor het toekomstige nieuwe verhard oppervlak vastgesteld. Bij het aanpassen van verhard oppervlak geldt een bergingseis van minimaal 7 mm (liter/m²) voor het vervangende oppervlak en minimaal 60 mm voor een eventuele toename van het oppervlak. De gemeente rekent niet met een gevoeligheidsfactor. Verhard oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. De bestaande watervoorzieningen zoals greppels en vijvers dienen gehandhaafd te blijven tenzij de bergende, afvoerende, infiltrerende en drainerende functie gecompenseerd wordt.
4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m³ niet-verontreinigd hemelwater per m² verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.
Pagina 22 van 40
Het hemelwater afkomstig van de nieuwe melkcarrousel wordt afgevoerd naar de perceelsloten. Het gemeentelijk beleid schrijft voor dat mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van uitbreiding van bebouwd oppervlak. De toename van bebouwd oppervlak is 452 m2, doordat de uitbreiding kleiner is dan 500 m2 hoeft de uitbreiding in erfverharding niet meegenomen te worden. De grootte van de retentievoorziening moet in dat gevel worden berekend conform de rekenregel die in het gemeentelijk beleid is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x 0,06 (m) De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door de gemeente vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 452 m2 x 0,06 (m) = 27,12 m3 Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden afgegraven dan de GHG ter plaatse.
De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde bodematlas van de provincie Noord-Brabant. Zoals uit Afbeelding 9 blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde retentievoorziening tussen 100 en 120 cm beneden maaiveld.
Afbeelding 9: Uitsnede kaartbank 'Gemiddelde hoogste grondwaterstand' provincie Noord-Brabant, locatie beoogde retentievoorziening rood omkaderd
Pagina 23 van 40
Achter de melkcarrousel en de landschappelijke inpassing wordt een retentievoorziening, in de vorm van een retentiesloot van 27,12 m2 aangelegd. De sloot wordt maximaal 120 cm diep. In de bovenstaande afbeelding is de locatie van deze sloot weergegeven. Het hemelwater van de te realiseren melkcarrousel wordt op deze retentiesloot aangesloten. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen.
Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Natuur Netwerk Brabant’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 10. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.