Bijlage 1- Toelichting bestemmingsplan Altenaweg 13-18 Gilze
Tekst van het document
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
25
situatie plaatsvindt. Daarbij worden met de beoogde ontwikkeling 2 intensieve veehouderijen gesaneerd wat eveneens een positief effect heeft met betrekking tot verzuring op natuurgebieden.
Afbeelding 10: NNB losse snipper (planlocatie aangegeven met roze plus)
4.4.2
Wet natuurbescherming (stikstof)
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels.
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
26
Afbeelding 11: uitsnede natura-2000 gebieden Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied ligt op circa 5,5km van het plangebied vandaan. Dit is de Regte Heide & Riels laag. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedere ontwikkeling dat een negatief effect kan hebben, gelet op de instandhoudingdoelen, is verplicht om voor deze ontwikkeling een vergunning aan te vragen in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. De omschakeling van het bedrijf (van varkenshouderij naar paardenfokkerij) kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Gelet op de grote afstand van het plangebied tot de locatie is het mogelijk dat de uitstoot van stikstof(verbindingen) een effect heeft op de verzuring en vermesting in een beschermd gebied. Andere effecten zijn vanwege de ruime afstand uit te sluiten Voor de varkenshouderij is de referentiesituatie in het kader van de Natura 2000-gebieden de milieutoestemming uit 2011. In deze toestemming is een stikstofemissie (van ammoniak) opgenomen van 3.132,4 kg.
Met de beoogde omschakeling naar een paardenfokkerij bedraagt de ammoniakemissie maximaal 469,1 kg. Dit betekent dat er sprake is van een aanzienlijke afname van de stikstofemissie vanuit het bedrijf. Hierdoor is er met zekerheid te zeggen dat er ook geen negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen binnen de Natura 2000-gebieden. Onderstaand is per locatie de vergunde en beoogde stikstofemissie weergeven.
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
27
Tabel 2: Stikstofemissie vergund en beoogd Locatie Stikstofemissie vergund Altenaweg 13 2.250,0 kg NH3 Altenaweg 18 882,4 kg NH3 Totaal 3.132,4 kg NH3
Stikstofemissie beoogd 91,0 kg NH3 378,1 kg NH3 469,1 kg NH3
Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Altenaweg 13-18, dient met name bepaald te worden of bij sloop van de varkensstallen en oprichting van nieuwe bebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. De varkensstallen zijn reeds gesloopt.
Bij de sloopmelding van de stallen is aangetoond dat de sloop niet leidt tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Voor de overige bebouwing geldt dat deze niet gewijzigd wordt uitgevoerd en dat, indien deze gebouwen een leefgebied vormen voor beschermde soorten, dit in de beoogde situatie blijft. Ook het gebruik van de planlocatie zal niet wijzigen ten opzichte van de afgelopen jaren. De planlocatie is in de praktijk namelijk al jaren in gebruik als paardenfokkerij. De wijziging in gebruik zal daarom ook niet leiden tot effecten voor lokale flora en fauna. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat de aantasting van de gunstige staat van instandhouding van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Het uitvoeren van een ecologische quickscan is dan ook niet noodzakelijk. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
28
De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen de planlocatie is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.5 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde sanering moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.5.1
Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met cultuurhistorische waarden, zie onderstaande afbeelding. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied. Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Verordening ruimte is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. De Provincie heeft de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ ontwikkeld, welke is opgenomen in de verbeelding van de Iov. De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben en welke waarden gelden. Het plangebied is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied.
Afbeelding 11: Uitsnede cultuurhistorie en aardkunde, Interim Omgevingsverordening NB
4.5.2
Archeologie
Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
29
wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. De gemeente Gilze-Rijen heeft recent een nieuwe archeologische waarden- en beleidskaart en een nieuwe cultuurhistorische waardenkaart laten opstellen.
Het nieuwe archeologiebeleid is per 19 december 2022 vastgesteld. In onderstaande afbeelding is de archeologische waarden- en beleidskaart weergeven.
Afbeelding 12: Archeologische beleidskaart gemeente Gilze en Rijen
Voor de sloop van de varkensstallen is onderzoek niet nodig. De ervaring leert dat er onmogelijk nog archeologische resten onder de varkensstallen aanwezig kunnen zijn. De nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd op dezelfde plaats als de varkensstallen zelf. Hierdoor is onderzoek niet noodzakelijk. De
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
30
paardenbak die verplaatst zal worden zal niet leiden tot graafwerkzaamheden dieper dan 40 centimeter. Ook hiervoor is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.
Wettelijk toetsingskader
Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.
Beleid provincie Noord-Brabant
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven, zie onderstaande afbeelding.
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
31
Afbeelding 13: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW)
4.6 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.
Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a veehouderij en recreatie. Tevens is er veel verstoring door verkeer. Het saneren van de varkensstallen heeft niet tot gevolg dat het omgevingstype veranderd. De beoogde bedrijfsvorm, paardenfokkerij, heeft volgens de handreiking een richtafstand van 50 meter in een rustig buitengebied. In gemengd gebied bedraagt deze afstand 30 meter. Binnen 30 meter van de bedrijfsbebouwing ten behoeve van de paardenfokkerij zijn geen gevoelige functies gelegen. Echter
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
32
ligt er tegenover de Altenaweg 13 wel een woonbestemming binnen 30 meter van het bouwvlak. De richtafstand van 50 meter bij een paardenfokkerij heeft enkel betrekking op het aspect geur. Voor de aspecten geluid en stof is de richtafstand maar 10 meter. Het bouwvlak van de Altenaweg 13 ligt op 11 meter van het bouwvlak van de woning aan de overzijde van de weg (Altenaweg 14). Voor de aspecten geluid en stof wordt dus voldaan aan de richtafstanden. De geuremissie van de paardenfokkerij is afkomstig van het houden van paarden. De paarden binnen de planlocatie zullen worden gehouden in de bedrijfsbebouwing en in de rijbak en de longeercirkel aan de achterzijde van de planlocatie. Dit is op meer dan 30 meter van de Altenaweg 14 en andere omliggende gevoelige objecten. Daarnaast betreft de ontwikkeling een planologische beëindiging van een intensieve veehouderij waarbij in de beoogde situatie enkel nog dieren worden gehouden zonder geuremissiefactor. De beoogde ontwikkeling heeft dus geen negatief effect heeft op de omliggende functies. Voor het parkeren van auto’s bij een agrarisch bedrijf zijn geen richtafstanden opgenomen in de bedrijven- en milieuzonering. Voor een parkeergarage is de richtafstand in gemengd gebied 10 meter. Binnen 10 meter van de bouwvlakken zijn geen gevoelige objecten gelegen.
Met betrekking tot het parkeren kan dus aangenomen worden dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect heeft op de omliggende functies. 4.7
4.7.1
Geur
Individuele hinder
De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Voor paarden zijn geen emissiefactoren voor geur vastgesteld. Conform artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit gelden voor deze bedrijven vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De afstand dient minimaal 100 meter tot objecten binnen de kom en 50 meter naar objecten buiten de kom te bedragen. De gemeente Gilze en Rijen heeft een geurverordening vastgesteld waarin bovenstaande afstanden gehalveerd zijn. Er dient dus een afstand van 25 meter te worden gehouden tussen een emissiepunt en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom.
Daarnaast dient op grond van artikel 3.119 binnen de bebouwde kom de afstand tenminste 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 25 meter. Alle geurgevoelige objecten zijn gelegen op 25 meter of meer van de dierverblijven, daarom wordt voldaan aan de regels uit het Activiteitenbesluit voor wat betreft het aspect geur en de aan de geurverordening van de gemeente Gilze Rijen. 4.8 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Voor paarden zijn er in de Nederlandse wetgeving geen emissienormen opgenomen. Om inzichtelijk te maken wat de concentratie aan fijnstof is in de omgeving van het plangebied is de achtergrondconcentratie in beeld gebracht. Door beëindiging van de varkenshouderij is er sprake van een afname van fijnstofemissie.
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
33
Afbeelding 14: GCN-kaart Luchtkwaliteit fijnstof PM10
Op bovenstaande afbeelding is de luchtkwaliteit van fijnstof PM10 te zien zoals deze door het RIVM bekend is gemaakt. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het plangebied de concentratie fijnstof ruimschoots lager is dan de wettelijke norm van 40 μg/m3 (14,39 μg/m3). Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er daarom geen bezwaren ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. 4.9 Landschappelijke inpassing De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met een landschappelijke inpassing. Met de beoogde ontwikkeling worden er extra groenstructuren toegevoegd in de vorm van een struweelhaag met bovenstaanders en groenstroken met inheemse soorten zoals de Hazelaar, Gelderse/kraag roos, de veldesdoorn, het rode/gele kornoelje, sleedoorn et cetera. Op het landschappelijk inpassingsplan is exact weergeven welke soorten worden toegevoegd en hoeveel vierkante meter wordt gerevitaliseerd. Ook wordt het gedeelte NNB voorzien van een enkelbestemming ‘Natuur’. In onderstaande afbeelding is de beoogde landschappelijke inpassing weergeven. Rond het jaar 1900 was de Altenaweg gelegen is binnen het landgoed Altena en was de weg omgeven door bospercelen. De projectlocatie bestond enkel uit een semi- open locatie met een inkadering van groen. Rond 1950 heeft een groot deel van het landgoed plaats gemaakt voor landbouw. Tussen het jaar 1950 en 2000 zijn de meeste bospercelen in stand gebleven.
De planlocatie is nu gelegen ten oosten van de Chaamse bossen. Deze bossen worden niet meer gezien als productiebos maar dienen een duurzame natuurlijke inrichting te behouden. Er wordt extra aandacht besteed aan het versterken van de biodiversiteit en de natuurlijke opbouw van de bossen. Aan de bosranden kunnen deze worden vergroot door struweel en zoombeplanting. Ook zijn er andere bospercelen gelegen in de omgeving. Naast bospercelen zijn er ook verschillende struwelen en singels aanwezig in de omgeving. Deze singels in de omgeving dienen als verbindingselement voor insecten en dieren en bieden ook afkadering aan de percelen. De planlocatie is gelegen binnen het coulisselandschap. Over het algemeen is dit gebied dicht beplant en wordt het gebied doorsneden door een raster aan onderhoudspaden. Hierbij ontstaat er een onregelmatige kavelstructuur. Het behoud van deze structuren is wenselijk en dient waar mogelijk versterkt te worden. Het is wenselijk om de projectlocatie in te richten met struweel, lanen en opgaande beplanting. Hiermee wordt de kavelstructuur zoals hierboven beschreven versterkt. Doordat deze gelegen zijn nabij de Chaamse bossen dienen deze ook als migratiezone, schuil-, rust- en
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
34
foerageerplekken voor dieren. Daarom is het behoud en de versterking van deze landschappelijke karakters wenselijk. Het beoogde inpassingsplan sluit hierop aan door de bestaande structuren te versterken en waar nodig verder aan te planten. Aan de Altenaweg 18 wordt de beoogde paardenstal ingepast door een struweelhaag met bovenstaanders. Hiervoor is gekozen omdat struweelhagen kenmerkend zijn in de omgeving en het kenmerkende landschap versterken. Op onderstaande afbeelding zijn de soorten aangeduid. Alle soorten die worden gebruikt zijn voorkomend in de omgeving en daarmee inheems. Dit is de reden dat specifiek voor de soorten is gekozen zoals beschreven in onderstaande afbeelding. De loods aan de westzijde wordt ingepast met een struweelsingel om ook de kavelstructuur te versterken en omdat deze passend is binnen de omgeving. De te verplaatsen paardrijbak aan de Altenaweg 13 wordt verder ingepast door het bosperceel te revitaliseren. Het bosperceel wordt aangevuld met circa 25 (eiken)bomen. Zoals eerder beschreven is het bosperceel binnen het NNB voorzien van ‘N16.04 Vochtig bos met productie’. Dit gebied bestaat uit een vochtig bos met productie die bestaat uit loofbossen die gedomineerd worden door diverse boomsoorten zoals de populier, es, esdoorn, beuk, haagbeuk, eik, iep en els. Het aanvullen van dit perceel met bomen levert ook een bijdrage aan de semi-openheid.
Alle gebruikte soorten sluiten aan op de bestaande structuren en kenmerken uit de omgeving zoals de bospercelen en struwelen, zoals eerder beschreven. Daarnaast sluit de inpassing ook aan op de zoom- en struweelbeplanting zoals beschreven in het landschapsontwikkelingsplan.
Afbeelding 15: Lijst met planten
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
35
Afbeelding 16: Landschappelijk inpassingsplan
4.10 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
36
wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In deze situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk een wijziging van de bedrijfsvorm (van intensieve veehouderij naar paardenfokkerij). Het aspect geluid is opgenomen in de handreiking bedrijven en milieuzonering. Zoals in paragraaf 4.5 is opgenomen wordt voldaan aan deze richtafstanden. Daarnaast gelden voor de bedrijven ook de normen uit het Activiteitenbesluit. Hierdoor is de geluidsproductie van het bedrijf ook niet ongelimiteerd. Aan de geluidsnormen die hierin zijn opgenomen wordt in de beoogde situatie voldaan. 4.11 Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor.
In de huidige situatie dient/dienen er voer geleverd te worden voor de varkens (2 zware vervoersbewegingen per week), mest opgehaald te worden (2 vervoersbewegingen per week), biggen aangeleverd te worden (1 keer per week), varkens afgeleverd te worden (1 keer per week) en kadavers afgevoerd te worden (1 keer per week). Deze vervoersbewegingen m.b.t de varkens zullen volledig wegvallen. Voor de paarden geldt dat er 1 keer per week voer wordt aangevoerd en 1 keer per maand mest wordt afgevoerd. De paarden lopen voor groot gedeelte van het jaar in de wei waardoor hier veel minder mest hoeft te worden afgevoerd. Dit geldt ook voor de aanvoer van voer. Ook voor de uitval van de paarden (ophalen kadavers) is het aantal vervoersbewegingen nihil. De horse & breakfast zal niet jaarrond bezoekers trekken. Ook doordeweeks zal de Horse & breakfast niet altijd verhuurd zijn. Het is de verwachting dat enkel in de vakantieperiodes bezoekers zullen komen naar de Horse & breakfast. Worstcasescenario wordt geschat dat er 4 vervoersbewegingen per week plaatsvinden m.b.t. de horse & breakfast. Tabel 3: Vervoersbewegingen huidig en beoogd Vervoersbewegingen Aantal per week huidige situatie Varkens 7 (zwaar)
Totaal
7 zwaar
Vervoersbewegingen beoogde situatie Paarden Horse & breakfast Totaal
Aantal per week 2 (zwaar) 4 (licht) 4 zwaar en 2 licht
Het initiatief heeft geen toename van het aantal transportbewegingen tot gevolg. Door de beëindiging van de varkenshouderij zal het aantal vervoersbewegingen afnemen. De ontwikkeling zal een positief effect hebben op het aantal vervoersbewegingen. De planlocatie ligt aan de Altenaweg. Een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door agrarisch bestemmingsverkeer. De weg wordt ontsloten door de N260. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van verkeersbewegingen voor de paardenfokkerij. CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten. Er zijn echter geen representatieve cijfers in opgenomen voor paardenfokkerijen of bed & breakfasts. Voor een vrijstaande woning dienen minimaal 2,8 parkeerplaatsen aangehouden te worden. Er zijn 2 woningen en een horse & breakfast. Voor deze activiteiten zijn er dus minimaal 2,8 x 3 = 8,4 parkeerplaatsen benodigd. Bovenstaand is beschreven dat er voor de paardenfokkerij circa 2 vervoersbewegingen per week plaatsvinden. 2 parkeerplaatsen voor de paardenfokkerij is daarom voldoende. Er is ruim voldoende plaats om 11 voertuigen op de planlocatie te parkeren.
Rondom de beoogde bebouwing is voldoende verharding aanwezig voor het parkeren van auto’s, vrachtwagens van bezoekers. Het is dan ook niet nodig om te parkeren in het openbaar gebied (langs de weg).
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
37
4.12 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute. Bedrijven, leidingen en transportroutes die invloed hebben op de externe veiligheid zijn opgenomen op de risicokaart. Afbeelding 13 is een uitsnede van deze risicokaart in de omgeving van het plangebied. Op circa 2,25 km ligt een buisleidingdeel, deze heeft geen invloed op het plangebied. Op circa 2 km ligt een Gasunie locatie, deze heeft geen invloed op het plangebied.
Afbeelding 13: uitsnede risicokaart 4.13 Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden. In de gemeente is wel vliegbasis Gilze-Rijen gelegen. In het vigerende bestemmingsplan zijn hiervoor gebiedsaanduidingen opgenomen om een obstakelvrije zone voor start en landing te garanderen. Binnen deze zones geldt een bouwverbod voor gebouwen die hoger zijn dan (binnen het plangebied) 75 m boven NAP. Het peil ter plaatse van het plangebied bedraagt ca 17 meter wat betekent dat niet hoger mag worden gebouwd dan 58 meter boven het maaiveld. De beoogde bebouwing zal voldoen aan de bouwregels uit het bestemmingsplan waardoor deze nooit hoger zijn dan 12 meter (maximale hoogte volgens bouwregels).
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
38
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplan, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Ter plaatse van het plangebied zijn in het vigerende bestemmingsplan de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: -
Enkelbestemming: Agrarisch Enkelbestemming: Groen – Landschappelijke inpassing Enkelbestemming: Natuur Dubbelbestemming: Waarde - Landschap – 5 Dubbelbestemming: Waarde - Archeologie 3a Dubbelbestemming: Waarde - Archeologie 5 Bouwvlak Gebiedsaanduiding: ihcs – 5 (gedeeltelijk) Gebiedsaanduiding: ihcs – 6 (gedeeltelijk) Gebiedsaanduiding: ihcs – 7 (gedeeltelijk) Gebiedsaanduiding: ihcs – 8 (gedeeltelijk) Gebiedsaanduiding: overig – agrarisch balansgebied Functieaanduiding: specifieke vorm van agrarisch – schoonheidssalon Functieaanduiding: specifieke vorm van agrarisch – bed and breakfast Functieaanduiding: specifieke vorm van agrarisch – paardenpension
Met dit bestemmingsplan is de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ verwijderd en is het bouwvlak aan de Altenaweg 13 vergroot. De gebiedsaanduidingen blijven onveranderd en zijn afkomstig uit het huidige bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
39
5.3 Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. Hieronder worden de hoofdstukken en onderliggende artikelen nader toegelicht.
5.3.1 inleidende regels
In het hoofdstuk “Inleidende regels” wordt een aantal begrippen verklaard en wordt aangegeven hoe, bij toepassing van de regels, dient te worden gemeten. Dit om zoveel mogelijk uit te sluiten dat de regels verkeerd worden geïnterpreteerd. Voor deze regels wordt aansluiting gezocht bij hoofdstuk 1 uit het vigerend bestemmingsplan.
5.3.2 Bestemmingsregels
Het hoofdstuk “Bestemmingsregels” bevat de regels waarin de materiële inhoud van de gegeven bestemmingen is opgenomen, waaronder het gebruik van de opstallen en de gronden en de toegestane maatvoering. Binnen bouwvlakken mag bebouwing ten dienste van de bestemming worden opgericht. Buiten het bouwvlak is de bouw van hoofdgebouwen niet toegestaan.
5.3.3 Algemene regels
Het hoofdstuk “Algemene regels” bevat de regels die gelden voor alle bestemmingen binnen het plan. Hierin zijn bijvoorbeeld algemene gebruiksregels opgenomen. Voor deze regels wordt aansluiting gezocht bij hoofdstuk 1 uit het vigerend bestemmingsplan.
5.3.4 Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
40
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Altenaweg 13-18 betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. Aan de gemeente wordt verzocht om een anterieure overeenkomst op te stellen waar het onderdeel planschade in geregeld wordt. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van het (voor)ontwerpbestemmingsplan) en een omgevingsdialoog. Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties. Uit de omgevingsdialoog is gebleken dat de omgeving geen bezwaren heeft tegen de beoogde ontwikkelingen. Door verschillende omwonenden is succes gewenst met de beoogde ontwikkeling.
De beoogde ontwikkeling is duidelijk toegelicht bij omwonenden en omwonenden hebben vragen kunnen stellen. Er zijn enkele vragen gesteld met betrekking tot welke stallen precies gesloopt gingen worden. Dit is aan de hand van een tekening toegelicht. Er zijn geen bezwaren geuit tegen het beoogde plan. Het plan is daarom niet aangepast naar aanleiding van de omgevingsdialoog.
6.2.1
Zienswijzen en beroep
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Op het bestemmingsplan is één zienswijze binnengekomen. Onderstaand zijn de opmerkingen uit deze zienswijze beschreven:
Voor wat betreft de kwaliteitsverbetering landschap vallen de ontwikkelingen volgens het afsprakenkader van midden-Brabant/Hart van Brabant onder een categorie 2 ontwikkeling. Dat betekent dat er een landschappelijke inpassing op basis van een goede analyse van het gebied een landschappelijk inpassingsplan gemaakt moet worden. Er is een landschappelijk inpassingsplan toegevoegd. Het betreft hier slechts een inrichtingsschets van de landschappelijke inpassing met uitleg van de soorten die worden toegevoegd en gerevitaliseerd. Er worden een aantal maatregelen voorgesteld waarvan onduidelijk is of deze maatregelen passend zijn bij het gebied. Wij vragen de gemeente om een landschapsanalyse op te nemen bij de landschappelijke inpassing om te onderbouwen dat de voorgestelde maatregelen passend zijn in het landschap. Naar aanleiding van de gemaakte zienswijze is een landschapsanalyse toegevoegd aan het bestemmingsplan. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
41
Gezien eenieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
42
Bijlagen
Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Kwaliteitsberekening Bijlage 3: Landschapsanalyse Bijlage 4: Nota van zienswijzen
Bestemmingsplan Altenaweg 13 en 18, Gilze
43