Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde situatie wordt er een bed & breakfast gerealiseerd. Het huishoudelijk afvalwater dat van deze gebouwen afkomt wordt geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige vinden er geen wijzigingen plaats met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie. De woning is al aangesloten op het gemeentelijk riool. Dit zal in de beoogde situatie zo blijven. Al het hemelwater wordt afgevoerd op omliggende perceelssloten. De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. Overtollige bedrijfsbebouwing zal verdwijnen. Hierdoor is er sprake van een afname in oppervlakteverhardingen. Dit brengt een afname in puntlozing met zich mee. Neerslag kan op deze gronden dus direct infiltreren in de bodem.
25 van 46
Bij de verbouw van de bed & breakfast zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen.
Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 10. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.
Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.
26 van 46
Afbeelding 10: Uitsnede kaart natuur netwerk Brabant Iov
4.3.2. Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Ulvenhoutse bos, Regte Heide en Riels laag en Kempenland-West. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Andere provincies nakijken. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Ulvenhoutse bos, op een afstand van circa 6 kilometer. De ontwikkeling betreft het wijzigen van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. Ook worden er een bed & breakfast en een beroep aan huis (m.b.t. workshops) geëxploiteerd in de beoogde situatie. Om uit te sluiten of de verbouw van de bergruimte en de realisatie van de aanbouw van de woning leidt tot een toename in stikstofdepositie is een AERIUS berekening gemaakt. De AERIUS berekening en een toelichting op de invoergegevens zijn toegevoegd als separate bijlages bij dit bestemmingsplan. Uit de berekening blijkt dat de bouwfase geen toename in stikstofdepositie met zich meebrengt. Aangezien deze ontwikkelingen op een afstand van circa 6 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied plaatsvinden, valt uit te sluiten dat deze ontwikkelingen leiden niet tot een significant negatief effect voor de omliggende Natura-2000 gebieden. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald
27 van 46
welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten.
Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de locatie nabij de Chaamseweg 4 dient met name bepaald te worden of zich ter plaatse van het plangebied, beschermde natuurwaarden bevinden, die verstoord zouden kunnen worden. Op 20 augustus 2021 is een ecologische quickscan uitgevoerd om te onderzoeken of er potentiële beschermde natuurwaarden aanwezig zijn binnen het plangebied. Uit de quickscan (bijlage 3) volgt de volgende aanbeveling:
Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora worden uitgesloten. De aanwezigheid van beschermde marterachtigen kan niet worden uitgesloten en daarom bevelen wij aan om voor deze soortgroep een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Gezien de bovenstaande aanbeveling is aanvullend onderzoek noodzakelijk.
In Bijlage 2 is ook een aanvullend onderzoek m.b.t. marterachtigen toegevoegd. Hieruit blijkt dat er geen sporen zijn gevonden die kunnen duiden op de aanwezigheid van marterachtigen. Er zijn geen prooiresten gevonden, geen loopsporen en geen uitwerpselen gevonden. Daarnaast zijn er bij de opnames met de cameravallen geen marters waargenomen. Bij de sloop van de hooimijt zal de zorgplicht van kracht blijven en zullen de werkzaamheden bij de sloop van de hooimijt op zo’n manier worden uitgevoerd dat er een richting op wordt gewerkt. Op deze manier hebben eventuele dieren altijd een vluchtroute. Op basis van het aanvullend onderzoek kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering vormt voor bijzondere soorten. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter
28 van 46
dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen de planlocatie is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Bodemkwaliteit Wanneer er een ruimtelijke onderbouwing geschreven wordt om van de bestemming Agrarisch bedrijf naar de bestemming Wonen te gaan is een eindsituatie bodemonderzoek noodzakelijk. Dit om te borgen dat de grond ter plaatse niet verontreinigd is door de agrarische activiteiten. Bij een bodemonderzoek zal de bodem ter plekke van de mogelijk bodembedreigende activiteiten uit het verleden worden onderzocht op eventuele verontreiniging. Hiervoor worden in de bodem een aantal monsters genomen om te onderzoeken of er sprake is van een verontreinigende bodem. Bij een bestemmingswijziging dient een bodemonderzoeksrapport ter beoordeling te worden overlegd. In bijlage 2 is een bodemonderzoek toegevoegd. Uit het bodemonderzoek blijkt dat er geen parameters in een verhoogd gehalte zijn gemeten. Er bestaan ten aanzien van de chemische kwaliteit van de grond derhalve geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.5.
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.5.1. Cultuurhistorie & aardkunde
De cultuurhistorie en aardkunde binnen het plangebied wordt beschouwd aan de hand van het wettelijk toetsingskader en het daaruit volgende provinciaal beleid. Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw project een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en verlening van een omgevingsvergunning. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een omgevingsvergunning moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het proces naar voren wordt gehaald. In de toelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en verlener van omgevingsvergunning zijn daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant
29 van 46
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Afbeelding 11: kaart Iov 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed'
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Verordening ruimte is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. De Provincie heeft de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ ontwikkeld, welke is opgenomen in de verbeelding van de Verordening Ruimte. De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben en welke waarden gelden. Het plangebied is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied.
30 van 46
Afbeelding 12: Uitsnede ‘Cultuurhistorische Waardenkaart' van Noord-Brabant
Het plangebied is gelegen in de regio ‘De Baronie’. Daarnaast is de Chaamseweg aangemerkt als een lijn van redelijk hoge waarde. Door de sanering van de oude, overtollige bebouwing en het realiseren van een landschappelijke inpassing wordt het cultuurhistorisch landschap verbeterd. Het realiseren van een bed & breakfast en een beroep aan huis in de vorm van workshops geeft een positief impuls aan het toeristisch-recreatief karakter in de regio. Door het plan wordt de ontwikkelingsstrategie van het provinciaal beleid niet geschaad.
4.5.2. Archeologie
Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Dit wordt gedaan vanuit de afweging of wel of niet voorzien moet worden in de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d.
31 van 46
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is het plangebied voor een deel aangeduid met ‘Waarde – Archeologie’. De bergruimte zal wel verbouwd worden tot verblijfsvoorziening voor de bed and breakfast en als ruimte voor workshops binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. De gronden ter plaatse van de beoogde bed and breakfast zijn nu en in het verleden in gebruik als bergingsruimte. Omdat de bed and breakfast groter is dan de huidige bergingsruimte wordt er ook een klein deel van de grond omliggend aan de bergingsruimte bebouwd. Uit de aanvraag omgevingsvergunning zal moeten blijken of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Toeval vondsten zullen gemeld worden. Gemeente Gilze en Rijen Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden.
Derhalve heeft de raad van de gemeente Gilze en Rijen op 26 april 2011 het ‘Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gilze en Rijen' vastgesteld. In het beleidsplan onderscheidt de gemeente een 7-tal verwachtingen, variërend van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek. In Afbeelding 13 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart te zien, waarop de projectlocatie is weergegeven. Het plangebied is op deze kaart (deels) gelegen in ‘Categorie 4: gebied met een hoge archeologische verwachting’. In deze gebieden is sprake van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. Om deze reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakken van projectgebieden die groter zijn dan 500m2 en dieper gaan dan 0,4 meter. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ overgenomen conform categorie 4 op onderstaande afbeelding. In de regels is geborgd dat bij bodemingrepen groter dan 500m2 of dieper dan 0,4 meter ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’, een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Afbeelding 13: Uitsnede archeologische beleidskaart, gemeente Gilze en Rijen
32 van 46
4.6. Landschappelijke inpassing In paragraaf 3.2.3 is beschreven dat de beoogde ontwikkeling een categorie 2 ontwikkeling betreft. Dit houdt in dat de planlocatie landschappelijk moet worden ingepast. Het landschappelijke inpassingsplan is toegevoegd in bijlage 1. Hierin wordt de landschappelijke inpassing uitgebreid toegelicht. De landschappelijke inpassing is gesitueerd aan de rand van het bouwvlak zodat de zichtlijnen naar de gebouwen zoveel mogelijk groen zijn. 4.7. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen.
Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer.
Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid betreft het AZC ten westen van de planlocatie. Een AZC is niet opgenomen in de bedrijven en milieuzonering. Om deze reden wordt aangesloten bij de categorie ‘Gezondheids- en welzijnszorg’. De bedrijvigheid met de hoogste milieucategorie binnen de categorie Gezondheids- en welzijnszorg betreft milieucategorie 2. Hierbij hoort een richtafstand van 30 meter in rustig buitengebied. Het bedrijf ligt op circa 190 m van de planlocatie. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen. Doordat in de beoogde situatie een bed & breakfast en een beroep aan huis m.b.t. het geven van workshops wordt geëxploiteerd, dient te worden gekeken of omliggende woningen op een aanvaardbare afstand van de nevenactiviteiten zijn gelegen. In de bedrijven en milieuzonering is geen milieucategorie opgenomen voor een bed and breakfast of het geven van workshops. Er wordt derhalve aangesloten bij de categorie ‘Hotels en pensions (met keuken), conferentieoorden en congrescentra’ opgenomen onder milieucategorie 1. Bij de categorie ‘Hotels en pensions (met keuken), conferentieoorden en congrescentra’ hoort een richtafstand van 10 meter in rustig buitengebied. De bebouwing t.b.v.
de bed and breakfast ligt het dichtst bij de woning aan de Chaamseweg 4 op een afstand van circa 35 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden opgenomen in de Bedrijven en milieuzonering.
33 van 46
Door de al bestaande (bedrijfs)woning worden de omliggende bedrijven in geen geval belemmerd in de bedrijfsvoering. 4.8. Geur
4.8.1. Individuele hinder
De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente Gilze en Rijen heeft een verordening vastgesteld. Daarin zijn afwijkende geurnormen van de voorgrondbelasting gehanteerd in een gedeelte van de gemeente. Voor de planlocatie is er geen wijziging ten opzichte van de Wet geurhinder en veehouderij met betrekking tot de voorgrondbelasting. De vaste afstanden zijn ook niet gewijzigd en worden gehanteerd volgens de Wet geurhinder en veehouderij. Voor rundveehouderijen zijn geen emissiefactoren voor geur vastgesteld. Conform artikel 4.1 van de wet gelden voor deze bedrijven vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De afstand dient minimaal 100 meter tot objecten binnen de kom en 50 meter naar objecten buiten de kom te bedragen.
Daarnaast dient op grond van artikel 5.1 binnen de bebouwde kom de afstand ten minste 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object te bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 25 meter. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf ligt buiten de bebouwde kom aan de Chaamseweg 6. Het betreft een rundveehouderij op circa 260 meter van de rand van het bouwvlak. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstanden gesteld in de Wgv. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij ligt aan de Chaamseweg 15. Deze ligt op ruim 550 meter van het plangebied.
4.8.2. Woon- en leefklimaat
In het kader van de ruimtelijke procedure is het wenselijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de planlocatie. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De ontwikkeling betreft het wijzigen van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. Ook wordt er een bed & breakfast gerealiseerd en een beroep aan huis m.b.t. het geven van workshops. Deze ontwikkeling heeft geen invloed op de geurbelasting in de omgeving. Het is wel van belang om in beeld te brengen wat de geurbelasting is op de woning aan de Chaamseweg 4. Dit is te zien op de achtergrondkaart geur van de ODZOB, zie Afbeelding 14. Hierop is te zien dat de kwaliteit van de leefomgeving op de planlocatie zeer goed is met een geurbelasting van tussen de 0 en 3 ouE/m3.
34 van 46
Afbeelding 14: Achtergrond kaart Geur ODZOB
Ten aanzien van het aspect geur kan daarom worden gesteld dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst in de beoogde situatie. 4.9. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woonen leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
4.9.1. Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen.
35 van 46
Het initiatief betreft het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonbestemming. Tevens wordt er een bed & breakfast en een beroep aan huis m.b.t. workshops gerealiseerd. Om te achterhalen of de beoogde ontwikkeling een negatief effect zal hebben dat in betekende mate bijdraagt aan de fijnstofconcentratie is de NIBM-tool ingevuld. Conform de CROW-toekomstbestendig parkeren heeft een vrijstaande woning een verkeersgeneratie van circa 8,6 vervoersbewegingen per dag. Ervan uitgaande dat deze verkeersgeneratie met de bedrijfswoning niet plaatsvond, is de toename ten opzichte van de huidige situatie dus circa 61 vervoersbewegingen per week. Worstcasescenario is ervan uitgegaan dat 10% van de vervoersbewegingen bestaat uit vrachtverkeer. Dit zal in werkelijkheid veel lager zijn. In de CROW-toekomstbestendig parkeren is geen verkeersgeneratie opgenomen voor een bed & breakfast of een aan huis gebonden beroep m.b.t. workshops. Derhalve is uitgegaan van een bungalowpark (huisjescomplex). De verkeersgeneratie is 2,8 voertuigbewegingen per huisje. Over het exact aantal verblijfplaatsen is nog geen duidelijkheid. Derhalve is worstcasescenario uitgegaan van 15 huisjes. Dit betreft 42 voertuigbewegingen per dag en 294 voertuigbewegingen per week. In totaal zijn er dus 61 + 294 = 355 voertuigbewegingen per week extra. Worstcasescenario is uitgegaan van aandeel vrachtverkeer van 10%.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2021
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
355
Aandeel vrachtverkeer
10,0%
NO2 in μg/m3
0,50
PM10 in μg/m3
0,08
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Afbeelding 15: NIBM-tool
In Afbeelding 15 is de NIBM-tool toegevoegd. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling dus met zekerheid geen significant negatief effect op de luchtkwaliteit in de omgeving heeft. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.9.2. Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart maximaal voor fijnstof PM10 15,4 μg/m3, voor PM2,5 8,9 μg/m3 en voor NOx 14,0 μg/m3, zie Afbeelding 16. Hieruit blijkt dat aan de normen wordt voldaan (40, 25 en 40 μg/m3).
36 van 46
Afbeelding 16: GCN-kaarten
4.10. Geluid In de Wet Geluidhinder is bepaald dat in een bestemmingsplan, waar woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. Met de omschakeling van bedrijfswoning naar woonbestemming blijft dit geluidgevoelig object bestaan. Conform artikel 76, lid 3 van de Wet geluidhinder hoeft de geluidbelasting ten aanzien van bestaande woningen en een reeds aanwezige weg niet getoetst te worden. Recreatiewoningen zijn in het kader van de Wet Geluidhinder niet aan te merken als geluidsgevoelig object. Ondanks het feit dat er geen geluidsgevoelig object wordt opgericht, is in paragraaf 4.7 getoetst aan de vaste afstanden met betrekking tot het aspect geluid tot de omgeving. Uit deze toetsing blijkt dat aan de afstanden zoals opgenomen in de bedrijven en milieuzonering wordt voldaan.
37 van 46
Met de beoogde ontwikkeling wordt er geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. Een onderzoek naar geluidshinder is derhalve niet noodzakelijk. 4.11. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Het initiatief heeft slechts een geringe toename van het aantal transportbewegingen tot gevolg. De CROW-toekomstbestendig parkeren, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten. Er zijn echter geen cijfers in opgenomen voor een bed & breakfast of een aan huis gebonden beroep m.b.t. workshops. Derhalve wordt uitgegaan van een huisjescomplex (bungalowpark). Per huisje is de verkeersgeneratie 2,8. Het is nog niet duidelijk hoeveel verblijfplaatsen exact worden gerealiseerd. Uitgaande van 6 verblijfplaatsen is de verkeersgeneratie 16,8 voertuigbewegingen per dag. Uitgaande van alleen weekendbezetting komt dit neer op 34 voertuigbewegingen per week. De Chaamseweg heeft ruim voldoende capaciteit om deze extra vervoersbewegingen aan te kunnen.
Voor het eigen personenvervoer wordt aangesloten bij de vereiste parkeergelegenheid bij een vrijstaande koopwoning, liggend in niet-stedelijk buitengebied. Conform de parkeernota 2017 van de gemeente Gilze en Rijen wordt een minimum van 2,0 parkeerplaatsen voorgeschreven. Conform de parkeernota zijn er 1,7 parkeerplaatsen nodig per bungalow. Uitgaande van 6 verblijfplaatsen inclusief 1 vrijstaande woning dienen er 13 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Op de planlocatie is ruim voldoende parkeergelegenheid, zie Afbeelding 7. Aangezien de bed & breakfast doordeweeks grotendeels niet zal worden bewoond, zullen 13 parkeerplaatsen ruim voldoende zijn. Ook inclusief de parkeerbehoefte voor het bedrijf aan huis in de vorm van workshops zullen 13 parkeerplaatsen ruim voldoende zijn. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer en parkeren. 4.12. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.12.1. Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
38 van 46
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn.
Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
4.12.2. Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.
Afbeelding 17: Uitsnede risicokaart (planlocatie aangegeven met blauwe stip)
39 van 46
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten, het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonbestemming en de exploitatie van een bed & breakfast op de planlocatie, is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart (in Afbeelding 17) blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid inrichtingen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting betreft de inrichting aan de Hoogstraat 8 welke op meer dan 1.100 meter is gelegen van de planlocatie. Hier is een bovengrondse propaantank van 17m3 aanwezig. De woning valt binnen 1% letaliteitsgrens. De 1% letaliteitsgrens is de afstand waarbij, in geval van het optreden van een groot ongeluk, 1% van de in het invloedsgebied aanwezige onbeschermde personen komt te overlijden.
Alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron dienen in het kader van het BEVI verantwoord te worden. Omdat het een bestaande woning betreft en het een woning blijft hoeft hier geen verantwoording plaats te vinden. De beoogde verblijfsvoorzieningen t.b.v. de bed and breakfast zijn geen kwetsbare objecten in het kader van de Bevi. Een kwetsbaar object is namelijk:
a. woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde woningen, woonschepen of woonwagens als bedoeld in onderdeel b, onder a; De bed and breakfast betreffen geen woningen, woonschepen en woonwagens.
b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: 1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; 2. scholen, of 3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen; De bed and breafast is niet bestemd voor minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten.
c. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren: 1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2 per object, of 2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m2 per winkel, voorzover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd, en Er zullen altijd maar enkele personen aanwezig zijn in de bed and breakfast. Dit geldt ook voor de ruimte m.b.t. workshops.
i.
kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen;
De bed and breakfast evenals de workshops zijn niet bestemd voor meer dan 50 personen.
Omdat de planlocatie is gelegen in een 1% letaliteitszone, is advies gevraagd aan de veiligheidsregio met betrekking tot de beoogde ontwikkeling. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
40 van 46
De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de [Rijks]weg. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Gilze en Rijen is op 15 meter van de planlocatie een dubbelbestemming ‘Leiding – Brandstof’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De risicoafstand ligt op 0 meter, de planlocatie is dus gelegen buiten de risicoafstand. In Bijlage 5 is het standaardavies van de veiligheidsregio toegevoegd. Op basis van bovenstaande valt te concluderen dat er met betrekking tot externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkelingen. 4.13. Technische infrastructuur Op de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 17). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen.
41 van 46
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven.
Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming: ‘Wonen’ - Enkelbestemming: ‘Agrarisch’ - Enkelbestemming: ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ - Dubbelbestemming: ‘Waarde – Archeologie’ - Dubbelbestemming: ‘Waarde – Landschap - 3’ - Dubbelbestemming: ‘Waarde – Landschap - 5’ - Dubbelbestemming: ‘Waarde – Landschap - 6’ - Bouwvlak - Functieaanduiding: ‘Bed & Breakfast’ - Functieaanduiding: ‘specifieke vorm van wonen – aan-huis-verbonden beroep’ - Bouwaanduiding: ‘specifieke bouwaanduiding – vab’ - Gebiedsaanduiding: ‘ihsc – 1’ - Gebiedsaanduiding: ‘overig – agrarische verbredingsgebied’ Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Gilze en Rijen. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. Ten opzichte van de huidige verbeelding hebben verschillende wijzigingen plaatsgevonden. Deze worden hier opgesomd. - Het bouwvlak is met 60% verkleind - De Enkelbestemming ‘Wonen’ is toegevoegd ter plaatse van het beoogde bouwvlak
42 van 46
-
De Enkelbestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ is toegevoegd ter plaatse van de landschappelijke inpassing De functieaanduiding ‘bed and breakfast’ is toegevoegd op de garage en de bergruimte De functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – aan-huis-verbonden beroep’ is toegevoegd aan de bergruimte De bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – vab’ is toegevoegd ter plaatse van de garage en de bergruimte
5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is, wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Gilze en Rijen. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Ter borging van de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is een voorwaardelijke gebruiksverplichting opgenomen in de bestemmingsregels. Hiervan kan alleen worden afgeweken mits er voldaan blijft worden aan het regionale afsprakenkader voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Om de sloop van de overtollige agrarische bedrijfsbebouwing te verzekeren, is ook hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
43 van 46
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Chaamseweg 4 betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een planschadeovereenkomst overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden in de vorm van publicatie van het (voor)ontwerpbestemmingsplan. Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties en heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden.
6.2.1. Vooroverleg en omgevingsdialoog
In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Brabantse delta en provincie Noord-Brabant. Ook is er een omgevingsdialoog gevoerd. Een verslag hiervan is toegevoegd in bijlage 4.
6.2.2. Zienswijzen en beroep
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.
44 van 46
7. Bijlagen
Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Quickscan Flora en Fauna (incl. aanvullend onderzoek) Bijlage 3: Handreiking marterachtigen Bijlage 4: Bodemonderzoek Bijlage 5: Standaardadvies veiligheidsregio Bijlage 6: Omgevingsdialoog Bijlage 7: Invoergegevens AERIUS bouwfase Bijlage 8: AERIUS berekening bouwfase
45 van 46
46 van 46