Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
Toelichting Bestemmingsplan
Chaamseweg 4 Gilze
Colofon
Gemeente:
Gilze en Rijen
Projectlocatie:
Chaamseweg 4 te Gilze
Datum:
28-10-2021
Status:
Concept
IMRO-Code:
NL.IMRO.
Opgesteld door:
Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl
Projectnummer:
20246.004 / MLe
2 van 46
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding en doel ........................................................................................... 5
1.2.
Ligging van de planlocatie ................................................................................ 5
1.3.
Geldend planologisch regime ............................................................................ 5
1.4.
Procedure ....................................................................................................... 6
1.5.
Leeswijzer ....................................................................................................... 7
2. Planbeschrijving............................................................................................... 8 2.1.
Bestaande situatie............................................................................................ 8
2.2.
Beoogde situatie .............................................................................................. 8
3. Beleidskader................................................................................................... 10 3.1.
Rijksbeleid...................................................................................................... 10
3.1.1. 3.2.
Provinciaal beleid ............................................................................................ 10
3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.3.
Ladder duurzame verstedelijking ............................................................... 10 Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 10 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................ 11 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 12
Gemeentelijk beleid......................................................................................... 16
3.3.1. 3.3.2.
Structuurvisie ........................................................................................... 16 Bestemmingsplan ..................................................................................... 17
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 22 4.1.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 22
4.2.
Waterhuishouding ........................................................................................... 22
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.
Waterrelevant beleid................................................................................. 22 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 24 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 25
Natuur ........................................................................................................... 26
4.3.1. 4.3.2.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 26 Wet natuurbescherming ............................................................................ 27
4.4.
Bodemkwaliteit ............................................................................................... 29
4.5.
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 29
4.5.1. 4.5.2.
Cultuurhistorie & aardkunde ...................................................................... 29 Archeologie .............................................................................................. 31
4.6.
Landschappelijke inpassing .............................................................................. 33
4.7.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 33
4.8.
Geur .............................................................................................................. 34
4.8.1. 4.8.2.
Individuele hinder .................................................................................... 34 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 34
3 van 46
4.9.
Luchtkwaliteit ................................................................................................. 35
4.9.1. 4.9.2.
Niet in betekenende mate ......................................................................... 35 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 36
4.10.
Geluid ......................................................................................................... 37
4.11.
Verkeer en parkeren .................................................................................... 38
4.12.
Externe veiligheid ........................................................................................ 38
4.12.1. 4.12.2. 4.13.
Regelgeving ............................................................................................. 38 Toetsing aan beleid .................................................................................. 39 Technische infrastructuur ............................................................................. 41
5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 42 5.1.
Juridische achtergrond .................................................................................... 42
5.2.
Toelichting verbeelding.................................................................................... 42
5.3.
Toelichting regels............................................................................................ 43
6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 44 6.1.
Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 44
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 44
6.2.1. 6.2.2.
Vooroverleg en omgevingsdialoog .............................................................. 44 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 44
7. Bijlagen .......................................................................................................... 45
4 van 46
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, de ligging van de planlocatie, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Initiatiefnemers zijn voornemens om de agrarische bestemming aan de Chaamseweg 4 in Gilze te wijzigen naar een woonbestemming en de (voormalige) bedrijfswoning te bewonen als burgerwoning. Initiatiefnemers hebben recent de opstallen en grond gekocht behorende bij de Chaamseweg 4. De agrarische bedrijfsvoering zal niet worden voortgezet. Initiatiefnemers zijn voornemens om een ruimte voor workshops (als bedrijf aan huis) en een bed & breakfast te exploiteren. Om dit te kunnen realiseren dient de agrarische bestemming te worden gewijzigd in een woonbestemming. Op de planlocatie zijn conform de milieuvergunning d.d. 13-04-2004 twintig stuks vrouwelijk jongvee tot twee jaar vergund. 1.2. Ligging van de planlocatie De planlocatie is gelegen op circa 1,8 kilometer ten zuidwesten van de kern van Gilze. In de directe omgeving is het plangebied vooral omgeven door agrarische bedrijven, landbouwgrond en enkele burgerwoningen. Noordelijk van de planlocatie, op circa 2,2 kilometer, is de A58 van Breda naar Tilburg gelegen. Oostelijk van de planlocatie, op circa 3 kilometer is de N260 gelegen. Ten zuidwesten van de planlocatie is een natuurgebied gelegen.
In Afbeelding 1 is de planlocatie aangegeven middels een witte omkadering.
Afbeelding 1: Ligging van de planlocatie
1.3. Geldend planologisch regime Ter plaatse van de planlocatie is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Gilze en Rijen, zoals vastgesteld op 1 juli 2013, vigerend. Op de planlocatie zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing: -
Enkelbestemming: ‘Agrarisch’ Dubbelbestemming: ‘Waarde – Archeologie’
5 van 46
-
Dubbelbestemming: ‘Waarde – Landschap - 3’ Dubbelbestemming: ‘Waarde – Landschap - 5’ Dubbelbestemming: ‘Waarde – Landschap - 6’ Bouwvlak Gebiedsaanduiding: ‘ihsc – 1’ Gebiedsaanduiding: ‘overig – agrarische verbredingsgebied’
Afbeelding 2: Uitsnede ruimtelijkeplannen.nl
Het wijzigen van de bestemming en het exploiteren van een bed & breakfast en het geven van workshops als bedrijf aan huis is niet direct toegestaan volgens de regels van het bestemmingsplan. Er is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de beoogde ontwikkelingen mogelijk te maken. Derhalve wordt er een partiële herziening van het bestemmingsplan te worden gerealiseerd. 1.4. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken.
6 van 46
Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd. 1.5. Leeswijzer De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige en toekomstige situatie van het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 worden de relevante beleidskaders beschreven. De milieu- en gebiedsaspecten zijn in hoofdstuk 4 opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 6 komt achtereenvolgens de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aanbod.
7 van 46
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie Er is in totaal circa 626m2 aan bebouwing aanwezig binnen het plangebied. Deze bebouwing is weergeven in Afbeelding 3. De (voormalige) bedrijfswoning met een oppervlakte van circa 165m2 ligt vooraan de weg. Achter de bedrijfswoning ligt een schuur van circa 143m². Verder staan op het erf een grote garage van circa 170m² en een bergruimte (voormalige kippenschuur) van circa 85m². Tussen de bergruimte en de woning is een kas gelegen van circa 11m². Ten slotte staat achter op het terrein een hooimijt van circa 52m². Het bouwvlak heeft in totaal een oppervlakte van circa 4.850m2.
Afbeelding 3: Planlocatie
2.2. Beoogde situatie Initiatiefnemers zijn voornemens om het plangebied te herbestemmen naar de enkelbestemming ‘Wonen’. De (voormalige) bedrijfswoning wordt een burgerwoning. De bergruimte (voormalig kippenhok) zal worden verbouwd tot verblijfsruimte voor de bed & breakfast en zal voor maximaal 60m2 in gebruik worden genomen voor het geven van workshops als beroep aan huis. Het gebouw krijgt in de beoogde situatie een oppervlakte van circa 109m2. De bestaande garage wordt ook omgebouwd tot een verblijfruimte voor de bed & breakfast. Deze ruimte krijgt een oppervlakte van circa 100m2. De overige 70m2 van het gebouw wordt gebruikt voor privéopslag. Met een woonfunctie en een bed & breakfast is nog geen invulling gegeven aan alle bebouwing. De overige bebouwing bestaat uit overtollige bebouwing. Dit betreft de kas (11m2), de schuur (143m2) en de hooimijt (52m2). Om aan kwaliteitsverbetering te doen wordt de overtollige bebouwing gesloopt in de beoogde situatie.
8 van 46
Initiatiefnemers zijn ook voornemens om de bergruimte uit te breiden (van 85m2 naar 109m2). Tevens zullen er door de sloopwerkzaamheden aan de schuur, reparaties moeten plaatsvinden aan de gevel van de woning. Aan deze gevel wordt ook een kleine aanbouw gerealiseerd aan de woning. Deze aanbouw krijgt een oppervlakte van circa 18,5m2. In Tabel 1 is de oppervlakte bebouwing in de beoogde situatie te zien. In Afbeelding 4 is de beoogde situatie weergeven. Tabel 1: Oppervlakte bijgebouwen
Opp bijgebouwen Huidige situatie Schuur 143 m2 Garage 170 m2 Bergruimte 85 m2 Hooimijt 52 m2 Kas 11 m2 bijgebouw aan woning Totaal 461 m2
Te slopen bebouwing 143 m2
Beoogde situatie 170 m2 109 m2
52 m2 11 m2* 195 m2 / 206 m2*
18,5 m2 297,5 m2
* De kas valt niet onder de sloopkwaliteitsregeling van de gemeente
Afbeelding 4: beoogde situatie
9 van 46
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. 3.1. Rijksbeleid
3.1.1. Ladder duurzame verstedelijking
In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. In het Bro wordt een stedelijke ontwikkeling als volgt gedefinieerd:
‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’ Het initiatief betreft het omzetten van een (voormalige) bedrijfswoning naar een burgerwoning. Voor een stedelijke ontwikkeling met betrekking tot wonen geldt dat deze pas ladderplichtig is wanneer in de woningbouwlocatie 12 woningen worden gerealiseerd. Er worden geen nieuwe woningen gebouwd. Toepassing van de ladder is daarom niet nodig. 3.2. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.2.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid,
10 van 46
een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie en het slopen van overtollige bebouwing wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.2.2. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014
De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie Afbeelding 5, ligt de planlocatie in de groenblauwe mantel. De groenblauwe structuur omvat samenhangende gebieden in Noord-Brabant, waaronder de ecologische hoofdstructuur, waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De structuur bestaat voornamelijk uit beken en andere waterlopen en uit bos- en natuurgebieden.
Daarnaast liggen ook gebieden met een andere functie (zoals agrarisch of recreatie) binnen de groenblauwe mantel, als die gebieden van belang zijn voor de natuur- en waterfuncties. De agrarische sector is één van de grootste en belangrijkste grondgebruikers binnen de groenblauwe mantel. Nieuwe ontwikkelingen binnen dit gebied zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren en waar mogelijk bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het landschap. De ontwikkeling gaat gepaard met een landschappelijke inpassing waardoor de bestaande landschappelijke kwaliteiten van de groenblauwe mantel in de omgeving behouden en versterkt worden. Ook worden de belangrijke natuur-, bodem- en waterfuncties gerespecteerd. Daarom sluit het initiatief aan bij de ambitie van de provincie voor de groenblauwe structuur.
11 van 46
Afbeelding 5: Uitsnede structurenkaart
3.2.3. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is halverwege april 2022 door Provinciale Staten vastgesteld. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.
Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Attentiezone stiltegebied’, ‘Groenblauwe mantel’, ‘Landelijk gebied’, ‘Beperkingen veehouderij’ en ‘Stalderingsgebied’, zie Afbeelding 6.
12 van 46
Afbeelding 6: Uitsnede plankaart Iov hoofdstuk 3
Omdat de beoogde ontwikkeling geen betrekking heeft op een veehouderij of oppervlakte dierenverblijf, wordt niet getoetst aan de regels voor beperkingen veehouderij of stalderingsgebied. Voor wonen in de groenblauwe mantel zijn geen regels opgenomen in de Iov. Aan de volgende artikelen wordt achtereenvolgens getoetst. -
2.42 Grenswaarde externe werking stiltegebied 2.47 Instructieregels (Attentiezone) Stiltegebied 3.14 Externe werking stiltegebied 3.68 Wonen in landelijk gebied
Artikel 2.42 Grenswaarde externe werking stiltegebied
Lid 1: Als grenswaarde voor een aanvaardbare geluidbelasting vanwege een locatiegebonden milieubelastende activiteit in de Attentiezone stiltegebied geldt 50 dB(A) LAeq, 24 uur, op 1,5 meter hoogte: a. op de grens van het Stiltegebied, als de locatie van de activiteit 50 meter of meer van de grens van het Stiltegebied ligt;
De beoogde activiteit, de bed and breakfast en het bedrijf aan huis (het geven van workshops), zal alleen op de planlocatie worden uitgevoerd en is daarmee locatiegebonden. De planlocatie ligt op circa 160 meter van het stiltegebied. Een bed and breakfast en een ruimte voor workshops is niet opgenomen in de bedrijven en milieuzonering. De activiteit die het beste aansluit bij de beoogde activiteiten betreft ‘Hotels en pensions (met keuken), conferentieoorden en congrescentra’ welke valt in milieucategorie 1. Conform de bedrijven en milieuzonering is er op een afstand van 10 meter al sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. 50 decibel is ongeveer vergelijkbaar met een koelkast die aanslaat of een auto die langsrijdt. Op de planlocatie zullen doorgaans geen hardere geluiden geproduceerd worden. Aangezien de planlocatie op circa 160 meter van het stiltegebied is gelegen valt te concluderen dat de geluidbelasting lager ligt dan 50 dB. Daarnaast is er op circa 400 meter ten westen van het plangebied is ook een asielzoekerscentrum gelegen. Dit centrum ligt dichter op het stiltegebied dan het plangebied. Het asielzoekerscentrum
13 van 46
beschikt over 1.200 opvangplaatsen. De geluidproductie van de bed & breakfast en de workshops zal dan ook volledig wegvallen ten opzichte van de geluidproductie van het asielzoekerscentrum. Artikel 2.47 Instructieregels (Attentiezone) Stiltegebied
Lid 1: Het bevoegd gezag houdt in het Stiltegebied en de Attentiezone stiltegebied rekening met de grenswaarden, genoemd in artikel 2.40 Streefwaarde Stiltegebied, artikel 2.41 Grenswaarde milieubelastende activiteit Stiltegebied en artikel 2.42 Grenswaarde externe werking stiltegebied Bovenstaand is getoetst aan artikel 2.42
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikelen 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Alle bebouwing is volledig gesitueerd binnen het bouwvlak. Tevens wordt de overtollige bebouwing gesloopt.
Dit betreft de kas (11m2), de schuur (143m2) en de hooimijt (52m2). De nieuwe bebouwing (aanbouw aan huis en één verblijfsruimte van de bed and breakfast) worden ook gesitueerd binnen het bouwvlak. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting.
Meerwaardecreatie (artikel 3.8)
14 van 46
Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Binnen dit bestemmingsplan wordt er meerwaarde gecreëerd door de beoogde ontwikkeling te combineren met een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Tevens wordt de overtollige bebouwing op de planlocatie gesloopt. Ook wordt er een Bed and breakfast en een ruimte voor workshops gerealiseerd. Hierdoor wordt de omgeving toeristisch attractiever. Het attractiever maken van de omgeving voor toeristen trekt mensen richting de omgeving. Dit draagt bij aan de economische positie van Brabant. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.
Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Gilze en Rijen is ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant’ van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 2 ontwikkeling wat betekent dat de beoogde ontwikkeling het volgende betreft: ‘Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist)’. De ontwikkeling valt onder de volgende omschrijving. Categorie 2: Wijziging bestemming Agrarisch-Agrarisch Bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of Bedrijf in bestemming Wonen of andere bestemming, zoals Horeca, Maatschappelijk of Recreatie, mits het bestemmingsvlak met tenminste 60 % wordt verkleind, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500 m² voormalige agrarische bedrijfsbebouwing resteert; Het bestemmingsvlak is met 60% verkleind. Het huidige bestemmingsvlak is 4.850,28m2. Het beoogde bestemmingsvlak is 1.940,11m2. Dit betreft exact 40% van het huidige bestemmingsvlak.
De overtollige bebouwing wordt gesloopt. Ook is de resterende oppervlakte aan bebouwing kleiner dan 500m2. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Artikel 3.14 Externe werking [stiltegebied]
Een bestemmingsplan houdt bij een evenwichtige toedeling van activiteiten en functies in de Attentiezone Stiltegebied rekening met het behoud van de stilte en rust in het daarbinnen gelegen Stiltegebied. Met de beoogde ontwikkeling gaan sloop en bouwwerkzaamheden gepaard. De werkzaamheden vinden plaats op meer dan 150 meter van het stiltegebied. De werkzaamheden zullen overdag worden uitgevoerd. Ook zal bij de werkzaamheden geen gebruik worden gemaakt van onnodig zwaar materiaal. De planlocatie is gelegen aan de Chaamseweg. Deze weg verbindt het centrum van Gilze met het centrum van Chaam. Er komt veel verkeer langs op deze weg. Omdat de werkzaamheden overdag worden uitgevoerd en er ook geluid van het verkeer te horen is in de omgeving, valt het geluid van de werkzaamheden grotendeels weg tegen het overig omgevingsgeluid.
Ook na de realisatie van de beoogde situatie moet rekening worden gehouden met het stiltegebied. De bed & breakfast/ruimte voor workshops is gelegen op circa 160 meter van het stiltegebied. Het
15 van 46
stiltegebied ligt ten zuidwesten van het plangebied. Op circa 400 meter ten westen van het plangebied is ook een asielzoekerscentrum gelegen. Dit centrum ligt dichter op het stiltegebied dan het plangebied. Het asielzoekerscentrum beschikt over 1.200 opvangplaatsen. Tevens is er een bushalte aanwezig op het asielzoekerscentrum. De geluidproductie van de bed & breakfast/ruimte voor workshops zal dan ook volledig wegvallen ten opzichte van de geluidproductie van het asielzoekerscentrum. Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied
Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; De (voormalige) bedrijfswoning wordt omgezet tot burgerwoning.
b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. De (voormalige) bedrijfswoning die wordt omgezet tot burgerwoning is het enige gebouw dat wordt bewoond.
Lid 2 Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: a. dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf;
De bestaande bedrijfswoning wordt gebruikt als burgerwoning. De functieaanduidingen bed & breakfast is opgenomen binnen het plangebied. Met de ontwikkeling wordt verloedering van het buitengebied voorkomen doordat de ontwikkeling gepaard gaat met een landschappelijke inpassing en doordat overtollige bebouwing wordt gesloopt. De beoogde functie is passend conform de voorwaarden welke zijn opgenomen in paragraaf 3.6.7. van de Iov.
b. in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt. Er wordt een verblijfsruimte voor de bed and breakfast/workshops en een aanbouw aan de woning opgericht. Echter wordt er een grotere oppervlakte aan (overtollige) bebouwing gesloopt. Ondanks dat voldaan wordt aan artikel 3.68, wordt ook nog getoetst aan artikel 3.69, onderdeel d. Artikel 3.69 Afwijkende regels wonen
In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: d. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; Er vindt geen splitsing plaats in meerdere woonfuncties.
2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.
Alle overtollige bebouwing wordt gesloopt.
Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een bestemmingsplan. 3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.
3.3.1. Structuurvisie
De structuurvisie van de gemeente Gilze en Rijen is een trilogie bestaande uit de toekomstvisie ‘Wij zijn Gilze en Rijen!’, het ambitiedocument ‘’Ambities Gilze en Rijen – Nieuwe Kansen!’ en de structuurvisie ‘Stedelijk gebied’. De toekomstvisie geeft richting aan het beleid van de gemeente tot 2025. De koers die de gemeente hierin wil volgen is uitgewerkt in vier denkrichtingen ‘een nieuwe manier van denken over wonen’, ‘bereikbaar voor iedereen’, ‘sterke en vitale dorpsharten’ en ‘bedrijventerreinen met een duidelijk profiel’.
16 van 46
In de structuurvisie worden de ruimtelijke ambities van de gemeente geconcretiseerd. De ambities voor het buitengebied zijn het versterken van de economische draagkracht en de belevingswaarde. Voormalige bedrijfspanden in het buitengebied kunnen hergebruikt worden indien dit de ontwikkeling van agrarische activiteiten niet in de weg staat en de kwaliteit en belevingswaarde van het landschap niet in de weg staat. De projectlocatie ligt in het buitengebied van Gilze, gekenmerkt door een open agrarisch landschap afgewisseld met bossen. Aan nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied worden voorwaarden gesteld welke de gemeente belangrijk vindt. Dit zijn bestaande kwaliteiten die, na de ontwikkeling, behouden moeten blijven. Deze voorwaarde zijn onder andere, dat groene inprikkers intact blijven, de wegenstructuur niet vol groeit met lintbebouwing, het kleinschalige karakter van het landschap behouden blijft en het snoer van buurtschappen intact blijft. Met het beoogde initiatief wordt het voormalig agrarisch bedrijf hergebruikt ten bate van een woonbestemming met kleinschalige bed & breakfast en een aan huis gebonden beroep in de vorm van workshops. Gepaard met de herontwikkeling van het voormalig agrarisch bedrijf wordt de overtollige bebouwing gesloopt en een klein oppervlakte aan bebouwing teruggebouwd. De beoogde ontwikkeling wordt daarnaast ook nog landschappelijk ingepast.
Op basis van bovenstaande valt te concluderen dat het beoogd initiatief dus aansluit bij de voorwaarden gesteld in de gemeentelijke structuurvisie van de gemeente Gilze en Rijen.
3.3.2. Bestemmingsplan
Zoals reeds in de inleiding van voorliggende toelichting beschreven is voor het plangebied het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Gilze en Rijen vigerend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen, zie Afbeelding 2: - Enkelbestemming: ‘Agrarisch’ - Dubbelbestemming: ‘Waarde – Archeologie’ - Dubbelbestemming: ‘Waarde – Landschap - 3’ - Dubbelbestemming: ‘Waarde – Landschap - 5’ - Dubbelbestemming: ‘Waarde – Landschap - 6’ - Bouwvlak - Gebiedsaanduiding: ‘ihsc – 1’ - Gebiedsaanduiding: ‘overig – agrarische verbredingsgebied’ Binnen de planlocatie is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. Ter plaatse van deze gronden wordt er niet gegraven, gebouwd of gesloopt. In het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Ook is er geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen die de beoogde ontwikkeling mogelijk maakt. Om deze reden wordt een herziening van het bestemmingsplan voorbereid. De regels van deze herziening zullen zo veel mogelijk aansluiten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Gilze en Rijen. In artikel 42.13.3 van het bestemminsplan ‘Buitengebied’ zijn wel verschillende ontwikkelingen beschreven die Burgemeester en wethouders kunnen toestaan na een planwijziging. Onder e van dit artikel staat het volgende beschreven:
e. Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming ter plaatse van de gronden 'overig agrarisch verbredingsgebied' zodanig wijzigen dat – indien sprake is van een algehele beëindiging van een ter plaatse gevestigd bedrijf - één van de in tabel 9 genoemde vervolgfuncties toegestaan is, met inachtneming van het volgende: 7. Voorwaarde voor bestemmingswijziging naar Wonen: a. de bebouwde oppervlakte van de voormalige boerderij (bedrijfswoning inclusief inpandige stal/deel) niet mag worden vergroot; De bebouwde oppervlakte wordt verkleind.
17 van 46
b.
de agrarische verschijningsvorm van de voormalige boerderij niet mag worden aangetast;
Het aanzicht verandert doordat de schuur en de hooimijt worden gesloopt. Echter heeft dit weinig invloed op de agrarische verschijningsvorm. Deze blijft bestaan in de beoogde situatie.
c.
de bestaande situering niet mag worden gewijzigd;
d.
de wijziging niet mag leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
De schuur, de hooimijt en de kas worden gesloopt. De bergruimte wordt verbouwd tot verblijfsruimte voor de bed and breakfast en de garage wordt verbouwd tot bed & breakfast en ruimte voor opslag. Door het slopen van de overtollige bebouwing en het verbouwen van bestaande bebouwing wordt de situatie deels gewijzigd. De woning wordt voorzien van een kleine aanbouw, voor het overige vinden er geen wijzigingen plaats.
Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf betreft het agrarisch bedrijf aan de Chaamseweg 6c (op circa 260 meter). Omdat de projectlocatie niet de dichtstbijzijnde woonbestemming is ten opzichte van het bedrijf, valt uit te sluiten dat de projectlocatie het agrarisch bedrijf belemmert met toekomstige bedrijfsontwikkelingen.
e.
de bebouwde oppervlakte van de vrijstaande bebouwing mag niet meer bedragen dat 100 m² per woning; indien sprake is van amovering van voormalige bedrijfsgebouwen kan een bebouwde oppervlakte aan vrijstaande gebouwen worden toegestaan van 100 m² vermeerderd met 20% van de bebouwde oppervlakte van de geamoveerde gebouwen tot een totaal maximum bebouwde oppervlakte van 200 m²; Vanuit de sloopkwaliteitsregeling (door de gemeenteraad vastgesteld in maart van 2021) is er een standaard basismaat van maximaal 200m 2 bij een woonbestemming vastgelegd. In het geval een initiatiefnemer een groter oppervlak aan bijgebouwen wenst, is dit mogelijk als daarvoor voldoende gecompenseerd wordt. In de beoogde situatie is er 297,5m 2 aan bijgebouwen aanwezig op de planlocatie. 200m2 is de basismaat. Indien men een totaal oppervlak aan bijgebouwen wil hebben dat hoger is dan deze basis oppervlaktemaat dan dienen deze ‘extra meters’ via de sloopbank gecompenseerd te worden. Om te voorkomen dat per saldo net zo veel teruggebouwd wordt als dat er gesloopt wordt, wordt een ratofactor van 2 ingevoerd. Er moeten dus twee keer zo veel meters gesloopt worden als men aan ‘extra meters’ wil realiseren/laten staan. Voor de overige 97,5m2 dient dus 200% aan bebouwing te worden gesloopt. Met de sloop van de schuur (143m2) en de hooimijt (52m2) wordt deze 200% aan oppervlakte gesloopt.
f.
indien de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft op een voormalig agrarisch bedrijf, waar gedurende 2 aaneengesloten seizoenen kleinschalig kamperen als nevenactiviteit werd uitgeoefend, mag het kleinschalig kamperen worden voortgezet;
In de beoogde situatie is er sprake van een bed & breakfast. Er is geen sprake van kamperen.
g.
het aantal woningen mag niet worden vermeerderd; In de beoogde situatie blijft er één woning.
8. de opslag van goederen anders dan in gebouwen is niet toegestaan met uitzondering van de vervolgfuncties agrarisch handels- en exportbedrijf, agrarisch loon/hulptechnisch bedrijf en hoveniersbedrijf, waarbij maximaal 100 m² aan buitenopslag mag plaatsvinden;
18 van 46
Er vindt alleen opslag plaats in de daarvoor bedoelde ruimte. Deze ruimte is in de huidige situatie de garage (170m2). In de beoogde situatie wordt deze ruimte verdeeld in een bed & breakfast (100m2) en een ruimte voor opslag (70m2).
9. na de bestemmingswijziging dient de specifieke bouwaanduiding 'vab' te worden opgenomen dat aangeeft dat het een vrijkomende agrarische bebouwing betreft en dat het oppervlak aan bedrijfsgebouwen niet mag worden vergroot;
De bouwaanduiding ‘voormalig agrarisch bedrijf’ wordt opgenomen voor de projectlocatie welke waarborgt dat het oppervlak aan bedrijfsgebouwen niet wordt vergroot.
10. vervolgfuncties dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
In deze toelichting is onder hoofdstuk 4 getoetst aan de relevante milieuaspecten. Hieruit blijkt dat de beoogde situatie milieuhygiënisch inpasbaar is.
11. er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande agrarische bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden); Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf is gelegen aan de Chaamseweg 6c op circa 260 meter. Er liggen andere woonbestemmingen dichter bij dit agrarisch bedrijf dan de projectlocatie. Door de afstand en het feit dat andere woonbestemmingen dichter bij het bedrijf zijn gelegen zal de projectlocatie geen belemmering vormen voor de agrarische bedrijfsvoering of de uitbreidingsmogelijkheden voor dit bedrijf.
12. bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast;
De planlocatie wordt landschappelijke ingepast. De bestaande landschappelijke waarden blijven net als de cultuurhistorische- (zie paragraaf 4.5 van onderhavige toelichting) en natuurwaarden behouden.
13. er dient zorg te worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak; Het plangebied wordt landschappelijk ingepast.
14. er mag geen sprake zijn van een onevenredige vergroting van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking.
Er is geen sprake van een onevenredige vergroting van de publieks- of verkeersaantrekkende werking door het exploiteren van een bed & breakfast. De Chaamseweg is de verbindingsweg tussen Gilze en Chaam. Door de aanwezigheid van het dagelijks verkeer zal de verkeersaantrekkende werking van de B&B dusdanig laag zijn, dat deze in het niets vallen bij het al aanwezige dagelijkse verkeer.
In artikel 42.13.1 onder c is een tabel opgenomen (tabel 7) met nevenfuncties die direct zijn toegestaan. In deze tabel zijn de volgende nevenfuncties opgenomen: ‘bed & breakfast’ en ‘recreatief nachtverblijf’. Deze nevenfuncties zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden:
c. Op deze gronden zijn ter plaatse van de bestemming Agrarisch en Wonen met de specifieke bouwaanduiding 'vab' tevens de in tabel 4 genoemde nevenfuncties toegestaan, met inachtneming van het volgende: 1. bij een combinatie van nevenfuncties is ten hoogste 500 m² bebouwing toegestaan en mag ten hoogste 4.000 m² aan gronden in gebruik worden genomen ten behoeve van de nevenfuncties;
Er is in de beoogde situatie 462,5m2 aan gebouwen aanwezig (woning 165m2 + bijgebouwen 297,5m2). De bergruimte (109m2) en de garage (voor 100m2) wordt gebruikt als bed & breakfast. Hiermee blijft de oppervlakte bebouwing onder de 500m2 en de oppervlakte in gebruik voor nevenfuncties onder de 4.000m2.
19 van 46
2. de nevenfunctie dient te worden uitgeoefend door degene die ter plaatse het agrarisch bedrijf uitoefent;
De initiatiefnemers hebben de planlocatie gekocht om hier een nevenactiviteit in de vorm van een Bed & Breakfast te realiseren. De agrarische bestemming zal worden omgezet naar wonen. De beoogde ontwikkeling wordt geëxploiteerd door de initiatiefnemers.
3. er dient op het eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
Er is voldoende parkeergelegenheid op het erf aanwezig. In Afbeelding 7 is de parkeergelegenheid blauw omkaderd.
Afbeelding 7: Parkeergelegenheid
4. de opslag van goederen anders dan in gebouwen is niet toegestaan, tenzij anders in tabel 7 is aangegeven;
Er vindt alleen opslag in gebouwen plaats, 70m2 van de garage wordt hiervoor gebruikt.
Ook is in Artikel 25.5 een ontheffing opgenomen ten behoeve van aan huis gebonden beroepen, zoals het geven van workshops. Onderstaand wordt getoetst aan deze afwijkingsbevoegdheid.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 25.1 sub h ten behoeve van het toestaan van aan-huis-gebonden beroepen die ten hoogste vallen binnen de categorieën A en B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer geldt met inachtneming van het volgende: a. het vloeroppervlak ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen mag niet meer dan 60 m² bedragen; De oppervlakte van de ruimte voor workshops bedraagt maximaal 60m2. Deze oppervlakte is vastgelegd in de regels.
b. buitenopslag en buitenactiviteiten ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen zijn niet toegestaan; Er zullen geen buitenactiviteiten of buitenopslag plaatsvinden
20 van 46
c. in het kader van de aan-huis-gebonden beroepen is geen horeca en detailhandel toegestaan uitgezonderd horeca en detailhandel ondergeschikt en gelieerd aan het aan-huis-gebonden beroep; Er wordt een ruimte voor workshops gerealiseerd als beroep aan huis. Met betrekking tot deze activiteit zal geen horeca of detailhandel worden uitgevoerd.
d. aan-huis-gebonden beroepen zijn toegestaan indien er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving;
In hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting worden alle relevante milieuhygiënische aspecten behandeld. Hieruit blijkt dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving.
e. het aan-huis-gebonden beroep leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van omliggende bedrijven. De bestaande woning blijft bestaan en het in gebruik nemen van een ruimte voor het geven van workshops leidt niet tot beperkingen voor omliggende bedrijven.
f.
ten behoeve van aan-huis-gebonden parkeergelegenheid binnen het bouwvlak;
beroepen
wordt
voorzien
in
voldoende
In paragraaf 4.11 wordt gemotiveerd dat er voldoende parkeergelegenheid is.
g. het gebruik voor aan-huis-gebonden beroepen heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer;
Het in gebruik nemen van de bebouwing als ruimte voor workshops zal een zeer lichte toename in verkeersbewegingen met zich meenemen. Deze toename zal geen nadelige invloed op de afwikkeling van het verkeer hebben.
h. één van de bewoners van het hoofdgebouw dient eigenaar/bedrijfsleider te zijn van het aanhuis-gebonden beroep. De bewoner van de woning (het hoofdgebouw) betreft de eigenaar van het bedrijf dat voorziet in de workshops.
Bovenstaand is getoetst aan de voorwaarden in het bestemmingsplan voor het wijzigen van de bestemming agrarisch naar wonen en de voorwaarden voor het exploiteren van een bed & breakfast. Er kan niet aan alle voorwaarde voldaan worden. Zo dient volgens artikel 42.13.1 onder c, onder 2 een agrarisch bedrijf te worden gerund. Derhalve niet kan worden voldaan aan de wijzigingsbevoegdheid, wordt er een herziening van het bestemmingsplan voorbereid. Ook is getoetst aan de afwijkingsbevoegdheid voor het uitoefenen van een beroep aan huis. Aan deze afwijkingsbevoegdheid kan worden voldaan.
21 van 46
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onderhavig initiatief is echter niet opgenomen in de activiteiten kolom van de lijst van het Besluit m.e.r.
Er is derhalve geen sprake van een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Ten aanzien van het tweede criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden. Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat een significant effect op de omliggende Natura-2000 gebieden valt uit te sluiten. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1. Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem;
22 van 46
-
Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
Zoals te zien in Afbeelding 8 en reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3, liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden.
Afbeelding 8: Uitsnede kaart Iov 'grondwaterbescherming en waterveiligheid en -berging'
De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP zal op 22 december 2021 in werking treden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het doel om moet; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: - Voldoende water - Schoon water - Veilig water - Vitale bodem - Klimaatadaptatie Waterschap Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente.
De doelstelling van het waterbeheerplan Brabantse Delta (2022-2027): Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen. De doelstelling van het waterbeheerplan Brabantse Delta (2022-2027) is als volgt: Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een
23 van 46
klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie.
Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2021-2025 In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 (vGRP) geeft de gemeente aan op welke wijze zij de komende jaren, met een doorkijk naar de toekomst, invulling geven aan de zorgtaken rondom afval-, hemel- en grondwater. Vanuit de Wet Milieubeheer is de gemeente verplicht een vGRP voor deze zorgtaken op te stellen. Het vGRP geeft antwoord op de wijze waarop de aankomende jaren omgegaan moet worden met het beheer en onderhoud van de rioleringsvoorzieningen en welke investeringen gedaan zullen worden in het kader van de zorgplichten. Bij verschillende projecten in de gemeente staat de scheiding van hemel- en afvalwater centraal. Ook in de planperiode van 2021 tot 2025 wordt een gedeelte van het verhard oppervlak afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel door te investeren in afkoppelprojecten.
Door de beoogde ontwikkeling zal er 163,5m2 minder aan verharding aanwezig zijn dan in de huidige situatie. Hierdoor kan een groter gedeelte van het hemelwater infiltreren in de gronden. Door de realisatie verblijfsruimtes t.b.v. de bed and breakfast, zal er meer water worden aangesloten op de gemeentelijke drukriolering. Onduidelijk is of het bestaande drukriool voldoende capaciteit heeft om twee wooneenheden extra te verwerken. Omdat de gemeente het beste inzicht heeft in het gemeentelijke rioleringssysteem wordt aan de gemeente verzocht te onderzoeken of de riolering voldoende capaciteit heeft om 2 extra wooneenheden te verwerken.
4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In Afbeelding 9 is te zien dat er rondom het plangebied geen A-watergangen zijn gelegen. Er zijn wel verschillende B-waterlopen te zien rondom het plangebied. In werkelijkheid ligt er geen watergang tussen de Chaamseweg en de woning aan de Chaamseweg 4.
24 van 46
Afbeelding 9: Uitsnede legger Brabantse delta
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op dichtstbijzijnde watergangen. Op de planlocatie wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op de planlocatie vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de dichtstbijzijnde watergangen.