CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: P04047 Broekdijk 60, Hulten BP 20220920

Gemeenteraad 21 november 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Bestemmingsplan Broekdijk 60, Hulten24.623 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er is daardoor geen zwaar materieel nodig om bijvoorbeeld de bouwput te graven of de constructie te maken. Op basis van uitgevoerde aeriusberekeningen voor vergelijkbare situaties kan derhalve worden geconcludeerd dat de stikstofdepositie van dit project verwaarloosbaar is. Een significante toename van stikstofdepositie in deze gebieden die ontstaat tijdens de aanlegen/of gebruiksfase van de te realiseren functies kan daarom op voorhand worden uitgesloten. Gelet op vorengaande bestaan er vanuit het deelaspect wettelijke gebiedsbescherming geen belemmeringen. Planologische gebiedsbescherming Op grond van artikel 1.12, tweede lid, Wnb wijzen gedeputeerde staten van de provincie gebieden in hun provincie aan die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant hebben in dat kader het Natuurnetwerk Brabant (NNB) aangewezen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze verordening is in artikel 3.16 tevens geregeld dat er een externe werking uitgaat van het NNB. Dat betekent dat regelingen met betrekking tot NNBgebieden niet alleen in acht moeten worden genomen bij ontwikkelingen in de NNB-gebieden maar mogelijk ook bij ontwikkelingen buiten deze gebieden. Dat laatste is het geval wanneer er sprake is van een aantasting van ecologische waarden en kenmerken van NNB-gebied. Het plangebied ligt niet binnen het NNB.

Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 250 meter ten westen van het plangebied. Daarbij gaat het specifiek om de EVZ ‘de Groote Leij’. Gezien de aard en omvang van het initiatief zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor aannemelijk is dat de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het NNB niet zullen worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast light het plangebied niet binnen de groenblauwe mantel. 6

Quickscan flora en fauna dierenpension Broekdijk te Hulten, BRO, kernmerk P00786, d.d. 28 september 2018

Hoofdstuk 4

30

Gelet op vorengaande zorgt het deelaspect planologische gebiedsbescherming niet voor belemmeringen. Soortbescherming In de stal en de mestopslag zijn geen potentiele verblijfplaatsen, sporen of nestlocaties aangetroffen van soorten met jaarrond beschermde nesten als kerkuil, steenuil, huismus en gierzwaluw. Tijdens een relatief recentelijke renovatie van de stal is het gehele dak vervangen. Daarom hoeven er geen potentieel verstorende werkzaamheden meer aan het dak van de stal plaats te vinden. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevinden zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil. Wel kunnen hier mogelijk algemene soorten als merel, roodborst, heggenmus, tjiftjaf en houtduif tot broeden komen. De bomen blijven echter behouden. In de stal is een enkel nest van waarschijnlijk merel aangetroffen. Ook zwaluwnesten zijn niet aangetroffen. De paardenweides ten oosten van het plangebied bieden in potentie geschikt foerageerhabitat voor een soort als steenuil. Er zijn hier geen waarnemingen bekend van steenuil uit de directe omgeving. Tevens zijn er geen sporen op het erf aangetroffen. Ook zijn er geen steenuilnestkasten aanwezig in de bomen. Het perceel biedt verder geen geschikte nestlocaties voor deze soort.

De aanwezigheid van deze soort op het perceel of in de directe omgeving is redelijkerwijs uitgesloten, waardoor de paardenweides niet als essentieel leefgebied dienen. Het gebouw bevat momenteel geen geschikte doorgangen naar potentiele verblijfplaatsen zoals open stootvoegen of randen onder de gevelbeplating. Bij realisatie van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) aantasting van vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageerhabitat voor vleermuizen. Extra verlichting gericht op de bomenrij langs de Broekdijk dient te worden vermeden. Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaat geen (essentieel) leefgebied van grondgebonden zoogdiersoorten, reptielen, vissen, ongewervelde dieren of vaatplanten verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Verder zijn geen negatieve effecten te verwachten op andere beschermde soorten vaatplanten, vissen, reptielen, amfibieën en overige ongewervelden niet te verwachten. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op beschermde soorten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen.

Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Er bestaan, gelet op vorengaande, geen belemmeringen ten aanzien van het deelaspect soortenbescherming.

Hoofdstuk 4

31

4.6 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Dat wordt gedaan middels een watertoets. De resultaten uit de watertoets landen vervolgens in een waterparagraaf. Verschillende overheden hebben beleidskaders opgesteld aan de hand waarvan ze streven naar een duurzaam watersysteem. Dat gebeurt op Europees, rijks- provinciaal, gemeentelijk en waterschapsniveau. Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water7 stelt waterkwaliteitseisen die door EU-lidstaten moeten worden geimplementeerd in nationale wet- en regelgeving. De Kaderrichtlijn water verplicht tot het garanderen, het beschermen en, waar noodzakelijk, verbeteren van waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. Hierbij wordt een onderscheid aangebracht tussen een goede chemische toestand en een goede ecologische toestand. Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer.

Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

7

Richtlijn 2000/60/EG.

Hoofdstuk 4

32

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Het waterschap verzoekt aan initiatiefnemers aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Doorwerking plangebied Bodem en grondwater Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn bij de provincie Noord-Brabant geen grootschalige grondwateronttrekkingen bekend. Het plangebied bevindt zich niet in een beschermings- of attentiegebied behorend bij een waterwinplaats. Binnen het plangebied zullen geen industriële of andere milieubelastende activiteiten worden ontplooid.

Het risico op grondwaterverontreiniging zal daarom minimaal zijn. Aangezien er geen nieuwe bebouwing wordt in het plangebied hoeft geen rekening te worden gehouden met voor het realiseren van nieuwe bebouwing mogelijk van belang zijnde grondwaterstanden. Hemelwater Met het planvoornemen wordt ca. 150 m 2 aan oppervlakte verharding verwijderd ten behoeve van de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het verhard oppervlak in het plangebied af, wat een positieve invloed heeft op de verkwering van het hemelwater. Het plangebied is daarnaast van voldoende omvang om te kunnen zorgen voor infiltratie van hemelwater op het eigen perceel. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en wordt geen nieuw oppervlaktewater gerealiseerd. Aan de westzijde van het plangebied, aan weerszijden van de Broekdijk, is een watervoerende B-watergang aanwezig. Met het planvoornemen worden geen ingrepen mogelijk gemaakt die invloed hebben op het bestaande oppervlaktewater of die de afwatering van de omliggende percelen en de openbare weg belemmeren. Afvalwater Het afvalwater wordt verzameld in een septic tank. De nieuwe functies zullen, in vergelijking met de huidige functies, niet zorgen voor een toename in de productie van afvalwater.

Hoofdstuk 4

33

De uitwerpselen van de honden worden dagelijks verzameld zodat deze niet kunnen uitspoelen en geen invloed op de bodem en/of afvalwatervoorziening hebben. De uitwerpselen worden één keer per jaar opgehaald. Door het hemelwater van het verhard oppervlak af te koppelen en ter plaatse te verwerken wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. Dit bestemmingsplan is in lijn met de uitgangspunten voor het aspect water. Er bestaan daarom ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen.

4.7 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Doorwerking plangebied Er is sprake van het wijzigen van het bestaande grondgebruik. De nieuwe functie is qua milieugevoeligheid echter vergelijkbaar met de oude (een niet-agrarisch bedrijf in de nieuwe situatie en een agrarisch bedrijf in de oude situatie). Om die reden is aannemelijk dat de milieuhygiënische conditie van de bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast worden met onderhavig plan niet voorzien in ontwikkelingen die bodemingrepen noodzakelijk maken.

4.8 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om zo de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten bedrijven echter ook voldoende zekerheid hebben dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 8. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de 8

Bedrijven en Milieuzonering, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

34

situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.

Geur veehouderijen In de ruimtelijke ordening wordt een onderscheid gemaakt tussen milieuzonering met betrekking tot het aspect geur afkomstig van veehouderijen en milieuzonering anderszins. Ten aanzien van het aspect geur geldt voor veehouderijen namelijk aparte wetgeving (Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Wro). Het aspect geur agrarisch wordt daarom separaat besproken in paragraaf 4.10. De deelaspecten geluid en stof afkomstig van veehouderijen vallen wel onder het ‘reguliere’ spoor voor milieuzonering. Doorwerking plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in het herbestemmen van de bestaande voormalige agrarische bedrijfsgebouwen in het plangebied. De functie van de locatie wordt daarbij gewijzigd van agrarisch naar een niet-agrarisch bedrijf. Er worden geen milieugevoelige functies, zoals een woning, mogelijk gemaakt. Dit betekent dat onderhavige ontwikkeling niet tot hinder van omliggende bedrijven (o.a. Wierkstraat 20) leidt. De ontwikkeling van de bedrijfsactiviteiten in het plangebied kan zelf wel leiden tot hinder bij omliggende milieugevoelige functies. De beoogde bedrijfsactiviteiten bestaan uit het exploiteren van een dierenpension met bijbehorende voorzieningen en een caravanstalling. De hoogste milieucategorie die bij deze activiteiten hoort is 3.2 en heeft een grootste richtafstand van 100 meter.

Het gebied kan worden bestempeld als ‘gemengd gebied’ vanwege de aanwezigheid van agrarische bedrijvigheid rondom het plangebied. De richtafstanden kunnen hierdoor met een trede worden verlaagd naar 50 meter. De dichtstbijzijnde burgerwoning ligt op een afstand van 189 meter. De bedrijfsactiviteiten in het plangebied zullen dan ook niet tot hinder leiden bij de omliggende milieugevoelige functies. Voor een hondenpension zal het geblaf van de honden maatgevend zijn. De honden worden verspreid over de buitenrennen uitgelaten, waarbij wordt bewaakt dat onrustige honden de anderen niet onrustig

Hoofdstuk 4

35

maken. Dat gebeurt door de juiste groepindeling en het eventueel (langer) binnen houden van zeer onrustige honden. Daarnaast zal de interne indeling van de uitloopweides ervoor zorgen dat er voldoende rust tussen de honden kan ontstaan. Daarnaast kan worden aangegeven dat conform de Wet milieubeheer van een bedrijf mag worden verwacht dat de geluidemissie van akoestisch relevante geluidbronnen binnen redelijke grenzen en de stand der techniek zo veel mogelijk moet worden geminimaliseerd (het BBT-principe: best beschikbare technieken). Er zijn vanuit bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.9 Akoestiek Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of een andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Breedte geluidszones langs wegen Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.

Hoofdstuk 4

36

Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffings-

Artikel

waarde Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt agrarische bedrijfsbebouwing herbestemd ten behoeve van een niet-agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsactiviteiten zich richten op een dierenpension met bijbehorende voorzieningen en een caravanstalling. Bedrijfsgebouwen ten behoeve van deze functies worden niet aangemerkt als geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. Daarnaast blijft de aanwezige bedrijfswoning ongewijzigd. Daarnaast blijft de aanwezige bedrijfswoning ongewijzigd. De Wet geluidhinder legt dan ook geen restricties op aan onderhavige ontwikkeling.

4.10 Geur agrarisch Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder veehouderij (Rgv). De hierin opgenomen geurnormen hebben betrekking op de toevoeging van veehouderijen in de buurt van geurgevoelige objecten. Bij nieuwe planologische projecten anders dan veehouderijen dient in het kader van de Wet ruimtelijke ordening te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Daarbij moeten twee zaken worden aangetoond:  Er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toegevoegde geurgevoelige objecten; en  veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen wordt geschaad. Bij een en ander moet worden uitgegaan van de cumulatie van geurhinder van alle veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is het niet automatisch zo dat wanneer geurnormen overschreden worden, er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat – en vice versa. Een gemeente zal per geval moeten beoordelen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Hoofdstuk 4

37

In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Gemeenten hebben de mogelijkheid om middels een eigen geurverordening af te wijken van de in de Wgv gestelde normen. De gemeente Gilze en Rijen heeft in dit kader een eigen geurverordening vastgesteld, namelijk de ‘Geurverordening Gilze en Rijen 2008’.

Op grond van deze verordening zoals die is vastgesteld op 1 augustus 2017 wordt op één punt afgeweken van de normstelling uit de Wgv: Artikel 4: afwijking van afstanden in de wet In afwijking van artikel 4 lid 1 van de wet [Wgv] bedraagt de minimale afstand van een veehouderij, waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, tot een geurgevoelig object in de gemeente Gilze en Rijen: A. Binnen bebouwde kom 50 meter; B. Buiten bebouwde kom 25 meter. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt agrarische bedrijfsbebouwing herbestemd ten behoeve van de realisatie van een niet-agrarisch bedrijf waarvan de bedrijfsactiviteiten het opvangen van dieren in een dierenpension met bijbehorende voorzieningen en het stallen van caravans zijn. Het dierenpension zal zich voornamelijk richten op het opvangen van honden. De gebouwen waarin de beoogde functies worden gehuisvest zijn niet aan te merken als geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Ook is er geen sprake van een veehouderij in de zin van de Wgv. Daarom hoeft in dit kader van de Wgv tevens geen rekening te worden gehouden met geurbelasting die vanuit de beoogde functies op eventuele geurgevoelige objecten ontstaat. Het aspect geur agrarisch zorgt niet voor belemmeringen.

4.11 Verkeer en parkeren In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bepaald wat de verkeersaantrekkende werking van het plangebied is. Om te bepalen wat de effecten van het plan op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied is, kan gebruik worden gemaakt van de CROW-kengetallen (publicatie 381). Deze kengetallen geven een indicatie van de het plan gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Gemeenten

Hoofdstuk 4

38

kunnen er echter ook voor kiezen om zelf parkeernormen vast te stellen. De gemeente Gilze en Rijen heeft dit gedaan in de ‘Nota Parkeernormen Gilze en Rijen’. Doorwerking plangebied Verkeer In de CROW-publicatie zijn geen kencijfers opgenomen voor de verkeersbewegingen van een dierenpension. Om deze reden wordt het aantal verkeersbewegingen bepaald aan de hand van het aantal plaatsen dat de kennel heeft en ervaringscijfers. Huidige situatie In de huidige situatie verblijven dagelijks maximaal 20 honden in het pension. Hiervan worden er 15 door de eigenaar opgehaald en weggebracht. Dit resulteert in 4 mvt/etmaal (op twee momenten van de dag halen en brengen). De overige 5 honden worden door de eigenaren gebracht en opgehaald. Hiervoor zijn in een worstcasescenario van het brengen en weer ophalen van een dier op dezelfde dag 20 mvt/etmaal te verwachten. Het werkelijke aantal mvt/etmaal ten aanzien van halen en brengen door eigenaren ligt mogelijk lager, aangezien niet elke eigenaar zijn of haar hond op dezelfde dag brengt en weer ophaalt. Op een normale dag dient, het bovenstaande in ogenschouw nemend, rekening te worden gehouden met een maximale verkeersgeneratie van 24 mvt/etmaal (worstcasescenario). Het piekmoment ligt in de zomerperiode, aangezien mensen tijdens deze periode relatief gezien het vaakst op vakantie gaan.

In deze periode kan het aantal honden in het pension oplopen tot maximaal 50. Deze 30 extra honden verblijven gemiddeld één week in het dierenpension en worden over het algemeen zelf gebracht en opgehaald door de eigenaren. In theorie is een piekmoment dus de dag dat er 30 honden opgehaald worden en nieuwe 30 honden worden afgezet. Dat resulteert in een piekoment van 120 mvt/etmaal ten behoeve van het brengen en halen van de 30 extra honden. In huidige situatie bedraagt het maximale aantal verkeersbewegingen tijdens de drukste periode 144 mvt/etmaal. Toekomstige situatie: dierenpension In de toekomstige situatie neemt het aantal honden dat één dag gedurende de dag verblijft in het dierenpension toe van 20 naar 30. Deze dieren zullen door initiatiefnemer zelf worden opgehaald en gebracht. Hiervoor zijn 2 keer per dag 2 ritten nodig (4 keer halen en 4 keer brengen per dag). Daarbij gaat het in totaal om 8 mvt/etmaal. Het piekmoment blijft in de zomerperiode liggen. Het dierenpension heeft dan ruimte voor circa 90 dieren laten verblijven. In deze periode maakt initiatiefnemer een extra dagronde voor 15 honden, wat resulteert in extra 4 mvt/etmaal. Zo komt het aantal verkeersbewegingen uitgevoerd door initiatiefnemer op 12 mvt/etmaal. De overige 45 honden worden over het algemeen zelf gebracht en opgehaald door de eigenaren.

In een worstcasescenario worden er tijdens het piekmoment daarmee 45 honden per dag gebracht en 45 honden opgehaald. Dat resulteert in een verkeersgeneratie van 180 mvt/etmaal.

Hoofdstuk 4

39

Gelet op vorengaande dient te worden uitgegaan van een worstcasescenario met 192 mvt/etmaal ten behoeve van het dierenpension tijdens de zomerperiode. Toekomstige situatie: caravanstalling Binnen het plangebied worden zullen in de toekomstige situatie caravans gestald worden. Per caravaneigenaar levert dit op jaarbasis gemiddeld 4 verkeersbewegingen op. Bij volledige bezetting kunnen circa 70 caravans gestald worden, wat leidt tot maximaal 280 verkeersbewegingen per jaar. Dit resulteert in gemiddeld 0,76 verkeersbeweging/etmaal. Toekomstige situatie: totale toename in aantal verkeersbewegingen ten opzichte van huidige situatie Uit vorengaande is af te leiden dat rekening gehouden dient te worden met een toename van 48,76 mvt/etmaal tijdens de drukste periode (zomerperiode) ten opzichte van de huidige situatie. Buiten de zomerperiode is een afname in het aantal verkeersbewegingen te verwachten ten gevolge van het feit dat honden niet meer door de eigenaren worden gebracht en opgehaald maar door initiatiefnemer worden opgehaald en teruggebracht. Dit zal gebeuren in de vorm van gecombineerde ritten waarbij meerdere honden tegelijkertijd worden opgehaald en teruggebracht. Het verwachte aantal verkeersbewegingen ten behoeve van het dierenpension zal daarmee in een normale periode afnamen van 24 mvt/etmaal naar 12 mvt/etmaal. Dat is een afname van 12 mvt/etmaal.

Wel komen er gemiddeld 0.76 mvt/etmaal bij vanwege het stallen van caravans. Alles bij elkaar leidt dat in een normale periode tot een afname van (gemiddeld) 11,24 mvt/etmaal. Gelet op de goede staat van de ontsluiting, de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen tijdens de zomerperiode en de afname van het aantal verkeersbewegingen tijdens de normale periode is de verwachting dat de verkeersgeneratie die onderhavig plan met zich meebrengt moeiteloos kan worden verwerkt in de omgeving van het plangebied. Parkeren Bezoeken aan zowel het dierenpension als de caravanstalling zullen naar verwachting (zeer) kort zijn. Parkeerplaatsen binnen het plangebied ten behoeve van bezoekers zullen daarom in verreweg de meeste gevallen kortdurend bezet zijn. De buitenruimte rondom de bedrijfsgebouwen is zodanig van omvang dat er voldoende gelegenheid is om het bestemmingsverkeer voor het dierenpension en de caravanstalling de mogelijkheid te bieden om binnen het plangebied te parkeren. Resumerend bestaan er ten aanzien van het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen.

4.12 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Hoofdstuk 4

40

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). Doorwerking plangebied NIBM Om de effecten van het plan op de luchtkwaliteit te bepalen is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. Hierbij zijn de in paragraaf 4.11 berekende verkeersgegevens gehanteerd. In onderstaande tabel is het resultaat uit de toepassing van de NIBM-tool weergegeven:

Tabel 4.1: Berekening als uitgevoerd middels de NIBM-tool (bron tool: Rijkswaterstaat – Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat).

Het ingevulde extra aantal voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) betreft de toename in verkeersbewegingen die te verwachten is tijdens de zomerperiode. Hoewel tijdens normale perioden, dus buiten de zomerperiode om, juist een afname in het aantal verkeersbewegingen te verwachten is, is toch voor het gehele jaar uitgegaan van de toename in het aantal te verwachten verkeersbewegingen dat geldt voor de drukkere zomerperiode. Op die manier kan namelijk getoond worden wat het effect op de luchtkwaliteit in de hypothetische situatie waarin het dierenpension jaarrond volledig bezet is met

Hoofdstuk 4

41

circa 90 dieren. Uit de NIBM-tool blijkt dat zelfs in de situatie van jaarronde volledige bezetting niet in betekenende mate wordt bijgedragen aan luchtvervuiling. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Ook wanneer een project niet in betekenende mate bedraagt aan luchtverontreiniging moet met het oog op hetgeen bepaald is in artikel 3.1, eerste lid, Wro alsnog aannemelijk worden gemaakt dat er in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dit artikel staat bepaald dat een bestemmingsplan door de gemeenteraad wordt vastgesteld ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beginsel van een goede ruimtelijke uitgangspunten is van toepassing op alle ruimtelijke projecten en ten aanzien van alle aspecten die kleven aan een project – en dus ook met betrekking tot luchtkwaliteit. Om die reden wordt in deze subparagraaf een beknopte onderbouwing gegeven voor waarom sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Over luchtkwaliteit kunnen uitspraken gedaan worden aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5. Die waarden kunnen bepaald worden middels de NSL-monitoringstool. Een overzicht hiervan is weergegeven in tabel 4.2. Meetpunt NO2 μg/m3 235647 16.8 235648 16.8 12649 18.2 12651 18.3 Norm 40

PM10 μg/m3 18.8 18.8 19.0 19.0 40

PM10 overschrijdingsdagen 6.7 6.7 6.9 6.9 35

PM2.5 μg/m3 11.5 11.5 11.6 11.6 25

Jaar 2020 2020 2020 2020

Tabel 4.2: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)

Het dichtstbijzijnde rekenpunt ligt op een afstand van 1,4 kilometer. De achtergrondwaarden hier liggen ruim onder de norm. Ook de achtergrondwaarden van de verder weg gelegen rekenpunten liggen onder de norm. Daarmee is in de huidige situatie sprake van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Ook met een toename in uitstoot van luchtvervuilende stoffen als berekend aan de hand van de NIBM-tool, waarin wordt uitgegaan van een hypothetisch worstcasescenario met een permanente maximale bezetting van het dierenpension, zal geen sprake zijn van normoverschrijding. Ook in dat (niet bijzonder realistische) geval zal ter plaatse en in de omgeving van het plangebied sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.13 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.

Hoofdstuk 4

42

In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag.

Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Doorwerking plangebied Het dierenpension kan worden aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). De bestaande bedrijfswoning is een kwetsbaar object in de zin van het Bevi. Aangezien het gaat om een bestaande bedrijfswoning dient ook in de huidige situatie in het kader van externe veiligheid rekening te worden gehouden met deze woning. Om die reden hoeft externe veiligheid met betrekking tot deze woning niet nader beschouwd te worden in onderhavig plan. Uit een inventarisatie op basis van de Risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde risicoveroorzakende inrichting op een afstand van ongeveer 550 meter van het plangebied ligt. Het betreft hier een propaantank (maximaal 8000 liter propaan vergund). Voor een propaantank van deze omvang geldt op grond

Hoofdstuk 4

43

van artikel 4.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer een PR-6-contour van 15 meter. Dit volgt ook als zodanig uit de hiervoor verleende milieuvergunning. Het plangebied ligt ruim buiten deze contour. Ten oosten van het plangebied, op een afstand van ongeveer 690 meter, loopt een gasleiding (leiding A-531) waardoorheen aardgas wordt getransporteerd. Hiervoor geldt een maximaal invloedsgebied van tussen de 210 meter en 240 meter. Het plangebied ligt daarmee op ruim voldoende afstand van betreffende gasleiding. Overige risicobronnen (weg, water, buisleidingen en Bevi-inrichtingen) liggen op voldoende afstand van het plangebied. Daarom hoeft er geen (beperkte) verantwoording van het groepsrisico te volgen.

4.14 Kabels en leidingen Aan de hand van de Netkaart9 van het RIVM kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone10 van hoogspanningslijnen. Een uitsnede van het voor het plangebied relevante deel van deze kaart is weergegeven in navolgende figuur.

Figuur 4.4: Uitsnede Netkaart, inclusief bijbehorende legenda (ligging plangebied indicatief weergegeven middels oranje stip; bron: RIVM).

Uit de Netkaart volgt ten dat noorden van het plangebied twee hoogspanningslijnen lopen. Het gaat daarbij om één 150 kV-hoogspanningslijn en één 380 kV-hoogspanningslijn. Als opgenomen in de Netkaart zijn hiervoor magneetveldzones van respectievelijk 70 meter en 100 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijnen van toepassing. 9

https://geodata.rivm.nl/netkaart.html. Een magneetveldzone is het gebied waar het magneetveld van een hoogspanningslijn waar het magneetveld over een jaar gemiddeld sterker is dan 0,4 microtesla. 10

Hoofdstuk 4

44

Uit de klic-melding blijkt dat er in het plangebied verschillende kabels en leiding liggen. Deze kabels en leidingen vereisen geen in onderhavig plan te regelen beschermingszone. Derhalve vormen deze kabels en leidingen geen belemmering zouden kunnen opleveren. Wanneer graaf- en bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd dient hier wel rekening mee te worden gehouden.

Hoofdstuk 4

45

5.

JURIDISCHE PLANOPZET

In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Artikelsgewijze toelichting op de planregels Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting op de planregels. Bij het opstellen van de bestemmingen is zoveel mogelijk aangesloten aan het vigerende bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Gilze en Rijen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 5

46

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch De bestaande agrarische bestemming op de (overige) gronden is gehandhaafd. Deze gronden zijn bestemd voor agrarische bedrijven. Gebouwen mogen slechts binnen een bouwvlak worden gebouwd met uitzondering van specifieke aanduidingen. Artikel 4 Bedrijf De bestemming Bedrijf is gegeven aan alle niet-agrarische bedrijven. Voor de bestemming Bedrijf is gebruikgemaakt van een zogenaamde Staat van Bedrijfsactiviteiten (milieucategorieën). Alle bedrijven in het plangebied worden voorzien van een specifieke aanduiding. Dit betekent dat na bedrijfsbeëindiging uitsluitend een soortgelijk bedrijf is toegestaan. Naast het type bedrijf, is aan de hand van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' ook de SBI-code en de milieucategorie opgenomen. Bedrijven die niet voorkomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' zijn niet voorzien van een SBI-code. De maximaal toelaatbare milieucategorie wordt voor deze bedrijven bepaald door het oppervlak van het bouwperceel. Via een voorwaardelijke verplichting is de aanleg en instandhouding van de landschappelijk inpassing verzekerd. Binnen het plangebied zijn twee bedrijven aanwezig, een bedrijf voor caravanstalling en dierenkennel/ pension. Voor een dierenkennel / pension is het mogelijk om dieren te houden en de daarbij behorende voorzieningen zoals een uitloopweide.

Artikel 5 Groen - landschappelijke inpassing Ter plaatse van de robuuste groenstructuren in het landschappelijke inpassingsplan is deze bestemming opgenomen. De bestemming heeft als doel het beschermen en instant houden van de landschappelijk inpassing. Artikel 6 Waarde – landschap – 1 Om de kwetsbare landschapstypen te beschermen is een dubbelbestemming opgenomen. Dit is gedaan om de relevante belangen van de kwetsbare landschapstypen veilig te stellen. Hoofdstuk 3. Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Deze regel is verplicht overgenomen uit het Bro (art. 3.2.4.) en is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 8 Algemene bouwregels Met deze regeling wordt voorkomen dat bestaande situaties die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 - onbedoeld - geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen.

Hoofdstuk 5

47

Omdat in dit bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen worden mogelijk gemaakt, is het in het kader van de Wet geluidhinder noodzakelijk de geluidsbelasting op de gevels van woningen te berekenen. In dit lid zijn de afstandsnormen van de gevel tot de as van de weg die hieruit voortvloeien, opgenomen. Ingevolge de wet geluidhinder is het niet toegestaan woningen te realiseren op een kortere afstand dan in de tabel is genoemd. Indien uit onderzoek blijkt dat aan de grenswaarde kan worden voldaan, kan ontheffing hogere grenswaarden op basis van de Wet geluidhinder worden verleend van deze afstand. Afstanden gevoelige objecten ten opzichte van landbouwbedrijven en kassen. Vanwege het Besluit glastuinbouw en het Besluit landbouw milieubeheer, dienen afstanden tussen gevoelige objecten, zoals woningen, te worden aangehouden. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels Ten aanzien van de militaire vliegbasis zijn de volgende gebiedsaanduidingen opgenomen:  Luchtvaartverkeerzone – 11  Overig – IHCS Vanwege de aanwezigheid van funnels gelden er hoogtebeperkingen in het plangebied. De hoogtebeperkingen worden, in tegenstelling tot andere bepalingen met betrekking tot goot- en bouwhoogten, niet gemeten vanaf peil, maar ten opzichte van NAP.

Deze hoogtebeperkingen zijn over het algemeen erg klein. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan een omgevingsvergunning tot afwijken kan worden verleend. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels Er is een afwijkingsregels opgenomen voor geringe overschrijdingen van bestemminsgrenzen. Ook is er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen naar bestemming ‘Verkeer’. Artikel 13 Overige regels Bij de overige regels wordt aangegeven dat de wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van de inwerkingtreding van het plan. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 14 en 15 Overgangsrecht en slotregel Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend.

Hoofdstuk 5

48

Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 5

49

6.

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Kostenverhaal Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad van Gilze en Rijen verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit (het bestemmingsplan) waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12 lid 2 kan de gemeenteraad van de gemeente Gilze en Rijen besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c is voldaan. Met onderhavig bestemmingsplan wordt geen bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Met de ontwikkelende eigenaar van de gronden is een overeenkomst tegemoetkoming planschade gesloten, voordat het bestemmingsplan is vastgesteld. De exploitatiebijdragen zijn berekend aan de hand van een begroting op basis van de legesverordening Gilze en Rijen 2021. Er zijn geen redenen om nadere eisen te stellen dan wel het plan te faseren, zodat de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan niet geldt. Het kostenverhaal is voldoende vastgelegd.

Financiële haalbaarheid De ontwikkelaar beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. De planologische ontwikkeling leidt tot een waardevermeerdering van de grond. De kosten die initiatiefnemer maakt zijn een investering ten einde de waardevermeerdering te kunnen realiseren. Wanneer de kosten en opbrengsten naast elkaar worden gelegd is er sprake van een positief saldo. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 6

50

7.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart.

7.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan plan worden geïnformeerd. De reacties van deze instanties zijn in dit plan verwerkt. Omgevingsdialoog Ten behoeve van de motivering van het ruimtelijk besluit is een omgevingsdialoog gehouden, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de ontwikkeling. Op deze manier is getoetst of bewoners in de directe omgeving van de gewenste ontwikkeling de betreffende ontwikkeling zien zitten. Om die reden is er een omgevingsdialoog gehouden. Uit de omgevingsdialoog is gebleken dat de naaste buren geen problemen hebben met de ontwikkeling onder de voorwaarden dat de bebouwing ten behoeve voor caravanstalling niet wordt benut ten behoeve van het dierenpension. In de planregels is geborgd dat het gebouw voor caravanstalling buiten het dierenpension wordt gehouden. Hiermee wordt er voldaan aan de wensen van de omgeving.

Een geanonimiseerde versie van de gevoerde omgevingsdialoog is als bijlage opgenomen in de bijlage.

7.2 Procedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Het plan zal daarna ter vaststelling worden aangeboden aan de gemeenteraad.

Hoofdstuk 7

51

7.3 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Hoofdstuk 7

52

REGELS

2

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 9

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

10

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Agrarisch Bedrijf Groen - landschappelijke inpassing Waarde - Landschap - 1

10 11 15 16

Hoofdstuk 3

Algemene regels

18

Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels

18 19 20 21 22 23 24

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

25

Artikel 14 Artikel 15

Overgangsrecht Slotregel

25 26

Bijlagen bij regels

27

Bijlage 1 Bijlage 2

28 34

2

Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' Landschappelijk inpassingsplan

Bestemmingsplan "Broekdijk 60, Hulten" (vastgesteld)

Regels

Bestemmingsplan "Broekdijk 60, Hulten" (vastgesteld)

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

Plan

Het bestemmingsplan Broekdijk 60, Hulten met identificatienummer NL.IMRO.0784.BPBroekdijk60-VG01 van de gemeente Gilze en Rijen. 1.2

Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

aan- en uitbouw/ aangebouwd bijgebouwd

Een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.6

aan-huis-gebonden beroep

vrije beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten die ten hoogste vallen binnen de categorieën A en B van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' in bijlage 1, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen en vergunningbesluit milieubeheer geldt en dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.7

Agrarisch bedrijf

een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in: a. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, waaronder bollenteelt, daaronder niet begrepen sier- en fruitteelt, boomkwekerij en bosbouw; b. boomkwekerij: een bedrijf gericht op het telen van bomen al dan niet gecombineerd met de verhandeling daarvan; c. bosbouw: de teelt van bomen ten behoeve van de houtproductie; d. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond, waaronder tevens wordt verstaan een paardenfokkerij; e. intensieve veehouderij: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij,

4

Bestemmingsplan "Broekdijk 60, Hulten" (vastgesteld)

varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen; f. glastuinbouw: de teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen; g. sierteelt: de teelt van tuin- en potplanten en/of bomen; h. fruitteelt: de teelt van fruit; i. bollenteelt: de teelt van bloembollen in samenhang met de teelt van bolbloemen; j. intensieve kwekerij: de teelt van gewassen of dieren (anders dan bij wijze van intensieve veehouderij) (nagenoeg) zonder gebruik te maken van daglicht; k. paardenfokkerij: het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij waarbij het africhten van en de handel in paarden in ondergeschikte mate plaatsvindt; onder paardenfokkerij wordt niet verstaan paardenstalling en manege. 1.8

Agrarisch deskundige

Een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen inzake land- en tuinbouw. 1.9

Archeologisch onderzoek

Onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt. 1.10

Archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.11

Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.12

Bedrijf

Een onderneming gericht op het vervaardigen, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen. 1.13

Bedrijfsgebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of twee of meer met wanden omsloten ruimte vormt en in gebruik is ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten. 1.14

Bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen

Afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet. 1.15

Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

Bestemmingsplan "Broekdijk 60, Hulten" (vastgesteld)

5

1.16

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.17

Bevi-inrichtingen

Bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.18

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.19

Bouwgrens

De grens van een bouwvlak. 1.20

Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.21

Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.22

Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.23

Dienst- of bedrijfswoning

Een woning, bij een bedrijf of instelling, bestemd voor de huisvesting (het huishouden) van een persoon die op dat bedrijf werkzaam is. 1.24

Dierenkennel/ pension

Een bedrijf gericht op het africhtenen verzorgen van dieren, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun huisdieren in pension te stallen. 1.25

Erf- en terreinafscheiding

Een bouwwerk dat dient ter afscheiding van het erf of een terrein. 1.26

Evenementen

gebeurtenissen, gericht op een groot publiek, op het gebied van kunst, sport, ontspanning en cultuur.

6

Bestemmingsplan "Broekdijk 60, Hulten" (vastgesteld)

1.27

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.28

Gevoelige functies ten opzichte van landbouwbedrijven

Gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 1.29

Groen-landschappelijke inpassing

Bestemming voor gronden die voornamelijk bestemd zijn voor landschappelijke inpassing van gebouwen en/ of functies door middel van bomen/ struiken en andere vormen van beplanting, conform een landschappelijk inpassingsplan. 1.30

Hoofdgebouw

Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.31

Kas

Een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal en dienend tot kweken, trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, bloemen, groenten planten of bomen, alsmede in voorkomende gevallen tot bescherming van de omgeving tegen milieubelastende stoffen. 1.32

Mantelzorg

Het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband. 1.33

Nevenactiviteit

Een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de in dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bestemming. 1.34

Nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12039334/2