Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
Berekening De berekening van de stikstofdepositie ter plaats van stikstofgevoelige habitattypen binnen de nabijgelegen Natura 2000-gebieden is uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator 2022.1. Uit de berekeningen blijkt voor zowel de sloop- en bouwfase en de gebruiksfase dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,0 mol N/ha/jaar zijn. Uitgangspunt van de berekening is dat in de aanlegfase gebruik wordt gemaakt van enkele elektrische voertuigen en het gebruik van AdBlue.
4.3.3
Conclusie
Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden. Voorwaarde is dat er AdBlue toegepast dient te worden tijdens de opbouw van de woningen.
4.4
WATER
4.4.1
Toetsingskader
Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijstwateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.
Waterwet De Waterwet regelt in hoofdzaak het beheer van watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. De Waterwet stelt integraal waterbeheer centraal op basis van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit en -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen oppervlaktewater en het gebruik van water. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Waterwet eist dat de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk wordt uitgevoerd volgens een door het waterschap vast te stellen projectplan, een waterstaatkundig besluit waartegen rechtsbescherming open staat. De Waterwet is opgenomen in de Omgevingswet. De integratie van de regelgeving uit de Waterwet in de Omgevingswet bestaat niet alleen uit het verplaatsen van artikelen uit de Waterwet naar de Omgevingswet. Met de opname in de Omgevingswet zijn de regels
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
van de Waterwet gecombineerd met andere wetgeving over onder meer milieu, infrastructuur en bodem.
De Keur De Keur is een aanvulling op regels uit de Waterwet. De Keur is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap. In de Keur zijn verbodsbepalingen opgenomen, waarmee inbreuk van derden op het watersysteem kunnen worden voorkomen. Voor wijzigingen in de natte infrastructuur en voor obstakels en activiteiten op onderhoudsstroken langs leggerwateren kan in uitzonderingsgevallen een vergunning van de Keur worden verleend. Onder wijzigingen in de natte infrastructuur vallen o.a.: - De aanleg van nieuwe of het dempen van bestaande oppervlaktewaterlichamen; - Het wijzigen van het profiel van bestaande oppervlaktewaterlichamen; - Het verbinden van oppervlaktewaterlichamen; - Het aanbrengen van werken, zoals duikers, buizen, stuwen, steigers, bruggen en taludafwerking; - Het aanbrengen dan wel verwijderen van (opgaande) beplanting en boomgroepen. Het streefbeeld van de Omgevingswet is om de regels over de fysieke leefomgeving te bundelen in één regeling per overheidsniveau om zo de toegankelijkheid en het overzicht van deze regels te vergroten. Daartoe introduceert de Omgevingswet, naast het omgevingsplan, de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Provinciale staten resp. het algemeen bestuur van een waterschap dienen één omgevingsverordening resp.
waterschapsverordening vaststellen die regels bevatten over de fysieke leefomgeving. De waterschapsverordening heeft alleen betrekking op het watersysteem binnen het beheergebied van het waterschap en op wegen, voor zover die bij het waterschap in beheer zijn. Bij de inwerking treding van de Omgevingswet wordt de Keur omgezet naar een waterschapsverordening.
Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor de waterstaatkundige verzorging in de gemeente Gilze en Rijen. Haar taken zijn waterkwantiteits en -kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap, waar nodig, nog specifiek beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma. Naast het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft waterschap Brabantse Delta een eigen Keur, legger en verordeningen. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Keur is onder andere te raadplegen via de website van waterschap Brabantse Delta. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta, hebben hun keuren geharmoniseerd.
Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van ruimtelijke (her)ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zoals het hydraulisch neutraal ontwikkelen. Aanvullend op de Keur heeft het waterschap haar eigen algemene regels vastgelegd in de “Algemene regels waterschap Brabantse Delta”. De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater” van waterschap Brabantse Delta. De waterschappen maken bij het beoordelen van het toegenomen verhard oppervlak onderscheid in de mate van toename van het verhard oppervlak. De grenswaarden voor het toenemen aan verhard oppervlak waaraan getoetst wordt zijn: • < 500 m²; • Tussen de 500 m² en 10.000 m²; • > 10.000 m². Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat ruimtelijke (her)ontwikkelingen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Om aan dit uitgangspunt te kunnen voldoen wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voorde omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen en afvoeren.
Beleid gemeente Gilze en Rijen De gemeente Gilze en Rijen heeft in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021 - 2025 (vGRP) drie hoofddoelen omschreven: • Het duurzaam beschermen van de volksgezondheid; • Het op peil houden van de kwaliteit van de leefomgeving; • Het duurzaam beschermen van natuur en milieu (bodem, grond- en oppervlaktewater). Deze drie hoofddoelen zijn uitgewerkt in de volgende zeven doelen: • Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater; • Doelmatig inzamelen en verwerken van stedelijk afvalwater; • Voorkomen dat grondwater de bestemming van een gebied structureel nadelig beïnvloedt; • Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken; • Doelmatig beheer en goed gebruik van de riolering; • Zo mogelijk infiltratie van regenwater in de bodem; • Ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem en grondwater zoveel mogelijk voorkomen. Het gemeentelijk beleid is erop gericht dat een versnelde afvoer of vergrote afvoer van hemelwater zoveel mogelijk voorkomen wordt door infiltratie of retentie. Voor nieuwbouw is het uitgangspunt om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te ontwikkelen tot een bui van t=100 (een bui die eens in de 100 jaar voorkomt). Dit komt overeen met een compensatie-eis van 60 mm over het gehele perceeloppervlak.
4.4.2
Beoordeling
Huidige waterhuishouding Het plangebied was in gebruik als horecalocatie en heeft een oppervlakte van 1.862 m². Ten tijde van droge of natte perioden zal het regenwater infiltreren dan wel verdampen binnen het plangebied. Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied/ grondwaterbeschermingszone, Keur beschermde gebieden en/of waterbergingsgebied. In de nabije omgeving van het plangebied bevindt zich geen oppervlakte water dat verbonden is met het watersysteem van het waterschap.
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
Toekomstige waterhuishouding Waterbezwaar regenwater De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 18 appartementen. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de huidige verharding en de toekomstige verwachtingen. Onderdeel Verharding (100% verhard) Dak (100% verhard) Groen (0% verhard) TOTAAL Verhard oppervlak
Bestaande situatie 815 m² 1.045 m² 2 m² 1.862 m² 1.860 m²
Toekomstige situatie 842 m² 672 m² 348 m² 1.862 m² 1.514 m²
Op basis van deze gegevens is er sprake van een verhardingsafname van 346 m2. Met een afname van het verhard oppervlak van 346 m² valt de planontwikkeling binnen de grenswaarde van minder dan 500 m2. Vanuit de Algemene Regel van het waterschap Brabantse Delta is er geen verplichting tot aanleg van een bergingsvoorziening. De gemeente Gilze en Rijen hanteert echter een zwaarder beleid voor watercompensatie. De gemeente gaat bij nieuwbouw uit van berging die van toepassing is op het bebouwd oppervlak. Bij het aanpassen van een bebouwd oppervlak van 672 m2 is er een verplichting tot het aanbrengen van een bergingsvoorziening volgens de norm 7 mm/m 2. Voor het plangebied is de rekensom te maken: 672 m2 * 7 mm = 4,70 m3. Advies behandeling regenwater In de toekomstige situatie zal de afvoer van neerslag, afkomstig van de daken en verharding moeten worden opgevangen op eigen terrein. Volgens het beleid van de gemeentelijk moet de versnelde afvoer of vergrote afvoer van hemelwater zoveel mogelijk voorkomen worden door middel van infiltratie of retentie. Binnen het plangebied kan het water ondergronds geborgen worden. Er wordt vanuit gegaan dat infiltratiekratten worden gebruikt om het regenwater op te vangen. Er is genoeg oppervlakte in het plangebied beschikbaar waaronder een ondergrondse waterberging kan worden toegepast die voldoet aan de eisen.
4.4.3
Conclusie
Het voornemen is om aan de Hoofdstraat 72-72a in Rijen het bestaande horecapand te slopen en een appartementencomplex met 18 appartementen te realiseren. Door de (her)ontwikkeling zal het verharde oppervlak met 346 m2 afnemen. Uitgaande van deze afname aan verhard oppervlak en gelet op het beleid van Waterschap Brabantse Delta, is er geen watercompensatie nodig. De gemeente Gilze en Rijen hanteert echter een strenger beleid voor watercompensatie. Op basis van dit beleid dient bij nieuwbouw het toekomstig bebouwd oppervlak van 672 m 2 te worden gecompenseerd volgens de norm van 7 mm/m2. Hierdoor geldt er een bergingseis van 4,70 m3. Binnen het plangebied is deze bergingseis te realiseren door het toepassen van bijvoorbeeld een ondergrondse bergingsvoorziening.
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
Om te voldoen aan de watertoets dient deze waterparagraaf formeel ter beoordeling te worden voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta en aan de gemeente Gilze en Rijen voor een wateradvies. De uitkomsten hiervan worden te zijner tijd verwerkt in deze toelichting.
4.5
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING
4.5.1
Toetsingskader
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. De richtafstanden genoemd in de VNG-handreiking zijn gebaseerd op het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied. Voor het omgevingstype gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één (afstands)stap worden verlaagd. De richtafstand tussen een milieugevoelige functie en de milieubelastende activiteit wordt bepaald vanaf de gevel van de gevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is, tot de grens van de inrichting.
4.5.2
Beoordeling
Invloed van omliggende bestaande voorzieningen en bedrijven op nieuwe woningen In de directe omgeving van het plangebied komen diverse bestemmingen voor waarbinnen milieubelastende functies mogelijk zijn. In hoofdzaak gaat dit om de bestemmingen ‘Centum’, ‘Dienstverlening’, ‘Detailhandel’ en ‘Bedrijf’. Alle functies zijn hieronder weergegeven in tabel 1 met de richtafstand en daadwerkelijk afstand. Adres
Functie
Richtafstand gemengd gebied 10 meter
Daadwerkelijke afstand 40 meter
Voldoet locatie? Ja
Hoofdstraat 62 Hoofdstraat 62a Hoofdstraat 61 Hoofdstraat 64 Hoofdstraat 65 Hoofdstraat 77 Pastoor Oomenstraat 3
Commerciële dienstverlening Praktijk
10 meter
25 meter
Ja
Kapsalon
10 meter
15 meter
Ja
Mondhygiënepraktijk
10 meter
13 meter
Ja
Tattooshop
10 meter
14 meter
Ja
Motorreparateurshop
10 meter
50 meter
Ja
Tandarts
10 meter
22 meter
Ja
Tabel 1: Omliggende voorzieningen en bedrijven in de omgeving
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
Invloed van de nieuwe woningen op bestaande voorzieningen. Uit bovenstaande tabel blijkt dat de bestaande bedrijven op voldoende afstand van de nieuwe woningen liggen, en hierdoor ook niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering.
4.5.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering op het initiatief.
4.6
GELUID WEGVERKEER
4.6.1
Toetsingskader
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met geluidgevoelige gebouwen, nieuwe wegen en/of de reconstructie van bestaande wegen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh). In de voorliggende situatie is uitsluitend sprake van recreatiewoningen. Dit zijn, conform de Wgh, geen geluidgevoelige gebouwen zodat een beoordeling in het kader van de Wgh niet aan de orde is. Voor de recreatiewoningen zal wel worden beoordeeld of er, op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
4.6.2
Beoordeling
Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk wanneer een woning of een geluidgevoelig object ligt in een door deze wet aangewezen geluidzone van een weg, spoorweg of gezoneerd industrieterrein. Door Wematech is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Het plan ligt binnen de zone van de Hoofdstraat en de Mariastraat. Omdat het plangebied niet nabij een industrieterrein of spoorweg ligt, zijn die geluidbronnen verder buiten beschouwing gelaten. De berekening is uitgevoerd conform de Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Hiervoor is een grafisch computermodel gebruikt, overdrachtsmodel Geomilieu V5.20, module RMG-2012. Bij de berekening is uitgegaan van zichtjaar 2033. Uit de rekenresultaten kan worden opgemaakt dat als gevolg van het wegverkeerslawaai, veroorzaakt door de omliggende wegen, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden als gevolg van de Hoofdstraat. De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 62 dB, waardoor de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB niet wordt overschreden. Derhalve dient voor de Hoofdstraat een hogere grenswaarde aangevraagd te worden. Alvorens deze hogere grenswaarde aangevraagd kan worden dient de doelmatigheid van geluidreducerende maatregelen onderzocht te worden.
Bronmaatregelen Bij het nemen van bronmaatregelen wordt het geluidsniveau bij de bron gereduceerd, bijvoorbeeld door het veranderen van het type wegdenk. De geluidreductie door middel van stil asfalt bedraagt maximaal 4 dB, waardoor een geluidsbelasting van 58 dB overblijft. Gezien de kosten die dit met zich meebrengt en het feit dat met deze oplossing nog steeds niet wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde, is dit geen reële maatregel.
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
Afscherming Een andere oplossing is het reduceren van de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied, door het afschermen van geluid, zoals met een geluidscherm. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt wordt dit niet logisch geacht: een geluidscherm zou ter plaatse van het appartementengebouw een hoogte van 7,5 meter moeten hebben.
Snelheidsreductie Door de maximale snelheid in de Hoofdstraat te verlagen van 50 km/u naar 30 km/u wordt een geluidreductie bereikt van 4 dB. Vanwege de functie van de Hoofdstraat, als doorgaande hoofdweg, is ook dit geen reële maatregel.
Verplaatsen appartementen Aangezien de nieuwe appartementen worden gerealiseerd in dezelfde gevellijn als de overige omliggende gebouwen is het verplaatsen van de appartementen verder van de weg geen wenselijke maatregel.
Geluidluwe gevel Hoewel geen van de geluidreducerende maatregelen reëel is, moet nog wel een goed woon- en leefklimaat worden gerealiseerd. Hiervoor moet per woning minstens één geluidluwe gevel (met een belasting lager dan 48 dB) worden veiliggesteld. Voor de appartementen in blok A geldt dit voor de oostelijke gevel; voor de appartementen in blok B voor de zuidelijke gevel.
Cumulatie Voor blok A geldt dat sprake is van een zeer slecht tot matig woon- en leefklimaat, met een cumulatieve geluidbelasting van 58 tot 67 dB op de gevels. Voor blok A geldt dat sprake is van een slecht tot goed woon- en leefklimaat, met een cumulatieve geluidbelasting van <47 tot 61 dB op de gevels. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk.
4.6.3
Conclusie
Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Hoofdstraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden wordt. Het aanvragen van hogere grenswaarden voor deze weg is derhalve noodzakelijk. Als gevolg van deze weg wordt ter plaatse van de nieuwe appartementen ten hoogste 62 dB berekend (incl. aftrek). De ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB uit de Wet geluidhinder wordt hiermee niet overschreden. Uit het onderzoek is gebleken dat het treffen van mitigerende maatregelen in de vorm van bronmaatregelen niet als reële maatregel te stellen is. Afscherming van de woning middels geluidsschermen, het verplaatsen van de woning en het verlagen van de maximum snelheid is vanuit financieel oogpunt, stedenbouwkundig oogpunt dan wel verkeerskundig oogpunt eveneens niet als reële maatregel te stellen in onderhavige situatie. Derhalve dienen hogere grenswaarden te worden vastgesteld voor de geveldelen waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai wordt overschreden. Het conceptbesluit hogere waarden is als bijlage bij deze toelichting toegevoegd.
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
In het kader van ruimtelijke ordening is aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies noodzakelijk. Het onderzoek moet aantonen dat een acceptabel woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd.
4.7
LUCHTKWALITEIT
Wet Milieubeheer
4.7.1
Toetsingskader
Luchtkwaliteit is geregeld in de Wet milieubeheer. Een specifiek onderdeel van deze wet is de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Hierin is bepaald wanneer de mate van de bijdrage aan de luchtverontreiniging verwaarloosbaar klein is. In zo'n geval hoeft een project niet langer meer getoetst te worden, ongeacht of in de huidige situatie al sprake is van een overschrijding van grenswaarden. Een project wordt als NIBM beschouwd als aannemelijk is dat het project niet leidt tot een toename van de concentraties van NO2 of PM10 van meer dan 3% van de grenswaarde.
4.7.2
Beoordeling
Om het beoordelen van plannen voor overheden eenvoudiger te maken is in de Regeling NIBM het percentage van 3% uitgewerkt in concrete getallen. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3% op 1.500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. In het voorliggend plan is sprake van het toevoegen van 18 nieuwe woningen, zodat de ontwikkeling als NIBM wordt beschouwd. Een toetsing aan de grenswaarden kan daardoor achterwege blijven.
4.7.3
Conclusie
Luchtkwaliteit levert geen beperkingen op voor de beoogde ontwikkeling.
Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit
4.7.4
Toetsingskader
Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient ook beoordeeld te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan de ter plaatse bestaande luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project zelf 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur onder andere bij een woning, school of sportterrein. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van de, door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, beschikbaar gestelde digitale monitoringstool. Het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) heeft als doel luchtkwaliteitgegevens over Nederland voor iedereen op één plaats, uniform en laagdrempelig
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
beschikbaar te stellen, en daarmee de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit (digitaal) te ondersteunen.
4.7.5
Beoordeling
Voor de kwaliteit van de buitenlucht bestaan verschillende soorten normen. Wettelijke grenswaarden en actiedrempels zijn meestal een compromis tussen haalbaarheid en gezondheid. Veel van de wettelijke normen komen direct uit Europese richtlijnen. Via de CIMLK-kaart zijn de concentraties voor de jaren 2021 en 2030 afgelezen: Adres
2021
2030
NO2 18 µg/m³ 15 µg/m³ PM10 18 µg/m³ 15 µg/m³ PM2,5 10 µg/m³ 8 µg/m³ Tabel 2: luchtkwaliteitswaarden, afgerond op hele waarden
Jaargemiddelde maximale grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ 25 µg/m³
Uit de monitoringstool blijkt dat in de omgeving van het plangebied de maximale concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2021 en 2030 de jaargemiddelde grenswaarden niet overschrijden.
4.7.6
Conclusie
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ter plaatse van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Vanwege de algemene trend dat de emissies en achtergrondconcentraties gaan dalen, worden ook in de toekomst geen overschrijdingen verwacht.
4.8
CULTUURHISTORIE
4.8.1
Cultuurhistorische waardenkaart
Toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water.
Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die in 2024 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven, zie afbeelding.
Figuur 25: Uitsnede uit de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant, met plangebied zwart omcirkeld.
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
Beoordeling De Hoofdstraat staat bekend als historische lijn van redelijk hoge waarde en als gebied met een redelijk hoge waarde van stedenbouw. De ontwikkeling vindt plaats aan deze lijn. Binnen het plangebied zelf zijn geen gebouwen met cultuurhistorische waarde aanwezig. In de omgeving zijn deze wel aanwezig, maar aangezien de werkzaamheden zich beperken tot het perceel Hoofdstraat 72, heeft de ontwikkeling hier geen invloed op. De geplande ontwikkeling heeft verder een positief versterkend effect op de omgeving. De bestaande bebouwing past qua vorm en structuur niet binnen de rest van het straatbeeld met karakteristieke bebouwing en gevels. De geplande ontwikkeling zorgt voor een aanvulling op de bestaande straatbeeld en zal, gezien de omvang, ook bepalend zijn voor het straatbeeld. Het is een moderne inpassing die recht doet aan de bestaande monumentale panden in de omgeving (met name de Hoofdstraat).
4.8.2
Aardkundig waardevolle gebieden
Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Verordening Ruimte is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. De Provincie heeft de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ ontwikkeld, welke is opgenomen in de verbeelding van de Verordening Ruimte. De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben. Het plangebied is gelegen in een aardkundig waardevol gebied, namelijk het Peelrandbreukstelsel, zie figuur 26.
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
Figuur 26: Uitsnede uit de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant, met plangebied zwart omcirkeld.
4.8.3
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
ARCHEOLOGIE
4.9.1
Toetsingskader
Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Derhalve heeft de raad van de gemeente Gilze en Rijen op 19 december 2022 een vernieuwde archeologische beleidskaart vastgesteld. Op de beleidskaart onderscheidt de gemeente diverse archeologische beleidscategorieën. Per categorie heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek zijn. Voor de projectlocatie geldt dat er sprake is van beleidscategorie 3: gebied met hoge archeologische verwachting.
4.9.2
Beoordeling
In het geldend bestemmingsplan zijn locaties met een hoge archeologische verwachtingswaarde specifiek aangeduid. Het planperceel heeft in het geldend bestemmingsplan de aanduiding ‘Waarde – Archeologie 3’. Op gronden met deze bestemming is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek verplicht wanneer bebouwing wordt gerealiseerd of werkzaamheden plaatsvinden met een oppervlak groter dan 250 m2 en dieper gaan dan 40 cm onder het bestaande maaiveld. Aangezien de verstoringsoppervlakte groter is dan 250 m2 en dieper dan 40 centimeter is een archeologisch onderzoek verplicht. Door Antea Group is een archeologisch onderzoek uitgevoerd dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. In theorie kunnen sporen worden aangetroffen uit de steentijd tot en met de nieuwe tijd. Echter hebben in het verleden al meerdere bouw- en verbouwactiviteiten plaatsgevonden op het terrein, waardoor de verwachting is dat de bodem al dusdanig is verstoord onder de bestaande bebouwing dat er geen sprake meer is van archeologische waarden. Dat geldt niet voor de nietbebouwde delen van het plangebied. Daar blijft de archeologische verwachting gehandhaafd. Dit lijkt geen gevolgen te hebben voor de geplande ontwikkeling gezien de grote overlap van de nieuwbouw met de bestaande bebouwing. Bij de omgevingsvergunning zal dit definitief moeten blijken.
4.9.3
Conclusie
De bebouwde delen van het plangebied worden vrijgegeven ten behoeve van de voorgenomen werkzaamheden. De niet-bebouwde delen behouden de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’.
4.10
PARKEERBALANS
4.10.1 Toetsingskader Voor het toepassen van de parkeernormen wordt uitgegaan van de Nota Parkeernormen Gilze en Rijen 2017. De parkeerkencijfers zijn ingedeeld in twee gebiedstypen: centrum en overig. Uitgangspunt is dat in het centrum voorzieningen beter bereikbaar zijn en het autobezit lager. Daarnaast geldt specifiek voor woningen dat onderscheid wordt gemaakt tussen woningen groter dan 90 m2 en woningen kleiner dan 90 m2, waarbij geldt dat voor de woningen kleiner dan 90 m2 een parkeernorm geldt van 1,8 parkeerplaatsen per woning en voor woningen groter dan 90 m2 een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Hierbij is sprake van een aandeel van bezoekers van 0,3 parkeerplaatsen per woning.
4.10.2 Beoordeling Met de ontwikkeling worden 18 appartementen mogelijk gemaakt binnen het ‘Overig’-gebied, waarvan 12 een kleiner oppervlak dan 90 m2 hebben en 6 een oppervlak groter dan 90 m2. Dit
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
betekent dat voor de bewoners 28 parkeerplaatsen zijn benodigd (12x1,5 + 6x1,7). In het plangebied worden 28 parkeerplaatsen aangelegd, waardoor aan deze parkeerbehoefte wordt voldaan. Voor het bezoekersaandeel zijn 5,4 parkeerplaatsen benodigd (18x0,3). Voor het bezoekers parkeren wordt gebruik gemaakt van de parkeerplaatsen op het naastgelegen Rabobankterrein. Op dit terrein zijn 52 parkeerplaatsen en een oprit zonder garage aanwezig. Dit resulteert in een berekend aantal van 52,6 parkeerplaatsen. Er geldt een parkeerbehoefte van 48 plaatsen voor de bijbehorende functies. Er is daardoor dus een overschot van 4,6 parkeerplaatsen, waar de bezoekers van onderliggende ontwikkeling gebruik van kunnen maken. Op basis van de Nota Parkeernormen van de gemeente Gilze en Rijen kan een vrijstelling van maximaal 1,5 parkeerplaatsen worden verleend. Met een vrijstelling van 0,8 komt de resterende parkeerbehoefte voor het bezoekers parkeren op 4,6. Dit kan dus volledig worden opgevangen op het Rabobankterrein.
4.10.3 Conclusie Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.11
EXTERNE VEILIGHEID
4.11.1 Toetsingskader Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt.
4.11.2 Beoordeling Het initiatief voorziet in de realisatie van woningen waardoor het plan zelf geen risico’s voor de omgeving oplevert. Met het plan worden wel nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Daarom is met behulp van de risicokaart nagegaan of risicobronnen, in de omgeving van het plangebied, een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied zich niet bevindt binnen risicocontouren en/of invloedsgebied van risicovolle BEVI-inrichtingen of buisleidingen. Wel ligt het plan binnen het invloedsgebied van enkele transportroutes.
Spoorlijn Roosendaal – Eindhoven Op ongeveer 765 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Roosendaal – Eindhoven. De maximale richtafstand van dit transport is meer dan 4.000 meter, waardoor het plangebied binnen het invloedsgebied van de transportroute ligt. Op basis van artikel 7 van de Bevt dient daardoor inzicht te worden gegeven in de aspecten strijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Rijksweg A27 Op ongeveer 4,8 kilometer ten westen van het plangebied ligt de Rijksweg A27. De maximale richtafstand van dit transport is 880 meter, waardoor het plangebied buiten het invloedsgebied van de transportroute ligt.
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
Rijksweg A58 Op ongeveer 4,2 kilometer ten zuiden van het plangebied ligt de Rijksweg A58. De maximale richtafstand van dit transport is 4.000 meter, waardoor het plangebied niet binnen het invloedsgebied van de transportroute ligt.
Bestrijdbaarheid Indien sprake is van een calamiteit wordt dit bij de bron bestreden, waardoor de woningen en het perceel beschermd blijven. Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Effectbestrijding is ook mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen.
Zelfredzaamheid In een geval van een calamiteit dient gedurende ten minste 4 uur veilig binnen een voldoende gesloten gebouw verbleven kunnen worden. Bij nieuwbouw kan daaraan worden voldaan; bij verbouw of uitbreiding zal dat niet altijd het geval zijn. De woningen zijn niet specifiek bedoeld voor het huisvesten van minder zelfredzame personen, zoals kinderen of ouderen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie over het algemeen op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen.
4.11.3 Conclusie Ten behoeve van voorliggende plannen gelden geen belemmeringen wat betreft externe veiligheid.
4.12
M.E.R.-BEOORDELING
4.12.1 Toetsingskader Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten het betreft. In het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten) en activiteiten die m.e.r.-beoordelings-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten); er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden is een m.e.r. niet noodzakelijk. In kolom 2 van bijlage D: 'gevallen’ staan drempelwaarden waar de in kolom 1 benoemde activiteit aan moet voldoen. Deze drempelwaarde is vaak uitgedrukt in een bepaalde lengte (minimaal x kilometer) of een bepaalde grootte (minimaal x stuks/woningen/hectare), etc.
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
Als de betreffende activiteit genoemd staat in kolom 1: ‘activiteiten’ en er wordt voldaan aan de drempelwaarden in kolom 2: ‘gevallen’ geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Per 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd: ook voor activiteiten beneden de drempelwaarden dient voortaan nagegaan te worden of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Ook de Wet natuurbescherming of een provinciale verordening kan hierbij van belang zijn. De toets wordt door (of in opdracht van) het bevoegd gezag uitgevoerd. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. De m.e.r.-beoordeling dient altijd te worden uitgevoerd als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: • Het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. • De omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst).
4.12.2 Beoordeling Woningbouw is geen activiteit die voorkomt in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt daarom geen rechtstreekse plicht tot het maken van een milieueffectrapport. In het geval van woningbouw kan sprake zijn van een activiteit als bedoeld in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., namelijk een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject zijn in het Besluit m.e.r. drie indicatieve drempelwaarden opgenomen: • een oppervlakte van 100 hectare of meer • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer De beoogde herontwikkeling, die met dit plan wordt mogelijk gemaakt, overschrijdt deze drempelwaarden niet. Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Voorliggende herziening voorziet in de realisatie van 18 appartementen. De drempelwaarden zijn vele malen hoger. Daarnaast is geen sprake van ligging in een gevoelig gebied.
Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten treden geen belangrijke negatieve milieugevolgen op. Dit blijkt ook uit de beoordeling van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen.
4.12.3 Conclusie Het plan kan niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject en/of landinrichtingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. en voorziet niet in activiteiten met belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Weliswaar blijft de omvang ervan onder de aangegeven drempelwaarden uit kolom 2, maar op grond van het Besluit m.e.r. is alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Hiertoe is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld waarin is aangetoond dat vanwege het ontbreken van belangrijke
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling, geen m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen en een verdere MERbeoordeling niet aan de orde is. De mer-aanmeldingsnotitie wordt afzonderlijk door het bevoegd gezag goedgekeurd. De notitie is voor de volledigheid als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
5.0
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
5.7
INLEIDING
Een bestemmingsplan bestaat uit planregels, een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De planregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting is gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De indeling en inhoud van dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de systematiek van de gemeente Gilze en Rijen. De systematiek van de regels sluiten aan bij de systematiek zoals deze wordt gehanteerd in de regels van het bestemmingsplan ‘Centrumgebied Rijen’. Voor het overige is de plansystematiek gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening).
Algemene toelichting verbeelding Op de verbeelding wordt met lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn op de verbeelding met aanduidingen nadere regels aangegeven. De verbeelding is volgens IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van kaarten. Hiermee wordt ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld met andere overheden en samenwerkingspartners. Verder maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
Algemene toelichting planregels De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken, te weten: • Hoofdstuk 1 (inleidende regels), met daarin een aantal regels die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten. • Hoofdstuk 2 (bestemmingsregels), met daarin per bestemming onder meer bestemmingsregels, bouwregels en afwijkingsmogelijkheden. • Hoofdstuk 3 (algemene regels), met daarin algemene afwijkings-, bouw-, gebruiks-, aanduidings-, afwijkings- en wijzigingsregels. • Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels), met daarin de overgangsregels en de slotregel.
5.8
TOELICHTING BESTEMMINGEN
In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor:
Artikel 3: Wonen Het gebruik van de bestemming Wonen’ richt zich op de huisvesting van huishoudens in gestapelde woningen, al dan niet in samenhang met daarmee aan-huis-gebonden-beroepen, tuinen en erven en de bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en uitritten.
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
De bouwmogelijkheden zijn geregeld in de bouwregels met een maximale goot- en bouwhoogte en bebouwingsoppervlakte. Dit voor zowel gebouwen, bouwwerken als bouwwerken, geen gebouw zijnde.
Artikel 4: Waarde – Archeologie – 3 In het bestemmingsplan is, ter bescherming van de archeologische waarden, een dubbelbestemming opgenomen. Voor Waarde – Archeologie – 3 geldt dat er bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm-mv archeologisch (voor)onderzoek nodig is. Voor het uitvoeren van de genoemde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist. Ook hiervoor moet archeologisch onderzoek worden gedaan. Aan deze omgevingsvergunningen kunnen voorwaarden worden verbonden indien dit noodzakelijk blijkt naar aanleiding van het onderzoek.
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
6.0
UITVOERBAARHEID
6.1
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Alle voorbereidings- en uitvoeringskosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente Gilze en Rijen en de ontwikkelende partij is een anterieure overeenkomst gesloten. Het plan is voor de gemeente Gilze en Rijen daarom een kostenneutrale ontwikkeling. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het opstellen van een exploitatieplan achterwege kan blijven. De economische uitvoerbaarheid is hiermee gewaarborgd.
6.2
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
6.2.1
Omgevingsdialoog
Naast de wettelijke procedures, besteedt de initiatiefnemer aandacht aan de communicatie met belanghebbenden middels een omgevingsdialoog. Omwonenden en omliggende bedrijven wordt de gelegenheid geboden om bezwaren en suggesties naar voren te brengen. Initiatiefnemer heeft op 5 oktober 2023 een inloopavond georganiseerd. Het participatieverslag is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Uit de inloopavond en de daarop binnengekomen reacties blijkt dat de omwonenden met name zorgen uiten over de parkeergelegenheid in de omgeving. Dit heeft niet geleid tot aanpassing van het plan.
6.2.2
Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het onderhavige bestemmingsplan aan de daarvoor in aanmerking komende instanties toegezonden, namelijk aan de provincie, het waterschap en de brandweer. Zij hebben geen aanmerkingen op het plan en het vooroverleg is daarmee afgerond.
6.2.3
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan wordt vanwege artikel 3.8 van de Wet ruimte ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij de gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. De resultaten van deze procedure worden te zijner tijd in de toelichting verwerkt.
Ontwerp bestemmingsplan 327200743 Hoofstraat 72-72a Rijen
Hoofdstraat 72 - 72a Rijen
Hoofdstraat 72 - 72a Rijen, ontwerp
2
Inhoudsopgave Regels
5
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
6 6 13
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4
Bestemmingsregels Wonen Waarde - Archeologie - 3
15 15 19
Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene gebruiksregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Overige regels
24 24 25 26 27 28 29 30 31
Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
32 32 33
Bijlagen bij regels Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten Bijlage 2 Lijst van vrije beroepen
35 36 44
Hoofdstraat 72 - 72a Rijen, ontwerp
3
Hoofdstraat 72 - 72a Rijen, ontwerp
4
Regels
Hoofdstraat 72 - 72a Rijen, ontwerp
5
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
het bestemmingsplan Hoofdstraat 72 - 72a Rijen van de gemeente Gilze en Rijen; 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0784.BPHoofdstraat72-ON01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen); 1.3
aan huis gebonden beroep
een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, verzorgend, ontwerptechnisch, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen beroep met ondergeschikte functies, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- of Vergunningenbesluit milieubeheer geldt zoals vermeld in Bijlage 2. Het beroep dient qua omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij bijbehorende bijgebouwen te passen en de woonfunctie dient als primaire functie behouden en herkenbaar te blijven. Hieronder dienen niet te worden begrepen de uitoefening van ambachtelijke bedrijven; 1.4
aan huis gebonden bedrijf
het beroepsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk met ondergeschikte functies, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- of Vergunningenbesluit milieubeheer geldt. Het bedrijf dient qua omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij bijbehorende bijgebouwen te passen en de woonfunctie dient als primaire functie behouden en herkenbaar te blijven. 1.5
aan- / uitbouw
een uit de gevel springend, in architektonisch opzicht ondergeschikt, deel van een hoofdgebouw dat door zijn indeling en inrichting is bestemd om hoofdzakelijk te worden gebruikt ten behoeve van de hoofdfunctie; 1.6
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.7
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.8
afhankelijke woonruimte
een tijdelijke zelfstandige woonvorm ten behoeve van mantelzorg, waarbij bewoning van een (bij)gebouw tijdelijk is toegestaan en er sprake is van de huisvesting van één huishouden;
Hoofdstraat 72 - 72a Rijen, ontwerp
6
1.9
archeologische deskundige
een door het college van Burgemeester en Wethouders aangewezen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de geldende kwaliteitscriteria VTH en adviseert en beoordeelt conform de ten tijde van het advies of beoordeling geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
1.10
archeologisch onderzoek
onderzoek naar de (aanwezigheid en/of waarde van) archeologische relicten door een gecertificeerde instantie werkend volgens de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Plan van Aanpak (PvA) (bij booronderzoek) of Programma van Eisen (PvE) (bij gravend onderzoek).
1.11
archeologisch rapport
rapport waarin de resultaten van archeologisch onderzoek zijn vastgelegd en dat is opgesteld conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). 1.12
archeologische verwachting
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische sporen en relicten. 1.13
archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten. 1.14
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.15
bebouwingspercentage
een aangegeven percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel of bouwvlak, dat ten hoogste mag worden bebouwd; 1.16
bedrijf
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaronder niet begrepen; 1.17
begane grond
bouwlaag waarvan het vloerpeil ter hoogte van het (straat)peil ligt, dan wel de bouwlaag boven een onderbouw;
Hoofdstraat 72 - 72a Rijen, ontwerp
7
1.18
behoudsmaatregelenplan
document waarin maatregelen zijn geformuleerd die getroffen worden om archeologische resten in de bodem te behouden en te beschermen tijdens de uitvoering van werkzaamheden en het gebruik van de gronden nadien. 1.19
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak; 1.20
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.21
bevoegd gezag
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.22
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.23
bouwgrens
de grens van een bouwvlak; 1.24
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder; 1.25
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.26
bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel; 1.27
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
Hoofdstraat 72 - 72a Rijen, ontwerp
8
1.28
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; 1.29
bouwwerk, geen gebouw zijnde
een bouwwerk voorzien van maximaal één gesloten wand; 1.30
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.31
dove gevel
een bouwkundige constructie die een ruimte in een gebouw scheidt van de buitenlucht, waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een karakteristieke geluidswering - conform NEN 5077 - die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB (in het geval van wegverkeerslawaai en spoorweglawaai) of 35 dB(A) (in geval van industrielawaai), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij wijze van uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits die delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte, zoals omschreven in artikel 1 van de Wet geluidhinder; 1.32
eigen terrein
ruimte in, op of onder een gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort; 1.33
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met twee of meer wanden omsloten ruimte vormt; 1.34
gecertificeerde instantie
instantie die beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet. 1.35
gestapelde woning
een woning in een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat en/of woningen boven een andere functie op de begane grond en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd; 1.36
gevel
een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak;
Hoofdstraat 72 - 72a Rijen, ontwerp
9
1.37
gevellijn
denkbeeldige lijn die strak langs de gevel van een gebouw loopt tot aan de bouwperceelsgrenzen, dan wel de aangeduide lijn; 1.38
hogere grenswaarde
een maximale waarde voor de geluidbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder dan wel het Besluit geluidhinder; 1.39
hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht; 1.40
huishouden
persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen; 1.41
kamerverhuur en/of logies
de verhuur van een deel van een al dan niet zelfstandige woonruimte ten behoeve van bewoning aan personen; 1.42
kamerverhuur- en/of logiespand
gebouw of een deel van een gebouw waarin onzelfstandige woonruimte wordt verleend aan vijf of meer personen; 1.43
NAP
Nieuw Amsterdams Peil; 1.44
ondergeschikte functies
functies waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte van de bebouwing als zodanig mag worden gebruikt; 1.45
perceelsgrens
een grenslijn tussen bouwpercelen onderling en tussen bouwpercelen en openbaar gebied; 1.46
plangebied
het gebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft.
Hoofdstraat 72 - 72a Rijen, ontwerp
10
1.47
Plan van Aanpak (PvA)
document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van booronderzoek (verkennende of karterende boringen) staan geformuleerd conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Voor aanvang van het onderzoek dient het PvA door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd.
1.48
Programma van Eisen (PvE)
document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van gravend onderzoek (proefsleuven, opgraving of archeologische begeleiding) staan geformuleerd conform de ten tijde van het onderzoek geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Voor aanvang van het onderzoek dient het PvE door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd. 1.49
ruimtelijke plannen
alle bestemmingsplannen, inpassingsplannen, uitwerkingsplannen en wijzigingsplannen binnen het plangebied die vastgesteld zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. 1.50
prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.51
seks- en /of pornobedrijf
een voor het publiek toegankelijk gebouw of gedeelte van een gebouw, in welk gebouw of welk gedeelte, handelingen, vertoningen en/of voorstellingen van erotische en/of pornografische aard plaatsvinden. Hieronder wordt mede begrepen een sekswinkel zijnde een gebouw of een gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte is bestemd en/of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig te koop en/of te huur aanbieden, waaronder mede begrepen uitstalling, verkopen, verhuren en/of leveren van seksartikelen. Een prostitutiebedrijf is hieronder begrepen; 1.52