CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Ontwerp bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

Raadscommissie Ruimte 12 maart 2024, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen26.866 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Figuur 9 Uitsnede kaart Welstandsnota (plangebied zwart omlijnd)

Toetsing Het plangebied valt in het gele gebied. De Welstandsnota Gilze en Rijen geldt niet voor ontwikkelingen in het gele gebied. Hiervoor gelden algemene voorschriften (redelijke eisen van welstand) waaraan bouwplannen moeten voldoen. De gemeente Gilze en Rijen hanteert de volgende algemene voorschriften voor gele gebieden: • het uiterlijk van het gebouw of bouwwerk is een begrijpelijk een logische keuze vanuit het gebruik of de bestemming; • het gebouw of bouwwerk is een begrijpelijk een logische keuze ten opzichte van zijn omgeving; • de gekozen stijlvorm is begrijpelijk en logisch; bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|27

• •

de samenhang tussen maatverhoudingen in ruimtes, volumes en vlakverdelingen is logisch en begrijpelijk; materiaalgebruik, kleuren textuur is logisch en begrijpelijk.

Groenstructuurplan 2011 De gemeente Gilze en Rijen staat bekend als een open en groen gemeente tussen de steden Tilburg en Breda. Op de eerste plaats bepaalt het aantrekkelijke buitengebied, bestaande uit bosgebieden en open (broek-)ontginningen met beekdalen, het groene karakter. Ten tweede draagt het groen in en direct grenzend aan de kernen bij aan de groene uitstraling. Bosgebieden verweven met de kern en historische structuren, begeleid door boomstructuren, dragen sterk bij aan de uitstraling van de kern. Het groenstructuurplan biedt kaders voor ontwikkeling van de groenstructuren binnen de kernen, met aandacht voor de kwaliteiten die het groen in de gemeente Gilze en Rijen heeft. Iedere kern heeft hierbij een andere ontstaansgeschiedenis en karakteristiek die belangrijke kaders bieden voor de ontwikkeling van de huidige groenstructuur. Groen binnen de kernen is echter niet vanzelfsprekend. Functies als woningbouw en parkeren vragen binnen de bebouwde kommen om ruimte, waardoor de structuren steeds verder verdicht raken. Door vast te leggen welk groen van belang is voor de uitstraling van de gemeente, wordt voorkomen dat groen een ander functie krijgt en zo verloren gaat.

De doelstelling van het groenstructuurplan is: Het beschrijven van de lange termijn visie van de gemeente Gilze en Rijen ten aanzien van de inrichting van het openbaar groen, om een waardevolle, karakteristieke, gebruiksvriendelijke en duurzame groenstructuur te behouden, ontwikkelen en versterken, binnen de bebouwde kommen.

Figuur 10 Uitsnede Groenstructuurkaart (plangebied rood omlijnd)

Het groenstructuurplan heeft geen juridische status, maar met het vaststellen van de inhoud van het plan legt het gemeentebestuur zijn visie met betrekking tot het openbaar groen in de kernen voor een periode van 10 jaar vast. Het groenstructuurplan is daarmee een uitgangspunt in de discussie over het groen in de kern en bij het dagelijks werk in de gemeente. Daarnaast biedt dit plan uitgangspunten voor het opstellen en toetsen van andere ruimtelijke plannen.

bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|28

Ruimtelijke ontwikkeling Bij ruimtelijke ontwikkelingen met een beperkte ruimte (met name bij inbreidingen), is de realisatie van een eigen sfeer met groenvoorzieningen van hoge kwaliteit het uitgangspunt. Deze groenvoorzieningen worden zoveel mogelijk gebundeld gerealiseerd en niet versnipperd door de wijk. Behoud van bestaande elementen is in alle gevallen een meerwaarde. De bijbehorende beleidsdoelen zijn: • Uitbreidingen kernen verbinden met het landschap door landschappelijk groen in de kern in te laten dringen; • Groenvoorzieningen van hoge kwaliteit bundelen bij in- en uitbreidingen, groen en rood zijn hierbij in balans; • Behoud bestaande waardevolle groenelementen waar mogelijk; Toetsing Het planvoornemen voorziet in een landschappelijke inpassing waarbij het bedrijfsterrein verder wordt vergroend en de aanwezige ecologische waarden behouden en versterkt worden. Klimaatkaart Gilze en Rijen Het klimaat verandert: de gemiddelde wereldtemperatuur stijgt en daarmee worden de gevolgen merkbaar. Het regent meer en harder, er komen meer dagen waarop het warmer is dan 30 graden. De bodem wordt op de ene plaats natter en op een andere plaats droogt deze uit. Vanuit het Deltaplan zijn gemeenten verplicht om een stresstest light te maken. Dat is voor Gilze en Rijen de klimaatonderlegger in de vorm van een kaart.

Een kaart is een middel om de effecten die de gemeente kan verwachten inzichtelijk te maken. Voor de Klimaatkaart Gilze en Rijen is een aantal gegevens uit bronnen zoals de bodemkaart, hoogte, zonneatlas en de Klimaateffectatlas gecombineerd en grafisch weergegeven. Op deze kaart staan de gevolgen die we kunnen verwachten en de kansen om hiermee om te gaan. Het zijn globale gegevens dus we kunnen niet op perceel niveau bepalen welke effecten daar optreden. Aan de hand van de Klimaatkaart heeft de gemeente Gilze en Rijen de Klimaatgids opgesteld. In deze gids wordt informatie gegeven over de klimaatgevolgen, wordt de klimaatkaart toegelicht en worden tips gegeven aan wat inwoners en planmakers kunnen doen. In de Klimaatgids zijn verschillende maatregelen voor het tegengaan van hittestress opgenomen. Ook geeft de gemeente in de Klimaatgids adviezen aan haar inwoners over hoe zij zelf een bijdrage kunnen leveren. Welke adviezen geeft de gemeente aan haar inwoners? • Het vervangen van de verharding in de tuin door planten of gras. • De gevels van de woning of schuur vergroenen door het planten van een geveltuin. • Het aanbrengen van groen op de daken van schuren en woningen. • Bedrijven kunnen ook bijdragen door parkeerplaatsen, erfafscheiding en het dak te vergroenen.

• Dit kan gecombineerd worden met zonnepanelen waarmee bijdragen wordt geleverd voor het opwekken van duurzame energie.

bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|29

Figuur 11 Uitsnede klimaatkaart (plangebied rood omlijnd)

Het plangebied is gelegen in een extensieve natuur en recreatieve zone tussen Gilze en Rijen, Dongen, Bavel en Breda waar de volgende aandachtspunten gelden: • Hitte en koudestress, wateroverlast. • Luchtkwaliteit (uitloging bitumeuze en andere olie gebasseerde materialen). • Weinig groene uitloopmogelijkheden. De uitbreiding van de bebouwing op het bestaande bedrijfsperceel van Satelliet gaat gepaard met duurzaamheids- en klimaat adaptieve maatregelen. De bestaande bedrijfshallen worden geïsoleerd en voorzien van zonnepanelen. Rondom het bedrijfsperceel wordt voorzien in een robuuste landschappelijke inpassing. De bestaande verharding en de parkeerplaatsen worden vergroend. Zo zullen de parkeerplaatsen voorzien worden van grasbetonstenen. Het hemelwater zal, net als in de bestaande situatie, opgevangen worden in de poelen ten noorden van het plangebied. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan het tegen gaan van verdroging. Conclusie Het planvoornemen past binnen het gemeentelijk beleid.

bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|30

5. RANDVOORWAARDEN 5.1

Bodemkwaliteit

Om te zorgen voor een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen, is in 2008 het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een bestemmingswijziging te beoordelen. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting mogelijk is moet ten minste een verkennend bodemonderzoek worden verricht. Onderzoek Voor de planlocatie is een verkennend bodem- en asfaltonderzoek (externe bijlage: Aeres Milieu, Verkennend bodem- en asfaltonderzoek Vijf Eiken 5 te Rijen, projectnr. AM22149, 16 september 2022) uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Uit het bodemonderzoek komen de volgende conclusies en aanbevelingen: Verkennend asfaltonderzoek Er is circa 11.100 m2 asfaltverharding aanwezig met een gemiddelde dikte van 10,5 cm. Dit komt neer op 1.166 m3 (2.915 ton) asfalt aanwezig. Het asfalt is in zijn geheel teervrij (niet teerhoudend). Verkennend bodemonderzoek In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk bodemvreemde materialen aangetroffen, met name brokken baksteen, asfalt en beton.

Plaatselijk is een puinlaag aangetroffen welke niet verder is onderzocht. Tevens zijn enkele boringen gestuit vanwege een ondoordringbare laag. Uit de analyseresultaten op het voorterrein blijkt dat de bodem licht verontreinigd is met kobalt, nikkel, minerale olie en/of PAK. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met molybdeen, barium, xylenen en naftaleen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. In het kader van dit onderzoek is geen onderzoek naar asbest in bodem conform NEN 5707 verricht Wel heeft een maaiveldinspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Gezien het vroegere gebruik van de locatie als steenfabriek, geven de aangetroffen visuele bijmengingen geen aanleiding om de locatie als zijnde verdacht op asbest te beschouwen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt van de locatie, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast.

Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is de lokale nota Bodembeheer, het Besluit Bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS van toepassing. Indien er eventueel puin vrijkomt welke moet worden afgevoerd, zal deze af te voeren puin nog onderzocht dienen te worden. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.

bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|31

Conclusie Vanuit het aspect bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.

5.2

Water

Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterprogramma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; • Beheersbaar programma voor de waterkeringen; • Doelmatig beheer van de waterketen, • Werkzaamheden slim combineren; • Het waterschapsbestuur. Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 Op 22 december 2021 is het regionaal Water en Bodem Programma (RWP) in werking getreden. Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP) en is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP staat voor een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en vitale bodem.

Het programma staat voor het herstellen van de systeemwerking. Lange tijd had het waterbeleid als doel om wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Nu wordt er ingezet op het zuinig omgaan met water en de bodem. Daarnaast moet het water en bodemsysteem toegerust zijn op natte en droge tijden. Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 (Waterschap Brabantse Delta) In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in de periode 2022 – 2027 uitvoert. Er staan doelstellingen en ambities in. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet. Bij het opstellen van het Waterbeheerprogramma hebben we aan organisaties en andere belanghebbenden om hun inbreng gevraagd. Maar ook met trends en bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|32

maatschappelijke ontwikkelingen, zoals klimaat, de inrichting van de ruimte en economische activiteiten is rekening gehouden in het Waterbeheerprogramma. Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is bij de Algemene regels van de keur het volgende opgenomen: • Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid; • Bij een toename van de verharde oppervlakte van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m²); • Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. • Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van hun beleid. Hiermee wordt gewaarborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen.

Uitgangspunten gemeente Gilze en Rijen Volgens het Gemeentelijk Rioleringsplan, verbreed GRP Gilze en Rijen 2021-2025, moet bij nieuwbouw en herstructureringsprojecten voorkomen worden dat er negatieve effecten op de waterhuishouding optreden. Voor verbouw zonder toename van het verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 7 mm. Bij nieuwbouw of toenemend verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 60 mm. Bestaande situatie Het plangebied ligt in het buitengebied van Rijen. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 34.725 m². Ongeveer 11.274 m² van het plangebied is bebouwd. Het overige deel van het plangebied is verhard en wordt gebruikt als laadkuil, parkeer- en manoeuvreer terrein.

Oppervlaktewater Het plangebied valt binnen het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta. Binnen of nabij het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig die onderdeel is van het watersysteem van het waterschap. Wel liggen ten westen en ten noorden van het plangebied enkele poelen. De grote poel met een oppervlakte van ca. 1.275 m2 ten noordoostzijde van het gebouw is omstreeks 2014 bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|33

aangelegd. In de periode 2017/2018 is deze poel vergroot. Dit in het kader van een herinrichtingsproject voor de aanleg van stapstenen voor de boomkikker. Een project van onder andere de gemeente Gilze en Rijen, waterschap Brabantse Delta en de Natuur en Landschap vereniging Gilze en Rijen. De poel wordt door de naastgelegen atletiekvereniging gebruikt voor sproeiwater voor het sportveld. Hemelwater Het plangebied bestaat in de huidige situatie grotendeels uit verharding. In de bestaande situatie wordt het hemelwater van de dakoppervlakten en de laadkuil via een hemelwaterriolering verzameld en via een centrale put aan de zuidwestzijde van het bestaande gebouw afgevoerd richting de bestaande poel ten westen van het plangebied. Het hemelwater van de laadkuil wordt via een goot opgevangen die via een pompput en olieafscheider is aangesloten op de hemelwaterriolering op het eigen terrein. Een deel van het dakoppervlak watert af op de poel aan de noordzijde. Het hemelwater van de overige verharding op het terrein wordt via kolken afgevoerd naar het gemeentelijke rioolstelsel. Afvalwater In de huidige situatie is het afvalwater aangesloten op de riolering. Bodem en grondwater De ondergrond in midden Noord-Brabant is opgebouwd uit afzettingen, die geohydrologisch kunnen worden onderverdeeld in relatief goed en slecht waterdoorlatende lagen.

In de ondergrond van midden Noord-Brabant komen twee watervoerende pakketten voor, min of meer gescheiden door een slechte doorlatende laag. Toekomstige situatie Afkoppelen hemelwater Het totaal verhard oppervlak in het plangebied blijft in de toekomstige situatie gelijk. De nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd ter plaatse van de huidige verharde laadkuil en andere verhardingen. Op basis van het beleid van het waterschap dient voor de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Gezien het verhard oppervlak gelijk blijft, is een compenserende maatregel op basis van het beleid van het waterschap niet noodzakelijk. De gemeente eist in geval van nieuwbouw een watercompensatie van 60 mm per vierkante meter. Met het planvoornemen is sprake van nieuwbouw ter grootte van circa 3.000 m2. Daarom is watercompensatie van 60 mm per vierkante meter noodzakelijk. Uitgaande van de realisatie van de beoogde nieuwbouw is dat een voorziening van circa 180 m³. De opvang van het extra hemelwater wordt afgevoerd naar de bestaande poel van ca. 1.275 m2 ten noordoosten van het bedrijfsperceel. Omdat deze poel door de atletiekvereniging wordt gebruikt voor sproeiwater is het waterpeil relatief laag.

Omdat in de praktijk reeds het hele terrein verhard is en al het hemelwater van de bestaande gebouwen en de bestaande laadkuil al naar deze poel en de poel aan de westzijde wordt afgevoerd is de verwachting dat de poel voldoende capaciteit heeft. Indien bij de civieltechnische uitwerking van de bouwplannen extra bergingscapaciteit noodzakelijk blijken te zijn, dan kan deze gevonden worden door de vergroting van de poel, de aanleg van extra poelen in het aangrenzende natuurgebied of door het aanbrengen van aanvullende bergingsvoorzieningen in de groenstroken op het eigen terrein. De nieuwe laadkuil zal via een pompput en een olieafscheider op de hemelwaterriolering op het eigen terrein worden aangesloten. Het overige verharde terrein blijft conform de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|34

riool. Omdat echter de groenvoorzieningen worden uitgebreid en de parkeerplaatsen deels in waterdoorlatende verharding worden uitgevoerd zal de oppervlakte aan verharding afnemen. Door middel van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting is de aanleg van de waterberging juridisch geborgd. Afvalwater Het afvalwater van de nieuwbouw wordt aangesloten op de bestaande riolering. Milieuvriendelijke bouwmaterialen In het project zullen uitsluitend milieuvriendelijke bouwmaterialen worden toegepast, waarbij uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC achterwege worden gelaten. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Wateradvies De uitwerking van het voorliggende plan in deze waterparagraaf is in het kader van het wettelijk vooroverleg aan het waterschap Brabantse Delta toegezonden. Op 28 juli 2023 heeft het waterschap onder voorbehoud een positief wateradvies afgegeven. De opmerkingen van het waterschap over het aandacht schenken aan milieuvriendelijke bouwmaterialen en het meer inzicht geven in de bestaande en toekomstige waterhuishouding zijn in de waterparagraaf verwerkt. Conclusie Door het nemen van de juiste maatregelen levert het planvoornemen geen knelpunten op voor de waterhuishouding.

5.3

Luchtkwaliteit

De Wet Luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet Luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintig uur gemiddelde). De Wet Luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdrage aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling ‘Niet in betekenende mate’ (regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Voor de periode tussen het in werking treden van de Wet Luchtkwaliteit en het verlenen van derogatie door de EU is het begrip ‘Niet in betekenende mate’ gedefinieerd als 1% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Inmiddels is derogatie verleend en het NSL in werking getreden. De definitie NIBM is daardoor verschoven naar 3% van de grenswaarde.

In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen, die niet in betekenende mate bijdrage aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2025 (gegevens bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|35

2022) tussen de 6 en 8 μg/m³. De concentratie PM10 in 2025 (gegevens 2022) is ter plaatse tussen de 14 en 16 μg/m³. De concentratie NO2 in 2025 (gegevens 2021) ligt ter plaatse tussen de 10 en 15 μg/m³. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Er kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. NIBM Het onderhavige planvoornemen betreft een uitbreiding van het logistiek centrum waarbij circa 3.000 m2 extra bedrijfsvloeroppervlakte (Bvo) wordt gerealiseerd. Om het effect van het extra verkeer op de luchtkwaliteit te bepalen, is een worst-case berekening met de NIBM-tool uitgevoerd. Bij de berekening is uitgegaan van het aantal extra motorvoertuigen per etmaal op basis van de berekende verkeersgeneratie in paragraaf 3.1. De berekende extra voertuigbewegingen bedraagt in het worst case scenario 143,99 mvt/etmaal. Het aandeel vrachtverkeer is gebaseerd op basis van het werkmilieu van het bedrijventerrein en de netto-oppervlakte hiervan.

De conclusie is dat realisatie van de uitbreiding van Satelliet Logistiek centrum ‘niet in betekenende mate’ bij draagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een aanvullend onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. NSL-monitoringstool In de NSL-monitoringstool is de huidige en toekomstige luchtkwaliteit weer gegeven. Op de kaarten van de NSL-monitoringstool zijn rekenpunten langs de Oosterhoutseweg aanwezig. De dichtstbijzijnde rekenpunten liggen op circa 400 meter van het plangebied. Uit de resultaten blijkt dat zowel in 2020 en 2030 op deze rekenpunten voor de stoffen stikstofdioxide en fijnstof geen sprake is van overschrijdingen van concentraties en aantal overschrijdingsdagen. Er kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.

5.4

Geluid

Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt tussen verkeerslawaai en industrielawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de Wet geluidhinder iedere weg in beschouwing te worden genomen tenzij de weg binnen een woonerf gelegen is of voor de bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|36

weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Op grond van de Wet geluidhinder bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal type objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidgevoelige gebouwen (onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuishuizen en verpleeghuizen). Objecten die niet onder deze categorieën zijn te scharen zijn op basis van de Wgh niet beschermd tegen geluidshinder. Onderzoek Geluid beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de leefomgeving. Op basis van artikel 1 van de Wet geluidhinder is het plangebied geen geluidsgevoelige bestemming. Wel kan de uitbreiding van Satelliet Meubelen eventueel van invloed zijn op de nabijgelegen woningen (Vijf Eiken 7 en 8). Om deze invloed in beeld te brengen is een akoestisch onderzoek industrielawaai (bijlage, Kragten, AER068, 6 februari 2024) uitgevoerd. Uit het akoestisch onderzoek komt de volgende conclusie: Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Aangezien het bedrijf valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit, is de geluidimmissie tevens aan de geluidnormering uit het Activiteitenbesluit getoetst. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau voldoen aan het gestelde toetsingscriterium conform de VNG-publicatie “bedrijven en milieuzonering”. De geluidnormering uit het Activiteitenbesluit wordt eveneens gerespecteerd. De geluidbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking valt binnen de in de Circulaire “Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening” opgenomen bandbreedte. Gezien het bovenstaande zijn er geen belemmeringen voor het accepteren van de melding Activiteitenbesluit voor de uitbreiding van het Logistiek Centrum en is ook vanuit de milieuzonering sprake van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5

Bedrijven en milieuzonering

De Wet milieubeheer (Wm) zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer. In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere eisen dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In de VNG-publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven. bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|37

Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend”. Omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Alle bedrijven die in de buurt van het plangebied liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen.

De minimale afstand per categorie is als volgt: Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Onderzoek Het planvoornemen heeft geen betrekking op een milieugevoelige functie. Er hoeft daarom niet getoetst te worden of voldaan wordt aan de richtafstanden ten opzichte van omliggende bedrijven. Wel dient rekening gehouden te worden met de milieuafstand van het plangebied ten opzichte van omliggende milieugevoelige functies (woningen). Volgens de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ valt een logistiek centrum (distributiecentra, SBI-code 52102) onder milieucategorie 3.1 met een bijbehorende afstand van 50 meter in rustig buitengebied en 30 meter voor een gemengd gebied. De omgeving ter plaatse kenmerkt zich door een afwisseling van wonen en andere bestemmingen, waaronder bedrijven en sport en ligt direct aan de spoorlijn Breda-Tilburg. Vanwege deze functiemenging kan de situatie ter plaatse daarmee het best getypeerd worden als een gemengd gebied. De dichtstbijzijnde woningen (Vijf Eiken 7 en 8) bevinden zich op een afstand van circa 6 meter vanaf de grens van de bestemming Bedrijf. Deze afstand blijft in de nieuwe situatie gelijk. Het feitelijke bedrijventerrein (achter de toegangspoort) ligt op een afstand van ca. 52 meter vanaf de woningen. Het huidige bestemmingsvlak Bedrijf blijft behouden. Aan meerdere zijden wordt het bestemmingsvlak Bedrijf juist kleiner vanwege de robuuste landschappelijke inpassing.

De uitbreiding van de bebouwing vindt op een andere deel van het bedrijfsperceel plaats, op ca. 80 meter vanaf de woningen. Daarnaast vinden er geen veranderingen in de bedrijfsvoering plaats die van invloed zijn op de omliggende woningen. De functie en de milieucategorie van het distributiecentrum veranderen niet en het bestemmingsvlak Bedrijf komt niet dichter bij de woningen te liggen. bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|38

Geluid Vanuit een goede ruimtelijke ordening is voor het aspect geluid een akoestisch onderzoek industrielawaai (bijlage, Kragten, AER068, 6 februari 2024) uitgevoerd. Dit onderzoek is in paragraaf 5.4. beschreven. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor het accepteren van de melding Activiteitenbesluit voor de uitbreiding van het Logistiek Centrum en is ook vanuit de milieuzonering sprake van een goede ruimtelijke ordening. Geur Voor het aspect ‘geur’ is in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand van 10 meter opgenomen uitgaande van een gemengd gebied. Voor het onderdeel “geur” is het niet de verwachting dat vanuit het bedrijf een relevante geurimmissie in de omgeving aanwezig is of ontstaat. Er vinden, behalve de uitbreiding van de bebouwing om het logistiek proces te verbeteren, geen veranderingen in de bedrijfsvoering van het distributiecentrum plaats die van invloed zijn op de geuremissie richting de bestaande woningen. De bestemming Bedrijf met de aanduiding voor een distributiecentrum verandert niet en blijft gelijk aan de huidige planologische situatie. Daarnaast vinden juist aan de zijde van de woningen geen feitelijke bedrijfsactiviteiten plaats. Naast de woningen ligt de inrit/entreeplein van het bedrijf. Het toegangshek tot het feitelijke bedrijfsterrein ligt op ca. 51 meter vanaf de woningen.

Behalve langsrijdende (vracht)auto’s vinden hier geen activiteiten plaats. Dus ook geen activiteiten met een relevante geuriemissie naar de omgeving die onderzocht zou kunnen worden conform het stappenplan uit de VNG-brochure. Ook elders op het bedrijfsterrein vinden geen activiteiten plaats met een geuremissie, die expliciet genoemd worden in het Activiteitenbesluit (hoofdstuk 3 of 4). Vanuit het aspect geur is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

5.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.

Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.

bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|39

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10 -6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10 -6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.

Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: • De kans op een ongeval; • Het effect van het ongeval; • Het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft; • De mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht. Onderzoek In opdracht van Ordito heeft AVIV in maart 2022 een QuickScan externe veiligheid uitgevoerd. Het planvoornemen betreft de uitbreiding van logistiek centrum Satelliet Meubelen aan Vijf Eiken 5 in Rijen (gemeente Gilze en Rijen). Het bedrijf wil, om de bedrijfsvoering te verbeteren, de huidige laadkuil overdekken en nieuwe laaddocks aanbrengen.

Aan de noordwestzijde wordt de noordelijke hal uitgebreid om een interne aansluiting tussen de beide hallen te krijgen. Vanwege de ligging naast de spoorlijn Breda-Tilburg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd is in het kader van deze ruimtelijke procedure een QuickScan externe veiligheid noodzakelijk. De onderstaande punten zijn geconstateerd: 1. De voorgenomen planwijziging voldoet aan de grens- en richtwaarde vanuit het Bevt (Besluit externe veiligheid transportroutes). De maximale PR 10-6-contour is 8 meter. Het plangebied bevindt zich buiten deze contour. 2. De voorgenomen planwijziging bevindt zich buiten het PAG. Aanvullende brandwerende voorziening zijn niet nodig. 3. Het plangebied bevindt zich binnen 200 meter van het spoor. Daarom moet het groepsrisico beschouwd worden. Het groepsrisico is en blijft laag. Een beperkte verantwoording is verplicht. 4. De veiligheidsregio dient, in het kader van de verantwoording van het groepsrisico, in de gelegenheid gesteld te worden om te adviseren over de zelfredzaamheid van personen in bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|40

5.

het plangebied en de bestrijdbaarheid van een rampscenario op het spoor nabij het plangebied. Dit advies kan tevens gebruikt worden als input voor de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het plangebied bevindt zich in zijn geheel binnen het explosieaandachtsgebied (EAG). Wanneer de Omgevingswet in werking treedt (niet eerder dan 1 januari 2023) zullen de aandachtsgebieden de berekening en verantwoording van het groepsrisico vervangen. Nu kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico (zie punten 3 en 4 van de conclusies).

Standaard advies veiligheidsregio 2020 Een deel van de gemeente Gilze en Rijen is gelegen in invloedsgebieden van één of meerdere Brzo bedrijven en/of van een spoorlijn, autoweg of buisleiding. Het beleid externe veiligheid en de Besluiten externe veiligheid inrichtingen (bevi), buisleidingen (bevb) en transportroutes (Bevt) verplicht het groepsrisico te verantwoorden van ieder ruimtelijk besluit dat in een invloedsgebieden wordt genomen. De Omgevingsdienst MWB heeft voor de gemeente Gilze en Rijen een standaard groepsrisicoverantwoording opgesteld. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio is hierop afgestemd. (externe bijlage, Veiligheidsregio Midden en west Brabant, d.d. 23-12-2020) Voor onderhavig planvoornemen is in het bijzonder aandacht nodig voor het vluchten bij een incident op het spoor. Op locatie van Satelliet Meubelen aan de Vijf Eiken is het, gezien de wegenstructuur, niet mogelijk om loodrecht van het spoor af te vluchten. De initiatiefnemer wordt geadviseerd hiervoor passende maatregelen te nemen. Passende maatregelen voor dit probleem zijn: • Tijdige alarmering bijv. via het installeren een app zoals Alert4All, vooral omdat het waarschuwings- en alarmeringssysteem in het buitengebied nauwelijks hoorbaar is.

• Het gebruik van een ontruimingsalarm op de bedrijfsinrichting • Het opstellen van een ontruimingsplan waarin ook het scenario “incident gevaarlijke stoffen op het spoor” is beschreven. • Afspreken van een verzamelplaats en evacuatieprocedure Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

5.7

Natuurwetgeving

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000- gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|41

• • •

Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.

Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aangesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming: •

Vogels o Alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken.

•

Internationaal beschermde soorten o Alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb).

•

Overige beschermde soorten o Soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd).

De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Onderzoek Voor het plangebied is in opdracht van Ordito door Aeres Milieu B.V. in samenwerking met faunaconsult B.V. een QuickScan natuurwetgeving (bijlage, Aeres Milieu, AM22149, 21 april 2022) uitgevoerd. Het planvoornemen betreft de uitbreiding van logistiek centrum Satelliet Meubelen aan Vijf Eiken 5 in Rijen (gemeente Gilze en Rijen). Uit de QuickScan komen de volgende conclusies: bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|42

Natura 2000 De plannen zullen naar onze mening waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb. Natuurnetwerk Brabant De nieuwbouw en het gebruik van de uitgebreide bedrijfsvoorzieningen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNB, omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Beschermende planten en dieren Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde a-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.

Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemeen voorkomende vogels In de opgaande vegetatie komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Stikstof Voor het planvoornemen moet bekeken worden wat de invloed is van de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. Het Natura 2000-gebied ‘Ulvenhoutse Bos’ is het dichtstbijzijnd gelegen op circa 6,4 km.

De Natura-2000 gebieden ‘Langstraat’ en ‘Regte Heide & Riels Laag’ liggen op een afstand van respectievelijk circa 11,2 km en 11,7 km van het plangebied. Met behulp van een stikstofdepositieonderzoek (externe bijlage, Ordito, Project: Uitbreiding Satelliet meubelen Vijf Eiken 5, Rijen, 11-01-2024) met de Aerius calculator 2022 is inzichtelijk gemaakt of het planvoornemen van invloed is op de Natura 2000 gebieden. Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn - geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.8

Cultuurhistorie

Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|43

Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald.

In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen.

Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|44

Figuur 2 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW)

Toetsing Cultuurhistorische Waardenkaart Op de CHW is af te lezen dat het plangebied ligt in de regio ‘Baronie’. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden. De jongere ontginningen hebben vaak een open karakter met een rationeel patroon van wegen, waterlopen en percelen. De openheid wordt onderbroken door erfbeplanting en wegbeplanting. Daarnaast komen ook meer besloten jonge zandontginningen voor, met bebouwing langs oude wegen, kleinschaligheid door de afwisseling van akkers en weiden met bosjes en losstaande bomen. Op de overgang van bos naar beekdal is een coulisselandschap ontstaan met transparante bomenrijen, gericht op de beek. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2.

De cultuurhistorische waarden van de Baronie in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen; 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Beekdal van de Mark” en “Dekzandeiland Alphen-Baarle”. De weg Vijf Eiken wordt op de CHW aangegeven als lijn van redelijk hoge waarde (geel).Het ontstaan en de loop hangen samen met de voormalige steenfabriek. Het nabijgelegen pand aan de Vijf Eiken 7 is op de CHW met een blauw bolletje aangeduid als overige bouwkunst. Dit betreft de voormalige fabriekswoning van de steenfabriek. Het planvoornemen tast de cultuurhistorische waarde van deze voormalige fabriekswoning niet aan. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|45

5.9

Archeologie

Beleid Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.

Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Gemeentelijk archeologiebeleid Op 19 december 2022 heeft de gemeenteraad de Archeologische verwachtings- en beleidskaart vastgesteld. De archeologische beleidskaart is in een aantal fases tot stand gekomen. Allereerst is gestart met een inventarisatie van de reeds bekende archeologische waarden, historische relicten, landschappelijke en geomorfologische opbouw, alsook bodem. Dit heeft geresulteerd in een archeologische informatiekaart, historische relictenkaart, archeolandschappelijke eenhedenkaart en een bodemkaart.

bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|46

Figuur 3 Uitsnede archeologische beleidskaart 2022

Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen ligt het plangebied in “Categorie 7’. Dit is een gebied zonder archeologische verwachting. Een nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Indien tijdens bouw- of andere werkzaamheden toch ter plaatse archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt een meldingsplicht bij de Minister van OC&W (artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016). In dit geval kan het ook bij het meldpunt archeologische bodemvondsten van de provincie Noord-Brabant. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.10

Vliegbasis Gilze-Rijen

IHCS Gilze ligt geheel binnen het horizontale obstakelvrije vlak van vliegbasis Gilze-Rijen (onderdeel van de Inner Horizontal en Conical Surface, IHCS). Voor dit vlak geldt een bouwhoogtebeperking van 56 meter boven NAP. Ervan uit gaande dat het maaiveld ter hoogte van het plangebied maximaal 18 meter boven NAP ligt, betekent dit dat nergens in het plangebied hoger dan 38 meter mag worden gebouwd. Daarnaast ligt Gilze deels in de funnel van de vliegbasis. De funnel is een obstakelvrij start- en landingsvlak waarvan de bouwhoogtebeperking binnen het plangebied oploopt van circa 30 meter boven NAP tot 56 meter boven NAP. Dit kan worden vertaald in maximale bouwhoogtes van 25 tot 115 meter ten opzichte van het maaiveld. De beoogde bouwhoogte van onderhavig planvoornemen blijft ver onder deze maximale bouwhoogtes.

bestemmingsplan Vijf Eiken 5, Rijen

|47

Vrijwaringszone -ILS Vliegbasis Gilze-Rijen beschikt over een Instrument Landing System (ILS). Voor het goed functioneren van het ILS is het noodzakelijk dat in het gebied, het verstoringsgebied, rondom de start- en landingsbaan geen verstoring optreedt. Het gebied bestaat uit meerdere vlakken met daarbij behorende hoogtes, zowel horizontaal als oplopend. Dit stelt beperkingen aan de te realiseren bouwhoogte. Het plangebied is gelegen binnen het verstoringsvlak van 32,6 en 42,6 meter boven NAP. Dit betekent dat de bouwhoogte van een bouwwerk binnen het plangebied niet meer mag bedragen dan 32,6 meter boven NAP. De beoogde bouwhoogte van onderhavig planvoornemen blijft ver onder deze bouwhoogte. Munitiezone Luchtvaart is te beschouwen als een risicovolle activiteit. Het huidige externe veiligheidsbeleid is met name gericht op ‘stationaire bronnen’ (fabrieken, opslagplaatsen, e.d.) en op het vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, water, spoor en buisleidingen). In de luchtvaart gaat het op ‘bewegende bronnen’, die een ander risicobeeld met zich mee brengen. Daarom wordt voor de luchtvaart specifiek extern veiligheidsbeleid ontwikkeld, dat zal worden geïmplementeerd in de Wet Luchtvaart. Het beleid beperkt zich op dit moment nog tot Schiphol. Voor militaire vliegvelden blijft het Ministerie van Defensie verantwoordelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13836666/2