CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1- Bestemmingsplan Horst 28 Gilze - Toelichting

Raadscommissie Samenleving 20 september 2023, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Horst 28, Gilze18.406 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Om deze aspecten in samenhang te behandelen worden de drie lagen van het concept meerlaagsveiligheid gebruikt: 1. Preventie door sterke waterkeringen 2. Ruimtelijke inrichting minder kwetsbaar maken 3. Crisisbeheersing a. Gezond water; b. Voldoende water;

Pagina 24 van 51

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2021-2025 In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 (vGRP) geeft de gemeente aan op welke wijze zij de komende jaren, met een doorkijk naar de toekomst, invulling geven aan de zorgtaken rondom afval-, hemel- en grondwater. Vanuit de Wet Milieubeheer is de gemeente verplicht een vGRP voor deze zorgtaken op te stellen. Het vGRP geeft antwoord op de wijze waarop de aankomende jaren omgegaan moet worden met het beheer en onderhoud van de rioleringsvoorzieningen en welke investeringen gedaan zullen worden in het kader van de zorgplichten. Door de realisatie verblijfsruimtes t.b.v. twee ruimte voor ruimte woningen, zal er meer afvalwater worden aangesloten op de gemeentelijke drukriolering. Onduidelijk is of het bestaande drukriool voldoende capaciteit heeft om twee wooneenheden extra te verwerken. Omdat de gemeente het beste inzicht heeft in het gemeentelijke rioleringssysteem wordt aan de gemeente verzocht te onderzoeken of de riolering voldoende capaciteit heeft om 2 extra wooneenheden te verwerken.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

Afbeelding 13: Uitsnede legger Brabantse delta

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde waterhuiskundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard, van zowel de voormalige bedrijfswoning als de Ruimte-voor-Ruimte woningen geloosd op het gemeentelijke riool. Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 1 maart 2015, is bepaald bij die ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Brabantse Delta schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen

Pagina 25 van 51

nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn wel van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie ligt in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. De planlocatie ligt niet in een keurwaterbeschermingsgebied of attentiegebied. Het vGRP 2021-2025 heeft een strenger beleid dan het dan het waterschap Brabantse Delta. Het vGRP wordt daarom aangehouden in de beoogde situatie. in het rioleringsplan is openomen dat bij nieuwbouw een retentie van 60mm/m2 verhard oppervlak dient te komen. In de beoogde situatie vindt er enerzijds een afname plaats van verhard oppervlak door gedeeltelijke sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en sleufsilo`s. Er wordt circa 1000 m2 aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt, circa 400 m2 aan sleufsilo`s en circa 600 m2 aan kuilplaten exclusief eventuele terreinverharding. Door de realisatie van de Ruimte-voor-Ruimte woning is er sprake van een toename van circa 450 m2 (circa 150 m2 per woning en 100 m2 per bijgebouw). Hiervan uitgaande kan er geconcludeerd worden dat er sprake is van een afname van verhard oppervlak van circa 1500 m2 (exclusief terreinverharding). Door dat er sprake is van nieuwbouw dient er volgens het vGRP een retentievoorziening te worden gerealiseerd. Deze wordt, 450m2 x 0,06 mm = 27 m3. De voorziening wordt 80 cm diep en circa 40m2.

Hiermee kan er meer opgevangen worden dan de benodigde 27 m3 om eventuele piekbelasting tijdens een stortbui op te kunnen vangen. De voorziening wordt naast de sloot geplaatst ter plaatse de te slopen kuilplaat. Bij de bouw van de nieuwe woning wordt getracht zoveel mogelijk gebruik te maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en wordt het gebruik van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC, zoveel mogelijk achterwege gelaten. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.

Pagina 26 van 51

Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding 14. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Afbeelding 14: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer

Pagina 27 van 51

en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Ulvenhoutse bos, dat op een afstand van circa 6 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt, is middels het rekenprogramma AERIUS een berekening gemaakt van de beoogde bedrijfsopzet. Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in bijlage 7 blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht. De bouw- en realisatiefase van onderhavige ontwikkeling kan ook leiden tot stikstofdepositie op omliggende Natura-2000 gebieden.

Om uit te sluiten dat er stikstofdepositie plaatsvindt om omliggende Natura-2000 gebieden is een AERIUS berekening gemaakt van de bouw- en realisatiefase. Een toelichting op de invoergegevens is in de bijlage 9 toegevoegd. De rekenresultaten zijn toegevoegd in bijlage 10. Uit de rekenresultaten blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Ulvenhoutse bos leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).

Pagina 28 van 51

2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Horst 28 te Gilze, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren Ruimte-voor-ruimtekavels, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Door Brabants Eco is een flora en fauna quickscan uitgevoerd op de locatie. Er is gekeken of er beschermde dier en plantensoorten aanwezig zijn op de locatie. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen beschermde soorten aanwezig zijn op de locatie rondom de gebouwen waar gesloopt zal gaan worden.

De uilenkas die reeds aanwezig is in de loods is momenteel leeg. Deze zal worden teruggehangen nadat de loods is verkleind. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde stedenbouwkundige opzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

Pagina 29 van 51

Uit de kaart behorende bij paragraaf 3.2.4 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden. Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 16. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Afbeelding 16: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov

4.4.1. Aardkundig waardevolle gebieden Aardkundige waarden zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de oorsprong van het gebied. Het landschap in Noord-Brabant is honderden tot honderdduizenden of zelfs miljoenen jaren terug ontstaan. Deze dekzandruggen, stuifduinen en meanderende beeklopen zijn gezichtsbepalend voor het Brabants landschap. De provincie wil deze onvervangbare gebieden behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis. Daarom nam de provincie gebieden van provinciale of nationale betekenis op in haar structuurvisie ruimtelijke ordening. In de Verordening ruimte is extra ruimtelijke bescherming voor het beheer en behoud van die gebieden geregeld. De Provincie heeft de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ ontwikkeld, welke is opgenomen in de verbeelding van de Verordening Ruimte. De kaart geeft aan op welke gebieden de bestaande beleidsregels betrekking hebben en welke waarden gelden. Het plangebied is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied.

4.4.2. Cultuurhistorie Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied

Pagina 30 van 51

aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water.

Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

Beleid provincie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Het provinciaal belang is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar belangrijkste taak heeft. De kaartlagen ‘cultuurhistorische vlakken’ en ‘complexen van cultuurhistorisch belang’ zijn dan ook overgenomen in de Verordening ruimte Noord- Brabant. Uit de themakaart ‘Cultuurhistorie’ van de Iov blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied, zie afbeelding 17.

Afbeelding 17: Uitsnede themakaart ‘Cultuurhistorie’ Iov’

De CHW 2016 bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Hieruit blijkt dat plangebied niet is gelegen in of aan een lijn, vlak of gebied met aanduiding, zie afbeelding 18. Het aspect archeologie wordt verder beschreven in navolgende paragraaf.

Pagina 31 van 51

Afbeelding 18: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart CHW 2016

4.4.3. Archeologie

Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.

Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Derhalve heeft de raad van de gemeente Gilze en Rijen op 26 april 2011 het ‘Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gilze en Rijen' vastgesteld. In het beleidsplan onderscheidt de gemeente een 7-tal verwachtingen, variërend van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart te zien, waarop de projectlocatie is weergegeven.

Pagina 32 van 51

\

Afbeelding 20: archeologische beleidskaart, planlocatie aangegeven met rode cirkel De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is het plangebied aangeduid met ‘Waarde – Archeologie’. Volgens de regels conform artikel 32 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ mag voor overige gronden (dus buiten bouwvlakken) gebouwd worden wanneer aangetoond is dat de mogelijk aanwezige archeologische waarden niet worden geschaad en of de oppervlakte van de bouwwerken niet groter is dan 100 m2 of dieper zijn dan 40 cm. In dit geval wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en worden 2 Ruimte-voor-Ruimtewoningen gerealiseerd waarbij de oppervlakte groter is dan 100 m2 en de werkzaamheden dieper zijn dan 40 cm onder maaiveld. Derhalve moet worden aangetoond dat mogelijke archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad. Derhalve is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het gehele onderzoek is als bijlage bijgevoegd, hieronder wordt enkel de conclusie weergegeven.

Conclusie

Binnen het overgrote deel van het plangebied is de kans op de aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten erg klein. Alleen in het noordelijke deel van het plangebied zijn mogelijke nederzettingsresten aanwezig. Echter is er voorheen al eens een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in dit deel van het plangebied. Uit deze resultaten is gebleken dat geen relevante archeologische sporen zijn aangetroffen. Door bodemverstoring die reeds binnen het plangebied heeft plaatsgevonden is er ook geen verwachting dat er nog iets met archeologische waarde aanwezig is binnen het plangebied. 4.5. Landschappelijke inpassing Iedere ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied dient gepaard te gaan met een goede landschappelijke inpassing. Door middel van een landschappelijke inpassing welke rekening houdt met de kwaliteiten en kenmerken van de omgeving, gaan landschappelijke waarden niet verloren. Ook dient rekening gehouden te worden met de eventueel noodzakelijke kwaliteitsverbetering. De landschappelijke inpassing van het initiatief aan de Horst te Gilze is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het ter plaatse aanwezige landschap en op de Structuurvisie Buitengebied van de gemeente Gilze en Rijen.

Kenmerken

Kenmerken van het gebied variëren. Enerzijds betreft het een agrarisch landschap, waarbij openheid en beslotenheid elkaar afwisselen. Er is aaneengesloten lintbebouwing met functiemenging. Een

Pagina 33 van 51

bijzonder gebied binnen deze zone wordt door de kernrandzones gevormd. Horst valt in deze kernrandzone. De kernrandzones bestaan uit historische lintbebouwing en bebouwingsconcentraties als uitlopers van de kernen en vormen als het ware het overgangsgebied tussen de dorpen en het buitengebied. Het betreft een kleinschalig landschap met hooggelegen essen (bouwlanden) met daartussen laaggelegen weilanden. In dit landschap is er vaak een netwerk te vinden van houtsingels gelegen langs de akkers. Deze hebben een rijke flora en fauna. In de omgeving is het rationeel verkavelde landschap van oude akkercomplexen met grote percelen en linten met laan- en singelbeplanting kenmerkend. Binnen en rond het plangebied zijn reeds solitaire bomen en een bomenrij gelegen. In de toekomst zal in het noorden van het plangebied een bomenrij aangeplant worden, horende bij de ontwikkeling van ‘Laarspad’.

Kwaliteiten

De beplanting is van ecologische waarde en vormt een belangrijk struweel voor diverse planten diersoorten. Aangezien deze gebieden ook direct grenzen aan enkele meer open landbouwgebieden, vervullen de lanen, struwelen en opgaande beplanting des te meer een functie als migratiezone, schuil, rust- en foerageerplek voor dieren. Daarom is behoud en waar nodig completering van dit raster van beplanting aan de randen van percelen gewenst. Behoud en ontwikkeling van de verschillende karakteristieke landschappen is gewenst. De schaal van dit landschap ligt vast doordat de oude akkercomplexen omgeven worden door bebouwde wegen (lintbebouwing) met lanen. Behoud van deze structuren is wenselijk. Beplanting en bebouwing kan daarbij direct grenzend aan de wegen en in de bebouwingslinten worden ontwikkeld, of langs oude ontsluitingen. Een evenwichtige ruimtelijke structuur ontstaat indien zowel voldoende agrarische gebruiksruimte behouden blijft als voldoende structuurrijke en aaneengesloten beplantingselementen buiten de percelen (langs wegen, perceelsranden etc.) behouden en aangelegd worden. Versterking van deze opgaande beplanting kan daarom het beste plaatsvinden in lanen, lijnvormige bomenrijen, stroken met bosschages en hagen en groene aanplant op overhoeken, in wegbermen en op perceelsgrenzen.

Beoogde situatie De stedenbouwkundige opzet van deze twee nieuwe woningen is geënt op de historische boerenerfbebouwing die van oudsher kenmerkend is voor deze omgeving. De schuren staan bij een boerenerf om het erf heen, naast de woning. Ook wordt gebruik gemaakt van één inrit waardoor het aansluit bij het boerenerfprincipe. De beoogde situatie van de stedenbouwkundige inpassing is op bovenstaande gebaseerd. Om de eerdergenoemde oude akkercomplexen beter herkenbaar te maken worden er houtsingels geplant tussen het agrarische landschap en de bebouwing van buurtschap Horst. Door de houtsingels is de grens van het boerenerf ook duidelijk zichtbaar. Deze landschapselementen sluiten aan op de houtsingels rondom de oude akkers en zullen een functie vervullen als migratiezone, schuil-, rust- en foerageerplek voor dieren. Ook zullen er enkele solitaire bomen worden aangeplant op het boerenerf. Deze bomen kwamen vaak voor op oorspronkelijke boerenerven. Ten slotte wordt een fruitboomgaard van hoogstam fruitbomen beoogd tussen de bestaande en een nieuwe woning, zodat de woningen meer als een eenheid met onderlinge samenhang lijken, zoals de bebouwing van een oorspronkelijke boerenerf. De bebouwing wordt nu verbonden door middel van het erf en de solitaireen fruitbomen. Een fruitboomgaard refereert ook naar de vroegere boerenerven waar kenmerkend fruitbomen stonden.

Deze nieuwe groenstructuren in het landschap versterken het eigen karakter van het gebied. Gezien voorgaand worden diverse landschapselementen aangeplant welke zorgen voor een versterking van het landschapsbeeld en hebben een kwaliteitsverbetering van het landschap tot gevolg. Door deze landschapsversterkende maatregelen wordt de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen verzacht en geheel of gedeeltelijk aan het zicht onttrokken en sluit het aan op de landschappelijke kenmerken van de omgeving en sluit het aan op de Structuurvisie Buitengebied. Het reliëf en structuur van het landschap blijft behouden.

Pagina 34 van 51

Afbeelding 21: Landschappelijke inpassing 4.6. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. In de beoogde situatie wordt de bestaande bedrijfswoning gewijzigd naar een burgerwoning en worden 2 Ruimte-voor-ruimtekavel aan het plangebied toegevoegd. Derhalve is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. Het gehele onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan bijgevoegd. Hieronder wordt enkel de conclusie van dit onderzoek weergegeven.

Pagina 35 van 51

Conclusie

De onderzochte bodem bestaat overwegend uit matig fijn siltig zand. Er zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigde stoffen in de bodem. Het is ook niet benodigd om een vervolg onderzoek uit te zetten. 4.7. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De planlocatie ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter.

Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de planlocatie komen geen boomgaarden voor. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze worden spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Bovendien wordt de planlocatie aan de randen voorzien van landschappelijke inpassing.

Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan de gewenste woningen reikt. De planlocatie heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. 4.8. Gezondheid In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofrapport VGO). Op 16 juni 2017 is een tweede VGO-rapport gepubliceerd (aanvullende studies). Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Uitgesloten is dat Q-koorts de oorzaak is. Het gevolg is dat het nemen van bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is. In de nabijheid van het plangebied is binnen een straal van 2 kilometer geen geitenhouderij gelegen. Daarnaast wordt in de huidige situatie de bedrijfswoning in het plangebied ook al bewoond door de initiatiefnemer.

Dit geschiedt nu in een bedrijfswoning en in de beoogde situatie wordt het plangebied herbestemd van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ waardoor de initiatiefnemer in een burgerwoning zal wonen. In de beoogde situatie worden 2 ruimte-voor-ruimtewoningen toegevoegd. Gezien het feit dat er in een

Pagina 36 van 51

straal van 2 kilometer geen geitenhouderij aanwezig is, worden er ook niet meer mensen blootgesteld aan stoffen uit de geitenhouderij dan in de huidige situatie al het geval is. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de beoogde herbestemming van het plangebied en het toevoegen van twee ruimte-voor-ruimtewoningen aan de Horst 28 te Gilze geen belemmering ondervindt aangaande aanwezige geitenhouderijen aangezien deze op meer dan 2 kilometer afstand liggen van het plangebied. 4.9. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen.

Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer.

Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. In de omgeving van het plangebied bevinden zich onder andere burgerwoningen en een aantal (agrarische) bedrijven. Het dichtstbij gelegen bedrijf betreft het bedrijf aan Horst 32. Het gaat hier om een vakantieboerderij waar 8 tot 10 personen kunnen verblijven. Tevens is het mogelijk om kleinschalige feestjes te organiseren (max. 20 personen). Dit behoort tot milieucategorie 1, (SBI-code 5510, hotels en pensions met keuken, conferentie=oorden en congrescentra) hierbij geldt een richtafstand van 10 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Het eerstvolgende niet agrarische bedrijf in de omgeving ligt aan de Bessemeindseweg 8. Volgens het vigerende bestemmingsplan gaat het hier om een aannemers- en klusbedrijf. Volgens de bedrijven en milieuzonering van de VNG behoort dit bedrijf (SBI-code 41, 42, 43) tot milieucategorie 3.1 waarbij een richtafstand geldt van minimaal 50 meter. De afstand van het bouwvlak van het bedrijf aan de Bessemeindseweg 8 tot aan het bouwvlak van het plangebied bedraagt circa 380 meter. Op basis van dit gegeven wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de minimale richtastand tussen het plangebied en omliggende bedrijven. Het dichtstbij gelegen agrarische bedrijf bevindt zich aan de Horst 32 te Gilze.

Het gaat hier om een rundveehouderij, in de VNG zijn hier voor de aspecten, stof, geluid en gevaar een richtastand van 30 meter opgenomen. Voor geur geldt een grotere afstand, het aspect geur wordt apart behandeld in paragraaf 4.10. in deze paragraaf wordt gekeken naar de Wet geur en veehouderij.

Pagina 37 van 51

Tussen de twee bouwvlakken zit geen 30 meter, echter zit er wel circa 35 meter tussen de stal en de woning aan de Horst 28. De bestaande woning ligt het dichtste bij de veehouderij, de beoogde ruimtevoor-ruimte woningen liggen op een grotere afstand tot de veehouderij. Het omzetten van de huidige bedrijfswoning aan de Horst 28 en het toevoegen van twee Ruimte-voorRuimtewoningen vormt derhalve geen onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van reeds bestaande (agrarische) bedrijven omdat de bestaande woning dichterbij gelegen is dan de beoogde woningen. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden voor een goed woon- en leefklimaat. 4.10. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1.

Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Op afbeelding 7 is de vergunning voor het houden van vleesvee en paarden op de locatie aan Horst 28 te zien. Deze vergunning komt te vervallen bij het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteiten. Zoals te zien is op de vergunning in afbeelding 20 komt er door de beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten op de planlocatie, een geuremissie te vervallen van 1210,40 Ou/s.

Afbeelding 20: Uitsnede Wet-BVB Horst 28 te Gilze

De planlocatie is echter wel tegenover een agrarisch bedrijf gelegen, welk bedrijf gelegen is aan Horst 32 te Gilze. Het gaat om een vleesveebedrijf met 87 stuks vleesvee, zoals te zien is op vergunning in afbeelding 21.

Pagina 38 van 51

Afbeelding 21: Uitsnede Wet-BVB Horst 32 te Gilze

Het emissiepunt van het dierenverblijf moet op voldoende afstand liggen van de gevel van ruimte-voorruimtewoningen (en soortgelijke geurgevoelige objecten (type a). Aangezien de planlocatie vlakbij een veehouderij is gelegen, is artikel 14 wet geurhinder en veehouderij van toepassing. De minimumafstand staat in artikel 14 wet geurhinder en veehouderij en is: - 100 meter binnen de bebouwde kom; - 50 meter buiten de bebouwde kom. De nieuwe woningen op de planlocatie moeten volgens deze regeling op minimaal 50 meter afstand van het vleesveebedrijf liggen om dit bedrijf niet te beperken in de ontwikkelingsmogelijkheden. Zoals te zien op afbeelding 22 ligt de bufferzone van 50 meter van het vleesveebedrijf Horst 32 te Gilze gedeeltelijk over de planlocatie heen. De bufferzone van 50 meter van de bedrijfswoning aan Horst 28 te Gilze is echter ook gedeeltelijk over het bouwvlak van het vleesveebedrijf gelegen. Echter is de bestaande woning aan Horst 28 te Gilze dichterbij het vleesveebedrijf gelegen dan de te ontwikkelen Ruimte-voor-ruimtekavels, waardoor de ontwikkeling van de Ruimte-voor-ruimtekavels geen belemmering oplevert voor het genoemde vleesveebedrijf.

Pagina 39 van 51

Afbeelding 22: buffercontouren 50m om bouwvlak Woon- en leefklimaat

Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf op de planlocatie wordt het woon- en leefklimaat in de omgeving verbeterd. Daarnaast worden de verkeersbewegingen van- en naar de planlocatie minder, doordat er geen groot, structureel vrachtverkeer meer op de planlocatie hoeft te zijn. Verder worden de melkveestal en de sleufsilo’s op de planlocatie afgebroken, waardoor dit een verfraaiing van het landschap oplevert. Op basis van en recente kaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant blijkt dat de achtergrondconcentratie van geur (van dieren met een geuremissiefactor) is bepaald en hieruit blijkt dat ter plaatse sprake is van een goede leefkwaliteit, zoals te zien is op afbeelding 23. De te realiseren woningen moeten buiten 50 meter van het bedrijf aan Horst 32 te Gilze gerealiseerd worden om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Zoals blijkt uit de bufferzone op afbeelding 22, vallen de woningen net buiten de 50 meterzone van het bestaande bedrijf aan Horst 32 te Gilze. De bestaande woning is hierbij niet relevant, omdat deze woning al op de planlocatie is gevestigd. De bestaande woning is enkel relevant indien de contour van het bedrijf verschuift.

Afbeelding 23: Uitsnede kwaliteit leefomgeving kaart ODZOB

4.10.1. Geurgebiedsvisie ABG-gemeenten

De ABG gemeenten, Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen hebben gezamenlijk een geurgebiedsvisie opgesteld. Hierin wordt inzicht gegeven in de ontwikkeling van de geurbelasting uit stallen van veehouderijen. De geurgebiedsvisie is van belang voor het vaststellen van streef- en toetswaarden met betrekking tot het meewegen van de geurbelasting bij het beoordelen van het woonen leefklimaat. In de geurgebiedsvisie is opgenomen dat de hoeveelheid geuremissie in de gemeente Gilzen en Rijen is afgenomen in de laatste jaren. Dit komt voornamelijk door strengere geurnormen en wet en regelgeving rondom geuremissie en geurbelasting. Zoals in de paragraaf hiervoor is aangegeven stopt de veehouderij aan de Horst 28 waardoor er een verder afname van de geuremissie in de gemeente zal plaats vinden. Door het stoppen van de veehouderij vindt er tevens ook een afname plaats in de ammoniak en fijnstofemissies welke tevens zorgen voor een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving.

Pagina 40 van 51

4.11. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woonen leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.11.1. Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het creëren van twee nieuwe woningen. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief slechts één bestaande bedrijfswoning wordt herbestemd naar een burgerwoning en twee nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.11.2. Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat

Pagina 41 van 51

geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 15,69 μg/m3, voor PM2,5 9,115 μg/m3 en voor NO2 14,45 μg/m3, zie afbeelding 24.

Afbeelding 24: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10, PM2,5 en NO2

Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.12. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen de planlocatie. Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuw geluidsgevoelig object opgericht in de vorm van de herbestemming van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en het oprichten van twee ruimte-voorruimtewoningen. Deze objecten liggen in de geluidszone van de Horst. Dit betreft een 60 km/h weg, welke ter plaatse van het plangebied doodlopend is en een zeer lage verkeersintensiteit heeft.

Er zal enkel bestemmingsverkeer in de buurt komen van de beoogde woningen. Daar de Horst een 60 km/h weg betreft, welke ter plaatse van het plangebied doodlopend is met een lage verkeersintensiteit is voor het toevoegen van een woning aan deze weg geen nader onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Verder is de locatie aan de Horst meegenomen in het akoestisch onderzoek van het bestemmingsplan ‘ Ruimte voor Ruimte Laarspad’ welke dicht bij de beoogde ontwikkeling is gelegen. In dit onderzoek komt naar voren dat er geen sprake is van belemmeringen op de Horst 28. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief.

Pagina 42 van 51

4.13. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De planlocatie ligt aan de Horst. Een verharde en doodlopende weg. De Horst verbindt de Oranjestraat met de Alphensebaan. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen in de beoogde situatie namelijk voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de inrichting bewegen. De verkeersbewegingen van en naar de inrichting zullen dus vele malen lager liggen dan dat het geval is bij een agrarisch bedrijf. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Voor wat betreft de parkeernormen wordt tevens aangesloten bij de Nota parkeernormen Gilze (2017). Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen opgenomen. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied met een oppervlakte groter van 90 m2 geldt een norm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Bij alle woningen is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in minimaal twee privé parkeerplaatsen per woning op eigen terrein. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.14.

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.14.1. Regelgeving De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd.

Pagina 43 van 51

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn.

Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

4.14.2. Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie afbeelding 25.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13078695/1