CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ambitiedocument (her)programmering bedrijventerreinen in lijn met economisch toekomstbeeld HvB (1137330)

Raadscommissie Ruimte 2 juni 2026, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Oplegnotitie Ambitiedocument (her)programmering bedrijventerreinen regio Hart van Brabant14.529 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ambitiedocument (her)programmering bedrijventerreinen in lijn met economisch toekomstbeeld Addendum bij Afsprakenkader Bedrijventerreinen Hart van Brabant 2025-2030

12 november 2025

0

Inhoudsopgave Aanleiding, status en leeswijzer

2

1

Effecten toekomstbeeld op ruimtebehoefte

4

2

Ruimtevraag circulaire economie en overloop

11

3

Ambities (plan)ontwikkeling

14

Bijlage 1: technische verdieping beleidsrijke ruimtebehoefte

19

Bijlage 2: Samenvatting economisch toekomstbeeld uit afsprakenkader Hart van Brabant 34 Bijlage 3: Omschrijving kwaliteiten per werkmilieu

35

Bijlage 4: Verdiepende analyse (plan)ontwikkelingen

37

Bijlage 5: Programmeringstabel planaanbod en transformatieplannen (ambtelijk overzicht per 12-11-2025)

42

Bijlage 6: Definities en bronnen

49

Aangeboden aan Regio Hart van Brabant 12 november 2025 Projectnummer 2218 Auteurs Maarten Kruger Miles Copping Jaimy van Dijk

1

Aanleiding, status en leeswijzer Aanleiding en vraag Eind 2024 is in het Poho Economie en de Ontwikkeldag SRBT ingestemd met het geactualiseerde afsprakenkader bedrijventerreinen Hart van Brabant. Hierin is ook een onderliggend ‘economisch toekomstbeeld’ voor de regio omarmd. Het economisch toekomstbeeld richt zich op het versterken en verduurzamen van bestaande sterke sectoren zoals logistiek, maakindustrie, voedingsmiddelen en leisure, én op het stimuleren van kennisintensieve sectoren als High Tech Systems & Materials (HTSM) en ICT. Centraal staat het concept Human Centered Innovation, waarbij technologie en menselijk gedrag worden verbonden om innovatie, arbeidsproductiviteit, verduurzaming en brede welvaart te vergroten. De inzet op het economische toekomstbeeld heeft ook ruimtelijke consequenties; de vraag naar bedrijfsruimte kan zowel kwalitatief (type werkmilieus, vestigingseisen) als kwantitatief (totale benodigde ruimte voor bedrijven) veranderen. De vigerende provinciale ruimtebehoefteraming (Stec, 2022) - waar het Afsprakenkader op is gebaseerd - is beleidsneutraal opgesteld en stamt bovendien van vóór het Afsprakenkader; eventuele effecten van inzet op het toekomstbeeld zijn hierin logischerwijs nog niet meegenomen.

Om uitvoering te geven aan deze afspraak, heeft de regio Bureau BUITEN gevraagd om de consequenties van het economisch toekomstbeeld op de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen te analyseren. Daarnaast is Bureau BUITEN gevraagd om: • de ruimtevraag door overloop vanuit andere regio’s in beeld te brengen (het beeld bestaat dat hier additionele ruimtevraag door ontstaat); • de ruimtevraag door transitie naar een circulaire economie in beeld te brengen (het beeld bestaat dat hier additionele ruimtevraag door ontstaat); • een voorstel te doen voor verschuiving van planaanbod binnen en tussen werkmilieus, met als doel het planaanbod kwalitatief beter te laten aansluiten bij het toekomstbeeld. De uitkomsten van deze analyse kan de regio helpen bij het maken van gefundeerde beleidskeuzes, zoals: • extra inzet op ruimte-intensivering op bedrijventerreinen om daarmee ruimte vrij te spelen; • het niet faciliteren van bepaalde delen van sectoren die niet aansluiten bij het toekomstbeeld (zoals ‘footloose’ logistiek); • extra ruimte creëren voor werkmilieus die aansluiten op het economisch toekomstbeeld (zoals campusmilieu); • het ontwikkelen van het planaanbod in andere werkmilieus. Status

In het Afsprakenkader is daarom in afspraak 7 opgenomen om onderzoek uit te voeren naar: • “een nieuwe beleidsrijke prognose die aansluit bij het beoogde economische toekomstbeeld” • “binnen dit onderzoek de ruimte te krijgen om verschuiving van het planaanbod binnen en tussen werkmilieus mogelijk te maken (…). Doel is het planaanbod zo goed mogelijk te laten aansluiten op de ruimtevraag die volgt uit het economische toekomstbeeld.

Dit document betreft een ambitiedocument en addendum bij het Afsprakenkader Bedrijventerreinen Hart van Brabant 2025-2030. Dit document biedt inzicht in de benodigde aanpassingen en ruimte in de programmering van bedrijventerreinen om het aanbod in lijn te brengen met het gewenste economisch toekomstbeeld. De ambities voor de (plan)ontwikkeling (hoofdstuk 3) passen binnen de programmatische ruimte die de provincie Noord-Brabant de regio Hart van Brabant biedt (conform brief provincie van 26 februari 2025 met kenmerk C2352258/6082598).

2

Het effectueren van de ambitie voor herprogrammering door regionaal af te stemmen, zoals afgesproken in het afsprakenkader (afspraak 26), is primair aan de betrokken gemeenten. Daarbij is de analyse in dit document deel van de kwantitatieve onderbouwing, maar kan ook andersoortige onderbouwing (bv. marktinteresse, kwalitatieve argumenten) worden gegeven. De programmeringstabel (bijlage 5) in dit ambitiedocument blijft vigerend en het toetsingskader voor de provincie Noord-Brabant voor bedrijventerreinontwikkeling. Leeswijzer In hoofdstuk 1 gaan we in op de effecten op de ruimtebehoefte door inzet op de ambitie te komen tot het economisch toekomstbeeld. In hoofdstuk 2 lichten we twee externe ontwikkelingen uit die ook een verwachte toenemende ruimtevraag hebben. Het gaat om de ruimtevraag door een transitie naar een circulaire economie en de overloopeffecten uit omliggende regio’s. Op basis van hoofdstuk 1 en 2 komen we in hoofdstuk 3 tot de ambitie voor toekomstige verschuivingen in de (plan)ontwikkeling. In de bijlages zijn de verdiepingen op de verschillende hoofdstukken te vinden. Zo vormt bijlage 1 een technische verdieping op hoofdstuk 1. Bijlage 2 en 3 weergeven een samenvatting van het economisch toekomstbeeld en een toelichting op de werkmilieus. Bijlage 4 vormt een verdieping op hoofdstuk 3, met een analyse op de toekomstige (plan)ontwikkelingen.

In bijlage 5 is de programmeringstabel planaanbod en transformatieplannen opgenomen. Tot slot is in bijlage 6 een lijst van definities en bronnen opgenomen.

3

1

Effecten toekomstbeeld op ruimtebehoefte

1.1

Methodiek analyse en veronderstellingen

Vraagramingen voor bedrijventerreinen zijn in de regel – en ook in de provinciale prognose uit 2022 - het product van (1) de werkgelegenheidsontwikkeling per sector; (2) de locatievoorkeur per sector, oftewel het aandeel banen per sector dat zich op bedrijventerreinen vestigt en (3) de terreinquotiënt, oftewel het ruimtegebruik per baan per sector. Samen bepalen deze drie ‘knoppen’ de ruimtebehoefte voor bedrijventerreinen. Figuur 1.1: methodiek ruimtebehoefte op basis van economisch toekomstbeeld

Om inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van het economisch toekomstbeeld op de ruimtebehoefte, hebben we aanpassingen doorgevoerd voor twee “knoppen” in de bestaande prognose (gele arcering in figuur 1.1). Het gaat om de verwachte ontwikkeling van het aantal banen en de benodigde ruimte per baan. Deze knoppen stellen we enkel bij voor vier prominente sectoren uit het economisch toekomstbeeld, die veel ruimte vragen op bedrijventerreinen: logistiek, maakindustrie, voedingsindustrie en HTSM (High Tech Systems & Materials). De aanpassingen en de onderbouwing zijn te vinden in paragraaf 1.4 en verder. Technische verdieping is te vinden in bijlage 1.

4

1.2

Uitgangspunten om te komen tot toekomstbeeld

In lijn met het economische toekomstbeeld zet de regio Hart van Brabant in op een gerichte kwaliteitsimpuls voor de sectoren logistiek, maak- en voedingsindustrie en HTSM. Deze sectoren blijven van groot belang voor de regionale werkgelegenheid, maar worden geconfronteerd met toenemende schaarste aan arbeid, ruimte, energie en grondstoffen. De inzet is daarom gericht op efficiënter en slimmer gebruik van deze middelen, onder meer door ruimte-intensivering en technologische vernieuwing (o.a. digitalisering) gericht op arbeidsbesparing. Voor logistiek geldt daarbij een selectief vestigingsbeleid: alleen bedrijven met Hart van Brabant verbonden logistiek. 1. Logistiek direct verbonden aan toekomstbeeld: maak- en voedingsindustrie en HTSM a. Verlader en producenten met distributie in eigen beheer. Denk bijvoorbeeld aan NSK (lagers) en Coca Cola. Deze ruimtebehoefte zit verdisconteerd in andere werkmilieus. b. Logistiek dienstverleners die logistiek uitvoeren voor maak- en voedingsindustrie en HTSM. Denk bijvoorbeeld aan Kivits Drunen en Zandbergen Transport. c. Groothandels die als toeleverancier een rol hebben in de voor maak- en voedingsindustrie en HTSM. Denk bijvoorbeeld aan WKK (bevestigingsmaterialen). 2. Regiogebonden logistiek a. Bedrijven die van oudsher zijn gevestigd, gegroeid en ingebed in de regio (personeel, maatschappelijk, leveranciers).

Denk bijvoorbeeld aan Mandenmakers Groep, Versteijnen Logistics. b. Bedrijven verbonden aan regionale ecosysteem in de vorm van productie of logistiek. Denk bijvoorbeeld aan Beeztees (speelgoed huisdieren) en Magna Tyres.

c. Bedrijven die hun afzetmarkt in de regio hebben. Denk bijvoorbeeld aan distributiecentra Albert Heijn, PostNL. d. Bedrijven die bijdragen aan randvoorwaardelijk zijn voor energieen circulaire transitie. Logistieke bedrijven waarvan de activiteiten niet onder de bovenstaande 2 categorieën vallen worden als footloose gezien. Footloose logistiek, 25% van de logistiek in de regio1 ,heeft geen binding met de regio en kan zich overal vestigen. De regio Hart van Brabant wil geen ruimte bieden aan dergelijke bedrijven. Tegelijkertijd wordt gestuurd op de groei van kennisintensieve sectoren zoals HTSM en IT, die bijdragen aan economische weerbaarheid en arbeidsproductiviteit. Ook de leisuresector wordt expliciet erkend als economisch relevante pijler én vestigingsvoorwaarde voor een aantrekkelijke, concurrerende regio. 1.3

Harde randvoorwaarden om te komen tot toekomstbeeld

Deze analyse van de effecten van het toekomstbeeld op de ruimtebehoefte laat zien wat de maximale potentiële impact kan zijn. Deze impact wordt echter alleen bereikt als er sprake is van een langdurige, consistente en integrale beleidsinzet. De weg naar het economisch toekomstbeeld vraagt om duidelijke keuzes en sturing, zowel binnen het werklocatiebeleid als in het bredere ruimtelijkeconomisch domein én sociaal domein (bijvoorbeeld arbeidsmarkt). Op het vlak van werklocatiebeleid betekent dit onder meer: • Het selectiever uitgeven van ruimte. Daarvoor is het nodig om het toekomstbeeld expliciet te verankeren in de uitgiftecriteria van nieuwe bedrijventerreinen bijvoorbeeld door uitgiftecriteria voor grootschalige

1

Het regionaal programma Werklocaties Zuidoost Brabant Uitvoeringsagenda (mei 2025), geeft aan dat 25% van de logistiek in de regio footloose is, aanname is dat dit ook voor de regio Hart van Brabant geldt.

5

•

•

•

logistiek gerelateerd aan het economisch toekomstbeeld en/of regionale binding. Uitwerking van afspraken 3 en 9 uit het afsprakenkader dragen hieraan bij. Faciliteren van voldoende uitbreidings- en schuifruimte voor bestaande bedrijven die zich in een transitieproces naar verduurzaming, intensivering en revitalisering bevinden. Uitwerking van afspraken 10, 11 en 12 uit het afsprakenkader dragen hieraan bij. Blijvende aandacht voor de kwaliteit van bestaande bedrijventerreinen, onder meer via herstructurering, revitalisering en verduurzaming. Uitwerking van afspraken 19 en 20 uit het afsprakenkader dragen hieraan bij. Actieve inzet op ruimte-intensivering. Uitwerking van afspraken 4, 5, 6 en 9 uit het afsprakenkader dragen hieraan bij. Voorzien in betaalbare ruimte voor start-ups en scale-ups, die cruciaal zijn voor innovatie en vernieuwing binnen de economie.

Figuur 1.2 Voorbeeld intensief ruimtegebruik – parkeren op het dak

Daarbij hoort een bredere inzet op ruimtelijk-economisch en sociaal beleid, gericht op:

• • • • • •

het versterken van innovatiekracht en ecosysteemontwikkeling in de regio, rondom het thema ‘human centered innovation’; het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt; het stimuleren van regionale samenwerking en profilering; investeringen in duurzame energiesystemen en de beschikbaarheid van energie; de bereikbaarheid van werklocaties; de kwaliteit van het bredere vestigingsklimaat in de regio om talent te binden en vast te houden (met aandacht voor wonen, leisure, cultuur en voorzieningen). Juiste randvoorwaarden om te komen tot economisch toekomstbeeld Diverse gemeenten in Hart van Brabant zijn volop bezig met afspraken uit het afsprakenkader en het creëren van de juiste randvoorwaarden om te komen tot het gewenste economische toekomstbeeld: • De uitgiftecriteria (Ontwikkelleidraad) voor Wijkevoort (Tilburg) verlangen duurzame en innovatieve logistieke bedrijven met regionale meerwaarde. • De selectie- en uitgiftecriteria en het selectieproces dat door gemeente Waalwijk wordt opgesteld voor Haven-8 Oost (afronding) voorziet in selectie van geïnteresseerde (logistieke) partijen op brede welvaartscriteria.

• In Oisterwijk is een brede aanpak bedrijventerreinen opgesteld met aandacht voor revitalisering en intensivering • De gemeente Dongen heeft een Economische visie opgesteld en bezig met uitgiftecriteria en een plan van aanpak revitalisering waarbij gestuurd wordt economisch toekomstbeeld en kwaliteit. • De gemeente Tilburg heeft recent haar Economische Strategie 20252050: de economische route naar brede welvaart vastgesteld. • De gemeente Tilburg is in gesprek met een tweetal HTSM bedrijven die op hun huidige terrein een campus willen ontwikkelen met bedrijven en onderwijsinstellingen.

6

1.4

Uitkomsten beleidsrijke ruimtebehoefte

Beleidsrijke ruimtebehoefte: Maximale impact van inzet op toekomstbeeld De uitkomsten van de beleidsrijke ruimtebehoefte moeten worden gezien als een gevoeligheidsanalyse: de potentiële, maximale impact van inzet op het toekomstbeeld op de behoefte aan bedrijventerreinen in de regio. Deze impact zal alleen werkelijkheid worden mits de regio consistent via werklocatiebeleid en breder ruimtelijk-economisch beleid inzet op het toekomstbeeld, in lijn met de afspraken uit het Afsprakenkader. In lijn met de provinciale behoefteraming (2022) ramen we de vraag per werkmilieu in twee scenario’s: scenario laag en scenario hoog. In de scenario’s is een splitsing gemaakt in korte termijn (tot 2031) en lange termijn (vanaf 2031 tot 2040). De bijstellingen door het inzetten op het economisch toekomstbeeld zullen met name op lange termijn optreden, en zijn ook zo meegenomen (zie ook bijlage 1 voor de aanpassingen en de onderbouwing).

2

De gemeente Heusden is niet meegenomen in de kwantitatieve opgaven; deze gemeenten maakt kwantitatieve afspraken in het verband van de regio NoordoostNoord-Brabant.

We merken nadrukkelijk op dat het niet mogelijk is om per werkmilieu een andere scenario te kiezen. De ruimtebehoefte is per scenario namelijk een samenhangend geheel. 1.4.1

Scenario laag

Inzet op het economisch toekomstbeeld leidt naar verwachting tot de volgende belangrijke verschuivingen in de ruimtevraag2: • Meer vraag naar campusmilieus/innovatiedistricten3 (+8 ha), om de extra vraag vanuit de innovatieve industrie (HTSM, maakindustrie, voedingsindustrie) op te vangen door: o Autonome groei HTSM-sector o verschuiving van locatievoorkeur van dienstverlening en ICT van binnenstedelijke locaties naar campusmilieus. • Meer vraag naar bedrijventerreinen voor grootschalige productie (+2 ha), om de (lichte) extra ruimtevraag vanuit de HTSM, maakindustrie en voedingsindustrie te accommoderen. • Minder vraag aan grootschalige distributieterreinen (-55 ha) door: o Inzet op human centered innovation zet de regio in op het verhogen van de arbeidsproductiviteit door o.a. robotisering waardoor de toegevoegde waarde per baan stijgt en ruimtegebruik per baan afneemt. o een selectiever vestigingsbeleid waarbij alleen logistieke bedrijven die een bijdrage leveren aan maak- en voedingsindustrie en HTSM en bedrijven met een regionale binding worden toegelaten. De zogenoemde 'footloose' logistieke bedrijven (25%4) zonder regionale binding wordt niet langer geaccommodeerd. Let wel: op de korte termijn blijft deze vraag bestaan, maar de regio stuurt – in het

3

Een definitie van de werkmilieus is te vinden in bijlage 3. Het regionaal programma Werklocaties Zuidoost Brabant Uitvoeringsagenda (mei 2025) 4

7

o

toekomstbeeld – bewust op het niet accommoderen van de vraag naar footloose logistiek5. efficiënter ruimtegebruik, bijvoorbeeld door ruimteintensivering stapeling van gebouwen (pas na 2030 te realiseren) en herontwikkeling van bestaande terreinen. Dit leidt tot een lagere terrein quotiënt (vierkante meter per baan);

De beleidsrijke prognose levert door deze combinatie van factoren richting 2040 voor het lage scenario per saldo een lagere totale vraag naar bedrijventerreinen op van 59 hectare en een mogelijk aanbodoverschot in de regio. Randvoorwaarde is wel dat stevig moet worden ingezet op de randvoorwaarden zowel op werklocatiebeleid als flankerend beleid om te komen tot het gewenste economische toekomstbeeld.

Tabel 1.1: effecten inzet economisch toekomstbeeld - scenario laag (t/m 2040 in netto ha, afgerond op hele hectares.

Scenario laag Campus/ innovatiedistrict Gemengd stedelijk Regulier Grootschalige productie Grootschalige distributie

Beleidsneutraal Beleidsrijk: toekomstbeeld Extra tekort of Totaal tekort of Tekort (rood) overschot overschot of overschot door inzet op beleidsrijke (groen)* economisch raming toekomstbeeld 10

8

18

2 17

1 13

3 30

18

2

20

21

55

76

Totaal 13 59 72 * In lijn met de gemaakte afspraken wordt verondersteld dat het zachte planaanbod tot en met 2040 wordt ontwikkeld (zie de programmeringstabel). Daarbij merken we op dat in sommige werkmilieus op korte termijn tekorten kunnen bestaan door het ontbreken van hard planaanbod dat op korte termijn kan worden uitgegeven. Dit geldt bijvoorbeeld voor het werkmilieu regulier, een belangrijke vestigingslocatie voor MKB’ers.

5

Zie ook bijlage 1.1 de nadere onderbouwing waar de reductie op gebaseerd is

8

1.4.2

Scenario hoog

In het scenario ‘hoog’ treden dezelfde verschuivingen in de kwalitatieve marktvraag op als in het lage scenario, maar de verschuivingen zijn in dit scenario sterker dan in het scenario ‘laag’: • Meer vraag naar campusmilieus/innovatiedistricten (+15 ha). Het inzetten op het economisch toekomstbeeld leidt tot een aanzienlijke extra vraag naar bedrijventerreinen, met name door de groei van de werkgelegenheid in kennisintensieve sectoren zoals HTSM (autonome groei) en ICT, dienstverlening en in de maakindustrie. Deze sectoren vragen om hoogwaardige, goed ontsloten werklocaties met ruimte voor innovatie en uitbreiding. Deze ontstaat door verschuiving van locatievoorkeur van dienstverlening en ICT van binnenstedelijke locaties naar campusmilieus bij HTSM en naar industrie op bedrijventerreinen. • Meer vraag naar terreinen voor grootschalige productie (+14 ha) als gevolg van de extra vraag vanuit HTSM en (innovatieve) maakindustrie. • Minder vraag naar terreinen voor grootschalige distributie (-59 ha): o Met behulp van human centered innovation zet de regio in op het verhogen van de arbeidsproductiviteit door o.a. robotisering waardoor de toegevoegde waarde per baan stijgt en ruimtegebruik per baan afneemt.

o een selectiever vestigingsbeleid waarbij alleen logistieke bedrijven die een bijdrage leveren aan maak- en voedingsindustrie en HTSM en bedrijven met een regionale binding worden toegelaten. De zogenoemde 'footloose' logistieke bedrijven (25%) zonder regionale binding niet langer worden geaccommodeerd. Let wel: op de korte termijn blijft deze vraag bestaan, maar de regio stuurt – in het toekomstbeeld – bewust op het niet accommoderen van de vraag naar footloose logistiek6.

6

o

efficiënter ruimtegebruik, bijvoorbeeld door ruimte-intensivering stapeling van gebouwen (pas na 2030 te realiseren) en herontwikkeling van bestaande terreinen. Dit leidt tot een lagere terrein quotiënt (vierkante meter per baan);

De beleidsrijke prognose levert door deze combinatie van factoren richting 2040 voor het hoge scenario per saldo een lagere totale vraag naar bedrijventerreinen op van 27 hectare en een minder groot ruimtetekort (81 ha) dan volgens de beleidsneutrale prognose (108 ha) richting 2040. Randvoorwaarde is wel dat stevig moet worden ingezet op de randvoorwaarden zowel op werklocatiebeleid als flankerend beleid om te komen tot het gewenste economische toekomstbeeld.

Zie ook bijlage 1.1 de nadere onderbouwing waar de reductie op gebaseerd is

9

Tabel 1.2: effecten inzet economisch toekomstbeeld - scenario hoog (t/m 2040 in netto ha, afgerond op hele hectares) Beleidsneutraal Tekort of overschot* Scenario hoog Campus/ innovatiedistrict Gemengd stedelijk Regulier Grootschalige productie Grootschalige distributie

Beleidsrijk: toekomstbeeld Extra tekort of Totaal tekort of overschot door overschot inzet op beleidsrijke economisch raming toekomstbeeld

15

15

30

9

1

10

12

1

13

32

14

46

41

59

18

Totaal 108 27 81 * In lijn met de gemaakte afspraken wordt verondersteld dat het zachte planaanbod tot en met 2040 wordt ontwikkeld (zie ook de programmeringstabel uit het Afsprakenkader). Daarbij merken we op dat in sommige werkmilieus op korte termijn tekorten kunnen bestaan door het ontbreken van hard planaanbod dat op korte termijn kan worden uitgegeven. Dit geldt bijvoorbeeld voor het werkmilieu regulier, een belangrijke vestigingslocatie voor MKB’ers.

1.5

Conclusie: ambitie toekomstige aanpassingen in de programmering, inzet op lage scenario

De ambitie is om in de toekomstige beleidsrijke lage ruimtebehoefte te voorzien. Daarvoor is een gerichte en kwalitatieve programmering van bedrijventerreinen noodzakelijk. Voorwaarde voor aanpassing naar een lage ruimtebehoefte is fundamentele inzet op ruimte-intensivering, efficiënt gebruik van bestaande terreinen en een selectiever vestigingsbeleid. Binnen dit scenario blijft extra ruimte nodig om de transitie van de economie te faciliteren. De ambitie, conform het lage scenario is om circa 18 hectare aan campusachtig werkmilieu toe te voegen aan het planaanbod, om ruimte te bieden aan de groei van kennisintensieve sectoren zoals HTSM, IT en andere R&D-gedreven activiteiten. Daarnaast is de ambitie om 20 hectare aan grootschalige productielocaties te programmeren. Deze ruimte kan deels worden gevonden door het bestaande planaanbod voor grootschalige logistiek te benutten. Van de beschikbare 152 hectare logistiek aanbod kan een deel flexibel ingezet worden voor hoogwaardige productie- of campusfuncties, mits de locatiekwaliteiten zich daartoe lenen en de ontwikkeling passend is binnen de beleidsdoelen en regionale toetsingskaders. Ambitie is om geen planaanbod af te schrijven.

De regio heeft zo ‘reserveruimte’ achter de hand voor het geval de intensiveringsambitie en de daarmee samenhangende randvoorwaarden in het werklocatiebeleid en flankerend beleid om te komen tot het gewenste economische toekomstbeeld niet volledig behaald wordt. Dit is de belangrijkste reden dat de bestaande programmeringstabel (bijlage 5) het toetsingskader blijft voor bedrijventerreinontwikkeling.

10

2

Ruimtevraag circulaire economie en overloop

Figuur 2.1: Raming ruimtebehoefte in 2045 per scenario in Tilburg, EIB Laag en Hoog, resultaten in hectare

Naast het effect van het economisch toekomstbeeld op de ruimtevraag, spelen er ook externe ontwikkelingen die invloed kunnen hebben op de ruimtebehoefte. Er is gekeken naar twee externe ontwikkelingen. De eerste is de ruimtevraag door de transitie naar een circulaire economie. De tweede is de ruimtevraag door overloop vanuit andere regio’s. 2.1

+/-

Circulaire economie

In de provinciale prognose van 2022 is met diverse autonome ontwikkelingen rekening gehouden, waaronder ook met de overgang naar een circulaire economie. Er zijn echter steeds meer aanwijzingen dat reguliere ramingsmethodieken onvoldoende rekening houden met de grote mate van onzekerheid waarmee de circulaire transitie gepaard gaat. Er zijn verschillende manieren waarop de circulaire economie in de komende decennia vorm kan krijgen in Nederland. Het verloop van de transitie, en de toekomstige ruimtevraag die eruit voortvloeit, wordt in belangrijke mate beïnvloed door externe en deels onvoorspelbare ontwikkelingen. Denk daarbij aan geopolitieke ontwikkelingen (de noodzaak tot ‘strategische autonomie’ kan een impuls zijn voor de circulaire transitie), veranderingen in de materiële consumptie en consumentengedrag, de inzet van circulaire strategieën binnen het bedrijfsleven (R-strategieën: Refuse, Reduce, Reuse, Recycle, etc.), nationaal en Europees beleid. Voor de gemeente Tilburg heeft Bureau BUITEN recent de ruimtebehoefte voor de circulaire economie in beeld gebracht. Vanwege de genoemde onzekerheden is gewerkt met de scenario’s uit de Ruimtelijke Verkenning 2023 van het Planbureau voor de Leefomgeving. De verwachte ruimtebehoefte loopt sterk uiteen per scenario (zie figuur 2.1).

Ruimtegebruik 2023 (1.031 ha)

Bron: Ruimtevraag circulaire economie Tilburg, Bureau BUITEN Op basis van de uitkomsten voor Tilburg is een indicatieve inschatting gemaakt van de mogelijke ruimtebehoefte voor de circulaire economie in Hart van Brabant. Kwantitatief gezien is deze ruimtevraag dus met veel onzekerheid omgeven maar op dit moment lijkt voor de regio Hart van Brabant een autonome toename van 100 tot 300 hectare aan bedrijventerreinen realistischer dan een afname. Daarbovenop kunnen extra claims ontstaan vanuit bovenregionale of nationale ontwikkelingen, zoals herverdeling van functies of clustering van specifieke bedrijvigheid. Hoewel het niet mogelijk is om harde uitspraken te doen over de kwantitatieve circulaire ruimtebehoefte, is wel duidelijk dat de regio rekening moet houden met een extra ruimtevraag bovenop de geraamde behoefte. Dit onderstreept de noodzaak van een adaptief beleid, waarbij bedrijventerreinen (snel) ontwikkeld kunnen worden om te voorzien in de ruimtevraag.

11

Ook kwalitatief verandert de aard van de ruimtevraag. Nieuwe typen bedrijvigheid vragen om andere ruimte-eisen, zoals bouwhubs, sorteer- en recyclingfabrieken voor plastic en textiel, en centra voor (retour)logistiek. In vrijwel alle scenario’s blijkt bovendien dat de behoefte aan multimodale bereikbaarheid (water, spoor), voldoende milieuruimte, en grootschalige kavelomvang cruciaal blijft. 2.2

Overloop Brabantse regio’s

De analyse van mogelijke ‘overloop’ van ruimtevragende bedrijven vanuit andere regio’s in Noord-Brabant is gebaseerd op de vraagaanbodconfrontatie van Stec Groep voor de periode 2022–2040, in combinatie met regionale beleidsafspraken en uitwerkingen op het gebied van werklocatiebeleid7. Hoewel de basisanalyse richtinggevend is, is deze deels verouderd door nieuwe beleidsontwikkelingen, actuele marktontwikkelingen en nieuwe ruimtelijke inzichten. Het algemene beeld laat zien dat de meeste regio’s in Brabant bij ontwikkeling van zachte plannen kwantitatief voldoende ruimte hebben om in de eigen ruimtevraag te voorzien. Tegelijk liggen er aanzienlijke kwalitatieve opgaven. Deze vraagstukken zijn grotendeels binnen de regio’s zelf op te lossen, mits hier gericht op wordt gestuurd. Er zijn echter ook uitzonderingen. In Zuidoost-Brabant heeft de regio aangegeven geen ruimte te kunnen bieden voor de netto vestigingsvraag vanuit footloose logistieke bedrijven. Zoals eerder beschreven (zie 1.2) gaat het om een selectiever vestigingsbeleid: alleen bedrijven met regionale binding. Dat zijn partijen die (1) aansluiten op bedrijvigheid die in de regio sterk verankerd zijn; of (2) logistiek die de bredere regio als verzorgingsgebied heeft; of (3) logistiek die bijdraagt aan/ randvoorwaardelijk is voor de energietransitie en circulaire transitie. Deze

ruimtevraag kan mogelijk landen in omliggende gemeenten of in andere regio’s met een logistiek profiel. Gemeenten blijven hier met elkaar over in gesprek. Daarnaast speelt er in West-Brabant de ontwikkeling van Powerport Moerdijk. De regio Moerdijk is een interessant gebied voor energieinfraprojecten voor de klimaat- en energietransitie. Er zijn weinig andere plekken in Nederland met vergelijkbare kwaliteiten die voor energie en economie projecten noodzakelijk zijn zoals hoge milieucategorie en de ligging aan nationale netwerken (water, weg, spoor en buis). De aanleg van grootschalige energie-infrastructuur, uitbreidingsruimte voor de industrie om te verduurzamen en groeiruimte voor de (circulaire) economie vragen om de strategische uitbreiding van het haven- en industriegebied. De balans en samenhang tussen grootschalige industrieontwikkeling en structurele leefbaarheidsinterventies is daarbij een belangrijke voorwaarde. Op dit moment worden de ruimtelijke implicaties van nationale en provinciale strategische ambities op het gebied van energie en circulariteit in beeld gebracht. Hoewel de precieze omvang nog onzeker is, wordt rekening gehouden met een substantieel aanvullende ruimtebehoefte.

Deze ontwikkeling kan tot een extra ruimtevraag in Hart van Brabant leiden, bijvoorbeeld doordat een deel van de logistieke vraag in WestBrabant niet meer aldaar kan worden geaccommodeerd. Of doordat de ontwikkeling van Powerport Moerdijk tot een impuls voor de maakindustrie leidt. Op dit moment is het nog te vroeg om hier conclusies over te trekken. Het advies is om met de regio West-Noord-Brabant en de provincie in gesprek te blijven over de ontwikkelingen rondom Powerport Moerdijk, en tegelijkertijd als regio na te denken over de positionering t.o.v. ‘overloop’ uit West-Brabant-West.

7

Programming bedrijventerreinen Regio Noordoost-Brabant (2024); Regionaal Programma Werklocaties Zuidoost Brabant – Uitvoeringsagenda (concept, maart 2025).

12

2.3

Conclusie

Voor de transitie naar een circulaire economie is een aanvullende ruimtebehoefte waarschijnlijk. Door onzekerheid in (externe) ontwikkelingen is het moeilijk om de vraag te kwantificeren. Adaptief beleid is dus noodzakelijk. Ook is het advies zuinig te zijn op bedrijventerreinen die kwalitatief aansluiten op de circulaire vraag. Het gaat dan om terreinen met multimodale bereikbaarheid (water/haven, spoor, weg), voldoende milieuruimte en voldoende omvang van kavels. Voor de mogelijke ruimtevraag door nationale en provinciale strategische ambities is het van belang in gesprek te blijven binnen de eigen regio (hoe verhouden we ons tot deze vraag), met de omliggende regio’s en de provincie.

13

3

Ambities (plan)ontwikkeling

Bij consistente inzet op het economische toekomstbeeld verandert de ruimtevraag naar bedrijventerreinen in Hart van Brabant tot aan 2040. Om het aanbod aan bedrijventerreinen in lijn te brengen met de ruimtebehoefte in het toekomstbeeld, is de ambitie om (1) het toekomstige aanbod aan campusachtig bedrijventerrein / innovatiedistricten te vergroten; (2) het toekomstige aanbod aan terreinen voor grootschalige productie te vergroten en (3) strategisch om te gaan met een mogelijk toekomstig overaanbod aan terreinen voor grootschalige distributie. In dit hoofdstuk geven we per ambitie een advies over de profilering en programmering van specifieke bedrijventerreinen. In bijlage 4 is een uitgebreide analyse en onderbouwing van het advies per bedrijventerrein te vinden. 3.1

Ambitie 1: vergroten toekomstig aanbod campusmilieus / innovatiedistricten

• • •

overwegend milieucategorie 3.2, waarbij voor bepaalde research & development activiteiten een hogere milieucategorie nodig is; voorzieningen als lab- en testruimte, vergaderruimte en hoogwaardige horeca; doorgaans kleinere kavels dan een hectare.

Let wel, het gaat om bedrijventerreinen met een belangrijk productieelement. Campussen en innovatiedistricten kunnen ook meer een onderwijs- of kantoorfunctie hebben. Ook deze gebieden zijn van groot belang voor het economisch toekomstbeeld, maar vallen buiten de specifieke scope van dit onderzoek, dat zich sec richt op de programmering van bedrijventerreinen. De integrale gebiedsontwikkeling in Tilburg van de Spoorzone en het Kenniskwartier (kennis-as)– die ruimte biedt aan onderwijs, innovatie en kennisintensieve kantoorfuncties – is dus van groot belang voor het toekomstbeeld, maar valt buiten de scope van de programmering van bedrijventerreinen. Afbeelding 3.1: Spoorzone Tilburg

De regio staat voor de ambitie om naar de toekomst toe ruimte te vinden voor de ontwikkeling van maximaal 18 ha netto aan campusachtig bedrijventerreinen /innovatiedistricten. Dit is nodig om in de minimale ruimtevraag te voorzien gericht op het bereiken van het economisch toekomstbeeld. De behoefte aan campusmilieus in de regio blijkt ook uit recente concrete marktvragen daarnaar vanuit Bosch (bedrijventerrein Het Laar) en Fujifilm (bedrijventerrein Vossenberg). Campusachtige bedrijventerreinen/innovatiedistricten kenmerken zich door8: • Toegang en/of nabijheid tot kennis / educatie; • een goede bereikbaarheid, vooral via het openbaar vervoer en liefst op loopafstand (binnen 1 km) van een (intercity)station; Bron: Gemeente Tilburg 8

Een nadere definitie van het werkmilieu is te vinden in bijlage 3

14

Op basis van een inventarisatie onder de regiogemeenten zijn er vier locaties die mogelijk (deels) kunnen voorzien in de toekomstige behoefte aan (producerende) campus/innovatiedistricten. Dit zijn: Bedrijven- Gemeente Huidig werkmilieu in terrein Afsprakenkader

Aeroparc

Gilze en Rijen

Kerkhoven Oisterwijk

Mogelijk (plan)ruimte voor campus/innovatiedistricten in netto ha

Tabel 3.1: Samenvatting kansen, belemmeringen en eindoordeel per terrein Terrein

Kwaliteiten locatie

Draagvlak en obstakels

Eindoordeel

Hard Zacht Herplanplan- ontwikkeling aanbod aanbod uitgegeven aanbod

Aeroparc

+

+/-

+

Kerkhoven

+/-

+/-

+/-

OisterwijkNoord

-

+/-

-

Wijkevoort

+/-

+/-

+/-

Regulier

3

Grootschalige productie

Oisterwijk- Oisterwijk Noord

Regulier

Wijkevoort Tilburg

Grootschalige distributie/grootschalige productie9

diepgaande analyse van de kansen en belemmeringen om de terreinen (verder) te ontwikkelen als campusachtig bedrijventerrein/innovatiedistrict. Een samenvatting is opgenomen in tabel 3.1.

* 7 2,3

*

*kansrijke locatie Voor elk terrein heeft Bureau BUITEN de huidige kwaliteiten en daaruit volgende kansen en belemmeringen voor ontwikkelingen als campusachtig bedrijventerrein/innovatiedistrict in beeld gebracht. Op basis van een uitvraag onder gemeenten zijn de politieke, juridische en planologische obstakels voor de ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Bijlage 4 geeft een

Op basis van de analyse volgt hieronder de ambitie voor de (plan)ontwikkeling voor campus/innovatiedistricten. Aeroparc in de gemeente Gilze en Rijen heeft de beste kaarten om het ruimtelijk aanbod aan campusachtige bedrijventerreinen in de regio naar de toekomst toe te vergroten door intensivering (met 3 ha netto zacht planaanbod) op de locatie naast de ‘smart industry hub’ Gate210. Het advies is om dit zachte planaanbod, dat nu nog een inefficiënte bedrijfskavel is, te herontwikkelen. Aeroparc ligt op circa 700 meter afstand van het station en is daarmee goed bereikbaar. De afstand kan worden verkort met de bushalte aan de Europalaan (500 meter) op bedrijventerrein Haansberg. Ook zijn er ver gevorderde plannen voor de herontwikkeling van de Spoorzone in Rijen.

9

Wijkevoort is in het Omgevingsplan aangeduid als ‘grootschalig functioneel’ met specifiek ruimte voor Smart Industries en Smart Logistics waarbij zowel ruimte is voor grootschalige productie, grootschalige distributie als een deel campus/innovatiedistrict.

10

1 hectare in gebruik als campus/innovatiedistrict

15

Dit zachte planaanbod is echter onvoldoende om in de gehele regionale ruimtebehoefte aan campus/innovatiedistricten te voorzien. Er zal dus aanvullend (plan)aanbod elders moeten worden gerealiseerd, ook omdat het planaanbod op Aeroparc nog niet is vastgelegd in het omgevingsplan. Het tweede gebied dat kan voorzien in de toekomstige vraag naar campusachtige bedrijventerreinen/innovatiedistrict is bedrijventerrein Wijkevoort in Tilburg. De ambitie is om een deel van het planaanbod als campus/innovatiedistrict te ontwikkelen. Het omgevingsplan biedt ruimte voor 2,3 ha netto voor kennisintensieve activiteiten. Het advies is om op Wijkevoort ten minste deze 2,3 ha aan hard planaanbod te ontwikkelen als campusachtig bedrijventerrein / innovatiedistrict. Dit aanbod kan relatief snel ontwikkeld worden, maar wacht nog wel op een uitspraak van Raad van State. Daarbij zijn er wel enkele kwalitatieve aandachtpunten: een campusachtig bedrijventerrein is bij voorkeur multimodaal bereikbaar, de openbare ruimte en de kavels zijn hoogwaardig ingericht en er is een onderwijs- of kennisinstelling of een kennisintensief bedrijf als ‘trekker’ aan het gebied verbonden.

Voor de gemeente Tilburg benoemen we de volgende onderzoeksopdracht: de gemeente Tilburg laat een onderzoek uitvoeren om met de beleidsrijke prognosecijfers voor Wijkevoort fase 1 te bekijken of meer dan 2,3 hectare ontwikkeld kan worden voor campus/innovatiemilieu om aan de toekomstige beleidsrijke vraag te voldoen. Na de ontwikkeling van Aeroparc en Wijkevoort resteert er – in het lage scenario - nog een tekort van circa 13 ha aan campus en innovatiedistricten. Op langere termijn, na 2030, zijn er kansen om het aanbod van campusachtig bedrijventerrein/innovatiedistrict op Wijkevoort verder uit te breiden. Het advies is om hierop voor te sorteren, maar dit wel

11

gefaseerd te doen: enkel nadat – en indien – de eerste 2,3 ha aan campusmilieu hier succesvol is ontwikkeld. Mogelijk kan Kerkhoven in Oisterwijk ook een rol vervullen. Het terrein functioneert momenteel als grootschalige productieterrein maar heeft enkele kwaliteiten die het mogelijk geschikt kunnen maken om het te herontwikkeling als campus/innovatiedistrict. Denk daarbij aan de sterk vertegenwoordigde HTSM en de ligging aan het treinstation Oisterwijk (halverwege Tilburg en Brainport). Wel moet er een flinke kwaliteitsimpuls komen voor het terrein om in de vraag naar campus/ innovatiedistricten te voorzien. Opgemerkt wordt daarbij ook dat herontwikkeling van Kerkhoven mogelijk leidt tot een vervangingsvraag voor grootschalige productie, waar in regionaal verband ook een ruimtelijke opgave voor is. Aanvullend op de bovenstaande zien we ook op bestaande bedrijventerreinen als Het Laar (Bosch) en Vossenberg (Fujifilm) in Tilburg campusmilieus ontstaan. Het advies is om te onderzoeken of er op nog meer plaatsen op bedrijventerreinen campusmilieus ontstaan en daar naar de toekomst toe ruimte aan te bieden. 3.2

Ambitie 2: vergroten toekomstig aanbod grootschalige productie

De regio heeft de ambitie om ruimte te vinden voor de ontwikkeling van 20 ha netto aan grootschalige productie. Dit is nodig om in de minimale toekomstige ruimtevraag te voorzien gericht op het bereiken van het economisch toekomstbeeld. Grootschalige productie locaties kenmerken zich door11: • Goede bereikbaarheid via de weg, met het OV is van ondergeschikt belang; • Multimodale ontsluiting (via weg en/of spoor) is voor bepaalde marktsegmenten ook belangrijk; • Mogelijkheid tot hoge milieu categorieën (4.1 of hoger);

Een nadere definitie van het werkmilieu is te vinden in bijlage 3

16

•

Overwegend kavels vanaf 1 ha, oplopend tot 5 ha of meer.

Op basis van een inventarisatie onder de regiogemeenten zijn er twee mogelijke locaties die mogelijk (deels) in deze toekomstige behoefte kunnen voorzien. Dit zijn: Bedrijventerrein Gemeente

Huidig werkmilieu in Afsprakenkader

Mogelijk (plan)ruimte voor grootschalige productie in netto ha Hard Zacht planaanbod planaanbod

Midden-Brabant Gilze en Poort uitbreiding Rijen Wijkevoort12

Tilburg

Regulier Grootschalige distributie

8 42

38

Ook voor deze terreinen hebben we de huidige kwaliteiten en daaruit volgende kansen en belemmeringen voor ontwikkelingen als grootschalig productiemilieu in beeld gebracht. Op basis van een uitvraag onder gemeenten zijn de politieke, juridische en planologische obstakels voor de ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Bijlage 4 geeft een diepgaande analyse van de kansen en belemmeringen om de terreinen (verder) te ontwikkelen als grootschalig productie terrein. Een samenvatting is opgenomen in tabel 3.2.

12

Genoemd areaal is inclusief mogelijke ontwikkeling campus/innovatiedistricten op Wijkevoort. Oppervlakte ontwikkeling campus/innovatiedistrict (2,3 ha hard)

Tabel 3.2: Samenvatting kansen, belemmeringen en eindoordeel per terrein Terrein

Kwaliteiten locatie Draagvlak Eindoordeel en obstakels

Wijkevoort

+

+

+

Midden-Brabant Poort uitbreiding

+

+/-

+/-

Op basis van de analyse volgt hieronder een toelichting op de (plan)ontwikkeling voor grootschalige productie: Het harde planaanbod van Wijkevoort in Tilburg heeft in het omgevingsplan de bestemming grootschalig functioneel bedrijventerrein. De gemeente zet daarbij specifiek in op de sectoren Smart logistics en Smart industry. De grote kavels kunnen afhankelijk van de vraag voorzien in behoefte voor grootschalig productie of grootschalige distributie. Op basis van de regionale opgave is de ambitie naar de toekomst toe om minimaal 20 ha van het harde planaanbod van 42 ha te ontwikkelen als grootschalig productie. Een deel (8 ha) van het zachte planaanbod op Midden-Brabant Poort in Gilze en Rijen kan mogelijk ontwikkeld worden als grootschalig productie terrein. Het draagvlak is echter nog onvoldoende onderzocht. Primair wordt ingezet op de verplaatsing van lokale bedrijven naar Midden-Brabant Poort. In relatie tot de ontwikkeling van Wijkevoort, waar meer ruimte is

moet dus worden afgetrokken van mogelijke planruimte voor grootschalige productie.

17

voor grootschalige productie bedrijfskavels, is het advies om de verschuiving van het aanbod op Midden-Brabant Poort niet te effectueren.

3.3

Ambitie 3: strategie voor mogelijk overschot (grootschalige distributie, totale bedrijventerreinmarkt)

In de ambitie die wij nastreven in de beleidsrijke prognose is er een overschot van 18 ha (scenario hoog) tot 76 ha (scenario laag) aan grootschalige distributie. In het hoge scenario verdwijnt dit overschot indien de adviezen over ontwikkeling Wijkevoort worden opgevolgd. In het lage scenario blijft een deel van dit overschot bestaan en ontstaat er ook een mogelijk overschot van 30 ha regulier bedrijventerrein. De ambitie is om niet over te gaan tot afwaarderen / afschalen van het totale planaanbod voor bedrijventerrein. Indien er – conform het lage, beleidsrijke scenario – een overschot zou ontstaan, dan is dit in de toekomst te benutten voor een mogelijke additionele vraag vanuit circulaire economie en het opvangen van mogelijke toekomstige transformatielocaties. Ook kan de ruimte benut worden mocht de regio er onverhoopt niet in slagen de intensiveringambitie op bedrijventerreinen te halen.

18

Bijlage 1: technische verdieping beleidsrijke ruimtebehoefte

Figuur b1.1: Schematische weergave van economische toekomstbeeld Hart van Brabant en bedrijventerreinensectoren

(Onderbouwing van) veronderstellingen: aanpassing ruimtebehoefteprognose Het economisch toekomstbeeld van Hart van Brabant gaat uit van het verder versterken, uitbouwen en benutten van de regionale kennis van Human Centered Innovation om een kwaliteitsimpuls van de economie te bereiken. De focus ligt daarbij op vier prominente sectoren in de regio: Logistiek & groothandel; Maak- en procesindustrie; Voedingsmiddelenindustrie en Leisure. Bedrijvigheid in de ICT en High Tech Systems & Materials (zowel van binnen de regio als daarbuiten) zijn belangrijk voor de innovatie om tot deze kwaliteitsimpuls te komen. Het bereiken van het economische toekomstbeeld vraagt brede ruimtelijkeconomische beleidsinzet. Deze inzet leidt mogelijk tot een andere ontwikkeling van de werkgelegenheid en het terreinquotiënt in de genoemde sectoren dan eerder (beleidsneutraal) is geraamd, en daarmee ook een andere kwantitatieve ruimtebehoefte. • In de prominente sectoren wordt gestreefd naar een kwaliteitsimpuls door o.a. innovatie gericht op groei van de arbeidsproductiviteit, wat mogelijk leidt tot arbeidsbesparing – minder banen(groei) – én hogere terreinquotiënten. Dit betekent dat er minder banen nodig zijn om hetzelfde werk uit te voeren, maar er meer ruimte per baan nodig is.

Ook wordt van de sectoren een grotere bijdrage verwacht aan de brede welvaart, waardoor de regio delen van de sector wellicht minder/anders (bijvoorbeeld meer gestapeld) wil faciliteren. Dit heeft ook mogelijk gevolgen voor de werkgelegenheid en het terreinquotiënt en daarmee dus ook op de ruimtevraag. • Voor de ICT en HTSM wordt voornamelijk ingezet op (banen)groei.

In de analyse worden alleen wijzigingen doorgevoerd voor de

‘bedrijventerreinensectoren’ uit het economische toekomstbeeld: 1. Logistiek & groothandel, totaal aandeel werkgelegenheid in de regio Hart van Brabant van 14,6%, waarvan 85,6% gevestigd is op een bedrijventerrein 2. Maak- en procesindustrie, totaal aandeel werkgelegenheid werkgelegenheid in de regio Hart van Brabant van 4,8%, waarvan 88,9% gevestigd is op een bedrijventerrein 3. Voedingsmiddelenindustrie, totaal aandeel werkgelegenheid in de regio Hart van Brabant van 2,0%, waarvan 84,3% gevestigd is op een bedrijventerrein 4. High Tech Systems & Materials, totaal aandeel werkgelegenheid werkgelegenheid in de regio Hart van Brabant van 4,8%, waarvan 90,1% gevestigd is op een bedrijventerrein In het bovenstaande lijst ontbreken de in het economische toekomstbeeld specifieke genoemde sectoren ICT en Leisure. Aanpassingen in de groeicijfers van de werkgelegenheid en het terreinquotiënt in deze sectoren hebben maar een beperkt effect op de ruimtebehoefte voor bedrijventerreinen en zijn dus weinig zinvol:

19

•

•

ICT is relatief veel gevestigd op bedrijventerreinen13 maar deze sector vraagt weinig ruimte per baan (veelal kantoorhoudende bedrijvigheid). Dus per saldo heeft banengroei in deze sector slechts een marginaal effect op de totale kwantitatieve ruimtebehoefte. Inzet op innovatie leidt wel tot een behoefte aan andere kwaliteiten voor de sector met een toenemend voorkeur van aansprekende plekken, in stedelijk weefsel, multimodaal ontsloten. Campus/innovatiedistricten passen hier goed bij. De gevolgen van deze kwalitatieve verschuiving wordt wel meegenomen in de analyse. Voor Leisure geldt ook dat deze sector maar beperkt op bedrijventerreinen is gevestigd en in het kader van effectief grondgebruik ook niet thuishoort op bedrijventerreinen. Toeleveranciers voor leisurebedrijven zitten deels wel op bedrijventerreinen zodat groei in de leisure ook tot extra groei zou kunnen leiden in andere sectoren (bv. bouw, machinebouw en onderhoud, food/catering) maar die invloed is te beperkt voor een aanpassing van de ruimtebehoefte.

Aanpassingen in ontwikkeling werkgelegenheid en terrein quotiënt per sector In de volgende paragrafen wordt per bedrijventerreinensector een voorstel gedaan hoe de inzet op het economisch toekomstbeeld de ontwikkeling van de werkgelegenheid en het terreinquotiënt kan beïnvloeden. Elke paragraaf start met een analyse van de recente ontwikkeling van de sector en de gehanteerde veronderstellingen in de beleidsneutrale raming. De mate waarin in de beleidsneutrale behoefteraming al rekening is gehouden met bepaalde ontwikkelingen die ook volgen uit het economisch toekomstperspectief bepaalt immers in welke mate er ruimte is voor een aanpassing in de analyse.

Aanpassingen in werkgelegenheidscijfers op basis van het economisch toekomstbeeld Het economisch toekomstbeeld van de regio Hart van Brabant geeft richting aan een doelgerichte ontwikkeling van de werkgelegenheid. Daarbij wordt niet alleen gestuurd op kwantitatieve groei, maar vooral op het faciliteren van bedrijvigheid die past binnen het gewenste economische profiel van de regio. De nadruk ligt op sectoren met hogere toegevoegde waarde, innovatiekracht en maatschappelijke relevantie. Tegelijkertijd wordt ingezet op een groei van de arbeidsproductiviteit, wat betekent dat per werknemer meer economische waarde wordt gecreëerd en de afhankelijkheid van grootschalige inzet van (goedkope) arbeidskrachten afneemt. De beleidsneutrale raming van de werkgelegenheid, zoals gehanteerd in de analyse van Stec Groep (2022), is gebaseerd op de bedrijfstakprognoses van het EIB. In deze prognose is reeds gedeeltelijk rekening gehouden met de verwachte stijging van de arbeidsproductiviteit en met de structurele beperkingen aan de groei van de beroepsbevolking. De groei van de arbeidsproductiviteit is dus impliciet al verwerkt in de beleidsneutrale raming.

Wat echter níet is meegenomen in de beleidsneutrale raming, is het effect van een kwalitatieve beleidssturing op de economische structuur – oftewel het actief selecteren en stimuleren van bedrijvigheid die aansluit bij het regionale toekomstbeeld. Deze strategische keuze vormt daarmee een belangrijk verschil tussen de beleidsneutrale en de beleidsrijke benadering, en vraagt om een aanvullende kwalitatieve doorvertaling in de programmering van werklocaties.

13

De sector zakelijke dienstverlening en ICT is in Hart van Brabant voor 23,8% gevestigd op een bedrijventerrein.

20

Gevolgen voor ontwikkeling werkgelegenheidscijfers De inschatting van de toekomstige werkgelegenheidsontwikkeling verschilt per sector en is mede afhankelijk van twee belangrijke factoren: • De mate waarin een sector aansluit bij het economisch toekomstbeeld van de regio Hart van Brabant, • De potentie van de sector om aanvullende arbeidsproductiviteitsgroei te realiseren. Daarbij is van belang op te merken dat in de beleidsneutrale raming al rekening is gehouden met een groei van de arbeidsproductiviteit en de structurele demografische ontwikkelingen, zoals een afname van de beroepsbevolking. De uitwerking van de werkgelegenheidsontwikkeling biedt per sector inzicht in vier elementen: 1. De feitelijke historische ontwikkeling van de werkgelegenheid in de sector; 2. De beleidsneutrale raming van de werkgelegenheidsgroei onder zowel een laag als hoog scenario; 3. Het effect van inzetten op het economisch toekomstbeeld, waarin met beleidsrijke aannames wordt doorgerekend wat de invloed is van beleidssturing zowel in een laag als hoog scenario; 4. Een kwalitatieve onderbouwing bij deze analyse, waarin per sector wordt toegelicht op welke wijze beleidskeuzes en economische kenmerken tot een afwijkend verloop kunnen leiden ten opzichte van de neutrale raming.

•

•

Enerzijds wordt ingezet op een toename van de arbeidsproductiviteit door innovatie, onder meer via robotisering, automatisering en digitalisering van productieprocessen. Dit betekent dat met minder werknemers dezelfde productie gerealiseerd kan worden, zonder dat het ruimtegebruik per se daalt. Dit resulteert in een toename van het terreinquotiënt: meer ruimte per werknemer. Anderzijds wordt beleidsmatig gestuurd op efficiënter ruimtegebruik, onder meer door het stimuleren van meervoudig ruimtegebruik, verticale productieprocessen, hogere bebouwingspercentages en compacter bouwen. Deze ontwikkeling leidt juist tot een afname van het terreinquotiënt, doordat per hectare meer economische activiteit en/of werkgelegenheid gerealiseerd kan worden.

In de beleidsneutrale raming van Stec is met beide autonome ontwikkelingen reeds rekening gehouden. Per saldo veronderstelt Stec voor alle sectoren een lichte groei van het terreinquotiënt, wat betekent dat het ruimtelijk beslag per werknemer gemiddeld genomen toeneemt. De exacte ontwikkeling verschilt echter per sector en wordt hieronder nader per sector toegelicht. Figuur b1.2: innovatie gericht op groei ruimteproductiviteit

Aanpassingen in ontwikkelingen terreinquotiënt op basis van het economisch toekomstbeeld Het terreinquotiënt – de hoeveelheid ruimte op bedrijventerreinen per werknemer – vormt een belangrijke indicator voor het ruimtelijk beslag van economische activiteiten. Binnen het economisch toekomstbeeld van de regio Hart van Brabant wordt op dit vlak gestuurd en uit zich in twee tegengestelde ontwikkelingen:

21

1.1 Logistiek en groothandel Werkgelegenheid Historische ontwikkeling en huidige situatie Met bijna 34.000 banen is de logistiek en groothandel de vierde sector van Hart van Brabant14. Bekende grote bedrijven zijn onder meer Bol.com, Albert Heijn (Distributiecentrum Tilburg) en DP World Logistics Netherlands. De sector heeft in Hart van Brabant tussen 2014 en 2023 een forse banengroei doorgemaakt (+3,1%/jaar). Er is sprake van specialisatie: de banengroei van de sector is sterker dan de groei van de totale werkgelegenheid in de regio (2,1%/jaar). Daarnaast is er regionale concentratie: Logistiek en groothandel groeit in Hart van Brabant sterker dan in Nederland (+1,2%/jaar). Uitgangpunten in beleidsneutrale raming In de beleidsneutrale raming wordt voor de sector een stabiele werkgelegenheid voorzien met in het hoge scenario een maximale banengroei van 0,2%/jaar t/m 2040. Een fors lagere groei dan in het recente verleden (en lager dan geraamd voor geheel Hart van Brabant +0,6%/jaar). In het lage scenario wordt zelfs een krimp voorzien in de werkgelegenheid (-0,1%/jaar). In de werkgelegenheidsprognose is dus al rekening gehouden met een sterke toename van de arbeidsproductiviteit (waardoor de werkgelegenheid afneemt).

Kader bedrijfstakprognoses EIB (bron: Stec, 2022) Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) heeft begin 2022 een nieuwe werkgelegenheidsprognose op laten stellen door het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB). Dit betreft een actualisatie en regionalisering van de bedrijfstakramingen die het EIB eerder opstelde (2019). EZK wil provincies en onderliggende regio’s hiermee

ondersteunen om in hun ruimtelijk beleid te anticiperen op deze ontwikkelingen. De bedrijfstakramingen geven de verwachte ontwikkelingen weer van het arbeidsvolume en de toegevoegde waarde voor 18 bedrijfstakken voor de periode 2019-2032, met een doorkijk op totaalniveau naar 2040. Het EIB hanteert twee scenario’s: laag en hoog. De toekomstige ontwikkeling van de (beroeps)bevolking is in de EIBraming een belangrijke determinant voor de toekomstige ontwikkeling van de werkgelegenheid. Het EIB baseert zich daarbij op de bevolkingsprognose van het CBS. De EIB-scenario’s zijn de basis voor de raming van de uitbreidingsvraag naar bedrijventerreinen in NoordBrabant. De verwachte groei per bedrijfstak van de EIB-scenario’s zijn op de werkgelegenheidscijfers van LISA uit 2019 gelegd (basisjaar EIBraming). Effecten van inzet op toekomstbeeld De aanpassing van de werkgelenheidscijfers is tweeledig: 1. Aanpassing door productiviteitsgroei met human centered innovation: De regio zet in op het verhogen van de arbeidsproductiviteit (door onder meer robotisering) waardoor minder arbeidskrachten nodig zijn en de toegevoegde waarde per baan stijgt. De sector is nu nog voor een groot deel afhankelijk van relatief goedkope (veelal laaggeschoolde en vaak internationale) arbeidskrachten.

De toekomstbestendigheid ligt in de transitie naar ‘smart logistics’ waarin digitalisering, automatisering en datagestuurd werken centraal staan. De toepassing van Human Centered Innovation – zoals serious gaming voor training van logistiek personeel of inzet van AI voor logistieke optimalisatie – kan hierin een belangrijke rol spelen. Zoals hierboven reeds beschreven houdt de beleidsneutrale raming al rekening met een groei van de arbeidsproductiviteit. Een verdere sterke afname van de werkgelegenheid door robotisering is niet realistisch.

14

Alleen de sectoren Overheid, zorg en onderwijs, Consumentendiensten, Dienstverlening & ICT tellen meer banen.

22

2. Aanpassing door inzet op partijen die bijdrage leveren aan brede welvaart: Deze sector heeft een grote ruimtelijke en maatschappelijke impact door zijn schaalgrootte. De regio wil logistieke partijen die een meerwaarde leveren in de regio (blijven) faciliteren. Dat zijn partijen die: ➢ aansluiten op bedrijvigheid die in de regio sterk verankerd zijn (bijvoorbeeld de voedingsmiddelenindustrie en maak- en procesindustrie); of ➢ logistiek die de bredere regio als verzorgingsgebied heeft (bijvoorbeeld distributiecentra van supermarkten in de regio). Tabel b1.1: Voorstel aanpassing werkgelegenheidsprognose in logistiek en groothandel (groei/jaar) Feitelijke ontwikkeling 3,1% 2014-2023: Raming Laag t/m 2030 Beleidsneutrale raming

-0,1%

Aanpassing door productiviteitsgroei met human centered innovation15

40.000 35.000

25.000

2031 t/m 2040

t/m 2030

2031 t/m 2040

-0,1%

0,3%

0,2%

15.000

-0,1%

10.000

20.000

5.000 0 2014 2016 2018 2020 2022 2024 2026 2028 2030 2032 2034 2036 2038 2040

-0,2%

Herijkte raming

-0,3%

-0,2%

-0,2%

-0,2%

Feitelijke ontwikkeling

Beleidsneutrale lage prognose

Beleidsneutrale hoge prognose

Beleidsrijke lage prognose

Beleidsrijke hoge prognose

-0,4%

0,1%

-0,1%

Cellen voor 2030 zijn leeg ivm de beperkte mogelijkheid voor beleidsinzet De werkgelegenheid in de sector is sinds 2019 (in een periode van hoogconjunctuur) veel sterker toegenomen dan langjarig wordt verwacht. Dit 16

Figuur b1.3: Logistiek en groothandel in Hart van Brabant: feitelijke ontwikkeling werkgelegenheid16 , beleidsneutrale banenprognose en beleidsrijke banenprognose

30.000

Raming Hoog

-0,1%

Aanpassing door inzet op partijen die bijdrage leveren aan brede welvaart

15

Andere vestigers (bijvoorbeeld logistiek voor geheel Noordwest-Europa en/of niet gerelateerd aan productieketens) dragen relatief weinig bij aan de brede welvaart van de regio: groot ruimtegebruik en een relatief lage economische toegevoegde waarde. De regio wil deze (veelal XXL-logistieke) partijen minder faciliteren. Naar schatting is circa 25% van de bedrijven footloose. Per saldo betekent deze inzet dat de bedrijvigheid/werkgelegenheid in de sector minder sterk zal groeien dan voorzien in de beleidsneutrale raming.

Bron: LISA en Stec verklaart waarom de feitelijke werkgelegenheid in 2022 hoger ligt dan de geraamde werkgelegenheid in datzelfde jaar (zie ook kader bedrijfstakprognoses EIB).

23

Terreinquotiënt Huidige situatie De sector kent in de uitgangssituatie een terreinquotiënt van 245 m²per baan. In verhouding tot de overige regio’s in de provincie Noord-Brabant is dat relatief laag. Ter vergelijking: in West-Brabant ligt het terreinquotiënt op 485 m² per baan.

Stec komt per saldo uit op een toename van het terrein quotiënt maar rekent voor de periode na 2030 dus wel met een afnemende groei van het terreinquotiënt als gevolg van stapeling. Logistiek valt in nieuwe panden relatief eenvoudig te stapelen. Optoppen van bestaande panden is vaak niet goed mogelijk door de constructie van de panden. Stapelen is daar alleen mogelijk met herontwikkeling, maar biedt dus wel kansen. Vanaf 2031 is daarom een aanpassing gedaan waarmee de terreinquotiënt gelijk blijft.

Uitgangspunten in beleidsneutrale raming Wat betreft de ontwikkeling van het terreinquotiënt gaat Stec in de beleidsneutrale raming uit van een groei van 0,8%/jaar. Stec houdt in deze prognose rekening met een sterke groei van het terreinquotiënt door digitalisering/robotisering17. Op langere termijn (na 2030) neemt de groei van het terreinquotiënt af door stapeling en efficiënter ruimtegebruik.

Tabel b1.2: Voorstel aanpassing terreinquotiënt in logistiek en groothandel (groei/jaar) T/m 2030 2031 t/m 2040

Effecten van inzet op toekomstbeeld Uit het economische toekomstperspectief komen twee tegengestelde ontwikkelingen wat betreft de ontwikkeling van het terreinquotiënt in de sector Logistiek en groothandel: 1. inzet op ruimte-intensivering door bijvoorbeeld gestapelde logistiek leidt tot een lager terreinquotiënt 2. inzet op innovatie/stijging arbeidsproductiviteit heft dit deels op (met minder mensen produceren we nog evenveel, met hetzelfde totale ruimtegebruik, dus meer ruimte per persoon)

Beleidsneutrale raming

1,1%

0,5%

Aanpassing door inzet groei arbeidsproductiviteit

0%

0%

Aanpassing door inzet op stapeling

0%

-0,5%

1,1%

0,0%

Herijkte raming

17

Op korte termijn toename daarna afname door stapeling en efficiënter ruimtegebruik

24

1.2 Voedingsmiddelenindustrie Werkgelegenheid Historische ontwikkeling en huidige situatie De voedingsmiddelenindustrie telt in Hart van Brabant ruim 4.500 banen (stand 2023), waarvan 3.800 op bedrijventerreinen. Onder de grootste werkgevers in de regio vallen onder meer Coca-Cola, VION (slachterij) en Agristo (producent van diepgevroren aardappelproducten). De voedingsmiddelenindustrie groeit sterk in Hart van Brabant. Vanaf 2014 groeide de werkgelegenheid met gemiddeld 2,3%/jaar. Daarmee groeit de sector sterker dan de gehele werkgelegenheid van de regio. Ook ten opzichte van Nederland doet de sector het in Hart van Brabant bijzonder goed. Uitgangspunten in de beleidsneutrale raming Ondanks de sterke groei van de sector in het recente verleden in de regio Hart van Brabant gaat de beleidsneutrale raming uit van een afname van de werkgelegenheid tot 2040 (met -0,6% tot -0,7% per jaar). Opvallend is dat er historisch sprake was van een specialisatie in de sector (groeiend aandeel in de regionale werkgelegenheid) terwijl de prognose uitgaat van een afname van het aandeel in de regionale werkgelegenheid. Reden voor deze veronderstelde afname is een toename in arbeidsproductiviteit waardoor arbeid wordt bespaard. Mogelijk speelt daarnaast de verwachte reductie van de veestapel (en daarmee een reductie in de vleesverwerkingsindustrie) mee.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16849359/1