CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1- Afsprakenkader Bedrijventerreinen Hart van Brabant 2025-2030

Raadscommissie Ruimte 15 april 2025, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: 25-009 Regionaal afsprakenkader bedrijventerrein 2025-203015.542 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Innovatie kan even goed 20

afkomstig zijn van een MKB’ers in Hilvarenbeek of van een logistiek grootbedrijf in Waalwijk. De toepassingsmogelijkheden van innovatie zitten bovendien vaak verspreid door de hele regio (en zelfs daarbuiten. Innovatie in de leisure in Hilvarenbeek biedt waarschijnlijk ook kansen in de leisure in Loon op Zand. Bovendien is innovatie vaak niet gebonden aan één sector maar kan die vaak breder worden ingezet. Denk aan innovatie in de dienstverlening met toepassingsmogelijkheden in zowel de zorg als de leisure. Figuur 3: Enkele economische ‘sterkten’ per gemeente

1.4

Van toekomstbeeld naar werklocatiebeleid

Kwantiteit en kwaliteit van werklocaties zijn cruciaal Last but not least dienen er voldoende en geschikte werklocaties en -milieus in Hart van Brabant aanwezig te zijn om het economisch toekomstbeeld te behalen. Deze moeten ruimte bieden aan de ontwikkeling van de huidige sterke sectoren, aan het brede regionale MKB maar ook de aan te trekken nieuwe bedrijvigheid. Zowel de beschikbaarheid van voldoende ruimte is daarbij van belang, maar ook om ligging en ontsluiting (waar), de kwaliteit en het soort werkmilieu (wat). Daarbij kunnen ook nog aanvullende criteria meegenomen worden in het beleid (welke soort bedrijvigheid wel, welke niet en op welke gronden wel/niet). Daarnaast zal de blik ook gericht moeten worden op de huidige voorraad: hoe kan deze toekomstbestendig worden gemaakt en hoe kan hier extra ruimte worden gecreëerd (bijvoorbeeld door verdichting en intensivering)? Ook zal de transitie naar duurzaamheid en circulariteit ruimtelijk gefaciliteerd moeten worden. De zoektocht naar voldoende en voldoende geschikte locaties raakt ook breder aan enkele belangrijke ruimtelijke afwegingen. Niet alle economische activiteiten zullen op ‘traditionele’ bedrijventerreinen en in kantoorgebieden landen. Er zijn ook bedrijven actief buiten deze terreinen, in woonwijken maar ook in landelijk gebied.

Vrijkomende agrarische bebouwing (VABs) kan mogelijk ruimte bieden aan dergelijke en andere economische activiteiten. Waar en hoe dit kan plaatsvinden moet verder worden uitgewerkt maar valt buiten de scope van dit afsprakenkader. 21

2. Kwalitatieve en kwantitatieve opgaven voor bedrijventerreinen 2.1 Kwantitatieve opgave bedrijventerreinen tot aan 2030 en 2040 Het aanbieden van kwantitatief voldoende bedrijventerreinen die aansluiten op de kwalitatieve behoefte is een randvoorwaarden om tot het gewenste toekomstbeeld uit hoofdstuk 2 te komen. Dit hoofdstuk schetst de opgave die de regio op dit vlak heeft, te beginnen bij de kwantitatieve opgave. Met andere woorden: hoeveel ruimte aan bedrijventerrein – totaal en per werkmilieu – moet de regio tot aan 2030 en 2040 accommoderen om in de geraamde marktvraag te voorzien? Verantwoording • De gemeente Heusden is niet meegenomen in de kwantitatieve opgave, omdat deze gemeente de afspraken over de kwantitatieve opgaven vastlegt in het afsprakenkader van Regio Noordoost Brabant • De ruimtebehoefte (vraag) is gebaseerd op de prognose van de provincie Noord-Brabant, uitgevoerd door Stec Groep (2022) en zijn geactualiseerd door Bureau BUITEN met peildatum 1-1-2024. • De planvoorraad (aanbod) is gebaseerd op een inventarisatie onder alle gemeenten met als peildatum 1-7-2024. Voor een totaaloverzicht van de programmering van alle bedrijventerreinen in de regio (hard en zacht planaanbod): zie bijlage 3. • Bijlage 2 bevat een nadere toelichting op gebruikte definities en bronnen. • In alle gevallen gaat het om de ruimtebehoefte en het planaanbod in netto hectaren.

Tot en met 2030 markt kwantitatief in evenwicht bij ontwikkeling volledig zacht planaanbod Voor de periode t/m 2030 wordt voor Hart van Brabant een uitbreidingsvraag aan bedrijventerreinen voorzien van minimaal 133 ha en maximaal 187 ha netto. Tegenover deze vraag staat een hard planaanbod tegenover van 73 ha netto. Daarnaast kent de regio nog voor nog voor 188 ha netto aan zachte plannen.9 Tabel 1: Beleidsneutrale vraag-aanbodconfrontatie t/m 2030 (netto ha) in scenario laag en hoog, inclusief zacht planaanbod (rood vak betekent een tekort aan ruimte)

N.B. conform afspraak 7 wordt bovenstaand kwantitatief beeld herijkt voor medio 2025. Zie verder bijlage 3 voor de programmeringstabel met hard en zacht planaanbod per terrein 9 Het terrein Uitbreiding De Sonman in Oisterwijk is als zoeklocatie benoemd in het koersdocument Oostflank en de

economische visie Oisterwijk. Het areaal van de uitbreiding (voorlopig geschat op 4 ha) is nog nader definitief te bepalen en is vooralsnog niet in de plantotalen meegenomen in dit rapport.

22

Zonder de ontwikkeling van het zachte planaanbod van 188 ha zou de regio afstevenen op een groot tekort aan bedrijventerreinen van minimaal 60 ha netto in scenario laag oplopend tot 114 ha netto in scenario hoog tot aan 2030. Bij de ontwikkeling van het volledige volume zacht planaanbod ontstaan op korte termijn (tot en met 2030) mogelijk overschotten. Het is echter onwaarschijnlijk dat het volledige planaanbod in een tijdsbestek van 5 jaar kan worden ontwikkeld. Op lange termijn zijn de zachte planvolumes bovendien nodig om in de vraag in scenario hoog te voorzien (zie volgende paragraaf). Een eventueel overaanbod is dus onwaarschijnlijk en zou zich slechts tijdelijk of in beperkte mate in scenario laag voordoen. Mogelijke grote tekorten t/m 2040 Voor de periode 2031 t/m 2040 verwacht STEC een aanvullende uitbreidingsruimtevraag voor Hart van Brabant van minimaal 100 ha netto en maximaal 167 ha netto. Boven op de uitbreidingsvraag wordt er tussen 2030 en 2040 ook een vervangingsvraag voorzien van 14 ha netto door de transformatie van bestaande bedrijventerreinen. De regio heeft in scenario hoog onvoldoende planaanbod om in deze ruimtevraag te voorzien, waarbij het tekort kan oplopen tot 108 ha netto. In scenario laag is er bij volledige ontwikkeling van het zachte planaanbod een overaanbod van 13 ha netto.

Zonder de ontwikkeling van het volledige zachte planaanbod vallen de kwantitatieve tekorten tot aan 2040 nog 188 ha hoger uit. Tabel 2: Beleidsneutrale vraag-aanbodconfrontatie t/m 2040 (in netto ha) in scenario laag en hoog, bij ontwikkeling zachte planaanbod (rood vak betekent een tekort)

N.B. conform afspraak 7 wordt bovenstaand kwantitatief beeld herijkt voor medio 2025. Zie verder bijlage 3 voor de concept-programmeringstabel met hard en zacht planaanbod per terrein In de tabellen 1 en 2 is de ruimtebehoefte tot slot ook steeds uitgesplitst naar kwalitatieve werkmilieus. Hieruit blijkt dat het beeld verschilt per werkmilieu; tot aan 2030 treedt er enkel in de werkmilieus ‘campus/innovatiedistrict’ en ‘grootschalige productie’ een tekort aan ruimte op. Tot aan 2040 ontstaat er – in het scenario ‘hoog’ in alle werkmilieus een tekort. Een definitie van de werkmilieus is opgenomen in onderstaande kadertekst. We merken daarbij op dat de werkmilieus geenszins volledig gescheiden deelmarkten zijn; er is per definitie overlap tussen de verschillende markten, en ruimtevragers kunnen vaak op meerdere soorten werkmilieus landen. Paragraaf 2.1.2

23

gaat verder in op de kwalitatieve vereisten die het economisch toekomstbeeld aan elk van de werkmilieus vergt. Definitie werkmilieus op basis van doelgroep (bron: Stec groep, bewerking Bureau BUITEN) Definitie werkmilieus Hart van Brabant: • Gemengd stedelijk: lichte bedrijvigheid, stadsverzorgend, klein tot middelgroot. • Campus/innovatiedistrict: locaties primair gericht op onderzoeks, innovatie-, onderwijsen ontwikkelingsactiviteiten. • Regulier: reguliere bedrijventerrein voor activiteiten als handel, bouw, productie, logistiek en transport (denk aan stadsdistributie, PostNL en DHL hubs). Overwegend (boven)lokale bedrijvigheid van kleine tot middelgrote omvang. • Grootschalige distributie (> 3 ha 22): grootschalige distributie en warehousing, (boven)regionaal. • Grootschalige productie: grootschalige (overwegend vanaf 1 ha) productie, assemblage, recycling, et cetera. In toenemende mate circulair, veelal regionaal georiënteerd, maar gaat ook om hoogwaardige bedrijven die internationale oriëntatie hebben. Deze ruimtevraag bestaat voor een groot deel uit Hoge Milieucategorie (HMC) bedrijven

2.1.2

Opgaven per werkmilieu

De markt voor bedrijventerreinen is geen homogene markt maar kent verschillende werkmilieus (segmenten) met eigen vraag en ruimtelijk aanbod. In provincie Noord-Brabant wordt – zoals in 2.1.1. al kort beschreven – bij de vraag naar het en aanbod van bedrijventerreinen onderscheid gemaakt in campus/innovatiedistrict, gemengd stedelijk, regulier, grootschalige distributie en grootschalige productie. Ook in de ruimtebehoefteraming van Stec is dit onderscheid gehanteerd10. De ruimtevraag per werkmilieu is afhankelijk van de autonome ontwikkeling van de economie én beleidsinzet om te sturen op de wenselijke ontwikkelingen. De ruimtebehoefteraming van Stec is echter beleidsneutraal opgesteld, hetgeen betekent dat er geen rekening is gehouden met (regionale economische) ambities en daarop gericht beleidsinzet. De ruimtelijke consequenties van de inzet op Human Centered Innovation komt dus niet op voorhand terug in de in de raming van de ruimtevraag. De geformuleerde ambitie voor de economie van Hart van Brabant heeft als randvoorwaarde dat er voldoende en geschikte werkmilieus zijn, zoals in paragraaf 1.4 toegelicht. Inzoomend op de bedrijventerreinen, heeft elk werkmilieu hierin een eigen rol.

Hierna wordt per werkmilieu uitgelegd welke eisen het economisch toekomstbeeld van Hart van Brabant aan het milieu stelt, en welke rol het betreffende werkmilieu heeft in het totale palet aan werklocaties.

10

In de ruimtebehoefteraming van Stec Groep is enkel voor de periode t/m 2030 is de ruimtevraag per werkmilieus kwantificeert. Bureau BUITEN heeft de additionele uitbreidingsvraag voor de periode 2031 t/m 2040 gelijk verdeeld over de werkmilieus als de uitbreidingsvraag voorzien t/m 2030.

24

Campus/innovatiedistrict11: aanbodontwikkeling noodzakelijk voor gewenste innovatievermogen van regio De regio zet met het economisch toekomstbeeld sterk in op Human centered innovation gericht op onder meer arbeidsproductiviteitsgroei, slimmere processen en verduurzaming. Deze inzet vraagt werkmilieus waar bedrijven en onderwijsinstellingen samenwerken aan innovatie (Robotica, smart industry, AI & gedrag en Immersive technology) met ruimte voor het ontwikkelen en testen. Campussen en innovatiedistricten kunnen voorzien in deze behoefte en zijn binnen het palet aan werkmilieus de broedplaats voor Human Centered Innovatief. Uiteraard vinden innovatie ook plaats in andere werkmilieus en bij individuele bedrijven (zoals bij IVY works, UNLOQ en Chainable) maar met de campus en innovatiedistricten biedt de regio ook een fysieke plek voor innovaties. In de beleidsneutrale ruimtebehoefteraming wordt t/m 2030 een uitbreidingsvraag voorzien van 5 ha netto en voor de periode 2030 t/m 2040 nog eens 5 ha netto. Door het ontbreken van planaanbod in dit werkmilieu worden tekorten voorzien van dezelfde omvang.

Het belang van innovatie in het economisch toekomstbeeld – en de constatering dat het regionale innovatieecosysteem in de regio versterking behoeft – vraagt dat de regio: • minimaal het volledige aanbod ontwikkelt om in de voorziene ruimtevraag in beleidsneutrale behoefteraming te voorzien • daarboven rekening houdt met een extra ruimtevraag die voortkomt uit het ‘beleidsrijke’ economische toekomstbeeld, en hiervoor aanvullend planaanbod op de markt brengt. In absolute zin landt de vraag vooral in stedelijke gebieden in de regio (m.n. Tilburg), maar ook in andere kernen in de regio kan deze vraag landen (een huidig voorbeeld is Gate2 in Gilze-Rijen12. Gemengd stedelijk: minimaal ontwikkelen van zacht planaanbod nodig voor aantrekkelijkheid van regio/stad Gemengd stedelijke terreinen zijn belangrijk voor het geambieerde economische toekomstbeeld omdat het belangrijke vestigingslocatie voor het MKB dat de regio graag wil versterken en verslimmen door de toepassing van Human Centered Innovation. De terreinen zijn ook belangrijk voor het economisch functioneren van de regio in bredere zin. Op de gemengd stedelijke bedrijventerreinen zijn ondernemers gevestigd die inwoners en ondernemers op korte afstand voorzien van algemene diensten en producten. Ze dragen daarmee bij aan de aantrekkelijkheid van de regio als vestigingsplaats voor ondernemers en (nieuwe) inwoners.

Het gaat om activiteiten als handel en reparatie, (stedelijke) diensten als verhuur, schoonmaak, beveiliging, consumentendiensten (waaronder leisure), kleinschalige productie, R&D, opslag en last mile logistiek. De beleidsneutrale raming voorziet t/m 2040 een tekort in scenario hoog aan gemengd stedelijk terreinen (zeer beperkt overschot in scenario laag). De regio komt tot 9 ha netto tekort. Daarbij is uitgegaan van de volledige ontwikkeling van het zachte planaanbod. Zonder de ontwikkeling van het zachte aanbod zijn de tekorten groter. Ook mogelijke toekomstige transformatie van bestaande terreinen in dit segment kan het tekort nog groter maken. Het is voor de geambieerde economische toekomstbeeld belangrijk om in de behoefte naar dit werkmilieu te voorzien. Hieruit volgend is inzet op de ontwikkeling van het zachte planaanbod gewenst, evenals het zoeken naar aanvullende planlocaties. Het gaat hier om locaties in de grote kernen, soms dichtbij of in woonwijken of gemengd met wonen.

11

Campussen en innovatiedistricten kunnen ook kantorenlocatie zijn. In dit afsprakenkader gaat het om locaties/terreinen waar bedrijfsruimte wordt geboden (zie ook scope in par. 1.1). 12 In SRBT-verband wordt inmiddels gewerkt aan verknoping van en uitwisseling tussen dergelijke werkmilieus in beide deelregio’s (Hart van Brabant en Baronie).

25

Figuur 4: Voorbeeld van gemengd stedelijk terrein: Kanaalzone, Tilburg

Regulier: gewenste kwaliteitsimpuls MKB’ers vraagt minimaal ontwikkeling zacht aanbod De reguliere bedrijventerreinen van de regio zijn de drager van het brede MKB (o.a. bouw, installatie, reguliere groothandel, maakindustrie), dat de ruggengraat is van de regionale economie. Ze zijn belangrijk voor het in stand houden van een groot deel van de economie van de regio en past daarmee goed binnen het economische toekomstperspectief van de regio. De ondernemers op deze terreinen dragen bovendien, mede door innovatie, bij aan het oplossen van de brede maatschappelijke opgaven als energie-onafhankelijkheid, arbeidsmarktkrapte en verduurzaming en vervullen dus een belangrijke rol in het verslimmen en verduurzamen van de regionale economie. Ze innoveren zelf én passen innovatie toe vanuit onder meer de campussen/innovatiedistricten. Daarmee dragen ze bij aan de brede welvaart van de regio. Ook de maatschappelijke betrokkenheid van MKB’ers op reguliere bedrijventerreinen heeft een positief effect op de brede welvaart. Figuur 5: Voorbeeld van regulier terrein: Tichelrijt I, Dongen,

26

Op basis van de beleidsneutrale ruimtebehoefteraming kent de regio t/m 2040 een totale ruimtevraag van minimaal 64 netto ha en maximaal 93 ha. Bij de realisatie van het volledige zachte planaanbod ontstaat er t/m 2040 een overaanbod van 17 ha in het lage scenario en is er een tekort van 12 ha in scenario hoog. Ook eventuele toekomstige transformatie van bestaande terreinen in dit segment kan het mogelijk tekort groter maken. Door onder meer het belang van reguliere bedrijventerreinen voor de brede welvaart en de kansen voor kwaliteitsimpulsen bij het MKB is het wenselijk om in de behoefte van naar dit werkmilieu te voorzien. Een tekort zorgt ervoor dat ondernemers, vaak met veel lokaal personeel en een lokale afzetmarkt, geen ruimte meer voor de gewenste (toegepaste) innovatie (en groei). Daarmee raakt een tekort ook de lokale leefbaarheid in de regio. Dat betekent dat een aanzienlijk deel van het zachte planaanbod moet worden gerealiseerd en dat de regio mogelijk aanvullend aanbod moet realiseren voor de periode na 2030 (in scenario hoog). Lokaal aanbod van reguliere bedrijventerreinen is daarbij wenselijk om het MKB te kunnen blijven huisvesten en de impact van het MKB op de brede welvaart te vergroten.

Grootschalige productie: dreigend tekort zet kwaliteitsimpuls industrie onder druk Door de geboden milieuruimte hebben grootschalige productieterreinen een belangrijke functie in de overgang naar een circulaire economie. Dat geldt voor de sterke maakindustrie en procesindustrie maar ook voor de voedingsindustrie. Daarmee zijn grootschalige productie terreinen belangrijke vestigingslocaties in de geambieerde economische toekomst van de regio. Tot en met 2040 wordt in de regio een tekort van 18 tot 32 ha netto aan grootschalige productielocaties voorzien. Dat blijkt uit een confrontatie van de beleidsneutrale vraagraming met het harde en zachte planaanbod. Een tekort aan ruimte voor grootschalige productie raakt de vestigingsmogelijkheid voor de maaken procesindustrie en voedingsmiddelenindustrie. Figuur 6: Voorbeeld van grootschalige productie terrein: Vossenberg, Tilburg,

27

Grootschalige distributie: scherpe selectie aan voorkant gewenst De logistiek is een belangrijke en prominente sector in Hart van Brabant en bedrijventerreinen voor grootschalige distributie zijn voor deze sector een belangrijke vestigingsplaats. Hoewel grootschalige distributie een belangrijk onderdeel is van de regionale economie, heeft uitbreiding ervan ook een grote ruimtelijke en maatschappelijke impact. Juist in dit segment is het daarom belangrijk niet alleen nieuwe bedrijventerreinen te ontwikkelen, maar ook het bestaande aanbod beter te benutten. Bovendien passen niet álle ruimtevragers in de logistiek en groothandel zonder meer in het economisch toekomstbeeld van de regio. De regio wil alleen onder voorwaarden voorzien in de ruimtevraag naar grootschalige distributie. In lijn met het economisch toekomstbeeld is er wél ruimte voor: • innovatieve en duurzame bedrijven in de logistiek die een bijdrage leveren aan de brede welvaart. Het gaat bijvoorbeeld om bedrijven die bijdragen aan de ‘modal shift’, de circulaire economie of die voorloper zijn op het gebied van efficiënt ruimtegebruik en elektrificatie. • bedrijven niet ‘footloose’ zijn maar binding hebben met de regionale economie (doordat bedrijven historische binding hebben met de regio, relaties hebben met andere bedrijven in de regio, voor hoogwaardige werkgelegenheid zorgt, of anderzijds).

Dit vraagt om scherpere eisen/selectie aan de voorkant. De beleidsneutrale ruimtebehoefteraming gaat t/m 2040 uit van een uitbreidingsvraag van minimaal 131 netto ha en maximaal 193 netto ha Grootschalige distributie terreinen. De regio heeft genoeg zacht en hard planaanbod om in de minimale vraag te voorzien maar loopt tegen tekorten aan in het hoge scenario volgens de beleidsneutrale raming. Echter, uit het beleidsrijke economische toekomstbeeld volgt dat de regio niet aan alle bedrijven zonder meer ruimte biedt maar hier kwalitatieve eisen aan stelt. Hieruit volgt dat de voorziene marktvraag in de beleidsneutrale ruimtebehoefteraming niet leidend voor de ruimtelijke plannen en de mate waarin de regio ruimte biedt op grootschalige distributie terreinen. Figuur 7: Voorbeeld van grootschalige distributie terrein: Haven VIII

28

2.2

Efficiënt ruimtegebruik

In veel werkmilieus kan de regio met het bestaande harde en zachte planaanbod niet voorzien in de voorziene ruimtebehoefte. Er is echter potentie om aanbod vrij te spelen door bedrijventerreinen sterk te intensiveren met inzet op efficiënter ruimtegebruik. Efficiënt ruimtegebruik gaat over het zo intensief mogelijk benutten van de ruimte op nieuwe bedrijventerreinen (bv. door meervoudig of meerlaags ruimtegebruik). De potentie voor intensiveren verschilt per werkmilieu en bedrijventerrein. Op basis van beleid in andere regio’s lijkt 5-10% (tot aan 2030) en 10-20% (tot aan 2040) intensiveren haalbaar13, mits vertaald in concrete instrumenten met consistente inzet. Een belangrijke aanname hierbij is, dat het huidige gebruik van verkeers-, parkeer- en opslagruimte in de open ruimte nog lang niet optimaal is. Deze voorzieningen kunnen worden gedeeld in tijd en ruimte met de nieuwe gebruikers, en indien nodig worden gestapeld. Mogelijke instrumenten zijn het toestaan van het stapelen van bedrijfsruimte, sturen op optimaal gebruik van bouwvlakken, intensivering van parkeerruimte (bv. stapelen) en mogelijk maken van meervoudig ruimtegebruik (bv. functies op daken).

Figuur 8: Potentie van intensivering per segment en totaal (staven laten de ruimtebehoefte zien als % van de reeds uitgegeven voorraad bij volledige ontwikkeling van de zachte planvoorraad) 20% 18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2%

0% Gemengd stedelijk

Regulier

T/m 2030 laag

Grootschalige productie

T/m 2030 hoog

Grootschalige distributie (XXL > 3 ha)

T/m 2040 laag

Totaal

T/m 2040 hoog

Figuur 8 toont per werkmilieu en voor alle bedrijventerreinen samen de benodigde ruimteintensivering van de bestaande terreinen om in de totale geraamde ruimtebehoefte te voorzien. Op basis van bovenstaande lijken deze verdichtingsopgaven haalbaar. Daarbij wordt wel uitgegaan van de volledige realisatie van het zachte planvolume. De verdichtingsopgave is het grootst in het werkmilieu gemengd stedelijk, waarbij in het hoge scenario tot 2040 de uitgegeven ruimte circa 17% efficiënter moet worden gebruikt.

13

https://www.provincie-utrecht.nl/sites/default/files/2021-02/Gids%20voor%20inspiratie%20en%20advies%20INTENS.pdf

29

2.3

Effectief ruimtegebruik

Mede door een gebrek aan geschikte alternatieve vestigingsplaatsen worden sommige kavels op bedrijventerreinen in de regio momenteel niet effectief gebruikt. Dit houdt in dat de kavels niet gebruikt worden voor de bedrijfsactiviteiten waarvoor ze bedoeld of het meest geschikt zijn (met andere woorden: zit het juiste bedrijf op de juiste plek). Voorbeelden zijn watergebonden (‘natte’) kavels waarbij de gevestigde ondernemer geen gebruikt maakt van de kade en ondernemers met een lage milieuhindercategorie op een kavel waarop tot een (veel) hogere milieuhindercategorie wordt toegestaan. In beide gevallen houden ondernemers kavels bezet voor activiteiten die wel afhankelijk zijn van de eigenschappen van de kavel. 2.4

Kwalitatieve opgaven: toekomstbestendige bedrijventerreinen die bijdragen aan de brede welvaart

Een toekomstbestendig bedrijventerrein heeft fysiek-ruimtelijk een hoge kwaliteit, levert een bijdrage aan maatschappelijke opgaven op gebied van brede welvaart (bv. duurzaamheid en gezondheid) en is sociaaleconomisch van betekenis. Deze kwaliteiten zijn essentieel om tot het gewenste economische toekomstbeeld te komen. De belangrijkste kwalitatieve opgaven zijn hieronder per pijler toegelicht. 2.4.1

Sociaaleconomisch

Organisatiegraad Inzetten op het verbeteren van de organisatiegraad op bestaande en nieuwe bedrijventerreinen in Hart van Brabant moet prioriteit krijgen wil de regio de bedrijventerreinen toekomstbestendig maken en houden. Een belangrijke voorwaarde om collectief aan de slag te gaan met de kwaliteit van een bedrijventerrein (bijvoorbeeld collectieve beveiliging) is namelijk dat de ondernemers op het terrein zijn georganiseerd. Dat kan door middel van een parkmanagementorganisatie, ondernemersvereniging of Bedrijven Investeringszone (BIZ). Uit de gegevens afkomstig van IBIS blijkt dat het merendeel van de terreinen niet (meer) over een dergelijke vorm van organisatie beschikt. Netcongestie Mogelijk de grootste opgave in de komende jaren is netcongestie. Dit geldt niet alleen voor de regio Hart van Brabant, maar door heel Nederland worden de grenzen van het net bereikt. Netcongestie heeft een direct effect ondernemers omdat zij geen (grotere) bedrijfsaansluiting kunnen krijgen en daarmee worden beperkt in hun ondernemer. Bovendien remt het de energietransitie omdat het de elektrificatie belemmert. Er is echter nog een grote elektrificatieopgaven: op onder meer Vossenberg, Haven Waalwijk en Kraaiven wordt nog veel gas verbruikt.

Arbeidsproductiviteit Met de structurele krapte op de arbeidsmarkt staan de (ondernemers op) de bedrijventerreinen voor de opgave om de arbeidsproductiviteit te verhogen (meer toegevoegde waarde per baan). Robotisering en digitaliseren bieden daarvoor in veel kapitaalintensieve sectoren zoals de logistiek en de industrie al kansen. Inzet van (nieuwe regionale) toegepaste technologie en innovatie (waaronder AI, robotica en Immersive Technologie) bieden kansen om de arbeidsproductiviteit verder te laten toenemen. Van bedrijventerreinen vraagt dat onder meer schuifruimte, waardoor ondernemers hun oude productie langzaam kunnen afbouwen en tegelijkertijd (elders) de nieuwe innovatieve productie kunnen starten. Verder kunnen in voor kapitaalintensievere sectoren hogere maximale bouwhoogtes (en soms grotere kavels) helpen om de innovaties ook ruimte-efficiënt te benutten.

30

2.4.2

Fysiek-ruimtelijk

Schoon, heel en veilig Bedrijventerreinen moeten minimaal schoon, heel en veilig zijn. Op veel terreinen in de regio is dat al het geval (mede door collectieve beveiliging) maar er zijn ook aandachtpunten. Tijdens de uitgevoerde schouw zijn op enkele terreinen achterstallig onderhoud (aan bestrating en straatmeubilair), zwerfafval of tekenen van vandalisme geconstateerd (zie figuur 9). Figuur 9: Voorbeelden van aandachtspunten schone, hele en veilige bedrijventerreinen in Hart van Brabant

Voorzieningen Voor werknemers zijn voorzieningen als een gemakswinkel, horeca en een sportschool relevante voorzieningen die de aantrekkelijkheid van het bedrijventerrein als (potentiële) werklocatie vergroten (zie figuur 10 met enkele voorbeelden in Hart van Brabant). Opgemerkt wordt wel dat het bieden van dergelijke voorzieningen op terreinen kan indruisen tegen een inzet op effectief ruimtegebruik. Een sportschool kan bijvoorbeeld waardevolle (milieu)ruimte bezet houden. Figuur 10: Voorbeelden van voorzieningen op bedrijventerreinen in Hart van Brabant

2.4.3

Duurzaam en gezond

Fiets- en wandelvriendelijkheid Fietsen en wandelen zijn gezonde en inclusieve methode van woon-werk vervoer; de veiligheid en aantrekkelijkheid voor fietsen en wandelen (tijdens een lunch-rondje) verschilt per terrein. Op een aantal terreinen zijn verbeteringen noodzakelijk. Voorbeelden zijn onder meer Vossenberg en Tijvoort waar het gebrek aan goede voorzieningen voor fietsers en met name wandelaars zich uit in wandelaars op straat en olifantenpaadjes (zie figuur 11). Op terreinen met veel vrachtverkeer zonder fietspaden ontstaan gevaarlijke verkeersituaties voor fietsers (onder meer geconstateerd op Zanddonk).

31

Kwaliteit en diversiteit groen Hoogwaardige groene bedrijventerreinen hebben een positieve uitstraling op het terrein, de arbeidsproductiviteit van werknemers en de leefomgeving. Desondanks is de kwaliteit en diversiteit van het groen op veel terreinen in de regio nog relatief laag. Het groen blijft op veel terreinen (zowel op openbare gronden als op private kavels) beperkt tot gras. Positief is dat er zichtbaar wel wordt geïnvesteerd in de groenkwaliteit door bijvoorbeeld de aanplanting van nieuwe bomen op Vossenberg. Indirect hebben de geplaatste insectenhotels (op o.a. Tijvoort en Metal Valley) een positieve bijdrage aan de groenkwaliteit van het terrein. Figuur 11: Voorbeelden fiets- en wandel(on)vriendelijkheid op bedrijventerreinen in de regio

Verharding: hittestress en wateroverlast Door de sterke mate van (onfunctionele) verharding op sommige bedrijventerreinen in de regio zijn bedrijventerreinen gevoelig voor hittestress en wateroverlast. Verharding zorgt er namelijk voor dat warmte wordt vastgehouden, met de toename van het aantal zomers en tropische dagen is dit een toenemende probleem. Verharding werkt ook wateroverlast in de hand omdat regenwater direct wordt afgevoerd en de riolering bij piekbuiten (die naar verwachting in frequentie toenemen) deze grote waterafvoer niet aankan. Voldoende groenvoorzieningen en wateropslag dragen bij aan waterretentie (minder overlast), het mitigeren van hittestress en een prettigere werkomgeving. Als positief voorbeelden in de regio kunnen de waterpartij op Metal Valley en het regenwaterinfiltratiegebied op Vossenberg worden genoemd (zie figuur 12). Figuur 12: Voorbeelden van (maatregen tegen) hittestress en wateroverlast op bedrijventerreinen in de regio

Toekomstbestendige bedrijventerreinen: accenten per werkmilieu Bovenop de hiervoor genoemde algemene kwaliteiten aan bedrijventerreinen gelden er voor de specifieke werkmilieus enkele aanvullende kwalitatieve vereisten en opgaven.

32

• Campus/innovatiedistrict: Campussen en innovatiedistricten moeten voldoen aan diverse kwaliteitseisen om innovatie en te bevorderen. Essentieel is het bieden van fysieke ruimte voor testen en experimenteren, ondersteund door gedeelde faciliteiten zoals laboratoria. De betrokkenheid van een anchorbedrijf en onderwijsinstelling is wenselijk, evenals betaalbare bedrijfsruimte voor start-ups en scale-ups. Het gebied moet ruimte bieden aan bedrijven in ten minste milieuhindercategorie 3.2 en bij voorkeur duidelijk geprofileerd zijn in een specifieke sector, zoals ICT/data, smart industry of slimme logistiek. Tot slot is het belangrijk dat het gebied een hoge aantrekkingskracht heeft op hoogopgeleide werknemers. Dit vraag niet alleen een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer, maar ook voorzieningen die relevant zijn voor werknemers, zoals horeca, sportfaciliteiten en kinderopvang. Ook moet er aandacht zijn voor hoogwaardige omgevingskwaliteit, met veel groen en mogelijkheden voor ontspanning, zoals wandelroutes. • Gemengd stedelijk: De belangrijkste kwaliteitseis voor gemengd stedelijk terreinen is een goede aansluiting op fijnmazige stedelijke infrastructuur. De bedrijventerreinen zijn immers de economische verzorgers van de stad. Wat betreft milieuhinder is er behoefte aan categorie t/m 3.1.

Dit betekent dat een deel van deze activiteiten zich niet goed laat mengen met woonfuncties. Kavelgroottes tot circa 1 ha zijn wenselijk. • Regulier: De bedrijfsactiviteiten op dit werkmilieu laten zich niet goed mengen met andere functies. Het is belangrijk dat er voldoende milieuruimte is (3.1 t/m 4.2) en dat de terreinen goed zijn ontsloten, bij voorkeur bij een directe aansluiting op een provinciale weg. Andere niceto-haves omtrent mobiliteit zijn laadpleinen voor elektrische voertuigen en gedeelde parkeervoorzieningen. Ondernemers vragen doorgaans een mix van kavels van kleiner dan 1 hectare en kavels tussen 1 en 2 hectare. • Grootschalige distributie: Directe aansluiting op de snelweg is een voorwaarde voor grootschalige distributie. Om de modal shift mogelijk te maken is nabijheid van water- en/of spoorterminal een duidelijk pré. Ook collectieve laad-infrastructuur de versterking van het wegennet (met het oog op zwaardere elektrische vrachtwagens) zijn relevant. Ondernemers vragen overwegend kavels vanaf 3 ha met milieuhindercategorie t/m 3.2 (incidenteel 4.2 bij ADR/chemisch). • Grootschalige productie: Grootschalige productie vraagt met milieuhindercategorie 4.1 of hoger met name milieuruimte. Ontsluiting niet door woongebied en nabijheid provinciale weg zijn vereisten, snelweg is pré.

Voor sommige werkmilieus is de nabijheid van een water- of spoorterminal een aanvullend pluspunt. Kavels zijn doorgaans 1 ha of groter.

33

Bijlage 2: Definities en bronnen Voor het afsprakenkader bedrijventerreinen worden de volgende definities en bronnen gehanteerd: • Regionale afbakening: De kwantitatieve analyse heeft betrekking op alle bedrijventerreinen in de gemeenten in de regio Hart van Brabant, bestaande uit de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk. De gemeente Heusden is niet meegenomen in de kwantitatieve opgaven; deze gemeenten maakt kwantitatieve afspraken in het verband van de regio Noordoost-Noord-Brabant. • Definitie bedrijventerrein: de afspraken betreffen de bedrijventerreinen die gemeenten bij IBIS Bedrijventerreinen hebben geregistreerd en die vallen binnen de scope van de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen van 2022. Daarbij wordt de volgende definitie voor bedrijventerreinen gehanteerd: “een werklocatie van minimaal 1 ha bruto bestemd en geschikt voor gebruik door handel, nijverheid en industrie. Op deze terreinen kan ook enige commerciële en niet-commerciële dienstverlening (zoals kantoorgebouwen, detailhandel) aanwezig zijn, maar deze hebben samen een minderheidsaandeel in de terreinoppervlakte” (IBIS Bedrijventerreinen, 2019). • Definitie werkmilieus: In de provinciale behoefteraming en in de inventarisatie van het aanbod aan bedrijventerreinen wordt onderscheid gemaakt naar verschillende kwalitatieve werkmilieus.

Deze zijn als volgt gedefinieerd, volgend uit de provinciale behoefteraming (Stec, 2022): – Gemengd stedelijk: lichte bedrijvigheid, stadsverzorgend, klein tot middelgroot. – Campus/innovatiedistrict: locaties primair gericht op onderzoeks, innovatie-, onderwijs- en ontwikkelingsactiviteiten. – Regulier: reguliere bedrijventerrein voor activiteiten als handel, bouw, productie, logistiek en transport (denk aan stadsdistributie, PostNL en DHL hubs). Overwegend (boven)lokale bedrijvigheid van kleine tot middelgrote omvang. – Grootschalige distributie: grootschalige distributie en warehousing (kavels vanaf 3 ha), van (boven)regionale betekenis. – Grootschalige productie: grootschalige (overwegend vanaf 1 ha) productie, assemblage, recycling, et cetera. In toenemende mate circulair, veelal regionaal georiënteerd, maar gaat ook om hoogwaardige bedrijven die internationale oriëntatie hebben. Deze ruimtevraag bestaat voor een groot deel uit Hoge Milieucategorie (HMC) bedrijven • De categorisering van alle bedrijventerreinen in verschillende kwalitatieve werkmilieus is door de deelnemende gemeenten aangeleverd. • De kwantitatieve ruimtebehoefte wordt gedefinieerd als het totale planaanbod minus het totaal van de geraamde uitbreidings- & vervangingsvraag. • Eenheden: in alle gevallen worden de ruimtebehoefte en het planaanbod in dit rapport gerapporteerd in netto hectaren.

• Vraagraming: – Bron: voor dit afsprakenkader vormt de Behoefteraming Bedrijventerreinen Noord-Brabant (2022, Stec Groep in opdracht van de provincie Noord-Brabant) het kwantitatieve uitgangspunt. Dit rapport raamt de behoefte aan bedrijventerreinen in de regio (totaal en per werkmilieu) in twee scenario’s (hoog en laag) tot aan 2030 en 2040. – De uitbreidingsvraag (in netto ha) voor Hart van Brabant tot aan 2030 zoals geraamd in de provinciale behoefteraming had een looptijd van 9 jaar (vanaf peildatum 1-1-2022 tot aan einde 2030). Deze is ten behoeve van het afsprakenkader geactualiseerd door Bureau BUITEN, door 7/9 van de geraamde vraag voor de periode 2022-2030 te nemen. Immers wordt al peildatum voor het afsprakenkader 1-1-2024 genomen i.p.v. 1-1-2022 (dus een looptijd van 7 jaar).

34

– Vervangingsvraag: De verwachte vervangingsvraag (in netto ha) door de transformatie van bedrijventerreinen is ten behoeve van het afsprakenkader door Bureau BUITEN uitgevraagd onder de regiogemeenten. Een overzicht hiervan is opgenomen in bijlage 3. • Planaanbod: – Bron: de programmeringstabel (bijlage 3) is opgesteld o.b.v. een inventarisatie onder gemeenten door Bureau BUITEN van het planaanbod op bedrijventerreinen, met als peildatum 1 juli 2024. Het betreft de terreinen die gemeenten bij IBIS Bedrijventerreinen hebben geregistreerd en die vallen binnen de scope van de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen van 2022. – Hard planaanbod wordt gedefinieerd als planlocaties voor bedrijventerreinen die zijn vastgelegd in omgevingsplannen conform de definitie van IBIS. – Zacht planaanbod wordt gedefinieerd als planlocaties die nog niet zijn vastgelegd in omgevingsplannen conform definitie IBIS, maar die door de gemeente en/of provincie al wel in beleidsplannen (bv. economisch beleid, werklocatiebeleid, omgevingsvisie, of ander beleid) zijn aangewezen als (mogelijke) locaties voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen. Binnen het totale aanbod aan zachte plannen kan de mate waarin de planvorming in voorbereiding is, verschillen.

35

Bijlage 3: Programmeringstabel planaanbod en transformatieplannen (per 17-2024) De lijst hieronder geeft een overzicht van de het harde en zachte planaanbod per bedrijventerreinen. Ook de verwachte vervangingsvraag tot 2030 en 20302040 is opgenomen. Alle gegevens zijn in het kader van dit project opgehaald bij gemeenten met peildatum 1-7-2024. Conform afspraak 7 uit het afsprakenkader bedrijventerreinen wordt tussen december 2024 en juni 2025 onderstaand overzicht herijkt conform het economisch toekomstbeeld. Vervolgens wordt in juni 2025 een herijkte versie van de programmeringstabel ter vaststelling aangeboden. Gemeente

Plannaam

Werkmilieu

Oppervlakte reeds uitgegeven (netto ha)

Hard planaanbod (netto ha)

Dongen

De Wildert

Grootschalige distributie

Dongen

Kanaalstraat/Pr. Magrietstraat

Regulier

Dongen

Tichelrijt I

Regulier

68

Dongen

Tichelrijt II

Regulier

15

1

Dongen

Tichelrijt III

Regulier

0

1

Dongen

Tichelrijt Zuid

Regulier

1

1

Gilze en Rijen

Aeroparc

Regulier

14

Gilze en Rijen

Berkhaan

Regulier

6

Gilze en Rijen

Broekakkers

Grootschalige distributie

39

Gilze en Rijen

Broekakkers Zuid

Regulier

5

Zacht planaanbod (netto ha)

Verwachte vervangingsvraag tot 2030 (netto ha)

Verwachte vervangingsvraag 2030-2040 (netto ha)

40 7

13 3

36

Gemeente

Plannaam

Werkmilieu

Oppervlakte reeds uitgegeven (netto ha)

Hard planaanbod (netto ha)

Gilze en Rijen

Haansberg

Grootschalige productie

63

1

Gilze en Rijen

Midden-Brabant Poort

Regulier

16

Gilze en Rijen

Midden-Brabant Poort uitbreiding

Regulier

Gilze en Rijen

Midden-Brabant Poort uitwerkingsbevoegdheid

Regulier

Gilze en Rijen

Nerhoven

Gemengd stedelijk

Gilze en Rijen

Uitbreiding Haansberg

Regulier

Gilze en Rijen

Van Ghertstraat

Regulier

5

Goirle

BT Riel

Regulier

8

Goirle

Tijvoort

Regulier

60

Goirle

Uitbreiding Tijvoort

Gemengd stedelijk

0

Hilvarenbeek

Beekseweg

Regulier

2

Hilvarenbeek

Bukkumweg

Regulier

9

Hilvarenbeek

Julianastraat

Regulier

2

Hilvarenbeek

Mierbeek

Regulier

18

Hilvarenbeek

Mierbeek-Noord

Regulier

0

Hilvarenbeek

Nieuwe Erven

Regulier

1

Hilvarenbeek

Slibbroek

Regulier

8

Zacht planaanbod (netto ha)

0

13

0

7

0

3

Verwachte vervangingsvraag tot 2030 (netto ha)

Verwachte vervangingsvraag 2030-2040 (netto ha)

3

2

1

3

37

Gemeente

Plannaam

Werkmilieu

Oppervlakte reeds uitgegeven (netto ha)

Hard planaanbod (netto ha)

Zacht planaanbod (netto ha)

Hilvarenbeek

Slibbroek-Noord

Regulier

0

Hilvarenbeek

Wilhelminadijk

Regulier

3

Loon op Zand Bedrijvenpark Kaatsheuvel

Regulier

Loon op Zand Bedrijvenpark Kaatsheuvel deel 2

Regulier

Loon op Zand De Hoogt

Regulier

7

Loon op Zand De Kets West III

Regulier

0

5

Oisterwijk

Bedrijfsweg

Regulier

0

514

Oisterwijk

De Sonman

Regulier

7

Oisterwijk

Uitbreiding De Sonman

Gemengd stedelijk

Oisterwijk

Hopveld

Regulier

2

Oisterwijk

Hopveld II

Regulier

3

1

Oisterwijk

Kerkhoven

Grootschalige productie

57

2

Oisterwijk

Laarakkers

Regulier

13

Oisterwijk

Stokeind

Regulier

7

Verwachte vervangingsvraag tot 2030 (netto ha)

Verwachte vervangingsvraag 2030-2040 (netto ha)

3 3

34 6

0

415

3

14

Motie zorgt waarschijnlijk voor een andere invulling. Het terrein Uitbreiding De Sonman in Oisterwijk is als zoeklocatie benoemd in het koersdocument Oostflank en de economische visie Oisterwijk. Het areaal van de uitbreiding (voorlopig geschat op 4 ha) is nog nader definitief te bepalen en is vooralsnog niet in de plantotalen meegenomen in dit rapport. Op dit bedrijventerrein zijn de afspraken voor de ontwikkeling van zachte planlocaties opgenomen in de programmeringstabel van toepassing. 15

38

Gemeente

Plannaam

Werkmilieu

Oppervlakte reeds uitgegeven (netto ha)

Oisterwijk

Oisterwijk-Noord

Regulier

Tilburg

AaBe Ringbaan Zuid

Grootschalige productie

Tilburg

Afronding Kraaiven

Gemengd stedelijk

Tilburg

Albion

Regulier

Tilburg

Bedrijvenpark Broekhoven

Gemengd stedelijk

Tilburg

Bedrijvenpark Enschot

Gemengd stedelijk

Tilburg

Bedrijvenpark Schepersven

Regulier

Tilburg

Bedrijvenpark Willem II

Gemengd stedelijk

1

Tilburg

Beneluxterrein

Gemengd stedelijk

2

Tilburg

Dalem Stadsrand Zuid

Regulier

3

Tilburg

Heikant

Regulier

8

Tilburg

Het Laar

Regulier

36

Tilburg

Kanaalzone

Gemengd stedelijk

60

Tilburg

Kapelmeesterlaan

Regulier

2

Tilburg

Katsbogten

Regulier

71

Tilburg

Koningshoeven

Gemengd stedelijk

7

Tilburg

Kraaiven

Grootschalige productie

173

Tilburg

Kreitenmolen

Grootschalige productie

32

Hard planaanbod (netto ha)

Zacht planaanbod (netto ha)

Verwachte vervangingsvraag tot 2030 (netto ha)

Verwachte vervangingsvraag 20302040 (netto ha)

7 (zoeklocatie) 3 3 13 3 6

4

0

15

1

39

Gemeente

Plannaam

Werkmilieu

Oppervlakte reeds uitgegeven (netto ha)

Hard planaanbod (netto ha)

Tilburg

Loven

Regulier

159

Tilburg

Lovensestraat

Regulier

2

Tilburg

Middenbrabantweg

Regulier

11

Tilburg

Paletplein

Regulier

1

Tilburg

Piushaven

Gemengd stedelijk

4

Tilburg

Quirijnstok

Grootschalige productie

2

Tilburg

Reitse Hoevenstraat

Regulier

5

Tilburg

Rhijnkant + uitbreiding

Regulier

5

Tilburg

Tradepark 58

Regulier

16

Tilburg

Voltcomplex

Gemengd stedelijk

5

Tilburg

Vossenberg

Grootschalige distributie

215

3

Tilburg

Vossenberg West II

Grootschalige productie

79

0

Tilburg

Vossenberg-West I

Grootschalige productie

91

Tilburg

Wijkevoort

Grootschalige distributie / Grootschalige productie16

0

Zacht planaanbod (netto ha)

Verwachte vervangingsvraag tot 2030 (netto ha)

Verwachte vervangingsvraag 2030-2040 (netto ha)

2

3

42

38

16

Wijkevoort is in de huidige bedrijventerreinafspraken Regio Hart van Brabant 2020-2024 opgenomen als grootschalig functioneel. Voor het huidige afsprakenkader voor Wijkevoort-fase 1 geldt dat de gemeente deze locatie ziet als bedrijventerrein voor grootschalige Smart Industries en Smart Logistics, dat betekent in de nieuwe methodiek dat Wijkevoort zowel grootschalig productie als distributie kan huisvesten. Dit met de aanvulling dat de gemeente Tilburg onderzoekt hoe zij Wijkevoort (vooralsnog binnen deze werktypologieën) kan ontwikkelen als innovatiecampus en MKB bedrijvigheid tot 2,5 hectare (conform raadsmotie en daaruit voortvloeiende regionale afstemming), passend bij en van toegevoegde waarde voor het regionale ruimtelijk-economisch toekomstbeeld dat nog veel meer dan eerst inzet op kennisintensieve, hoogtechnologische bedrijvigheid. Vooralsnog is het volledige planaanbod in Wijkevoort in de programmeringstabellen tot ‘grootschalige distributie’ gerekend.

40

Gemeente

Plannaam

Werkmilieu

Oppervlakte reeds uitgegeven (netto ha)

Hard planaanbod (netto ha)

Zacht planaanbod (netto ha)

Waalwijk

Afbouw Haven I t/m VI

Grootschalige distributie

27

Waalwijk

Berkhaag

Regulier

17

Waalwijk

Besoyen Noord

Regulier

4

Waalwijk

Besoyen West

Gemengd stedelijk

3

Waalwijk

Eerste Zeine

Regulier

5

Waalwijk

Haven

Grootschalige productie

214

Waalwijk

Haven VII

Grootschalige distributie

76

Waalwijk

Haven VIII fase 1 En 2

Grootschalige productie

35

Waalwijk

Haven VIII Oost

Grootschalige distributie

13

22

Waalwijk

Haven VIII Oost fase 2

Grootschalige distributie

0

35

Waalwijk

Kerkvaartsche Haven

Regulier

0

11

Waalwijk

Laag Einde

Regulier

6

Waalwijk

Maasoever

Grootschalige productie

31

Waalwijk

Nederveenweg

Regulier

5

Waalwijk

Waalwijk Insteekhaven

Grootschalige distributie

0

Waalwijk

Zanddonk

Grootschalige productie

42

Waalwijk

Zanddonk NW

Regulier

10

Verwachte vervangingsvraag tot 2030 (netto ha)

Verwachte vervangingsvraag 2030-2040 (netto ha)

5

0

0 8

12

41

Bijlage 4: Vraaggericht ontwikkelen (versie 2024) Werkwijze Voor de zachte plannen in het werkmilieu ‘grootschalige distributie’ en voor de ontwikkeling van nieuwe planlocaties die niet in bijlage 3 (programmeringstabel) zijn opgenomen, hanteren we de procedure van ‘vraaggericht ontwikkelen’. Hieronder beschrijven we de procedure. Deze zijn ongewijzigd ten opzichte van het afsprakenkader 2020-2024. Op het moment dat een eindgebruiker met een concrete vraag zich meldt bij een gemeente zijn er een aantal stappen te nemen en een aantal opties voor de vervolgprocedure. • Allereerst wordt bekeken of de vraag geaccommodeerd kan worden in de bestaande voorraad (bestaand of harde planvoorraad). Hierbij vinden we het belangrijk dat lokale bedrijven die willen uitbreiden en/of lokaal willen verplaatsen, lokaal gevestigd blijven. Als dit leidt tot uitgifte van een kavel wordt deze uitgifte gemeld in de werkgroep economie. • Als de vraag in desbetreffende gemeente niet geaccommodeerd kan worden in de bestaande (harde plan)voorraad dan wordt de vraag gedeeld in het regio-loket. Het regio-loket bestaat uit alle bedrijfscontactfunctionarissen uit de regio. De procesmanager werklocaties van de provincie Noord-Brabant wordt hierbij geïnformeerd. Het regio-loket informeert periodiek de werkgroep economie over de laatste stand van zaken.

• Als dit leidt tot huisvesting van desbetreffende vraag in de bestaande (harde plan)voorraad van een andere gemeente vindt er warme overdracht plaats en indien er sprake is van uitgifte van een kavel wordt dit door de ontvangende gemeente gemeld in de werkgroep economie. Jaarlijks worden de mutaties verwerkt in IBIS. • Als er voor de eindgebruiker met een concrete vraag geen mogelijkheden zijn om zich te huisvesten in de bestaande (harde plan)voorraad in de regio wordt gekeken of er mogelijkheden zijn om de huisvesting mogelijk te maken door de ontwikkeling van zachte planvoorraad. • Deze concrete vraag wordt besproken in de combi werkgroep economie en RO in de regio. • Indien het voorstel op de algehele instemming kan rekenen van beide werkgroepen en daarmee alle regiogemeenten en provincie wordt deze voorgelegd aan het Poho Fysiek ter instemming. Als Poho Fysiek unaniem instemt met het voorstel, dan kan de bestemmingsplanprocedure voor het realiseren van het voorstel worden opgestart. • Indien er binnen de werkgroep economie en RO geen algehele instemming is of deze concrete vraag passend is wordt voor deze casus een projectgroep ingericht bestaande uit een mix van leden uit de verschillende werkgroepen. Zij bekijken vervolgens wat nodig is om tot een beoordeling te komen die kan worden voorgelegd aan het Poho Fysiek.

Hierbij valt te denken aan het organiseren van omgevingstafels, inhuren van externe expertise, inzetten van een bemiddelaar. We accepteren hierbij dat complexe vraagstukken meer tijd kosten dan aanvragen die direct passend zijn binnen het kader. • Het voorstel inclusief het advies wordt ter instemming voorgelegd aan het POHO Fysiek. Indien dit leidt tot een unanieme instemming kan voor desbetreffend (deel van het) bedrijventerrein een bestemmingsplanprocedure worden opgestart. Indien dit niet leidt tot unanieme instemming in het Poho Fysiek dient de gemeente waar de eindgebruiker zich gemeld heeft met een aangepast voorstel te komen. Dit voorstel volgt dan de gebruikelijke procedure en wordt beschouwd als een nieuwe concrete vraag.

42

Voorwaarden Indien er geen oplossing gevonden kan worden in de bestaande voorraad, dient aangetoond te worden dat er wordt voldaan aan een vraaggerichte ontwikkeling. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden: 1. Een bekende eindgebruiker of een intermediair met een bekende eindgebruiker; 2. Die bereid is om een intentieovereenkomst te tekenen voor een locatie tegen de daar geldende marktprijzen; 3. Aantoonbaar kan maken dat hij voor de aankoop van de grond en voor het te realiseren bedrijfsgebouw de benodigde financiering heeft of kan krijgen; 4. Waarbij als enige ontbindende voorwaarde geldt het binnen het vooraf afgesproken tijdpad beschikbaar komen van de locatie (op basis van proceduretijden zoals gebruikelijk voor de planningsfase van de locatie); 5. En waarvoor bij aanvang duidelijk is dat redelijkerwijs niet op bestaande bedrijventerreinen of bouwrijpe gronden ruimte geschikt is; 6. Bij de grondaankoop (of wijziging bestemmingsplan als ruimtevragende partij in eigen beheer en op eigen risico ontwikkelt) borgen bedrijf en gemeente aan de voorkant dat na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning binnen een vooraf te bepalen periode de ontwikkeling is gerealiseerd.

Indien dat niet gebeurd is, dan heeft de gemeente een recht van terugkoop of wordt de bedrijfsbestemming weer omgezet naar de oorspronkelijke bestemming, waarbij het recht op planschade komt te vervallen. Daarnaast vraagt de regio een extra inspanning op het gebied van duurzaamheid, organisatiegraad en - indien de inzet van arbeidsmigranten benodigd is - de huisvesting van deze arbeidsmigranten. We verwijzen naar afspraak 21 voor een specificatie van deze vereisten.

43

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15275194/1