CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1- Afsprakenkader Bedrijventerreinen Hart van Brabant 2025-2030

Raadscommissie Ruimte 15 april 2025, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: 25-009 Regionaal afsprakenkader bedrijventerrein 2025-203015.542 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Afsprakenkader Bedrijventerreinen Hart van Brabant 2025-2030

1

Inhoud Afsprakenkader bedrijventerreinen Hart van Brabant 2025-2030

3

1. 2. 3. 4.

5 6 11 13

Economisch toekomstbeeld regio Hart van Brabant Beter benutten bestaande bedrijventerreinen en programmering nieuwe terreinen Toekomstbestendige bedrijventerreinen en bijdrage aan brede welvaart Uitvoering, governance en monitoring

Bijlage 1: Verdiepend rapport toekomstbeeld, opgaven en programmering

16

Bijlage 2: Definities en bronnen

34

Bijlage 3: Programmeringstabel planaanbod en transformatieplannen (per 1-7-2024)

36

Bijlage 4: Vraaggericht ontwikkelen (versie 2024)

42

Datum: Status: Auteurs:

3 december 2024 Versie voor behandeling in Ontwikkeldag SRBT Maarten Kruger, Miles Copping & Nanne van der Struijs (Bureau BUITEN) onder begeleiding van projectgroep Afsprakenkader Bedrijventerreinen in opdracht van de regio Hart van Brabant

2

Afsprakenkader bedrijventerreinen Hart van Brabant 2025-2030 Inleiding, leeswijzer en uitgangspunten Voor u ligt het afsprakenkader bedrijventerreinen Hart van Brabant 2025-2030 (kort: ‘afsprakenkader’). De gemeenten in de regio Hart van Brabant en de provincie Noord-Brabant leggen hierin de afspraken vast over: 1. Het gezamenlijke economische toekomstbeeld van de regio dat mede als basis dient voor de afspraken over de bedrijventerreinen: Het economisch toekomstbeeld van Hart van Brabant gaat uit van een kwaliteitsimpuls voor de prominente sectoren in de regio (logistiek & groothandel, maak- & voedingsindustrie en leisure). De regio vergroot en benut haar kennis en kunde op het snijvlak van technologie & gedrag (‘Human Centered Innovation’) om innovatie en verduurzaming in deze sectoren te bevorderen en de bijdrage aan de brede welvaart te vergroten. Dit bevordert ook de groei van kennisintensieve sectoren als High Tech Systems & Materials en ICT & data, waarmee de regionale economie diverser en weerbaarder wordt. Het economisch toekomstbeeld vraagt om regionale samenwerking, een vestigingsklimaat dat talent en bedrijven aan de regio bindt (dankzij goed onderwijs, multimodale bereikbaarheid, leisure- en cultuuraanbod, een aantrekkelijk buitengebied en meer) én voldoende ruimte voor bedrijven, op toekomstbestendige werklocaties. 2.

Het efficiënt en effectief benutten van bestaande bedrijventerreinen (onder meer door ruimteintensivering) en het uitvoeren van een procesafspraak over de herijking van de programmering van nieuwe bedrijventerreinen, in de periode tussen december 2024 en juni 2025. Doel hiervan is om het planaanbod van bedrijventerreinen kwalitatief meer in lijn te brengen met het economisch toekomstbeeld. Voldoende ruimte voor werken op locaties met de juiste kwaliteiten is immers een belangrijke randvoorwaarde voor het economisch toekomstbeeld. 3. De toekomstbestendigheid van bestaande en nieuwe bedrijventerreinen, en het vergroten van de bijdrage van bedrijventerreinen en hun gebruikers aan de brede welvaart in de regio. Immers is ook de kwaliteit en toekomstbestendigheid van bedrijventerreinen een belangrijke randvoorwaarde voor het aantrekken en vasthouden van bedrijven die passen binnen het economisch toekomstbeeld. 4. De uitvoering, governance en monitoring van de afspraken. Uitgangspunten zijn adaptief beleid, dat de regio wendbaar maakt en in staat stelt snel op veranderingen in de werklocatiemarkt in te spelen, en een zorgvuldige borging van de uitvoering van de afspraken.

De belangrijkste uitgangspunten voor dit afsprakenkader op een rij: Deelnemers van het afsprakenkader: • Gemeenten in de regio Hart van Brabant, bestaande uit de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Heusden*, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk • Provincie Noord-Brabant Scope van afsprakenkader • De afspraken betreffen de bedrijventerreinen die gemeenten bij IBIS Bedrijventerreinen hebben geregistreerd en die vallen binnen de scope van de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen van 2022 (voor een overzicht van de terreinen, zie bijlage 3).

3

• Definitie van een bedrijventerrein: “een werklocatie van minimaal 1 ha bruto bestemd en geschikt voor gebruik door handel, nijverheid en industrie. Op deze terreinen kan ook enige commerciële en niet-commerciële dienstverlening (zoals kantoorgebouwen, detailhandel) aanwezig zijn, maar deze hebben samen een minderheidsaandeel in de terreinoppervlakte” (IBIS Bedrijventerreinen, 2019). • Voor dit afsprakenkader vormt de Behoefteraming Bedrijventerreinen Noord-Brabant (2022, Stec Groep in opdracht van de provincie Noord-Brabant) het kwantitatieve uitgangspunt. Dit rapport raamt de behoefte aan bedrijventerreinen in de regio (totaal en per werkmilieu) in twee scenario’s (hoog en laag) tot aan 2030 en 2040. De provincie stelt als kwantitatieve eis dat iedere regio minimaal in de vraag naar bedrijventerreinen in het lage scenario voorziet. • In de provinciale behoefteraming wordt onderscheid gemaakt naar de werkmilieus: Gemengd stedelijk, campus/innovatiedistrict, regulier, grootschalige distributie en grootschalige productie. De voorraad aan bedrijventerreinen (uitgeefbaar, hard en zacht planaanbod) in de diverse werkmilieus is door de deelnemende gemeenten aangeleverd. Looptijd: • Voorliggend afsprakenkader vervangt de “Bedrijventerreinafspraken Regio Hart van Brabant 2020-2024” dat in 2020 is opgesteld.

• Dit afsprakenkader geldt vanaf 2025 t/m 2030, en bevat een doorkijk in economisch toekomstbeeld & kwantitatieve opgaven t/m 2040. • Dit afsprakenkader is te actualiseren vóór eind 2030. *Voor Heusden zijn enkel afspraken op het niveau van kwalitatieve ambities gemaakt. Kwantitatieve afspraken (programmering van bedrijventerreinen) heeft Heusden gemaakt in het verband van de regio Noordoost-Noord-Brabant

Per afspraak worden steeds eerst de belangrijkste constateringen en onderbouwingen voor de afspraak op een rij gezet, waarna de feitelijke afspraken volgen. Bij dit afsprakenkader horen ook 4 bijlagen, die integraal onderdeel vormen van het afsprakenkader zelf: • Bijlage 1: Verdiepend rapport toekomstbeeld, opgaven en programmering. Dit rapport dient als nadere onderbouwing voor en uitwerking van de afspraken. Hoofdstuk 1 van het verdiepend rapport beschrijft en onderbouwt het economisch toekomstbeeld in meer detail. Hoofdstuk 2 van het verdiepende rapport zet – vertrekkend vanuit het economisch toekomstbeeld - de kwantitatieve opgave (vraag-aanbodconfrontatie) en kwalitatieve opgaven voor de bedrijventerreinen in Hart van Brabant uiteen. De vraag en aanbod tabellen op pagina 22 en 23 zijn indicatief en worden niet ter vaststelling aangeboden op de Ontwikkeldag SRBT van 4 december 2024. Bestuurders wordt gevraagd enkel kennis te nemen van deze tabellen. • Bijlage 2: Definities en bronnen zoals deze zijn gehanteerd in het afsprakenkader en het verdiepend rapport. • Bijlage 3: Programmeringstabel met planaanbod en transformatieplannen per bedrijventerrein . Deze bijlage bevat een actueel overzicht van alle bedrijventerreinen met – per terrein – het kwalitatieve werkmilieu, het harde en het zachte planaanbod en eventuele transformatieplannen weergegeven.

• Bijlage 4: Werkwijze vraaggericht ontwikkelen (versie 2024): een toelichting op de werkwijze voor vraaggericht ontwikkelen uit het afsprakenkader 2020. De werkwijze wordt voor een beperkt aantal terreinen gehandhaafd in het afsprakenkader 2025-2030.

4

1. Economisch toekomstbeeld regio Hart van Brabant De deelnemers constateren het volgende: • De regio Hart van Brabant kent een sterk en breed economisch profiel, waarin de verschillende steden, kernen en het buitengebied elk een belangrijke rol hebben. Belangrijke sectoren zijn onder meer de sterke logistiek & groothandel, de maak- en voedingsindustrie en de leisure. • De regionale economie groeit hard, maar loopt tegelijkertijd tegen de ‘grenzen van de groei’ aan. De productiefactoren ruimte voor werken, arbeid, energie en grondstoffen worden steeds schaarser. Daarbij wordt van bedrijven steeds meer verlangd dat zij niet enkel een economische maar ook een maatschappelijke bijdrage aan de regio leveren. • Het behouden en versterken van het economisch toekomstbeeld (logistiek, maak en leisure) vraagt om een kwaliteitsimpuls voor de regionale economie. Er is in de regio Hart van Brabant en in de bredere Stedelijke Regio Breda-Tilburg veel kennis en kunde beschikbaar op het raakvlak van technologie (denk aan artificial intelligence, ‘immersive technologies’ zoals virtual & augmented reality, robotica) en mens & gedrag. Dit vatten we samen onder de noemer ‘Human Centered Innovation’.

De ambitie is om deze kennis en kunde – over de hele breedte van de regionale economie – in te zetten om de innovatiekracht, de arbeidsproductiviteit, duurzaamheid en de bijdrage van bedrijven aan brede welvaart te verhogen. In bijlage 1 (paragraaf 1.2) is het economisch toekomstbeeld verder toegelicht. • Dit economische toekomstbeeld stelt verschillende randvoorwaarden. Allereerst is een consequent en gedragen economische inzet in de regio nodig. Er is een breed vestigingsklimaat nodig dat talent aantrekt en aan de regio bindt. Een hoogwaardig leisure-aanbod, een bruisende culturele en creatieve sector, goede bereikbaarheid en een sterk onderwijs- en innovatieecosysteem zijn belangrijke componenten hiervan. Ook regionale samenwerking is onontbeerlijk, zowel binnen Hart van Brabant en binnen de SRBT (Stedelijke Regio Breda Tilburg), als met andere regio’s binnen en buiten Noord-Brabant, waaronder de Brainport. • Tot slot zijn er voldoende werklocaties en -milieus in Hart van Brabant nodig; hoofdstuk 2 van het afsprakenkader gaat hierop in. Deze werklocaties moeten bovendien toekomstbestendig zijn en kwalitatief aansluiten op de behoefte van bedrijven die passen binnen het economisch toekomstbeeld; hoofdstuk 3 van het afsprakenkader gaat hierop in. De deelnemers spreken af: 1.

het gezamenlijke economische toekomstbeeld te omarmen, waarbij de regio haar kennis en kunde van ‘Human Centered Innovation’ benut voor een kwaliteitsimpuls van de economie. Doel is om hiermee: • bestaande sterke sectoren in de economie – logistiek, maakindustrie, agrifood, leisure en meer – voor de regio te behouden en bij te dragen aan hun toekomstbestendigheid. • opkomende, innovatieve bedrijven en sectoren actief op het gebied van ‘Human Centered Innovation’ te stimuleren en die bijdragen aan een diverse en innovatieve economie; 2. met voorliggend afsprakenkader bedrijventerreinen bij te dragen aan de realisatie van het gewenste economische toekomstbeeld; 3. het economisch toekomstbeeld te benutten als input voor de uitvoering en toekomstige herzieningen van lokaal en regionaal beleid. Het gaat lokaal onder meer om economisch beleid, werklocatiebeleid, en acquisitie- en uitgiftebeleid voor nieuwe bedrijventerreinen. Regionaal gaat het onder meer om aanpalend beleid op het gebied van ruimte (Regionale Omgevingsagenda), klimaat en energie (Regionale Energie- en Klimaatstrategie), circulariteit (Plan van Aanpak Circulariteit), mobiliteit (Regionale Beleidsagenda Mobiliteit), de Kernagenda 2023-2027.

5

2. Beter benutten bestaande bedrijventerreinen en programmering nieuwe terreinen 2.1

Effectief en efficiënt ruimtegebruik van bestaande bedrijventerreinen

De deelnemers constateren het volgende: • De regio Hart van Brabant kampt, net als veel andere regio’s in Nederland, met een groeiende druk op de ruimte door de toenemende ruimtevraag vanuit wonen, werken, recreatie, natuur, klimaatadaptatie, energietransitie en meer. Het is daarom belangrijk om de ruimte op de vele bestaande bedrijventerreinen in de regio nog efficiënter en effectiever te benutten. • Intensivering van de bestaande bedrijventerreinen kan substantiële ruimtewinst opleveren. De analyse laat zien (bijlage 1, paragraaf 2.2) hoe groot deze potentie is. Als de regio erin slaagt om tussen 2025 en 2040 het bestaande areaal aan bedrijventerreinen 5% efficiënter te gebruiken (en vrij te spelen door ruimte-intensivering), kan dit in de volledige marktvraag tot aan 2040 in het scenario ‘hoog’ voorzien. • Daarbij komt dat niet in alle gevallen de ruimte effectief benut wordt. Milieuruimte is schaars, evenals het aanbod aan watergebonden bedrijfskavels. Op dit moment zijn er echter soms bedrijven in een lage milieucategorie gevestigd op kavels met een hoge milieucategorie, of zijn niet-watergebonden bedrijven gevestigd op watergebonden kavels. • Het intensiveren en effectiever benutten van bedrijventerreinen is niet eenvoudig. Het vergt een consistente, langjarige inzet, een aanpak op maat met bijpassend instrumentarium én voldoende schuifruimte.

Bovendien verschillen de kansen sterk per bedrijventerrein. De deelnemers spreken af: 4. gezamenlijk werk te maken van intensivering en effectief ruimtegebruik van bestaande bedrijventerreinen, parallel aan de ontwikkeling van nieuwe terreinen om schuifruimte te creëren. Het streven is om tot 2040 5% van de totale bestaande voorraad (2.260 netto ha) ‘vrij te spelen’ door intensivering (inspanningsverplichting).1 Dit komt neer op 113 hectare in totaal tussen 2025 en 2040, oftewel ca. 7,5 ha per jaar. De inzet op intensivering moet hand in hand gaan met andere opgaven op bedrijventerreinen zoals energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie (zie afspraken onder 3. Toekomstbestendige bedrijventerreinen en bijdrage aan brede welvaart); 5. een concrete aanpak inclusief instrumenten en doelstellingen voor intensivering nader uit te werken voor 2026. Elke gemeente analyseert zelf de kansen voor efficiënt en effectief ruimtegebruik op de bedrijventerreinen binnen de gemeente. Op basis hiervan komt de regio tot een gezamenlijke aanpak. Eerder onderzoek naar “Beter Benutten” (2022) dient hierbij als basis; 6. de inzet op ruimte-intensivering en ‘beter benutten’ (afspraak 4), de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen (afspraak 8), en de verkenning naar aanvullende planlocaties (afspraak 10) parallel aan elkaar te laten lopen en elkaar te laten versterken. 2.2

Programmering van nieuwe bedrijventerreinen voor een toekomstbestendige economie

De deelnemers constateren het volgende: • De beleidsneutrale Behoefteraming Bedrijventerreinen Noord-Brabant, die als kwantitatieve basis dient voor het afsprakenkader, houdt nog geen rekening met het economisch toekomstbeeld van de regio. De beleidsinzet van de regio op het economisch toekomstbeeld (zie afspraken 1 t/m 3) kan leiden tot een veranderende ruimtevraag; in sommige sectoren kan bijvoorbeeld de ruimtevraag afnemen door efficiënter ruimtegebruik, terwijl in andere sectoren (bv. ICT en data, HTSM) de ruimtevraag kan toenemen. Het is wenselijk om eerst de 1

5% intensiveren wordt beschouwd als ‘winst op laaghangend fruit’; 50% is als ander uiterste een ‘verrijkte leefomgeving met gemengde functies’ (Bron: INTENS - Bedrijventerreinen nieuwe stijl, 2021-2031)..

6

kwantitatieve effecten van het economisch toekomstbeeld op de ruimtevraag van bedrijven (toe- en afname van de ruimtevraag per werkmilieu) in beeld te brengen, alvorens kwantitatieve programmeringsafspraken te maken voor de komende jaren. • Het is vervolgens ook van belang het planaanbod te herijken zodat dit beter aansluit op de marktvraag binnen het economische toekomstbeeld van de regio.2 Aspecten die bij deze herijking moeten worden meegewogen zijn: – De regio kent relatief veel planaanbod in het werkmilieu ‘grootschalige distributie’. Hoewel dit een belangrijk onderdeel is van de regionale economie, heeft uitbreiding ervan ook een grote ruimtelijke en maatschappelijke impact. Juist in dit segment is het daarom belangrijk niet alleen nieuwe bedrijventerreinen te ontwikkelen, maar ook het bestaande aanbod beter te benutten. Bovendien passen niet álle ruimtevragers in de logistiek en groothandel zonder meer in het economisch toekomstbeeld van de regio; zo is er geen ruimte voor logistieke partijen die ‘footloose’ zijn en weinig binding hebben met de regionale economie. – De regio heeft op dit moment nog weinig planaanbod voorzien is in het werkmilieu ‘campus/innovatiedistrict’. Dit milieu is juist belangrijk is voor de innovatie- en clusterkracht in de regio en voor het verder ontwikkelen en uitbouwen van de kennis en kunde op het gebied van ‘human centered innovation’.

– De milieus ‘gemengd-stedelijk’ en ‘regulier’ zijn van belang voor het economisch toekomstbeeld, terwijl ook hier op termijn een tekort in kan ontstaan. • Bovenstaande leidt tot de constatering dat de vraag-aanbod-confrontatie zoals opgenomen in bijlage 1 nog niet het ‘beleidsrijke’ economische toekomstbeeld van de regio reflecteert. Wel bevat de programmeringstabel (bijlage 3) het geactualiseerde beeld van planaanbod (met als peildatum 1 juli 2024). Ten opzichte van het vorige afsprakenkader (2020) zijn nieuwe planlocaties in beeld gekomen, zijn nieuwe transformatieplannen voor bedrijventerreinen ontstaan en zijn de planvolumes danig gewijzigd. De deelnemers spreken af: 7. direct na vaststelling van het afsprakenkader te starten met en vóór juli 2025 te komen tot: • een onderzoek om te komen tot een nieuwe beleidsrijke prognose die aansluit bij het beoogde economische toekomstbeeld (zie afspraak 1). En binnen dit onderzoek de ruimte te krijgen om verschuiving van het planaanbod binnen en tussen werkmilieus mogelijk te maken, met als doel het planaanbod kwalitatief beter te laten aansluiten bij het beoogde economische toekomstbeeld. Specifiek wordt een verschuiving van zacht planaanbod in het werkmilieu ‘grootschalige distributie’ naar andere werkmilieus, waaronder ‘campus/innovatiedistrict’, ‘gemengd-stedelijk’ en ‘regulier’ onderzocht.

Doel is het planaanbod zo goed mogelijk te laten aansluiten op de ruimtevraag die volgt uit het economische toekomstbeeld.3 De nieuwe beleidsrijke prognose die aansluit bij het beoogde economische toekomstbeeld wordt ter vaststelling voorgelegd op de Ontwikkeldag SRBT in juni/juli 2025, samen met een herijking van de programmeringstabel ten opzichte van de versie die is opgenomen in bijlage 3. • bestuurlijke behandeling van de herijkte vraagraming en programmeringstabel zoals hierboven genoemd, volgens de wijze van vaststelling zoals opgenomen in afspraak 26. 8. zich, totdat er een nieuwe beleidsrijke prognose is die aansluit bij het beoogde economische toekomstbeeld, in te spannen voor het ontwikkelen van het gehele harde én zachte 2

Er is overigens geen sprake van een hard onderscheid tussen kwalitatieve werkmilieus; het gaat om deels overlappende en in elkaar overlopende deelmarkten. Een definitie van de kwalitatieve werkmilieuen gehanteerd in dit afsprakenkader is opgenomen in paragraaf 2.1 van het verdiepende rapport. 3 In lijn met deze afspraak onderzoekt de gemeente Tilburg hoe zij het bedrijventerrein Wijkevoort – bestemd voor grootschalige ‘smart industries’ en ‘smart logistics’ – deels als campus/innovatiedistrict kan ontwikkelen, passend bij en van toegevoegde waarde voor het regionale ruimtelijk-economisch toekomstbeeld.

7

planaanbod aan bedrijventerreinen zoals opgenomen in de programmeringstabel (bijlage 3), waarbij de aangegeven netto arealen per terrein in de tabel als bovengrens worden gehanteerd. Hiermee programmeert de regio de volledige vraag in het scenario ‘laag’ uit de provinciale behoefteraming tot aan 2030 én 2040. 2.3

Effectief en efficiënt ruimtegebruik bij ontwikkeling van nieuwe terreinen

De deelnemers constateren het volgende: • Naast de intensivering van bestaande bedrijventerreinen (afspraak 4) is ook het efficiënt en effectief ruimtegebruik van nieuwe bedrijventerreinen van belang. • Efficiënt ruimtegebruik gaat over het zo intensief mogelijk benutten van de ruimte op nieuwe bedrijventerreinen (bv. door meervoudig of meerlaags ruimtegebruik). Effectief ruimtegebruik gaat over ‘het juiste bedrijf op de juiste plek’ en het voorkomen van oneigenlijk ruimtegebruik. Doel is om bijzondere en schaarse kwaliteiten van bedrijventerreinen (bv. een hoge milieucategorie, waterontsloten kavels) te benutten voor bedrijven die hier ook echt gebruik van maken en die passen binnen het economisch toekomstbeeld. De deelnemers spreken af: 9. in de gemeentelijke uitgifte- en selectiecriteria van nieuwe bedrijventerreinen te sturen op efficiënt en effectief ruimtegebruik. Dit vergt per bedrijventerrein een op maat uit te werken aanpak en instrumentarium. Instrumenten zijn onder andere het toestaan van het stapelen van bedrijfsruimte, sturen op optimaal gebruik van bouwvlakken, intensivering van parkeerruimte (bv. stapelen) en mogelijk maken van meervoudig ruimtegebruik (bv. functies op daken). 2.4

Zoeklocaties voor nieuw zacht planaanbod (strategische reserves)

De deelnemers constateren het volgende: • De regio zet met dit afsprakenkader in op twee parallelle sporen: ontwikkeling van planlocaties én ruimte-intensivering (beter benutten) op bestaande bedrijventerreinen. Deze twee parallelle sporen stellen de regio in theorie in staat om de geraamde ruimtevraag tot aan 2040 in beide scenario’s te accommoderen. Echter, de ervaring leert dat zowel de ontwikkeling van zachte planlocaties als ruimte-intensivering door allerlei factoren trager of minder succesvol kan verlopen dan gehoopt. Bovendien kan transformatie van bedrijventerreinen voor een aanvullende vervangingsvraag zorgen van bedrijven die moeten verhuizen. Er is daardoor – in de periode tussen 2030 en 2040 – een risico op een tekort aan ruimte voor bedrijventerreinen. • Dit mogelijke ruimtetekort kan in alle werkmilieus ontstaan; dit risico is echter het grootst in de werkmilieus ‘campus/innovatiedistrict’, ‘gemengd stedelijk’ en ‘regulier’. Bedrijventerreinen in deze werkmilieus liggen – vaker dan grootschalige productie en grootschalige distributie – in steden of kernen en nabij woongebieden. Dit maakt de kans op transformatie van bedrijventerrein naar wonen groter, en vergroot bovendien het risico op vertraging bij de ontwikkeling van nieuwe terreinen.

• Om voorbereid te zijn op een mogelijk ruimtetekort in de genoemde werkmilieus in de periode na 2030, is het wenselijk om als regio nu al op zoek te gaan naar aanvullende geschikte planlocaties. Of en in hoeverre hier daadwerkelijk behoefte aan is, hangt van de marktontwikkeling (vraagkant) en de mate waarin de regio erin slaagt planlocaties tijdig te ontwikkelen en bestaande terreinen beter te benutten (aanbodkant). De deelnemers spreken af: 10. een regionale verkenning uit te voeren naar mogelijke aanvullende planlocaties (strategische reserves) voor bedrijventerreinen voor de periode na 2030 (bovenop bestaande harde en zachte plannen) die passen binnen het economisch toekomstbeeld. Specifiek wordt er gezocht naar

8

geschikte locaties binnen de werkmilieus ‘campus/innovatiedistricten’, ‘gemengd stedelijk’ en ‘regulier’. Daarbij worden ook de kansen onderzocht om Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) en verspreide bebouwing in het buitengebied als toekomstige locaties voor bedrijven te benutten; 11. kansrijke nieuwe planlocaties volgend uit deze verkenning in het volgende afsprakenkader (in 2030 op te stellen) toe te voegen aan de programmeringstabel, indien de actuele marktsituatie en een actuele vraagraming daar op dat moment aanleiding toe geven. Indien de marktsituatie aanleiding geeft om nieuwe planlocaties al vóór 2030 te ontwikkelen, kan dit alleen volgens de methode van ‘vraaggericht ontwikkelen’ (zie afspraak 13); 12. deze verkenning hand in hand te laten gaan met de inzet op ruimte-intensivering op bestaande bedrijventerreinen (afspraak 4). 2.5

Vraaggericht ontwikkelen voor grootschalige distributie en nieuwe planlocaties

De deelnemers constateren het volgende: • Om een overaanbod aan bedrijventerreinen te voorkomen is in het afsprakenkader in 2020 het principe ‘vraaggericht ontwikkelen’ opgenomen om zacht planaanbod in alle werkmilieus in ontwikkeling te brengen. Vraaggericht ontwikkelen houdt in dat er alleen wordt ontwikkeld bij concrete vragen van bedrijven (eindgebruikers); zie bijlage 4 voor een volledige procesbeschrijving). • Inmiddels is marktsituatie voor bedrijfsvastgoed de afgelopen jaren omgeslagen van een mogelijk overschot aan bedrijventerreinen naar een dreigend tekort. De provinciale vraagraming laat zien dat de ontwikkeling van zowel het harde als het zachte planaanbod aan bedrijventerreinen in de regio Hart van Brabant nodig is om tekorten aan bedrijventerreinen te voorkomen in de periode tot en met 2040. In totaal heeft de regio 73 ha aan hard planaanbod en 188 ha aan zacht planaanbod tot aan 2040. De aanleiding om het instrument ‘vraaggericht ontwikkelen’ in te zetten, is daarmee grotendeels weggevallen. • Voor het werkmilieu ‘grootschalige distributie’ is de onzekerheid over de marktontwikkeling relatief groot. In het lage scenario van de vraagraming is er voldoende ruimte, in het hoge scenario een fors tekort.

De ontwikkeling van bedrijventerreinen in dit werkmilieu heeft bovendien grote ruimtelijke en maatschappelijke impact, gezien de volumes en schaal waarop dit gebeurt. Het voorkomen van een overschot is daarom specifiek in deze deelmarkt van groot belang. De deelnemers spreken af: 13. vraaggericht ontwikkelen, volgens de bestaande werkwijze zoals opgenomen in het afsprakenkader 2020-2024 (zie bijlage 4), enkel nog in te zetten bij: • de ontwikkeling van zacht planaanbod van bedrijventerreinen in het werkmilieu ‘grootschalige distributie’; • de ontwikkeling van nieuwe planlocaties volgend uit de verkenning genoemd in afspraak 10. Het gaat hierbij enkel om planlocaties die nog niet zijn opgenomen in de programmeringstabel in bijlage 3 of uitbreidingen van planlocaties ten opzichte van de programmeringstabel in bijlage 3. Vraaggericht ontwikkelen is niet van toepassing op nieuwe planlocaties die dienen als ‘vervangingslocatie’ voor te transformeren bedrijventerreinen (zie afspraak 16); 14. voor de ontwikkeling van planaanbod in de overige werkmilieus vraaggericht ontwikkelen niet langer te hanteren, gezien de veranderde marktsituatie en de noodzaak om de zachte planvoorraad tot 2040 volledig te ontwikkelen.

Wel stemmen gemeenten die willen overgaan tot ontwikkeling van zachte planlocaties dit regionaal af in het Poho Fysiek, waarbij aandacht is voor ruimtelijke inpassing, segmentering en kwalitatieve uitwerking van plannen.

9

2.6

Omgaan met vervangingsvraag door transformatie van bedrijventerreinen

De deelnemers constateren het volgende: • Steden en woonkernen zijn constant in ontwikkeling. Lokaal kan de transformatie van een bedrijventerrein op een goed bereikbare plek in de stad naar bijvoorbeeld wonen wenselijk zijn. Op basis van bekende transformatieplannen in de regio is de vervangingsvraag geraamd en meegenomen in de provinciale behoefteraming (zie ook bijlage 3). Het gaat hierbij om de ruimtevraag van bedrijven die nu al op bedrijventerreinen in de regio gevestigd zitten maar die verplaatsen als gevolg van de transformatie van bedrijventerreinen. • Het is denkbaar dat er – bovenop de bekende plannen – nog aanvullende transformatieplannen voor bedrijventerreinen in de regio ontstaan in de periode tot aan 2040. Dit kan leiden tot een extra vervangingsvraag. Het zijn vaak binnenstedelijke terreinen die transformeren, deze zitten veelal in de werkmilieus ‘gemengd stedelijk’ en ‘regulier’. Het verwachte tekort in deze werkmilieus tot aan 2040 kan als gevolg van transformatie van bedrijventerreinen verder oplopen (de ‘ruimte voor werken in de stad’ wordt immers minder). • Gezien het belang van gemengde stedelijke terreinen – en van ‘werken in de stad’ in het algemeen – in het economisch toekomstbeeld, is het van belang om als regio voldoende ‘ruimte voor werken’ te behouden. De deelnemers spreken af: 15.

nieuwe transformatieplannen van bedrijventerreinen (voor zover niet opgenomen in bijlage 3 van het afsprakenkader) regionaal af te stemmen binnen het Poho Fysiek, vóór deze onherroepelijk worden vastgesteld; 16. zich in te spannen om de vervangingsvraag die ontstaat door nieuwe transformatieplannen regionaal te accommoderen. De gemeente waarbinnen de transformatie plaatsvindt doorloopt daarbij de volgende stappen, waarbij het gaat om een inspanningsverplichting en niet om een resultaatverplichting: • de lokale vervangingsvraag die ontstaat door de transformatie wordt geraamd; • binnen de eigen gemeente en – indien nodig – elders in de regio via het regioloket wordt gezocht naar alternatieve huisvestingslocaties voor bedrijven die moeten uitplaatsen als gevolg van transformatie; • bij een geraamde vervangingsvraag van 1 ha of meer, spant de regio zich in om het te transformeren areaal elders terug te brengen op de markt, door uitbreiding van een bestaande terrein of door ontwikkeling van een nieuw terrein. Daarbij is de inzet minimaal dezelfde milieutechnische mogelijkheden te bieden als op het te transformeren terrein. De ‘vervangingslocatie’ kan zowel binnen de eigen gemeente als in een andere gemeente in de regio Hart van Brabant of in een buurgemeente buiten de regio landen.

Het is aan de gemeente waar transformatie plaatsvindt om met een voorstel te komen en dit binnen het Poho Fysiek af te stemmen. Op de ontwikkeling van ‘vervangingslocaties’ die vervangingsvraag als gevolg van nieuwe transformatieplannen is de procedure van ‘vraaggericht ontwikkelen’ (zie afspraken onder 4.5) niet van toepassing; 17. indien veranderende marktomstandigheden hierom vragen (bv. als de marktvraag structureel en substantieel lager uitvalt dan geraamd) de afspraken 15 en 16 tussentijds te herzien. 2.7

Verkenning van marktconforme grondprijsmethodiek bij de uitgifte van nieuwe terreinen

De deelnemers constateren het volgende: • Marktconforme grondprijsmethodieken hebben als doel om in een regio grondprijzen vast te stellen op basis van actuele marktwaarde, volgens een vaste methodiek. Een dergelijke

10

methodiek kan bijdragen aan een vergelijkbare prijsbepaling en daarmee het risico op oneerlijke concurrentie kunnen verkleinen. • In voorgaande afsprakenkaders waren geen afspraken opgenomen, maar was een marktconforme grondprijsmethodiek wel één van de aanbevelingen. De provincie moedigt een dergelijke methodiek aan. • Voordat de regio kan beslissen al dan niet over te gaan tot een gezamenlijke, marktconforme grondprijsmethodiek, is aanvullend onderzoek nodig naar de noodzaak en de consequenties ervan, en is een afweging tussen verschillende varianten nodig. De deelnemers spreken af: 18. onderzoek te doen naar de wenselijkheid en mogelijkheden om in de regio marktconforme grondprijzen te hanteren. Daarbij wordt onderzocht: • of een gemeenschappelijke definitie kan worden vastgesteld voor markconformiteit; • of een maximaal percentage kan worden afgesproken dat van de marktprijs mag worden afgeweken en onder welke voorwaarden dit percentage wel/niet geldt; • hoe grondprijsmethodiek kan worden ingezet om duurzaamheidsdoelen, strategische sectoren en/of lokaal MKB te ondersteunen.

3. Toekomstbestendige bedrijventerreinen en bijdrage aan brede welvaart 3.1

Toekomstbestendigheid en bijdrage aan brede welvaart van bestaande bedrijventerreinen

De deelnemers constateren het volgende: • De kwaliteit en toekomstbestendigheid van de bestaande bedrijventerreinen in Hart van Brabant vragen constant om aandacht. Uit de analyse blijkt dat er kwalitatieve uitdagingen zijn op het gebied van sociaaleconomische vitaliteit (o.a. de organisatiegraad op bedrijventerreinen, het tegengaan van ondermijning), de fysiek-ruimtelijke kwaliteit (schone, hele en veilige bedrijventerreinen), duurzaamheid (o.a. bijdrage aan energietransitie, circulaire transitie, klimaatadaptatie) en gezondheid (o.a. vergroening, mogelijkheden voor wandelen en fietsen). De kwalitatieve opgaven op de bedrijventerreinen in Hart van Brabant verschillen per terrein (zie ook bijlage 1, paragraaf 2.4 voor een nadere toelichting). • Het toekomstbestendig maken en houden van bedrijventerreinen is primair de gedeelde verantwoordelijkheid van ondernemers, pandeigenaren en gemeenten. De regio kan dit ondersteunen en versterken door middel van samenwerking, kennisdeling, en ontwikkeling van gezamenlijke instrumenten. Zo verkent de gemeente Tilburg momenteel de oprichting van een revolverend fonds voor de revitalisering van bedrijventerreinen, en onderzoekt de mogelijkheden om hierin samen op te trekken met andere regiogemeenten en de provincie. De deelnemers spreken af: 19.

zich in te zetten voor de kwaliteit en toekomstbestendigheid van de bestaande bedrijventerreinen in de regio. Gemeenten investeren– samen met bedrijven en vastgoedeigenaren – in de bestaande terreinen, delen kennis en ervaringen regionaal, maken optimaal gebruik van beschikbare subsidiegelden en onderzoeken nieuwe instrumenten zoals een revolverend fonds; 20. zich in te spannen voor een voldoende organisatiegraad op alle bedrijventerreinen in de regio, als randvoorwaarden om samen met ondernemers te werken aan toekomstbestendige bedrijventerreinen.

11

3.2

Toekomstbestendigheid en bijdrage aan brede welvaart van nieuwe bedrijventerreinen

De deelnemers constateren het volgende: • In het afsprakenkader bedrijventerreinen 2020-2024 zijn enkele kwalitatieve voorwaarden benoemd waar nieuwe bedrijventerreinen aan moeten voldoen. Het betreft afspraken over duurzame energieopwekking en over de huisvesting van arbeidsmigranten. • De regio zet met haar economisch toekomstbeeld in op het verder vergroten van de bijdrage van het bedrijfsleven aan de ‘brede welvaart’.4 De ambitie is om bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen te sturen op een positieve bijdrage aan de brede welvaart in de regio. Het is daarbij van belang om breder te kijken dan enkel naar duurzame energieopwek en huisvesting voor arbeidsmigranten. De ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen kan op allerlei manieren bijdragen aan brede welvaart. Denk aan het ontwikkelen van een duurzaam energiesysteem met collectieve energieoplossingen (dus breder dan enkel duurzame opwek), aan een bijdrage aan de circulaire transitie (bv. door het circulair bouwen van bedrijfspanden, uitwisseling van reststromen tussen bedrijven, of door opslag en verwerking van reststromen), aan natuurinclusief en klimaatadaptief ontwikkelen, aan het bieden van recreatiemogelijkheden op bedrijventerreinen, aan collectieve bereikbaarheidsoplossingen en meer.

• Inzet op een bijdrage aan brede welvaart vraagt om keuzes in de planning en inrichting van bedrijventerreinen aan de voorkant, en om selectiecriteria bij de uitgifte van bedrijventerreinen. De prioritering – op welke aspecten van brede welvaart wordt daarbij vooral gestuurd – verschilt per locatie en is maatwerk. • Voor álle nieuwe bedrijventerreinen geldt dat een goede organisatiegraad op het terrein een randvoorwaarde is om brede welvaartsopgaven gezamenlijk op te pakken. De deelnemers spreken af: 21. bij de ontwikkeling van alle nieuwe bedrijventerreinen de inzet op energieneutraliteit en huisvestingsoplossingen voor arbeidsmigranten voort te zetten, en te sturen op voldoende organisatiegraad. Bij de ontwikkeling van alle nieuwe bedrijventerreinen geldt dat: • energieneutraliteit het uitgangspunt is, waarbij zowel aandacht uitgaat naar lokale opwek van duurzame energie als naar een duurzaam energiesysteem (opslag, uitwisseling en gebruik van duurzame energie); • wordt voorzien in adequate huisvestingsoplossingen indien gebruikers van het terrein naar verwachting arbeidsmigranten inzetten; • de organisatiegraad wordt geborgd, bijvoorbeeld door lidmaatschap van parkmanagementorganisaties verplicht te stellen; 22.

ervaring op te doen met het sturen op een positieve bijdrage aan brede welvaart door brede welvaartscriteria in uitgiftebeleid te verankeren (zoals de bijdrage aan circulariteit, efficiënt ruimtegebruik, bereikbaarheid en SROI5). De regio voert tot aan 2030 één of meerdere pilots uit (waaronder voor bedrijventerrein Haven 8 in Waalwijk) om kennis te vergaren en praktijkervaring op te doen over sturen op brede welvaart, en spant zich in voor het regionaal delen van de geleerde lessen.

4

Volgens de definitie van het PBL, 2024: “Brede welvaart omvat alles wat mensen van waarde vinden. Naast materiële welvaart gaat het ook om zaken als gezondheid, onderwijs, milieu en leefomgeving, sociale cohesie, persoonlijke ontplooiing en (on)veiligheid. Bovendien betreft het niet alleen de kwaliteit van leven in het ‘hier en nu’, maar ook de effecten van onze manier van leven op het welzijn van mensen ‘elders’ (buiten de regio) en ‘later’ (toekomstige generaties).” 5 Social Return On Investment (SROI) is een aanpak om meer werkgelegenheid te creëren voor mensen met een grote(re) afstand tot de arbeidsmarkt.

12

3.3

Regionaal belang van sleutellocaties voor circulaire economie en energietransitie

De deelnemers constateren het volgende: • In Hart van Brabant vraagt – net als elders in Nederland en daarbuiten – de overgang naar een circulaire en energieneutrale economie om ruimte. Ook de groei van bestaande bedrijven en het aantrekken van nieuwe bedrijven die passen binnen het economisch toekomstbeeld en die de inzet op ‘Human Centered Innovation’ van de regio versterken, vraagt om ruimte. • De regio kent meerdere planlocaties voor bedrijventerreinen die deze ruimte kunnen bieden, zoals Haven VIII, Midden-Brabant Poort en Wijkevoort. De ontwikkeling van deze terreinen dient daarmee een regionaal, nationaal en zelfs internationaal belang. • De ontwikkeling van deze terreinen kan gepaard gaan met negatieve effecten op de brede welvaart. Denk aan een verhoogde druk op het mobiliteitssysteem, op de woningmarkt als gevolg van het aantrekken van nieuwe medewerkers, en op de leefomgeving (bv. milieuhinder). De deelnemers spreken af: 23. te erkennen dat de (door)ontwikkeling van sleutellocaties van (boven)regionaal belang ook tot (negatieve) effecten op de brede welvaart kan leiden. Deze effecten worden als (boven)regionale opgaven bezien en in regionaal verband opgepakt. Doel is om lokaal de ‘lusten en lasten’ van de ontwikkeling van bedrijventerreinen in balans te houden.

Hypothetisch voorbeeld van negatief effect van ontwikkeling sleutellocatie en regionaal oppakken van opgave Gemeente A ontwikkelt een deelregionaal bedrijventerrein t.b.v. bulkoverslag voor de circulaire economie. De ontwikkeling van het terrein leidt tot extra verkeersbewegingen en daarmee staat de brede welvaart van de gemeente onder druk. De regio pakt de opgave om de verkeersoverlast te verkleinen (of zo laag mogelijk te houden) regionaal op.

4. Uitvoering, governance en monitoring 4.1 Vaststelling en actualisatie van de afspraken De deelnemers constateren het volgende: • De Colleges van Burgemeester & Wethouders (B&W) van de deelnemende regiogemeenten en in Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Noord-Brabant vormen samen het bevoegd gezag voor het vaststellen van het afsprakenkader. • Vaststelling van het afsprakenkader in de Colleges en in GS gebeurt ná behandeling en bekrachtiging van dit afsprakenkader in – achtereenvolgens – het regionale Portefeuillehoudersoverleg (Poho) Economie, het Poho Fysiek en de Ontwikkeldag Stedelijke Regio Breda-Tilburg (SBRT).6 De deelnemers spreken af: 24. het afsprakenkader bedrijventerreinen ter vaststelling te behandelen in de Colleges van Burgemeester & Wethouders (B&W) van de deelnemende gemeenten en in Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Noord-Brabant, waarna respectievelijk de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten en Provinciale Staten (PS) van Noord-Brabant worden geïnformeerd over dit afsprakenkader;

6

Voor een toelichting op de functie en samenstelling van de Poho’s, zie https://www.regiohartvanbrabant.nl/over-regio-hart-van-brabant/bestuur-en-organisatie/portefeuillehoudersoverleggen/.

13

25. het afsprakenkader in elk geval vóór eind 2030 te actualiseren en hiervoor in het Poho Fysiek regionaal af te stemmen. Daartoe worden de actuele marktomstandigheden, een actuele vraagraming, en geleerde lessen uit de periode 2025-2030 benut. 4.2 Adaptief beleid De deelnemers constateren het volgende: • Toegenomen geopolitieke spanningen, grote maatschappelijke veranderingen, de Brexit en de coronacrisis illustreren de hoge mate van onzekerheid in de economie. Daarbij laat de markt voor bedrijfsruimte zich lastig voorspellen en lijken veranderingen zich sneller en nadrukkelijker voor te doen dan voorheen. Het is daarom van groot belang dat de regio wendbaar en adaptief beleid voert, om zo op veranderende omstandigheden te kunnen reageren. • Daarnaast is het belangrijk om ruimte te bieden voor lokaal maatwerk binnen de gemeenten in de uitvoering van dit afsprakenkader. Elke gemeente heeft unieke lokale kwaliteiten en uitdagingen die mede het lokale werklocatiebeleid inkleuren. Ook is het bij de uitvoering van werklocatiebeleid om gebiedsgericht te werken en een integrale blik – dus breder dan enkel vanuit economie – te hanteren. De deelnemers spreken af: 26. ook tussentijdse aanpassing van het afsprakenkader vóór de genoemde actualisatie mogelijk te maken. Het Poho Fysiek is het gremium waarin dit regionaal wordt afgestemd.

Hierbij kunnen monitoringgegevens (zie afspraak 31) en signalen vanuit het regioloket (zie afspraak 33) benut worden; 27. in het kader van adaptief beleid en lokaal maatwerk ook het ‘verschuiven’ van planvoorraden tussen bedrijventerreinen in de regio toe te staan, zolang het totale planaanbod in de regio per werkmilieu gelijk blijft. Dit kan zowel binnen één gemeente als middels een ‘uitruil’ tussen meerdere gemeenten plaatsvinden. Het is aan de betreffende gemeente(n) om hier bilateraal met andere gemeenten en vervolgen regiobreed in het Poho Fysiek over af te stemmen; 28. daarnaast invulling te geven aan adaptief beleid via afspraak 7 (onderzoek naar verschuiving van planaanbod tussen werkmilieus), 10 & 11 (verkenning en voorbereiding van mogelijke aanvullende planlocaties ná 2030), 14 (ontwikkeling van aanvullende planlocaties mogelijk maken) en 15 & 16 (inspanning om ‘vervangingslocaties’ voor nieuwe transformatieplannen te vinden). 4.3 Uitvoering van de afspraken De deelnemers constateren het volgende: • In het afsprakenkader zijn diverse afspraken opgenomen waar gemeenten primair zelf uitvoering aan moeten geven. Andere afspraken die zijn opgenomen voeren deelnemers gezamenlijk, in regioverband uit. De deelnemers spreken af: 29.

dat gemeenten individueel uitvoering geven aan afspraak 3 (economisch toekomstbeeld benutten voor lokaal beleid), 5 (intensiveringsaanpak per gemeente), 9 (sturen op efficiënt en effectief ruimtegebruik bij planlocaties), 15 & 16 (afstemming transformatieplannen en accommoderen vervangingsvraag), 19 & 20 (toekomstbestendigheid en organisatiegraad van bestaande bedrijventerreinen) en 21 (toekomstbestendigheid van nieuwe bedrijventerreinen); 30. om gezamenlijke acties en verkenningen die in regionaal verband worden uitgevoerd, op te nemen in het werkprogramma economie Hart van Brabant en deze voor eind 2026 uit te voeren. Het gaat om afspraak 3 (economisch toekomstbeeld benutten voor regionaal beleid), 5 (regionale aanpak intensivering o.b.v. lokale plannen), 10 (verkenning aanvullende

14

planlocaties), 18 (onderzoek marktconforme grondprijsmethodiek), 22 (pilots uitgiftecriteria brede welvaart), 31 & 32 (monitoring) en 34 (evaluatie regioloket).7 4.4 Monitoring De deelnemers constateren het volgende: • Bij adaptief beleid hoort goede monitoring om tijdig zicht te krijgen op economische of andere ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de marktsituatie en daaruit volgende ruimtevraag. Het is en blijft zaak om hier als regio gezamenlijk in op te trekken en over af te stemmen tijdens de daarvoor ingerichte overlegstructuren. De deelnemers spreken af: 31. de marktontwikkelingen op de regionale bedrijventerreinenmarkt jaarlijks te analyseren op basis van de provinciale Monitor Bedrijventerreinen; 32. de stand van zaken van de uitvoering van het afsprakenkader te monitoren en jaarlijks te bespreken in het Poho Fysiek. 4.5 Regioloket De deelnemers constateren het volgende: • Het regio-loket bestaat uit alle bedrijfscontactfunctionarissen uit de regio en heeft als belangrijkste taak om regionale huisvestingsvragen onderling te delen en in regionaal verband naar geschikte locaties te zoeken.

Het regioloket monitort bovendien ambtelijk de afspraken gemaakt in het kader van ‘vraaggericht ontwikkelen’, monitort de planvoorraad in de regio, en informeert periodiek de werkgroep economie en de procesmanager werklocaties van de provincie Noord-Brabant over de stand van zaken op de werklocatiemarkt. • Het is van belang om als regio gezamenlijk in te zetten op acquisitie van bedrijven die bijdragen aan de realisatie van het economisch toekomstbeeld. De deelnemers spreken af: 33. het regioloket voort te zetten als regionale platform voor de afstemming van regionale huisvestingsvraagstukken, het monitoren van de planvoorraad, en het informeren van de werkgroep economie en de provincie; 34. daarbij in 2025 de vorm en werkwijze van het regioloket te evalueren en op basis hiervan tot aanbevelingen te komen voor de periode 2026-2030.

7

N.B. afspraak 7 (herijking ruimtevraag en planaanbod in lijn met toekomstbeeld) wordt al in de eerste helft van 2025 uitgevoerd.

15

Bijlage 1: Verdiepend rapport toekomstbeeld, opgaven en programmering Het verdiepend rapport gaat in op de economische structuur van de regio nu, opgaven voor de toekomst, het gezamenlijke economische toekomstbeeld en voorwaarden om daartoe te komen (hoofdstuk 1). Vervolgens zoomt hoofdstuk 2 van het rapport in op de kwalitatieve en kwantitatieve opgaven voor de bedrijventerreinen die daaruit volgen, inclusief een concept-‘programmeringstabel’ met – op terreinniveau – de plannen voor de ontwikkeling en transformatie van bedrijventerreinen waar dit afsprakenkader uitvoering aan geeft.

1. Economisch toekomstbeeld Hart van Brabant 1.1

Economie Hart van Brabant nu en urgentie tot vernieuwing en brede welvaart

Hart van Brabant kent krachtige en diverse economie De regio Hart van Brabant kent een breed economisch profiel, variërend van een sterke logistiek & groothandel en maak- en procesindustrie tot de agrifood- of voedingsmiddelenindustrie en de zich steeds verder ontwikkelende leisuresector (onderdeel van consumentendiensten). De afgelopen jaren heeft de regionale economie een stevige groei laten zien. Het aantal banen groeide in de afgelopen 10 jaar aanzienlijk sterker dan het Nederlandse gemiddelde. Onder de sterk gegroeide sectoren behoren onder meer logistiek en groothandel, bouw, handel en reparatie en HTSM (High Tech Systemen en Materialen). Figuur 1: Sectorale banengroei (2014-2023; X-as), relatieve specialisatie per sector van Hart van Brabant vs. Nederland (Y-as), en omvang sectoren (omvang bollen) in 2023

De bollenfiguur laat zien hoe de sectorale structuur en ontwikkeling per sector zich verhoudt tot het nationale beeld. Sectoren in het kwadrant rechtsboven (bv. logistiek en groothandel) zijn dus oververtegenwoordigd in Hart van Brabant én groeien. Sectoren in het kwadrant rechtsonder (bv. dienstverlening en ICT) zijn kleiner dan gemiddeld in Nederland, maar groeien wel. Sectoren linksonder (niet aanwezig in de regio) krimpen in banen én zijn kleiner; sectoren linksboven zijn groter dan landelijk gemiddeld maar krimpen wel (bv. chemie).

16

Grenzen aan groei door schaarste en veranderende maatschappelijke perceptie Hoewel de economie sterk is gegroeid, loopt de regionale economie in het huidige economische systeem steeds meer tegen de ‘grenzen van de groei’ aan. De toenemende schaarste aan productiefactoren (ruimte, arbeid, grondstoffen, energie, (koel)water) in combinatie met de noodzaak tot verduurzaming (energietransitie, transitie naar circulair) leidt ertoe ‘dat niet alles meer kan’ en er keuzes gemaakt moeten worden. Dit wordt nog verder onderstreept door veranderende maatschappelijke opvattingen waarbij van bedrijven gevraagd wordt hun bijdrage aan de brede welvaart te vergroten om daarmee hun ‘license to operate’ te rechtvaardigen. Dit geldt juist in sectoren waar de regio sterk in is (logistiek, maakindustrie, voedingsindustrie). De footprint van deze, vaak ruimte-extensieve, sectoren is immers vaak fors, zowel qua energie- en grondstoffenverbruik, ruimtebeslag als impact op het landschap. Ook leggen deze voor een deel arbeidsintensieve sectoren een druk op de arbeidsmarkt en (maatschappelijke) functies en voorzieningen als zorg en woningen, door de inzet en aanwezigheid van internationale medewerkers (arbeidsmigranten).

Uitdaging om bedrijven te behouden en verstreken Het aanwezige bedrijfsleven in Hart van Brabant kenmerkt zich door zowel een sterk MKB als ook door grotere toonaangevende en internationaal opererende bedrijven. Bedrijven uit de eerder genoemde sterke sectoren (logistiek en groothandel, maak- en procesindustrie, voedingsindustrie en leisure) vormen herkenbare elementen in het huidige economische profiel van de regio en zijn onderdeel van clusters binnen en buiten de regio. Het is dus van belang deze bedrijven te behouden én versterken, ook al zijn er uitdagingen en ook al is er een inspanning nodig om de druk op schaarse middelen en de omgeving (en daarmee de negatieve perceptie) te verminderen. De inzet dient dus niet gericht te zijn op het ‘uitfaseren’ van deze sectoren, maar juist op een transitie ervan, zodat ze toekomstbestendig worden en/of blijven. De aanwezige sterke sectoren lenen zich hier vaak ook voor. Denk bijvoorbeeld aan de in de regio aanwezige logistieke sector: de handling van goederen en materiaalstromen biedt aanknopingspunten voor een transitie richting circulariteit. Robotisering en automatisering bieden kansen voor zowel een reductie van de vraag naar internationale medewerkers als de behoefte aan fysieke ruimte (immers, robotisering en automatisering maken intensivering van het grondgebruik mogelijk).

Kwaliteitsimpuls nodig om economisch sterke positie te behouden én brede welvaart te vergroten Er is werk aan de winkel, wil de regio ook in de toekomst haar sterke positie behouden en verder uitbouwen. Om de uitdagingen van de toekomst aan te kunnen is er een grote urgentie om binnen deze economische sectoren tot een forse kwaliteitsimpuls te komen. Deze kwaliteitsimpuls is niet eenduidig maar juist breed en kent verschillende aspecten. Belangrijke speerpunten hierbij zijn het vergroten van het innovatief vermogen van bedrijven, het streven naar een toename van de arbeidsproductiviteit (bijvoorbeeld door robotisering en verdere digitalisering), een forse verduurzaming (zowel qua energie- als grondstoffengebruik) en het vergroten van de bijdrage van de regionale economie aan de brede welvaart. Om de regionale concurrentiepositie te kunnen behouden, maar ook om het draagvlak onder de eigen bevolking te kunnen behouden moeten deze opgaven - samen met het bedrijfsleven - voortvarend aangepakt worden. 1.2

Economisch toekomstbeeld: ‘Human Centered Innovation’ voor kwaliteitsimpuls bestaande sectoren en groei nieuwe economie

Human centered innovation is kracht van regio en kans voor benodigde kwaliteitsimpuls Om de benodigde kwaliteitsimpuls tot stand te brengen, kan de regio haar kennis en expertise op het vlak van menselijk gedrag en innovatie benutten: de zogenaamde Human Centered Innovation (HCI). De grotere stedelijke regio Breda – Tilburg (SRBT), waar Hart van Brabant deel van uitmaakt, 17

heeft een unieke combinatie van kennis en kunde op het gebied van (digitale) technologie en menselijk gedrag. Binnen kennis- en onderwijsinstellingen in de regio wordt kennis ontwikkeld en ervaring opgedaan met bijvoorbeeld AI, data science, gaming, AR/VR en robotica. Ook heeft de regio toonaangevende initiatieven als Mindlabs, Breda Robotics en The Tailors die gericht zijn op deze technologie-gebieden. Op het vlak van menselijk gedrag heeft de SRBT specifieke expertise op het gebied van creatieve industrie (bv. Creative Business Foundation), ethiek en gedragswetenshap (o.a. Tilburg University en Fontys) en onderwijs en human capital (o.a. Urban Living Lab Breda). Innovatie komt bovendien al volop in de regio tot stand in allerlei bedrijven en sectoren – van logistiek en industrie tot landbouw en recreatie – in de steden, kernen en het buitengebied. Het economisch toekomstbeeld van Hart van Brabant gaat uit van het verder versterken, uitbouwen en benutten van de regionale kennis van Human Centered Innovation om een kwaliteitsimpuls van de economie te bereiken. Dit gebeurt via twee parallelle sporen: 1. Ten eerste door een kwaliteitsimpuls te realiseren in het bestaande bedrijfsleven – de logistiek, maakindustrie, agrifood, leisure en meer. De regionale kennis op het snijvlak van technologie en gedrag is een belangrijke kracht van de regio.

Door deze kennis in te zetten en te koppelen aan de verschillende economische sectoren, kunnen de benodigde transities gerealiseerd worden in de regionale economie van Hart van Brabant. Human Centered Innovation kan bijvoorbeeld gebruikt worden in de industrie. Hier vergen onderhoudsprocessen technische kennis maar ook van interactie met mensen op de werkvloer. Ook zijn er bijvoorbeeld kansen om met serieus gaming de arbeidsproductiviteit in de logistiek te vergroten door werknemers te laten oefenen (spelen) met specifieke werkzaamheden. 2. Ten tweede beoogt de regio ook een groei van kennisintensieve sectoren als HTSM, ⁠ICT en data-economie in de regio, zowel door de groei van ‘HCI’-bedrijven, instellingen en initiatieven die nu al in de regio aanwezig zijn door het aantrekken van nieuwe bedrijven en talent van buitenaf. Hiermee wordt diversificatie van de regionale economie bereikt, hetgeen de nu relatief sterk van logistiek en industrie afhankelijke economie sterker en weerbaarder maakt. Figuur 2: Schematische weergave van economische toekomstbeeld Hart van Brabant

18

Economische betekenis Human Centered Innovation Met de inzet op Human Centered Innovation sluit Hart van Brabant aan op het gezamenlijke economische profiel van de SRBT. Voor de gehele SRBT (inclusief de Baronie van Breda) is de mogelijke economische impact van het HCI-concept in een verkennende studie8 berekend door Ecorys. Het gaat om de gevolgen voor werkgelegenheid, toegevoegde waarde en innovatief vermogen. In onderstaande tabel is weergegeven wat de impact zou kunnen zijn van een toepassing van het HCI-concept op enkele clusters die sterk ontwikkeld zijn in de bredere SRBTregio. Het gaat hierbij om extra banen en toegevoegde waarde t.o.v. de autonome economische ontwikkeling. Hierbij past de kanttekening dat het slechts om een gedeeltelijke kwantificering van de economische effecten gaat, en dat de studie ook positieve effecten op verschillende aspecten van brede welvaart verwacht. Cluster

Extra banen in 2030

Extra toegevoegde waarde in 2030

Kennis & Creatieve industrie

2.550 extra banen in 2030

9,5 miljoen euro

Smart industry & logistics

4.570 banen behouden in 2030

4,2 miljoen euro

Agrifood & Leisure

Niet gekwantificeerd

1,2 miljoen euro

1.3

Regionaal economisch ecosysteem en samenwerking met andere regio’s

Kwaliteitsimpuls door inzet op ‘Human Centered Innovation’ stelt diverse randvoorwaarden Het economisch toekomstbeeld van Hart van Brabant - realisatie van een kwaliteitsimpuls in de regionale economie en diversificatie van de economie door ‘Human Centered Innovation’ – kan alleen slagen als er aan verschillende randvoorwaarden wordt voldaan. Allereerst is een consequent en gedragen economisch beleid in de regio nodig, dat aansluit bij het toekomstbeeld. Het beleid dient een beleid ‘van de lange adem’ te zijn: het moet zich richten op een aantal langere termijn-doelen en die consequent nastreven en voor ogen houden. Daarnaast is een intensieve regionale samenwerking onontbeerlijk. Allereerst gaat het om samenwerking binnen Hart van Brabant en met de provincie. De regiogemeenten dienen op één lijn te zitten en zich te houden aan de samen gemaakte afspraken. In de regio is dit beleid vastgelegd in de Kernagenda Hart van Brabant en de Regionale Omgevingsagenda. Ten tweede gaat het om de relatie met regio’s om Hart van Brabant heen, waaronder de Baronie van Breda en de Brainportregio (zie tekstkader). Een wervend vestigingsklimaat is eveneens een vereiste, waarbij leisure, naast een adequaat woningaanbod plus een hoogwaardige voorzieningenniveau (onderwijs en scholing, continue bijscholing, talentontwikkeling), een belangrijke rol speelt.

De leisuresector speelt hierin een belangrijke rol. Niet alleen is de sector an sich van groeiende economische betekenis, ook is een hoogwaardig aanbod aan recreatieplekken, leisurevoorzieningen en een aantrekkelijk en toegankelijk buitengebied van cruciaal belang voor de aantrekkingskracht van de regio op talent en bedrijven. Ook een bruisende cultuursector – zowel in de steden als in de kleinere kernen - met voldoende reuring is een niet te onderschatten randvoorwaarde voor het beoogde economische toekomstbeeld. Een actieve creatieve industrie is tot slot ook een belangrijke vestigingsvoorwaarde, en bovendien een versneller van innovatie.

8

“Economisch perspectief SRBT - Impact van investeringen in de brede welvaart in de SRBT”, Ecorys, 2022

19

Economie Hart van Brabant kent sterke relatie met andere regio’s De economie van Hart van Brabant is een zeer open economie met een belangrijke rol in (Noordwest-)Europa. Denk hierbij aan de positie van de regio qua logistiek en maakindustrie, maar ook bv. in leisure. Om deze positie te kunnen vasthouden en uitbouwen, is een heldere positionering t.o.v. andere regio’s en in (inter)nationaal perspectief van groot belang. Met de regio Baronie van Breda wordt in toenemende mate samengewerkt in SRBT verband, waarbij wordt toegewerkt naar een regionale economie op het niveau van de metropolitane regio Breda-Tilburg. Hierbinnen vormt Human Centered Innovation (HCI), waarin de beide regio’s Hart van Brabant en Baronie elkaar aanvullen, versterken en bevruchten een belangrijk thema. Voor een sterke uitbouw van dit thema zijn, naast de aanwezige basis in Hart van Brabant ook specifieke kwaliteiten, expertises en spelers uit de Baronie nodig. Ook met de goed presterende Brainport Eindhoven (Zuid-Oost-Brabant) worden de relaties steeds nauwer. De sterke groei die in die regio optreedt leidt niet alleen tot toenemende toeleveranciersrelaties, maar ook de door de groei ontstane ruimtevraag op het gebied van wonen, werken, en recreëren landt deels in omringende regio‘s, waaronder Hart van Brabant.

Insteek voor Hart van Brabant hierbij zou moeten zijn een bijdrage te leveren aan de Brainport-economie. Immers, HCI is óók voor hightech en medtech relevant. Maar ook de specialistische logistiek en maakindustrie uit Hart van Brabant kunnen bijdragen aan het Brianport-ecosysteem en daarmee het verdienvermogen van Hart van Brabant vergroten. Anderzijds dient de regio ook kritisch te zijn op ‘spillovers’ (wat kunnen we wel accommoderen en wat niet) en beducht te zijn voor het ‘leegtrekken’ van de regionale arbeidsmarkt door de hightechbedrijven in Brainport. Ook met regio’s als Noordoost-Brabant, o.a. sterk in de agrifood, is het van belang op economisch terrein samen te werken. Denk hierbij bv. aan het belang van data als belangrijk overlappend thema. De intensieve relaties die er van oudsher bestaan met de regio Noordoost-Brabant en de sterk samenhangende regionale economie vraagt om afstemming. Ten slotte moet ook worden gewezen op het belang van grensoverschrijdende samenwerking. Dit geldt niet enkel voor Hart van Brabant, maar is eerder een Brabant-brede opgave. Vooral met Vlaanderen dient afstemming over het economisch toekomstbeeld, regionale werklocaties en onderlinge relaties plaats te vinden.

Gevarieerde economie van Hart van Brabant met unieke kwaliteiten van elke gemeente benutten De kracht van de regio zit in de diversiteit. De regio heeft een combinatie van grote stad (Tilburg), middelgrote steden als Waalwijk en Dongen, kleine kernen en een aantrekkelijk buitengebied. Er is zowel rust als reuring waarbij stedelijke voorzieningen en ontspanning nooit ver weg zijn. De verschillende gemeenten binnen de regio Hart van Brabant kennen elk eigen kwaliteiten. Tilburg kent stedelijke veel stedelijke voorzieningen zoals hoger onderwijs. Waalwijk is groot in logistiek en heeft een haven. In Dingen is de voedingsindustrie groot. De innovatiehub Gate2 is eigen aan Gilze en Rijen. Loon op Zand is (inter)nationaal bekend om het leisureaanbod. Oisterwijk heeft een sterk groenprofiel en Goirle en Hilvarenbeek zijn gemeenten met een sterk MKB. Voor het beoogde economische toekomstbeeld zijn álle gemeenten nodig. Van bijzonder belang is daarbij een hoogwaardig leisure-en cultuuraanbod en een aantrekkelijk buitengebied. Human Centered Innovation biedt kansen om de economie in de volledige breedte van de regio kwalitatief te versterken. Kennis van HCI zit namelijk niet alleen bij de onderwijsinstellingen, maar juist ook bij bedrijven zelf (onder meer bij oud studenten en door regionale uitwisseling van kennis en ideeën). HCI is daarom niet enkel een Tilburgse aangelegenheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15275194/1