CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische vragen D66 cie Ruimte agendapunt 12g RIB Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot incl bijlages

Raadscommissie Ruimte 21 september 2021, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Ter kennisname stukken:17.190 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

16

Gemeente Gilze-Rijen

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant, 2018 Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen.

De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Beoordeling Het onderhavige plan betreft het hergebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning. De planlocatie bevindt zich direct ten zuiden van de bebouwde kom van Molenschot. In de directe omgeving bevinden zich overwegend woonpercelen. Ten aanzien van de veehouderij aan de noordzijde van het plangebied heeft aanvullend milieuonderzoek plaatsgevonden (zie tevens hoofdstuk 5). In de nieuwe situatie is sprake van een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Het netto areaal bebouwd oppervlak neemt in de nieuwe situatie af. Met de beoogde functiewijziging neemt ook de met de bedrijfsactiviteiten samenhangende milieubelasting af. Het woonperceel wordt landschappelijk ingepast op basis van het landschappelijk inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 2 behorende bij de regels. Conclusie Het voorliggende initiatief is passend binnen het ruimtelijke beleid van de Provincie Noord-Brabant.

3.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het voorliggende initiatief is passend binnen het ruimtelijke beleid van de Provincie Noord-Brabant. In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma's en waarden en worden beschermd via de

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

17

omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov N-B) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Beleidskader De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie ook een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. De planlocatie is volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerde versie d.d. 8 december 2020) gelegen in het ‘Gemengd landelijk gebied’’. Alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te voldoen aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals vastgelegd in paragraaf 3.1.2 van de Interim omgevingsverordening.

Uitsnede Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerde versie d.d. 8 dec 2020). Het plangebied is aangeduid met een rode aanwijzer. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, 2021.

Toetsingskader Artikel 3.68 en 3.69 Wonen in landelijk gebied Binnen de structuur van het gemengd landelijk gebied zijn volgens artikel 3.68 van de verordening in principe alleen bestaande burgerwoningen toegestaan. In afwijking van bovenstaande is het op basis van artikel 3.69 lid c toegestaan om een voormalige

18

Gemeente Gilze-Rijen

bedrijfswoning te hergebruiken als burgerwoning mits er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt sub 1) en overtollige bebouwing wordt gesloopt (lid 2). Paragraaf 3.2.1 Evenwichtige toedeling van functies Alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te voldoen aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals vastgelegd in paragraaf 3.1.2 van de Interim omgevingsverordening. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen volgens artikel 3.5 lid 1 van de Interim omgevingsverordening invulling te geven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Er dient onder meer uitgegaan te worden van zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.5 lid 2). Dit aspect wordt in artikel 3.6 lid 1 gedefinieerd als: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c.

gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Volgens artikel 3.9 lid 1 dient een bestemmingsplan welke een ruimtelijke ontwikkeling in landelijk gebied mogelijk maakt, tevens te voorzien in een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Op basis van lid 2 dient de uitvoering en instandhouding van de maatregelen te worden geborgd. In lid 3 staat opgenomen op welke wijze in de noodzakelijke landschappelijke kwaliteitsverbetering kan worden voorzien. Beoordeling Op basis van de Interim Omgevingsverordening kan een bestemmingsplan het hergebruik van een voormalige bedrijfswoning onder voorwaarden mogelijk maken. Er is met de functiewijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning geen sprake van een (aanzet tot) een stedelijke ontwikkeling. De beoogde functiewijziging vindt plaats binnen het bestaand ruimtebeslag. Het netto areaal bebouwd oppervlak neemt in de beoogde situatie af doordat overtollige bebouwing wordt gesloopt. In de nieuwe situatie is de bebouwing geconcentreerd binnen een bouwvlak. Een woonfunctie is gezien de ligging nabij de bebouwde kom en de omliggende woonfuncties in principe inpasbaar in de omgeving.

Ten aanzien van de veehouderij aan de noordzijde van het plangebied aan de Schoolstraat is aanvullend milieuonderzoek uitgevoerd (zie tevens hoofdstuk 5). Met de functiewijziging naar wonen is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening. Ten behoeve van de

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

19

ontwikkeling is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld en opgenomen in het bestemmingsplan. Aanleg, uitvoering en instandhouding zijn geborgd in de planregels door middel van een voorwaardelijke verplichting. Zie tevens paragraaf 3.4.2 waar de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant worden benoemd en het voornemen getoetst wordt aan dit beleidskader. Conclusie Het onderhavige initiatief is passend binnen de regels voor wonen binnen het landelijk gebied zoals geformuleerd in artikel 3.68 en 3.69 van de Interim Omgevingsverordening. Er is uitvoering gegevens aan een investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap door het opstellen van een landschappelijk inrichtingsplan (zie tevens bijlage 2 behorende bij de regels). De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is sprake van een duurzame ontwikkeling en er wordt voldaan aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Gilze en Rijen 2025 Toetsingskader De structuurvisie van Gilze-Rijen bestaat uit een drietal documenten. Tezamen verwoorden ze de ruimtelijke ambities van de gemeente tot 2025. In de toekomstvisie 2025 ‘Wij zijn Gilze en Rijen’ (maart 2012) zijn de lange termijn ontwikkelingen en doelstellingen geformuleerd. De visie geldt als een richtinggevend document voor het beleid en handelen van de gemeente op hoofdlijnen. De bestuurlijke ambities binnen de gemeente bestaan uit de volgende pijlers: - Dorpen in het groen tussen twee steden; De gemeente kenmerkt zichzelf als een aantrekkelijke groene woongemeente. De lokale werkgelegenheid wordt als kans gezien om nieuwe inwoners aan te trekken. Met het bouwen voor deze regionale arbeidsmarkt kan ook op de lange termijn voldoende draagkracht behouden blijven voor de bestaande voorzieningen in de kern. Inbreiding gaat voor uitbreiding. De nadruk in het woningbouwbeleid ligt op investeringen in de kwaliteit van de woningvoorraad (levensloopbestendig en duurzaam bouwen) en het vergroten van de diversiteit van het aanbod. Het behoud van een goede bereikbaarheid over weg en spoor, het waarborgen van een goede verkeersveiligheid en het beperken van overlast door vliegverkeer zijn belangrijke randvoorwaarden voor het behoud van een aantrekkelijke woonomgeving.

- Wonen en leven met oog voor elkaar; Als gevolg van maatschappelijke trends als vergrijzing en individualisering staan maatschappelijke voorzieningen onder druk. Het behoud en bereikbaar houden van maatschappelijke, sociale en culturele voorzieningen en het behoud van de kwaliteit van de openbare ruimte blijven basistaken van de gemeente. - Ruimte voor bedrijvigheid; Binnen de gemeente is veel werkgelegenheid verbonden aan (inter-)nationale en regionale economische ontwikkelingen binnen hoofdzakelijk de logistieke en

20

Gemeente Gilze-Rijen

-

-

industriële (luchtvaart) sectoren. De meer lokaal en regionaal georiënteerde werkgelegenheid is gericht op de recreatieve en wellness sectoren. Centraal in het ruimtelijke beleid staat de inzet van de gemeente op versterking en revitalisering van bestaande bedrijventerreinen en het tegengaan van leegstand. Hergebruik van voormalige bedrijfsruimte in het buitengebied door in de omgeving inpasbare functies maakt hier onderdeel van uit. Een mooi en duurzaam buitengebied; Binnen de gemeente is relatief veel groen aanwezig in de vorm van bosgebieden. Het vergroten van de belevingswaarde van het landschap en het versterken van de landschappelijke waarde van het buitengebied staan centraal in het beleid van de gemeente. De landschappelijke inpassing van bouwwerken heeft een hoge prioriteit. Verbindend bestuur dicht bij de inwoners. Samenwerking met omringende gemeenten is noodzakelijk om in te kunnen spelen op de regionale ontwikkelingen. Als gevolg van de samenhang tussen verschillende maatschappelijke ontwikkelingen, dient ook de samenhang in beleid, plannen en uitvoering te worden vergroot. Het betrekken van inwoners voor een effectief en gedragen beleid is noodzakelijk. De gemeente treedt bij ruimtelijke ontwikkelingen in toenemende mate op als regisseur in de samenwerking tussen organisaties.

In het ambitiedocument ‘Ambitie Gilze en Rijen- Nieuwe kansen!’ (juni 2015) zijn de hoofdlijnen verder uitgewerkt. Deze vier denkrichtingen zijn nader uitgewerkt in verschillende visiekaarten voor de vier dorpen. Kenmerkend voor Molenschot is het omliggende open landschap met uitgestrekte kavels en lange vergezichten. De gemeente heeft de ambitie om de woningvoorraad ter plaatse uit te breiden om invulling te kunnen geven aan de lokale woningbehoefte van met name jongeren. Nieuwe ontwikkelingen dienen zich te voegen binnen het landelijke open karakter in contrast met het besloten karakter van de kern. De gemeente is terughoudend in het toestaan van nieuwe bebouwing langs de linten buiten de kern. Voor het stedelijk gebied is de structuurvisie ‘Stedelijk Gebied Gilze en Rijen’ (vastgesteld december 2015). De huidige kern Molenschot heeft nog veel van de historische structuren behouden. De kern is geleidelijk aan opgebouwd vanuit een centraal gelegen driehoekig centrum. Onder invloed van ruilverkaveling, schaalvergroting en planmatige dorpsuitbreidingen vanaf de jaren ’70 is de landschappelijke structuur meer rationeel van opzet geworden. De historische driehoek en de belangrijkste uitvalswegen met lintbebouwing zijn in de huidige situatie structuurbepalend.

Het versterken van de hoofdstructuur van linten en radialen is één van de vier doelstellingen ter verbetering van de kwaliteit van de woonomgeving. Karakteristiek aan de structuur van de linten is de relatief fijne korrel en wisselende rooilijnen. De aanwezige woningen zijn op het lint georiënteerd. De bedrijfsmatige functies in de linten zorgen voor een verminderde uitstraling. Het invullen of hergebruiken van deze locaties zorgt voor een versterking van de kwaliteit van de woonomgeving.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

21

Beoordeling Het hergebruiken van een vrijstaande voormalige bedrijfswoning als burgerwoning in samenhang met het saneren van overtollige bedrijfsbebouwing en voorzieningen past binnen de ruimtelijke doelstellingen voor het buitengebied. De beoogde ontwikkeling sluit aan op de bestuurlijke ambities uit de structuurvisie wat betreft: versterken van de leefomgeving van dorpen in het groen, het hergebruik van voormalige bedrijfslocaties in het buitengebied en versterken van een mooi en duurzaam buitengebied. De bestaande woning heeft een agrarische uitstraling. De bouwstijl, bouwvorm en schaal past binnen de bestaande kleinschalige structuur van het lint. In de nieuwe situatie wordt de woning het formele hoofdgebouw. De woning is georiënteerd op het lint wat betreft de landelijke bouwstijl en situering direct aan de weg. Eén van de bestaande schuren blijft behouden als bijgebouw. Deze schuur is opgemetseld en middels een tussenbouw verboden aan het hoofdgebouw. Er is binnen het perceel ook in de nieuwe situatie sprake van een hiërarchie aan bebouwing. De planlocatie wordt in samenhang met de ontwikkeling landschappelijk ingepast. Het planperceel wordt ingericht als groen en landelijk erf. In de nieuwe situatie wordt de beslotenheid van het lint in contrast met het open buitengebied verder versterkt door de aanplant van bomen en een haag.

Met de beoogde ontwikkeling is sprake van een kleinschalig initiatief. Het beoogde hergebruik van een voormalige bedrijfslocatie draagt bij aan behoud en versterking van de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied en aan het versterken van de kwaliteit van de woonomgeving.

Visiekaart Molenschot. De planlocatie is rood omcirkeld Bron: Structuurvisie Stedelijk gebied Gilze en Rijen, 2015.

22

Gemeente Gilze-Rijen

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling past binnen het beleid zoals verwoord in de gemeentelijke structuurvisie. 3.4.2 Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant Toetsingskader Bij de vaststelling van een bestemmingsplan waarmee buiten het bestaand stedelijk gebied een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dienen gemeenten op basis van de Interim Omgevingsverordening invulling te geven aan een kwaliteitsverbetering van het landschap. In een bestemmingsplan dient een verantwoording opgenomen te zijn op welke wijze de kwaliteitsverbeterende maatregelen financieel, juridisch en feitelijk zijn verzekerd. De samenwerkende gemeenten uit de regio Hart van Brabant hebben op 26 november 2015 werkafspraken opgesteld over de invulling van de rood-met-groen koppeling. Door middel van de werkafspraken wordt het begrip ‘ruimtelijke ontwikkeling’ genuanceerd op basis van onder meer de omvang, aard en ruimtebeslag van de activiteit. Het beleidskader maakt onderscheid tussen een drietal categorieën aan ontwikkelingen. - Categorie 1 betreft de ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed waarvoor geen (extra) kwaliteitsverbetering wordt geëist. - Categorie 2 betreft de ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, danwel ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden.

Deze ontwikkelingen dienen te voorzien in een zorgvuldige landschappelijk inpassing. - Categorie 3 betreffen alle overige ontwikkelingen die niet tot categorie 1 of 2 behoren. Voor deze ontwikkelingen zijn extra kwaliteitsverbeterende maatregelen noodzakelijk die worden berekend op basis van de bestemmingswinst. Beoordeling In de uitgangssituatie is het perceel bestemd en ingericht als bedrijfslocatie. Met de beoogde functiewijziging neemt het bouwvlak ten behoeve van de nieuwe functie af met ca 61% van 3.585 m2 naar 1.404 m2. Een oppervlak van 639 m2 aan overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesaneerd en in de nieuwe situatie resteert 270 m2 aan voormalige bedrijfsbebouwing. De beoogde ontwikkeling is hiermee aan te merken als: ‘Wijziging bestemming Agrarisch-Agrarisch Bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarischtechnisch hulpbedrijf) of Bedrijf in bestemming Wonen of andere bestemming, zoals Horeca, Maatschappelijk of Recreatie, mits het bestemmingsvlak met tenminste 60 % wordt verkleind, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500 m² voormalige agrarische bedrijfsbebouwing resteert’ Volgens de regionale werkafspraken vallen dergelijke ontwikkelingen onder categorie 2. Dit betreffen ontwikkelingen met een beperkte landschappelijke invloed. Voor deze situaties is een goede landschappelijk inpassing van bebouwing noodzakelijk.

De landschapselementen dienen binnen of direct aangrenzend aan het bouwvlak te worden gerealiseerd.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

23

In de nieuwe situatie wordt het erf vormgegeven als een boerenerf. Aangrenzend aan het bouwvlak worden een hoogstam fruitboomgaard en een bosje aangeplant. Het perceel wordt aan de zijde van de doorgaande weg omlijnd met een beukenhaag. In de nieuwe situatie wordt aangesloten op de bestaande groene lintstructuur van de Raakseindse Kerkweg. Met de aanplant van streekeigen beplanting wordt het contrast tussen open buitengebied en besloten groene linten versterkt. De landschappelijke inpassingsmaatregelen zijn weergegeven in paragraaf 4.2 en bijlage 2 behorende bij de regels. De aanleg en instandhouding van de landschapselementen zijn geborgd via de planregels. Conclusie De functiewijziging van een voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning met behoud van een bijgebouw is een ontwikkeling met een beperkte landschappelijke invloed. Het gebruik van de locatie als woonlocatie betekent een extensivering van gebruik ten opzichte van de uitgangssituatie. Onderhavige ontwikkeling voldoet aan de regionale werkafspraken voor kwaliteitsverbetering van het landschap.

24

Gemeente Gilze-Rijen

4

DOELSTELLING VAN HET PLAN

4.1

Doelstelling Voor de gronden binnen het plangebied vigeert thans het bestemmingsplan "Buitengebied " van de gemeente Gilze-Rijen, zoals vastgesteld d.d. 7 januari 2013. In dit bestemmingsplan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van Bedrijf- hoefsmid’. De beoogde functiewissel is niet mogelijk op basis van de geldende wijzigingsbevoegdheid in artikel 42.13.3 aangezien in de nieuwe situatie wordt afgeweken van de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient derhalve een nieuw planologisch- juridisch kader gecreëerd te worden. De onderhavige bestemmingsplantoelichting voorziet in de ruimtelijke motivatie voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2

Beoogde ontwikkeling In de beoogde situatie is ter plaatse en burgerwoning aanwezig met een bijgebouw van 270 m2 in een groene omgeving. De functiewijziging vindt plaats binnen bestaande bebouwing. Ter hoogte van de bebouwing wordt een woonbestemming toegekend met een bouwvlak. In samenhang met de functiewijziging vindt tevens sloop plaats van overtollige bebouwing en voorzieningen.

Inrichtingstekening beoogde situatie. Bron: Compositie 5 Stedenbouw bv, 2021

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

25

De bestaande bedrijfswoning is opgericht omstreeks 1920 en is relatief klein voor hedendaagse woonbehoeften. Het te behouden bijgebouw is opgetrokken uit baksteen en is middels een aanbouw verbonden met de woning. De woning is georiënteerd op de Raakeindse Kerkweg. Het bijgebouw heeft een lagere bouwhoogte dan de woning en bevindt zich aan de achterzijde van de woning. In de nieuwe situatie is door situering binnen het perceel, uitstraling en maatvoering een duidelijke hiërarchie aanwezig tussen woning en bijgebouw. Doordat de schuur is opgemetseld, is het verkleinen van de schuur tot een oppervlakte van 200 m2 financieel onhaalbaar. Hiermee zou immers ook de bestaande kapconstructie moeten worden herbouwd. In de nieuwe situatie zal het bijgebouw doelmatig worden ingezet ten dienste van de woonfunctie. Binnen het bijgebouw worden bezitting van de initiatiefnemer passend binnen een woonfunctie gestald waaronder: huisraad, vervoersmiddelen, de boot en werktuigen ten behoeve van het onderhouden van het perceel. Tevens vinden kleinschalige bij een woonfunctie passende activiteiten.

Karakteristiek woonperceel. Bron: Funda, 2021.

Het landschappelijk inrichtingsplan voorziet in de aanleg van streekeigen landschapselementen. De beoogde woonfunctie en het groen ingepaste perceel passen binnen het karakter van het bebouwingslint. De beoogde inrichting sluit in stedenbouwkundig opzicht aan op het contrast tussen het open agrarische buitengebied en de besloten groen omrande linten van de kern Molenschot. De aanleg en duurzame instandhouding van de landschapselementen wordt geborgd door middel van de toekenning van een groenbestemming met bijbehorend juridischplanologisch kader.

26

Gemeente Gilze-Rijen

4.3

Verkeer en parkeren Verkeer De locatie wordt ontsloten via de Lijndonk en de Raakeindse Kerkweg. De Lijndonk en de Raakeindse Kerkweg zijn een lokale ontsluitingswegen. De Raakseindse Kerkweg leidt via de Schoolstraat naar de bebouwde kom van Molenschot. De omliggende wegen hebben een snelheidsregime van 60 km/uur. De weg is dubbelbaans zonder centrale wegmarkering en kent aan beide zijden een gemarkeerd fietspad. Gelet op de aard van de aanliggende wegen en gezien de afname aan voertuigbewegingen per etmaal die de beoogde functiewijziging van bedrijfsmatige functie naar wonen teweegbrengt, kan worden gesteld dat de beoogde situatie verkeerskundig inpasbaar is. Parkeren Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de "Reparatiewet BZK" op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en/ of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van 'een goede ruimtelijke ordening' dient inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien. Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid. In 2017 is voor het hele grondgebied de Nota Parkeernormen vastgesteld.

In de nota zijn op basis van de parkeerkencijfers van het CROW onder meer de gemeentelijke parkeernormen opgenomen voor verschillende functies. De nota dient als toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Doelstelling van de nota is het waarborgen van een gunstig woon- en leefklimaat door het voorkomen van parkeerproblemen in de openbare ruimte als gevolg van nieuwe ontwikkelingen. Uitgangspunt van de nota is dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden conform de geldende parkeernormen. Deze normen zijn gebaseerd op onder meer de mate van verstedelijking, bereikbaarheidskenmerken van de locatie en specifieke eigenschappen van de functie. Beoordeling In onderhavig plan wordt rekening gehouden met de parkeerbehoefte zoals deze is bepaald in de Nota Parkeernormen 2017. Voor het onderhavige plangebied dient volgens de kaart met de gebiedsindeling uitgegaan te worden van de parkeernormen behorende bij het gebiedstype ‘overig gebied'. In gebieden buiten het centrum geldt voor woningen met een netto oppervlak van meer dan 90m2 een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Deze dienen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Gelet op het type woning en de grootte van het plangebied, is hiervoor ruimte.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

27

Conclusie In het plangebied is voldoende ruimte om aan de gemeentelijke parkeernormen te kunnen voldoen.

28

Gemeente Gilze-Rijen

5

MILIEU EN LANDSCHAP

5.1

Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een ruimtelijk plan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van de planologisch relevante uitvoeringsaspecten. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. Achtereenvolgens worden behandeld: • bodem; • waterhuishouding; • archeologie; • ecologie; • akoestiek; • bedrijven en milieuzonering; • geurhinder; • externe veiligheid; • verkeer en parkeren; • kabels en leidingen; • luchtkwaliteit; • milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

5.2

Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

29

2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling Ten behoeve van het bepalen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit is in augustus 2020 door Milon BV een verkennend bodemonderzoek en een asbestinventarisatie van de bodem uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit het rapport. Op basis van de reeds beschikbare gegevens is het onderzoek uitgevoerd op basis van de hypothese van een onverdachte locatie wat betreft de bodemkwaliteit en verdacht wat betreft de aanwezigheid van asbest in de bodem (diffuse bodembelasting). Bij uitvoering van het onderzoek zijn zintuigelijke waarnemingen gedaan in de vorm van bijmengingen met baksteen, glas en repac. Er zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op bodemverontreiniging. Er is tijdens de monsterneming op het noordwestelijke terrein asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Na uitvoering van de analyses zijn in de boven- en ondergrond lichte verontreinigingen geconstateerd van PAK, PCB en minerale olie. Het grondwater blijkt licht verontreinigd met barium.

Deze metaalverontreinigingen zijn mogelijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties. Uit analyse van de genomen puinmonsters is asbest aangetoond boven de detectiegrens, maar onder de norm voor nader onderzoek. Conclusie De aard en mate van de gevonden (lichte) verontreiniging van bodem en grondwater alsmede asbesthoudend materiaal geeft geen aanleiding voor nader onderzoek. Milon BV concludeert dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit in principe geschikt is voor het beoogde gebruik. Voor meer gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de rapportage in bijlage 1.

5.3

Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.

30

Gemeente Gilze-Rijen

Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PWMP) van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor o.a. het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid waterschap Brabantse Delta De projectlocatie is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De visie van waterschap Brabantse Delta is vervat in het Waterbeheerplan 2016 - 2021 en kent een geldigheid vanaf 22 december 2015. Het waterschap richt zich hierbij op een doelmatig waterbeheer als motor voor een economische en ecologisch krachtige regio. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.

Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: • het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren; • het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; • inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; • helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; • het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); • afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; • een duurzame energiewinning. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.

De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

31

gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor (1) x 0,06 (m) Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt.

Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Voor het overige zijn er in de Keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied. Beleid gemeente Gilze en Rijen De gemeente Gilze-Rijen heeft haar beleid omtrent water vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk rioleringsplan (vGRP). In het vGRP is onder meer het hemel- en grondwaterbeleid van de gemeente opgenomen. Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten binnen de gemeente dienen hydrologisch neutraal uitgevoerd te worden. Hemelwater dient bij voorkeur bovengronds te worden geborgen en geïnfiltreerd, danwel vertraagd te worden afgevoerd naar omliggende watergangen. Voor inbreidingsgebieden geldt dient een infiltratievoorzieningen met een bergingsnorm van 20-40mm te worden aangelegd. Bij uitbreidingsgebieden geldt een bergingsnorm van 40mm. Beoordeling Voor de beschermde gebieden en attentiegebieden die in de keur zijn aangewezen geldt voor zowel het grondwater- als het oppervlaktewatersysteem een strikt beschermingsbeleid conform het provinciaal beleid.

Dit betekent dat alle ingrepen in

32

Gemeente Gilze-Rijen

dergelijke gebieden in beginsel vergunningplichtig blijven, met daaraan gekoppeld een terughoudend en stringent vergunningenbeleid. De attentiegebieden hebben tot doel het tegengaan van verdere verdroging van de natte natuurparel door ingrepen in de waterhuishouding in de directe omgeving. Nieuwe waterhuishoudkundige ingrepen zijn enkel toegestaan indien ze gericht zijn op het verbeteren van de condities voor de natuur. In stedelijke gebieden kunnen aanpassingen in het watersysteem wel worden toegestaan ten behoeve van stedelijke ontwikkelingen of ter voorkoming van ernstige grondwateroverlast, mits de waterafvoer niet meer bedraagt dan ten hoogste de landbouwkundige afvoer.

Uitsnede Leggerkaart Keur Brabantse Delta. Bron: BrabantseDelta.nl, 2021.

In de omgeving van het plangebied bevinden zich watergangen die op grond van de Keur wordt beschermd met een B-status. Ten aanzien van het onderhoud van de watergang is geen beschermingszone vastgesteld. Onderhoud van de watergang dient plaats te vinden door de aangrenzende perceeleigenaren. Onderliggend bestemmingsplan maakt een functiewijziging van een bedrijfsfunctie naar een woonfunctie binnen bestaande bebouwing mogelijk. Overtollige bedrijfsbebouwing en bedrijfsmatige voorzieningen (639 m2) zullen worden gesaneerd en ingericht als tuin en groenstructuur. Na uitvoering van de plannen zal het areaal aan verhard oppervlak afnemen ten opzichte van de uitgangssituatie, zodat geen sprake is van een retentievereiste als verplicht door het waterschap op basis van de Keur 2015. In de beoogde situatie vindt geen nieuwbouw plaats. Er is sprake van een functiewijziging binnen bestaande bebouwing. Vanuit het vGRP zijn er geen verplichtingen tot het aanleggen van een infiltratievoorziening. De ontwikkeling is hydrologisch neutraal. Conclusie Er worden vanuit oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de uitvoering van het plan.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

33

5.4

Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

Beoordeling De gemeente Gilze-Rijen beschikt over een beleidsplan ‘Gilze en Rijen, van onderaf bekeken’ met daarin opgenomen een archeologische beleidskaart. Op basis van de beleidskaart zijn voor het hele grondgebied beleidscategorieën aangewezen waarmee per categorie wordt aangegeven vanaf welke bewerkingsoppervlakte en diepte het uitvoeren van archeologisch onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Ter hoogte van het plangebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde (categorie 6).

34

Gemeente Gilze-Rijen

Uitsnede Archeologische beleidskaart GilzeRijen. Plangebied is rood gearceerd. Bron: Gemeente Gilze- Rijen, 2010.

De gemeente heeft de bescherming van in de beleidsadvieskaart opgenomen middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarden vertaald in dubbelbestemmingen in de geldende bestemmingsplannen. De directe omgeving van het plangebied is in het verleden voornamelijk gebruikt als onbebouwd, agrarisch gebied. Op basis van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied is ter plaatse geen bijzondere archeologische verwachtingswaarde toegekend. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Indien er bij het ontgraven van het terrein toch nog archeologische sporen gevonden worden, dienen deze binnen drie dagen te worden gemeld bij de afdeling ruimte van de gemeente GilzeRijen.

5.5

Cultuurhistorie Toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. De Provincie Noord- Brabant heeft in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) regels voor het veiligstellen van het Brabantse cultureel erfgoed opgesteld. In de

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

35

Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 (herzien 2016) is de meest recente erfgoedinformatie voor de bebouwde en onbebouwde omgeving weer. De belangrijkste Brabantse cultuurhistorische waarden zijn vastgelegd binnen de Interim Omgevingsverordening. De provincie maakt onderscheid tussen cultuurhistorische landschapswaarden en cultuurhistorische panden en objecten.

Uitsnede CHW 2016. Het plangebied is globaal aangeduid met een rode arcering. Bron: Provincie Noord-Brabant, 2016.

Beoordeling De omgeving ten zuiden van de kern Molenschot kenmerkt zich als een jonge open zandontginning. Het landschap bestaat grotendeels uit een open en rationeel verkaveld weidegebied. De ontginningsstructuur met open weiden, besloten kernen en groene linten is ook in het hedendaagse landschap herkenbaar aanwezig. De planlocatie is gelegen binnen het cultuurlandschap van de Baronie. De cultuurhistorische waarden binnen de Baronie bestaan uit oudere en jongere zandontginningen. De oude dorpen en buurtschappen met omliggende akkercomplexen, groenlanden, voormalige heidevelden en groenstructuren vormen de dragende structuren van het gebied. De oude kern van Molenschot en de omliggende graslanden hebben het historische karakter behouden. Nieuwe ontwikkelingen dienen de landschappelijke karakteristiek te versterken. Aan een aantal historische wegen in de omgeving van het plangebied, waaronder Lijndonk, is in de CHW een redelijk hoge cultuurhistorische waarde toegekend. Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen monumentale gebouwen aanwezig. Het hergebruik van de bestaande voormalige bedrijfswoning heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarden van de Lijndonk.

Met de beoogde sanering van bedrijfsmatige bebouwing en voorzieningen wordt bijgedragen aan het versterken van de landschappelijke structuur van kleinschalige en besloten linten in contrast tot open agrarische gebieden.

36

Gemeente Gilze-Rijen

Uitsnede topografische kaart 1900 omgeving Molenschot. Het plangebied is globaal aangeduid met een rode arcering. Bron: topotijdreis.nl, 2021.

Uitsnede topografische kaart 1950 omgeving Molenschot. Het plangebied is globaal aangeduid met een rode arcering. Bron: topotijdreis.nl, 2021.

Conclusie De beoogde functiewijziging van een voormalige bedrijfswoning met een agrarische verschijningsvorm naar een woonfunctie past binnen de aanwezige landschappelijke karakteristiek. De beoogde woonfunctie aan een bestaande lintstructuur, past binnen de landschappelijke structuur van besloten lintbebouwing en open jonge zandontginningen.

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

37

5.6

Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 - 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen.

De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) vindt plaats via lokaal en regionaal beleid. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Binnen het NNN zijn in principe geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die de kernkwaliteiten negatief kunnen beïnvloeden. Een uitzondering kan worden gemaakt voor ontwikkelingen waarvoor geen reëel alternatief bestaat en er sprake is van een groot openbaar belang. Voor dergelijke ontwikkelingen geldt de ‘nee- tenzij’ toets. Indien schade ontstaat, moet deze worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft de 'Regte Heide & Riels Laag', gelegen op een afstand van circa 4,5 kilometer. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. De functiewijziging vindt plaats binnen bestaande bebouwing. De aard en gebruiksintensiteit blijven gelijk. Gezien de aard, de kleine schaal van de ontwikkeling en de afstand tot omliggende natuurgebieden, is het redelijkerwijs uit te sluiten dat er enig effect zal optreden binnen Natura 2000-gebieden. Dit geldt niet voor de emissie van stikstof.

De sloop van 260 m2 aan bebouwing en het afbreken van voorzieningen als een stapmolen en een rijbak heeft een zeer beperkte uitstraling maar dient wel onderzocht te worden. In bijlage 2 bij deze toelichting is de AERIUS-berekening opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat de stikstof depositie minder dan 0,00 kg NHx en NH3 per jaar per hectare bedraagt.

38

Gemeente Gilze-Rijen

Het plangebied is niet gelegen binnen of aangrenzend aan een onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het dichtstbij gelegen onderdeel van het Natuur Netwerk Brabant bevindt zich op een afstand van circa 600 m ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard en de kleine schaal van de ontwikkeling is het redelijkerwijs uit te sluiten dat er enig effect zal optreden binnen het NNB-gebied. Conclusie Onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van beschermde soorten in omliggende NNB of Natura 2000-gebieden.

5.7

Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.

Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Ten behoeve van het bepalen van de aanwezigheid van te beschermen flora en fauna is in december 2020 een quickscan uitgevoerd door onderzoeksbureau ‘Veldbiologische werken’. Het onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Met het uitgevoerde onderzoek is de locatie beoordeeld op de aanwezigheid van

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

39

geschikt habitat voor beschermde soorten en eventuele effecten die als gevolg van de planontwikkeling kunnen optreden. In de huidige situatie is het plangebied bebouwd en bedrijfsmatig in gebruik ten behoeve van een hoefsmid. In de nieuwe situatie zal bebouwing worden gesloopt. Voorafgaand aan de sloop van bebouwing is een verkennend onderzoek noodzakelijk naar de aanwezigheid van beschermde dieren waaronder vleermuizen en vogels. Uit de onderzoeksresultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek blijkt dat het plangebied niet fungeert als leefgebied voor strikt beschermde soorten. Tijdens het veldonderzoek zijn geen sporen of geschikte habitats van beschermde soorten aangetroffen. Het (incidentele) gebruik van het plangebied door een aantal algemene soorten zoals de egel is niet uit te sluiten. Aanbevolen wordt om uit voorzorg vóór aanvang van de werkzaamheden het plangebied te controleren op de aanwezigheid van egels en broedende vogels. In algemene zin dient de zorgplicht in acht te worden gehouden bij uitvoering van de werkzaamheden. Schade aan flora en fauna dient op basis van deze zorgplicht in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten ten aanzien van soortenbescherming. Nader onderzoek is niet noodzakelijk (zie tevens de rapportage in bijlage 3).

5.8

Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). In de VNG- handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009 staan richtafstanden opgenomen voor het toetsen van ruimtelijke ontwikkelingen. De richtafstanden geven een algemene indicatie van de te verwachten milieubelasting per bedrijfscategorie. Van de algemene richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken wanneer milieuonderzoek naar de specifieke situatie een andere mate van milieubelasting aantoont. De indicatieve afstanden moeten worden aangehouden ten opzichte van de gevels van omliggende gevoelige objecten.

40

Gemeente Gilze-Rijen

Tabel 1 Richtafstandenlijst VNG 2009 Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk in meters 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied in meters 0 10 30 50 100

Beoordeling Gebiedstypologie De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als een gemengd gebied. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie zoals een woning, moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet er getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich diverse functies die hinder kunnen veroorzaken voor de woning. Andersom kunnen de functies belemmerd worden in de bedrijfsvoering als gevolg van het realiseren van een milieugevoelige functie als een woning. De combinatie van functies in de omgeving maakt het gebied tot een gemengd gebied. Door deze classificatie kan in het kader van bedrijven en milieuzonering de toegekende classificatie aan bedrijven met één stap verlaagd worden. Milieurelevante activiteiten omgeving Veehouderij Schoolstraat 86 Ten noorden van de planlocatie aan de Schoolstraat 86 is een intensieve veehouderij gevestigd. De grens van het bouwvlak van de veehouderij is gelegen op circa 12 meter van de gevel van de woning.

Aan de Schoolstraat 86 worden volgens de geldende vergunning melkkoeien en vleeskalveren gehouden. Volgens de richtafstandentabel voor functiescheiding in de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering 2009’ is het fokken en houden van rundvee aan te merken als een categorie 3.2 activiteit. De bepalende milieuaspecten zijn op basis van een gemengd gebied volgens SBI- code 2008 0141/ 0142: geur (50 m), stof (10 m) en geluid (10 m). Recreatie park Brabantse Weelde, Raakeindse Kerkweg 71 Het recreatiepark ligt ten zuiden van de initiatieflocatie. De locatie betreft een bungalowpark. Grenzend aan de initiatieflocatie mogen alleen recreatiewoningen worden gerealiseerd. De centrale voorzieningen, de kantine en het zwembad, liggen in de noordwestelijke hoek van het park. Deze bevinden zich op een afstand van ca. 280 meter tot de woning. De voormalige bedrijfswoning aan de Raakeindse Kerkweg 91 is

Bestemmingsplan “Raakeindse Kerkweg 91 Molenschot”

41

een reeds een gevoelige functie ten opzichte van het park en het omzetten van bedrijfswoning naar burgerwoning betekent geen wijziging in de milieuhygiënische beoordeling. Milieurelevante activiteiten planlocatie In de uitgangssituatie is ter plaatse een hoefsmid aanwezig. Een hoefsmid is aan te merken als activiteit behorende tot milieucategorie 3.1. In de beoogde situatie wordt het houden van paarden ten behoeve van de hoefsmid beëindigd. Hiermee vervalt tevens de richtafstand.

Honden-uitlaatservice Binnen het plangebied is een kleinschalige honden-uitlaatservice gevestigd. De activiteiten vinden hoofdzakelijk plaats buiten het planperceel. Binnen kantooruren wordt voor de uitlaatservice gebruik gemaakt van twee hondenverblijven in de te behouden schuur. De twee hondenverblijven zijn beoordeeld aan de hand van SBI-code 2008 0149 (Houden en fokken van huisdieren). Deze valt onder milieucategorie 3.1 met een maximale richtafstand van 30 m op basis van het milieuaspect geluid en 10 m op basis van het milieuaspect geur. De SBI-code is gericht op een typische hondenkennel of fokkerij. Het aantal gehouden dieren is veel hoger dan in de onderhavige situatie. Het betreft hiermee een worst-case benadering. In de directe omgeving zijn een tweetal gevoelige objecten gelegen, namelijk de bedrijfswoning van de veehouderij aan de Schoolstraat 86 en de woning aan de Lijndonk 5D. Beoordeling richtafstand In de uitgangssituatie is sprake van een bedrijfswoning, In de nieuwe situatie wordt deze omgezet naar een burgerwoning. Een bedrijfswoning is reeds een gevoelige functie voor omliggende activiteiten. In de nieuwe situatie wordt derhalve geen nieuwe gevoelige functie toegevoegd. In het belang van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er geen hindersituaties ontstaan als gevolg van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling.

De afstand van activiteiten tot gevoelige functies dient voldoende groot te zijn. Tevens dient in het kader van de omgekeerde werking de functiewissel geen beperkingen op te leveren voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-brochure geven een indicatie voor de te verwachten milieuhinder tussen functies. Ten aanzien van de veehouderij aan de Schoolstraat 86 wordt de richtafstand (50 m) voor geurhinder niet gehaald. De afstand tussen het plangebied en de veehouderij voldoet niet aan de richtafstand voor functiescheiding. De afstand tot de woning voor de milieuaspecten stof en geluid (10m) afkomstig van de veehouderij is voldoende groot. De afstand tussen de hondenverblijven binnen het plangebied en de bedrijfswoning van de veehouderij bedraagt meer dan 32 m. Deze afstand is voldoende groot. De afstand tussen de hondenverblijven en de gevel van de woning aan de Lijndonk 5D bedraagt ca 33 m. Ook deze afstand is voldoende groot. De hondenuitlaatservice beschikt slechts over een tweetal hondenverblijven binnen bebouwing. De richtafstanden gaan uit van

42

Gemeente Gilze-Rijen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10558401/1