archeologie concept begeleidend en onderbouwdend rapport
Tekst van het document
Gemeente Gilze-Rijen Archeologische verwachtings- en beleidskaart, een actualisatie
Auteur: drs. M.J. van Putten
Status: concept BAAC Rapport V-20.0260
augustus 2021
Archeologische Beleidsadvieskaart Gilze-Rijen
1
Archeologische Beleidkaart Gemeente Gilze-Rijen
2
Colofon ISSN: Auteur(s):
1873-9350 drs. M.J. van Putten
Cartografie: Redactie: Copyright:
drs. M.J. van Putten drs. K. Leijnse Gemeente Gilze-Rijen / BAAC bv te ‘s-Hertogenbosch
Autorisatie (senior archeoloog):
drs. K. Leijnse
06-08-2021
© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2021) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
BAAC bv Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 Fax: (073) 61 49 877 E-mail: denbosch@baac.nl
3
Postbus 2015 7420 AA Deventer Tel.: (0570) 67 00 55 Fax: (0570) 61 84 30 E-mail: deventer@baac.nl
Een actualisatie, 2021
Archeologische Beleidkaart Gemeente Gilze-Rijen
4
Administratieve gegevens
5
Provincie:
Noord-Brabant
Gemeente:
Gilze-Rijen
Datum opdracht:
28 juli 2020
Datum rapportage:
06 augustus 2021
Uitvoerder:
BAAC bv, vestiging 's-Hertogenbosch Graaf van Solmsweg 103 5222 BS 's-Hertogenbosch tel. 073-6136219
Projectleider:
drs. M.J. van Putten m.vanputten@baac.nl
Auteur:
drs. M.J. van Putten
BAAC-projectnummer:
V-20.0260
Beheer documentatie:
BAAC bv te 's-Hertogenbosch
Opdrachtgever:
Gemeente Gilze-Rijen
Een actualisatie, 2021
Archeologische Beleidkaart Gemeente Gilze-Rijen
6
Inhoud Administratieve gegevens
5
Inhoud
7
1
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.1.1 Aanleiding tot het laten opstellen van de beleidskaart 1.1.2 Aanleiding actualisatie 1.2 Wettelijk kader 1.2.1 Algemeen 1.2.2 Monumentenwet 1988 en Wamz 1.2.3 De Erfgoedwet 1.2.4 De Omgevingswet 1.2.5 Verantwoordelijkheden Rijk, Provincie en Gemeente 1.3 Archeologie en ruimtelijke ordening 1.4 Gemeentelijk archeologiebeleid 1.5 Gemeentelijk archeologische verwachtings- en beleidskaart 1.6 Ligging van het gebied 1.7 Leeswijzer
11 11 11 11 13 13 13 14 15 16 17 18 19 20 21
2
Onderzoeksopzet 2.1 Inleiding 2.2 Archeologische inventarisatie 2.3 Landschappelijke en bodemkundige inventarisatie 2.4 Archeologische verwachtingskaarten 2.5 Verstoringen en gebieden met geringe informatie 2.6 De archeologische beleidskaart 2.7 Beperkingen van een verwachtingskaart
23 23 24 24 26 28 29 30
3
Landschappelijke ontwikkeling en ondergrond 4 Archeologische informatiekaart 4.1 Inleiding 4.2 Inventarisatie van de bekende vindplaatsen 4.2.1 Waarnemingen in Archis 4.2.2 Archeologische monumentenkaart 4.3 Inventarisatie van overige bronnen 4.3.1 Archeologische onderzoeken 4.3.2 Historische bronnen
33 35 35 35 35 38 39 39 39
5
De totstandkoming van de Archeologische verwachtingskaarten 5.1 Inleiding 5.2 De Archeolandschappelijke eenhedenkaart 5.2.1 Bestaande landschappelijke eenhedenkaarten 5.2.2 Geomorfologische kaart 5.2.3 Bodemkaarten 5.2.4 Actueel Hoogtebestand Nederland 5.2.5 Landschappelijke gegevens uit archeologische rapporten 5.2.6 Bodemverstoringen
41 41 41 42 42 43 43 44 44
7
Een actualisatie, 2021
5.2.7 De Archeolandschappelijke eenheden 5.3 De Bodemkaart 5.3.1 Bodemkaarten 5.3.2 Historische kaarten 5.3.3 De bodemeenheden 5.4 De verwachtingsmodellen 5.4.1 Indicatieve Kaart Archeologische Waarden 5.4.2 Jagers en Verzamelaars; het locatiekeuze model 5.4.3 Jagers en Verzamelaars; de afstand tot water 5.4.4 De verwachtingskaart voor Jagers en Verzamelaars 5.4.5 De boeren- en Staatse samenleving; het locatiekeuze model 5.4.6 De verwachtingskaart voor de boeren- en Staatse samenleving 5.5 De gaafheid van vindplaatsen 5.6 Beperkingen
45 48 48 49 49 51 51 52 55 57 60
6
Archeologie en beleid 6.1 Inleiding 6.2 Archeologiebeleid in de gemeente Gilze-Rijen 6.2.1 Werkwijze tot op heden 6.2.2 Voormalig instrumentarium 6.2.3 Bevoegd gezag, nieuw instrumentarium 6.2.4 Verplichtingen en keuzemogelijkheden 6.3 Het archeologische traject 6.3.1 Algemeen 6.3.2 Bureauonderzoek (stap 1) 6.3.3 Inventariserend Veldonderzoek (stap 2) 6.3.4 Behoud (stap 3) 6.3.5 Behoud ex situ 6.3.6 Vrijgeven 6.4 De beleidsadvieskaart 6.4.1 Algemeen 6.4.2 Categorie 1 6.4.3 Categorie 2 6.4.4 Categorie 3 6.4.5 Categorie 4 6.4.6 Categorie 5 6.4.7 Categorie 6 6.4.8 Categorie 7 6.4.9 Categorie 8 6.4.10 Categorie 9 6.4.11 Categorie 10a 6.4.12 Categorie 10b 6.5 Toevalsvondsten 6.6 Vergunningen en vrijstellingen 6.7 Conclusie
71 71 71 72 73 73 74 79 79 79 80 81 83 83 84 84 86 86 87 87 87 88 88 89 89 90 90 90 90 91
7
Geraadpleegde bronnen
92
Archeologische Beleidkaart Gemeente Gilze-Rijen
64 67 68
8
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9
Bijlage 10
9
– overzicht van geologische en archeologische tijdvlakken – Archeologische Informatiekaart – Historische relictenkaart – Archeolandschappelijke eenhedenkaart – Bodemkaart – Archeologische verwachtingskaart; Jagers en verzamelaars – Archeologische verwachtingskaart; Boeren- en Staatse samenleving – Beleidskaart – catalogus A AMK-terreinen B vindplaatsen C historische punten D onderzoeken – stappenplan
Een actualisatie, 2021
Archeologische Beleidkaart Gemeente Gilze-Rijen
10
1
Inleiding
1.1 Aanleiding 1.1.1 Aanleiding tot het laten opstellen van de beleidskaart De Erfgoedwet is op 1 juli 2016 van kracht geworden. Deze wet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als onroerend erfgoed. Samen met de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 zal worden geïmplementeerd, maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Met de Erfgoedwet en de Omgevingswet is archeologie een verplicht en geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijke besluitvormingsproces geworden. Er is sprake van decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden, waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor het behoud van het archeologische erfgoed binnen de gemeentegrenzen. Archeologie moet worden meegewogen bij het opstellen van gemeentelijke bestemmingsplannen. Om dit te kunnen bewerkstelligen dienen gemeenten een gemeentelijk archeologiebeleid te ontwikkelen. Hiervoor moeten de gemeenten het bekende en verwachte archeologisch bodemarchief onderbouwd in kaart brengen. Vervolgens dient dit archeologisch bodemarchief middels een dubbelbestemming ‘ waarde archeologie’ te worden gekoppeld aan het aanleg-, sloop- en/of bouwvergunningstelsel. Dit aanleg-, sloop- en/of bouwvergunningstelsel dient vervolgens te worden opgenomen in de gemeentelijke omgevingsplannen.
Dit was bij de vorige wetgeving omtrent archeologie (de wet op de archeologische monumentenzorg (WAMz)) ook al zo. In dit kader is in 2010 door de SRE Milieu een archeologische inventarisatie uitgevoerd, waarna een archeologische verwachtings- en een archeologische beleidskaart voor het gehele grondgebied van de gemeente is opgesteld. Het doel van dat onderzoek was inzicht te krijgen in de aanwezige archeologische waarden én in de kans dat archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn binnen de gemeentegrenzen van Gilze-Rijen om zo te kunnen komen tot een goed onderbouwd gemeentelijk archeologiebeleid. 1
1.1.2 Aanleiding actualisatie Zoals hierboven uiteen is gezet, beschikt de gemeente Gilze-Rijen sinds 2010 over een eigen verwachtings- en beleidskaart. De betreffende kaarten zijn sindsdien echter nooit geactualiseerd. De gemeente Gilze-Rijen wil, vooruitlopend op de Omgevingswet, graag de beschikking hebben over een actuele, goed onderbouwde archeologische verwachtingskaart en de daaruit voortvloeiende geactualiseerde beleidskaart. In dat kader heeft de gemeente Gilze-Rijen aan BAAC (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuurhistorie en Cultuurhistorie) opdracht verleend om een archeologische inventarisatie uit te voeren, waarna een geactualiseerde archeologische verwachtings- en beleidskaart voor het gehele grondgebied van de gemeente is opgesteld. Hierbij is tevens gesteld dat nog eens kritisch naar de bestaande kaarten dient te worden gekeken en deze, waar nodig, te herzien. Met de bestaande kaarten worden de landschaps- en
1
11
Berkvens en Bosman 2010 en Berkvens 2010 .
Een actualisatie, 2021
2
archeologische verwachtings- en beleidskaarten uit 2010 bedoeld. Bovendien zijn sinds de peildatum van de bestaande verwachtingskaart (oktober 2010) verscheidene nieuwe archeologische onderzoeken uitgevoerd wat heeft geresulteerd in een aantal nieuwe waarnemingen. Bij de actualisatie zijn al deze punten aangepast. Om de geactualiseerde kaarten zo goed mogelijk te laten voldoen aan de eisen van de Erfgoedwet is ervoor gekozen om de nieuwe kaarten in de geest van de 3 ‘Handleiding voor het opstellen van gemeentelijke inventarisatiekaarten’ op te stellen. Deze handleiding betreft echter nog een pilot en is nog niet als zodanig vastgesteld. De genoemde pilot wordt gezien als een manier om een eerste stap te zetten in het harmonisatieproces van het huidige archeologiebeleid en om te komen tot een verbetering van de eerste stap in de AMZ-cyclus (het opstellen van een specifieke verwachting). Daarnaast wordt met de nieuwe handleiding getracht om invulling te geven aan het begrip ‘aantoonbare archeologische verwachtingen’. Dit laatste komt voort uit het in 2015 aangenomen amendement Ronnes dat plaats krijgt in de Omgevingswet.
Met ‘aantoonbaar’ wordt bedoeld dat de in het omgevingsplan opgenomen verwachting (trefkans) op het aantreffen van archeologische vondsten goed dient te zijn onderbouwd (aangetoond) met behulp van expliciete en locatie-specifieke archeologische en bodemkundige informatie. Tevens staat in het concept Besluit Kwaliteit Leefomgeving het volgende te lezen:
“… de gemeente wordt, kortom, geacht de verantwoordelijkheid te nemen voor goed onderbouwde archeologische verwachtingen in het omgevingsplan. Deze bieden meer zekerheid voor de initiatiefnemers (verstorende partijen). Volledige zekerheid is echter niet mogelijk. Dit ligt in de aard van de archeologie, die nu eenmaal niet zichtbaar in de bodem zit. Alleen alles opgraven zou volledige zekerheid geven, maar dat is in strijd met het beginsel van behoud in situ. Het blijven dus goed onderbouwde verwachtingen, waaraan een mate van onzekerheid nu eenmaal inherent is.” Eén van de wijzigingen die voortvloeit uit de nieuwe handleiding is dat nu geen uitspraak (waardering) meer gedaan wordt over een hoge, middelhoge, of lage verwachting. Tot op heden, ook voor de gemeente Gilze-Rijen, wordt een dergelijke waardering wel weergegeven op de meeste archeologische verwachtingskaarten. Een dergelijke uitspraak bevat echter een impliciete veronderstelling over de dichtheid aan archeologische resten in een gebied en derhalve ook een kans deze te kunnen aantreffen. Dit suggereert een kwantificering die niet altijd goed te onderbouwen is en, minstens zo belangrijk, strijdig is met het reeds aangehaalde amendement. Er dient immers geen waardering in termen van hoge, middelhoge of lage verwachting meer te worden uitgesproken.
Daarmee staat ook de aantoonbaarheid van de verwachtingen niet langer ter discussie, omdat alleen een feitelijke onderbouwing wordt gegeven waarom in een bepaalde zone specifieke archeologische resten aanwezig kunnen zijn, op basis van gevalideerd bronnenmateriaal. Om tot een archeologische verwachting te komen, heeft een inventarisatie plaatsgevonden van reeds bekende archeologische vindplaatsen binnen de gemeente Gilze-Rijen. Deze vindplaatsen zijn vervolgens vanuit landschappelijk, bodemkundig en geomorfologisch oogpunt geanalyseerd om te kunnen komen tot een archeologische verwachting voor de gehele gemeente. Vervolgens is aan de verschillende verwachtingszones beleid gekoppeld. Dit is op de op de beleidskaart weergegeven. Waar van toepassing is het onderzoek uitgevoerd conform de 4 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. In hoofdstuk 2 wordt uitgebreid op de gebruikte onderzoeksopzet ingegaan. 2
Berkvens en Bosman 2010 en Berkvens 2010 . Breimer 2020. 4 CCvD 2016. 3
Archeologische Beleidkaart Gemeente Gilze-Rijen
12
1.2 Wettelijk kader 1.2.1 Algemeen Het Europese verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (beter bekend als het Verdrag van Valletta of Malta, 1992) is in 1998 door de Tweede en Eerste Kamer goedgekeurd. De daaropvolgende implementatie van het verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving heeft in 2007 geleid tot de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) die per 1 september van dat jaar van kracht is geworden. Deze wet gaf aan welke wetten gewijzigd dienden te worden, met als belangrijkste wet de Monumentenwet 1988. De implementatie heeft daarnaast geleid tot aanpassing van enkele andere wetten op aanpalende werkvelden die voor de archeologie relevant zijn, zoals bijvoorbeeld de Ontgrondingenwet, de Woningwet, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo). Deze wetgeving beoogde dat zo goed en zo vroeg mogelijk rekening wordt gehouden met de aanwezigheid óf mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. De Wamz had twee belangrijke uitgangspunten:
Het streven naar behoud van archeologische resten in hun originele context in de bodem (‘in situ’), of, als dit niet mogelijk is, door opgraving en documentatie (‘ex situ’). Degene die nieuwe ontwikkelingen met mogelijk bodemverstorende ingrepen tot stand brengt, is verantwoordelijk voor de inventarisatie en een verantwoord beheer van de bekende en te verwachten archeologische resten in de ondergrond (volgens het principe ‘de verstoorder betaalt’).
1.2.2 Monumentenwet 1988 en Wamz Voor het inwerking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) was de bescherming van monumenten, waartoe ook archeologische monumenten behoren, en stads- en dorpsgezichten geregeld via de Monumentenwet 1988. Dat was ook na het inwerking treden van de Wamz nog het geval. Met het inwerking treden van de Wamz was echter ook sprake van de bescherming van te verwachten archeologische waarden. De uitgangspunten bij de (herziene) Monumentenwet 1988 (na inwerkingtreding Wamz) waren:
13
Het aansluiten op de Wet ruimtelijke ordening door te stellen dat bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening gehouden dient te worden 2 met archeologie. Hierbij wordt vanuit de wet 100 m als vrijstellings/ondergrens ten aanzien van de onderzoeksverplichting voor ‘projecten' gehanteerd. In ditzelfde artikel staat echter vermeld dat de gemeenteraad een hiervan afwijkende beargumenteerde andere oppervlakte kan vaststellen; Beleidsuitgangspunt dient behoud en bescherming van het archeologisch erfgoed in situ te zijn door het treffen van technische en/of planologische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. Indien dit niet mogelijk is, dan dienen behoudenswaardige vindplaatsen te worden opgegraven; in uitzonderlijke gevallen kunnen in plaats van een opgraving de werkzaamheden archeologisch worden begeleid; Provincies hebben de bevoegdheid om zogenoemde archeologische attentiegebieden aan te wijzen. Dit betreft gebieden binnen het grondgebied van de provincie die archeologisch waardevol zijn of naar verwachting archeologisch waardevol zijn en die binnen geldende bestemmingsplannen onvoldoende bescherming genieten. Voor die gebieden dient de desbetreffende gemeente binnen een nader vast te stellen termijn een nieuw bestemmingsplan op te stellen, waarbij rekening
Een actualisatie, 2021
wordt gehouden met de aanwezige en/of verwachte archeologische waarden. Het verhalen van de kosten verbonden aan het veiligstellen van archeologische waarden op de initiatiefnemer van de geplande ruimtelijke ingreep. Met andere woorden, de verstoorder betaalt; Introductie van marktwerking voor de uitvoering van archeologisch werk en controle van de kwaliteit hiervan middels de introductie van een 5 kwaliteitssysteem;
Het eerste uitgangspunt (aansluiting op de Wet ruimtelijke ordening/Wabo) had (en heeft nog steeds) de meeste gevolgen voor de gemeenten, aangezien hiervoor een gemeentelijke verwachtings- en beleidskaart noodzakelijk is. Ook voor de initiatiefnemer heeft dit punt gevolgen. De bescherming van aanwezige en/of verwachte archeologische waarden wordt namelijk geregeld door het opnemen van regels in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsvergunningen. In dergelijke regels worden bepaalde voorwaarden gesteld aan het verlenen van vergunningen (bijvoorbeeld een onderzoeksplicht op het gebied van archeologie). De aanvrager van een vergunning zal aan de voorwaarden moeten voldoen voordat de vergunning wordt verleend. Het idee was om de uitvoering van de Wamz zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de al bestaande regelgeving met betrekking tot de afgifte van de omgevingsvergunningen op het gebied van bijvoorbeeld milieu en flora en fauna. Op deze wijze diende voorkomen te worden dat de burger geconfronteerd werd met onnodige kosten en tijdverspilling. Zoals in paragraaf 1.2.4 uiteen is gezet, is men echter tot de conclusie gekomen dat de wet- en regelgeving te versnipperd is. Met de implementatie van een nieuwe wet, de Omgevingswet, wordt dit beter geregeld.
Een volgend uitgangspunt van de Wamz dat consequenties had (en nog steeds heeft) voor de initiatiefnemer is het uitgangspunt dat de verstoorder betaalt. Zoals hierboven uiteen is gezet, kan de gemeente de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten middels een omgevingsvergunning, een afwijking op grond van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit ter voorbereiding waarvan een milieueffectrapportage is uitgevoerd, verplichten tot archeologisch onderzoek. De kosten voor dit onderzoek komen voor rekening van de initiatiefnemer. 1.2.3 De Erfgoedwet De bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland is per 1 juli 2016 gebundeld in de Erfgoedwet. Daarnaast is een aantal nieuwe bepalingen aan de Erfgoedwet toegevoegd. Samen met de nog te implementeren nieuwe Omgevingswet6 maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De Monumentenwet (1988, geactualiseerd in 2007) komt hiermee te vervallen. Voor het onroerend cultureel erfgoed is de implementatie van de Erfgoedwet en de toekomstige implementatie van de Omgevingswet van belang. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving, zal opgaan in de Omgevingswet. De essentie van de Erfgoedwet is nog steeds dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven.
In een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming dient daarom rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (of Malta) blijven ook in de Erfgoedwet de basis voor de omgang met de archeologische
5 6
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, meest actuele versie). Naar verwachting in 2022.
Archeologische Beleidkaart Gemeente Gilze-Rijen
14
monumentenzorg. Er zijn echter wel enkele veranderingen danwel aanvullingen doorgevoerd. De belangrijkste verandering ten opzichte van de Wamz betreft de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering voor bedrijven die archeologisch onderzoek uitvoeren. Het is sinds de invoering van de Erfgoedwet verboden om zonder certificaat opgravingen te verrichten.7 Met deze certificering moeten alle opgravende partijen zich aan dezelfde kwaliteitsnormen houden. Ook gemeenten die in eigen beheer archeologische opgravingen willen doen, hebben hiermee te maken. Bedrijven en organisaties die professioneel archeologische opgravingen uitvoeren, kunnen kiezen uit verschillende certificerende instellingen om een certificaat aan te vragen (paragraaf 5.1, art. 5.1 t/m 5.6 van de Erfgoedwet). Het verbod op het verrichten van een opgraving zonder certificaat zou een grote impact hebben op de activiteiten van amateur-archeologen. In de Erfgoedwet staan daarom voorwaarden vermeld waaronder het is toegestaan om op te graven zonder certificaat. Zo mogen verenigingen van vrijwillige archeologen zelfstandig opgraven op locaties waar de gemeente heeft vastgesteld dat de archeologie niet behoudenswaardig is.
Verenigingen van vrijwillige archeologen moeten de start van een opgraving melden bij de RCE, de vondsten overdragen aan het archeologisch depot van de provincie of de betreffende gemeente en rapporteren over hun bevindingen aan de RCE. Ook voor metaaldetectie is een uitzondering in de Erfgoedwet opgenomen. Wanneer een detectoramateur een vondst uit de grond haalt, wordt dat namelijk beschouwd als een opgraving. Hiervoor zou de detectoramateur dan een certificaat in bezit moeten hebben. Omdat de detectoramateurs een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van archeologische kennis is echter besloten dat een dergelijke eis buitenproportioneel is. Bodemverstoring van de bovenste dertig centimeter van de bodem (bouwvoor) is derhalve toegestaan. Op deze regel geldt een aantal uitzonderingen, bijvoorbeeld dat metaaldetectie niet is toegestaan op een archeologisch gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument. Deze uitzondering geldt overigens ook voor verenigingen van vrijwillige archeologen. Een tweede verandering ten opzichte van de Wamz is dat het maritieme archeologische erfgoed beter in de Erfgoedwet is ingekaderd. Zo is bijvoorbeeld metaaldetectie onder water, het zogenaamde magneetvissen, verboden in de Erfgoedwet. Een derde wijziging in de regelgeving ten opzichte van de Wamz is dat de excessieve kostenregeling is geschrapt.
Ter compensatie hiervan ontvangen gemeenten bestuurslastenvergoeding en een structurele extra tegemoetkoming excessieve kosten in het Gemeentefonds. Daarnaast is er een nationaal fonds opgezet voor archeologische opgravingen van bijzondere (inter)nationale betekenis.8 1.2.4 De Omgevingswet Het omgevingsrecht bestaat nu nog uit tientallen wetten en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Al deze wetten en regelingen hebben hun eigen uitgangspunten, procedures en eisen. De rijksoverheid is van mening dat de wetgeving daardoor te ingewikkeld geworden is. Dat kan gevolgen hebben, bijvoorbeeld dat het langer duurt dan nodig is om een project op te starten. De rijksoverheid heeft daarom besloten om het omgevingsrecht makkelijker te maken en samen te voegen in één wet, de Omgevingswet. De nieuwe Omgevingswet moet gaan zorgen voor een samenhangende aanpak van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. Daarnaast zal participatie worden bevorderd. Bijvoorbeeld door burgers en
7
Aangezien ook archeologisch booronderzoek onder opgraven wordt gerekend, valt booronderzoek ook onder de certificering. 8 RCE 2016.
15
Een actualisatie, 2021
ondernemers zo goed mogelijk te betrekken bij de ontwikkeling van de leefomgeving.9 De implementatie van de Omgevingswet heeft echter de nodige vertraging opgelopen. De verwachting is dat de nieuwe wet in 2022 zal ingaan. Een aantal bestaande wetten zullen in hun geheel opgaan in de Omgevingswet. Dit betreft bijvoorbeeld de Wet Ruimtelijke Ordening. Van de (herziene) Monumentenwet 1988 zullen alle onderdelen over omgevingsrecht overgeheveld worden naar de Omgevingswet. Dit betreft een belangrijk deel van de monumentenzorg, namelijk de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving.10 Zo zullen vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten onder de Omgevingswet komen te vallen. Maar ook verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie komen onder de nieuwe wet te vallen. Dat zelfde geldt voor de bescherming van stads- en dorpsgezichten. Eén van de uitgangspunten van de wet is dat decentrale overheden al hun regels over de leefomgeving bijeenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. Gebiedsgericht beleid is dus het uitgangspunt voor de nieuwe Omgevingswet. Het omgevingsplan zal voor de gemeenten de gebiedsdekkende regeling moeten gaan vormen. Het omgevingsplan biedt daarmee één integrale, inhoudelijk op elkaar afgestemde set van regels die van toepassing zijn op een locatie.
Ook de regelgeving die van toepassing is op archeologie hoort daar bij. In het geval van archeologie zal het hierbij gaan om een actuele beleidskaart met bijbehorende beleidsregels. De beleidskaart (aangevuld met de bestemmingsplanregels) kan bij het inwerking treden van de Omgevingswet worden opgenomen in het omgevingsplan. Hierbij is het wel van belang dat de beleidskaart goed is onderbouwd. 1.2.5 Verantwoordelijkheden Rijk, Provincie en Gemeente
Verantwoordelijkheden Rijk Sinds de wetgeving uit 2007 is er een decentralisatie van taken van de landelijke en provinciale overheden naar de lokale overheden opgetreden. Daarmee is de rol van bevoegde overheid voor gemeenten versterkt, aangezien de gemeenten vanaf toen mede verantwoordelijk zijn voor de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden op hun grondgebied. De rijksoverheid heeft echter nog de nodigde verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld wanneer monumentale, archeologische of cultuur landschappelijke waarden van nationaal of internationaal belang in het geding zijn. Ook wanneer het Rijk initiatiefnemer is bij projecten blijft zij verantwoordelijk voor het archeologische belang. In het geval van projecten waarvoor een milieu effect rapportage (m.e.r.) dient te worden opgesteld, heeft het Rijk een wettelijke adviesrol. Het Rijk kan gebieden aanwijzen tot beschermd (archeologisch) rijksmonument en kan vergunningen verlenen tot wijziging, afbraak of verwijdering van een dergelijk archeologisch rijksmonument. Het Rijk is tevens verantwoordelijk voor de instandhouding van een centraal archeologisch informatiesysteem (Archis). Tot slot kan het Rijk werk stilleggen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de Erfgoedinspectie zijn de instanties die (namens de minister van OCW) verantwoordelijk zijn voor bovenstaande taken.
Verantwoordelijkheden Provincie Sinds de invoering van de Wamz heeft ook de provincie een aantal verantwoordelijkheden ten aanzien van het archeologische erfgoed toegekend gekregen. Zo is de provincie het bevoegd gezag in het geval van gebieden die onder de Ontgrondingenwet vallen, bij m.e.r. -procedures of in het geval van gebieden die een bovenlokaal karakter hebben (bijvoorbeeld de aanleg van provinciale wegen, 9
www.rijksoverheid.nl 2021. www.rijksoverheid.nl 2021.
10
Archeologische Beleidkaart Gemeente Gilze-Rijen
16
landinrichtingsprojecten, waterberging, etc.). De provincie is volgens de wet ook eigenaar van alle vondsten en de opgravingsdocumentatie van archeologisch onderzoek binnen de provincie Noord-Brabant. Derhalve is de provincie ook verantwoordelijk voor het beheer, instandhouding en ontsluiting van deze archeologische vondsten en opgravingsdocumentatie. In dit kader is het Provinciaal Depot Bodemvondsten (PDB) opgericht. In dit archeologische depot voor bodemvondsten, dat sinds 2011 is gevestigd aan de Waterstraat 16 in ’sHertogenbosch, wordt het archeologische erfgoed van de provincie beheerd. De provincie hecht eraan haar verantwoordelijkheid als depothouder op dusdanige wijze in te vullen dat de archeologiecollectie in het PDB ook voor toekomstige generaties een middel en bron van (wetenschappelijke) studie zal kunnen zijn. De provincie is bevoegd om op verzoek van een gemeente een gemeentelijk depot aan te wijzen binnen de gemeentegrenzen. Daarbij zullen eisen worden gesteld aan bewaarcondities en beheer.
Verantwoordelijkheden Gemeenten Gemeenten hebben onder de huidige wetgeving, en behouden ook na de implementatie van de Omgevingswet, een belangrijke rol bij het behoud en het beheer van het ondergrondse culturele erfgoed. Gemeenten zijn namelijk verplicht bij bodemingrepen van enige omvang rekening te houden met zowel de bekende archeologische waarden als de te verwachten archeologische resten. In de praktijk zal dit meestal gebeuren bij de toetsing van vergunningsaanvragen in het kader van de Omgevingswet, nieuwe planologische ontwikkelingen en bestemmingsplanprocedures. Het bestemmingsplan (vanaf de implementatie van de omgevingswet ‘het omgevingsplan’) moet voorzien zijn van een archeologische paragraaf, waaruit de waarde die aan archeologie wordt gehecht in het bestemmingsplan blijkt. Op de plankaart staat de archeologische verwachting op basis van de beleidskaart aangegeven evenals alle terreinen die als archeologisch monument of gebied van archeologische verwachtingswaarde zijn aangemerkt. In de bestemmingsplanregels zijn archeologie-regels opgenomen waaraan voldaan moet worden. De gemeente heeft een loketfunctie voor initiatiefnemers en dient aan te geven wanneer er een plicht tot archeologisch vooronderzoek bestaat of onder welke voorwaarden een omgevingsvergunning verleend kan worden.
In de regels van het bestemmingsplan dienen zaken als onderzoeksplicht en de voorwaarden waaraan voldaan moet worden voordat een vergunning wordt afgegeven te worden beschreven.
1.3 Archeologie en ruimtelijke ordening Een vroegtijdige inventarisatie van archeologische waarden is in het belang van zowel de initiatiefnemers van een project met bodemverstorende activiteiten als de planontwikkeling. Bij vroegtijdige opsporing kunnen de archeologische waarden immers nog ingepast worden, zodat de kosten voor bijvoorbeeld een opgraving (behoud ex situ) vermeden kunnen worden. Tevens kunnen archeologische waarden dan behouden blijven voor toekomstige generaties. Een tijdige opsporing voorkomt dat de daadwerkelijke ontwikkeling van te bebouwen of ontgraven gebieden vertraagd wordt. Het behoud van archeologische waarden brengt bewoners en gebruikers meer historisch besef over hun omgeving bij. Inpassing van bestaande archeologische waarden in een plan kan een gebied cultuurhistorische identiteit verlenen en daarmee kwaliteit toevoegen aan de openbare ruimte. Bij inpassing kan bijvoorbeeld gedacht worden aan bescherming en behoud van archeologische waarden op een vindplaats (behoud in situ) door er een plantsoen of speelweide overheen aan te leggen. Een eerder gepland gebouw op diezelfde locatie zou bijvoorbeeld in een ander deel van het plangebied gerealiseerd kunnen worden. Behoud kan ook worden gerealiseerd door technische maatregelen te nemen die bodemverstorende ingrepen voorkomen (bv. ophoging, funderen op staal). Naast
17
Een actualisatie, 2021
archeologische waarden moet hierbij ook worden gedacht aan bestaande cultuurhistorische waarden. De bodem wordt vaak verstoord in gebieden die planologisch (her)ontwikkeld gaan worden en/of die een nieuwe bestemming krijgen, bijvoorbeeld van natuurgebied of landbouwgrond naar woonwijk of bedrijventerrein. Dat betekent dat archeologische waarden een grote rol spelen in de procedures bij ruimtelijke ordening. Het betreft bijvoorbeeld vergunningaanvragen voor infrastructurele werken, ontgrondingen en allerhande klein- en grootschalige bouw- of natuurontwikkelingsprojecten die de bodem dieper dan de tot dan toe gebruikelijke verstoringsdiepte van de bovengrond zullen roeren. Ook grootschalige verlagingen van het grondwaterpeil kunnen mogelijk bedreigend zijn voor het archeologisch erfgoed, omdat door oxidatie van organisch materiaal in de bodem grondsporen kunnen vervagen en kwetsbare materialen als hout, textiel, botresten en leer sneller zullen vergaan. Daarmee verdwijnt informatie die van belang kan zijn voor de interpretatie en reconstructie van archeologische vindplaatsen bij latere opgravingen.
1.4 Gemeentelijk archeologiebeleid Indien uit het gemeentelijk beleid blijkt dat een archeologisch onderzoek is gewenst, dan dient dergelijk onderzoek te worden uitgevoerd conform een Plan van Aanpak (PvA) of een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) 11 dat aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (laatste versie) voldoet. Uitzondering hierop vormt de uitvoering van een bureauonderzoek zonder gravend onderzoek. In dat geval is geen PvA noodzakelijk. Naast de richtlijnen van de KNA kan een gemeente ook (aanvullende) richtlijnen opstellen waar het onderzoek aan moet voldoen. Ook deze richtlijnen dienen in het PvA of PvE te worden opgenomen. De gemeente Gilze-Rijen heeft dergelijke aanvullende richtlijnen opgesteld.12 Op deze wijze wordt voorkomen dat een gecertificeerd uitvoerend bureau het PvE niet kan uitvoeren omdat het niet KNA conform is geschreven. De gemeente kan het PvE zelf opstellen, of, indien de benodigde kennis niet in huis is, dit laten doen. Dit kan door het inhuren van bevoegde bedrijven. Dit zelfde geldt voor het goedkeuren van PvE’s die door particulieren worden ingediend. Hoewel niet wettelijk verplicht, is het aan te raden om tevens PvA’s voorafgaand aan het onderzoek goed te (laten) keuren.
Op deze wijze kan voorkomen worden dat een initiatiefnemer het onderzoek opnieuw moet laten uitvoeren nadat de bevindingen van het booronderzoek zijn gerapporteerd omdat het gebruikte PvA niet correct was. De initiatiefnemer laat vervolgens het onderzoek op basis van het goedgekeurde PvA of PvE uitvoeren door een (gecertificeerd) archeologisch bedrijf. Dit resulteert in een rapport waarin een advies is opgenomen (bijvoorbeeld; geen vervolgonderzoek noodzakelijk). De gemeente dient dit rapport te toetsen op de inhoud, maar dient ook na te gaan of het onderzoek conform de richtlijnen van de KNA en het PvA/PvE is uitgevoerd. Indien het rapport voldoet aan alle eisen dient men het in het rapport beschreven advies om te zetten in een besluit. Het besluit mag afwijken van het advies, mits daar gegronde redenen voor zijn. Ook voor het toetsen van archeologische rapporten geldt dat wanneer binnen de gemeente de benodigde kennis ontbreekt, het toetsen kan worden uitbesteed. In hoofdstuk 6 zal nader worden ingegaan op het gemeentelijke beleid. De gemeente Gilze-Rijen streeft naar bescherming van het bodemarchief door middel van de bestemmingsplannen en door het op te nemen in de integrale planvorming. Hierbij dienen archeologische waarden gebruikt te worden als uitgangspunt voor de ruimtelijke inrichting (Belvedere gedachte). Het behoud in situ (ter plaatse) staat voorop.
Als vernietiging van archeologische waarden niet 11
Dit is een wettelijke verplichting. Het recht tot goedkeuring van het PvE door de gemeente is in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) verankerd. 12 Berkvens 2010.
Archeologische Beleidkaart Gemeente Gilze-Rijen
18
voorkomen kan worden, dienen deze veiliggesteld te worden door middel van archeologisch veldonderzoek en uitwerking (behoud ex situ). Op deze wijze streeft de gemeente Gilze-Rijen naar kennisvergroting van het gemeentelijke bodemarchief en kunnen archeologische gegevens ontsloten worden. In de Archeologieverordening Gemeente Gilze en Rijen uit 2010 zijn bovenstaande zaken beschreven. Ondanks het vele onderzoek dat reeds is uitgevoerd, zijn er nog steeds kennislacunes. Doormiddel van het uitvoeren van synthetiserend onderzoek en het opstellen van een eigen onderzoeksagenda kan de gemeente Gilze-Rijen de kennislacunes proberen op te vullen. Momenteel beschikt de gemeente Gilze-Rijen nog niet over een eigen onderzoeksagenda. Wel is in 2010 een eerste opzet van een onderzoeksagenda geschreven.13 Naast het beschermen van archeologie binnen de gemeentegrenzen, kan de gemeente de bekende archeologische en cultuurhistorische waarden ook gebruiken voor andere doeleinden. Zo kan het historisch besef van de inwoners van de gemeente bijvoorbeeld worden versterkt door basisscholen te stimuleren om excursies te organiseren langs de verscheidene zichtbare archeologische waarden binnen de gemeente. De gemeente hoeft zich bij dergelijke educatieve excursies niet te beperken tot de jeugd. Het kenbaar maken van de verhalen van het archeologische erfgoed kan echter op tal van manieren.
Er kan gedacht worden aan het aanleggen van historische en archeologische fiets- of wandelroutes. Ook het plaatsen van educatieve informatieborden ter plaatse van historische en archeologische monumenten kunnen het verhaal van het archeologische erfgoed verspreiden. Er zijn binnen de gemeente Gilze-Rijen overigens al verscheidene partijen actief om het cultuurhistorische erfgoed voor een groter publiek te ontsluiten. Zo worden regelmatig lezingen, excursies en exposities georganiseerd door de historische vereniging die binnen de gemeente actief is.14 Een dergelijke aanpak is niet alleen bevorderlijk voor het historisch besef van de burger, het kan ook bijdragen aan een extra stimulans voor het toerisme in de gemeente.
1.5 Gemeentelijk archeologische verwachtings- en beleidskaart Iedere gemeente dient dus over voldoende kennis te beschikken aangaande de archeologie op haar eigen grondgebied, voordat bodemverstorende werkzaamheden al dan niet kunnen worden toegestaan. De Erfgoedwet, samen met de nog te implementeren Omgevingswet, verplicht gemeenten niet alleen om de bekende archeologische waarden, maar ook de te verwachten archeologische waarden binnen hun gemeentelijke grenzen te inventariseren. Essentieel onderdeel hierin vormen de archeologische verwachting- en beleidskaarten. Deze kaarten vormen een cartografische onderbouwing van de (verwachte) voorraad archeologie binnen de gemeente en het archeologische beleid dat hierop is gebaseerd. De beleidskaart wordt in het bestemmingsplan/omgevingsplan geïntegreerd. Beide kaarten dienen actueel gehouden te worden. Het rapport behorende bij de archeologische verwachting- en beleidskaart dient als inhoudelijke onderbouwing van het beleid en kan worden gebruikt bij het toetsen van PvE’s en onderzoeksrapporten. Aangezien in de wet is opgenomen dat informatie over het erfgoed toegankelijk dient te zijn, kan het rapport en de kaart bijvoorbeeld via het internet openbaar worden gemaakt. Geïnteresseerde burgers kunnen het op deze wijze gemakkelijk inzien. Hierbij kan worden besloten om bepaalde delen van het
13 14
19
Berkvens 2010. Heemkundekring Molenheide.
Een actualisatie, 2021
rapport, bijvoorbeeld de catalogus, niet vrij te geven. Dit om schatgraverij te voorkomen. Bij onderhavig onderzoek is getracht om met de beschikbare middelen en tijd een zo uitgebreid mogelijke inventarisatie van de bekende archeologische waarden, maar ook van de te verwachten archeologische waarden, uit te voeren om te komen tot een archeologische verwachting- en beleidskaart waarmee de gemeente kan voldoen aan de Erfgoed- en Omgevingswet. Het uitgangspunt hierbij is dat zodra bekend is wat er binnen de gemeentelijke grenzen aanwezig is en verwacht kan worden, het mogelijk wordt een voor burgers en private partijen transparant beleid te formuleren met betrekking tot de inventarisatie, de selectie van te behouden archeologische waarden, het behoud en het beheer van archeologische waarden. Dit beleid is het uitgangspunt bij het nemen van weloverwogen beslissingen bij de vergunningsprocedures.
1.6 Ligging van het gebied Het onderzoeksgebied betreft het gehele grondgebied van de Gilze-Rijen en beslaat een oppervlak van circa 6.566 ha. Figuur 1.1 geeft het gemeentelijk grondgebied weer, inclusief de ligging van de verschillende kernen. De gemeente telt twee grote (historische) kernen, te weten de naamgevers van de gemeente; Gilze en Rijen. Daarnaast is sprake van een aantal kleinere (historische) kernen, waaronder Nerhoven, De Hooge Vossen Berg, De Lage Vossen Berg, De Biestraat, De Horst, Verhoven, Molenschot, De Hoek, Het Laareind, De Vijf Eiken, De Haansberg, Het Weilenseind en Het Raakeind.
Figuur 1.1 Het grondgebied van de gemeente Gilze-Rijen.
In het westen grenst de gemeente aan de gemeente Breda. In het noorden vormen de gemeenten Oosterhout en Dongen de buurgemeenten. In het oosten grenst de gemeente Gilze-Rijen aan de gemeente Tilburg en in het zuiden aan de gemeenten Goirle en Alphen-Chaam. Met uitzondering van de gemeente Goirle maken alle aangrenzende gemeenten gebruik van hun eigen archeologische beleidskaart.
Archeologische Beleidkaart Gemeente Gilze-Rijen
20
1.7 Leeswijzer In onderliggende rapportage staan de resultaten van het onderzoek, inclusief de actualisatie, beschreven. Dit rapport vormt derhalve de onderbouwing van de landschapsreconstructie en de archeologische verwachting zoals deze in de als bijlage toegevoegde kaarten is weergegeven. In hoofdstuk 2 wordt aangegeven welke bronnen zijn gebruikt bij het tot stand komen van de diverse kaarten. In hoofdstuk 3 wordt verwezen naar reeds bestaande rapporten waarin de ontwikkeling van het natuurlijke landschap is geschetst en waar ook de bewoningsgeschiedenis globaal wordt beschreven. Vervolgens komt de inventarisatie van de bestaande archeologische waarden binnen de gemeente aan bod (hoofdstuk 4), op basis waarvan de archeologische informatiekaart is gemaakt (bijlage 2). In hoofdstuk 5 zal worden uitgelegd hoe de landschappelijke en bodem eenhedenkaart en de twee archeologische verwachtingskaarten (bijlagen 6 en 7) tot stand zijn gekomen. Vervolgens zal in hoofdstuk 6 worden ingegaan op het beleidskader dat is gekoppeld aan de beleidskaart (bijlage 8). Tenslotte is er een lijst met de geraadpleegde bronnen zoals literatuur, kaartmateriaal en websites. De vindplaatsen en objecten die in de tekst worden genoemd en op de verschillende kaarten staan afgebeeld zijn voorzien van een nummer. Dit nummer verwijst naar een lijst met objecten die als bijlagen zijn toegevoegd.
Hierin worden alle vindplaatsen genoemd die reeds bekend zijn (bijlage 9B) of op basis van historische en cartografische bronnen vermoed worden (bijlage 9C). Ook voor de binnen de gemeente aanwezige AMK-terreinen is een catalogus (bijlage 9A). Er is tevens een catalogus voor de binnen de gemeente uitgevoerde archeologische onderzoeken (bijlage 9D).
21
Een actualisatie, 2021
Archeologische Beleidkaart Gemeente Gilze-Rijen
22
2
Onderzoeksopzet
2.1
Inleiding
Om tot een gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart te komen is het onderzoek opgesplitst in een aantal fasen. In de eerste fase is een inventarisatie gemaakt van de binnen de gemeente bekende archeologische waarden. Dit heeft geresulteerd in een archeologische informatiekaart. Hierbij is tevens gekeken naar de huidige kennis en kennislacunes van de verschillende archeologische perioden en de relatie met de grotere (archeo-) regio. Ook is in deze fase een historische relictenkaart gemaakt, waarbij historische elementen zijn ingetekend op basis van historisch kaartmateriaal. Vervolgens is een inventarisatie gemaakt van de landschappelijke en geomorfologische opbouw van het gebied, waarbij de onderverdeling van het landschap in verschillende geomorfologische zones een belangrijke rol speelt (fase 2). Dit heeft geresulteerd in een archeolandschappelijke eenhedenkaart. Deze archeolandschappelijke eenhedenkaart is slechts ten dele gebaseerd op de reeds bestaande landschappelijke eenhedenkaart. Onderdeel van de opdracht was om een nieuwe archeolandschappelijke eenhedenkaart te maken conform de opbouw van de recent gemaakte kaarten voor de gemeente Alphen-Chaam.15 Bij het vervaardigen van een dergelijke kaart bleek de bestaande kaart minder goed bruikbaar.
Er is derhalve voornamelijk gebruik gemaakt van de geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) en een uitgebreide AHN studie. Daarnaast is in fase 2 een vlakdekkende bodemkaart gemaakt voor de gemeente Gilze-Rijen, waarbij gebruik is gemaakt van zo gedetailleerd mogelijke bodemkaarten.16 De inventariserende fasen 1 en 2 vormen een hulpmiddel om te kunnen komen tot het opstellen van twee archeologische verwachtingskaarten (fase 3). Het betreft de verwachtingskaarten voor ‘Jagers en Verzamelaars’ en de verwachtingskaart voor ‘Boeren- en Staatse samenlevingen’. De kaart voor Jagers en Verzamelaars is opgesteld op basis van de relatie tussen landschappelijke ligging en de locatie van archeologische waarden uit de perioden paleolithicum en mesolithicum, gecombineerd met locatiekeuzefactoren en de afstand tot water. De kaart voor de boeren- en Staats samenlevingen is opgesteld op basis van de relatie tussen bodemkundige aspecten en de locatie van archeologische waarden (eveneens gecombineerd met locatiekeuzefactoren). Tot slot is aan de verschillende verwachtingseenheden een bepaald beleid gekoppeld, waarmee een archeologische beleidskaart is ontstaan (fase 4). In de navolgende paragrafen wordt per fase een uitgebreide beschrijving van de werkwijze weergegeven.
Tijdens de actualisatie van de beleidskaart is een hernieuwde inventarisatie gemaakt van de binnen de gemeente bekende archeologische waarden. Sinds de totstandkoming van de kaart van 2010 zijn namelijk veel nieuwe onderzoeken met bijbehorende waarnemingen bekend. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde
15 16
23
Ellenkamp 2020. Stiboka 1964, Stiboka 1966, Stiboka 1968, Stiboka 1969 en Stiboka 1984.
Een actualisatie, 2021
archeologische informatiekaart. De grootste aanpassing op deze kaart betreft de toevoeging van de sinds 2010 uitgevoerde onderzoeken en waarnemingen.
2.2
Archeologische inventarisatie
Op basis van de bekende gegevens is een overzicht gemaakt van bekende archeologische waarnemingen en vondstmeldingen. Hiervoor zijn diverse bronnen geraadpleegd, waaronder het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en gegevens uit de literatuur. Tevens is contact opgenomen met lokale amateur-archeologen en de binnen de gemeente actieve historische vereniging. Bij aanvang van het project is door de gemeente Gilze-Rijen een (digitale) bijeenkomst georganiseerd waarbij de leden van de historische vereniging zijn uitgenodigd. Hierbij zijn topografische kaarten verstrekt met daarop de bekende waarnemingen. Het verzoek was om deze data aan te vullen met nog niet in ARCHIS geregistreerde waarnemingen en om na te gaan of sommige bestaande waarnemingen mogelijk zijn verstoord bij werkzaamheden in het verleden. Er zijn vanuit de heemkundekring echter geen aanvullende gegevens aangeleverd. Alle bekende waarnemingen zijn geanalyseerd op betrouwbaarheid (mogelijk alleen administratief geplaatst, mogelijk inmiddels verstoord). De gegevens zijn verzameld in een database en op de archeologische informatiekaart (bijlage 2) weergegeven.
Tijdens de actualisatie zijn de sinds 2010 in Archis toegevoegde waarnemingen toegevoegd, waarbij is gekeken of de ‘nieuwe’ waarnemingen aan bestaande vindplaatsen konden worden toegevoegd, of dat het een nieuwe vindplaats vormde. Ook de bekende archeologische waarden zijn op de archeologische informatiekaart weergegeven. Het gaat hierbij om AMK-terreinen en het militaire kamp van koning Willem I zoals dat ten tijde van de Belgische Opstand is aangelegd. Momenteel is de gemeente bezig dit terrein aan te wijzen als gemeentelijk monument. Daarnaast zijn de binnen de gemeente uitgevoerde archeologische onderzoeken op de archeologische informatiekaart geplot. Er is een aparte historische relictenkaart gemaakt waarop de historische elementen binnen de gemeente Gilze-Rijen zijn weergegeven (bijlage 3). Hierbij moet gedacht worden aan laat- en (post)middeleeuwse elementen als dorpskernen, waterstaatkundige werken, molens, etc. Ook de bebouwing buiten de historische de kernen zoals deze aanwezig was op kaartmateriaal uit het begin van de 19 eeuw 17 (eerste kadastrale kaarten) is weergegeven. De grenzen van de historische kernen zijn gebaseerd op de eerste kadastrale kaarten. Alle bekende vindplaatsen en terreinen zijn geprojecteerd op de topografische ondergrond, waarbij elke archeologische vindplaats dan wel cultuurhistorische relict genummerd is.
Deze nummers verwijzen naar een database waarin de verschillende terreinen kort worden beschreven. Op deze wijze is gekomen tot een betrouwbaar overzicht van de tot nu toe bekende archeologische waarden en tal van historische elementen binnen de gemeente Gilze-Rijen.
2.3
Landschappelijke en bodemkundige inventarisatie
In fase 2 is de landschappelijke, geomorfologische en bodemkundige opbouw van het gebied geanalyseerd. De archeologische verwachting in een gebied kan namelijk worden opgesteld aan de hand van de landschappelijke kenmerken van een gebied. Immers, mensen hadden in het verleden een sterke voorkeur voor bepaalde delen in het landschap. Gedurende het paleolithicum en het mesolithicum, toen de mens als
17
RCE 2021.
Archeologische Beleidkaart Gemeente Gilze-Rijen
24
jagers en verzamelaars in kleine groepen rondtrokken, vormden met name overgangsgebieden tussen hooggelegen, droge locaties en laaggelegen natte locaties ideale plekken voor bewoning. Hier had men op korte afstand beschikking over (drink)water en ook voedsel was hier volop aanwezig. Voor zowel de vroege als de late landbouwers was de (natuurlijke) bodemvruchtbaarheid van groot belang. Een ander voorbeeld zijn de (hooggelegen) dekzandruggen, aangezien dergelijke ruggen veelal afgedekt zijn met een plaggendek. Een dergelijk plaggendek heeft hierbij een conserverend effect op onderliggende archeologische resten, die buiten bereik liggen van oppervlakkige bodemverstoringen als ploegen. Vanwege de sterke relatie tussen landschappelijke ligging en bodemtype wordt bij de vervaardiging van archeologische verwachtingskaarten over het algemeen gebruik gemaakt van (gedetailleerde) bodemkaarten en geomorfologische kaarten. In het verleden is gebleken dat bepaalde bodemtypen een goede indicatie zijn voor het voorspellen van de aanwezige (tot nu toe niet ontdekte) archeologische waarden. Een bepaald bodemtype kan dus in grote mate voorspellend zijn voor het al dan niet aanwezig zijn van archeologische waarden, zodat aan dat bodemtype een bepaalde archeologische verwachting kan worden toegekend.
Zo is ook de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) voor de dekzandlandschappen grotendeels gebaseerd op de bodemkaart met schaal 1:50.000. Probleem bij het vervaardigen van een archeolandschappelijke eenhedenkaart binnen de bebouwde kom (zoals ook in delen van de gemeente Gilze-Rijen) is dat op bodemkaarten en geomorfologische kaarten de bebouwde kom veelal niet is gekarteerd. Als gevolg hiervan is voor dergelijke gebieden geen informatie beschikbaar over de (oorspronkelijke) landschappelijke situatie. Voor enkele delen van de bebouwde kom geldt dat hiervoor oudere bodemkaarten en geomorfologische kaarten bestaan van vóór de bebouwing. Dergelijke kaarten, veelal vervaardigd in het kader van grootschalige ruilverkavelingsprojecten, zijn dan ook zeer bruikbaar. Desalniettemin blijven ook op deze kaarten hiaten aanwezig, aangezien er niet binnen de bebouwde kom is gekarteerd. Om toch informatie te krijgen over de oorspronkelijke landschappelijke situatie ter plaatse van de bebouwde kom is ook gebruik gemaakt van historische kaarten, waaronder de kadastrale kaart uit 1832 en de topografische kaart uit circa 1850. Immers, op dergelijke kaarten was een groot deel van de huidige bebouwde kom nog niet bebouwd.
Aan de hand van onder andere de beeklopen en grondgebruik (grasland in lage, natte terreinen en akkerland op hoger gelegen, droge terreinen) kan een globale reconstructie worden gemaakt van het landschap en ook het type bodem. Op deze wijze is het aandeel van niet gekarteerde gebieden zo klein mogelijk gehouden. Om te kunnen komen tot een zo gedetailleerd mogelijke archeolandschappelijke eenhedenkaart en bodemkaart voor de gemeente Gilze-Rijen is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: -
-
Bodemkaart, schaal 1:50.000;18 Gedetailleerde bodemkaarten met schaal van 1:25.000. Het gaat hierbij om de Bodemkundige overzichtskaart Ruilverkaveling Bavel-Rijensbroek (schaal 1:25.000),19 de Bodemkaart Boswachterij Ulvenhouts Bos (schaal 1:25.000)20 en de Bodemkaart Boswachterij Chaam (schaal 1:25.000).21 Bodemkundige en geologische data verkregen via het DINO-loket;
18
Stiboka 1964, Stiboka 1984. Stiboka 1966. 20 Stiboka 1968. 21 Stiboka 1969. 19
25
Een actualisatie, 2021
-
2.4
Landschappelijke gegevens afkomstig van het reeds bestaande kaartmateriaal van de gemeente Gilze-Rijen;22 Geomorfologische kaart, schaal 1:50.000;23 Actueel Hoogtebestand Nederland, versie 3: Paleografische kaarten;24 Landschappelijke gegevens die vermeld staan in de diverse archeologische rapporten; Literatuur over de ontwikkeling van het landschap gedurende het Holoceen.
Archeologische verwachtingskaarten
Om te kunnen komen tot een archeologische verwachtingskaart is een analyse gemaakt waarbij is onderzocht waar de bekende archeologische waarnemingen zich op deze nieuw gemaakte archeolandschappelijke en bodemeenhedenkaarten bevinden. Zoals in paragraaf 2.3 al kort is genoemd liggen archeologische vindplaatsen namelijk niet willekeurig verspreid door het landschap, maar blijken ze veelal te liggen in landschappelijke zones die in het verleden geschikt waren voor bewoning of specifieke activiteiten als vuursteenwinning. Ook de bodemvruchtbaarheid speelde vanaf de introductie van landbouw een grote rol. Als gevolg hiervan zijn gebieden aan te wijzen waar veel archeologische vindplaatsen dicht bij elkaar liggen, terwijl in andere gebieden tot op heden nauwelijks archeologische resten zijn gevonden. Op basis van kennis over de relatie tussen het nederzettingspatroon en het landschap kunnen voorspellingen worden gedaan over de plaatsen waar nederzettingen aangetroffen kunnen worden. Dergelijke voorspellingen zijn vooral belangrijk voor de perioden tot de late middeleeuwen, waarvoor historische bronnen (zeer) schaars zijn (Romeinse tijd/vroege middeleeuwen) of ontbreken (prehistorie) en cartografische bronnen geheel ontbreken.
Voor de late middeleeuwen zijn meer historische bronnen beschikbaar (al is uit deze periode geen kaartmateriaal beschikbaar) terwijl voor de nieuwe tijd relatief veel historische bronnen en kaartmateriaal beschikbaar zijn. In de geest van de in paragraaf 1.1.2 besproken opzet van de pilot is een tweetal verwachtingskaarten vervaardigd. Het betreft de verwachtingskaart voor Jagers en Verzamelaars25 en de verwachtingskaart voor de landbouwsamenlevingen en de Staatssamenleving.26 In beide gevallen is vlakdekkend en op perceelsniveau zichtbaar welke archeologische verwachting er geldt voor een bepaald terrein. Deze verwachting is een weergave van het voor de betreffende kaart gebruikte verwachtingsmodel dat op basis van de voorgaande fasen is opgesteld. Hierbij is per kaart rekening gehouden met de bruikbaarheid van de verschillende (landschappelijke) eenheden voor activiteiten behorend tot de archeologische complextypen bewoning, verdediging, begraving, economie, infrastructuur en rituele activiteiten. Op de gebruikte modellen zal in hoofdstuk 5 uitgebreid worden ingegaan. Het verschil tussen de verschillende verwachtingszones is een verschil in relatieve dichtheid van te verwachten archeologische vindplaatsen.
In een zone met een archeologische verwachting is, op basis van de huidige kennis binnen de archeologische wetenschap, een significant grotere dichtheid aan archeologische vindplaatsen te verwachten dan in zones zonder verwachting. De verwachtingszones doen echter geen uitspraak over de potentiële waarde van eventuele vindplaatsen. Deze waarde is namelijk afhankelijk van verscheidene parameters, zoals de gaafheid 22
Berkvens en Bosman 2010. Stiboka 1981. 24 Vos & de Vries 2013. 23
25
(laat-)paleolithicum-mesolithicum.
26
neolithicum-nieuwe tijd.
Archeologische Beleidkaart Gemeente Gilze-Rijen
26
van de vindplaats maar ook de mate waarin het type vindplaats binnen de regio voorkomt.
Jagers en Verzamelaars De archeologische verwachtingskaart ‘Jagers en Verzamelaars’ bestaat uit de archeologische verwachtingslaag, geprojecteerd op de topografische ondergrond. De archeologische verwachtingslaag is onderverdeeld in een zevental zones, te weten;
Een zone waarbinnen resten van jagers en verzamelaars worden verwacht. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van bewoning (jachtkampementen). Een zone waarbinnen natte contextresten van jagers en verzamelaars worden verwacht. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van rituele activiteiten (offergiften), maar ook van bewoning (dumpsites) en resten van jacht en visserij. Een zone zonder verwachting op resten van jagers en verzamelaars. Een zone zonder verwachting op resten van jagers en verzamelaars aan het huidige oppervlak, maar waar op grotere diepte nog wel resten van jagers en verzamelaars aanwezig kunnen zijn (stuifduinen). Met plaggendekken afgedekte gebieden binnen de zones met verwachting op resten van jagers en verzamelaars. De kans op het aantreffen van onverstoorde vindplaatsen wordt hier het grootst geacht (goede conservering). een zone zonder verwachting, aangezien de bodem ter plaatse is verstoord. Een zones aangeduid als aandachtsgebied, aangezien de bodem ter plaatse mogelijk is verstoord.
Naast de zones met een verwachting op resten van jagers en verzamelaars zijn ook de terreinen aangegeven waarvan met zekerheid bekend is dat zich in de ondergrond archeologische waarden bevinden. Het gaat hierbij om bekende archeologische vindplaatsen uit het paleolithicum en het mesolithicum, zoals ook weergegeven op de archeologische informatiekaart. Op de verwachtingskaart zijn de vindplaatsen echter ‘gescreend’, waarbij alleen de vindplaatsen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een kampement/nederzetting en die in de zone zonder archeologische verwachting liggen, zijn gebufferd. Het betreft tevens terreinen met vindplaatsen van jagers en verzamelaars zoals deze voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de RCE.
Landbouw- en Staatssamenleving De archeologische verwachtingskaart ‘Boeren- en Staatse samenleving’ bestaat eveneens uit de archeologische verwachtingslaag, geprojecteerd op de topografische ondergrond. De archeologische verwachtingslaag is in dit geval onderverdeeld in een achttal zones, te weten;
27
Een zone waarbinnen resten van landbouwers en/of de Staatse samenleving worden verwacht. Het gaat hierbij om resten van bewoning, verdediging, begraving, economie en infrastructuur. Een zone waarbinnen natte contextresten van landbouwers worden verwacht. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van rituele activiteiten (offergiften), maar ook van bewoning (dumpsites), infrastructuur en jacht en visserij. Een zone zonder verwachting op resten van landbouwers en/of de Staatse samenleving.
Een actualisatie, 2021
Een zone zonder verwachting op resten van landbouwers aan het huidige oppervlak, maar waar op grotere diepte nog wel resten van landbouwers aanwezig kunnen zijn (stuifduinen). Met plaggendekken afgedekte gebieden binnen de zones met verwachting op resten van landbouwers en/of de Staatse samenleving. De kans op het aantreffen van onverstoorde vindplaatsen wordt hier het grootst geacht (goede conservering). Voor wat betreft eventuele resten uit de Staatssamenleving gaat het hierbij voornamelijk om resten van economische aard (landbouwactiviteiten). een zone zonder verwachting, aangezien de bodem ter plaatse is verstoord. een zone met een onbekende verwachting, aangezien de bodem op de geraadpleegde bodemkaarten ter plaatse niet is gekarteerd.27 Een zones aangeduid als aandachtsgebied, aangezien de bodem ter plaatse mogelijk is verstoord.
Naast de zones met een verwachting op resten van de landbouw- en Staatssamenleving zijn ook de terreinen aangegeven waarvan met zekerheid bekend is dat zich in de ondergrond archeologische waarden bevinden. Het gaat hierbij om bekende archeologische vindplaatsen uit de periode neolithicum - nieuwe tijd, zoals ook weergegeven op de archeologische informatiekaart. Op de verwachtingskaart zijn de vindplaatsen echter ‘gescreend’, waarbij alleen de vindplaatsen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een nederzetting, begraving, economische activiteit, infrastructuur en/of rituele activiteiten en die in de zone zonder archeologische verwachting liggen, zijn gebufferd. Daarnaast gaat het om terreinen waar op basis van oud kaartmateriaal bekend is dat hier vindplaatsen aanwezig kunnen zijn. Hierbij moet worden gedacht kerken, kapellen, molens, erven ect. Daarnaast zijn ook de historische dorpskernen zoals deze voorkomen op de oudste kadastrale kaart uit het begin van de de 19 eeuw weergegeven, alsmede terreinen met vindplaatsen van de landbouw- en staatssamenleving die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de RCE.