CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

ap 11c ontwerp-bestemmingsplan N631

Raadscommissie Ruimte 9 maart 2021, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Ter kennisname stukken:35.350 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

In overleg met het bevoegd gezag dient per 20 m tracé een boring te worden gezet, met een minimum van twee boringen per object. Dit is nader uitgewerkt in het door bevoegd gezag akkoord bevonden Plan van Aanpak. Ook worden er – op verzoek van het bevoegd gezag – ter plaatse van de spoorwegtunnel twee machinale boringen tot circa 10 m – mv gezet om meer inzicht te krijgen in de diepere ondergrond van het gebied. Booronderzoek Op basis van de resultaten van het booronderzoek is er een concreet beeld verkregen van de daadwerkelijke bodemopbouw van het plangebied. Dit vormt een nadere nuancering van de resultaten uit het bureauonderzoek. Antea Group schat op basis van het uitgevoerde archeologisch onderzoek als certificaathouder BRL 4000 de kans op het aantreffen van één of meerdere (behoudenswaardige) archeologische vindplaatsen als laag in. Selectiebesluit Het bureau- en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen is door RWD Regio West-Brabant beoordeeld. Naar aanleiding van deze beoordeling heeft de gemeente Gilze en Rijen een selectiebesluit genomen. Het selectiebesluit en een aanvulling op dit selectiebesluit zijn als bijlage Bijlage 18 en Bijlage 19 bij de toelichting bijgevoegd.

waarmee geadviseerd wordt om op basis van de nu bekende informatie de ondergrenzen voor het moeten uitvoeren van nader archeologische onderzoek voor wat betreft de diepte daarvan bij te stellen (inclusief buffer). Waar deze voorafgaande aan het uitgevoerde bureau- en booronderzoek conform het bestaande bestemmingsplan vastgesteld was op 0,40 meter – maaiveld wordt geadviseerd om uit te gaan van de volgende bijgestelde ondergrenzen dan wel verwachting: Zone A – De ondergrens voor het moeten uitvoeren van nader archeologisch onderzoek dient bijgesteld te worden naar 10,20 meter +NAP (zijnde 0,65 m onder huidig maaiveldniveau). Dit betekent effectief dat in deze zone niet dieper gegraven mag worden dan de genoemde diepte zonder eerst nader onderzoek uit te (laten) voeren. Zone B – De verwachting voor deze zone kan bijgesteld worden naar laag. Er zijn voor deze zone geen restricties m.b.t. de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Zone C – De verwachting voor deze zone kan bijgesteld worden naar laag. Er zijn voor deze zone geen restricties m.b.t. de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Zone D - De ondergrens voor het moeten uitvoeren van nader archeologisch onderzoek dient bijgesteld te worden naar 11,20 meter +NAP (zijnde 0,10 m onder huidig maaiveldniveau).

Dit betekent effectief dat in deze zone niet gegraven mag worden zonder eerst nader onderzoek uit te (laten) voeren. Dit betekent voor de zones A en D dat deze gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd zijn (met de dubbelbestemmingen Waarde Archeologie A en Waarde - Archeologie D) voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Er gelden dan bepaalde regels t.a.v. bouw- en aanlegvergunningen. Kort samengevat betekent dit dat wanneer er bouwwerken of grondwerkzaamheden gepland zijn die dieper gaan dan de voor deze zones genoemde ondergrenzen + NAP- dan dient vooraf nader archeologisch onderzoek plaats te vinden. Afhankelijk van de resultaten hiervan kunnen er verschillende maatregelen genomen worden t.a.v. de bouwvergunning. Dit zijn behoud in situ, dus aanpassing van de bouwplannen, behoud ex situ, dus opgraven of het begeleiden van de bodem verstorende werkzaamheden. Conclusie Ter plaatse van de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie A en Waarde - Archeologie D zijn geen ondergrondse werkzaamheden toegestaan. Door middel van de blad 79 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

dubbelbestemmingen worden de archeologische verwachtingswaarden ter plaatse beschermd. Er is geen sprake van een belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Bodem Algemeen Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Onderzoek Ter voorbereiding op de voorgenomen werkzaamheden zijn in opdracht van ProRail en Provincie Noord-Brabant door Antea Group in de jaren 2018 t/m 2020 verschillende milieukundige onderzoeken uitgevoerd. Het gaat om de volgende onderzoeken: 1.

2. 3. 4.

5. 6. 7.

“Verhardings- en indicatief milieutechnisch onderzoek en –advies ‘N631 Vijf Eikenweg’, door Unihorn B.V., met documentnummer 2118269-01-RAP-VOZ-01-v2.0, d.d. 28 november 2018”. “Milieukundig onderzoek ‘N631 Vijf Eikenweg – zuidelijk gedeelte nabij kern Rijen’, door Antea Group, met projectnummer 0420651.102A, d.d. 28 maart 2019”. “Milieukundig- en verhardingsonderzoek ‘N631 Toekomstige spoortunnel ProRail te Gilze en Rijen’, door Antea Group, met projectnummer 0442272.101, d.d. 18 oktober 2019”. “Milieukundig- en verhardingsonderzoek ‘N631, Vijf Eikenweg en Oosterhoutseweg tussen Oosterhout en Gilze en Rijen’, door Antea Group, met projectnummer 0442272.101, d.d. 18 oktober 2019. “Oriënterend bodemonderzoek ‘spoorovergang N631 te Gilze en Rijen’, door Antea Group, met projectnummer 0453780.100, rev01, d.d. 20 maart 2020”. “Verkennend bodemonderzoek ‘kruising N631 met Nassaulaan en Broodbaan te Gilze en Rijen’, door Antea Group, met projectnummer 0453780.100, d.d. 10 januari 2020”. “Milieukundig onderzoek ‘tussen kruising N631 met Nassaulaan en Broodbaan te Gilze en Rijen’, door Antea Group, met projectnummer 0453780.100, d.d. 26 juni 2020”.

De relevante resultaten van deze verschillende onderzoeken zijn door Antea Group in het rapport 'samenvatting milieukundige onderzoeken' d.d. 10 juli 2020 samengevat. Het rapport is als Bijlage 20 bijgevoegd bij de toelichting. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken kan worden geconcludeerd dat in de grond in het algemeen geen tot maximaal licht verhoogde gehalten aan diverse parameters zijn aangetoond. Op een tweetal locaties is in de grond sprake van een spotverontreiniging (<25 m3 >interventiewaarde) met zware metalen. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de grond in het algemeen indicatief voldoet aan de kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. Lokaal voldoet de grond aan de kwaliteitsklasse Industrie/Niet toepasbaar. De onderzochte waterbodems zijn toepasbaar als klasse A en B bij het toepassen in oppervlaktewater. In de onderzochte materialen is zowel visueel als analytisch geen asbest waargenomen. In het kader van de CROW400 is de basishygiëne van toepassing, het is niet noodzakelijk om voor de werkzaamheden ter plaatse van de onderzoekslocatie een V&G-plan op te blad 80 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

stellen. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten gehalten kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde en/of voldoende in beeld zijn gebracht. Vanuit bodemhygiënisch oogpunt wordt het volgende aanbevolen. Tevens zijn enkele procedurele vervolgstappen benoemd: in het kader van de Wet bodembescherming dienen de werkzaamheden in de sterk verontreinigde grond bij het bevoegd gezag te worden gemeld (plan van aanpak); het is in het kader van de Wet bodembescherming niet noodzakelijk om werkzaamheden in sterk verontreinigde grond met een omvang van <25 m3 door een gecertificeerd aannemer (BRL 7001 dan wel 7004) en/of onder milieukundige begeleiding (BRL 6001) uit te voeren, dit wordt echter wel geadviseerd; de mogelijkheden voor grondverzet dienen door de aannemer realisatiefase inzichtelijk te worden gemaakt door het opstellen van een grondstromenplan.

Geadviseerd wordt dit plan af te stemmen met het bevoegd gezag om zodoende optimaal gebruik te kunnen maken van de hergebruiksmogelijkheden binnen het project en/of de mogelijkheden van de (PFAS) bodemkwaliteitskaart; het is in het kader van het Besluit lozen buiten inrichtingen noodzakelijk om een melding in te dienen voor alle locaties waar ingrepen in de waterbodem plaats gaan vinden; wanneer bij de uitvoering van de werkzaamheden bodemvreemde materialen worden waargenomen, dienen in overleg met een veiligheidskundige passende maatregelen te worden genomen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem, met inachtneming van de aanbevelingen, geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Het saneren van de bodem is niet noodzakelijk. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar.

4.11

Boom Effect Analyse Onderzoek Door Antea Group is een Boom Effect Analyse uitgevoerd voor de monumentale Linde. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 16 bij dit bestemmingsplan. De analyse bestaat uit een drietal werkstappen: bureaustudie; visuele boomcontrole; groeiplaatsonderzoek. Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat de linde is aangemerkt als Monumentale boom. Doordat de boom geen onderdeel uitmaakt van een houtopstand groter dan 10 are, geldt er geen meldingsplicht bij de Provincie Noord - Brabant. Uit het bestuderen van het ontwerp is gebleken dat de tijdelijke weg dichtbij de Linde gesitueerd is. Dit kan effect hebben op de boom. Ook bestaat de kans dat in de permanente situatie gevolgen voor de boom ontstaan. De werkzaamheden zullen zowel in de uitvoeringsfase als de permanente situatie gevolgen hebben voor de ondergrondse en bovengrondse groeiplaats van de Linde.

blad 81 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

Visuele boomcontrole De onderzochte Linde is 21 tot 25 meter hoog, heeft een stamdiameter van 120 cm en heeft een kroonprojectie van 7 meter. De bladbezetting is beoordeeld als 'redelijk'. Er is sprake van een lichte twijgsterfte in de boven-kroon. Tevens is er kroonschade waargenomen in de vorm van gebroken takken. Uit het onderzoek is gebleken dat de stam vanaf het maaiveld tot circa één meter hol is van binnen. Er zijn geen grote openingen aangetroffen. In de bestrating is sprake van een lichte boomwortelopdruk. Groeiplaatsonderzoek Er zijn twee proefsleuven gegraven (binnen de border en in de bestrating). Aanvullend zijn twee grondboringen uitgevoerd. Er is hoofdzakelijk matig humusarm zand aangetroffen. Tot 120 cm onder het maaiveld is geen grondwater aangetroffen. Er is sprake van een hangwaterprofiel. Resultaat Op basis van de bovenstaande analyse is de conditie van de Linde als 'redelijk' beoordeeld. De grootste bedreiging voor de boom zit in de uitvoeringsfase. In het onderzoeksrapport worden maatregelen opgesomd om de wortelschade zo veel mogelijk te beperken. Om de wortelschade te beperken is de kroonprojectie van de Linde aangeduid met de aanduiding 'monumentale boom'. In de regels is opgenomen dat de op de aangeduide gronden niet mag worden gebouwd en geen bestrating mag worden aangebracht.

De aanleg van de nutsleidingen onder de wortelkluit dient te worden uitgevoerd door middel van een gestuurde boring. Binnen een straal van 7 meter van de boom dient de diepte van de nutsleidingen minimaal 2 meter ten opzichte van het huidige maaiveld te bedragen. Conclusie Uit de Boom Effect Analyse is gebleken dat voornamelijk de uitvoeringsfase een bedreiging is voor monumentale Linde. Middels het opnemen van de aanduiding 'monumentale boom', met een diameter van 14 meter, kan het effect op de boom beperkt worden en zijn geen negatieve gevolgen voor de onderzochte boom te verwachten.

4.12

Kabels en leidingen Algemeen Ter plaatse van het tracé van de tunnel liggen een gasleiding en een waterleiding. Over beide leidingen is met de leidingbeheerdersoverleg geweest en wordt overleg gevoerd. Onderzoek De gasleiding betreft een loze gasleiding, die niet meer in gebruik is. In overleg met de beheerders van de leidingen (Brabant Water en de Gasunie) wordt momenteel gesproken over de consequenties van de aanleg van de tunnel voor beide leidingen. De loze gasleiding kan komen te vervallen en is daarom niet op de verbeelding opgenomen. Voor de waterleiding is duidelijk dat deze dient te worden verlegd. Met de leidingbeheerder Brabant Water is overleg geweest wat de nieuwe locatie van de leiding wordt. Deze komen aan de westzijde van de N631 te liggen en worden door middel van een diepe en gestuurde boring onder het spoor en door het plangebied aangebracht. De bestaande leiding en de toekomstige leiding behoeft geen afzonderlijke bescherming in het bestemmingsplan. Conclusie De nieuwe leidingen in het nieuwe leidingtracé komen ten westen van de N631 te liggen.

blad 82 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

Deze worden gelegd door middel van een diepe en gestuurde boring en behoeven geen aparte bescherming in het bestemmingsplan.

4.13

Niet Gesprongen Explosieven Algemeen In het verleden is de gemeente Gilze en Rijen herhaaldelijk geconfronteerd met de problematiek van Niet Gesprongen Explosieven (NGE). Er zijn daarom al verscheidene opsporingsacties verricht naar NGE op diverse locaties in de gemeente. Onderzoek In opdracht van de gemeente Gilze en Rijen is door Reaseuro een gemeentedekkend Historisch Vooronderzoek Niet Gesprongen Explosieven uitgevoerd, waarbij een risicokaart is opgesteld. Het historisch vooronderzoek is opgenomen als Bijlage 21 bij de toelichting. Onderstaand is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.

Figuur 4.7 Uitsnede Risicokaart NGE Gilze en Rijen (Plangebied aangegeven met paarse stippellijn). Bron: Reaseuro Zoals weergegeven op Figuur 4.7 valt het plangebied binnen meerdere risicogebieden, namelijk het risicogebied naar aanleiding van: Ontplofte munitietrein 30 mei 1942 Luchtaanvallen Munitieopslagplaatsen Ontplofte munitietrein 30 juli 1943 Artilleriebeschietingen en grondgevechten Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat het plangebied onderzocht moet worden op de aanwezigheid van NGE. Dit onderzoek kan worden beperkt tot de locaties waar grondroerende werkzaamheden zoals graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden. In het Historisch vooronderzoek is aanbevolen om een Projectgebonden Risicoanalyse (PRA-NGE) uit te voeren om te bepalen waar een verhoogd risico ontstaat. Door Ortageo is dit PRA-NGE uitgevoerd. De resultaten van het PRA-NGE zijn opgenomen in het rapport ' Projectgebonden risico analyse N631 onderdoorgang ProRail bij Rijen' d.d. 17 december blad 83 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

2020. Het rapport is op genomen als Bijlage 22 bij de toelichting. Hieronder komen de conclusies en de aanbevelingen aan bod. Conclusies Op basis van de verzamelde informatie reconstructie N631 kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Het gehele werkgebied reconstructie N631 is verdacht op weggeslingerde Duitse munitie. Het zuidelijk deel van het werkgebied is verdacht op geallieerde vliegtuigbommen. Hierbij is het niet uit te sluiten dat vliegtuigbommen met voorgespannen slagpin zijn afgeworpen. Binnen het werkgebied reconstructie N631 zijn na WO II meerdere graafwerkzaamheden uitgevoerd. Deze gebieden zijn op de tekening in bijlage 5 van de rapportage aangegeven. Uit de verzamelde informatie voor de PRA is gebleken dat binnen het onderzoeksgebied na WO II diverse graaf- en bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Hoewel bij het uitwerken van de PRA geen feitelijk gegevens zijn gevonden over het onderhoud van de N631 kan zondermeer gesteld worden dat (grootschalig) onderhoud aan het wegvak heeft plaatsgevonden na WO II. Uit de KLIC gegevens en het locatie bezoek blijkt dat er langs de N631 kabels en leidingen zijn aangelegd. Een andere grote verandering is de aanleg van de vrij liggende fietspaden parallel aan de N631. Dit blijkt uit de topografische kaarten, de beoordeling van de luchtfoto uit 1944 en de huidige satelliet foto’s.

Vanuit het gemeentelijke beleid wordt gesteld dat onder bestaande verharde wegen, welke tijdens WO II aanwezig waren geen onderzoek naar CE benodigd is. Uit de verzamelde feiten van de PRA klopt deze stelling aangezien weggeslingerde munitie niet zal indringen in de verharding. In 1973, 1977 en 1984 hebben ruimingen van CE plaats gevonden nabij de Vijf Eiken en de Oosterhoutseweg (N631). Nadien zijn er geen meldingen meer gedaan. Bij de vrijgave van de 64 sleuven, nabij de Vijf Eiken, is geen CE gevonden. Op basis van de verzamelde informatie onderdoorgang spoorzone kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Het gehele werkgebied spoorzone is verdacht op weggeslingerde Duitse munitie. Rond 1950 is de spoorlijn Breda – Tilburg geëlektrificeerd; Het ballastbed is vervangen en de houten spoorbielzen zijn vervangen door betonnen exemplaren; De spoorovergang is na WO II vervangen, voorzien betonnen platen en spoorbomen inclusief bijbehorende kabels en leidingen; Onder en langs het spoor zijn kabels en leidingen aangebracht, als dan niet middels gestuurde boringen; Er zijn fauna passage buizen onder het spoor aangebracht. Vanuit het gemeentelijk beleid is de spoorzone ter plaatse van de N631 vrijgegeven van CE. Weggeslingerde munitie is vrijwel zeker geruimd, aangezien deze in openbaar gebied aanwezig waren en dat de Oosterhoutseweg een belangrijke verbindingsweg is.

In het gebied werd gewoond en gewerkt. Gezien de veiligheid van de Duitsers en van de burgers, is het vrijwel zeker te stellen dat blindgangers in de openbare weg en het spoor zijn opgemerkt, veilig gesteld en zijn verwijderd. In het geval dat een blindganger achter is gebleven in de bodem, was deze, of de sporen daarvan, opgemerkt bij het ontgraven van de bodem. Hetzij tijdens graafwerkzaamheden in de jaren 50, 70 en 80 van de vorige eeuw. Dan wel bij de andere blad 84 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

graafwerkzaamheden voor kabels en leidingen of aanpassingen van het wegprofiel. Voorgaande is relevant omdat de indringdiepte van de weggeslingerde munitie relatief ondiep is, tot maximaal 0,5 m-mv. Advies Reconstructie N631 Op basis van de voorgenoemde conclusies wordt geadviseerd om alleen opsporing naar de geallieerde vliegtuigbommen uit te voeren wanneer binnen dit gebied graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. Deze verdachte gebieden zijn in het paars weergegeven op de tekening in figuur 4.8. Voor de reconstructie van de N631 wordt op basis van de locatie specifieke omstandigheden en de uitvoering van civieltechnische werken oppervlakte detectie als de meest doelmatige onderzoekstechniek geadviseerd. Hierbij wordt voorgesteld eerst de geroerde grond tot een diepte van circa 0,5 m -mv tot 1-mv regulier te ontgraven. In het gehele werkgebied, reconstructie N631, zijn na WO II graafwerkzaamheden uitgevoerd tot minstens 0,5 mmv. Ortageo B.V. adviseert daarom geen onderzoek naar CE uit te voeren, maar te volstaan met het ‘Procedure spontane vondst’. In de uitvoeringsfase moeten de betrokken werknemers hierover vooraf geïnformeerd worden. De procedure spontane vondst is onderstaand opgenomen. Realisatie onderdoorgang Vanuit het gemeentelijk beleid is de spoorzone ter plaatse van de N631 vrijgegeven van CE.

De aanleg van de onderdoorgang kan op regluiere wijze zonder aanvullende werkzaamheden ten aanzien van CE worden uitgevoerd. Geadviseerd wordt om voorafgaande aan de start van de werkzaamheden een toolbox-meeting te organiseren. Tijdens de toolbox-meeting zal worden ingegaan op het werken in CE verdacht gebied en op de uitkomsten van deze PRA. Middels deze toolbox-meeting worden de medewerkers geïnformeerd over het proces van opsporing CE en kan bijvoorbeeld de procedure over spontane vondst nader worden toegelicht.

Figuur 4.8 verdacht gebied weergegeven in roze en rood. Bron: Ortageo blad 85 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

Procedure spontane vondst Ondanks dat deze PRA en het aanvullende vooronderzoek met de grootste zorgvuldig is opgesteld blijft het altijd mogelijk dat een CE spontaan gevonden worden (toevalstreffer). Bijvoorbeeld door (naoorlogse) dumping. Dit wordt gezien als een spontane vondst. Het volgende protocol is dan van toepassing: verdacht object gevonden; aannemer legt het werk stil aannemer informeert de politie; de politie geeft de melding door aan de EOD; de ruimploeg van de EOD maakt het CE onschadelijk; indien er tijdens de ruiming of het onschadelijk maken van een CE een risico kan ontstaan voor de openbare orde en veiligheid informeert de politie de burgemeester en de ambtenaar openbare orde en veiligheid. Conclusie Met inachtnemening van de hierboven genoemde aanbevelingen kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen gelden voor de uitvoerbaarheid van voorliggend het bestemmingsplan ten aanzien van het aspect Niet Gesprongen Explosieven.

4.14

Vliegbasis Gilze-Rijen Algemeen In alle nieuwe bestemmingsplannen die betrekking hebben op de gemeente Gilze en Rijen moet de mogelijke invloed van de vliegbasis Gilze-Rijen worden benoemd. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt op korte afstand ten noordwesten van de vliegbasis Gilze-Rijen, waardoor diverse zoneringen over het plangebied zijn gelegen. Hierdoor gelden voor delen van het plangebied hoogtebeperkingen en/of beperkingen ten aanzien van het realiseren van geluidgevoelige bebouwing. Hierna wordt ingegaan op de beperkingen van de bouwhoogte en de ligging van het plangebied in diverse geluidzones en een munitiezone. Onderzoek Het plangebied ligt geheel binnen het horizontale obstakelvrije vlak van vliegbasis Gilze-Rijen (onderdeel van de Inner Horizontal en Conical Surface IHCS). Dit vlak is aangeduid met de gebiedsaanduiding 'Overige zone - IHCS - 1'. Ter plaatse van dit vlak geldt een bouwhoogtebeperking van 56 meter boven NAP. Er vanuit gaande dat het maaiveld ter hoogte van het plangebied maximaal 12 meter boven NAP ligt, betekent dit dat nergens in het plangebied hoger dan 44 meter mag worden gebouwd. Daarnaast ligt over het plangebied de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - ILS - 9'. ILS staat voor Instrument Landing System.

Deze zone dient ter bescherming om vliegtuigen een veilige landingsprocedure te kunnen garanderen onder slechte weersomstandigheden (ILS). Binnen het plangebied kan door de opgenomen gebiedsaanduiding niet hoger worden gebouwd dan 30,6 meter. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een dergelijke bouwhoogte. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ligging van vliegbasis Gilze-Rijen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

blad 86 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

4.15

Trillingen Algemeen Voor trillingen in de omgeving van spoorlijnen vanwege treinpassages is er geen specifieke wetgeving. Door de Stichting Bouwresearch (SBR) zijn in 1993 richtlijnen uitgegeven voor trillingen in bouwwerken. Dit zijn de zogenoemde SBR-richtlijnen. Ze zijn herzien in 2002. De richtlijnen zijn onderverdeeld in drie onderwerpen: het voorkomen van bouwkundige schade (SBR Trillingsrichtlijn A: schade aan bouwwerken, 2017); het voorkomen van hinder (SBR Trillingsrichtlijn B: hinder voor personen in gebouwen, 2002); het voorkomen van verstoring van apparatuur (SBR Trillingsrichtlijn C: verstoring van apparatuur, 2002). De richtlijnen zijn herzien in 2002 en richtlijn A daarna nog in 2017. Specifiek voor het aspect hinder vanwege spoorverkeertrillingen bestaat sinds 2013 de Beleidsregel trillinghinder spoor (Bts). Deze is ontstaan vanuit de praktijk voor de toepassing van de Tracéwet op spoorse projecten en is vastgesteld door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Deze beleidsregel is in 2014 aangepast en dient ter aanvulling en verduidelijking van de SBR richtlijn B. De Bts gaat verder dan de SBR richtlijn B in die zin dat de Bts invult hoe met de beoordeling van een situatie moet worden omgegaan, c.q. hoe deze moet worden opgevolgd. De SBR richtlijn is puur een 'meet- en beoordelingsrichtlijn'.

Deze beschrijft hoe trillingsmetingen moeten worden uitgevoerd en uitgewerkt tot twee beoordelingsmaten en hoe deze – afhankelijk van de omstandigheden – moeten worden beoordeeld. De Bts werkt de beoordeling van een gewijzigde situatie verder uit en werkt uit hoe het vervolg (na de beoordeling) moet zijn. Dit heeft tot gevolg dat in de praktijk toepassing van de Bts vaker leidt tot daadwerkelijke uitvoering van maatregelen. Voor zowel de SBR-richtlijn als de Bts geldt dat deze geen kracht van wet hebben. Uit jurisprudentie volgt dat de bestuursrechter beide richtlijnen accepteert als onderliggend kader bij de beoordeling van trillinghinder in ruimtelijke procedures in het kader van 'een goede ruimtelijke ordening'. Omdat de Bts in de praktijk vaker leidt tot daadwerkelijke uitvoering van maatregelen en dit bijdraagt aan een goed woon- en leefklimaat is de Bts als toetsingskader gehanteerd voor het aspect hinder. Voor het aspect schade wordt de SBR-A gehanteerd. Onderzoek Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen voor de omwonenden is het noodzakelijk om ook het aspect trillingen goed te beschouwen en te onderzoeken. In dit kader is gestart met een onderzoek naar de trillingen in de huidige en de toekomstige situatie. Uit de Quickscan 'Spoorkruising N631 Rijen - Trillingen in de omgeving vanwege treinpassages' (Level A&V rapport LA.200606.R01 d.d.

28 juni 2020) is gebleken dat er metingen noodzakelijk zijn om een goed beeld te krijgen van de huidige trillingsniveaus bij de omliggende woningen. Deze metingen zijn uitgevoerd en de resultaten van de metingen zijn verwerkt in het rapport 'Trillingsmeting spoorkruising N631 - nulsituatie' (Level A&V rapport LA.200606.R02 d.d. 2 november 2020). Op basis van de uitkomst van deze metingen is het te hanteren toetsingskader bepaald. Het advies is de Bts toe te passen en indien dit noodzakelijk blijkt een bijbehorende

blad 87 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

doelmatigheidsafweging voor op te stellen. Dit advies is opgevolgd en geldt als kader voor het onderzoek. Voor de hinderbeoordeling (ten aanzien van bestaande woningen) geldt hierdoor dat maatregelen dienen te worden overwogen indien één of meerdere van het volgende geldt: Vmax,straks > 0,2 en toename Vmax > 30% Vper,straks > 0,1 en toename Vper > 0% Doel van de maatregelen is: - Vmax <= 0,4 en toename Vmax < 30% - Toename Vper <= 0% Tevens is een detailberekening uitgevoerd naar de reflectie en geleiding van trillingen door de onderdoorgang. De resultaten hiervan zijn verwerkt in het rapport Detailberekening Spoorkruising N631 Rijen - reflectie en geleiding van trillingen door de onderdoorgang (Level A&V rapport LA.200606.R03 d.d. 2 november 2020). Uit de berekening wordt geconcludeerd dat de spooronderdoorgang geen geleider is van trillingen en dat de spooronderdoorgang bodemtrillingen reflecteert in de 8 Hz octaafband en hoger. Bij 8 Hz is de reflectie-efficientie 35%, bij 16 Hz 70% en bij 32 Hz en hoger 90%. Vervolgens is onderzocht wat de trillingsniveaus zouden kunnen zijn in de toekomstige situatie en of er mogelijk maatregelen noodzakelijk zijn. In dit kader is een onderzoek naar trillingen (aan de hand van het toetsingskader Bts) uitgevoerd. In dit onderzoek zijn de resultaten van de hierboven genoemde onderzoeken verwerkt.

De resulaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport 'Trillingen in de omgeving vanwege treinpassages'. Het rapport is opgenomen als Bijlage 23 bij de toelichting. Hierna komen de resultaten en conclusies aan bod. Er is een berekening uitgevoerd naar de trillingen in de toekomstige situatie. De resultaten van deze berekening zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Tabel 4.8. resultaten toekomstige situatie

De gepresenteerde sigma (ó) in de tabel is een maat voor de onzekerheid (Handleiding Ours, referentie in het rapport). Toetsing schade Uit de laatste kolom van tabel 4.8 blijkt dat alle panden voldoen aan de grenswaarde van 1,25 mm/s. Toetsing hinder De Beleidsregel trillinghinder spoor (Bts) toetst in eerste instantie of er door wijziging aan het spoor er een toename kan optreden van trillingen. Daar is, volgens tabel 4.8 op geen enkel adres sprake van. Zowel Vmax als Vper gaan significant, waarschijnlijk merkbaar, omlaag. De onzekerheid over deze afnames is klein (sigma's van minder dan 10%). Trillingen zullen overigens wel voelbaar blijven in deze woonbuurt (Vmax > 0,1). Conclusie De komst van de spooronderdoorgang heeft wat betreft trillingen met grote waarschijnlijkheid geen nadelige effecten op de bestaande bebouwing. De trillingsniveaus gaan waarschijnlijk zelfs merkbaar omlaag. Toetsing van het aspect schade, volgens SBR richtlijn A, levert geen overschrijdingen van grenswaarden. De kans op schade is kleiner dan 1%. blad 88 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

Toetsing van het aspect hinder, volgens de Beleidsregel trillinghinder spoor (Bts), leidt niet tot het ontwerpen van maatregelen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect trillingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.16

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Onderdeel van het voorliggend bestemmingsplan is de wijziging van het bouwvlak van horecagelegenheid eetcafé De Vijf Eiken. Bepaalt moet worden of deze wijziging uit het oogpunt van milieuhinder kan worden toegestaan. Om dit te bepalen kan gebruik worden gemaakt van de systematiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009). In de VNG-brochure is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Het doel van milieuzonering is tweeledig: door het toepassen van milieuzonering wordt hinder ter plaatse van woningen of andere gevoelige objecten al in het ruimtelijk spoor voorkomen; door het toepassen van milieuzonering wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun activiteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Op basis van de indicatieve afstanden zijn de bedrijven op de bedrijvenlijst in de VNG-handreiking ingedeeld in milieucategorieën die variëren van categorie 1 (indicatieve afstand van 10 meter) tot categorie 6 (indicatieve afstand van 1.500 meter).

Als aan de indicatieve afstand kan worden voldaan, is een activiteit qua milieuhinder inpasbaar. Enerzijds is dan ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten (waaronder woningen) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, anderzijds heeft het bedrijf voldoende zekerheid dat de bedrijfsactiviteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen worden uitgeoefend. Omgevingstype In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied). De indicatieve afstanden zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een ‘rustige woonwijk’. Voor woningen in een ‘gemengd gebied’ mag de indicatieve afstand worden gecorrigeerd en kan de afstand met één trede worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. In de volgende tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende indicatieve afstand weergegeven Tabel 4.9. milieucategorieën en bijbehorende richtafstanden

blad 89 van 104

milieucategorie

richtafstand omgevingstype woonwijk

1

10 m Ruimte - Antea Nederland B.V.

tot richtafstand rustige omgevingstype gebied 0m

tot gemengd

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Daarnaast behoren gebieden die direct langs een hoofdinfrastructuur liggen ook tot een gemengd gebied. Met de ligging van de N631, de spoorlijn, een woonwijk ten oosten van de N631 en diverse sportaccommodatie aan de westzijde van de N631 is de omgeving van het plangebied aan te merken als gemengd gebied. Onderzoek Eetcafé De Vijf Eiken In het voorliggend bestemmingsplan schuift het bestaande bouwvlak van het eetcafé De Vijf Eiken op in de richting van de N631. Hierbij worden de bestaande bouw- en gebruiksregels overgenomen. De functie als horecagelegenheid verandert niet. Dit houdt in dat ter plaatse van het nieuwe bouwvlak horecabedrijven uit categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten een café uit categorie 2 en zalencentrum uit categorie 3 van de Staat van Horeca activiteiten zijn toegestaan. Binnen het bouwvlak geldt een maximum bebouwd oppervlakte van 870 m2 . Een eetcafé en een restaurant worden ingedeeld in de milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter tot het omgevingstype gemengd gebied.

Een zalencentrum/partycentrum (regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek-/dansevenementen) kan worden ingedeeld in de milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter tot het omgevingstype gemengd gebied. Het dichtstbijzijnde milieugevoelig object ligt op een afstand van circa 40 meter van het nieuwe bouwvlak van de horecagelegenheid. Hiermee kan de wijziging van het bouwvlak uit het oogpunt van milieuhinder worden toegestaan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.17

Geurhinder Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006.

blad 90 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

Onderzoek Naast woningen kan ook een horecabedrijf gezien worden als een geurgevoelig object. Ten westen van het plangebied ligt een manege. Een manege is een veehouderij als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor paarden is geen geuremmissiefactor vastgesteld. De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object bedraagt buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter. Het horecabedrijf ligt buiten de bebouwde kom. Voorliggend bestemmingsplan voorziet onder andere in de realisatie van een nieuwe aansluiting van de N631 op de weg Vijf Eiken. De nieuwe weg wordt aangelegd ter plaatse van de zalencentrum, behorend bij het eetcafé De Vijf Eiken. Om deze nieuwe aansluiting mogelijk te maken wordt een deel van de bestemming 'Horeca' gewijzigd naar de bestemming 'Verkeer'. De bestemming 'Horeca' en het bijbehorende bouwvlak van het horecabedrijf wordt in voorliggend bestemmingsplan verplaatst. Er is dus sprake van een verplaatsing van het horecabedrijf. De nieuwe locatie van het bouwvlak van het horecabedrijf ligt op circa 10 meter van de het bouwvlak van de manege. Hiermee wordt niet voldaan aan de vaste afstand van 50 meter.

Indien tussen een veehouderij en een geurgevoelig object niet aan de vastgestelde afstand kan worden voldaan, mag niet zonder meer worden aangenomen dat daar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Een motivering waarom ter plaatse van het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- een leefklimaat kan worden gegarandeerd is hiermee noodzakelijk. Door de verplaatsing van het bouwvlak komt het horecabedrijf verder van de manege af te liggen dan in de bestaande situatie. In de bestaande planologische situatie ligt het bouwvlak van het horecabedrijf op 0 meter afstand van het bouwvlak van de manege, waarbinnen dierenverblijven kunnen worden opgericht. Binnen het nieuwe bouwvlak gelden voor het horecabedrijf dezelfde planologische mogelijkheden. Binnen het bouwvlak is een uitbreiding van het bebouwingsoppervlakte en een uitbreiding van de horecafunctie niet mogelijk. Voorliggend bestemmingsplan maakt dus dezelfde planologische mogelijkheden, op een grotere afstand van de manege, mogelijk. Hiermee kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geurhinder geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

blad 91 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

blad 92 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische aspecten

Algemene opzet Het onderhavig bestemmingsplan is vervat in een juridische regeling, waarbij gebruik is gemaakt van zo min mogelijk bestemmingen. Met deze opzet wordt in sterke mate aangesloten bij de bestaande gemeentelijke systematiek van het bestemmingsplan "Buitengebied" en de Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en bestemmingsplanregels die vergezeld gaan van een toelichting. De verbeelding en de regels zijn juridisch bindend. De toelichting maakt geen onderdeel uit van het juridisch plangedeelte. Wel fungeert de toelichting als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

5.2

Toelichting op de verbeelding De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken zijn gebaseerd op de ontwikkelingsschetsen. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) en IMRO 2012.

5.3

Toelichting op de bestemmingsplanregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 1 Begrippen In het eerste artikel, “begrippen”, worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP 2012 en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de “wijze van meten” uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden planregels gegeven voor de binnen het plangebied bestaande functies die gehandhaafd worden alsmede voor de nieuw te ontwikkelen functies. Per bestemming zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder voorafgaande vrijstelling of wijziging) toegestaan.

Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, goothoogte en dergelijke) en wordt gebouwd binnen het eventueel aangegeven bouwvlak, kan hiervoor in de regel een omgevingsvergunning voor de activiteit

blad 93 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

bouwen worden verleend. Binnen de bestemmingsregels zijn ‘gewone’ bestemmingen, voorlopige bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen. 'Gewone' bestemmingen In het voorliggende bestemmingsplan zijn de volgende 'gewone' bestemmingen opgenomen: Artikel 3 Horeca De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor horecabedrijven, evenementen, terrassen en bijbehorende voorzieningen zoals ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, antennes en groen- en watervoorzieningen. Op deze gronden zijn een café, restaurant en zalencentrum toegestaan conform het huidige gebruik op de locatie. Tevens zijn de gronden bestemd voor het behoud en de bescherming van de ter plaatse aanwezige karakteristieke bebouwing. Binnen deze bestemming zijn bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. De bestemming 'Verkeer - Voorlopig 3' wordt na 7 jaar de definitieve bestemming 'Horeca'. Hierdoor ontstaat één samenhangend perceel met twee bestemmingen waar één horecabedrijf gevestigd mag zijn. Op de gronden van de bestemming 'Horeca' en de gronden met Verkeer - Voorlopig 3 is in totaal een maximum bebouwd oppervlakte van 870 m2 toegestaan. Dit komt overeen met het huidige maximaal te bebouwen oppervlak.

Artikel 4 Verkeer De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor wegen, voetpaden, (snel)fietspaden, een tunnel, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen inclusief waterpartijen en watergangen, kunstwerken, kunstobjecten, straatmeubilair en bijbehorende voorzieningen. Op de gronden worden ook de rotonde met rechtsaffer en de in- en uitvoegstroken in de tunnelbak mogelijk gemaakt. De gronden binnen deze bestemming zijn niet de gronden waar de spoorweg ook op is gelegen. Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'tunnel' is de tunnel toegestaan. Er is een maximale bouwdiepte opgenomen voor de tunnel, waarmee de maximale bouwdiepte wordt afgebakend. De voor de tunnel noodzakelijke pompput is uitgesloten van deze maximale bouwdiepte en mag dus dieper worden dan de tunnel. Aangezien de pompput gedeeltelijk buiten de tunnelwanden komt te liggen is de aanduiding 'tunnel' aan de zuidkant van het spoor verbreed. Aan de noordzijde van het spoor is de aanduiding tunnel breder geworden om de rechtsaffer mogelijk te maken en een eventuele uitvoegstrook in de toekomst. De N631 dient zodanig te worden aangelegd dat deze de op de verbeelding opgenomen aanduiding 'as van de weg' te volgen.

Deze is opgenomen om te borgen dat de weg ook op die plaats wordt aangelegd waar ook door onderzoek is aangetoond dat de weg daar kan komen te liggen. Het bestemmingsvlak voor de bestemming is groter om ook andere voorzieningen mogelijk te maken. In dit artikel zijn een drietal voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Een voorwaardelijke verplichting borgt een randvoorwaarden en koppelt dit aan het gebruik dat hiermee samenhangt. De eerste verplichting is opgenomen om te borgen dat het groenplan na oplevering van de gronden die tijdelijk worden gebruikt voor de bypass wordt aangelegd conform het groenplan. De tweede voorwaardelijke verplichting is opgenomen om de noodzakelijk akoestische maatregelen te borgen. De derde voorwaardelijke verplichting is opgenomen om de realisatie van de natuurcompensatie zeker te stellen. Artikel 5 Verkeer - Railverkeer De gronden waar de bestemming 'Verkeer - Railverkeer' geldt zijn bestemd voor spoorwegen, geluidwerende voorzieningen, een tunnel ten behoeve van de kruising van de spoorweg met blad 94 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

verkeerswegen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, watervoorzieningen en overige bijbehorende voorzieningen. Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd. De bestemming is gelegen op het deel van de N631 waar tevens de spoorweg op gelegen is. Ter plaatse van de aanduiding 'tunnel' is een (deel van de) tunnel toegestaan. Het diepste deel van de tunnel wordt hier aangelegd. Een belangrijke voorwaarde is dat de doorrijhoogte onder het spoor ten minste 4,5 meter moet bedragen. Om de tunnel niet te diep te maken is bepaald dat de maximale verticale diepte 7 meter (ten opzichte van het peil) mag bedragen. De N631 dient zodanig te worden aangelegd dat deze de op de verbeelding opgenomen aanduiding 'as van de weg' volgt. Deze is opgenomen om te borgen dat de weg ook op die plaats wordt aangelegd waar ook door onderzoek is aangetoond dat de weg daar kan komen te liggen. Het bestemmingsvlak voor de bestemming is groter om andere voorzieningen mogelijk te maken. Voorlopige bestemmingen Voorlopige bestemmingen zijn bestemmingen die gedurende een bepaalde periode een bepaalde bestemming toegekend krijgen. Na verloop van die periode treedt vervolgens de definitieve bestemming in werking. Onder de Wro is deze looptijd 5 jaar.

Op basis van artikel 7c, lid 3 van het Bu Chw is het mogelijk een looptijd van een voorlopige bestemming te verlengen naar 10 jaar. Onderhavig bestemmingsplan met verbrede reikwijdte maakt gebruik van dit instrument om de looptijd van voorlopige bestemmingen te verlengen naar 7 jaar. Voor het gebied gelden twee verschillende regimes tijdens de planperiode. De verbeelding toont slecht de bestemmings'kleur' van het voorlopig regime. Het eindbeeld is daarmee niet direct af te leiden uit de verbeelding. De planregels bieden wel inzicht in het eindbeeld. De voorlopige bestemmingen zijn alle verkeersbestemmingen en zijn gericht op de realisering van de tunnel en de voorlopig om te leggen N631. De eindbestemming varieert: Horeca, Natuur, Verkeer - Railverkeer en Maatschappelijk - Militair terrein. In totaal zijn er 5 voorlopige bestemmingen in het plan aanwezig. Het onderscheid wordt bepaald door de mogelijkheden van de eindbestemming. In figuur 5.1 zijn de voorlopige bestemmingen opgenomen.

Figuur 5.1 Voorlopige bestemmingen De opbouw van de planregels is gelijk bij die van de reguliere bestemmingen, met dien verstande dat deze opbouw tweemaal in de planregels terugkomt. In eerste instantie met de blad 95 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

regels die gelden voor de voorlopige bestemming en vervolgens ten aanzien van de eindbestemming. In aanvulling op de gebruikelijke opbouw wordt aan het einde van de regeling voor de voorlopige bestemming nog een onderdeel toegevoegd waarin is vastgelegd tot wanneer de voorlopige regels gelden. De werkingstermijn van de voorlopige bestemming eindigt 7 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan. De inschatting is dat de tunnel aanzienlijk sneller gerealiseerd wordt dan deze 7 jaar. Er is echter een ruime termijn opgenomen, waarbinnen vast staat dat alles is gerealiseerd Dit is een termijn van 7 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan. Om de mogelijkheid te bieden om de gronden eerder te kunnen wijzigen van de voorlopige naar de definitieve bestemming heeft het bevoegd gezag met een wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid om de definitieve bestemming eerder in werking te laten treden dan de vastgelegde 7 jaar. Een uitzondering hierop is de bestemming 'Verkeer voorlopig 5' die bij het ontwerp bestemmingsplan is toegevoegd om de bypass achter eetcafé De Vijf Eiken mogelijk te maken. Deze bestemming heeft de gebruikelijke werkingsduur van 5 jaar. Deze wordt dus eerder omgezet naar het definitieve gebruik dan de andere voorlopige bestemmingen. In figuur 5.2 is het eindbeeld van de bestemmingen inzichtelijk gemaakt.

Figuur 5.2 Eindbestemmingen In het voorliggende bestemmingsplan zijn de volgende 'voorlopige' bestemmingen opgenomen: Artikel 6 Verkeer - Voorlopig 1 De gronden binnen de bestemming 'Verkeer - Voorlopig 1' zijn tijdelijk bestemd als 'Verkeer'. Deze gronden betreffen een tijdelijk aan te leggen weg tijdens en ten behoeve van de bouwwerkzaamheden. Na een periode van 7 jaar zal de bestemming worden omgezet in de definitieve bestemming 'Verkeer - Railverkeer' die identiek is aan Artikel 5 Verkeer Railverkeer. blad 96 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

Artikel 7 Verkeer - Voorlopig 2 De gronden binnen de bestemming 'Verkeer - Voorlopig 2' zijn tijdelijk bestemd als 'Verkeer'. Deze gronden betreffen een tijdelijk aan te leggen weg tijdens en ten behoeve van de bouwwerkzaamheden. Na een periode van 7 jaar zal de bestemming worden omgezet in de bestemming 'Maatschappelijk - Militair terrein'. Deze regeling komt overeen met de regeling voor deze gronden in het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Gilze- Rijen. Artikel 8 Verkeer - Voorlopig 3 De gronden binnen de bestemming 'Verkeer - Voorlopig 3' zijn tijdelijk bestemd als 'Verkeer'. Deze gronden betreffen een tijdelijk aan te leggen weg tijdens en ten behoeve van de bouwwerkzaamheden. Na een periode van 7 jaar zal de bestemming worden omgezet in de definitieve bestemming 'Horeca' die identiek is aan Artikel 3 Horeca. In afwijking van de regels voor 'horeca' is bepaald dat een bedrijfswoning niet op de gronden met de bestemming 'Verkeer - Voorlopig 3' mag worden gebouwd. Artikel 9 Verkeer - Voorlopig 4 De gronden binnen de bestemming 'Verkeer - Voorlopig 4' zijn tijdelijk bestemd als 'Verkeer'. Deze gronden betreffen een tijdelijk aan te leggen werkterrein tijdens en ten behoeve van de bouwwerkzaamheden. Na een periode van 7 jaar zal de bestemming worden omgezet in de bestemming 'Natuur'.

Deze regeling komt overeen met de regeling voor deze bestemming in het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Gilze- Rijen. Artikel 10 Verkeer - Voorlopig 5 De gronden binnen de bestemming 'Verkeer - Voorlopig 5' zijn tijdelijk bestemd als 'Verkeer'. Deze gronden betreffen een tijdelijk aan te leggen fietspad tijdens de bouwwerkzaamheden. Na een periode van 5 jaar zal de bestemming worden omgezet in de bestemming 'Sport', die is afgeleid van de bestemmingsplanregeling voor 'Sport' in het bestemmingsplan "Buitengebied". De bouwmogelijkheden op deze gronden zijn echter beperkt tot bouwwerken geen gebouwen en overkappingen zijnde. Dubbelbestemmingen Dubbelbestemmingen zijn bestemmingen die over een andere bestemming worden heen gelegd. Het gaat hierbij om bestemmingen die betrekking hebben op waarden (zoals archeologie). De regels van de dubbelbestemming zijn prioritair, dat wil zeggen dat bij strijdigheid met de bestemming waarmee ze samenvallen, de regels van de dubbelbestemming voorrang hebben. Artikel 11 Waarde - Archeologie A, Artikel 12 Waarde - Archeologie D Artikel 11 en 12 bevatten de regels voor de bestemming 'Waarde - Archeologie A' en 'Waarde - Archeologie D'. De gronden waar de dubbelbestemming voor geldt, zijn, naast de geldende enkelbestemming, mede bestemd voor het waarborgen van de archeologische waarden.

Bouwen op gronden voorzien van de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie A' of 'Waarde - Archeologie D' is uitsluitend toegestaan indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden voldoende zijn vastgesteld. Hoofdstuk 3 Algemene regels blad 97 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651

Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: Artikel 13 Anti-dubbeltelregel Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is de anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze regel wordt opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 14 Algemene bouwregels Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden een aantal algemene bouwregels. Deze bepalingen zijn op het hele plangebied van toepassingen hoeven dus niet opgenomen te worden in de afzonderlijke bestemmingen. Het betreffen bouwregels ten aanzien van de bestaande maten en ondergronds bouwen. Ook is in de algemene bouwregels bepaald dat binnen de bouwvlakken van de bestemming Horeca samen met het bouwvlak van de bestemming Verkeer - Voorlopig 3 na het verlopen van de tijdelijke bestemming maar maximaal 870 m² aan gebouwen mag worden bebouwd. Artikel 15 Algemene gebruiksregels Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden een aantal algemene gebruiksregels. Deze hoeven dus niet opgenomen te worden in de afzonderlijke bestemmingen.

Het betreffen gebruiksregels die tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken worden gerekend. Ook is in de algemene gebruiksregels bepaald dat binnen de bestemming Horeca samen met de bestemming Verkeer - Voorlopig 3 na het verlopen van de tijdelijke bestemming maar maximaal één horecabedrijf mag worden geëxploiteerd. Artikel 16 Algemene aanduidingsregels Dit betreft de nadere aanduiding van samenhangende gebieden gelegen over meerdere bestemmingen waarop een nadere regeling van toepassing is. Deze gebiedsaanduidingen hebben met name betrekking op sectorale aspecten die ruimtelijk relevant zijn en waaraan een zonering (aan te houden afstand) is toegekend. In dit bestemmingsplan betreft het de gebiedsaanduidingen: monumentale boom vrijwaringszone - ILS - 9 overige zone - attentiezone waterhuishouding overige zone - IHCS - 1 overige zone - in Interim omgevingsverordening te verwijderen Natuurnetwerk Brabant Artikel 17 Algemene procedureregels In deze regels wordt aangeven welke ruimtelijke procedure doorlopen moet worden voor afwijkingen, werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden en wijzigingen. Artikel 18 Overige regels Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK in werking getreden. Deze wet regelt dat de grondslag voor stedenbouwkundige bepalingen in de Bouwverordening komt te vervallen.

Dit betekent dat voor onder andere parkeernormen en normen voor het laden en lossen niet meer kan worden getoetst aan de bepalingen uit de Bouwverordening. Uit oogpunt van 'een goede ruimtelijke ordening' is het vaak wel aangewezen om het parkeren en laden en lossen blad 98 van 104

Ruimte - Antea Nederland B.V.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9818065/1