ap 11c ontwerp-bestemmingsplan N631
Tekst van het document
Verkeersveiligheid In het kader van de verkeersveiligheid van een vrije rechtsaffer van de zuid- naar de oosttak van de rotonde is een verkeersveiligheidstoets uitgevoerd. Deze verkeersveiligheidstoets is uitgevoerd met als enig doel verkeersveiligheidsknelpunten te identificeren en mogelijke oplossingsrichtingen aan te geven. Andere aspecten die een rol kunnen spelen bij beslissingen rond de opzet en uitwerking van dit project zijn bewust buiten beschouwing gelaten. Op deze manier wordt het mogelijk om verkeersveiligheid expliciet mee te wegen bij het besluitvormingsproces en bij de verdere uitwerking en uitvoering. De bevindingen een oplossingsrichtingen zijn meegenomen naar een definitief ontwerp van de spoorwegonderdoorgang en de rotonde. Conclusie Vanuit verkeerskundig oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de functiewijziging die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.
4.3
Geluid Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zone van de wegen die niet zijn opgenomen in de Regeling Geluidplafondkaart. De breedte van de geluidzone langs wegen is geregeld in artikel 74 Wgh en is gerelateerd aan het aantal rijstroken van de weg en het type weg (stedelijk of buitenstedelijk). De ruimte boven en onder de weg behoort eveneens tot de zone van de weg. De betreffende zonebreedtes zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4.2 Geluidzones langs wegen
Het stedelijk gebied wordt in de Wgh gedefinieerd als ‘het gebied binnen de bebouwde kom doch voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone van een autoweg of autosnelweg’. Dit laatste gebied valt onder het buitenstedelijk gebied. Binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de blad 57 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
geluidbelasting op de binnen de zone gelegen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Bij het berekenen van de geluidbelasting wordt de Lden-waarde in dB bepaald. De berekende geluidbelasting dient getoetst te worden aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder. Indien de (voorkeurs)grenswaarde wordt overschreden, dient beoordeeld te worden of maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn. Als maatregelen niet mogelijk zijn, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Onderzoek Er is door adviesbureau Antea Group akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai op de N631. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn verwerkt in het rapport 'Akoestisch onderzoek Reconstructie N631' d.d. 22 december 2020. Het rapport is toegevoegd aan deze toelichting als Bijlage 7. Hierna zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. Met behulp van het berekeningsmodel is op alle ontvangerspunten de geluidbelasting berekend vanwege het wegverkeer op de N631 en Nassaulaan voor het referentiejaar 2023 en het toekomstjaar 2034. De verkeersgegevens van de N631 in zowel 2023 als 2034 zijn gebaseerd op de verkeersberekening die voor het project zijn uitgevoerd en zijn opgenomen in Bijlage 4.
Het doel van het akoestisch onderzoek is het bepalen of ter plaatse van de gevels van bestaande woningen de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai toeneemt door de ontwikkeling. Onderstaand zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Verkeerscijfers Voor de berekening van de geluidbelasting op de gevels van relevante woningen is een berekeningsmodel opgezet waarin de wijzigingen op of aan de N631, Nassaulaan en bodemgebieden zijn opgenomen. De verkeersgegevens van beide wegen in zowel 2023 als 2034 zijn afkomstig van verkeersmodellen en vastgelegd in een uitgangspunten document, zoals opgenomen in Bijlage 4. In tabel 4.3 is een globaal overzicht van de verkeerscijfers opgenomen. De wegbeheerder heeft aangegeven wat de wegdekverharding in de toekomst wordt, deze gegevens staan ook in tabel 4.3. Tabel 4.3. Overzicht gehanteerde verkeersgegevens per weekdag
Om het effect van de wijziging van de wegen op de geluidbelasting in kaart te brengen, is de geluidbelasting berekend in de volgende jaren: 2023 – huidige situatie; blad 58 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
2034 – toekomstige projectsituatie; Toekomstige situatie waarin snelheid, wegas en wegdek gewijzigd zijn conform de projectsituatie. Op grond van de Wet geluidhinder dient het reconstructie-effect te worden bepaald op basis van de toename in geluidbelasting in het jaar dat een aanvang wordt gemaakt met de reconstructie en het maatgevende toekomstige jaar zonder geluidmaatregelen. Resultaten N631 De N631 bestaat zowel in de huidige als de toekomstige situatie uit 2x1 rijstroken. Eén van de aanpassingen in de toekomstige situatie is het verplaatsen van de komgrens. Het volledige fysiek te wijzigen gedeelte van de N631 wordt daarmee binnenstedelijk. Het betreft in de zin van de Wet geluidhinder dan een binnenstedelijke situatie met een zonebreedte van 200 meter. Met het aanpassen van de komgrens bedraagt de maximale snelheid in de toekomstige situatie 50 km/uur bedragen. Voor de geluidbelastingen in de huidige situatie bedraagt de aftrek op basis van artikel 110g Wgh 2-4 dB. In de toekomstige situatie is de aftrek op basis van artikel 110g Wgh 5 dB. Op de nieuw aan te leggen rotonde ligt de feitelijke (en gemodelleerde) snelheid lager. Bij een aantal woningen binnen het onderzoeksgebied neemt de geluidbelasting toe. Op de woning met adres Oranjeplein 18 neemt de geluidbelasting met ten hoogst 2,03 dB toe. Hierdoor treedt een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder op.
Bij andere woningen is sprake van een afname van de geluidsbelasting. Bij de woningen aan de Pastoor Gillisstraat is de afname het grootst, vanwege de verdiepte aanleg van de N631 en de snelheidsverlaging. In verband met het optreden van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder heeft onderzoek naar maatregelen plaatsgevonden. Daaruit volgt dat er over een minimale afstand van 75 meter net voor en na de rotonde SMA NL8 G+ aangelegd dient te worden, dit is weergeven in figuur 4.2. Het staat de bronbeheerder vrij om bijvoorbeeld het gehele wegvak binnen de bebouwde kom te voorzien SMA NL 8G+ waardoor de gehele fysieke wijziging uitgevoerd kan worden met een en hetzelfde wegdek wat een positief effect heeft op het geluidsniveau.
blad 59 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
Figuur 4.2 Overzicht bronmaatregel N631 Resultaten Nassaulaan De Nassaulaan bestaat zowel in de huidige als de toekomstige situatie uit 2x1 rijstroken. Een van de aanpassingen in de toekomstige situatie is het verplaatsen van de komgrens. Het volledige fysiek te wijzigen gedeelte van de Nassaulaan wordt daarmee binnenstedelijk, terwijl in de huidige situatie de eerste 30 meter gezien vanaf de N631 nog buiten de bebouwde kom ligt. Het betreft in de zin van de Wet geluidhinder dan een binnenstedelijke situatie met een zonebreedte van 200 meter. Met het aanpassen van de komgrens bedraagt de maximale snelheid in de toekomstige situatie voor het gehele wegvak 50 km/uur. Terwijl in de huidige situatie de eerste 30 meter gezien vanaf de N631 een snelheid heeft van 80km/uur. De aftrek op basis van artikel 110g Wgh bedraagt voor de woningen aan de westzijde van de N631 dan 2-4 dB. Voor de overige geluidgevoelige objecten in het onderzoeksgebied van de Nassaulaan bedraagt de aftrek op basis van artikel 110g Wgh 5 dB. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat vanwege de wijziging van de Nassaulaan naar aanloop van de rotonde met de N631 nergens sprake is van een reconstructie-effect in de zin van de Wet geluidhinder. De toename bedraagt maximaal 0,53 dB. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de autonome groei van het verkeer en de verbreding van de asfaltverharding.
Een verder onderzoek naar maatregelen ten behoeve van het reduceren van de geluidbelasting is daarom ook niet noodzakelijk. De rechtsaffer vanuit het zuiden van de N631 richting de Nassaulaan wordt uitgevoerd in SMA NL 8G +. Toepassing van dit stiller wegdek hoort bij de eerder beschreven maatregel voor de N631.
blad 60 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
Tijdelijke situatie De tijdelijke situatie is niet onderzocht. De tijdelijke weg komt verder af te liggen van de woningen in het gebied. Dit gegeven, in combinatie met het uitgevoerde onderzoek, leidt tot de conclusie dat ook in de tijdelijke situatie geen verslechtering van de situatie ontstaat. Conclusie Er is sprake van een reconstructie in de zin van de Wet Geluidhinder. Door de toepassing van een bronmaatregel, in de vorm van het toepassen van stiller wegdek vormt het aspect akoestiek geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. De bronmaatregel is geborgd in de planregels met een voorwaardelijke verplichting.
4.4
Luchtkwaliteit Algemeen In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit maakt onderdeel uit van de Wet milieubeheer en bevat grenswaarden voor luchtkwaliteit. Conform de richtlijn van de EU gelden de grenswaarden voor de buitenlucht voor het gehele grondgebied van de lidstaten, met uitzondering van de werkplek. De uitvoeringsregels behorend bij de wet zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr) die gelijktijdig met de Wet luchtkwaliteit in werking treden. De luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).
In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd, die betrekking hebben op het begrip NIBM. De EU heeft medio 2009 derogatie verleend waarmee het NSL inwerking is getreden. De NIBM norm is daarbij opgeschoven naar 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De norm voor fijnstof (PM10) moet in 2011 gehaald zijn en de norm voor NO2 uiterlijk 1 januari 2015. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt de bouw van 1500 woningen. Onderzoek Er is, door Antea Group, onderzoek gedaan naar de effecten van de reconstructie op de luchtkwaliteit. Het volledige onderzoek d.d. 15 december 2020 is bijgevoegd als Bijlage 8 bij de toelichting. Onderstaand zijn de belangrijkste uitkomsten beschreven.
Het toepassen van een rotonde is positief voor de doorstroming en leidt tot een afname in emissies en daarmee tot lagere concentraties luchtverontreinigende stoffen. Het verdiept
blad 61 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
aanleggen van een weg leidt tot een verminderde verspreiding van de emissies en daarmee ook tot lokaal hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen. Daarnaast zorgt de verdiepte ligging, door het ontwijken van de kruising met het spoor, ook voor een betere doorstroming, dus lagere emissies en daarmee lagere concentraties luchtverontreinigende stoffen. De snelheidsverlaging van 80 km/uur naar 50 km/uur leidt tot iets hogere emissiefactoren en daarmee tot iets hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen. De langere route voor zowel de Vijf Eiken als de Broodbaan leidt ook tot een toename in emissies en daarmee een toename in concentraties luchtverontreinigende stoffen. De negatieve effecten zullen gering zijn, omdat: 1. 2. 3. 4.
de totale lengte van de verdiepte ligging beperkt is; de Broodbaan en de Vijf Eiken wegen zijn met geringe motorvoertuigbewegingen; de omrijroutes voor beide wegen kort zijn; de emissiefactor van de NOx emissies voor licht verkeer van 0,23 g/km (bij 80 km/uur) naar 0,28 g/km (bij 50 km/uur) gering is en deze wijziging in emissiefactor maar over een beperkt wegvak geldt. Ten aanzien van de bovengenoemde argumenten kan het volgende worden geconcludeerd over de beoogde aanpak van de N631: de aanpak van de N631 zal over het algemeen leiden tot een betere doorstroming op de N631. Daarnaast zal op enkele locaties sprake zijn van langere rijroutes door afsluiting van rijmogelijkheden of door verlegging van kruisingen.
Deze effecten leiden lokaal tot een (geringe) toe- of afname van de concentraties luchtverontreinigende stoffen; uit de worst-case bepaling van de planbijdrage middels de NIBM-tool volgt dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, ter plaatse van de kruising Nassaulaan tot de N282, een bijdrage van 2,48 µg/m3 NO2 en 0,51 µg/m3 PM10 wordt bepaald; uit de NSL Monitoringstool blijkt dat in de buurt van deze locatie een concentratie van maximaal 20,4 µg/m3 NO2 en 18,5 µg/m3 PM10 wordt berekend in de huidige situatie; met bovenstaand resultaat is het aannemelijk dat het voornemen (+ achtergrondconcentraties) niet leidt tot een concentratie van luchtverontreinigende stoffen van meer dan de wettelijk vastgestelde grenswaarden (40 µg/m3 ). Conclusie Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de reconstructie een (licht) positief effect heeft op de concentraties verontreinigde stoffen. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor deze ontwikkeling.
4.5
Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het
blad 62 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rondom een risicobron. Omdat de N631 onder infrastructuur valt, hoeft de bescherming van gebruikers van deze weg, niet meegewogen te worden voor de beoordeling van de externe veiligheid. Onderzoek Door Antea Group is een onderzoek uitgevoerd in het kader van de realisatie van de nieuwe spoorwegonderdoorgang aan de hand van de Beleidsregels EV-tracébesluiten. Tevens is de wijziging van de bestemming 'Horeca' beoordeeld. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport 'EV beoordeling Planstudie N631' d.d. 3 december 2020. Het rapport is toegevoegd als Bijlage 9 bij de toelichting. Hieronder worden de conclusies beschreven. Beleidsregels EV-beoordeling Tracébesluiten Omdat er grootschalig onderhoud en aanpassing van de N631 voorgenomen is, dient het Besluit van de minister van I&M van 3 september 2014, Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten te worden meegewogen. De N631 valt niet onder de categorie 'hoofdweg' als bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet.
De oorsprong van deze beoordeling is omdat de weg niet van nationaal belang is. Mede hierdoor is het besluit niet van toepassing. De minister adviseert echter in de toelichting om het besluit ook bij wegen van een lagere orde te gebruiken. Om deze reden is getoetst aan de beleidsregels. Uit de beoordeling van de beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten blijkt dat er geen nadelige effecten zijn op gebied van externe veiligheid als gevolg van de wegaanpassing. Risicobeschouwing Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Het plangebied bevindt zich binnen 200 meter van de spoorlijn Breda – Tilburg (route 12). De maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour ten hoogte van het plangebied bedraagt 8 meter. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden vanuit het Bevt. De spoorlijn heeft een aangewezen plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Het plangebied ligt deels binnen het PAG. Indien er in de PAG wordt gebouwd, gelden er aanvullende bouwkundige vanuit de Regeling Bouwbesluit 2012. Aangezien het plangebied binnen 200 meter van de spoorlijn is gelegen, is het groepsrisico beschouwd. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisiconiveau laag is (4,0% van de oriëntatiewaarde). Het groepsrisiconiveau blijft in de toekomstige situatie gelijk. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is derhalve verplicht.
Verantwoording groepsrisico Verantwoording van het groepsrisico is zowel ten aanzien van het spoor, de snelweg als andere relevante risicobronnen in de omgeving van het plangebied verplicht. In hoofdstuk 5 van het rapport zijn elementen ter verantwoording van het groepsrisico aangedragen. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Gilze en Rijen, kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van het bestemmingsplan. De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant moet in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. blad 63 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Alarmering Gerichte risicocommunicatie met aanwezigen (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke wijze hieraan invulling kan worden gegeven. Op de website van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant staan onder 'Wat te doen bij gevaarlijke stoffen' (link) instructies over wat te doen bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Vluchtwegen Bij een dreigend incident, kan vluchten de beste optie zijn. Om goed te kunnen vluchten bij brand in het gebouw, zijn er vanuit het Bouwbesluit eisen gesteld aan de ontvluchtingsmogelijkheden. Deze voorzieningen moeten gerealiseerd worden. In geval van een (dreigend) incident aan het spoor, zijn de vluchtmogelijkheden aan de risicovolle zijde (afhankelijk van de incidentlocatie) niet geschikt om te kunnen vluchten. Het is daarom belangrijk dat de vluchtcapaciteit aan deze zijde te compenseren met extra vluchtmogelijkheden aan de risicoluwe zijde.
Bouwtechnische veiligheidsmaatregelen Aangezien het plangebied deels gelegen is binnen het plasbrandaandachtsgebied, kunnen er aanvullende bouwkundige eisen worden gesteld voor het bouwen van het object. Deze aanvullende eisen zijn alleen van toepassing als het te bouwen object binnen de PAG wordt gebouwd. De aanvullende eisen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een brandwerende gevel van ten minste 60 minuten. Het toepassen van deze eis is een relatief dure oplossing om aan de eis te voldoen. Er kan voor worden gekozen om het object buiten de PAG te realiseren. Het Bouwbesluit geeft tevens ruimte om een gelijkwaardige oplossing toe te passen waardoor deze aanvullende eis ten aanzien van de brandwerendheid van de gevels niet gerealiseerd hoeft te worden. Een calamiteit met gevaarlijke stoffen bij één van de risicobronnen zal vrijwel direct worden opgemerkt door de directe omgeving. Personen in de omgeving zijn daarbij direct gealarmeerd. Vervolgens dienen de interne vluchtwegen in het gebouw zodanig gesitueerd te zijn dat het mogelijk is het gebied aan de risicoluwe zijde te ontvluchten. Hierbij dienen personen (bijvoorbeeld BHV'ers) zodanig geïnstrueerd te worden dat zij de calamiteit herkennen (als een calamiteit met gevaarlijke stoffen) en het juiste handelingsperspectief kiezen.
Het is aanbevelingswaardig om het ontruimingsplan van het gebouw uit te breiden met een paragraaf externe veiligheid waarin de omgang met externe veiligheidsscenario's staat beschreven. Beperkt zelfredzame personen De beoogde ontwikkeling richt zich niet specifiek op niet (of beperkt) zelfredzame personen. Daarom zal er niet worden ingegaan op de zelfredzaamheid van beperkt of niet zelfredzame personen. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een koude BLEVE-scenario Een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf. Hierdoor is er geen tijd om te vluchten. Dit betekent dat alle personen in het plangebied slachtoffer worden. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een gifwolk In het geval van een gifwolk dient men te schuilen in een gebouw en de ramen en deuren blad 64 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
gesloten te houden en indien mogelijk de mechanische ventilatie uit te zetten. De tijd die beschikbaar is voor het op de hoogte stellen van de aanwezigen, is onder meer afhankelijk van de locatie van het incident en lokale meteorologische omstandigheden. Gebouwen kunnen geschikt worden gemaakt als schuillocatie. De geschiktheid als schuillocatie kan worden verhoogd wanneer mechanische ventilatie voorzien wordt van een (centraal bediende) noodschakelaar. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn. Deze maatregel is niet direct te borgen in de ruimtelijke procedure. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit een verplichte maatregel conform het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een (ramp)scenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario's vragen alle een ander aanvalsstrategie. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied en infrastructuur (opstelplaatsen). Relevant is dat het gebied goed met de toekomstige ontwikkeling goed bereikbaar wordt en blijft. Belangrijke wegen zijn in ieder geval de N631 en de toegangswegen tot het gebied.
Plasbrandscenario Een plasbrandscenario is een relatief traag scenario. Hierdoor kan de brandweer de brand in een vroeg stadium gaan bestrijden. Een plasbrand is dan goed te bestrijden, daarnaast kunnen objecten in de directe omgeving worden gekoeld. Door het tijdig arriveren van de brandweer wordt voorkomen dat het vuur zich snel kan uitbreiden en kan overslaan op gebouwen. BLEVE-scenario Het ontstaan van een koude BLEVE is niet te bestrijden, omdat de tank meteen explodeert. De branden die door de explosie in de directe omgeving kunnen ontstaan, kunnen wel bestreden worden. Ten aanzien van een warme-BLEVE is bestrijdbaarheid sterk verbeterd dankzij de maatregelen uit de Safety Deal (hittewerende bekleding). Doordat alle Nederlandse LPG tankwagens zijn voorzien van een hittewerende coating/bekleding wordt een warme BLEVE bij LPG-tankwagens gedurende ten minste 75 minuten voorkomen. De brandweer is daardoor in staat de tank tijdig te koelen waardoor BLEVE kan worden voorkomen als zijn tijdig is gearriveerd. Gifwolk Een gifwolk is lastig te bestrijden. In sommige gevallen is het mogelijk om een gifwolk te verdunnen en mogelijk neer te slaan met een watergordijn. Buisleidingen Ter plaatse van het tracé, ten noorden van het spoor, ligt een gasleiding. Het betreft een loze gasleiding, die niet meer in gebruik is.
In overleg met de beheerder van de gasleiding (gasunie) wordt momenteel gesproken over de consequenties van de aanleg van de tunnel voor de gasleiding. De loze gasleiding kan komen te vervallen en is daarom niet op de verbeelding opgenomen. Advies In het kader van het vooroverleg in het kader van artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan en de onderhavige paragraaf externe veiligheid verzonden aan de Brandweer Midden- en West-Brabant. Op 8 oktober 2020 heeft de Brandweer Midden- en West-Brabant aangegeven geen aanleiding te zien tot het maken van blad 65 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
aanvullende opmerkingen. Conclusie In de omgeving van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor. De reconstructie van de N631 zorgt echter niet voor een verhoging van het plaatsgebonden- of groepsrisico.
4.6
Waterhuishouding Algemeen De waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten worden verantwoord in de watertoets. M.b.v. van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijk beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de ontwikkelingen wordt gezocht naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. Hierbij dienen de volgende stappen te worden doorlopen: m.b.t. waterkwantiteit, hergebruik, vasthouden, berging, afvoer; m.b.t. waterkwaliteit schoonhouden, scheiden, zuiveren. Uitgangspunten omgang met afstromend hemelwater De planlocatie valt binnen het beheersgebied van waterschap Brabantse Delta. Ook voor Brabantse Delta is “hydrologisch neutraal ontwikkelen” speerpunt bij de ruimtelijke plannen in haar beheersgebied. Het waterschap heeft een beleidsnota vastgesteld met uitgangspunten m.b.t. de watertoets. Hierin staan de volgende principes centraal: wateroverlastvrij bestemmen; gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; doorlopen van de afwegingsstappen: hergebruik, infiltratie, buffering, afvoer; hydrologisch neutraal bouwen; water als kans; meervoudig ruimte gebruik; voorkomen van vervuiling; rekening houden met waterschapsbelangen. Deze principes liggen in lijn met het landelijk beleid t.a.v. de watertoets.
Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Onderzoek Er is, in het kader van het bestemmingsplan, een watertoets uitgevoerd. Het volledige onderzoek d.d. 7 december 2020 is bijgevoegd als bijlage 10. Onderstaand zijn de resultaten van de watertoets beschreven. Bodemopbouw Volgens het REGIS IIv2.2. bestaat de bodem vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 15 meter uit zandlagen afkomstig van de Formaties van Boxtel en daaronder Sterksel. Langs het tracé zijn een aantal boringen in het DINOloket opgenomen. De boorprofielen bevestigen het beeld uit het REGIS en vanaf het maaiveld wordt tot een diepte van 4 tot 7 meter zand aangetroffen. Ter plaatse van de kruising met de spoorlijn is op een diepte van 5 meter beneden maaiveld een kleilaag van 1,5 dik aangetroffen. Hier dient bij het ontwerp van de spoortunnel rekening mee gehouden te worden. Grondwater
blad 66 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
Met behulp van de tool grondwatertools.nl zijn isohypsen van het eerste watervoerend pakket gegenereerd. Hieruit blijkt dat de regionale grondwaterstroming in noord westelijke richting loopt maar dat over het tracé slechts een zeer beperkt verhang aanwezig is. Ten zuiden van de spoorlijn neemt het verhang echter sterk toe. Voor de spoortunnel dient rekening gehouden te worden met een verhang in noord westelijke richting. De diepte van het grondwater bevindt zich op meer dan 3 meter (circa 4 meter) beneden maaiveld. De fluctuatie van de grondwaterstand bedraagt circa 70 cm. Dit kan verklaard worden door neerslag en verdamping. Watergangen Er zijn geen watergangen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Er liggen wel greppels aan weerzijden van de weg. Deze greppels hebben echter geen formele status. Afwatering De afwatering vindt plaats onder maaiveld richting de bermen en naastgelegen greppels, waar het water naar de bodem infiltreert. Effecten op de waterhuishouding Waterkwantiteit Als gevolg van de herinrichting neemt het verhard oppervlak toe. Het afstromende water stroomt af op de naastgelegen bermen en greppels. Daar zakt het afstromende water richting de bodem. Aan weerszijden van de weg liggen brede onverharde bermen. Tussen de weg en de naastgelegen percelen wordt een infiltratiegreppel gelegd om afstroom naar belendende percelen te voorkomen.
Het afstromende water veroorzaakt daarom geen wateroverlast op naastgelegen percelen. Versnelde afvoer richting het oppervlaktewater vindt niet plaats. Ter plaatse van de spooronderdoorgang wordt een tunnel aangelegd. Om wateroverlast in de tunnel te voorkomen wordt de tunnel waterdicht aangelegd. Het afstromende hemelwater dat in de tunnel valt wordt door een pomp afgevoerd. Het is niet wenselijk om dit water af te pompen naar het stelsel in de Nassaulaan. Hier ligt een gemengd stelsel met een beperkte capaciteit (diameter van 300 mm). Het afpompen van circa 5.700 m² verhard oppervlak naar dit stelsel brengt te grote risico’s met zich mee en past bovendien ook niet binnen het afkoppelbeleid van de gemeente Gilze en Rijen. Op basis van de compensatie eis van het waterschap is een bergende voorziening noodzakelijk van 5.700*1*0,06 =342 m³. De gemiddeld hoogste grondwaterstand ligt op meer dan 3 meter beneden maaiveld. Dit betekent dat een bergende voorziening met een grotere diepte kan worden aangelegd. De ondergrond bestaat bovendien uit goed doorlatende zandgrond, waardoor een extra noodoverloop niet noodzakelijk wordt geacht. Bij het ontwerp van de bergende voorziening moet er rekening gehouden mee worden dat deze onderhoudbaar en veilig is. Bij een te grote diepte zal de voorziening moeten worden afgeschermd om te voorkomen dat kinderen in de voorziening vallen.
De bergende voorziening wordt in de zuidoostelijke hoek tussen de Broodbaan en de Oosterhoutseweg (N631) gelegd. De locatie van de bergende voorziening is weergegeven in figuur 4.2. In deze hoek is voldoende ruimte aanwezig om een wadi te realiseren met een inhoud van 342 m³, zonder dat deze erg diep hoeft te worden. De infiltratie voorziening valt daarmee buiten de boringsvrije zone. De infiltratie voorziening ligt nog wel in een beschermd gebied waterhuishouding. Doordat de projectlocatie ingesloten is door beschermde gebieden waterhuishouding is het echter niet mogelijk om de infiltratie voorziening buiten de beschermde gebieden te leggen. Bij de aanleg zal daarom voldoende aandacht moeten worden besteed aan de toplaag in de infiltratie voorziening. Deze moet voldoende organische stof bevatten om eventuele verontreinigingen te kunnen binden. Daardoor wordt voorkomen dat vervuiling verder in de bodem infiltreert en het grondwater blad 67 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
kan bereiken.
Figuur 4.3 Locatie bergende voorziening (kaart groenplan bosherstel) Voor de aanleg van de tunnelconstructie zal te zijner tijd naar verwachting wel een grondwateronttrekking noodzakelijk zijn. Naar verwachting zal de onttrekking vergunningsplichtig zijn. Met het waterschap is al afgesproken dat de onttrokken hoeveelheid grondwater in de bodem wordt teruggebracht. Waterkwaliteit In de huidige situatie stroomt al het regenwater van de weg en de fietspaden in de bermen en infiltreert in de bodem. Het afstromende water van de fietspaden en de weg kan als relatief schoon worden bestempeld. Doordat het water via een berm of greppel of via de bergende voorziening in de bodem infiltreert vindt een zuiverende trap plaats. Verontreiniging van het oppervlaktewater of grondwater wordt niet voorzien. Beheer en onderhoud In het kader van de ontwikkeling worden geen nieuwe waterhuishoudkundige assets aangelegd die in beheer en onderhoud van het waterschap komen. De bermen, greppels en infiltratievoorziening worden door de wegbeheerder onderhouden. Advies In het kader van het vooroverleg in het kader van artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan en de onderhavige waterparagraaf verzonden aan het Waterschap Brabantse Delta.
Op 16 oktober 2020 heeft het Waterschap Brabantse Delta een positief wateradvies uitgebracht, aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan. Het waterschap heeft in haar vooroverlegreactie enkele aandachtspunten meegegeven op de watertoets en waterparagraaf. De waterparagraaf is aan de hand van dit wateradvies aangevuld.
blad 68 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
Conclusie De herinrichting van de weg heeft geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding in het projectgebied. Op basis van de waterhuishouding zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. De waterparagraaf wordt in het kader van het vooroverleg ter goedkeuring voorgelegd aan het Waterschap.
4.7
Ecologie Algemeen Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijk ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. In de Natuurtoets wordt niet ingegaan op de Boswet. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het NNB. De bescherming van het NNB verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Deze paragraaf beschrijft de in en rond het plangebied aanwezige natuurwaarden met bijzondere aandacht voor de dier(- en plant)soorten die een beschermde status genieten ingevolge de Wnb. De beschrijving is gebaseerd op de natuurtoets van 17 december 2020, bijgevoegd als Bijlage 11 bij de toelichting. Het onderzoeksgebied bestaat uit het plangebied en de directe omgeving, tot zover de ontwikkeling mogelijk effect heeft op de te beschermen waarden. Onderzoek Er is een natuurtoets uitgevoerd om te onderzoeken of het plan uitvoerbaar is vanuit de geldende natuurwetgeving. Hierop wordt onderstaand ingegaan.
Beschermde gebieden Het plangebied overlapt op enkele locaties met het Natuurnetwerk Brabant. De aanpassingen ter plaatse van het spoor leiden tot ruimtebeslag binnen het NNB. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen permanent aantasting in de toekomstige situatie (0,092 ha) en de tijdelijke aantasting in verband met werkterreinen en tijdelijke omleiding (0,52 ha). Echter voor zowel het tijdelijke als het permanente ruimtebeslag is herbegrenzing van het NNB noodzakelijk. Uit de Nee-tenzij afweging blijkt dat herbegrenzing mogelijk is. Ook de tijdelijke omleiding wordt in het bestemmingsplan vastgelegd, waarbij de mogelijkheid wordt opgenomen dat na afronding van de werkzaamheden op deze locatie weer NNB kan worden ontwikkeld. Al het ruimtebeslag vindt plaats in het beheertype ‘Droog bos met productie (N16.03)’ met een ontwikkeltijd in de categorie 25-100 jaar. Voor de compensatie van dit bostype geldt een kwaliteitstoeslag van 2/3 (67%). Hoewel bij de tijdelijke aantastingen het bestaande oppervlak weer wordt teruggebracht is ook hier gerekend met de toeslag. Hiermee komt de totale compensatieopgave op 1,02 hectare. De invulling van de compensatie is uitgewerkt in een compensatieplan en opgenomen in Bijlage 12. In tabel 4.4 is een overzicht gegeven van het ruimtebeslag en daaruit voorkomende compensatie. Tabel 4.4. Overzicht aantasting NNB en benodigde compensatie
blad 69 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
Binnen de invloedsfeer van het voornemen is geen Natura 2000-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse Bos en bevindt zich op een afstand van circa 6,7 kilometer van het plangebied. Directe effecten op Natura 2000-gebied kunnen op voorhand uitgesloten worden. In tabel 4.5 is een overzicht gegeven van de conclusies ten aanzien van gebiedsbescherming. Tabel 4.5. Overzicht conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming
Stikstofdepositie Wel kan er, door een mogelijke toename aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, sprake zijn van indirecte effecten op beschermde gebieden. In dit kader is er een stikstofberekening uitgevoerd door Antea Group. De resultaten van de berekening zijn opgenomen in de rapportage 'Stikstofdepositie-onderzoek N631 spooronderdoorgang en weginfra' d.d. 15 december 2020. De rapportage is opgenomen als Bijlage 13 bij de toelichting. Uit de met AERIUS Calculator en AERIUS Connect uitgevoerde berekeningen blijkt dat er als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden geen sprake is van een toename van meer dan 0,00 mol/ha/jaar van de stikstofdepositie. Een uitgangspunt hierbij is dat alle mobiele werktuigen van STAGE klasse IV of hoger zijn. Het aspect stikstofdepositie vormt dan ook geen belemmering in de verdere besluitvorming. Tijdelijk werkterrein ProRail Voor de realisatie van de spooronderdoorgang dient ten oosten van de weg een stuk bos te worden gerooid voor een bouwplaats. Ten westen van de weg dient een stuk bos te worden gerooid voor een tijdelijke wegomlegging. Na realisatie van de spooronderdoorgang worden beide bospercelen opnieuw ingeplant. Om een beeld te geven hoe de situatie, na beplanting van de percelen, eruit komt te zien is door Antea Group een groenplan opgesteld. Dit groenplan is beschreven in de memo 'Groenplan Bosherstel' d.d. 11 december 2020.
De memo is opgenomen in Bijlage 14 bij deze toelichting. In het groenplan is een beschrijving opgenomen van het bosherstel. In figuur 4.4 is de tekening van het groenplan ter hoogte van het tijdelijk werkterrein van ProRail weergegeven.
blad 70 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
Figuur 4.4 Uitsnede kaart groenplan bosherstel ter hoogte van het tijdelijk werkterrein. Compensatieplan In situaties van aantasting en compensatie van natuur neemt de provincie Noord-Brabant de ontwikkeltijd van de aangetaste natuur als basis voor de bepaling van de compensatieoppervlakte. In de Interim Omgevingsverordening is bepaald dat afhankelijk van de ontwikkeltijd een toeslagfactor wordt gehanteerd, zoals aangegeven in onderstaande tabel 4.6 (artikel 3.22 lid 2 van de Interim Omgevingsverordening) Tabel 4.6. Toeslagfactoren voor natuurbeheertypes met verschillende ontwikkeltijden
Vanuit de aanleiding van de compensatieopgave, namelijk het rooien van bos ten behoeve van de nieuwe inrichting en ten behoeve van tijdelijke voorzieningen, betreft de oppervlakte 'houtopstanden' die permanent verloren gaat 922 m2 . De totale compensatieopgave van 1,02 hectare. De wijze van compensatie is opgenomen in de memo Natuurcompensatie. en is als Bijlage 12 bij de toelichting opgenomen. Beschermde soorten Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: algemene broedvogels; vogels met een jaarrond beschermd nest [buizerd, havik, ransuil, sperwer, gierzwaluw huismus]; kleine marterachtigen [bunzing, wezel]; blad 71 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
vleermuizen; levendbarende hagedis; diverse planten. In Tabel 4.7 is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende plan. Aangegeven is of een nader onderzoek nodig is, of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming, of dit middels maatregelen voorkomen kan worden en of bij de uitvoering van het plan een ontheffing nodig is. Tabel 4.7. Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming.
Vanwege de beoogde sloop van een deel van het pand van eetcafé 'De Vijf Eiken' dient er voor een tweetal soorten (gierzwaluw en huismus) nog nader onderzoek te worden uitgevoerd.
blad 72 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. In het tekstkader in Bijlage 1 van het rapport staat het wetsartikel uitgeschreven. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Bescherming van houtopstanden Alle houtopstanden in de aangrenzende bospercelen langs de N631 en de wegbeplanting langs de N631 die zijn gelegen buiten de bebouwde kom van Rijen vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming. Bomenrijen die zijn gelegen binnen de grens van de bebouwde kom zijn niet beschermd in de Wet natuurbescherming. Binnen het plangebied betreft het bomen langs de Nassaulaan en de N631. Als gevolg van het voornemen gaat 0,61 ha NNB, deels tijdelijk, verloren. Het NNB op deze locaties betreft beheertype ‘Droog bos met productie N16.03)’ en valt onder de bescherming van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Naast deze houtopstanden gaan ter hoogte van de Sportparkweg, maar in de berm van de N631 circa 10 bomen verloren. Ook deze bomen vallen onder de bescherming van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Voorafgaand aan het rooien dient een kapmelding gedaan te worden en dienen de bomen te worden herplant.
Dit houdt in dat minimaal een maand voorafgaand aan de kap een melding wordt gedaan bij het bevoegd gezag; herplant dient binnen 3 jaar na de kap plaats te vinden. De herplant van de bomen kan worden gecombineerd met de realisatie van de compensatieopgave vanuit het NNB. De bospercelen die niet als NNB zijn geregistreerd (bos in eigendom van Defensie) worden na afronding van de werkzaamheden weer opnieuw als bos ingericht. Deze herplant is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in het bestemmingsplan. Daarmee wordt voor deze percelen tevens voldaan aan de herplantplicht vanuit de Wet natuurbescherming – bescherming van houtopstanden. Conclusie Er dient nog nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de gierzwaluw en huismus vanwege de voorgenomen sloop van Eetcafé 'De Vijf Eiken'. Indien sprake blijkt van aanwezigheid van deze soorten in de bebouwing dan moet daarvoor ontheffing Wnb worden aangevraagd en compenserende voorzieningen worden gerealiseerd. Voor het overige geldt dat mits uitvoering wordt gegeven aan de gestelde voorwaarden het aspect ecologie verder geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
4.8
Cultuurhistorie Algemeen Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op
blad 73 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart zijn waardevolle vlakken Onderzoek Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat er ter plaatse van onderhavig plangebied geen cultuurhistorische waarden gelegen zijn die middels de Verordening Ruimte beschermd worden ("Cultuurhistorisch complex" of "Cultuurhistorisch vlak"). De herinrichting heeft dan ook geen negatieve uitwerking op die waarden. Op figuur 4.5 is een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart weergegeven.
blad 74 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
Figuur 4.5 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (plangebied gestippeld weergegeven) Wel zijn er enkele cultuurhistorische waardevolle elementen in (de nabijheid van) het plangebied gelegen, te weten: Gemeentelijk monument de Vijf Eiken; Monumentale zomerlinde nabij monument de Vijf Eiken; Waardevolle lijnstructuur Oosterhoutseweg/N631 (hoge waarde); Waardevolle lijnstructuur spoorbaan (redelijk hoge waarde); Waardevolle lijnstructuur Pastoor Gillisstraat - Vijf Eiken (redelijk hoge waarde). Gemeentelijk monument de Vijf Eiken Het gemeentelijk monument de Vijf Eiken betreft het Eetcafé De Vijf Eiken aan de Oosterhoutseweg 55. Het betreft een object van de traditioneel Delftse Schoolstijl. Het object staat geheel vrij, met de lange zijde langs de Oosterhoutseweg. Het object telt twee delen (oude woning en café) , beide van een bouwlaag met een zolderverdieping onder een zadeldak, belegd met rode Hollandse pannen. In Bijlage 15 is een uitgebreide beschrijving van het gemeentelijk monument Eetcafé De Vijf Eiken opgenomen. Er zijn, om de aansluiting van de Vijf Eiken op de rotonde Nassaulaan te kunnen maken, gronden aangekocht. Het gemeentelijke monument Eetcafé De Vijf Eiken zal in de toekomstige situatie gehandhaafd blijven en blijft zijn functie behouden.
Monumentale zomerlinde nabij monument de Vijf Eiken Ter plaatse van het monument de Vijf Eiken is een monumentale boom aanwezig. Deze monumentale zomerlinde blijft, net als het monumentale pand, behouden in de toekomstige situatie. Het is echter niet uit te sluiten dat de ontwikkelingen en werkzaamheden effect hebben op de monumentale boom. Derhalve is besloten een boomeffectanalyse (BEA) uit te laten voeren voor de betreffende boom. Het volledige onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 16. Uit de analyse is gebleken dat er een bedreiging ontstaat tijdens de uitvoeringsfase, indien geen aanvullende maatregelen getroffen worden. Wanneer deze maatregelen wel getroffen worden, kan het effect van de uitvoeringsfase op de boom beperkt worden. Doordat de linde een hoog regeneratievermogen heeft, is (mits gekozen wordt voor een boomvriendelijke inrichting) het duurzaam behoud van de boom in de toekomstige situatie mogelijk. De BEA is nader beschreven in paragraaf 4.11. Waardevolle lijnstructuren Er blad 75 van 104
is
een
drietal
lijnstructuren
aangewezen
Ruimte - Antea Nederland B.V.
als
waardevol.
De lijnstructuur
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
Oosterhoutseweg/ N631 kent een hoge historisch geografische waarde. De aanleg van een onderdoorgang onder het spoor leidt niet tot een verslechtering van de herkenbaarheid van de weg als historische structuur. Functioneel wijzigt er niets. De lijnstructuren Spoorbaan en Pastoor Gillisstraat - Vijf Eiken hebben een redelijk hoge waarde. De structuur Spoorbaan wordt niet gewijzigd in de toekomstige situatie. De structuur Pastoor Gillisstraat - Vijf Eiken is in de huidige situatie onderbroken, als gevolg van een opwaardering van de N631 in het verleden. In de toekomstige situatie wordt de Pastoor Gillisstraat doorgetrokken tot de N631 als fietspad, waardoor de lijnstructuur hersteld wordt. Conclusie Het gemeentelijke monument, de monumentale Linde en de lijnstructuren blijven behouden in de toekomstige situatie. Vanuit het aspect cultuurhistorie bestaan derhalve geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling van het plangebied.
4.9
Archeologie Beleid Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Derhalve heeft de raad van de gemeente Gilze en Rijen op 26 april 2011 het 'Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg, gemeente Gilze en Rijen' vastgesteld. In het beleidsplan onderscheidt de gemeente een 7-tal verwachtingen, variërend van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek. In figuur 4.6 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart te zien, waarop het plangebied is weergegeven. Onderzoek Op de Archeologische beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen is zichtbaar dat een deel van het plangebied een hoge verwachtingswaarde heeft (Historische kern). Daarnaast kent het plangebied een middelhoge archeologische verwachting en een lage archeologische verwachting.
blad 76 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
Figuur 4.6 Archeologische beleidskaart Door Antea Group is een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in het rapport 'bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen Spoorkruising door middel van spoortunnel N631 te Rijen' d.d. 16 december 2020. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 17 bij de toelichting. Hierna wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek. Bureauonderzoek Het plangebied valt grotendeels binnen het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Gilze en Rijen. Enkel op het zuidelijke deel van het plangebied geldt een dubbelbestemming waarde – archeologie met vergunningsplicht vanaf 100 m² en 0,4 m -mv. Dit is in tegenspraak met de archeologische beleidskaart van de gemeente waarop ook een deel ten noorden hiervan in een zone met hoge archeologische verwachting ligt, namelijk een historische kern (categorie 3). Voor deze categorie geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen vanaf 250 m² en 0,4 m -mv. Het zuidelijke deel van het plangebied valt in een zone met middelhoge archeologische verwachting. Hiervoor geldt vergunningsplicht bij bodemingrepen vanaf 2500 m² en 0,4 m -mv. Enkel de spoorwegbedding heeft geen archeologische verwachting.
De Nassaulaan en de Pastoor Gillisstraat vallen binnen vigerende bestemmingsplan 'Woongebied Rijen' waarvoor een dubbelbestemming waarde archeologie 3 opgenomen is, gebaseerd op dezelfde categorie 3 van de gemeentelijke beleidskaart, en met dezelfde vrijstellingsgrenzen. De geplande bodemingrepen overschrijden de vrijstellingsgrenzen. Archeologische verwachting
blad 77 van 104
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan N631 onderdoorgang spoor Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 420651
In theorie kunnen vanwege de ligging in een dekzandgebied in het plangebied resten vanaf de steentijd tot en met de nieuwe tijd verwacht worden. Onder invloed van verstuiving van het dekzand kunnen in delen van het landschap de bodemprofielen verstoord zijn tot in de C-horizont. Het is echter ook mogelijk dat onder invloed van diezelfde verstuiving andere delen van het landschap bedekt zijn door een – beschermend – pakket verstoven dekzand. De verwachting is dat resten uit de steentijd waarschijnlijk reeds verstoord zijn bij de ontginning van het gebied, hoewel deze op locaties met een beschermend dekzandpakket nog bewaard kunnen zijn. Steentijdvindplaatsen en nederzettingen uit de late prehistorie kunnen ook in de lagere delen van het landschap verwacht worden. Het voorkomen van veldpodzolgronden in het noordelijke deel van het plangebied doet echter vermoeden dat het terrein hier te nat was voor bewoning. In de lagere delen van de het landschap, ter hoogte van het noordelijke deel van het plangebied, geldt ook een lage verwachting op resten uit latere periodes. De verwachting op archeologische resten uit latere periodes in het zuidelijke deel van het plangebied, is middelhoog, hoewel deze eerder op de iets hogere, zuidelijker gelegen delen van het landschap verwacht worden.
Bij het restaurant de Vijf Eiken staat op historische kaarten vanaf de nieuwe tijd bebouwing aangegeven. Het is niet uit te sluiten dat hier ook in de (late) middeleeuwen reeds bewoning plaats gevonden heeft. In het verleden zijn hier reeds resten van de bebouwing uit de nieuwe tijd aangetroffen en het kan dan ook niet uitgesloten worden dat hiervan nog meer resten aangetroffen worden. Onduidelijk is hoe na de explosie in 1943 het opruimen en de herbouw heeft plaatsgevonden. Niet bekend is of bebouwing tot in de fundering gesloopt is en vervolgens compleet opnieuw is opgetrokken. Alternatief kan men ook het terrein hebben opgeruimd en op de bestaande funderingen terug hebben gebouwd. Aangezien de werkzaamheden grotendeels plaats vinden in het reeds verstoorde wegcunet is de verwachting dat hierbij archeologische resten aangetroffen zullen worden klein. Enkel op de locaties waar werkzaamheden buiten of dieper dan het huidige wegcunet gepland zijn, blijft de verwachting behouden. Dit is voornamelijk het geval bij de werkzaamheden in het kader van de aanleg van de geplande spoorwegtunnel, de nieuwe wadi en de voorlopige omleidingsweg. Advies In de lagere delen van de het landschap, ter hoogte van het noordelijke deel van het plangebied, geldt een lage verwachting.
Derhalve is de kans dat bij het verbreden van het fietspad, waarbij op enkele kleine locaties de bodem verstoord wordt buiten het bestaande cunet, archeologische resten verstoord worden klein. Het noordelijke deel van het plangebied kan bijgevolg worden vrijgegeven zonder archeologisch vervolgonderzoek. Bij de aanleg van de voorlopige omleidingsweg, de nieuwe aansluiting van de Broodbaan, de geplande wadi en het toekomstige werkterrein kan niet uitgesloten worden dat archeologische resten aangetroffen worden. Derhalve adviseert Antea Group om, op basis van de nu bekende omvang van de bodemingrepen, bovengenoemde zones, door middel van boringen te onderzoeken om beter te kunnen inschatten hoe de bodemopbouw in het gebied is. Dit om in te kunnen schatten of archeologische waarden verwacht mogen worden dan wel aanwezig zijn. Hoewel bij de aanleg van de tijdelijke bouwplaats geen graafwerkzaamheden gepland zijn, kan deze locatie gelijktijdig onderzocht worden, zodat reeds in deze fase kan worden bepaald of bij de heraanplant van het bos rekening dient gehouden te worden met de aanwezigheid van (intacte) archeologische waarden. Op basis van de resultaten van de boringen en het daarmee verkregen concrete inzicht in de bodemopbouw ter plaatse kan vervolgens een archeologisch vervolgonderzoek aan de orde zijn. blad 78 van 104