CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

9. Bijlage 05 Projectgebonden risicoanalyse

Gemeenteraad 26 januari 2026, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Bopa Mary Zeldenrustlaan 18 Rijen (Praxis locatie)18.693 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Bij scherfwerking (fragmentatie) wordt onderscheid gemaakt in primaire scherven (scherven van het bomlichaam) en secundaire scherven (door de detonatie weggeslingerd puin, glasscherven, etc.). Bij een detonatie kan diverse infrastructuur en bebouwing binnen de zogenaamde schervengevarenzone liggen. De schervengevarenzone is het gebied rond de ligplaats van het NGE, waarbij een eventuele explosie gerede kans bestaat dat men door scherven van NGE of secundaire scherven van bijvoorbeeld puin en glas (dodelijk) wordt getroffen. De schervengevarenzone van een 1.000 lb. AN-M65 vliegtuigbom (het grootst mogelijk achtergebleven type NGE) bedraagt 3050 m. Luchtdrukwerking Luchtdrukwerking ontstaat doordat de springstof bij een detonatie in zeer korte tijd wordt omgezet in een groot volume gasvormige reactieproducten. Bij de detonatie van 1 gram springstof ontstaat circa 1 liter aan gas. Luchtdruk kan een dodelijk effect op het menselijk lichaam hebben en kan in de directe omgeving van het detonatiepunt constructies laten instorten en tot op grote afstand ruiten laten springen. Door luchtdrukwerking treedt, afhankelijk van de diepteligging van NGE, kratervorming aan het maaiveld op. Indien een explosief te diep ligt om een krater te vormen, wordt door de luchtdruk het omringende bodemmateriaal samengedrukt. Hierdoor ontstaat een zogenaamde camouflet (gaszak).

Schokgolf Een schokgolf is een heftige versnelling die ontstaat bij een detonatie en die zich voortplant door de omringende materie (water en/of bodem). Hoe groter de dichtheid van deze materie, hoe verder de schokgolf zich zal voortplanten. Hierdoor kunnen tot op grote afstand leidingen, fundamenten, enz. worden vernield of beschadigd. Hitte Een deel van de vrijgekomen energie bij een detonatie wordt omgezet in warmte. Op het springpunt komen gassen vrij met een zeer hoge temperatuur die kan oplopen tot 4.000°C. Dit kan resulteren in verbranding of brand.

75309/ RO-240161 versie 1.1

CR PRA-NGE Mary Zeldenrustlaan 18-20

Pagina 66 van 73

Overige uitwerkingsverschijnselen NGE kunnen ook andere uitwerkingsverschijnselen hebben. De voorkomende effecten worden in deze paragraaf beschreven. Uitstoting NGE kunnen voorzien zijn van een explosief uitstotend mechanisme waar grote kracht achter zit. Een voorbeeld hiervan zijn mortiermijnen, een clusterbom of licht- en rookgranaten. Gevormde lading NGE kunnen voorzien zijn van een holle lading of een snijlading (en sporadisch een ponslading). Naast de effecten die optreden bij de detonatie van de springstof, is de extra grote invloedsfeer een gevaar voor de omgeving in voornamelijk de richting van de uitwerking van een gevormde lading Pyrotechnische lading Pyrotechnische mengsels (of sassen) worden voornamelijk gebruikt voor speciale effecten, zoals (gekleurd/fel) licht, (gekleurde) rook, gas, warmte of een combinatie. Gevaren bij uitwerking zijn verbranding, vergiftiging en verstikking. Pyrofore stoffen Zelfontbrandende stoffen zoals fosfor, nevelzuur en calciumfosfide komen tot zelfontbranding door zuurstof, vocht of water. Gevaren bij uitwerking zijn voornamelijk verbranding, vergiftiging en verstikking.

75309/ RO-240161 versie 1.1

CR PRA-NGE Mary Zeldenrustlaan 18-20

Pagina 67 van 73

BIJLAGE 8

PROTOCOL ‘SPONTAAN AANTREFFEN VAN NGE’

Omdat vastgesteld is dat binnen de projectlocatie diverse plaatsen aanwezig zijn waar de bodem naoorlogs is geroerd, bestaat een verlaagde kans dat NGE onopgemerkt zijn achtergebleven of teruggestort in deze naoorlogs geroerde grond. Hoewel hiervoor geen concrete aanwijzingen zijn, wordt geadviseerd om personeel dat betrokken is bij de grondroerende werkzaamheden op het project te voorzien van het protocol ‘Spontaan aantreffen van NGE’ ook als zij uitsluitend werken in naoorlogs geroerde bodem. Indien onverhoopt toch een verdacht voorwerp wordt aangetroffen, waarvan vermoed wordt dat het om een munitieartikel gaat, dient dit protocol gevolgd te worden: • • • • •

ook bij twijfel: raak het verdachte voorwerp niet meer aan; leg het werk ter plaatse van de vindplaats stil; neem afstand en houd de omgeving vrij van werknemers en toeschouwers; neem contact op met de politie (0900-8844) en meldt de vondst van mogelijke NGE; bel bij een noodsituatie 112.

Om op een correcte wijze om te kunnen gaan met het protocol ‘Spontaan aantreffen van NGE’ en om een inschatting te kunnen maken of men met mogelijke NGE te maken heeft, bestaat de mogelijkheid om werknemers de cursus ‘Basiskennis NGE’ te laten volgen. Tevens kan altijd contact worden opgenomen met REASeuro indien aanvullende informatie gewenst is over het protocol.

75309/ RO-240161 versie 1.1

CR PRA-NGE Mary Zeldenrustlaan 18-20

Pagina 68 van 73

BIJLAGE 9

DETECTIEMETHODEN

Onder detecteren wordt verstaan: “het vaststellen van de aanwezigheid van (mogelijke) NGE door het, met behulp van detectieapparatuur, uitvoeren van een meting en de beoordeling van de meetgegevens”. In deze bijlage wordt op hoofdlijnen uitleg gegeven aan en ingegaan op de toepasbaarheid van verschillende detectiemethoden. Op basis van het zoekdoel, de locatiespecifieke omstandigheden en de toepasbaarheid van de detectiemethoden is in deze risicoanalyse een maatwerk advies uitgewerkt voor het NGE-bodemonderzoek. Passieve of actieve detectie Bij detectie wordt onderscheid gemaakt tussen passieve en actieve detectie. In deze paragraaf wordt het verschil tussen de beide detectiemethoden uitgelegd. Passieve detectie Voor passieve detectie wordt over het algemeen gebruik gemaakt van een magnetometer. Deze detector zendt zelf geen signaal uit, daarom wordt het passieve detectie genoemd. Een magnetometer meet verstoringen van het aardmagnetisch veld. Verstoringen van het aardmagnetisch veld worden veroorzaakt door de aanwezigheid van ferro-houdende objecten. Met passieve detectie kunnen geen non-ferro NGE (zoals messing hulzen) worden opgespoord. In homogeen samengestelde bodems zonder ferromagnetische verstoringen kunnen grote ferrohoudende objecten (zoals grote kalibers vliegtuigbommen) op relatief grotere diepten worden gemeten.

Omdat een magnetometer erg gevoelig is, hebben ondiep gelegen verstoringen in het opsporingsgebied, zoals puin, sintels, (restanten van) funderingen en kabels en leidingen een sterk nadelige invloed op de detectieresultaten en het meetbereik. Tevens is de apparatuur gevoelig voor verstoringen van ferrohoudende objecten in de omgeving van het opsporingsgebied zoals hekwerken, afrasteringen, kabels en leidingen, spoorlijnen, wegen, etc. In de nabijheid van deze objecten kunnen geen of slecht interpreteerbare detectieresultaten worden verkregen. Ook stroombronnen zoals transformatorhuisjes, hoogspanningskabels etc. leiden tot detectieverstoringen.

Figuur 41: Illustratie passieve detectie waarbij de verstoringen in het aardmagnetisch veld (diagonale lijnen) verstoord worden door de plus- en minpolen van het ferromagnetisch object.

75309/ RO-240161 versie 1.1

CR PRA-NGE Mary Zeldenrustlaan 18-20

Pagina 69 van 73

Actieve detectie Een actieve meting geschiedt over het algemeen met een metaaldetector. Bij deze detectietechniek wordt gebruik gemaakt van een detector die zelf een pulserend magnetisch veld opwekt en vervolgens de verstoringen in dat veld (veroorzaakt door metalen) meet. Omdat de detector zelf een signaal uitzendt, wordt de techniek actieve detectie genoemd. Deze apparatuur detecteert zowel ferro- als nonferrometalen. Actieve detectoren worden over het algemeen gebruikt in projecten waar men niet ijzerhoudende NGE verwacht (bijvoorbeeld KKM of anti-personeelsmijnen). De zoekdiepte en het zoekoppervlak zijn beperkt. Dit heeft echter als groot voordeel dat minder invloed wordt ondervonden van ferro-houdende objecten in de omgeving. Hierdoor is het mogelijk om in de dichte nabijheid van damwanden, afrasteringen enz. te zoeken naar NGE. De laagdikte die in één keer kan worden vrijgegeven, is echter wel beperkt. Door een actieve metaaldetector met grote flexibele spoel in te zetten, kunnen NGE met groot kaliber (afwerpmunitie) binnen een groter meetbereik worden gedetecteerd. Indien de zoekdiepte groter is dan het meetbereik, dient in lagen gedetecteerd te worden tot de te onderzoeken diepte is bereikt. Indien de gedetecteerde laag kan worden vrijgegeven van objecten kan deze laag worden verwijderd.

Het verwijderen van deze laag kan zowel machinaal (met een graafmachine) als met de hand. Het detecteren en ontgraven wordt cyclisch uitgevoerd tot de vrij te geven diepte is bereikt.

Figuur 42: Illustratie actieve detectie.

Realtime of non-realtime detectie Er wordt met betrekking tot detectie onderscheid gemaakt tussen Realtime detectie en non-realtime detectie. Zowel realtime als non-realtime detectie kunnen met behulp van zowel passieve als actieve detectiesystemen worden uitgevoerd. In deze paragraaf wordt het verschil tussen deze beide methoden en de toepasbaarheid uitgelegd. Realtime detectie Realtime detectie is een detectiemethode waarbij, na detectie van mogelijk verdachte objecten, direct wordt overgaan tot het lokaliseren en benaderen. De verkregen meetgegevens worden niet digitaal opgeslagen/vastgelegd. Realtime detectie wordt toegepast voor:

75309/ RO-240161 versie 1.1

CR PRA-NGE Mary Zeldenrustlaan 18-20

Pagina 70 van 73

• het inmeten van restgebieden na non-realtime oppervlaktedetectie; • laagsgewijs ontgraven; • het vrijgeven van boorpunten; • het lokaliseren van objecten die door middel van non-realtime detectie zijn geïnterpreteerd. Realtime detectie kan worden uitgevoerd met zowel actieve als passieve detectieapparatuur. Realtime detectie wordt in principe alleen uitgevoerd op locaties waar non-realtime detectie niet mogelijk is. De reden hiervan is dat de beslissing om wel of niet over te gaan tot het benaderen van een object bij één persoon ligt (de operator). Non-realtime detectie Deze opsporingsmethode kan worden toegepast indien NGE worden verwacht tot een diepte die binnen het meetbereik ligt van de in te zetten detectieapparatuur. Bij non-realtime detectie worden de meetgegevens digitaal verzameld in een datalogger of computer. Hierbij worden de posities van gedetecteerde ferro-houdende objecten (waaronder mogelijke NGE) in X-, Y- en Z-richting vastgelegd. De meetgegevens worden op een later tijdstip geïnterpreteerd. Hiervoor wordt een speciaal voor dat doel ontwikkeld softwarepakket gebruikt. Hiermee kan de meetdata worden omgezet in een visualisatie (2D of 3D) van het ingemeten gebied. Hierop zijn alle magnetische verstoringen zichtbaar. De operator kan met het computerprogramma de data op diverse manieren bewerken, zodat de meetgegevens kunnen worden geïnterpreteerd.

Uitvoering vindt plaats door het opsporingsgebied systematisch en vlakdekkend in te meten. Voor het inmeten van een opsporingsgebied kan, afhankelijk van de grootte, berijd- en beloopbaarheid, een detectiesysteem met één of meerdere sondes worden ingezet. Voor het inmeten van grotere gebieden kan een voertuig voor de voortbeweging van het meersondesysteem worden ingezet. De detectieapparatuur kan worden gekoppeld aan GPS-apparatuur.

Figuur 43: Illustratie non-realtime (oppervlakte-)detectie.

Oppervlakte- of dieptedetectie We kennen in hoofdlijnen twee werkwijzen voor het opsporen van NGE: • oppervlaktedetectie; • dieptedetectie.

75309/ RO-240161 versie 1.1

CR PRA-NGE Mary Zeldenrustlaan 18-20

Pagina 71 van 73

Oppervlaktedetectie en dieptedetectie kunnen zowel realtime als non-realtime worden uitgevoerd. Tevens kunnen voor beide methoden zowel actieve als passieve detectiesystemen worden ingezet. In deze paragraaf worden deze detectietechnieken kort toegelicht. Oppervlaktedetectie Oppervlaktedetectie wil zeggen dat men vanaf het oppervlak metingen verricht. Dit is een relatief goedkope methode om NGE in de bodem op te sporen. Dieptedetectie Dieptedetectie wordt toegepast wanneer oppervlaktedetectie niet mogelijk is doordat: • de op te sporen NGE ten gevolge van de relatie tussen meettechniek, diepte en massa niet middels oppervlaktedetectie detecteerbaar zijn; • bovenliggende grond-, verhardings-, funderings- en verontreinigingslagen een betrouwbare meting onmogelijk maken en niet verwijderd kunnen/mogen worden. Rail- en weginfrastructuur is hiervan een voorbeeld. Bij dieptedetectie wordt detectie verricht in het verticale vlak. Bij dieptedetectie wordt ten minste gedetecteerd tot de diepte waarop NGE aanwezig kunnen zijn. Er zijn diverse mogelijkheden om dieptedetectie uit te voeren. Over het algemeen wordt realtime dieptedetectie uitgevoerd, waarbij een meetsonde met behulp van een zogenaamde chaindrive in de grond wordt gedrukt. Tijdens het drukken wordt met een ingebouwde meetsonde de verstoring van het aardmagnetisch veld gedetecteerd.

Hierdoor wordt voorkomen dat onverhoopt een object wordt geraakt. Tijdens de opgaande beweging van de sonde wordt de data nonrealtime opgeslagen. De traditionele non-realtime dieptedetectie wordt nog sporadisch uitgevoerd. Hierbij worden kunststofbuizen in de grond geplaatst. De meetsonde wordt in de buis neergelaten om aansluitend de non-realtime metingen uit te voeren. De verkregen meetgegevens worden op een later tijdstip geïnterpreteerd.

Figuur 44: Illustratie dieptedetectie met chaindrive en weergave metingresultaat verstoring aardmagnetisch veld.

75309/ RO-240161 versie 1.1

CR PRA-NGE Mary Zeldenrustlaan 18-20

Pagina 72 van 73

75309/ RO-240161 versie 1.1

CR PRA-NGE Mary Zeldenrustlaan 18-20

Pagina 73 van 73

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16460542/1