CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

6. Bouwhistorische verkenning

Gemeenteraad 28 oktober 2024, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel advies aanvraag BOPA Tuinstraat 33 Rijen12.686 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Rijen Tuinstraat 33 Voormalige leerfabriek (1928) Bouwhistorisch verkenning

BAAC Rapport B-23.0868

Auteur: S.S. Veldhuis

ISSN:

1873-9350

Redactie:

ir. R.J.W.M. Gruben

Veldwerk:

S.S. Veldhuis

Teksten:

S.S. Veldhuis

Waardering:

ir. R.J.W.M. Gruben drs. ing. A.G. Oldenmenger S.S. Veldhuis

DATUM VELDWERK DATUM CONCEPT DATUM DEFINITIEF

9 januari 2024 18 januari 2024 24 januari 2024

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of BAAC.

BAAC Bureau voor archeologie en bouwhistorie Graaf van Solmsweg 103, 5222 BS ’s-Hertogenbosch. Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl

Bouwhistorische verkenning

2

1 1.1

Inleiding

Het belang van monumenten

Sleutelbegrip in iedere bouwhistorische verkenning, is het begrip monumentwaarde. In deze eerste paragraaf zal dit begrip worden verklaard en de betekenis ervan worden uitgelegd. Het woord Monument is afgeleid van het Latijnse woord Monumentum, waarmee datgene wordt bedoeld, dat doet herinneren.1 In de oudheid gaat het dan hoofdzakelijk om objecten die opzettelijk gemaakt werden om iemand of een gebeurtenis in herinnering te brengen; een grafmonument of een overwinningsmonument. In de Nederlandse taal wordt het woord monument in ieder geval in de zestiende eeuw al gebruikt. Het is in die tijd een aanduiding van schriftelijke getuigenissen en documenten, opgeschreven herinneringen.2 In latere eeuwen raakt de term in zwang voor sinds lange tijd bestaande bouwwerken, gebouwen die herinneren aan de samenleving van weleer. Het zijn gebouwen met een belangrijke historische functie of die exemplarisch zijn voor een indrukwekkend architectonisch tijdsbeeld. Gaandeweg de negentiende eeuw ontstaat daarbij de woordafleiding monumentaal, die aanvankelijk niet zozeer betrekking heeft op de herinnering, als wel op de omvang van nieuw te realiseren gebouwen en bouwdelen. De reden daarvan is vermoedelijk dat monumenten in vroegere tijd vrijwel per definitie groots en indrukwekkend waren. Later neemt de huidige definitie de overhand.

1 http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/monument. 2 M. Philippa e.a.,

3

Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam 2003-2009.

Een monument is in de monumentenwet van 1961 gedefinieerd als een ten minste 50 jaar oud werk, dat van algemeen belang is vanwege de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de volkskundige waarde. De term schoonheid is daarbij een opvallend, subjectief criterium, dat niet los kan worden gezien van de algemeen geaccepteerde architectonische traditie (in publicaties) en de hedendaagse tijdsgeest. Dat laatste besef, zorgde er in 1988 bij de vernieuwing van de monumentenwet, mede voor dat de voorwaarde van een halve eeuw ouderdom, werd geschrapt. In de Erfgoedwet van 2016 wordt een monument gedefinieerd als een onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed.3 De aanwijzing van monumenten is decennialang primair de taak van het rijk geweest. Sinds de decentralisatie van de monumentenzorg in 1988, is die verantwoordelijkheid geleidelijk aan steeds meer bij lokale overheden (gemeenten) komen te liggen. Sommige gemeenten maakten hier gretig gebruik van, andere gemeente zien de noodzaak van het aanwijzen van gemeentelijke monumenten tot de dag van vandaag niet in. De aanwijzingsprocedure is in de loop der tijd weinig veranderd. Doorgaans gaat er aan de aanwijzing een inventarisatie- en selectieprocedure vooral. Slechts zelden wordt er diepgaand onderzoek verricht ten behoeve van de toekenning van de beschermde status.

Het woord Waarde wordt in het kader van bouwhistorisch onderzoek gelijkgesteld aan belang of betekenis, waarbij onderscheid zou kunnen worden gemaakt tussen de betekenis voor de mens nu en de betekenis in vroegere tijd. Een waarde is iets waar een persoon of een (deel van een) samenleving betekenis uit put, omwille van een gezamenlijke of individuele identiteit. Belang zou etymologisch zijn voortgekomen uit een inspanning, een gevoel of verlangen om iets te (be)reiken. Uiteraard kennen we het woord waarde ook in economische zin, waarin het in schrift is terug te voeren tot in de tiende eeuw. In een traject van planvorming en plantoetsing is die ogenschijnlijk dubbele betekenis niet altijd even handig, omdat financiële investeringen moeten renderen, en waarde vooral wordt geassocieerd met het maken van winst. Men moet daarbij echter niet vergeten dat de geldelijke waarde in behoorlijke mate wordt bepaald door hoezeer een persoon iets wil hebben (hoeveel betekenis het voor die persoon heeft, zijn of haar identiteit aanspreekt, is er mede bepalend voor hoeveel die persoon bereid is te betalen). Monumentwaarde staat gelijk aan de betekenis van historische zaken voor het collectieve geheugen, de herinnering aan de samenleving/maatschappij in een specifieke tijd.

1.2

Het doel van een bouwhistorische verkenning

Het toekennen van de juridische status van monument door de minister (rijksmonument) of door het college van burgemeester en wethouders (gemeentelijk monument), heeft als consequentie dat bij verbouwingen getoetst moet worden of de geplande ingrepen niet te veel ten koste gaan van de monumentale waarde van het gebouw. Doorgaans geschiedt de toekenning van de monumentstatus op grond van een redengevende omschrijving, een document van één of twee pagina’s waarin in meer algemene bewoordingen wordt aangegeven waarom een gebouw de status van monument krijgt toebedeeld. De redengevende omschrijving is vrijwel nooit uitgebreid genoeg om een verbouwplan te kunnen toetsen, om de eenvoudige reden dat de informatie over het gebouw daarvoor in kwantiteit en kwaliteit ontoereikend is. Het college (en in sommige gevallen de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) dienen zich dus nader te laten informeren. Dat kan door de eigenaar of betrokken architect, maar dat verdient vanuit het oogpunt van objectiviteit doorgaans niet de voorkeur. In die gevallen wordt de eigenaar van het gebouw gevraagd om een bouwhistorische verkenning op te laten stellen door een onafhankelijk opererende marktpartij.

cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden. (uit: Erfgoedwet 2016) 3

Bouwhistorische verkenning

4

De bouwhistorische verkenning is dus bedoeld om zowel de eigenaar, de ontwerper als de toetsende instantie te informeren over de bouwgeschiedenis van het gebouw, de object-specifieke eigenschappen van exterieur, interieur en vooral constructies en de monumentale waarden die in het geheel en in de onderdelen waaruit het gebouw is opgebouwd, vertegenwoordig zijn. Het college laat zich bij de toetsing van plannen adviseren door de plaatselijke monumentencommissie. Het is echter een vrij hardnekkige misvatting dat een monumentencommissie louter is bedoeld om plannen te beoordelen. Een goede monumentencommissie is een gezelschap professionals dat met de initiatiefnemer voor de ontwikkeling van het monument meedenkt en op grond van hun expertise en ervaring suggesties kan doen die zowel het plan als het monument (de monumentwaarde) ten goede komen. Vrijwel altijd is er sprake van een gemeenschappelijk doel: door een kwaliteit hoogwaardige ingreep het monument voor de lange termijn behouden. De bouwhistorische verkenning draagt hier in hoge mate in bij, omdat het kennis overdraagt die voor een succesvol bouwplan onontbeerlijk is en de dialoog tussen eigenaar, planvormer en monumentencommissie bevordert (onder andere door een helder definitieapparaat, waardenstellingen en waarderingsplattegronden).

1.3

Bouwhistorisch onderzoek

Bouwhistorici analyseren de constructies, de gevels én het interieur van historische gebouwen. Vormen, materialen en bouwtechnieken hebben veelal tijdsgebonden eigenschappen die door de bouwhistoricus worden herkend. Daardoor wordt het voor de bouwhistoricus mogelijk om inzicht te geven in de wijze waarop het pand werd gebouwd, en hoe het daarna door verbouwingen is getransformeerd in het gebouw zoals dat tegenwoordig is. Het is voor de bouwhistoricus niet zo belangrijk hoe iets er uit ziet, als wel waarom iets er uit ziet zoals het er uit ziet, waarbij de kernvraag doorgaans luidt: “Hoe werd dit gemaakt en waarom maakte men het zo?”. Vermoedelijk wordt er al vanaf dat er monumenten zijn, bouwhistorisch onderzoek verricht. In de moderne tijd gebeurde dit aanvankelijk vooral door architecten (in wording) en door lokale historici. De onderzoekdiscipline kreeg een belangrijke impuls als gevolg van de vele herstel- en restauratievraagstukken die zich tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog aandienden. In die periode kwam er de Tijdelijke Wet Monumentenzorg waarin stond dat onroerende zaken vermeld in de Voorlopige lijst der Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst (1908-1933), niet mochten worden gesloopt of veranderd zonder toestemming van de minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen.

Het doel van het onderzoek was in die tijd nog louter het vergroten van kennis, en spitste zich vrijwel uitsluitend toe op middeleeuwse bouwkunst. Kennis werd onder andere opgedaan door gebouwen, constructies en bouwsporen in muurwerk in te meten en in (reconstructie)tekeningen uit te werken. In de regel ging het onderzoek gelijk op met archeologisch onderzoek. Niet zelden werd het bouwhistorisch onderzoek in de jaren na de Tweede Wereldoorlog door een archeoloog uitgevoerd. Een specifieke opleiding tot bouwhistoricus bestond lange tijd niet. Bouwhistorici werden tot ongeveer twintig jaar geleden, in de praktijk opgeleid. Een aantal gemeenten bood die mogelijkheid bij hun bouwhistorische diensten. Die opleidingsplaatsen werden doorgaans ingevuld door mensen met een bouwkundige en/of een kunsthistorische opleiding. Technische Universiteiten (met name Delft), gaven de mogelijkheid om te specialiseren in restauratietechniek of bouwhistorie. Pas in 1997 werd in Utrecht gestart met een post-HBO opleiding Bouwhistorie en Restauratie. Het is de tijd waarin ook de eerste Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek worden gepubliceerd. Die richtlijnen werden in 2009 voor het laatst herzien en beschrijven het proces van bouwhistorische onderzoek en de voorwaarden waaraan een deugdelijk onderzoeksrapport dient te voldoen.

Het nut van het bestuderen van constructies, structuren en afwerkingen is voor de bouwhistoricus primair het vergroten van kennis omtrent het bouwen in het verleden. Die kennis is in brede zin

5

noodzakelijk om op verantwoorde wijze met gebouwd erfgoed in Nederland om te gaan. Daarbij valt niet alleen te denken aan restauraties, maar ook aan verbouwingen of constructief herstel. Bouwhistorische kennis zal daarnaast helpen bij het doorgronden van het gebouw. Begrip van hoe een gebouw in het verleden werd ontworpen, welke keuzes er gemaakt werden ten behoeve van de constructie én duiding van de elementen die in en aan het gebouw te vinden zijn, helpen allemaal om de herinnering aan vroegere tijd in leven te houden, voort te laten bestaan. Maar kunnen ook helpen om een bouwprogramma op efficiënte wijze tot ontwerp uit te werken.

Vaak blijft bij een verkenning veel aan het ook van de bouwhistoricus verborgen. Links de situatie vóór ontmanteling, rechts na, met een achttiende-eeuwse balklaag, een negentiende-eeuwse schouw en een voormalige buitengevel (zestiende-eeuws) met daarin dichtgezette vensteropeningen. Voorbeeld: Breestraat 68 in Leiden.

1.4

De beperkingen van een bouwhistorische verkenning De bouwhistorische verkenning wordt in de Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek (2009) gedefinieerd als een bouwhistorische opname op hoofdlijnen. Voor kleine ingrepen in monumenten, kan zo’n verkenning in principe volstaan, maar de beperkingen zijn groot. Zo wordt er doorgaans bij een veldonderzoek ten behoeve van een verkenning geen materiaal verwijderd (geen licht destructief onderzoek). Dat is een probleem voor kennisvergaring én waardering omdat niet duidelijk wordt of er achter huidige afwerklagen (vloerbedekkingen, muurverf, voorzetwanden, verlaagde plafonds) monumentale afwerkingen schuil gaan. Onder een recente vloerbedekking kunnen oude parketvloeren, geoliede ‘kindervoetjes’ of terrazzovloeren onopgemerkt blijven. Voorzetwanden kunnen het zicht ontnemen op verborgen paneeldeuren, wandbespanningen, lambriseringen of zelfs muurschilderingen. Schilderingen kunnen overigens ook heel goed schuil gaan achter witte latex of muurverf.4 Het is dus goed om hier expliciet vermeld te hebben, dat de waardering die in deze rapportage is opgenomen, louter is gestoeld op de onderzoeksgegevens die tijdens de verkenning konden worden verzameld en in deze rapportage is gepresenteerd.

De kans dat tijdens de verkenning monumentale afwerkingen onopgemerkt zijn gebleven, is redelijk groot, vooral bij de gebouwen die sinds circa 1980 niet meer ingrijpend zijn verbouwd. Op basis van ervaring ligt rond 1980 het omslagpunt van verbouwen met behoud van oude(re) lagen naar verbouwen na complete ontmanteling tot op casco. Een bouwhistorische verkenning is een opname op hoofdlijnen (non-destructief) en kent de nodige beperkingen. Een beperking van de voorliggende verkenning is ook dat het een platte weergave in tekst is, van een ruimtelijke structuur. Voor de auteur en de eigenaar van het gebouw is het vrij eenvoudig om de tekst te vertalen naar een drie dimensionaal beeld, voor leden van een monumentencommissie is 4 Onder bouwhistorici wordt ingeschat dat een verkenning slechts een tipje van de sluiter van de bouwgeschiedenis wordt

opgelicht. Hoe ouder het object, hoe lastiger het vaak is om voldoende kennis te vergaren binnen de kaders van een verkenning.

Bouwhistorische verkenning

6

dat vaak in veel mindere mate het geval. Het is om die reden voor een eigenaar altijd aan te raden om de monumentencommissie in de fase van plantoetsing uit te nodigen voor een rondgang door het gebouw, bij voorkeur ná kennisgeving van de uitkomsten van de bouwhistorische verkenning. In de gevallen dat dat niet tot de mogelijkheden behoort, en er toch behoefte is aan extra verbeelding van het gebouw, kan BAAC de complete fotodocumentatie die tijdens het veldwerk gemaakt is, ter beschikking stellen. Er is een uitvoerige fotodocumentatie gemaakt ten behoeve van deze rapportage. Niet alle veldfoto’s zijn in het rapport opgenomen. De foto’s kunnen u digitaal worden toegestuurd. U kunt een verzoek sturen naar: s.veldhuis@baac.nl

1.5

Monumentwaarde

1.5.1 De toetsingscriteria en toetsingskader Het bepalen van het belang, de betekenis van een gebouw of object, is inmiddels een primaire taak van de bouwhistoricus. De onderzoeker hanteert daarbij conform de Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek (2009) in principe twee criteria, te weten; de mate van authenticiteit en de mate van zeldzaamheid. De term authentiek is afgeleid van het Latijnse authenticus, wat staat voor ‘met eigen hand voltrekken’, ‘uit eerste hand’ en vindt haar oorsprong als rechtsterm. Binnen het recht wordt het gebruikt als aanduiding van een oorspronkelijk gegeven, op iets dat als echt is vastgesteld of dat een exacte kopie is van het origineel (dat laatste is interessant met het oog op de duiding van het belang van restauratiefasen die gepaard gaan met grootschalige vernieuwing van substantie). Het ontrafelen van de bouwgeschiedenis gaat altijd gepaard met het bepalen van de mate van oorspronkelijkheid van een gebouw als geheel, alsmede van de onderdelen waaruit het is samengesteld. Het is daarbij goed om te beseffen dat de mate van authenticiteit van ieder monument in meer of mindere mate is aangetast, en dat die aantasting doorgaans groter is dan op het eerste oog wordt ingeschat. Het komt vaak voor dat een historische verbouwing als resultaat zowel een aantasting van een bestaande als een toevoeging van een nieuwe betekenislaag heeft.

Dit wordt meestal geduid met de term “historische gelaagdheid”, een term die in principe altijd op gespannen voet staat met authenticiteit. Strikt genomen zou van iedere bouwfase afzonderlijk de mate van authenticiteit kunnen worden bepaald daaraan kleeft wel als nadeel dat dit relatief gunstig uitpakt voor een recentere verbouwing (waarvan het resultaat mogelijk nog geheel intact is). Authenticiteit is als zuiver toetsingscriterium lastig te implementeren om vier redenen. De mate van authenticiteit en zeldzaamheid zijn primaire toetsingscriteria. Ten eerste kan de mate van authenticiteit, of misschien beter de verwachting die we daarbij hebben, niet los worden gezien van de ouderdom van een object of de termijn die is verstreken tussen het ten uitvoer brengen van de bouw en de verbouwing(en) tot aan het moment van toetsing. De mate van authenticiteit van een gebouw uit de jaren zestig is bijna per definitie hoger dan de mate van oorspronkelijkheid van een middeleeuws gebouw. Dat wil niet zeggen dat het jongere gebouw met een hogere mate van authenticiteit ook een hoger erfgoedbelang vertegenwoordigt dan een ouder gebouw dat door de tijd heen vaker zal zijn aangepast aan veranderende omstandigheden in tijd. Ten tweede zijn er bouwtypen, boerderijen bijvoorbeeld, waar de continue aanpassing, veelal op meest pragmatische wijze, een essentie van (landelijke) cultuur vormen.

De mate van authenticiteit staat hiermee in feite op gespannen voet. Daarop aansluitend, ten derde dus, kan op de mate van authenticiteit niet worden getoetst zonder daarbij het beschouwingsniveau duidelijk aan te geven. Van een zestiende-eeuwse boerderij zijn de gebinten meestal de enige elementen die terug te

7

voeren zijn op de bouwtijd. De mate van authenticiteit van de gebintconstructie kan daarbij hoog zijn (beschouwingsniveau constructie), maar dat geldt niet voor de mate van authenticiteit van de boerderij als geheel. Wie hier in de zestiende eeuw geboerd heeft, zal bijna niets van de boerderij in huidige hoedanigheid herkennen. Kastelen zijn hiervan ook een voorbeeld, omdat ook dat vrijwel in essentie veranderlijke gebouwen zijn. Wellicht is het beter om de mate van authenticiteit per bouwfase uit te splitsen en niet per gebouwonderdeel, waarbij de betekenis van iedere bouwfase in de bouwchronologie uiteen wordt gezet en aangegeven wordt in welke mate de onderdelen behorende bij die bouwfase in authentieke staat verkeren. Daaraan kleven echter ook nadelen, met name ten aanzien van de samenhang tussen de verschillende bouwfasen en de (bouwkundige) logica die doorgaans aan de basis ligt van die samenhang.

De Richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek uit 2009. Te downloaden via: https://www.cultureelerfgoed.nl/publicaties/publicaties/2009/01/01/richtlijnen-bouwhistorisch-onderzoek

Als laatste speelt – zoals hierboven al aangegeven – de bepaling van de mate van authenticiteit een ingewikkelde rol, wanneer er sprake is van reconstructief restauratiewerk en restauraties waarbij met behoud van vorm een materiaalsoort (historische substantie) is vernieuwd. Hoe dient de mate van authenticiteit te worden beoordeeld bij een gevel waarvan de achttiende-eeuwse schuifvensters zijn vernieuwd door materiaal en vorm exact over te nemen? Conform de definitie van authentiek, kan iets dat exact gelijk is aan het origineel, voor authentiek doorgaan. Kan een exacte kopie van een venster worden bestempeld als authentiek of moeten we hier spreken van een toestand die soortauthentiek is. Wanneer de betekenis van een exacte kopie op grond van toetsing op authenticiteit voor een authentiek venster even groot is als voor een soort- of kopie-authentiek vensters, vervalt de grond om het behoud van het authentieke venster na te streven. Door de eigenaar en de monumentenzorg wordt een vervangend onderdeel doorgaans als een minder grote aantasting geduid dan door een bouwhistoricus, omdat deze informatie put uit karaktereigenschappen (bouw- en bewerkingssporen van het onderdeel) die bij vernieuwing onherroepelijk verloren gaat.

Bouwhistorische verkenning

8

De term zeldzaam is in principe vrij eenvoudig te duiden, het geeft aan dat iets weinig voorkomend is. Gewoonlijk wordt er getoetst of een historisch object, of één van de onderdelen waaruit het is samengesteld, in de huidige tijd nog veel of juist weinig voorkomt. Die historische terugblik is echter niet van oudsher met de term zeldzaam verbonden. Het woord zelden werd in de middeleeuwen gebruikt om in de eigen tijd ongewone of wonderlijke zaken of fenomenen te benoemen en groeide in de zestiende eeuw uit tot zeldzaam, nog steeds met dezelfde betekenis. Het zou goed zijn om in bouwhistorische rapporten aan te geven of bepaalden aspecten van een gebouw in de bouwtijd zeldzaam waren (denk daarbij aan atypische constructies of vroege voorbeelden van een bepaald venstertype), óf dat er sprake is van een fenomeen dat juist na verloop van tijd weinig voorkomend is geworden. Denk daarbij aan een negentiende-eeuwse éénkamerwoning. Iets dat in de huidige tijd zeldzaam is, kan in het verleden een veelvoorkomende standaard zijn geweest. Andersom is ook mogelijk. De relatieve eenvoud van de term zeldzaamheid vertaalt zich niet in een gemakkelijke implementatie tijdens toetsing. Daarbij spelen verschillende factoren een rol.

De belangrijkste complicatie is misschien wel dat bij bouwhistorische verkenningen doorgaans wordt volstaan met een zogenaamde interne waardenstelling waarbij het toetsingskader wordt bepaald binnen de scope van het object. Het moge duidelijk zijn dat toetsing op grond van de mate van zeldzaamheid hier tot problemen leidt, omdat zeldzaamheid een breder toetsingskader vereist. In de richtlijnen wordt aangegeven dat een contextuele waardenstelling al heeft plaatsgevonden bij geregistreerde monumenten. Dat impliceert dat rijk en gemeenten hun monumentenbestand als een gebalanceerde collectie hebben ingericht, wat in de praktijk vaker niet dan wel het geval is. Meestal bestaat een monumentenbestand uit een periodiek gevulde hoeveelheid gedateerde redengevende omschrijvingen, vaak op basis van het exterieur en de meest uiteenlopende waarderingsmethodieken. Actualisatie van monumentenbestanden en het opstellen van collectiebeschrijving met aandacht voor samenhang komt helaas maar zeer sporadisch voor. Ingewikkeld aan de zeldzaamheid is dat het niet los kan worden gezien van ervaring. De mogelijkheden voor onderzoekers om in een kort tijdsbestek een groot referentiekader op te bouwen (heel veel gebouwen te onderzoeken en te zien), zijn beperkt, mede omdat de meeste onderzoeksrapporten met het oog op privacyaspecten niet gepubliceerd worden.

Wat zeker ook lastig is, is de geografische begrenzing van het toetsingskader. Moet er in geval van rijksmonumenten landelijk op zeldzaamheid worden getoetst en bij gemeentelijke monumenten en niet monumenten op regionaal niveau? Kan er überhaupt wel binnen die kaders worden getoetst? Kwantitatieve gegevens ontbreken veelal. Het ontbreken van goede monumentenbeschrijvingen per gemeente doet zich ook hier voelen evenals het uitblijven van onderzoekagenda’s met daaruit voortvloeiende programma’s van eisen. Een expliciete onderzoeksvraag als hoeveel neorenaissance panden zijn in Eindhoven beschermd? zijn in de dagelijkse praktijk een uitzondering.5 Het opbouwen van een breed referentiekader wordt ook bemoeilijkt door het uitblijven van specialisatie binnen het bouwhistorische vakgebied. Met name op het punt van de toetsing van de mate van zeldzaamheid zorgt dat voor moeilijkheden. Het is voor iemand die zich specialiseert in Interbellumboerderijen, in kerken uit de wederopbouwperiode of in fabrieksgebouwen veel gemakkelijker om in relatief korte tijd een deugdelijk referentiekader op te bouwen dan voor een bouwhistoricus die door heel het land van een stoomgemaal, naar een schoolgebouw, een woonhuis en een graansilo trekt. Een bouwhistorische verkenning kent de nodige beperkingen.

De monumentwaarde is altijd bepaald op grond van de in de rapportage gepresenteerde onderzoeksgegevens. Het is mogelijk dat bij de verkenning monumentale constructies, elementen en afwerkingen verborgen zijn gebleven achter recente(re) afwerkingslagen. 5 Onderzoeksvraag in verband met mogelijke verplaatsing van het gemeentelijke monument Aalsterweg 310.

9

1.5.2 Waardengradaties Bij het opstellen van een waardenstelling schrijven de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek drie categorieën voor: hoge monumentale waarde, positieve monumentale waarde en indifferente monumentale waarde. De betekenis van die gradaties is in de richtlijnen nogal abstract beschreven, over de implicaties (consequenties voor de planvormer en plantoetsers, laten de richtlijnen zich niet uit). - Hoge monumentwaarde wordt omschreven als van cruciaal belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied. - Positieve monumentwaarde wordt opschreven als van belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of het gebied. - Onder indifferente monumentwaarde dienen volgens de richtlijnen zaken geschaard te worden die van relatief weinig belang zijn voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied. Het onderscheid tussen van cruciaal belang, van belang en van relatief weinig belang, is in de richtlijnen niet gegeven. Er mag vanuit worden gegaan dat de te hanteren toetsingscriteria (de mate van authenticiteit en de mate van zeldzaamheid) een doorslaggevende rol spelen. Zaken die zowel authentiek als zeldzaamheid zouden in dat geval in aanmerking komen voor toekenning van hoge monumentwaarde, zaken die niet authentiek en niet zeldzaam zijn, vertegenwoordigen dan indifferente monumentwaarde.

Dat laat over de zaken met positieve monumentwaarde die wel authentiek maar niet zeldzaam óf wel zeldzaam maar niet authentiek zijn. Dit is ook de basis waarop door BAAC in principe waardengradaties worden toegekend. In de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek wordt niet duidelijk gemaakt wat de praktische implicaties van de waardengradaties voor planvormers en plantoetsers is. In de volgende paragraaf proberen we dat te ondervangen door richting te geven aan de omgang met de verschillende waardencategorieën. Hier willen we uiteenzetten dat ‘positief’ bevestigend is. Het is een “JA, er is sprake van monumentwaarde”. Men zou dit als een basiswaarde kunnen omschrijven. De indicator ‘hoog’ past men doorgaans toe om voor zaken die verheffend zijn, de basis overtreffen. Gesimplificeerd zou men kunnen stellen dat er bij toekenning van hoge monumentwaarde sprake is van een verbijzondering (wederom op grond van de mate van authenticiteit én zeldzaamheid). Het is een “JA, er is sprake van monumentwaarde; dit is bijzonder”. Tenslotte is het goed om opgemerkt te hebben dat indifferente monumentwaarde niet hetzelfde is als geen monumentwaarde. De indicator indifferent geeft aan dat de monumentwaarde ondergeschikt is aan de overige monumentale onderdelen van het object.

BAAC is van mening dat er in vrijwel alle panden ook zaken aanwezig zijn die in het geheel geen monumentwaarde vertegenwoordigen (denk aan recente vloerbedekkingen, gipsplafonds eigentijds meubilair. De huidige richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek houdt hier echter geen rekening mee. Daarom zullen zaken die geen monumentwaarde vertegenwoordigen in deze rapportage gelijkgesteld worden aan zaken waarvan de monumentwaarde ondergeschikt is.

1.6

Implementatie van de resultaten van de bouwhistorische verkenning

1.6.1 De consequenties van de toegekende waarden De door de bouwhistoricus vervaardigde rapportage met waardering en waardenstellingen kan gebruikt worden door architecten en planontwikkelaars ter inspiratie voor noodzakelijk geachte ontwikkelingen en door overheden en monumentencommissies om de rapporten en verbouwplannen te toetsen. De kennis over het historische bouwen stelt de bouwhistoricus ook in staat om bij objectgericht onderzoek uitspraken te doen ten aanzien van de monumentale waarde, van het object als geheel en van de onderdelen waaruit het is samengesteld. Daarbij wordt gebruik

Bouwhistorische verkenning

10

gemaakt van de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek (2009) waarin als toetsingscriteria de mate van authenticiteit en zeldzaamheid zijn genoemd. - Hoge monumentwaarde: van cruciaal belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied . (BAAC associeert dit doorgaans met bijzonder of uitzonderlijk omwille van de hoge mate van authenticiteit en zeldzaamheid). Voor onderdelen waaraan hoge monumentale waarde is toegekend, geldt dat deze zaken op louter bouwhistorische gronden absoluut behouden dienen te blijven. Omdat er bij het maken van een kwalitatief hoogwaardig plan dat voldoet aan de huidige voorschriften op het gebied van veiligheid, duurzaamheid en functievereisten meer komt kijken dan alleen het bouwhistorische belang, blijkt het in de praktijk niet altijd mogelijk om zaken die hoge monumentwaarde vertegenwoordigen volledig intact te laten. Dit moet echter wel dégelijk het streven zijn van zowel eigenaar, planvormer en toetsende instanties. Met andere woorden: Bij zaken die hoge monumentwaarde vertegenwoordigen is het behoud een zéér zwaarwegende factor bij de afweging van algemene belangen (de betekenis van het monument voor de samenleving) met de belangen van de eigenaar/ontwikkelaar. Aanpassingen zijn niet ondenkbaar.

In eerste instantie moet dan echter worden gedacht aan aanpassingen die de bestaande monumentwaarde ondersteunen: herstel van details, terugbrengen van oorspronkelijke kleurstellingen, het verwijderen van waarde-verstorende elementen of in bepaalde situaties reconstructie. Indien bij de afweging van alle factoren de conclusie is dat aantasting van delen met hoge monumentwaarde onafwendbaar is, dan geldt dat eigentijdse ingrepen met zorg moeten worden uitgevoerd en dat daarbij de historische toestand van het gebouw maatgevend is. Óf er moet duidelijk aantoonbaar sprake zijn van een duurzame ingreep of toevoeging die voor het monument een wezenlijk, nieuwe betekenislaag geeft die essentieel is voor het voortbestaan van het monument als geheel. Aanpassing van elementen met hoge monumentwaarde kan gevolgen hebben voor de monumentale status van het gebouw als geheel. - Positieve monumentale waarde: van belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied. (BAAC beschouwt dit doorgaans als basiswaarde en kent het toe op grond van hoge mate van authenticiteit óf hoge mate van zeldzaamheid). Voor onderdelen waaraan positieve monumentale waarde is toegekend, geldt dat er bij het maken van verbouwplannen, vanuit bouwhistorisch oogpunt, gestreefd moet worden naar behoud er van.

Het monumentale belang van deze elementen dient zorgvuldig afgewogen te worden tegen de belangen van de eigenaar/ontwikkelaar en factoren als veiligheid, duurzaamheid en milieuaspecten. Aanpassingen van positief gewaardeerde onderdelen zijn denkbaar wanneer de aard en de monumentale waarde van het geheel blijven bestaan of worden versterkt en er sprake is van het toevoegen van kwaliteit. Substantiële aantasting van positief gewaardeerde onderdelen kan gevolgen hebben voor de monumentstatus van het gebouw. - Indifferente monumentale waarde: van relatief weinig belang voor de structuur en/of de betekenis van het object als gevolg van een aantasting van de mate van authenticiteit of de veelvoorkomendheid. Vanuit bouwhistorisch oogpunt bestaan er geen zwaarwegende argumenten om het volledige behoud van indifferent gewaardeerde onderdelen na te streven. Wijzigingen behoren doorgaans tot de mogelijkheden, sloop in veel gevallen ook wanneer dat ten goede komt van het behoud van positief en hoog gewaardeerde onderdelen van het gebouw. Reconstructief herstel kan in uitzonderlijke gevallen leiden tot opwaardering van indifferent gewaardeerde onderdelen naar positief (bijvoorbeeld door reconstructie van deuren, vensters en details). 1.6.2 Objectiviteit Omdat de toekenning van monumentwaarde geen exacte wetenschap is, is iedere waardering onderhevig aan subjectiviteit.

De mate van authenticiteit is voor een ieder nog wel vrij goed te

11

beoordelen, al speelt wel altijd de vraag op welke niveau er getoetst wordt (op objectniveau, structuurniveau, elementniveau of zelfs afwerkingsniveau) en liggen de verwachtingen ten aanzien van de oorspronkelijkheid bij een wederopbouwpand doorgaans hoger dan bij een woonhuis dat de oorsprong in de zestiende eeuw heeft. Lastiger wordt het al bij de beoordeling van de mate van zeldzaamheid, omdat dit sterk afhangt van het kenniskader waarover de bouwhistoricus beschikt. In de bouwhistorische discipline is er maar weinig kwantitatieve gegevens beschikbaar met betrekking tot bouwhistorische zaken. Bij BAAC stellen we een waardering naar eer en geweten op. De opdrachtgever krijgt een conceptrapport om er voor te zorgen dat wat in het rapport geschreven staat, begrijpelijk en duidelijk genoeg is. Invloed op de waardering heeft de opdrachtgever niet. Tenzij de opdrachtgever kan aantonen dat bij de waardering een vergissing is gemaakt met betrekking tot de mate van authenticiteit of de mate van zeldzaamheid van een element in het gebouw. Evengoed heeft een toetsende instantie geen invloed op de waardering en de waardenstellingen in onze rapportages. Wél heeft een monumentencommissie de mogelijkheid om van de waardering in de rapportage af te wijken. De commissie kan de zo objectief mogelijke waardering en waardenstellingen van BAAC overnemen óf naast zich neerleggen.

Dat laatste dient uiteraard wel door de commissieleden te worden gemotiveerd.

Bouwhistorische verkenning

12

2

Projectinformatie

2.1 Administratieve gegevens Plaats: Rijen Adres: Tuinstraat 33 Monumentenstatus: geen, wel MIP-lijst Historische functie: leerfabriek Huidige functie: bedrijfsruimte Toekomstige functie: appartementen BAAC-project: B-23.0868 Type onderzoek: bouwhistorische verkenning Datum veldwerk: 9 januari 2024 Opdrachtgever: DR+ Architecten Uitvoerende: BAAC ’s-Hertogenbosch Uitvoerder: S.S. Veldhuis

Het gebouw weergegeven in blauw op een uitsnede van BAG viewer. De beschrijving vermeldt het bouwjaar 1988, wat volledig onjuist is. Dit moet het jaar 1928 zijn. De voormalige fabriek is door de jaren heen opgegaan in de groeiende bebouwing van Rijen.

2.2 Programma van Eisen en beperkingen BAAC is gevraagd om een bouwhistorische verkenning uit te voeren van het pand Tuinstraat 33 te Rijen. Het gaat om een voormalige leerfabriek in het dorpscentrum. Sinds 1989 gebruikt de huidige eigenaar de voormalige fabriek als bedrijfspand en is het een en ander aangepast naar moderne maatstaven. Recent heeft de eigenaar besloten het gebouw te verkopen en ligt het plan klaar om de voormalige fabriek te verbouwen tot appartementencomplex. De plannen tot verbouwing houden in dat er gedeelten van het huidige pand gesloopt zullen worden, nieuwe aanbouwen gerealiseerd

13

zullen worden, het interieur geheel opnieuw wordt ingedeeld en het pand verduurzaamd wordt, zodat de woonruimten voldoen aan de moderne standaarden. Vanwege de grote verbouwingsplannen en de plaatsing op de MIP-lijst, wenst de gemeente Gilze-Rijen een bouwhistorische verkenning van de voormalige leerfabriek. De verkenning vond plaats op 9 januari 2024. Na een kort gesprek met de voormalige eigenaar (het pand is nog steeds in gebruik als beletteringsbedrijf) kon de bouwhistoricus op eigen gelegenheid een ronde doen door het pand en waarnemingen verrichten. De grootste belemmering waren de opgeslagen goederen en de machines die het maken van goede foto’s verhinderden. Daarnaast gaat een groot gedeelte van de constructie schuil achter systeemplafonds, stucwerk, of omtimmeringen, waardoor (oorspronkelijke) constructies niet (goed) te onderzoeken waren. Destructief onderzoek was in dit geval niet aan de orde, omdat het pand nog in gebruik is. In aanvulling op het veldonderzoek is het archief van het kadaster geraadpleegd en is in beeldbanken gespeurd naar historisch beeldmateriaal. Uiteraard zijn ook de nodige online bronnen geraadpleegd en is het Regionaal Archief Tilburg geraadpleegd. Dit leverde enkele bouwtekeningen op, maar helaas niet de tekeningen van de oorspronkelijke status van de fabriek.

Historisch beeldmateriaal was erg schaars, waardoor we over enkele aanpassingen van het pand en de oorspronkelijke verschijning en indeling niet zeker zijn.

Bouwhistorische verkenning

14

3

Historische inleiding

3.1 Beknopte geschiedenis van Rijen Het dorp Rijen is ontstaan op een natuurlijke verhoging in het landschap, namelijk een zandplateau met afzettingen van klei, leem en zand uit de ijstijden dat afgedekt werd met stuif- en dekzand. Aan de oostzijde van Rijen werd er door de rivier de Donge met name klei en leem afgezet en ontstond er een veengebied door de constante hoge waterstand. Door archeologische vondsten is bekend dat het plateau al sinds de Steentijd bewoond wordt. Het hoogste deel van het plateau strekt zich uit van noord naar zuid, waardoor er geleidelijk een lintbebouwing ontstond. In het jaar 992 schenkt Hilsondis, gravin van Strijen, zo is bekend uit een akte, het domein ‘villa Gillesela cum appenditis’ aan de abdij van Thorn en werd het gebied sindsdien de heerlijkheid Gilze en Rijen genoemd. Gilze bestond uit een aantal buurtschappen, ook wel herdgangen, gehuchten of kwartieren genoemd, waaronder Rijen, Molenschot, Hulten, Haansberg en Valkenberg. Met name Gilze en Rijen ontwikkelden zich tot lintdorpen langs de wegen richting het noordelijk gelegen Dongen. Rijen wordt voor het eerst genoemd in een akte uit 1404 en is vernoemd naar de waterlopen die van hoog naar laag gebied liepen via de Grote Lei naar de Donge. In het boerendorp werden in de wintermaanden huisnijverheden bedreven om als boer bij te verdienen.

Door de voorhand liggende grondstoffen als vlas, wol, gerst en leem, ontstonden er veel weverijen, bierbrouwerijen, veldovens en (later) steenfabrieken. Door de ligging langs de weg van Gilze via Dongen naar Oosterhout, kon het dorp floreren door de gunstige handelspositie. Zeker toen er in 1675 in Oosterhout een haven werd aangelegd (gedempt in 1970). Lange tijd bleef Rijen (tot ongeveer 1800) een klein dorp met nog geen vijfhonderd inwoners en bestond het gebied voornamelijk uit boerderijen, akkers, heide, beemden en beekdalen. Via de website Topotijdreis is altijd een mooi overzicht te verkrijgen van de omgeving en de bebouwing.

1880

15

1950

1995

2023

Globaal overzicht van de ontwikkeling van Rijen via de website Topotijdreis. De locatie Tuinstraat 33 is steeds aangegeven met de gekleurde pijl. Op de kaart uit 1880 is de zuid-noordelijk georiënteerde lintbebouwing goed te zien. In 1950 ligt de lederfabriek nog redelijk landelijk ten oosten van de lintbebouwing. In de jaren daarna slibt de omgeving rond de fabriek volledig dicht, waardoor de fabriek centraal in de bebouwing komt te liggen. Vanaf de jaren ’70 groeit Rijen explosief in westelijke richting, om in de jaren erna ook in het oosten en zuiden uit te groeien.

3.2 Beknopte geschiedenis van de leerindustrie te Rijen Zoals vermeld ontstond er in het dorp een aantal huisnijverheden, zoals weven en bierbrouwen. Eén van de belangrijkste nijverheden werd voor de dorpen Gilze en Rijen echter het looien van huiden, die als leer verkocht werden aan de lokale schoenmakerijen. Tot 1806 waren boeren vaak in het bezit van een eigen looikuip, maar daarna groeide het leerlooien tot een ware industrie met kleine leerlooierijen. De komst van de dienstplicht (1810) onder Lodewijk Napoleon heeft hier zeker aan bijgedragen, omdat soldaten stevig schoeisel nodig hadden. De aanleg van een wegennetwerk in 1827 tussen Bergen-op-Zoom, Breda en Tilburg en de spooraanleg Breda-Tilburg in 1860 droegen nog eens bij aan een betere handelspositie. Zo telde Rijen in 1910 maar liefst tweeënveertig ingeschreven looiers. Toen de dreiging van de Eerste Wereldoorlog steeds groter werd, was er wederom een grote vraag naar stevig schoeisel vanuit het leger en groeide de industrie enorm, waardoor de komst van leer- en schoenfabrieken onvermijdelijk was. Het is bekend dat in 1928 er in Rijen veertien leerfabrieken waren en achtendertig looierijen. Het verschil tussen een fabriek en looierij zit hem in het feit dat een fabriek met machines en looivaten werkt en een looierij met looikuipen.

De fabrieken zorgden voor een grote werkgelegenheid voor zowel mannen (het schoenmaken en looien) als vrouwen (het stikken). In de jaren ’70 van de vorige eeuw moesten de fabrieken het echter afleggen tegen de grote concurrentie van de buitenlandse fabrieken en ging de leerindustrie in Rijen ten onder. De leerfabriek Een lederfabriek bestond voornamelijk uit een groot gebouw met een eenvoudige, rechthoekige plattegrond. De ruimten bestonden onder ander uit productiehallen en een ketelhuis. Ook de bekende industriële schoorsteen werd vaak op het terrein gezien. Na het villen werden de huiden geweekt in kalkrijk water en werden ze uitgehangen op zogenaamde smartblokken om ze te laten broeien. Daarna werden de haren van de huiden geschraapt en werden de huiden ontvleest. Hierna begon het eigenlijke looiproces. De huiden werden lange tijd in grote kuipen gelegd met run, ook wel eek genoemd. Alvorens de huiden te drogen werden ze nog gekrabd en geschuurd om ze te laten glanzen en gewalst om ze platter en gladder te maken. Vanaf 1822 werd het schaars wordende run (afkomstig uit eikenschors) vervangen door andere plataardige stoffen, die het looiproces versnelden en begon men grote, wentelende vaten (walkvaten) te gebruiken. Het leer kon daarna geperst, ingevet, gebleekt en/ of gelakt worden. Daarnaast behoorde soms splitten en nalooien tot de bewerkingen.

Bouwhistorische verkenning

16

Twee foto’s van werkzaamheden in de Nederlandse Leerfabriek te Rijen. Links: het schoonmaken, schrapen, van de huiden. Rechts: de looi- of walkvaten die de looikuipen vervingen (bron: heemkring Molenschot, datum onbekend).

Foto van N.V. Lederfabriek Excelsior vermoedelijk genomen tussen 1930 en 1936 (bron: RAT fotonummer 56069).

Leerfabriek Excelsior Zoals vermeld bestonden er in 1928 al veertien grote leerfabrieken in Rijen, waaronder leerfabriek Excelsior aan Tuinstraat 33. De meeste leerfabrieken in rijen werden gebouwd aan het begin van de twintigste eeuw (1900-1917). Met het bouwjaar 1928 was Excelsior een van de latere leerfabrieken in het dorp, maar de vraag naar leer was blijkbaar nog groot genoeg voor een nieuwe fabriek. De bouw werd gerealiseerd in 1928 en in 1929 werd de vennootschap ingeschreven door Johannes (Jan) Godefridus Aloysius Bruijns uit Bavel, Cornelis (Kees) Johannes Bink uit Alphen en Johannes (Johan) Petrus van Gorp uit Rijen onder de naam ‘Neerlandia’, die al snel veranderde in ‘Excelsior’, mogelijk omdat er al een fabriek bestond met de naam ‘De Neerlanden’. De fabriek looide uitsluitend zoolleer bestemd voor schoenherstellers. In 1934 stapten Johan en Cornelis (vermoedelijk later bij de directie gekomen) van Gorp uit het bedrijf om samen met broer Alphons een eigen lederfabriek te

17

starten onder de naam ‘C en A van Gorp lederfabriek N.V.’ Excelsior bleef tot 1968 bestaan en in 1971 werd de fabriek verkocht.

Twee artikeltjes uit de Nieuwe Tilburgse Courant van 1933 en 1934. In 1933 wordt de fabriek volledig stilgelegd, waarna in 1934 de broers van Gorp uit de directie treden (bron: delpher.nl).

De voormalige fabriek is niet aangeduid als rijks- of gemeentelijk monument, maar wordt wel genoemd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) uit 1993. Hierin wordt erkend dat het pand van belang is voor de ontwikkeling van Rijen, als onderdeel van de belangrijke lederindustrie waar Rijen om bekend stond. In het rapport wordt de fabriek met kenmerken van de Amsterdamse school genoemd als vachezoollederfabriek van W. Mallens met bouwjaar 1925. Deze informatie over de eigenaar en het bouwjaar is echter onjuist. 3.3 Kadastrale geschiedenis In 1921 zijn er op de plek van de huidige Tuinstraat 33 twee smalle percelen te zien (nummers 1996 en 1997) die in bezit zijn van de gebroeders Theeuwes, eigenaren van de Rijensche Chroomlederfabriek. In 1928 worden beide percelen verkocht aan Johannes van Gorp, Cornelis Bink en Johannes Bruijns, die hier een fabriek laten bouwen en een jaar later de vennootschap N.V. stoomlederfabriek Excelsior beginnen. In 1934 stapt Johannes samen met zijn later tot de directie toegetreden broer Cornelis uit het bedrijf. In de volgende legger wordt merkwaardig genoeg alleen Aloysius Bruijns als eigenaar genoemd, dan woonachtig op Tuinstraat 17. Het is onbekend waar Cornelis Bink gebleven is binnen de fabriek.

Uitsnede van de kadastrale veldwerkkaart uit 1921. Percelen 1996 en 1997 bestaan nog uit bouwland in bezit van de gebroeders Theeuwes die een leerfabriek aan de Kerkstraat bezitten. Perceel 1998 is van Johannes Petrus Verheijden, een landbouwer. Dit perceel wordt in 1928 deels verkocht. Op het andere gedeelte begint de zoon van Johannes Verheijden een kleine leerlooierij.

Bouwhistorische verkenning

18

Hulpkaart en veldwerkkaart uit 1927-1928. In 1928 vindt de stichting van de fabriek plaats op de samengevoegde percelen 1996 en 1997 en een gedeelte van perceel 1998. De fabriek heeft een getrapte plattegrond aan de voorzijde. Aan de achterzijde valt een kleine uitstulping op. Aan de rechter voorzijde ligt een kleine leerlooierij van Adrianus Verheijden.

In 1949 vindt er bijbouw plaats van een hoogspanningsruimte en een huidenmagazijn. In 1956 wordt er stichting genoemd in de leggers, waarschijnlijk van een huis, want in 1959 wordt het terrein omschreven met ‘fabrieksgebouw, terrein, huis en tuin’. In 1960 heeft er volgens de tafelleggers wederom een verbouwing plaatsgevonden. Uit de bouwtekeningen valt op te maken dat het gaat om een uitbreiding aan de achterzijde in 1959, die pas in 1967 ingetekend wordt in het kadaster. Volgens een enkele bron houdt de fabriek in 1968 op te bestaan en wordt het hele gebouw in 1971 verkocht aan Antonius en Jantje Bogers uit Bavel. Zij bezitten dan een ‘fabrieksgebouw, boomgaard en tuin’ en beginnen er een kartonnageservice. In 1985 verkoopt Jantje het fabrieksgebouw en in 1989 start de huidige eigenaar er een beletteringsbedrijf.

Hulpkaarten uit 1949 tonen de bouw van een kleine uitstulping aan de linker gevel (de hoogspanningsruimte) en de bouw van een huidenmagazijn aan de achterzijde. Geheel rechts de veldwerkkaart uit 1967 die de aanbouw uit 1959 aan de achterzijde toont. In 1971 wordt de fabriek verkocht.

19

Op de veldwerkkaart uit 1972 is te zien dat er aan de rechter gevel een klein gedeelte gesloopt wordt. Sindsdien is de plattegrondvorm nauwelijks meer veranderd, te zien op de hulpkaart uit het jaar 2000. De hoogspanningsruimte aan de linker gevel is inmiddels verwijderd.

3.3 Archiefonderzoek In beeldbanken en online archieven is slechts één enkele foto gevonden van vlak na de bouw en enkele foto’s uit de jaren ‘80. De oudste gevonden bouwtekening dateert uit 1948 en betreft slechts de begane grond van de fabriek, omdat de architect zich toespitste op de aanleg van de hoogspanningsruimte en het huidenmagazijn. Door het ontbreken van de bouwtekening uit 1928 kunnen we weinig zeggen over de oorspronkelijke indeling van de fabriek. Het bouwplan uit 1948 voor de aanbouw van de hoogspanningsruimte toont alleen de plattegrond van de begane grond, zonder vermelding van de ruimten. Het plan voor de aanbouw van het huidenmagazijn is slechts gedeeltelijk getekend, waarbij de aangrenzende ruimten zijn aangeduid met ‘laverij’ en ‘kalkerij’. In 1959 wordt deze laverij uitgebreid aan de achterzijde.

Bouwhistorische verkenning

20

Begane grondindeling van de fabriek in 1948 en de kadastrale hulpkaart uit 1948. Aan de linker gevel wordt dat jaar een hoogspanningsruimte gerealiseerd. Aan de achterzijde bevinden zich de kalkerij en de laverij, verder zijn de functies van de ruimten ons onbekend. Opvallend is dat de plattegrondvorm van de bouwtekening niet helemaal overeenkomt met de plattegrondvorm van het kadaster, dat aan de rechterzijde tot 1972 een trapje meer kent (bron: RAT).

Bouwtekening uit 1948 betreffende de aanbouw van het huidenmagazijn aan de achterzijde (bron: RAT).

21

Foto uit 1914 van de laverij in de schoen- en lederfabriek aan de Korvelseweg te Tilburg. De huiden worden maandenlang in de eerste put gelegd tussen eikenschors om het looiproces te starten. Daarna gaan ze naar een tweede put. Dikkere huiden worden nog een derde keer gelooid in een derde put (RAT, fotonummer 38444). Uit de bouwtekening uit 1959 (rechts) is op te maken dat de laverij aan de achterzijde met een aantal putten wordt uitgebreid.

In 1971 zal de fabriek na verkoop verbouwd worden tot bedrijfspand, aangezien er een kartonnageservice gestart wordt in het gebouw. Uit het kadaster is op te maken dat een klein gedeelte van de voormalige lederfabriek aan de rechtervoorzijde gesloopt wordt. In het interieur zullen de looiputten na de verkoop gedempt zijn en is de indeling aangepast. De eerstvolgende bouwtekening die bij ons bekend is dateert uit 1979 en kent slechts een kleine wijziging. Voor de kartonnageservice wordt er in dat jaar een tijdelijke nissen-hut gebouwd aan de achterzijde. In 1985 wordt de voormalige fabriek verkocht aan de huidige eigenaar. Hij laat de fabriek verbouwen tot bedrijfspand met werkplaatsen en kantoren. De eerstvolgende grote verbouwing waarvan ook de bouwtekeningen in ons bezit zijn, dateert uit 1994. Een aantal vensters is dan al dichtgemetseld. In dat jaar worden overige gevelopeningen gewijzigd, dichtgemetseld en worden de overgebleven bestaande gietijzeren ramen met roedeverdeling vervangen door eenvoudige houten ramen met dubbelglas.

Plan voor een tijdelijke nissenhut aan de achterzijde van het pand uit 1979 (RAT).

Bouwhistorische verkenning

22

Bestaande toestand 1994. De vensters bevatten over het algemeen de oorspronkelijke gietijzeren ramen met roedeverdeling. De vierkante ramen zijn eerder al geplaatst ter vervanging van de oorspronkelijke ramen. Aan de voorgevel is het een en ander al aangepast.

Bouwtekeningen uit 1994 van de gewijzigde toestand. Onder andere worden meerdere ramen dichtgemetseld of vervangen en de huidige indeling van de voorgevel komt tot stand.

In 1997 volgt er een ingrijpende verbouwing. Een gedeelte van de fabriek, de aanbouw uit 1959 en de nissen hut uit 1979, wordt gesloopt en opnieuw opgebouwd als L-vormige loods. Veel ramen op de tweede verdieping die in 1994 nog niet dichtgemetseld waren, worden nu alsnog dichtgezet. In 2003 volgen er wat kleine wijzigingen in het interieur, zoals het verbouwen van de oude lift verbouwen tot stofsluis en het invoegen van een nieuwe, grotere lift aan de linkerzijde. Recent zijn er in het interieur aanpassingen gedaan, zoals het inbouwen van een glazen werkplek, een glazen scheidingswand en het aanbrengen van een pui in de linker gevel.

23

De bestaande en gewijzigde situatie uit 1997 (bron: RAT).

Door alle verbouwingen is het oorspronkelijke fabriekspand hevig aangetast. In een faseringskaart worden de fasen van de verbouwingen globaal weergegeven.

Bouwhistorische verkenning

24

Globale faseringskaart van de begane grond van de voormalige lederfabriek.

25

4

De constructie

4.1 Fundatie Zoals gebruikelijk voor de bouwtijd (1928) is het oorspronkelijke gedeelte van de voormalige fabriek gefundeerd op staal met versnijdingen in de voet van het metselwerk. De loods uit 1997 is gefundeerd op beton. Verder kan er weinig geschreven worden over de fundatie. Deze kon niet worden waargenomen en is niet ingetekend op bouwtekeningen.

Doorsneden (van de fundatie) uit 1959 en 2003.

4.2 De gevels en binnenmuren De gemetselde gevels zijn van oorsprong anderhalf steens dik en gemetseld in kruisverband, met uitzondering van de minder representatieve achtergevels, die in staand verband gemetseld zijn. De gevels van de loods uit 2003 hebben een gemetseld buitenblad van een halfsteens dikte in wildverband en een binnenblad van blokken kalkzandsteen, waartussen een spouw. De binnenmuren zijn doorgaans gemetseld en steens dik. Een enkele wand uit 1997 bestaat uit damwandplaten. Doordat alle binnenmuren zijn gestukt en we geen plattegrond in ons bezit hebben uit de bouwtijd, is het lastig te zeggen welke binnenmuren uit 1928 stammen.

Bouwhistorische verkenning

26

De linkerwand van de grote loods uit 1997 is een oorspronkelijke buitenmuur van het hoofdgebouw uit 1928.

4.3 De begane-grondvloer Op tekeningen van de verbouwingen is te zien dat de huidige vloer bestaat uit beton. Op oude foto’s zien we naast een betonvloer ook klinkervloeren. Vermoedelijk waren bepaalde ruimten voorzien van een gladde betonvloer, maar de meeste vloeren zullen bestaan hebben uit een klinkervloer (op de bouwtekening uit 1959 aangegeven in de uitbouw van de laverij). Inmiddels is de gehele vloer op de benedenverdieping voorzien van een moderne gietvloer.

Een foto van een werkplaats uit de Nederlandse Leerfabriek te Rijen. De vloer in deze ruimte bestaat uit beton, omdat de kalk anders te veel verloren zou gaan tussen klinkernaden. (bron: RAT fotonummer 23850117).

27

4.4 De verdiepingsvloeren De oorspronkelijke constructie uit 1928 is op de tweede verdieping nog goed te zien. Stalen Hbalken zijn over de breedte van het pand gelegen, waartegen houten balken bevestigd zijn met moeren en bouten. Op deze houten balken liggen de vloerbalken (10 centimeter hoog en 7 centimeter breed) in de lengterichting, waarop de oorspronkelijke planken vloer rust in de breedterichting. De vloeren bestaan uit smalle vuren planken van 11 centimeter breed met een hartop-hart afstand van 12 centimeter, verbonden middels messing en groef en aan de vloerbalken gespijkerd. Er is een verschil in de constructie te zien, dat zich op elke verdieping herhaalt. De eerste vier stalen H-balken meten 22 centimeter hoog en 9 centimeter breed. De houten balken passen hier met de vloerbalken precies in het profiel van de stalen balken, die gestut worden door gietijzeren kolommen, vastgezet met klinknagels. De overige stalen balken meten 35 centimeter hoog en 14 centimeter breed. Deze worden niet gestut door gietijzeren kolommen, waardoor de verklaring van hogere en bredere H-balken voor de hand ligt. Ten slotte is de constructie van het plat dak in de ruimte uit 1948 ingetekend als een ‘Holbra vloer’ van 13 centimeter dikte met een wapening per strook van vier stenen breed, aangegoten met beton. Dit geldt ook voor de dakconstructie van de uitbouw aan de rechterzijde.

Dit systeem komt voor vanaf 1941.

Foto van de tweede verdieping. De eerste vier H-balken worden gestut door gietijzeren kolommen.

Bouwhistorische verkenning

28

Constructie van de vloer met zwaardere H-balken. De houten balken in de breedterichting zijn halverwege het profiel vastgezet. De vloerbalken zijn ingekeept om in het profiel van de stalen balken te passen.

Links: door een gat in het systeemplafond op de begane grond is een gedeelte van de verdiepingsvloerconstructie uit 1928 te zien. Rechts: de constructie van de verdiepingsvloer uit 1948 bestaat uit holle bakstenen met wapening, afgestort met beton. De sporen van de bekisting zijn zichtbaar in het plafond.

Op de tweede verdieping sijpelt er teer van het dakleer tussen de plafondplanken door. De dakconstructie uit 1928 is niet gezien.

29

5

Het interieur

5.1 De structuur De oorspronkelijke structuur uit 1928 valt niet meer te achterhalen, al zal de indeling van ruimten niet (veel) verschild hebben met de plattegrond uit 1948. Dankzij de gedeeltelijke tekening uit 1948 weten we dat er zich aan de achterzijde een kalkerij en een laverij bevonen. Verder zal er een looierij geweest zijn, een walsruimte, opslagruimten (het huidenmagazijn) en een droogruimte, die zich doorgaans op de bovenverdieping bevond. Door de moderne afwerking van de wanden is middels een bouwhistorische verkenning niet te achterhalen welke binnenmuren uit 1928 dateren en welke later zijn toegevoegd. Gelukkig bieden de bouwtekeningen hier enige duidelijkheid.

De plattegrond uit 1948 ten opzichte van de plattegrond uit 2003.

5.2 De begane grond Op de begane grond zijn geen elementen gezien uit de bouwtijd. De wanden zijn gestukt, de vloer is afgewerkt met een gietvloer en de balklagen gaan schuil achter een systeemplafond. De kantoorruimten zijn allemaal later, in ieder geval na 1971, ingebouwd.

Bouwhistorische verkenning

30

Impressie van de huidige bedrijfsruimte, gezien richting de voorzijde. De kantoorruimten rechts op de foto zijn ingebracht in 1994. De vier gietijzeren kolommen uit de bouwtijd zijn tijdens de verbouwingen gehandhaafd. De eerste twee zijn ingemetseld in de huidige toiletruimte, de achterste twee zijn voorzien van een betimmering.

De bedrijfsruimte op de begane grond gezien vanaf de voorzijde. Links op de foto is een recent ingevoegde ruimte te zien. Rechts op de foto is een klein gedeelte van een, vermoedelijk, oorspronkelijke binnenmuur te zien.

31

Een glazen wand is recent ingevoegd ter hoogte van een, vermoedelijk, oorspronkelijke muur. Rechts de lift uit 2003.

De ruimte aangebouwd in 1948 als huidenmagazijn. In 1985 is dit de zeefdrukruimte geworden. In de jaren ‘90 is de ruimte gemoderniseerd en is er een schuifdeur geplaatst.

Bouwhistorische verkenning

32

Wasbak uit de jaren ’80 in het voormalige huidenmagazijn met tegels met bloemmotief.

Interieur van de loods uit 1997.

33

Links: de oude liftschacht uit 1971, nu in gebruik als stofsluis naar de aangrenzende ruimte (rechts). Deze ruimte dateert uit 1971. De garagedeur is in 2003 ingezet.

De ruimte waarin de kantine in 1994 is gerealiseerd dateert gedeeltelijk uit de bouwtijd en gedeeltelijk uit 1971. De oorspronkelijke wanden gaan schuil achter moderne afwerkingen.

5.3 De eerste verdieping Van de eerste verdieping dateert de, bij ons bekende, oudste bouwtekening uit 1994, wat onderzoek bemoeilijkt. De eerste verdieping is tegenwoordig in gebruik als opslagruimte. De gehele verdieping bestaat vrijwel uit één grote ruimte. Alleen aan de achterzijde is een aparte ruimte

Bouwhistorische verkenning

34

gerealiseerd (onbekend wanneer) en aan de rechterzijde bevindt zich een naaikamer in de uitbouw. Het is ons onduidelijk wanneer de uitbouw gerealiseerd is. Volgens de kadastrale gegevens dateert de uitbouw uit 1928, maar bouwsporen wijzen anders uit. In het volgende hoofdstuk wordt hier dieper op ingegaan.

Impressie van de opslagruimte op de eerste verdieping, zoals gezien tijdens de velddag. De oorspronkelijke vloer (rechts) gaat gedeeltelijk schuil onder modern laminaat. De plafondconstructie gaat tussen de stalen H-balken schuil achter een modern systeemplafond.

De eerste verdieping gezien richting de voorgevel. De oorspronkelijke gietijzeren ramen zijn in 1994 vervangen door eenvoudige houten kozijnen. In het midden is één van de vier omtimmerde gietijzeren kolommen te zien.

35

In de linker buitengevel uit 1928 zijn de getoogde vensters allemaal in de periode 1971-1994 dichtgemetseld.

In de rechter buitenwand uit 1928 zijn de liftdeur uit 1971 en een deur naar het plat dak te zien. De houten deur naar het plat dak stamt waarschijnlijk uit 1971, ingebracht in een oorspronkelijke opening, gezien de nieuw gemetselde dagkanten. De recente deur rechts leidt naar de naaikamer.

Bouwhistorische verkenning

36

De naaikamer in de ruimte van de uitbouw aan de rechterzijde. Het betonnen plafond vertoont, evenals de uitbouw uit 1948 aan de achterzijde van de begane grond, sporen van bekisting, waardoor het vermoeden ontstaat dat de uitbouw ooit is opgehoogd, of gedeeltelijk vernieuwd.

De binnenmuur tussen de opslagruimte en de kamer aan de achterzijde. Door de huidige wandafwerking kon de wand niet onderzocht worden, maar vermoedelijk gaat het om een recente wand.

37

De ruimte aan de achterzijde. De gevels, de vloer en de verdiepingsconstructie dateren allemaal uit de bouwtijd.

De houten trap van de eerste naar de tweede verdieping. Boven het trapgat bevindt zich een katrol, waardoor we vermoeden dat dit oorspronkelijk een hijsluik is geweest waar men later (datering onbekend) een trap heeft geplaatst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14653786/2